TWEE HONDERD GULDEN JAARLIJKSTwee honderd gulden jaarlijks!Dat is geheel ’t bedrag:Dus een vol jaar gerekend,Geen zestig cents per dag.—Wat ’k daar meê zeggen wilde?—...Ziet gij in ’t ver verschiet,Langs de onafzienbre heide,Een dakje in boomen niet?Nauw hooger dan manshoogte,Door schutting, noch door heg,Van ’t eind’loos veld gescheiden,Duikt onder berkjes ’t weg.Van Huibert en zijn Klaartje,Is het wellicht de stulp,Die wegschuilt onder ’t lommer,Als ’t slakje in zijne schulp.Maar die kan het niet wezen,Dat gindsche klein gebouw,Daar naar Ter Haar’s vertelling,De rook kronkelde uit de schouw.Hier niet het blauwe wolkje,Dat uit den schoorsteen rijst,En spiraalvormig kronklend,Ons uit de verte wijst,Dat zeker men een wijle,Al is ’t maar voor een uur,Ons noodt, om uit te rusten,Bij ’t knappend prikkenvuur.Want op de kale ruimte,Is het erg bitter koud,Daar struik, noch boom, ’t noordwesten,In zijne vaart weêrhoudt.Al zijn wij ook geen ruiters,Die ’t lot alle overvloed,—Behalve kinderzegen,Op ons neêrreeg’nen doet,—Toch zijn wij innig dankbaar,Nu ’t buiten, koud en guur,Langs de open ruimte heengiert,—Voor ’n hoekje bij het vuur.De hond van onzen Huibert,Doet als een trouwe hondDie zich zijn plicht bewust is,Van onze komst geen kond.Wies onzen Huibert misschien,Allengs de kinderschat,Hem over ’t hoofd, zoodat hij,Te min voor allen had?Ja voor die leege magen,Werd misschien wat hij won,Te weinig, dat hun speelnoot,Nog langer blijven kon?Geen kindrenschaar staat turend—’t Gordijntje eens opgetild—Wat toch die vreemde mannen,Wel voeren in hun schild?Wat zij toch zouden willen!...Of zij, of Piet of Klaas,—Die gistren nog zoo vloekten,Of Jaap den vechtersbaas,—Ook halen gaan, (wie weet het!)Met sabel en met stok,Om heengevoerd te worden,Naar ’t duistre torenhok.—Geen enkel levend wezen!Nu wij den wandelstaf,Gaan zetten bij den deurpost:Het zwijgen van het graf.—Geen »Binnen» klinkt het vriend’lijk;Geen kooltjen op den haard,Daarop niet Huibert’s brijpot,Waar ’t kinderoog naar staart.—Die leege haard preêkt kommer;Armoê die rieten wand,In zigzaglijn nog hangend,Geheel uit het verband;Geen meubeltje aan den zijwand,Al waar ’t ook vurenhout;Geen wekker op den schoorsteen,Die ’t zoekend oog aanschouwt.Drie paar gelijmde schotels;Een stoel met rieten mat,En ruw gelaschte leuning;Een poot als zwakke lat;Een voetbankje tot zetel;Vier, vijf, zes, om den haard,Waarop een tal van kleuters,Zich ’s avonds rondom schaart.Slechts avonds; ’s morgens gaan zij,Houtsprokk’lend boschwaarts heen;Wie pas een voet kan reppen;De kleinsten slechts alleen,Zijn ter verzorging elders;En Vâ is ver van huis.—Waartoe ook thuis te blijven?Dat toch hun is geen thuis;Want kommer met ontbering,Springt hier van zelf in ’t oog;Wend maar eens door de vliering,En dan naar ’t dak het oog,Waardoor de vallende avond,Kil, huivringwekkend ziet.—Treed langs den vloer, hoe hobblig!En zegt ge met mij niet,Is het geen kunst, hier ’t leven,Te rekken, dag aan dag?Of de eindelooze nachten?....—Ik maakte geen gewag,Van twee vierkante hokjes;En het heeft allen schijn,Dat weinig meer dan holen,Tot nachtverblijfplaats, ’t zijn.Wat vunzig stroo, dat kwalijk,Ons tegenriekt, bedektDoor ’n hoopje wollen lompen,Heeft hem tot bed gestrekt,Die hier in diepe ellende,Zijn levensdagen slijt,En met zijn achttal kind’ren,De bitterste armoê lijdt.Ja! hier zou de armste beed’laar,Vergeefs een bete brood,Aan deze woning vragen,Want hier woont zelf de nood.—Wat bij het strengste zoeken,Het oog toch eindlijk vindt?Van alles niets; geen broodkorst,Of anders iets in ’t spind.—De zorg der kloeke huisvrouw,Werkt, ordent hier niet meer;En zou ’t bij allen ijver,Niet kunnen, als weleer;Want met de jaren immer,—Een tiental nu al lang,—Ging ’t met het loon des Armen,Het steeds den kreeftengang.Alsof de lijdensbeker,Moest tot den bodem leêg,Het leed allengskens hooger,Ten hoogsten toppunt steeg,Kwam met de vreess’lijke armoê,Met wreede ontbering, nood,In ’t kluisje van den schaam’leIn hun gevolg, de dood.Acht kind’ren: kleine weezen,En de oudste negen pas;—Waarvan het kleinste wichtje,Slechts weinig weken was,—Omringden ’t lijk der dierbre,Daar voor hen in de kist,Waarin de droeve Vader,Der kindren Moeder wist.Hij zijner kindren Vader,En Moeder thans voortaan,Hoe zal ’t met dubble zorgen,Hoe zal ’t nu verder gaan?Twee honderd gulden jaarlijks!Voor negen monden toch,Voor negen kleeding, schoeisel,Voor negen dekking nog,Voor negen in den winter,Nog turf, hout en zooveel,Hoeveel dat al niet samen,Bij zulk een sober deel!»Heeft de aarde dan geen voedsel,Geen nooddruft voor elkeen,»Zijn dan Gods goede gaven,Voor rijken slechts alleen?—Ver weg aan ’t eind der heide,Zwoegt in zijns aanschijns zweet,—Van ’s morgens vier, tot ’s avonds,—Al brandt de zon ook heet—In ’t goudgeel koren maaiend,Voor zestig cents per dag—De Vader van die weezen.—O wie hem daar zoo zag!Den rug gekromd, door ’t zwoegen,Ofschoon geen veertig nog,—Vermagerd tot zijn beend’ren,—Lijkt zestiger hij toch;Miskend, veracht, vergeten,Door heel de maatschappij,Hoe men het moog’ beschouwen:Toch aller honingbij.Drijft hem de zweep des meesters,Niet altoosdurend voort,Als spooksel, in gedaante,Des hongers, met zijn koord?Tot spier bij spier verlamd wordt;En hij tot niets meer nut,Verwezen wordt naar ’t armhuis,Ternauwernood gestut,Door ’t stokje, stiltjes hunkert—(Wijl weinig meer dan draf,Hem slechts uit nood gegund wordt)—Naar ’t plekje in ’t armengraf.Gewetenlooze wereld,Die steenen slechts voor brood,Uit uwen volheidshoren,Den nijv’ren arme bood!Gewetenlooze wereld!Gij hebt in marmerschrift,Van die ’t u waardig schenen,De namen ingegrift;Gij hebt hun naam vereeuwigd,Met lauw’ren, hen bekroond,Hun dwalingen, hun fouten,Toegeefelijk verschoond;En juicht bij ’t loftrompetten,Om ’t zeerste met de Faam;Snel voelt ge uw hart dan kloppen,Bij ’t noemen van hun naam!Maar voor uw armen broeder,Uw naaste, uw eigen ik,—Die met zijn zweet u voedde,—Hadt gij geen woord, geen blik;En loosde in ’t hooploos zwoegen,Hij soms een zwaren zucht,—Gaf door weemoedig klagen,Zijn boezem soms zich lucht:—Gij wildet niet begrijpen,Die stille zielepijn,Gij wildet niet vernemen,Dat het zoo wee kon zijn.—Neen, voor uw broeders lijden,Hadt gij wel nooit gevoel;Het noodlot des geringen,Liet u steeds doof en koel.—Toch zijt gij beiden broeders.—In eene Vadernaam,Treedt voor den Allerhoogste,Voor Zijn gezicht gij saâm.—Ontmoet dan Rijke, uw Arme,Naar ’s Hoogsten hoog gebod,Als naaste, als uwen broeder,Ook als het Kind van God.—Rust zacht gij arme Broeder!De wereld wilde u niet;De snoode ondankbre wereld,Die u zoo snood verstiet.Was niet zelf Hij uw’ Broeder,De Christus, u gelijk;Een Arme naar de wereld,En toch zoo eindloos rijk?
Twee honderd gulden jaarlijks!Dat is geheel ’t bedrag:Dus een vol jaar gerekend,Geen zestig cents per dag.—
Wat ’k daar meê zeggen wilde?—...Ziet gij in ’t ver verschiet,Langs de onafzienbre heide,Een dakje in boomen niet?Nauw hooger dan manshoogte,Door schutting, noch door heg,Van ’t eind’loos veld gescheiden,Duikt onder berkjes ’t weg.
Van Huibert en zijn Klaartje,Is het wellicht de stulp,Die wegschuilt onder ’t lommer,Als ’t slakje in zijne schulp.Maar die kan het niet wezen,Dat gindsche klein gebouw,Daar naar Ter Haar’s vertelling,De rook kronkelde uit de schouw.
Hier niet het blauwe wolkje,Dat uit den schoorsteen rijst,En spiraalvormig kronklend,Ons uit de verte wijst,Dat zeker men een wijle,Al is ’t maar voor een uur,Ons noodt, om uit te rusten,Bij ’t knappend prikkenvuur.
Want op de kale ruimte,Is het erg bitter koud,Daar struik, noch boom, ’t noordwesten,In zijne vaart weêrhoudt.
Al zijn wij ook geen ruiters,Die ’t lot alle overvloed,—Behalve kinderzegen,Op ons neêrreeg’nen doet,—Toch zijn wij innig dankbaar,Nu ’t buiten, koud en guur,Langs de open ruimte heengiert,—Voor ’n hoekje bij het vuur.
De hond van onzen Huibert,Doet als een trouwe hondDie zich zijn plicht bewust is,Van onze komst geen kond.Wies onzen Huibert misschien,Allengs de kinderschat,Hem over ’t hoofd, zoodat hij,Te min voor allen had?Ja voor die leege magen,Werd misschien wat hij won,Te weinig, dat hun speelnoot,Nog langer blijven kon?Geen kindrenschaar staat turend—’t Gordijntje eens opgetild—Wat toch die vreemde mannen,Wel voeren in hun schild?Wat zij toch zouden willen!...Of zij, of Piet of Klaas,—Die gistren nog zoo vloekten,Of Jaap den vechtersbaas,—Ook halen gaan, (wie weet het!)Met sabel en met stok,Om heengevoerd te worden,Naar ’t duistre torenhok.—
Geen enkel levend wezen!Nu wij den wandelstaf,Gaan zetten bij den deurpost:Het zwijgen van het graf.—Geen »Binnen» klinkt het vriend’lijk;Geen kooltjen op den haard,Daarop niet Huibert’s brijpot,Waar ’t kinderoog naar staart.—Die leege haard preêkt kommer;Armoê die rieten wand,In zigzaglijn nog hangend,Geheel uit het verband;Geen meubeltje aan den zijwand,Al waar ’t ook vurenhout;Geen wekker op den schoorsteen,Die ’t zoekend oog aanschouwt.Drie paar gelijmde schotels;Een stoel met rieten mat,En ruw gelaschte leuning;Een poot als zwakke lat;Een voetbankje tot zetel;Vier, vijf, zes, om den haard,Waarop een tal van kleuters,Zich ’s avonds rondom schaart.
Slechts avonds; ’s morgens gaan zij,Houtsprokk’lend boschwaarts heen;Wie pas een voet kan reppen;De kleinsten slechts alleen,Zijn ter verzorging elders;En Vâ is ver van huis.—Waartoe ook thuis te blijven?Dat toch hun is geen thuis;Want kommer met ontbering,Springt hier van zelf in ’t oog;Wend maar eens door de vliering,En dan naar ’t dak het oog,Waardoor de vallende avond,Kil, huivringwekkend ziet.—Treed langs den vloer, hoe hobblig!En zegt ge met mij niet,Is het geen kunst, hier ’t leven,Te rekken, dag aan dag?Of de eindelooze nachten?....—Ik maakte geen gewag,Van twee vierkante hokjes;En het heeft allen schijn,Dat weinig meer dan holen,Tot nachtverblijfplaats, ’t zijn.Wat vunzig stroo, dat kwalijk,Ons tegenriekt, bedektDoor ’n hoopje wollen lompen,Heeft hem tot bed gestrekt,Die hier in diepe ellende,Zijn levensdagen slijt,En met zijn achttal kind’ren,De bitterste armoê lijdt.Ja! hier zou de armste beed’laar,Vergeefs een bete brood,Aan deze woning vragen,Want hier woont zelf de nood.—Wat bij het strengste zoeken,Het oog toch eindlijk vindt?Van alles niets; geen broodkorst,Of anders iets in ’t spind.—De zorg der kloeke huisvrouw,Werkt, ordent hier niet meer;En zou ’t bij allen ijver,Niet kunnen, als weleer;Want met de jaren immer,—Een tiental nu al lang,—Ging ’t met het loon des Armen,Het steeds den kreeftengang.
Alsof de lijdensbeker,Moest tot den bodem leêg,Het leed allengskens hooger,Ten hoogsten toppunt steeg,Kwam met de vreess’lijke armoê,Met wreede ontbering, nood,In ’t kluisje van den schaam’leIn hun gevolg, de dood.
Acht kind’ren: kleine weezen,En de oudste negen pas;—Waarvan het kleinste wichtje,Slechts weinig weken was,—Omringden ’t lijk der dierbre,Daar voor hen in de kist,Waarin de droeve Vader,Der kindren Moeder wist.Hij zijner kindren Vader,En Moeder thans voortaan,Hoe zal ’t met dubble zorgen,Hoe zal ’t nu verder gaan?
Twee honderd gulden jaarlijks!Voor negen monden toch,Voor negen kleeding, schoeisel,Voor negen dekking nog,Voor negen in den winter,Nog turf, hout en zooveel,Hoeveel dat al niet samen,Bij zulk een sober deel!»Heeft de aarde dan geen voedsel,Geen nooddruft voor elkeen,»Zijn dan Gods goede gaven,Voor rijken slechts alleen?—
Ver weg aan ’t eind der heide,Zwoegt in zijns aanschijns zweet,—Van ’s morgens vier, tot ’s avonds,—Al brandt de zon ook heet—In ’t goudgeel koren maaiend,Voor zestig cents per dag—De Vader van die weezen.—O wie hem daar zoo zag!Den rug gekromd, door ’t zwoegen,Ofschoon geen veertig nog,—Vermagerd tot zijn beend’ren,—Lijkt zestiger hij toch;Miskend, veracht, vergeten,Door heel de maatschappij,Hoe men het moog’ beschouwen:Toch aller honingbij.Drijft hem de zweep des meesters,Niet altoosdurend voort,Als spooksel, in gedaante,Des hongers, met zijn koord?Tot spier bij spier verlamd wordt;En hij tot niets meer nut,Verwezen wordt naar ’t armhuis,Ternauwernood gestut,Door ’t stokje, stiltjes hunkert—(Wijl weinig meer dan draf,Hem slechts uit nood gegund wordt)—Naar ’t plekje in ’t armengraf.
Gewetenlooze wereld,Die steenen slechts voor brood,Uit uwen volheidshoren,Den nijv’ren arme bood!Gewetenlooze wereld!Gij hebt in marmerschrift,Van die ’t u waardig schenen,De namen ingegrift;Gij hebt hun naam vereeuwigd,Met lauw’ren, hen bekroond,Hun dwalingen, hun fouten,Toegeefelijk verschoond;En juicht bij ’t loftrompetten,Om ’t zeerste met de Faam;Snel voelt ge uw hart dan kloppen,Bij ’t noemen van hun naam!
Maar voor uw armen broeder,Uw naaste, uw eigen ik,—Die met zijn zweet u voedde,—Hadt gij geen woord, geen blik;En loosde in ’t hooploos zwoegen,Hij soms een zwaren zucht,—Gaf door weemoedig klagen,Zijn boezem soms zich lucht:—Gij wildet niet begrijpen,Die stille zielepijn,Gij wildet niet vernemen,Dat het zoo wee kon zijn.—Neen, voor uw broeders lijden,Hadt gij wel nooit gevoel;Het noodlot des geringen,Liet u steeds doof en koel.—Toch zijt gij beiden broeders.—In eene Vadernaam,Treedt voor den Allerhoogste,Voor Zijn gezicht gij saâm.—Ontmoet dan Rijke, uw Arme,Naar ’s Hoogsten hoog gebod,Als naaste, als uwen broeder,Ook als het Kind van God.—
Rust zacht gij arme Broeder!De wereld wilde u niet;De snoode ondankbre wereld,Die u zoo snood verstiet.
Was niet zelf Hij uw’ Broeder,De Christus, u gelijk;Een Arme naar de wereld,En toch zoo eindloos rijk?