ZEERAMP DER PEASENSTER EN MODDERGATSTER VISSGHERS

ZEERAMP DER PEASENSTER EN MODDERGATSTER VISSGHERS6 MAART 1883Wel! maar een goed en kort besluit;Het weer lijkt goed, het weer lijkt vast,Op morgen wis ter vischvangst uit,En daarom vroeg ook opgepast:»«Zeg ’t alle visschers straks maar aan,Dat wij bij de eerste scheem’ring gaan.»Bij het neev’lig morgenlichten,Zag men tal van stevens richten,Waar des Noordzee’s deining bruist;Waar de wiegelende baren,Niet doen denken aan gevaren,Nu geen brieschje of windje ruischt.En wijl de eerste stralen glimmen,Nergens aan de Westerkimmen,Ook een enkel dampje rijst.En bij ’t stijgen van den uchtend,—Alle neev’len haastig vluchtend,—’t Op geen ander weder wijst.—Ginds met koninklijke glorie,Straalt de Zon reeds als victorie,Over kimmen’s blauwe lijn,Achter hare grens verborgen.—En daar is zij, roept «Goemorgen!»Met haar lach van zonneschijn.Ziet de golfjes rekken,Zich een weinig stram,Van de slaap, en trekken,—Nu zij ’t licht ontdekken,Op de hoogste kam,—Hunne pronkgewaden,—Smaragd,—overladen,Als met goud, eens aan:Want het laat zich raden,Dat de zonnelach,Stand houdt heel den dag.Vol vroolijken moed en in ’t minst niet beangst;Met blijde verwachting op rijklijke vangst,Deed uitgeleide als steeds, haar man nu de vrouw,Van meening dat hij weer gauw thuis komen zou.De lucht was zoo helder, de zee was zoo glad,Alsof nimmer lust zij tot woelen weer had;Alsof nimmer brak zij een vrouwelijk hart;Alsof nimmer kleedde een Bruidje ze in ’t zwart;Alsof nooit ze een Vader den eenigen zoon,Den Grijze ooit ontrukte, zijn al, zijne kroon.Zijn hoop en zijn schuts in hoog’ ouderdom;Hij stram, afgeleefd en van arbeiden krom.Verweerd van gelaat en inwendig zoo zwak,Een wegstervende eik, haast een hulpeloos wrak.Daar ligt zij zoo vreedzaam, de sluimrende zee,Alsof uit haar schoot nooit eene angstkreet van wee,Geen doodsnik der schipbreuk’lings immer er rees,Wiens zinken ooit maakte zoo menige wees,—Nog hulp’loos in ’t wiegje door moederzorg teer,—Bewaakt maar wiens vader licht nimmer keert weer;Wie denkt dat er ’t nimmer gedolvene graf,De hunnen de lijken niet eens weder gaf.—Zoo stil en zoo rustig, zoo kalm en vol vreê,Lag onder ’t geflonker der starren de zee.—Aan de scherp begrensde kimmen,Duiken op: bij reuzenschimmen,Wel het beste vergeleken,—Zonder een waarschuwend teeken,—Massa’s, als met gouden kammen;Waar verbeelding vuur en vlammen,—Die zich schijnen uit te breiden,—Meent te kunnen onderscheiden.Ginds de visschersvloot!Alle zeilen hijschend;Elk naar ’t noorden wijzend,—Vanwaar nood en dood,Aangrijnst, uit die wolken.—Vormen, die vertolken,Wat zij in hun schoot,Storm en onweer bergen;Dit staat vast: zij vergen,Moed en plichtsbetrachting,Kracht en doodsverachting,Voor wat hen verbeidt,Van wat menschen kunnen;—Moog’ God tijd hen gunnen!—Allen zijn bereid,Allen handig, vaardig.Ook de vloot zeewaardig?—Als het razend Noord,Woeste zwarte buien,Door elkaar doet kruien.—’t Briesje drijft hen voort,Reeds weer naar de kusten;Moog ’t Noord zoolang rusten,Totdat alle boord—Trouwe reede of baken,Toch maar mocht genaken.Want in ’t Noorden dáár,Spreekt elk in zijn eigen,Blijft het vreess’lijk dreigen,’t Ongedacht gevaar.Gindsche wolkenvormen,Bergen hagelstormen,Zoo gevreesd van daar—Eer men thuis is?... uren,Zal het moeten duren,Met dit brieschje wind,Dat op loome vlerken,Soms zich pas laat merken,En steeds ongezindDoor te breken willen;’t Is of heeft het grillen,Nukken, dat het vindt.Thans volstrekt niet noodig,Heden ’t overbodig,Dat eens voor den boeg,’t Flink ging op een schuimen,Dat men zeil moest ruimen,Opdat snel hen ’t droeg,’t Schip naar ’t doel, hun hopen;’t Pad staat hun wel open...Is er tijd genoeg,Om de ree te krijgen?—Ziet! de wolken stijgen,Onrustbarend snel;’t Woelt daar ginds ontzettend;Als men maar oplettend,Naar dat vreess’lijk spel,Een’ge tijd blijft staren,Zal men ’t dra ontwaren;Ziet men ’t al te snel.Wolken achter wolken,Stijgen uit de kolken,Van de zee omhoog;Grijze wilde luchten,Zoo op zee te duchten,Dekken half den boog,Zwaar en dik den hemel,En hun woest gewemel,Valt aanstonds in ’t oog.En de ernst staat thans op elks gelaat,Der flinke mannen, forsch en stoer,Op uitkijk, van den man aan ’t roer,Tot aan den kleinsten jongen maat,Die meeging, al was hij nog jong:Omdat tot meegaan hij haast dwong.En de oudste, die het meest gezag,Van de and’ren heeft, die zijn aan boord,—Naar wien men ’t liefste en ’t eerste hoort,—Zegt: «Kindren ’t wordt een zware dag,Helpt heden onze lieve HeerOns niet, wij zien niet de onzen weer.»«Ik voer op zee reeds vijftig jaar;’k Braveerde storm en vreess’lijk weêr,Maar nimmer, nimmer eenen keer,Zag ’k zulk een onweerslucht als daar;Berust in ’t onvermijd’lijk lot:Beveel uw aller ziel aan God!»«Wat zal ons vlootje in volle zee,Bij zulk een weêr, als straks ons wacht,Als dra de orkaan met volle kracht,Ons overvalt, ver van de reê?En die te krijgen, voor hij raast,Is mijn inziens, niet denkbaar haast.»«Toch mannen! ieder doe zijn best;Zet alle zeilen haastig bij;Dat alle man op post steeds zij.Aan onzen lieven Heer de rest!Op mannen op! ’t gevaar is groot,Het wordt een wedloop met den dood.»Forsche mannen trillen, beven,Sterke mannen, voor wie ’t zout,Levenslust en brood en goud,Steeds tot dezen had gegeven:’t Wordt de braven, thans in steê,Hun tot graf, die zelfde zee.Grijze mannen, lange jaren,Met die wilde zee vertrouwd,En alzoo geworden oud,Op die steigerende baren,Kiest die woeste zee tot buit,Tot welkome prooi hen uit.Jonge mannen, die hun leven,Hebben aan de zee gewijd,Hun bedrijf, hun vlijt, hun tijd,Alles, alles wilden geven,’t Is of daarvoor zij tot straf,Heêntrekt, hen in ’t zoute graf.Alle mannenoogen weenen,Om hun hartverscheurend lot;Wenden allen snikkend, totVerre vert’ zich jamm’rend henen:Zenden hunnen laatsten groet,Hun geliefden tegemoet.—Altijd nog die labberkoelte;Altijd nog die zwakke bries.Maar steeds dreigender ’t Noordwesten;Altijd nog dat tijdverlies;Maar nog zwarter dan zooeven,Dreigt het uit den gindschen hoek,Is naar ’t Zenith opgeklommen.—Hoor! daar valt de storm in ’t doek,Eene rukwind; alle scheepjes,Eensklaps trekkend’ naar omlaag,’t Is of ’t sein is voor de winden,Want nu komt er vlaag op vlaag,Leggen zoo vaak weer de scheepjesZich oprichten, hen weer neer,Vliegen voor de ontboeide baren,Over ’t water als een veêr,Nu de hagelbuien klettren,En de orkaan door ’t touwwerk fluit.Maar ’t wordt duisterder allengskens,Wijl de bui naar boven kruit,Waarvan slechts een enkle voorpost.Over ’t breede zeevlak ging:Straks ja, zal het ernst eerst worden,Voor den armen schepeling.Onheilspellend ruischt van verre ’t;Lucht en water worden een;Wolken dalen tot de golven,Golven rijzen tot hen heen:’t Is de stemme veler watren,Opgeschrikt door den orkaan!Ach wat menschenwerk en pogenZal bij zulk een kracht bestaan?Waar zijn thans de zeilen,Die straks bij elkaar,Zoo statig nog dreven,Waar zijn zij nu, waar?Haast allen verdwenen.—Ginds tuimelt nog een,Van golfkam tot afgrond,Een enkele alleen.En onderste boven,Drijft daar wrak bij wrak,Waarvan mast en stengen,Voor stormwinds druk brak.En stervende klemmen,Zich nog menigeen,Aan kiel en aan zwaarden,En zinken meteen.Daar roept men «o vader!»Voor altijd vaarwel!»....Hem pakte eene stortzee,Met zijn metgezel.Ginds vatten twee broeders,—Gevlucht in het want,Daar ’t scheepje gaat zinken,—Voor ’t laatst elkaârs hand.«Den groet van ons beiden:Neem huiswaarts dien mee,Wie de onzen moog weêrzien,Al de onzen ter reê!»...«Wie mag overleven,Deez’ vreeslijke dag,Den groet vooral Moeder!Wie haar terugzag.»Daar roept een: «Mijn Bruidje!Wie ooit haar weêrziet,Zeg: hij had vergeten,U stervende niet.»Een grijze: «Wie ’t leven,Er afbrengt, hij zeg:«Mijn oudje, «de groete!»—En toen zonk hij weg.—«Groet al mijne kind’ren,Die weesjes voortaan!»Zeg: «Vader was stervend’Met hen zoo begaan.»Zoo jamm’rend, en ’t aak’ligst’En ’t vaakste geuit,Klinkt boven het buld’renDer golven weer uit:«Wie had kunnen denken,Dat ’k u beste vrouw,Aan ’t hart nooit weêr drukken,Nooit wederzien zou!»Dus roept het en snikt het,Steeds van allen kant,Voor zoover verstaanbaar,Uit zee en van ’t want.—De doodstrijd bij ’t loeien,’t Woên van den orkaan,—Bij ’t buld’ren der golven,Is welhaast gedaan.Nog wat zwarte punten,Een enkele stip,Te midden der golven,Van manschap en schip.Ten leste wat wrakhout;Niets meer in ’t rondom;De doodsklok langs ’t zeevlak;En ovrigens stom.Voorbij is thans alles:Het lijden en wee,De doodstrijd dier mannen:Het treurspel op zee.—En aan ’t strand, al zoovele uren,Klimmen onophoud’lijk op,Vrienden, magen en geburen.Naar den hoogen zeedijks top;Turen in die bange stonde,Naar ’t geen ’t liefst hun is op aard,’t Gierend zeevlak steeds in ’t ronde,Vragend: «bleven zij gespaard?»d’ Arme visschers huisgezinnen;Want van ’t dorpje in ieders huis,Liet toch de angst geen rust hen binnen,Daar geen visscher bleef tehuis.Trots de wreede hagelvlagen,Houden, houden allen stand;Niets kan hen van de uitkijk jagen,’t Oog gericht op zee en strand.IJlend met hun zuigelingenMoeders; kindren: drie of vier,Die zich aan haar kleed’ren hingen,Hijgend, buiten adem schier;Door de geeselende vlagen,Die met vreesslijk geweld,Fladdrend in hun kleed’ren jagen,Komen dijkwaarts ze opgesneld.Om met eigen oog te aanschouwen,—Of er nog een hope blijft,Voor hen, licht al weduwvrouwen,—Wat hen steeds naar boven drijft.Strompelend gaan daar twee oudjes,Op elkanders arm geleund;Lisp’len bibberend: «hoe koudjes»,Onderwijl de een de ander steunt.Hoe zij naar des dijks top sloven!Hijgend van vermoeienis,Om ten laatste te gelooven:Dat er geene hoop meer is.Hen dreef de onrust, toen de mare,Klonk, hoe ’t stond, door ’t zeedorp heên,En zij volgden ook de schare,En zij dachten slechts aan één.Want één was hun slechts gebleven;Hun het hoog bedaagde paar,Aan den avond van hun leven,Van hun gansche kinderschaar.Hij lag hen zoo na aan ’t harte;Hij de Laatste van hun stam;Naar hem zoo gezocht met smarte...O als hij niet weder kwam...—Ja van al, van al diegenen,Die daar lang reeds zijn of gaan,Gingen zij zoo goedmoeds henen,Zij, die hun zoo nabestaan.O als ’t ergste moest gebeuren,Wat zal ’t zijn een smart en wee,Die voorbij aan geen der deurenGing, van ’t visschersdorpje aan zee.Ach! het zal voortaan na dezen,In het dorp, naar allen schijn,Enkel weduwen en weezen,Ach! een oord van smarten zijn.Want het is niet te gelooven,Dat een man behouden bleef;Dat in zulk een stormwind boven,’t Beste schip nog uren dreef.En laat alle hoop gij varen,Die tot heden zelfs nog hoopt;Als gij aan het weêr bedaren,Nog een sprankje hoop licht knoopt.Och! de zee zal u slechts geven,—Legt van wat ze ontnam, slechts weêr,Hier of daar aan ’t strand gedreven,—’t Lijk van een geliefde neêr.En gij zult de vraag u stellen:Is hij het, of is hij ’t niet?Als men u straks komt vertellen,Dat de storm het stranden liet.En zoo is van meer dan eenenArmen Frieschen visschersman,—Eer één week nog is verschenen,—’t Overschot gevonden dan.Van de meesten taal noch teeken,Komt van hen terug, ooit geen;Zelfs dat laatste zal ontbreken,Zelfs die troost aan menigeen.

6 MAART 1883

Wel! maar een goed en kort besluit;Het weer lijkt goed, het weer lijkt vast,Op morgen wis ter vischvangst uit,En daarom vroeg ook opgepast:»«Zeg ’t alle visschers straks maar aan,Dat wij bij de eerste scheem’ring gaan.»

Bij het neev’lig morgenlichten,Zag men tal van stevens richten,Waar des Noordzee’s deining bruist;Waar de wiegelende baren,Niet doen denken aan gevaren,Nu geen brieschje of windje ruischt.En wijl de eerste stralen glimmen,Nergens aan de Westerkimmen,Ook een enkel dampje rijst.En bij ’t stijgen van den uchtend,—Alle neev’len haastig vluchtend,—’t Op geen ander weder wijst.—Ginds met koninklijke glorie,Straalt de Zon reeds als victorie,Over kimmen’s blauwe lijn,Achter hare grens verborgen.—En daar is zij, roept «Goemorgen!»Met haar lach van zonneschijn.

Ziet de golfjes rekken,Zich een weinig stram,Van de slaap, en trekken,—Nu zij ’t licht ontdekken,Op de hoogste kam,—Hunne pronkgewaden,—Smaragd,—overladen,Als met goud, eens aan:Want het laat zich raden,Dat de zonnelach,Stand houdt heel den dag.

Vol vroolijken moed en in ’t minst niet beangst;Met blijde verwachting op rijklijke vangst,Deed uitgeleide als steeds, haar man nu de vrouw,Van meening dat hij weer gauw thuis komen zou.De lucht was zoo helder, de zee was zoo glad,Alsof nimmer lust zij tot woelen weer had;Alsof nimmer brak zij een vrouwelijk hart;Alsof nimmer kleedde een Bruidje ze in ’t zwart;Alsof nooit ze een Vader den eenigen zoon,Den Grijze ooit ontrukte, zijn al, zijne kroon.Zijn hoop en zijn schuts in hoog’ ouderdom;Hij stram, afgeleefd en van arbeiden krom.Verweerd van gelaat en inwendig zoo zwak,Een wegstervende eik, haast een hulpeloos wrak.Daar ligt zij zoo vreedzaam, de sluimrende zee,Alsof uit haar schoot nooit eene angstkreet van wee,Geen doodsnik der schipbreuk’lings immer er rees,Wiens zinken ooit maakte zoo menige wees,—Nog hulp’loos in ’t wiegje door moederzorg teer,—Bewaakt maar wiens vader licht nimmer keert weer;Wie denkt dat er ’t nimmer gedolvene graf,De hunnen de lijken niet eens weder gaf.—Zoo stil en zoo rustig, zoo kalm en vol vreê,Lag onder ’t geflonker der starren de zee.—

Aan de scherp begrensde kimmen,Duiken op: bij reuzenschimmen,Wel het beste vergeleken,—Zonder een waarschuwend teeken,—Massa’s, als met gouden kammen;Waar verbeelding vuur en vlammen,—Die zich schijnen uit te breiden,—Meent te kunnen onderscheiden.

Ginds de visschersvloot!Alle zeilen hijschend;Elk naar ’t noorden wijzend,—Vanwaar nood en dood,Aangrijnst, uit die wolken.—Vormen, die vertolken,Wat zij in hun schoot,Storm en onweer bergen;Dit staat vast: zij vergen,Moed en plichtsbetrachting,Kracht en doodsverachting,Voor wat hen verbeidt,Van wat menschen kunnen;—Moog’ God tijd hen gunnen!—Allen zijn bereid,Allen handig, vaardig.Ook de vloot zeewaardig?—Als het razend Noord,Woeste zwarte buien,Door elkaar doet kruien.—’t Briesje drijft hen voort,Reeds weer naar de kusten;Moog ’t Noord zoolang rusten,Totdat alle boord—Trouwe reede of baken,Toch maar mocht genaken.Want in ’t Noorden dáár,Spreekt elk in zijn eigen,Blijft het vreess’lijk dreigen,’t Ongedacht gevaar.Gindsche wolkenvormen,Bergen hagelstormen,Zoo gevreesd van daar—Eer men thuis is?... uren,Zal het moeten duren,Met dit brieschje wind,Dat op loome vlerken,Soms zich pas laat merken,En steeds ongezindDoor te breken willen;’t Is of heeft het grillen,Nukken, dat het vindt.Thans volstrekt niet noodig,Heden ’t overbodig,Dat eens voor den boeg,’t Flink ging op een schuimen,Dat men zeil moest ruimen,Opdat snel hen ’t droeg,’t Schip naar ’t doel, hun hopen;’t Pad staat hun wel open...Is er tijd genoeg,Om de ree te krijgen?—Ziet! de wolken stijgen,Onrustbarend snel;’t Woelt daar ginds ontzettend;Als men maar oplettend,Naar dat vreess’lijk spel,Een’ge tijd blijft staren,Zal men ’t dra ontwaren;Ziet men ’t al te snel.Wolken achter wolken,Stijgen uit de kolken,Van de zee omhoog;Grijze wilde luchten,Zoo op zee te duchten,Dekken half den boog,Zwaar en dik den hemel,En hun woest gewemel,Valt aanstonds in ’t oog.

En de ernst staat thans op elks gelaat,Der flinke mannen, forsch en stoer,Op uitkijk, van den man aan ’t roer,Tot aan den kleinsten jongen maat,Die meeging, al was hij nog jong:Omdat tot meegaan hij haast dwong.

En de oudste, die het meest gezag,Van de and’ren heeft, die zijn aan boord,—Naar wien men ’t liefste en ’t eerste hoort,—Zegt: «Kindren ’t wordt een zware dag,Helpt heden onze lieve HeerOns niet, wij zien niet de onzen weer.»

«Ik voer op zee reeds vijftig jaar;’k Braveerde storm en vreess’lijk weêr,Maar nimmer, nimmer eenen keer,Zag ’k zulk een onweerslucht als daar;Berust in ’t onvermijd’lijk lot:Beveel uw aller ziel aan God!»

«Wat zal ons vlootje in volle zee,Bij zulk een weêr, als straks ons wacht,Als dra de orkaan met volle kracht,Ons overvalt, ver van de reê?En die te krijgen, voor hij raast,Is mijn inziens, niet denkbaar haast.»

«Toch mannen! ieder doe zijn best;Zet alle zeilen haastig bij;Dat alle man op post steeds zij.Aan onzen lieven Heer de rest!Op mannen op! ’t gevaar is groot,Het wordt een wedloop met den dood.»

Forsche mannen trillen, beven,Sterke mannen, voor wie ’t zout,Levenslust en brood en goud,Steeds tot dezen had gegeven:’t Wordt de braven, thans in steê,Hun tot graf, die zelfde zee.

Grijze mannen, lange jaren,Met die wilde zee vertrouwd,En alzoo geworden oud,Op die steigerende baren,Kiest die woeste zee tot buit,Tot welkome prooi hen uit.

Jonge mannen, die hun leven,Hebben aan de zee gewijd,Hun bedrijf, hun vlijt, hun tijd,Alles, alles wilden geven,’t Is of daarvoor zij tot straf,Heêntrekt, hen in ’t zoute graf.

Alle mannenoogen weenen,Om hun hartverscheurend lot;Wenden allen snikkend, totVerre vert’ zich jamm’rend henen:Zenden hunnen laatsten groet,Hun geliefden tegemoet.—

Altijd nog die labberkoelte;Altijd nog die zwakke bries.Maar steeds dreigender ’t Noordwesten;Altijd nog dat tijdverlies;Maar nog zwarter dan zooeven,Dreigt het uit den gindschen hoek,Is naar ’t Zenith opgeklommen.—Hoor! daar valt de storm in ’t doek,Eene rukwind; alle scheepjes,Eensklaps trekkend’ naar omlaag,’t Is of ’t sein is voor de winden,Want nu komt er vlaag op vlaag,Leggen zoo vaak weer de scheepjesZich oprichten, hen weer neer,Vliegen voor de ontboeide baren,Over ’t water als een veêr,Nu de hagelbuien klettren,En de orkaan door ’t touwwerk fluit.Maar ’t wordt duisterder allengskens,Wijl de bui naar boven kruit,Waarvan slechts een enkle voorpost.Over ’t breede zeevlak ging:Straks ja, zal het ernst eerst worden,Voor den armen schepeling.

Onheilspellend ruischt van verre ’t;Lucht en water worden een;Wolken dalen tot de golven,Golven rijzen tot hen heen:’t Is de stemme veler watren,Opgeschrikt door den orkaan!Ach wat menschenwerk en pogenZal bij zulk een kracht bestaan?

Waar zijn thans de zeilen,Die straks bij elkaar,Zoo statig nog dreven,Waar zijn zij nu, waar?

Haast allen verdwenen.—Ginds tuimelt nog een,Van golfkam tot afgrond,Een enkele alleen.

En onderste boven,Drijft daar wrak bij wrak,Waarvan mast en stengen,Voor stormwinds druk brak.

En stervende klemmen,Zich nog menigeen,Aan kiel en aan zwaarden,En zinken meteen.

Daar roept men «o vader!»Voor altijd vaarwel!»....Hem pakte eene stortzee,Met zijn metgezel.

Ginds vatten twee broeders,—Gevlucht in het want,Daar ’t scheepje gaat zinken,—Voor ’t laatst elkaârs hand.

«Den groet van ons beiden:Neem huiswaarts dien mee,Wie de onzen moog weêrzien,Al de onzen ter reê!»...

«Wie mag overleven,Deez’ vreeslijke dag,Den groet vooral Moeder!Wie haar terugzag.»

Daar roept een: «Mijn Bruidje!Wie ooit haar weêrziet,Zeg: hij had vergeten,U stervende niet.»

Een grijze: «Wie ’t leven,Er afbrengt, hij zeg:«Mijn oudje, «de groete!»—En toen zonk hij weg.—

«Groet al mijne kind’ren,Die weesjes voortaan!»Zeg: «Vader was stervend’Met hen zoo begaan.»

Zoo jamm’rend, en ’t aak’ligst’En ’t vaakste geuit,Klinkt boven het buld’renDer golven weer uit:

«Wie had kunnen denken,Dat ’k u beste vrouw,Aan ’t hart nooit weêr drukken,Nooit wederzien zou!»

Dus roept het en snikt het,Steeds van allen kant,Voor zoover verstaanbaar,Uit zee en van ’t want.—

De doodstrijd bij ’t loeien,’t Woên van den orkaan,—Bij ’t buld’ren der golven,Is welhaast gedaan.

Nog wat zwarte punten,Een enkele stip,Te midden der golven,Van manschap en schip.

Ten leste wat wrakhout;Niets meer in ’t rondom;De doodsklok langs ’t zeevlak;En ovrigens stom.

Voorbij is thans alles:Het lijden en wee,De doodstrijd dier mannen:Het treurspel op zee.—

En aan ’t strand, al zoovele uren,Klimmen onophoud’lijk op,Vrienden, magen en geburen.Naar den hoogen zeedijks top;

Turen in die bange stonde,Naar ’t geen ’t liefst hun is op aard,’t Gierend zeevlak steeds in ’t ronde,Vragend: «bleven zij gespaard?»

d’ Arme visschers huisgezinnen;Want van ’t dorpje in ieders huis,Liet toch de angst geen rust hen binnen,Daar geen visscher bleef tehuis.

Trots de wreede hagelvlagen,Houden, houden allen stand;Niets kan hen van de uitkijk jagen,’t Oog gericht op zee en strand.

IJlend met hun zuigelingenMoeders; kindren: drie of vier,Die zich aan haar kleed’ren hingen,Hijgend, buiten adem schier;

Door de geeselende vlagen,Die met vreesslijk geweld,Fladdrend in hun kleed’ren jagen,Komen dijkwaarts ze opgesneld.

Om met eigen oog te aanschouwen,—Of er nog een hope blijft,Voor hen, licht al weduwvrouwen,—Wat hen steeds naar boven drijft.

Strompelend gaan daar twee oudjes,Op elkanders arm geleund;Lisp’len bibberend: «hoe koudjes»,Onderwijl de een de ander steunt.

Hoe zij naar des dijks top sloven!Hijgend van vermoeienis,Om ten laatste te gelooven:Dat er geene hoop meer is.

Hen dreef de onrust, toen de mare,Klonk, hoe ’t stond, door ’t zeedorp heên,En zij volgden ook de schare,En zij dachten slechts aan één.

Want één was hun slechts gebleven;Hun het hoog bedaagde paar,Aan den avond van hun leven,Van hun gansche kinderschaar.

Hij lag hen zoo na aan ’t harte;Hij de Laatste van hun stam;Naar hem zoo gezocht met smarte...O als hij niet weder kwam...—

Ja van al, van al diegenen,Die daar lang reeds zijn of gaan,Gingen zij zoo goedmoeds henen,Zij, die hun zoo nabestaan.

O als ’t ergste moest gebeuren,Wat zal ’t zijn een smart en wee,Die voorbij aan geen der deurenGing, van ’t visschersdorpje aan zee.

Ach! het zal voortaan na dezen,In het dorp, naar allen schijn,Enkel weduwen en weezen,Ach! een oord van smarten zijn.

Want het is niet te gelooven,Dat een man behouden bleef;Dat in zulk een stormwind boven,’t Beste schip nog uren dreef.

En laat alle hoop gij varen,Die tot heden zelfs nog hoopt;Als gij aan het weêr bedaren,Nog een sprankje hoop licht knoopt.

Och! de zee zal u slechts geven,—Legt van wat ze ontnam, slechts weêr,Hier of daar aan ’t strand gedreven,—’t Lijk van een geliefde neêr.

En gij zult de vraag u stellen:Is hij het, of is hij ’t niet?Als men u straks komt vertellen,Dat de storm het stranden liet.

En zoo is van meer dan eenenArmen Frieschen visschersman,—Eer één week nog is verschenen,—’t Overschot gevonden dan.

Van de meesten taal noch teeken,Komt van hen terug, ooit geen;Zelfs dat laatste zal ontbreken,Zelfs die troost aan menigeen.


Back to IndexNext