TERUGBLIKIn ’t boek »Natuur» heb ’k zoo wat omgebladerd;Uit veld en bosch heb ’k bloempjes saamvergaderd:’k Vond steenen, grijs, met goud en rood, dooraderd.Hoe klein en nietig: ’k heb hen nooit een plaats ontzegd,Maar ze voorhands in mijn geheugen weggelegd,En schikte soort bij soort, voor later tijd, terecht.Gelijk een kind houdt van zijn hoepels, ballen,Bewaarde ik ’t waardelooze, hen, die allen,Af, op ’t gevaar tot kindschheid, te vervallen.En nu na jaren, wekt bij ’t zien van ieder ding,Nogmaals de vreugd der vondst, een zoete erinnering,Die anders langen tijd, al reeds verloren ging.O! waar ligt niet een stille vreugd verholen!Bloeit het wild roosje niet het liefst verholen;Geurt nauw bemerkt het niet van veldviolen!O neen de vreugd, ’t geluk ligt nergens aan den weg.’t Scheidt vaak den wandelaar door sloot of doornenheg:Om ze te grijpen: ’t vordert zoeken, overleg.Bij menig van die half vergeten dingen,Komt zich een zonnestraal, uit neev’len dringen,Vol zoets, waaraan eens hart en ziele hingen.Dat al werd met den tijd zoo dierbaar en zoo waard,Nu ’t eind’lijk, eind’lijk bleek, dat onverhoopt toch de aard,Zoo weinig vrucht en bloemen, ’t menschenkind steeds baart.Nu ’t blijkt, dat in de toekomst, noch in ’t heden,’t Hart op geluk nog hoop’, met goede reden:Maar het terugwijst, naar een blij verleden.
In ’t boek »Natuur» heb ’k zoo wat omgebladerd;Uit veld en bosch heb ’k bloempjes saamvergaderd:’k Vond steenen, grijs, met goud en rood, dooraderd.
Hoe klein en nietig: ’k heb hen nooit een plaats ontzegd,Maar ze voorhands in mijn geheugen weggelegd,En schikte soort bij soort, voor later tijd, terecht.
Gelijk een kind houdt van zijn hoepels, ballen,Bewaarde ik ’t waardelooze, hen, die allen,Af, op ’t gevaar tot kindschheid, te vervallen.
En nu na jaren, wekt bij ’t zien van ieder ding,Nogmaals de vreugd der vondst, een zoete erinnering,Die anders langen tijd, al reeds verloren ging.
O! waar ligt niet een stille vreugd verholen!Bloeit het wild roosje niet het liefst verholen;Geurt nauw bemerkt het niet van veldviolen!
O neen de vreugd, ’t geluk ligt nergens aan den weg.’t Scheidt vaak den wandelaar door sloot of doornenheg:Om ze te grijpen: ’t vordert zoeken, overleg.
Bij menig van die half vergeten dingen,Komt zich een zonnestraal, uit neev’len dringen,Vol zoets, waaraan eens hart en ziele hingen.
Dat al werd met den tijd zoo dierbaar en zoo waard,Nu ’t eind’lijk, eind’lijk bleek, dat onverhoopt toch de aard,Zoo weinig vrucht en bloemen, ’t menschenkind steeds baart.
Nu ’t blijkt, dat in de toekomst, noch in ’t heden,’t Hart op geluk nog hoop’, met goede reden:Maar het terugwijst, naar een blij verleden.