NATUURSCHOON

NATUURSCHOONIk heb uw heerlijkheid aanschouwd,Uw luister, uwe pracht Natuur!Bij morgenstond, in ’t avonduur.Uw wolken, stralende van goud.En purper, ’t luchtruim door gestrooid,Waarmeê een gansche wolkenschaar,Eensklaps zich tooide, hier en daar.Met liefelijker kleuren nooit!Ik zag dat al bij lentepracht;Ik hoorde ’t namelooze schoon,Der een’ge nachtegalen toon,Bij maneschijn in Meischen nacht.Ik zag Orions stralenschichtRondom de Poolster, ’t al in vuur,Bij zwijgend middernachtlijk uur:Het heerlijk prachtig Noorderlicht.O, ’t wekt verlangen naar Hem heen,Die, van het hemelsch Paradijs,—Zijn Naam ter eer, tot lof en prijs,—Een toon, een straal zond naar beneên!

Ik heb uw heerlijkheid aanschouwd,Uw luister, uwe pracht Natuur!Bij morgenstond, in ’t avonduur.Uw wolken, stralende van goud.

En purper, ’t luchtruim door gestrooid,Waarmeê een gansche wolkenschaar,Eensklaps zich tooide, hier en daar.Met liefelijker kleuren nooit!

Ik zag dat al bij lentepracht;Ik hoorde ’t namelooze schoon,Der een’ge nachtegalen toon,Bij maneschijn in Meischen nacht.

Ik zag Orions stralenschichtRondom de Poolster, ’t al in vuur,Bij zwijgend middernachtlijk uur:Het heerlijk prachtig Noorderlicht.

O, ’t wekt verlangen naar Hem heen,Die, van het hemelsch Paradijs,—Zijn Naam ter eer, tot lof en prijs,—Een toon, een straal zond naar beneên!


Back to IndexNext