MIJN GEBOORTEPLAATSMijn horizont is eng begrensd,Hoe vaak ik ’t anders heb gewenscht;Want naar het gansche West en Noord,Is ’t al met kreupelhout omboord,Zoodat ik voor de afwisseling,’t Vind zoo eentoonig, zoo gering;Slechts naar het Oosten en naar ’t Zuid,Ziet men alleen veel verder uit.—Wanneer men zich naar ’t Oosten keert,Is ’t veld met vee schoon gestoffeerd;Pronkt voorjaars ’t Boterbloempje in goud,Waartusschen Kievit ’t nest zich bouwt.Golft van de rietpluim ’t zacht fluweel,Bij wilgenkatjes geurig geel;Kweelt Kemphaan, Gruto, Tureluur,Het luidst, bij zonnig morgenuur;Zong Leeuwerikje al weken her,De hoogtijdstrillers vroolijk er.—De plassen van ’t gebroken land,—Met waterlelies bloemenrand—Herbergen lang reeds ’t zwemmend heer,In keur van onderscheiden veêr,Nabij der molenwieken vlucht,Vrij drijvend door de blauwe lucht.—En op den voorgrond, heel nabij,Ligt Buitenpost; de toren vrij—Met zijne schoone aloude kerk,En in die richting ’t hoogste merk;Wijl Haersma-State’s heerlijk bosch,Zich maakt uit ’t groen der Vennen los.—Men kan nog zien een torenspits—Een Hooge en eene Schoone, mits,—Men kiest een klaren morgenstond;En dan zeer verre als aan den grond,Ontdekt men een verheven punt—Eene enkle maal is ’t slechts vergund.Het puntje is ook zoo uiterst klein;En is de lucht niet zuiver, rein,En zonder een’ge wolken, dan—Is er volstrekt geen sprake van.Daar rijst Martini’s torentop,Van Gruno’s stad, ten hemel op.—Bij Buitenpost trof reeds de gang,Der Molens, den beschouwer lang;Van Stroobos eene lange rij;—(Een vijftal staan daar, zij aan zij)—Waar, door ’t Zuid-Oost, de Oldambster gerst,Tot gort uit hare hulzen berst,En de olie klaar, na slag op slag,Der stampers, straks komt voor den dag.—Nu verder aan den horizont,Ligt Doezums toren aan den grond;En als ’k den blik meer zuidwaarts sla,Dan blauwt daar Augustinusga,Met spitsen toren, hooge kerk,Zich scherp afteek’nend tegen ’t zwerk.Meer op den voorgrond ligt Rohel.«Die polder krijgt wis last van kwel»,Dacht men, toen men daar âren groef.Daarom was ’t, dat men dubble schroef,In zijnen forschen Molen lei;En maalt bij sterken wind met bei.—Surhuizum rijst nu voor het oog,Van over ’t hooge bosch omhoog,Tot waar een boomgroep, vlak in ’t Zuid,Waar Buweklooster stond, beduidt,Eer met zijn Brink ’t oud Drogeham,In ’t lommer van zijne Olmen kwam.En Kootstertille’s molenpaar,Tot meer zuid-westelijk, zich daar,Met flinke vlucht naar boven richt,Wijl Kooten nu komt in ’t gezicht.De nieuwe kerk met torentrans,Verheft zich uit de rijen thans,Der huizings, langs den weg geschaard;De Kootster Molen wordt ontwaard,Ten laatsten aan den noorderend;Sinds jaar en eeuwen reeds bekend,Van verre verte en van nabij.—Hij voerde er eeuwen heerschappij,Als koning, uren in het rond,Met Eolus in schoon verbond;Want concurrentie had hij niet;Heel de omtrek was zijn rijksgebied.—Nog voelt hij niet der jaren last,Schoon menig jongre naast hem wast.Dan voert de heerlijkste Eikenlaan,Op ’t lange, bloeiend Twijzel aan;Welks Boerderijen, groot en klein,Wel dertig,—allen even rein,—Zich legeren in dubble rij,Van de eikenlaan, ter wederzij.Niet als de Middachter bekend;—Niet minder schoone loovertent,Als die van ’t graaflijk Rozendaal.Wie schetst dit schoon, met stift of taal!Het is der boomen schoonste sier;Hun trots, wier pracht en schoonheid hier,Zich welft tot eene zuilengang,Bijna een uur te wandlen lang.—Pronkt ginds Middachter beukenlaan,—En blijft men licht bewondrend staan,Bij ’t schoon der Rozendaalsche Allée,En doet de Loolaan toch ook mee,—Hier spreidt zich ’t koninklijke schoon,Der Eikenrijen fier ten toon;En zoomen, samen rij naast rij,Den schoonsten weg ter wederzij.En rechts en links en links en rechts—En niet met enkle stammen slechts,—Een Dom van «ongekorven hout»!In wijde spanning, hoog en stout,Als levend lofwerk, vak aan vak,Dus vormend ’t heerlijkst koepeldak,Zoo hoog met ragfijn twijgje en tak,Als Twijzels aloud torendak.—Niet schooner bij u Ellecom,Is het. Milaan! uw marm’ren Dom,Haalt niet bij deze loovertent,Zoo gaad’loos schoon, als min bekend.’t Is of Gods adem er doorwaart,Als Zefier er door henenvaart,Als ’t jubelt, Hem tot prijs en eer,Van ’t vogellied, voor schepsels Heer!—Hoe schoon is ’t, deze trotsche laan,Bij Lente en Zomer door te gaan!Wanneer de Zefier er in ruischt,Veelvuldig zich in ’t takwerk kruist;Waar van de Eolusharp, een snaar,Wordt aangeslagen, hier, nu daar!Terwijl ’t veelstemmig, hoog en diep,’t Registertal van ’t Werk doorliep,Tot eindelijk, van fluistrend zacht,Des reuzenorgels volle kracht,Een luchtmuziek, in Mol en Dur,Weerklinkt, als loflied der Natuur.Spreid lang uw schaduw nog o Laan!Blijf menschenlevens lang bestaan!De roem van ’t dorp, waar ’s levens dag,Bij mijn geboorte ik blinken zag.
Mijn horizont is eng begrensd,Hoe vaak ik ’t anders heb gewenscht;Want naar het gansche West en Noord,Is ’t al met kreupelhout omboord,Zoodat ik voor de afwisseling,’t Vind zoo eentoonig, zoo gering;Slechts naar het Oosten en naar ’t Zuid,Ziet men alleen veel verder uit.—
Wanneer men zich naar ’t Oosten keert,Is ’t veld met vee schoon gestoffeerd;Pronkt voorjaars ’t Boterbloempje in goud,Waartusschen Kievit ’t nest zich bouwt.Golft van de rietpluim ’t zacht fluweel,Bij wilgenkatjes geurig geel;Kweelt Kemphaan, Gruto, Tureluur,Het luidst, bij zonnig morgenuur;Zong Leeuwerikje al weken her,De hoogtijdstrillers vroolijk er.—De plassen van ’t gebroken land,—Met waterlelies bloemenrand—Herbergen lang reeds ’t zwemmend heer,In keur van onderscheiden veêr,Nabij der molenwieken vlucht,Vrij drijvend door de blauwe lucht.—En op den voorgrond, heel nabij,Ligt Buitenpost; de toren vrij—Met zijne schoone aloude kerk,En in die richting ’t hoogste merk;Wijl Haersma-State’s heerlijk bosch,Zich maakt uit ’t groen der Vennen los.—
Men kan nog zien een torenspits—Een Hooge en eene Schoone, mits,—Men kiest een klaren morgenstond;En dan zeer verre als aan den grond,Ontdekt men een verheven punt—Eene enkle maal is ’t slechts vergund.Het puntje is ook zoo uiterst klein;En is de lucht niet zuiver, rein,En zonder een’ge wolken, dan—Is er volstrekt geen sprake van.Daar rijst Martini’s torentop,Van Gruno’s stad, ten hemel op.—Bij Buitenpost trof reeds de gang,Der Molens, den beschouwer lang;Van Stroobos eene lange rij;—(Een vijftal staan daar, zij aan zij)—Waar, door ’t Zuid-Oost, de Oldambster gerst,Tot gort uit hare hulzen berst,En de olie klaar, na slag op slag,Der stampers, straks komt voor den dag.—Nu verder aan den horizont,Ligt Doezums toren aan den grond;En als ’k den blik meer zuidwaarts sla,Dan blauwt daar Augustinusga,Met spitsen toren, hooge kerk,Zich scherp afteek’nend tegen ’t zwerk.Meer op den voorgrond ligt Rohel.«Die polder krijgt wis last van kwel»,Dacht men, toen men daar âren groef.Daarom was ’t, dat men dubble schroef,In zijnen forschen Molen lei;En maalt bij sterken wind met bei.—
Surhuizum rijst nu voor het oog,Van over ’t hooge bosch omhoog,Tot waar een boomgroep, vlak in ’t Zuid,Waar Buweklooster stond, beduidt,Eer met zijn Brink ’t oud Drogeham,In ’t lommer van zijne Olmen kwam.En Kootstertille’s molenpaar,Tot meer zuid-westelijk, zich daar,Met flinke vlucht naar boven richt,Wijl Kooten nu komt in ’t gezicht.De nieuwe kerk met torentrans,Verheft zich uit de rijen thans,Der huizings, langs den weg geschaard;De Kootster Molen wordt ontwaard,Ten laatsten aan den noorderend;Sinds jaar en eeuwen reeds bekend,Van verre verte en van nabij.—Hij voerde er eeuwen heerschappij,Als koning, uren in het rond,Met Eolus in schoon verbond;Want concurrentie had hij niet;Heel de omtrek was zijn rijksgebied.—Nog voelt hij niet der jaren last,Schoon menig jongre naast hem wast.
Dan voert de heerlijkste Eikenlaan,Op ’t lange, bloeiend Twijzel aan;Welks Boerderijen, groot en klein,Wel dertig,—allen even rein,—Zich legeren in dubble rij,Van de eikenlaan, ter wederzij.Niet als de Middachter bekend;—Niet minder schoone loovertent,Als die van ’t graaflijk Rozendaal.Wie schetst dit schoon, met stift of taal!Het is der boomen schoonste sier;Hun trots, wier pracht en schoonheid hier,Zich welft tot eene zuilengang,Bijna een uur te wandlen lang.—Pronkt ginds Middachter beukenlaan,—En blijft men licht bewondrend staan,Bij ’t schoon der Rozendaalsche Allée,En doet de Loolaan toch ook mee,—Hier spreidt zich ’t koninklijke schoon,Der Eikenrijen fier ten toon;En zoomen, samen rij naast rij,Den schoonsten weg ter wederzij.En rechts en links en links en rechts—En niet met enkle stammen slechts,—Een Dom van «ongekorven hout»!In wijde spanning, hoog en stout,Als levend lofwerk, vak aan vak,Dus vormend ’t heerlijkst koepeldak,Zoo hoog met ragfijn twijgje en tak,Als Twijzels aloud torendak.—Niet schooner bij u Ellecom,Is het. Milaan! uw marm’ren Dom,Haalt niet bij deze loovertent,Zoo gaad’loos schoon, als min bekend.’t Is of Gods adem er doorwaart,Als Zefier er door henenvaart,Als ’t jubelt, Hem tot prijs en eer,Van ’t vogellied, voor schepsels Heer!—
Hoe schoon is ’t, deze trotsche laan,Bij Lente en Zomer door te gaan!Wanneer de Zefier er in ruischt,Veelvuldig zich in ’t takwerk kruist;Waar van de Eolusharp, een snaar,Wordt aangeslagen, hier, nu daar!Terwijl ’t veelstemmig, hoog en diep,’t Registertal van ’t Werk doorliep,Tot eindelijk, van fluistrend zacht,Des reuzenorgels volle kracht,Een luchtmuziek, in Mol en Dur,Weerklinkt, als loflied der Natuur.
Spreid lang uw schaduw nog o Laan!Blijf menschenlevens lang bestaan!De roem van ’t dorp, waar ’s levens dag,Bij mijn geboorte ik blinken zag.