GOD IN DE NATUUR

GOD IN DE NATUURNatuur! waar ik,Een oogenblik,Uw schoonheid merk,Is ’t of op ’t werk,—Van ’s Bouwheers stift,Met vlammend schrift,—Staat ingegrift:—(En telkens weer,—)Groot is de Heer!—Ja! daar is ’t grootsch,Dat beeld des doods,Als heel Natuur,Bij winteruur,In ’t sneeuwkleed troont;Als ’t woud, gekroond,Met dons, zich toont;Waar ’t morgenrood,Goud overgoot.Hoor ’t eikenwoud!—De stormwind houdt,Zijn intocht daar!—Hoe diep en zwaar,’t Daar steunt, en zucht;Hoe ’t door de lucht,Van wolken vlucht!Wat grootsch geheel,Wat tafereel!Daar grijpt het aan,Waar langs hun’ baan,—Van het heelal—’t Onnoem’lijk tal,Der sterren, hel,Op ’t Hoogst Bevel,Zich went’len, snel—Langs ’s Hemels trans,Vol gloed en glans.—De hemelzee,Ligt thans, in steê,Van lieflijk blauw,In duist’re schâuw.—Een wolkenstoet,Met zwavelgloed,Zich zoomend, spoedt,Verschrikk’lijk schoon,Ten hemeltroon.Nog roert zich niets;Maar toch een iets,Zoo onbestemd,Dat zoo beklemt,Ligt in dit uur;—Daar valt het vuur....En na geen duur,Dreunt grootsch, met klem,Gods donderstem.Ja, dat ontzet!Ja, dat verplet!’t Is of God zelf,—Van ’t luchtgewelf,Als eens, weleer,Naar Horeb neêr,Als scheps’len Heer—Wijl ’t dreunt en straalt,—Ter nederdaalt.Daar is het zoet,Voor ’t vol gemoed,Waar ’t graanveld suist;Waar ’t beekje ruischt;Waar ’t donzig mos,Van ’t koele bosch,In zomerdos,Bij ’t avondrood,Den wand’laar noodt.O Daar is ’t schoon,Nu de orgeltoon,Van ’t eenzaam woud,—Vol groen en goud,Vol zacht verguld,In licht gehuld,—Het hart vervult:Gij ook een galm!Mijn ziel, een Psalm!O Zing nog lang,Voor mij uw zang,Gij zangrendrom,Door ’t schoon rondom!—Waar’ ’t dat geen lof,Mijn zang meer trof,Zing dan mijn stof,In stilte en rust,Uw liefde en lust.Zoek dan waar ’t mos,In groenen dos,Mijn graf bedekt,—Tot lijkkleed strekt.—O ik, ik weet,Dat gij in leed,Noch smart vergeet:Zing dan mijn stof,Mijn Vaders lof!

Natuur! waar ik,Een oogenblik,Uw schoonheid merk,Is ’t of op ’t werk,—Van ’s Bouwheers stift,Met vlammend schrift,—Staat ingegrift:—(En telkens weer,—)Groot is de Heer!—

Ja! daar is ’t grootsch,Dat beeld des doods,Als heel Natuur,Bij winteruur,In ’t sneeuwkleed troont;Als ’t woud, gekroond,Met dons, zich toont;Waar ’t morgenrood,Goud overgoot.

Hoor ’t eikenwoud!—De stormwind houdt,Zijn intocht daar!—Hoe diep en zwaar,’t Daar steunt, en zucht;Hoe ’t door de lucht,Van wolken vlucht!Wat grootsch geheel,Wat tafereel!

Daar grijpt het aan,Waar langs hun’ baan,—Van het heelal—’t Onnoem’lijk tal,Der sterren, hel,Op ’t Hoogst Bevel,Zich went’len, snel—Langs ’s Hemels trans,Vol gloed en glans.—

De hemelzee,Ligt thans, in steê,Van lieflijk blauw,In duist’re schâuw.—Een wolkenstoet,Met zwavelgloed,Zich zoomend, spoedt,Verschrikk’lijk schoon,Ten hemeltroon.

Nog roert zich niets;Maar toch een iets,Zoo onbestemd,Dat zoo beklemt,Ligt in dit uur;—Daar valt het vuur....En na geen duur,Dreunt grootsch, met klem,Gods donderstem.

Ja, dat ontzet!Ja, dat verplet!’t Is of God zelf,—Van ’t luchtgewelf,Als eens, weleer,Naar Horeb neêr,Als scheps’len Heer—Wijl ’t dreunt en straalt,—Ter nederdaalt.

Daar is het zoet,Voor ’t vol gemoed,Waar ’t graanveld suist;Waar ’t beekje ruischt;Waar ’t donzig mos,Van ’t koele bosch,In zomerdos,Bij ’t avondrood,Den wand’laar noodt.

O Daar is ’t schoon,Nu de orgeltoon,Van ’t eenzaam woud,—Vol groen en goud,Vol zacht verguld,In licht gehuld,—Het hart vervult:Gij ook een galm!Mijn ziel, een Psalm!

O Zing nog lang,Voor mij uw zang,Gij zangrendrom,Door ’t schoon rondom!—Waar’ ’t dat geen lof,Mijn zang meer trof,Zing dan mijn stof,In stilte en rust,Uw liefde en lust.

Zoek dan waar ’t mos,In groenen dos,Mijn graf bedekt,—Tot lijkkleed strekt.—O ik, ik weet,Dat gij in leed,Noch smart vergeet:Zing dan mijn stof,Mijn Vaders lof!


Back to IndexNext