Na dezen

Na dezenGedenk te sterven,Te sterven mensch!Uw zwoegen, zwerven,Vindt daar zijn grens,Waar ge in de groeve,Ter nederdaalt.—’t Zij lang gij toeve,Door vreugde omstraald;’t Zij korte dagen,Gij ’s levens smart,Slechts hebt te dragen,In ’t bange hart.—Gedenkt te sterven!Is ’t wachtwoord steeds:Dit leven derven,Deels vreugd, deels leeds.—Zie! rozen bloeien,In wit en rood;En lelies groeien,Op graf en dood.—’t Mos weeft zijn stengel,Zoo donzig zacht,In ’t kleurgemengel,Dier bloemenpracht,De graven over,De marmerzerk,Door hangend loover,Van wilg of berk;—Cipressen treuren,In altoos groen;En klimops kleuren,—Als rijk festoen,Het praalgesteente:Gepleisterd graf—Waar ’t doodsgebeente,’t Verderf zich gaf.—Gedenk te sterven!Ging ’t al vooraf;Vergaan, verderven,Als stof, als kaf,Wanneer tot aarde,Het aardsche keert,Die het ook baarde,En ’t weêr begeert.—Stof zult gij wederEens worden, gij,Als gij eens neder,Daar zij, aan zij,U strekt ter ruste.—’t Zij arme of rijk’,Of maag’ u kuste,Als liefdeblijk,Ten afscheidsgroete;Of vriend of buur,Aan ’t graf u moette,—Of vreemde om huur.—Maar sterft het koren,In de aard niet, eer,—’t Opnieuw geboren,Verrezen weer,—Vol kracht herlevend—De aard toevertrouwd—Zijn oogsten gevend,Wel honderdvoud?En zweeft de vlinder,Ontslagen thans,Van boei en hinder,In kleur en glans,—Uit worm of made,Verheerlijkt,—niet?Nu hij zijn wade,Slechts achterliet.—Zal eens hier achter,’t Zoo ook niet zijn?Wanneer de Wachter,Het zwart gordijn,—Dat dood en duisterGenoemd wordt,—scheidt,En ’s hemels luister,De slapers beidt?

Gedenk te sterven,Te sterven mensch!Uw zwoegen, zwerven,Vindt daar zijn grens,Waar ge in de groeve,Ter nederdaalt.—’t Zij lang gij toeve,Door vreugde omstraald;’t Zij korte dagen,Gij ’s levens smart,Slechts hebt te dragen,In ’t bange hart.—Gedenkt te sterven!Is ’t wachtwoord steeds:Dit leven derven,Deels vreugd, deels leeds.—

Zie! rozen bloeien,In wit en rood;En lelies groeien,Op graf en dood.—’t Mos weeft zijn stengel,Zoo donzig zacht,In ’t kleurgemengel,Dier bloemenpracht,De graven over,De marmerzerk,Door hangend loover,Van wilg of berk;—Cipressen treuren,In altoos groen;En klimops kleuren,—Als rijk festoen,Het praalgesteente:Gepleisterd graf—Waar ’t doodsgebeente,’t Verderf zich gaf.—

Gedenk te sterven!Ging ’t al vooraf;Vergaan, verderven,Als stof, als kaf,Wanneer tot aarde,Het aardsche keert,Die het ook baarde,En ’t weêr begeert.—Stof zult gij wederEens worden, gij,Als gij eens neder,Daar zij, aan zij,U strekt ter ruste.—’t Zij arme of rijk’,Of maag’ u kuste,Als liefdeblijk,Ten afscheidsgroete;Of vriend of buur,Aan ’t graf u moette,—Of vreemde om huur.—

Maar sterft het koren,In de aard niet, eer,—’t Opnieuw geboren,Verrezen weer,—Vol kracht herlevend—De aard toevertrouwd—Zijn oogsten gevend,Wel honderdvoud?En zweeft de vlinder,Ontslagen thans,Van boei en hinder,In kleur en glans,—Uit worm of made,Verheerlijkt,—niet?Nu hij zijn wade,Slechts achterliet.—Zal eens hier achter,’t Zoo ook niet zijn?Wanneer de Wachter,Het zwart gordijn,—Dat dood en duisterGenoemd wordt,—scheidt,En ’s hemels luister,De slapers beidt?


Back to IndexNext