HERINNERINGLief heb ’k u, tijden van weleer!—Waarom ’k u min? vraag verder niet;’k Voel iets in ’t hart, mij dier, mij waard,Dat snel door elken zenuw vaart,Als vreugd, herinnering, als lied!Een wereld, zoo vol Poezie,Rijst dan uit nevelig verschiet,Op wolken, rijk omboord met goud,Waaruit een wond’re lichtglans vliet,Een gloor, zoo heerlijk, duizendvoud!Een licht, als uit het Paradijs,—Op nieuw verrezen voor het oog,In volle heerlijkheid, dat weêr,Langs mijne blikken henentoog,Eenmaal misschien, een enk’le keer.Met al het namelooze zoet,De kindsheid eigen: klank en woord,Zijn te arm, voor al wat zij behoeft:Het leeft slechts in herinn’ring voort,Waarbij zoo graag de geest vertoeft.—
Lief heb ’k u, tijden van weleer!—Waarom ’k u min? vraag verder niet;’k Voel iets in ’t hart, mij dier, mij waard,Dat snel door elken zenuw vaart,Als vreugd, herinnering, als lied!
Een wereld, zoo vol Poezie,Rijst dan uit nevelig verschiet,Op wolken, rijk omboord met goud,Waaruit een wond’re lichtglans vliet,Een gloor, zoo heerlijk, duizendvoud!
Een licht, als uit het Paradijs,—Op nieuw verrezen voor het oog,In volle heerlijkheid, dat weêr,Langs mijne blikken henentoog,Eenmaal misschien, een enk’le keer.
Met al het namelooze zoet,De kindsheid eigen: klank en woord,Zijn te arm, voor al wat zij behoeft:Het leeft slechts in herinn’ring voort,Waarbij zoo graag de geest vertoeft.—