Natuurbespiegeling

NatuurbespiegelingEen uitzicht naar de heide—Een blik op ’t blauwe meer,Langs het smaragd der weide—Naast ’s boschrands groen dan weer,Op ’t hutje in korenvelden,Ver weg van pad of laan,Daar, waar de wand’laars zelden—De daglooners slechts gaan.’t Welk daar schijnt op te doemen,In ’t veld zoo uitgebreid,—Met recht wel het te noemen,Een Kluis der Eenzaamheid.—Een kijkje op gindsche Dennen—Een groep van levend groen—Waar Zephyrs luid doorrennen,En krachtig ruischen doen.—Een zitje op grauwe steenen,Aan hunne voet verspreid;In ’t zwijgen om zich henen,En hart en ziel vermeid;Omhuld door een halfdonker,Dat het gezicht bepaalt;Geen licht dan ’t hel geflonker,—’t Welk van de vleug’len straalt,Eens Vlinders, die toevallig,Van boven nederzijgt,Zijn kleuren duizendtallig,Aan eenen lichtstraal rijgt,Die van een wolkrand stralend,Ver weg, door ’t looverdak,—Naar de aarde schittrend dalend,—Op ’s Vlinders wieken brak.—Wijl straks de Philomelen,Hun beurtzang telkens weer,Uit orgelende keelen,Doen klinken keer op keer;En op hun zangsmotiven,—Allengskens opgebouwd,—Van toen, zij ze eerst aanhieven,Tot een Sonate ontvouwd—In tonen antwoord gevend,Zoo lieflijk, teer en zoet,Op westewieken zwevend,Ontvlammend ’t stugst gemoed.—Natuur dus te bespieden,In vorm, in kleur, in toon:Kan ’t leven schooners bieden,Dan van Natuur zoo ’t schoon?Zoo ’t leven door te vlieten,Alsof geen toekomst is,In ’s levens lot, vol nieten,Vol smart, vol ergernis,Vol schijngeluk, vol hopen,Teleurstelling genoeg—Tot eind’lijk hij ’t ontknoopen,In ’t eind, wat gaf ’t? men vroeg!Waarom zijne Idealen—Met geestdrift nagejaagd?—En nimmer in te halen;—Voor hen getracht! gewaagd!Om eindelijk ten leste,Waarvoor men was ontvlamd,—De moed heên, die nog restte,De veerkracht straks verlamd!Met moê geslagen vlerken,—Ten laagsten sport gedaald,—Voor goed te moeten merken:Wat schoon scheen, heeft gefaald!Neen niet door hooge luchten,In razend stormgewoel,Met wilde wolkenvluchten,Naar ’t onbereikbaar doel!—Neen niet langs woeste baren,Bij nachtlijken orkaan,Naar ’t doelwit heen te staren,Of blind’lings af te gaan!—Er ligt zooveel voor ’t grijpen:Veel bloesems bloeien er;Veel vruchten die er rijpen,Bereikbaar, heinde en ver.Er blinkt een grooten zegen,—Te weinig opgemerkt;En lonkt hem heerlijk tegen:Hem, die slechts bidt en werkt!Dat staat door heel het leven,Als woord van waarheid pal;Zoo waar, rein, als verhevenBlijft het in elk geval.—En zoo vrij van de zorgen,Die op dit oogenblik,Bekommering voor morgen,Vervullen ’t hart met schrik.—Geniet het blijde Heden!En houd de Vreugde vast.—Waarom toch, zonder reden,De Vreugde als lieve gast—Die glimlach van het leven,Die balsem van ’t gemoed—Die ’t hart in schoon’re drevenOp rozen wand’len doet—Waarom met muizenissen,Die beste vriend verjaagd?—Wie kan zich vergewissen,—Hoe spoedig niet belaagd,—Nu nog niet eens te gissen—Van welken kant het komt,Door veel bekommernissen,—Dat straks de lach verstomt;De zonneblik der oogen,Eensklaps beneveld wordt.—’t Genot is heengevlogen;De bloem der vreugd verdort!Geniet bij stil genieten,De vreugde van het hart,Waar ’s Levens golfjes vlieten,Bezwaard door leed noch smart.—Niet waar de wereld ’t leven,Als kermisijdelheid,Zijn stempelmerk wil geven,—Tot zijnen dienst bereid,—En ziel en lichaam beide,Eindelijk na niet lang,Met wroeging als geleide,Wegzinkt ten ondergang.’t Lot zij te vergelijken,Van U, bij ’t licht, welks gloed,Wanneer de neev’len wijken,Het westen kleuren doet,In Herfstnamiddagstonden,Als de aard van zegen blinkt;De wolken zich afronden,Waarlangs het zonlicht zinkt;En ongekende vrede,Afdaalt van ’s hemels trans,—Die al wat leeft, deelt mede,Van warmte, gloed en glans.

Een uitzicht naar de heide—Een blik op ’t blauwe meer,Langs het smaragd der weide—Naast ’s boschrands groen dan weer,Op ’t hutje in korenvelden,Ver weg van pad of laan,Daar, waar de wand’laars zelden—De daglooners slechts gaan.’t Welk daar schijnt op te doemen,In ’t veld zoo uitgebreid,—Met recht wel het te noemen,Een Kluis der Eenzaamheid.—Een kijkje op gindsche Dennen—Een groep van levend groen—Waar Zephyrs luid doorrennen,En krachtig ruischen doen.—Een zitje op grauwe steenen,Aan hunne voet verspreid;In ’t zwijgen om zich henen,En hart en ziel vermeid;Omhuld door een halfdonker,Dat het gezicht bepaalt;Geen licht dan ’t hel geflonker,—’t Welk van de vleug’len straalt,Eens Vlinders, die toevallig,Van boven nederzijgt,Zijn kleuren duizendtallig,Aan eenen lichtstraal rijgt,Die van een wolkrand stralend,Ver weg, door ’t looverdak,—Naar de aarde schittrend dalend,—Op ’s Vlinders wieken brak.—Wijl straks de Philomelen,Hun beurtzang telkens weer,Uit orgelende keelen,Doen klinken keer op keer;En op hun zangsmotiven,—Allengskens opgebouwd,—Van toen, zij ze eerst aanhieven,Tot een Sonate ontvouwd—In tonen antwoord gevend,Zoo lieflijk, teer en zoet,Op westewieken zwevend,Ontvlammend ’t stugst gemoed.—

Natuur dus te bespieden,In vorm, in kleur, in toon:Kan ’t leven schooners bieden,Dan van Natuur zoo ’t schoon?

Zoo ’t leven door te vlieten,Alsof geen toekomst is,In ’s levens lot, vol nieten,Vol smart, vol ergernis,

Vol schijngeluk, vol hopen,Teleurstelling genoeg—Tot eind’lijk hij ’t ontknoopen,In ’t eind, wat gaf ’t? men vroeg!

Waarom zijne Idealen—Met geestdrift nagejaagd?—En nimmer in te halen;—Voor hen getracht! gewaagd!Om eindelijk ten leste,Waarvoor men was ontvlamd,—De moed heên, die nog restte,De veerkracht straks verlamd!Met moê geslagen vlerken,—Ten laagsten sport gedaald,—Voor goed te moeten merken:Wat schoon scheen, heeft gefaald!

Neen niet door hooge luchten,In razend stormgewoel,Met wilde wolkenvluchten,Naar ’t onbereikbaar doel!—Neen niet langs woeste baren,Bij nachtlijken orkaan,Naar ’t doelwit heen te staren,Of blind’lings af te gaan!—

Er ligt zooveel voor ’t grijpen:Veel bloesems bloeien er;Veel vruchten die er rijpen,Bereikbaar, heinde en ver.Er blinkt een grooten zegen,—Te weinig opgemerkt;En lonkt hem heerlijk tegen:Hem, die slechts bidt en werkt!

Dat staat door heel het leven,Als woord van waarheid pal;Zoo waar, rein, als verhevenBlijft het in elk geval.—En zoo vrij van de zorgen,Die op dit oogenblik,Bekommering voor morgen,Vervullen ’t hart met schrik.—

Geniet het blijde Heden!En houd de Vreugde vast.—Waarom toch, zonder reden,De Vreugde als lieve gast—Die glimlach van het leven,Die balsem van ’t gemoed—Die ’t hart in schoon’re drevenOp rozen wand’len doet—Waarom met muizenissen,Die beste vriend verjaagd?—Wie kan zich vergewissen,—Hoe spoedig niet belaagd,—Nu nog niet eens te gissen—Van welken kant het komt,Door veel bekommernissen,—Dat straks de lach verstomt;De zonneblik der oogen,Eensklaps beneveld wordt.—’t Genot is heengevlogen;De bloem der vreugd verdort!

Geniet bij stil genieten,De vreugde van het hart,Waar ’s Levens golfjes vlieten,Bezwaard door leed noch smart.—Niet waar de wereld ’t leven,Als kermisijdelheid,Zijn stempelmerk wil geven,—Tot zijnen dienst bereid,—En ziel en lichaam beide,Eindelijk na niet lang,Met wroeging als geleide,Wegzinkt ten ondergang.

’t Lot zij te vergelijken,Van U, bij ’t licht, welks gloed,Wanneer de neev’len wijken,Het westen kleuren doet,In Herfstnamiddagstonden,Als de aard van zegen blinkt;De wolken zich afronden,Waarlangs het zonlicht zinkt;En ongekende vrede,Afdaalt van ’s hemels trans,—Die al wat leeft, deelt mede,Van warmte, gloed en glans.


Back to IndexNext