Veel gemin, geen gewin.Personen:Ferdinand, koning van Navarre.Hovelingen.Biron,Longaville,Dumaine.Fransche hovelingen.Boyet,Mercade.Don Adriano de Armado, een Spanjaard.Nathanaël, een dorpsgeestelijke.Holofernes, een dorpsonderwijzer.Dom, een gerechtsdienaar.Dikkop, een boer.Mot, page van Armado.Een Houtvester.De Prinses van Frankrijk.Haarhofdames.Rosaline,Maria,Catharina.Jacquenetta, een boerendeern.Heeren en verder Gevolg van den Koning en van de Prinses.Het tooneel is in Navarre.Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Het park voor het koninklijk slot teNavarre.De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.Dumaine.’t Is ongerijmd.99Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?Longaville.Vier dagen reeds geleden.Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.Longaville.Ik ben de man er van.Biron.Waarom, mijn lieve man?Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;(Hij onderteekent.)En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.Biron.Dit is zijn hoogheid.187Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?Biron.Alsof het een orakel ware.Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.Koning.“Zoo is het,”—Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—Koning.Stilte!228Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.Koning.Geen woord!Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—Dikkop.Mij.Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—Dikkop.Mij.Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—Dikkop.Nog altijd mij.Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—Dikkop.O, mij!Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—Dikkop.Met een meisje.Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?Dikkop.Heer, de deerne beken ik.Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!(Allen af.)Tweede Tooneel.Armado’shuis in het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.Mot.O neen, heer; God beware, neen.Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.Armado.Aardig en vaardig.Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?Armado.Tot uw rechtmatigen lof.Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?Mot.Dat een aal vlug is.Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.Armado.Onmogelijk.Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.Armado.Een meer dan twee.Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.Armado.Juist!Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.Armado.Een recht fraai voorbeeld!Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?Mot.Hercules, meester.Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?Mot.Een vrouw, meester.Armado.Van welke complexie?Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.Mot.Van de zeegroene, meester.Armado.Is dat een van de vier complexies?Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.Armado.Zing, zeg ik.Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!Jacquenetta.Man!Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.Jacquenetta.Dat is er na.Armado.Ik weet die wel te vinden.Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!Armado.Ik zal u wonderen vertellen.Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.Armado.Ik bemin u.Jacquenetta.Wat gij zegt!Armado.En nu, vaarwel!Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!(DomenJacquenettaaf.)Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—Mot.Wat zullen sommige menschen zien?Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.(MotenDikkopaf.)Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.(Armadoaf.)Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.(Boyetaf.)Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?Eerste Edelman.Daar komt Boyet.(Boyetkomt terug.)Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89(De Dames doen haar maskers voor.)(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.(Zij overhandigt een geschrift.)Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Biron.Ik weet, het is zoo.Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121Biron.Hoe laat is ’t wel?Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.Biron.Moog’ heil uw masker dagen!Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!Biron.Heb minnaars bij dozijnen!Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!(De Koning met zijn Gevolg af.)Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?Biron.Mijn hart is hard ziek.Rosaline.Onttap het dan wat bloed.Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.Biron.Zoo prikke uw oog de wond.Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.Biron.Nu, God behoede uw leven!Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.(Hij treedt ter zijde.)Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!(Dumaineaf.)Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.(Longavilleaf.)Biron.Wie is die met den hoed?Boyet.Catharina, geen bloed.Biron.En heeft ze al een man?Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.Maria.Twee vurige schapen!Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.(Hij wil haar kussen.)Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.Boyet.Aan wien behoort het veld dan?Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.Prinses.Hoe zoo?Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.Prinses.En uwe reed’nen?Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.Boyet.Zottinnen, hoort gij?Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?Rosaline.O ja, ons pad naar huis.Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.(Allen af.)
Veel gemin, geen gewin.Personen:Ferdinand, koning van Navarre.Hovelingen.Biron,Longaville,Dumaine.Fransche hovelingen.Boyet,Mercade.Don Adriano de Armado, een Spanjaard.Nathanaël, een dorpsgeestelijke.Holofernes, een dorpsonderwijzer.Dom, een gerechtsdienaar.Dikkop, een boer.Mot, page van Armado.Een Houtvester.De Prinses van Frankrijk.Haarhofdames.Rosaline,Maria,Catharina.Jacquenetta, een boerendeern.Heeren en verder Gevolg van den Koning en van de Prinses.Het tooneel is in Navarre.Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Het park voor het koninklijk slot teNavarre.De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.Dumaine.’t Is ongerijmd.99Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?Longaville.Vier dagen reeds geleden.Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.Longaville.Ik ben de man er van.Biron.Waarom, mijn lieve man?Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;(Hij onderteekent.)En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.Biron.Dit is zijn hoogheid.187Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?Biron.Alsof het een orakel ware.Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.Koning.“Zoo is het,”—Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—Koning.Stilte!228Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.Koning.Geen woord!Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—Dikkop.Mij.Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—Dikkop.Mij.Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—Dikkop.Nog altijd mij.Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—Dikkop.O, mij!Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—Dikkop.Met een meisje.Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?Dikkop.Heer, de deerne beken ik.Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!(Allen af.)Tweede Tooneel.Armado’shuis in het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.Mot.O neen, heer; God beware, neen.Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.Armado.Aardig en vaardig.Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?Armado.Tot uw rechtmatigen lof.Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?Mot.Dat een aal vlug is.Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.Armado.Onmogelijk.Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.Armado.Een meer dan twee.Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.Armado.Juist!Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.Armado.Een recht fraai voorbeeld!Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?Mot.Hercules, meester.Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?Mot.Een vrouw, meester.Armado.Van welke complexie?Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.Mot.Van de zeegroene, meester.Armado.Is dat een van de vier complexies?Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.Armado.Zing, zeg ik.Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!Jacquenetta.Man!Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.Jacquenetta.Dat is er na.Armado.Ik weet die wel te vinden.Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!Armado.Ik zal u wonderen vertellen.Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.Armado.Ik bemin u.Jacquenetta.Wat gij zegt!Armado.En nu, vaarwel!Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!(DomenJacquenettaaf.)Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—Mot.Wat zullen sommige menschen zien?Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.(MotenDikkopaf.)Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.(Armadoaf.)Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.(Boyetaf.)Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?Eerste Edelman.Daar komt Boyet.(Boyetkomt terug.)Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89(De Dames doen haar maskers voor.)(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.(Zij overhandigt een geschrift.)Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Biron.Ik weet, het is zoo.Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121Biron.Hoe laat is ’t wel?Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.Biron.Moog’ heil uw masker dagen!Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!Biron.Heb minnaars bij dozijnen!Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!(De Koning met zijn Gevolg af.)Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?Biron.Mijn hart is hard ziek.Rosaline.Onttap het dan wat bloed.Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.Biron.Zoo prikke uw oog de wond.Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.Biron.Nu, God behoede uw leven!Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.(Hij treedt ter zijde.)Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!(Dumaineaf.)Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.(Longavilleaf.)Biron.Wie is die met den hoed?Boyet.Catharina, geen bloed.Biron.En heeft ze al een man?Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.Maria.Twee vurige schapen!Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.(Hij wil haar kussen.)Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.Boyet.Aan wien behoort het veld dan?Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.Prinses.Hoe zoo?Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.Prinses.En uwe reed’nen?Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.Boyet.Zottinnen, hoort gij?Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?Rosaline.O ja, ons pad naar huis.Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.(Allen af.)
Het tooneel is in Navarre.
Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Het park voor het koninklijk slot teNavarre.De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.Dumaine.’t Is ongerijmd.99Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?Longaville.Vier dagen reeds geleden.Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.Longaville.Ik ben de man er van.Biron.Waarom, mijn lieve man?Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;(Hij onderteekent.)En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.Biron.Dit is zijn hoogheid.187Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?Biron.Alsof het een orakel ware.Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.Koning.“Zoo is het,”—Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—Koning.Stilte!228Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.Koning.Geen woord!Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—Dikkop.Mij.Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—Dikkop.Mij.Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—Dikkop.Nog altijd mij.Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—Dikkop.O, mij!Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—Dikkop.Met een meisje.Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?Dikkop.Heer, de deerne beken ik.Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!(Allen af.)Tweede Tooneel.Armado’shuis in het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.Mot.O neen, heer; God beware, neen.Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.Armado.Aardig en vaardig.Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?Armado.Tot uw rechtmatigen lof.Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?Mot.Dat een aal vlug is.Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.Armado.Onmogelijk.Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.Armado.Een meer dan twee.Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.Armado.Juist!Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.Armado.Een recht fraai voorbeeld!Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?Mot.Hercules, meester.Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?Mot.Een vrouw, meester.Armado.Van welke complexie?Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.Mot.Van de zeegroene, meester.Armado.Is dat een van de vier complexies?Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.Armado.Zing, zeg ik.Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!Jacquenetta.Man!Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.Jacquenetta.Dat is er na.Armado.Ik weet die wel te vinden.Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!Armado.Ik zal u wonderen vertellen.Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.Armado.Ik bemin u.Jacquenetta.Wat gij zegt!Armado.En nu, vaarwel!Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!(DomenJacquenettaaf.)Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—Mot.Wat zullen sommige menschen zien?Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.(MotenDikkopaf.)Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.(Armadoaf.)
Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Het park voor het koninklijk slot teNavarre.De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.Dumaine.’t Is ongerijmd.99Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?Longaville.Vier dagen reeds geleden.Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.Longaville.Ik ben de man er van.Biron.Waarom, mijn lieve man?Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;(Hij onderteekent.)En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.Biron.Dit is zijn hoogheid.187Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?Biron.Alsof het een orakel ware.Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.Koning.“Zoo is het,”—Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—Koning.Stilte!228Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.Koning.Geen woord!Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—Dikkop.Mij.Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—Dikkop.Mij.Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—Dikkop.Nog altijd mij.Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—Dikkop.O, mij!Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—Dikkop.Met een meisje.Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?Dikkop.Heer, de deerne beken ik.Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!(Allen af.)Tweede Tooneel.Armado’shuis in het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.Mot.O neen, heer; God beware, neen.Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.Armado.Aardig en vaardig.Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?Armado.Tot uw rechtmatigen lof.Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?Mot.Dat een aal vlug is.Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.Armado.Onmogelijk.Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.Armado.Een meer dan twee.Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.Armado.Juist!Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.Armado.Een recht fraai voorbeeld!Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?Mot.Hercules, meester.Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?Mot.Een vrouw, meester.Armado.Van welke complexie?Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.Mot.Van de zeegroene, meester.Armado.Is dat een van de vier complexies?Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.Armado.Zing, zeg ik.Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!Jacquenetta.Man!Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.Jacquenetta.Dat is er na.Armado.Ik weet die wel te vinden.Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!Armado.Ik zal u wonderen vertellen.Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.Armado.Ik bemin u.Jacquenetta.Wat gij zegt!Armado.En nu, vaarwel!Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!(DomenJacquenettaaf.)Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—Mot.Wat zullen sommige menschen zien?Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.(MotenDikkopaf.)Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.(Armadoaf.)
Eerste Tooneel.Het park voor het koninklijk slot teNavarre.De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.Dumaine.’t Is ongerijmd.99Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?Longaville.Vier dagen reeds geleden.Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.Longaville.Ik ben de man er van.Biron.Waarom, mijn lieve man?Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;(Hij onderteekent.)En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.Biron.Dit is zijn hoogheid.187Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?Biron.Alsof het een orakel ware.Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.Koning.“Zoo is het,”—Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—Koning.Stilte!228Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.Koning.Geen woord!Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—Dikkop.Mij.Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—Dikkop.Mij.Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—Dikkop.Nog altijd mij.Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—Dikkop.O, mij!Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—Dikkop.Met een meisje.Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?Dikkop.Heer, de deerne beken ik.Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!(Allen af.)
Eerste Tooneel.Het park voor het koninklijk slot teNavarre.De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.Dumaine.’t Is ongerijmd.99Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?Longaville.Vier dagen reeds geleden.Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.Longaville.Ik ben de man er van.Biron.Waarom, mijn lieve man?Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;(Hij onderteekent.)En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.Biron.Dit is zijn hoogheid.187Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?Biron.Alsof het een orakel ware.Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.Koning.“Zoo is het,”—Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—Koning.Stilte!228Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.Koning.Geen woord!Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—Dikkop.Mij.Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—Dikkop.Mij.Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—Dikkop.Nog altijd mij.Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—Dikkop.O, mij!Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—Dikkop.Met een meisje.Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?Dikkop.Heer, de deerne beken ik.Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!(Allen af.)
Het park voor het koninklijk slot teNavarre.
De Koning,Biron,LongavilleenDumainekomen op.
Koning.De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,En siere ons in de ontsiering van den dood,Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,Het streven van den adem dezer ureEen eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,En ons tot erven maakt der eeuwigheid.Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,Omdat gij krijg voert met uw eigen neigingEn ’t machtig leger aller aardsche lusten,—Ons jongst besluit besta in alle kracht:Navarre moet het wonder zijn der wereld,Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,Gij zwoert, drie jaren lang met mij te levenAls schoolgenooten, trouw aan al de regels,Die hier, op deze rol, geschreven staan.18Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,Met eigen hand zijn eigen eere velt.Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.
Koning.
De roem, dien ieder najaagt in zijn leven,
Leve ingebeiteld op ons bronzen graf,
En siere ons in de ontsiering van den dood,
Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd,
Het streven van den adem dezer ure
Een eer mag koopen, die zijn sikkel stomp,
En ons tot erven maakt der eeuwigheid.
Daarom, gij dappre helden!—want dit zijt gij,
Omdat gij krijg voert met uw eigen neiging
En ’t machtig leger aller aardsche lusten,—
Ons jongst besluit besta in alle kracht:
Navarre moet het wonder zijn der wereld,
Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool,
Waar rustig peinzen wetenschap doet leven.
Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën,
Gij zwoert, drie jaren lang met mij te leven
Als schoolgenooten, trouw aan al de regels,
Die hier, op deze rol, geschreven staan.18
Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook,
Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt,
Met eigen hand zijn eigen eere velt.
Kent gij u sterk, als gij geloften deedt,
Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.
Longaville.Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;Een vette buik, een mager brein; fijn eten,De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.
Longaville.
Ik ben besloten; ’t is maar drie jaar vasten.
Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen;
Een vette buik, een mager brein; fijn eten,
De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.
Dumaine.Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;Hij laat de groov’re vreugden dezer wereldAan dezer groov’re wereld laag’re slaven.Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.
Dumaine.
Mijn eed’le vorst, Dumaine is reeds verstorven;
Hij laat de groov’re vreugden dezer wereld
Aan dezer groov’re wereld laag’re slaven.
Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood;
’k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.
Biron.’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,Dat ik drie jaren hier studeeren wil.Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;En, één dag in de week geen spijs te proeven,En verder slechts één enk’len maaltijd daags,Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;En dan, des nachts drie uren slechts te slapenEn overdag geen oog toch toe te doen,—Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,En van den halven dag een nacht te maken!—Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.O, dit zijn harde plichten, zware lasten:Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!
Biron.
’k Heb enkel hun gelofte te herhalen;
Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen,
Dat ik drie jaren hier studeeren wil.
Edoch, er zijn nog and’re strenge regels,
Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien,
Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat;
En, één dag in de week geen spijs te proeven,
En verder slechts één enk’len maaltijd daags,
Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat;
En dan, des nachts drie uren slechts te slapen
En overdag geen oog toch toe te doen,—
Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken,
En van den halven dag een nacht te maken!—
Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat.
O, dit zijn harde plichten, zware lasten:
Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!
Koning.Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.
Koning.
Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.
Biron.Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.
Biron.
Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren:
Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren,
En hier aan ’t hof drie jaar te resideeren.
Longaville.Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53
Longaville.
Ook ’t and’re, vriend, met ons in broederschap.53
Biron.Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?
Biron.
Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.—
Maar zeg, wat is het doel van al ’t studeeren?
Koning.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.
Koning.
Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.
Biron.Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?
Biron.
Dus zaken, die ’t gewoon verstand niet vindt?
Koning.Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.
Koning.
Ja, dat is ’t godd’lijk loon, dat studie wint.
Biron.Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,Den eed verbreek en mijn belofte houd.Is dit der studie winst, slechts dit alleen,Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.
Biron.
Nu, dan,—ik zweer ’t,—studeer ik dag voor dag,
Totdat ik weet, wat ik niet weten mag;
Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast,
Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast;
Of, hoe ik eener schoone gunst geniet,
Wanneer een stomper oog geen schoone ziet;
Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt,
Den eed verbreek en mijn belofte houd.
Is dit der studie winst, slechts dit alleen,
Dan weet de studie meer dan ooit voorheen;
Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.
Koning.Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.
Koning.
Ziedaar nu juist wat ied’re studie stoort,
En onzen geest tot ijd’len lust bekoort.
Biron.O, elke lust is ijdel, die het meest,Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:Zooals het turen naar het licht der waarheidIn boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;En eer gij licht ooit in het duister vindt,Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,Door in een schooner oogenpaar te staren,Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,En, blindend, schooner licht u openbaren.De studie is gelijk des hemels zon,Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heerEen naam kan geven als een aardsche peet,—Verheugt een held’re sterrennacht hem meerDan een’, die wandelt, opziet en niets weet?Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,En ied’re peet verleent allicht een naam.
Biron.
O, elke lust is ijdel, die het meest,
Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest:
Zooals het turen naar het licht der waarheid
In boeken, waar gij ’t oog vergeefs op richt,
Want waarheid blindt dan ’t oog door valsche klaarheid.
Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan ’t licht;
En eer gij licht ooit in het duister vindt,
Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind.
Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt,
Door in een schooner oogenpaar te staren,
Die u ten gids zijn, als gij er in blikt,
En, blindend, schooner licht u openbaren.
De studie is gelijk des hemels zon,
Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn;
Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won,
Dan slechten raad uit and’rer hersenpijn?
Wie iedere enk’le ster van ’s hemels heer
Een naam kan geven als een aardsche peet,—
Verheugt een held’re sterrennacht hem meer
Dan een’, die wandelt, opziet en niets weet?
Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam,
En ied’re peet verleent allicht een naam.
Koning.Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!
Koning.
Wat uitgelezen woede tegen ’t lezen!
Dumaine.Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!
Dumaine.
Wat ijv’ren om ons ijv’ren te genezen!
Longaville.Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.
Longaville.
Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.
Biron.’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.
Biron.
’t Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.
Dumaine.Hoe komt dit hier te pas?
Dumaine.
Hoe komt dit hier te pas?
Biron.Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.
Biron.
Hoe komt dit hier te pas?Recht goed ter snede.
Dumaine.’t Is ongerijmd.99
Dumaine.
’t Is ongerijmd.99
Biron.’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.
Biron.
’t Is ongerijmd.Het rijmt, erkent dit mede.
Koning.Biron is als een felle vorst, die bijt,En nijdig woedt op lentes eerstelingen.
Koning.
Biron is als een felle vorst, die bijt,
En nijdig woedt op lentes eerstelingen.
Biron.Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.
Biron.
Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd,
En pocht, eer vogels reden zien tot zingen.
Zou ’k roemen, wat ontijdig wordt geboren?
Bij donk’ren kersttijd kan geen roosje mij,
Op ’t nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren;
Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij.
Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,—
Gij klimt, om ’t huis te ontsluiten, over ’t dak.
Koning.Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!
Koning.
Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!
Biron.Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.Laat zien, wat in de rol geschreven staat;Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.
Biron.
Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij ’t spel.
Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken,
Dan gij voor de’ engel “kennis” zeggen kunt,
Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken,
En boet de drie jaar uit, zoo gij ’t vergunt.
Laat zien, wat in de rol geschreven staat;
Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.
Koning.Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.
Koning.
Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.
Biron(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?
Biron
(leest).“Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen.” Is dit afgekondigd geworden?
Longaville.Vier dagen reeds geleden.
Longaville.
Vier dagen reeds geleden.
Biron.Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)“Op straffe van de tong te verliezen.”Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.
Biron.
Laat zien, op welke boete?(Hij leest.)
“Op straffe van de tong te verliezen.”
Wie dacht dit uit? het is zoo streng als ’t kan.
Longaville.Ik ben de man er van.
Longaville.
Ik ben de man er van.
Biron.Waarom, mijn lieve man?
Biron.
Waarom, mijn lieve man?
Longaville.Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.
Longaville.
Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.
Biron.’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—
Biron.
’t Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht.(Hij leest.)“Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken.”—
Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—Van de overdracht van AquitaniaAan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141
Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij ’t breken;
Want Frankrijks koning zendt,—gij weet dit wis,—
Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,—
Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,—
Van de overdracht van Aquitania
Aan de’ ouden kranken koning. Dus, gij ziet,
’t Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja,
Of hààr reis is verijdeld en voor niet.141
Koning.Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?
Koning.
Is ’t moog’lijk, heeren, hoe ontging dit mij?
Biron.Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;Zij streeft door studie naar het hoogste goed,Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het ietsAls platgebrande steden: iets, maar niets.
Biron.
Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij;
Zij streeft door studie naar het hoogste goed,
Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet;
En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het iets
Als platgebrande steden: iets, maar niets.
Koning.In deze kan ons dit besluit niet binden;Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.
Koning.
In deze kan ons dit besluit niet binden;
Zij moet noodzaak’lijk een verblijf hier vinden.
Biron.Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;Geen aangeboren lust is ooit bezwekenVoor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;
Biron.
Noodzaak’lijkheid doet ons onze eeden breken,
Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd;
Geen aangeboren lust is ooit bezweken
Voor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt.
Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit:
Ik breek hem enkel uit noodzaak’lijkheid.—
Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;
(Hij onderteekent.)
En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?
En wie de wet nu schendt, hoe luttel ’t zij,
Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren.
Ook and’ren wenkt verlokking, zooals mij;
Maar,—dit geloof ik,—deed ik ’t laatst den eed,
De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,—
Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?
Koning.Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeertEen reiziger uit Spanje, trotsch en edel,In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,En met een munt van woorden in zijn schedel;Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tongAls tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprongVan strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;Armado heet dit kind der phantasie;Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,Als we ons verpoozen van philosophie,In hoogen stijl de dapp’re daden melden.Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.
Koning.
Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeert
Een reiziger uit Spanje, trotsch en edel,
In al der wereld nieuwheid uitgeleerd,
En met een munt van woorden in zijn schedel;
Een man, wien ’t raat’len van zijn ijd’le tong
Als tooverzang verrukt; en zoo volmaakt,
Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprong
Van strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt;
Armado heet dit kind der phantasie;
Hij moge ons van oud Spanje’s bruine helden,
Als we ons verpoozen van philosophie,
In hoogen stijl de dapp’re daden melden.
Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak?
Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak,
En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.
Biron.Armado is voor mij een ideaal,De held der mode, fonkelnieuw van taal.
Biron.
Armado is voor mij een ideaal,
De held der mode, fonkelnieuw van taal.
Longaville.Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,Dan blijken drie jaar studie veel te kort.
Longaville.
Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt,
Dan blijken drie jaar studie veel te kort.
(DomenDikkopkomen op, de eerste met een brief in de hand.)
Dom.Wie is hier de eigen persoon van den vorst?
Dom.
Wie is hier de eigen persoon van den vorst?
Biron.Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?
Biron.
Hier, dezeknaap. Wat wilt gij?
Dom.Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.
Dom.
Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik benzijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.
Biron.Dit is zijn hoogheid.187
Biron.
Dit is zijn hoogheid.187
Dom.Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.
Dom.
Signor Arm—, Arma—, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.
Dikkop.Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.
Dikkop.
Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.
Koning.Een schrijven van den roemruchten Armado.
Koning.
Een schrijven van den roemruchten Armado.
Biron.Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.
Biron.
Hoe laag het onderwerp moog’ wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.
Longaville.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!
Longaville.
Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!
Biron.Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?
Biron.
Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?
Longaville.Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.
Longaville.
Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.
Biron.Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.
Biron.
Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.
Dikkop.Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.
Dikkop.
Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.
Biron.Nu, wat is dan die aardigheid?
Biron.
Nu, wat is dan die aardigheid?
Dikkop.Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.
Dikkop.
Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd methaar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,—en den loop, heer, wel, ik liep haar na.
Biron.En is er nog een vervolg bij, vriend?
Biron.
En is er nog een vervolg bij, vriend?
Dikkop.Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!
Dikkop.
Het vervolg, heer,—dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!
Koning.Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?
Koning.
Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?
Biron.Alsof het een orakel ware.
Biron.
Alsof het een orakel ware.
Dikkop.Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.
Dikkop.
Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.
Koning.(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—
Koning.
(leest).“Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,”—
Dikkop.Nog geen woord van Dikkop.
Dikkop.
Nog geen woord van Dikkop.
Koning.“Zoo is het,”—
Koning.
“Zoo is het,”—
Dikkop.’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—
Dikkop.
’t Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch—
Koning.Stilte!228
Koning.
Stilte!228
Dikkop.Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.
Dikkop.
Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.
Koning.Geen woord!
Koning.
Geen woord!
Dikkop.Van een andermans geheimen, bid ik u.
Dikkop.
Van een andermans geheimen, bid ik u.
Koning.(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—
Koning.
(leest).“Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,dit gering elzenvorentjevan uwen spotlust,”—
Dikkop.Mij.
Dikkop.
Mij.
Koning.—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—
Koning.
—“deze ongeletterde, luttelwetende ziel,”—
Dikkop.Mij.
Dikkop.
Mij.
Koning.—“dezen onnoozelen vazal,”—
Koning.
—“dezen onnoozelen vazal,”—
Dikkop.Nog altijd mij.
Dikkop.
Nog altijd mij.
Koning.—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—
Koning.
—“die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,”—
Dikkop.O, mij!
Dikkop.
O, mij!
Koning.—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—
Koning.
—“vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met—, met—, o! met—, maar ik huiver te zeggen, waarmede,”—
Dikkop.Met een meisje.
Dikkop.
Met een meisje.
Koning.—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”
Koning.
—“met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,—zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,—tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam.”
Dom.Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274
Dom.
Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom.274
Koning.“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,Don Adriano de Armado.”
Koning.
“Jacquenetta daarentegen,—zoo heet het zwakkere vat,—die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,
Don Adriano de Armado.”
Biron.Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.
Biron.
Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.
Koning.Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?
Koning.
Ja, het beste onder het slechtste.—Knaap, wat zegt gij hierop?
Dikkop.Heer, de deerne beken ik.
Dikkop.
Heer, de deerne beken ik.
Koning.Hadt gij de afkondiging gehoord?
Koning.
Hadt gij de afkondiging gehoord?
Dikkop.Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.
Dikkop.
Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.
Koning.Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.
Koning.
Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.
Dikkop.Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.
Dikkop.
Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.
Koning.De afkondiging sprak ook van meisjes.
Koning.
De afkondiging sprak ook van meisjes.
Dikkop.Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.
Dikkop.
Zij was ook geen meisje, heer, zijwas een maagdeke.
Koning.Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.
Koning.
Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.
Dikkop.Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.
Dikkop.
Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.
Koning.Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!
Koning.
Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!
Dikkop.Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.
Dikkop.
Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.
Koning.Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.
Koning.
Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.
Dikkop.Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.
Dikkop.
Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.
Koning.En Don Armado zal uw wachter zijn.—Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.
Koning.
En Don Armado zal uw wachter zijn.—
Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.
Komt, vrienden, nu aan ’t werk met frisschen moed;
Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.
(De Koning,LongavilleenDumaineaf.)
Biron.Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.Vooruit, knaap!
Biron.
Mijn hoofd verwed ik tegen ied’ren hoed,
Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.
Vooruit, knaap!
Dikkop.Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!
Dikkop.
Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!
(Allen af.)
Tweede Tooneel.Armado’shuis in het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.Mot.O neen, heer; God beware, neen.Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.Armado.Aardig en vaardig.Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?Armado.Tot uw rechtmatigen lof.Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?Mot.Dat een aal vlug is.Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.Armado.Onmogelijk.Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.Armado.Een meer dan twee.Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.Armado.Juist!Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.Armado.Een recht fraai voorbeeld!Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?Mot.Hercules, meester.Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?Mot.Een vrouw, meester.Armado.Van welke complexie?Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.Mot.Van de zeegroene, meester.Armado.Is dat een van de vier complexies?Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.Armado.Zing, zeg ik.Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!Jacquenetta.Man!Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.Jacquenetta.Dat is er na.Armado.Ik weet die wel te vinden.Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!Armado.Ik zal u wonderen vertellen.Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.Armado.Ik bemin u.Jacquenetta.Wat gij zegt!Armado.En nu, vaarwel!Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!(DomenJacquenettaaf.)Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—Mot.Wat zullen sommige menschen zien?Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.(MotenDikkopaf.)Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.(Armadoaf.)
Tweede Tooneel.Armado’shuis in het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.Mot.O neen, heer; God beware, neen.Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.Armado.Aardig en vaardig.Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?Armado.Tot uw rechtmatigen lof.Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?Mot.Dat een aal vlug is.Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.Armado.Onmogelijk.Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.Armado.Een meer dan twee.Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.Armado.Juist!
Armado’shuis in het park.
ArmadoenMotkomen op.
Armado.Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?
Armado.
Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?
Mot.Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.
Mot.
Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.
Armado.Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.
Armado.
Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.
Mot.O neen, heer; God beware, neen.
Mot.
O neen, heer; God beware, neen.
Armado.Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?
Armado.
Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?
Mot.Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.
Mot.
Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.
Armado.Waarom taaie senior? waarom taaie senior?
Armado.
Waarom taaie senior? waarom taaie senior?
Mot.Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?
Mot.
Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?
Armado.Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.
Armado.
Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.
Mot.En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.
Mot.
En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.
Armado.Aardig en vaardig.
Armado.
Aardig en vaardig.
Mot.Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?
Mot.
Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?
Armado.Gij aardig, omdat gij klein zijt.
Armado.
Gij aardig, omdat gij klein zijt.
Mot.Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?
Mot.
Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?
Armado.En vaardig, omdat gij vlug zijt.
Armado.
En vaardig, omdat gij vlug zijt.
Mot.Zegt gij dit tot mijn lof, meester?
Mot.
Zegt gij dit tot mijn lof, meester?
Armado.Tot uw rechtmatigen lof.
Armado.
Tot uw rechtmatigen lof.
Mot.Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.
Mot.
Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.
Armado.Wat! dat een aal scherpzinnig is?
Armado.
Wat! dat een aal scherpzinnig is?
Mot.Dat een aal vlug is.
Mot.
Dat een aal vlug is.
Armado.Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.
Armado.
Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.
Mot.Ik heb mijn antwoord, heer.33
Mot.
Ik heb mijn antwoord, heer.33
Armado.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.
Armado.
Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.
Mot(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.
Mot
(ter zijde).Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.
Armado.Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.
Armado.
Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.
Mot.Dit kunt gij wel in één doen, heer.
Mot.
Dit kunt gij wel in één doen, heer.
Armado.Onmogelijk.
Armado.
Onmogelijk.
Mot.Hoeveel is één, driemaal geteld?
Mot.
Hoeveel is één, driemaal geteld?
Armado.Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.
Armado.
Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.
Mot.Gij zijt een edelman, en een speler, heer.
Mot.
Gij zijt een edelman, en een speler, heer.
Armado.Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.
Armado.
Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.
Mot.Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.
Mot.
Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.
Armado.Een meer dan twee.
Armado.
Een meer dan twee.
Mot.Wat het lage gemeen drie noemt.
Mot.
Wat het lage gemeen drie noemt.
Armado.Juist!
Armado.
Juist!
Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.Armado.Een recht fraai voorbeeld!Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?Mot.Hercules, meester.Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?Mot.Een vrouw, meester.Armado.Van welke complexie?Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.Mot.Van de zeegroene, meester.Armado.Is dat een van de vier complexies?Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.Armado.Zing, zeg ik.Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!Jacquenetta.Man!Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.Jacquenetta.Dat is er na.Armado.Ik weet die wel te vinden.Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!Armado.Ik zal u wonderen vertellen.Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.Armado.Ik bemin u.Jacquenetta.Wat gij zegt!Armado.En nu, vaarwel!Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!(DomenJacquenettaaf.)Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—Mot.Wat zullen sommige menschen zien?Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.(MotenDikkopaf.)Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.(Armadoaf.)
Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.
Veel gemin geen gewin, Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.
Mot.Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.
Mot.
Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij hetwoord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kanhet dansende paardu wel zeggen.
Armado.Een recht fraai voorbeeld!
Armado.
Een recht fraai voorbeeld!
Mot(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.
Mot
(ter zijde).Dat u een nul doet blijken.
Armado.Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?
Armado.
Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?
Mot.Hercules, meester.
Mot.
Hercules, meester.
Armado.Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.
Armado.
Die allerliefste Hercules!—Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.
Mot.Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76
Mot.
Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd.76
Armado.O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?
Armado.
O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?
Mot.Een vrouw, meester.
Mot.
Een vrouw, meester.
Armado.Van welke complexie?
Armado.
Van welke complexie?
Mot.Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.
Mot.
Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.
Armado.Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.
Armado.
Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.
Mot.Van de zeegroene, meester.
Mot.
Van de zeegroene, meester.
Armado.Is dat een van de vier complexies?
Armado.
Is dat een van de vier complexies?
Mot.Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.
Mot.
Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.
Armado.Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.
Armado.
Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.
Mot.Zoo was het, heer, want haar geest was groen.
Mot.
Zoo was het, heer, want haar geest was groen.
Armado.Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.
Armado.
Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.
Mot.Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.
Mot.
Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.
Armado.Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!
Armado.
Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!
Mot.Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!
Mot.
Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!
Armado.Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!
Armado.
Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!
Mot.Is eenig meisje rood en wit,Niets brengt haar ooit van streek;Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,En bange vreeze bleek,—Of zij al vreest of kwaad bedrijft,Zij draagt dit niet te pronk;Wijl hare kleur dezelfde blijft,Als die natuur haar schonk.
Mot.
Is eenig meisje rood en wit,
Niets brengt haar ooit van streek;
Maak’ schaamte ook and’rer wang verhit,
En bange vreeze bleek,—
Of zij al vreest of kwaad bedrijft,
Zij draagt dit niet te pronk;
Wijl hare kleur dezelfde blijft,
Als die natuur haar schonk.
Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.
Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.
Armado.Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?
Armado.
Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?
Mot.De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119
Mot.
De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.119
Armado.Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.
Armado.
Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.
Mot(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.
Mot
(ter zijde).Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.
Armado.Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.
Armado.
Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.
Mot.Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.
Mot.
Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.
Armado.Zing, zeg ik.
Armado.
Zing, zeg ik.
Mot.Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.
Mot.
Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.
(Dom,DikkopenJacquenettakomen op.)
Dom.Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.
Dom.
Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is totdagloonsterbenoemd. Vaarwel.
Armado.Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!
Armado.
Ik verraad mij door mijn blozen.—Meisje!
Jacquenetta.Man!
Jacquenetta.
Man!
Armado.Ik wil u aan de hut komen opzoeken.
Armado.
Ik wil u aan de hut komen opzoeken.
Jacquenetta.Dat is er na.
Jacquenetta.
Dat is er na.
Armado.Ik weet die wel te vinden.
Armado.
Ik weet die wel te vinden.
Jacquenetta.Heere, Heere, wat zijt gij knap!
Jacquenetta.
Heere, Heere, wat zijt gij knap!
Armado.Ik zal u wonderen vertellen.
Armado.
Ik zal u wonderen vertellen.
Jacquenetta.Daar ziet ge wel naar uit.
Jacquenetta.
Daar ziet ge wel naar uit.
Armado.Ik bemin u.
Armado.
Ik bemin u.
Jacquenetta.Wat gij zegt!
Jacquenetta.
Wat gij zegt!
Armado.En nu, vaarwel!
Armado.
En nu, vaarwel!
Jacquenetta.Ik wensch u mooi weer!
Jacquenetta.
Ik wensch u mooi weer!
Dom.Kom, Jacquenetta, vooruit!
Dom.
Kom, Jacquenetta, vooruit!
(DomenJacquenettaaf.)
Armado.Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.
Armado.
Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.
Dikkop.Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.
Dikkop.
Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.
Armado.Gij zult zwaar gestraft worden.
Armado.
Gij zult zwaar gestraft worden.
Dikkop.Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.
Dikkop.
Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.
Armado.Voer den booswicht weg, sluit hem op.
Armado.
Voer den booswicht weg, sluit hem op.
Mot.Kom, gij lage zondaar, voort!
Mot.
Kom, gij lage zondaar, voort!
Dikkop.Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.
Dikkop.
Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.
Mot.Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.
Mot.
Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.
Dikkop.Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—
Dikkop.
Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien—
Mot.Wat zullen sommige menschen zien?
Mot.
Wat zullen sommige menschen zien?
Dikkop.Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.
Dikkop.
Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.
(MotenDikkopaf.)
Armado.Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.
Armado.
Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,—wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,—indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido’s pijl is voor Hercules’ knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard.De eerste en tweede reden tot een tweegevechthelpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of anderextempore rijmgodmij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.
(Armadoaf.)
Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.(Boyetaf.)Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?Eerste Edelman.Daar komt Boyet.(Boyetkomt terug.)Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89(De Dames doen haar maskers voor.)(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.(Zij overhandigt een geschrift.)Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Biron.Ik weet, het is zoo.Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121Biron.Hoe laat is ’t wel?Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.Biron.Moog’ heil uw masker dagen!Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!Biron.Heb minnaars bij dozijnen!Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!(De Koning met zijn Gevolg af.)Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?Biron.Mijn hart is hard ziek.Rosaline.Onttap het dan wat bloed.Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.Biron.Zoo prikke uw oog de wond.Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.Biron.Nu, God behoede uw leven!Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.(Hij treedt ter zijde.)Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!(Dumaineaf.)Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.(Longavilleaf.)Biron.Wie is die met den hoed?Boyet.Catharina, geen bloed.Biron.En heeft ze al een man?Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.Maria.Twee vurige schapen!Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.(Hij wil haar kussen.)Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.Boyet.Aan wien behoort het veld dan?Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.Prinses.Hoe zoo?Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.Prinses.En uwe reed’nen?Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.Boyet.Zottinnen, hoort gij?Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?Rosaline.O ja, ons pad naar huis.Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.(Allen af.)
Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.(Boyetaf.)Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?Eerste Edelman.Daar komt Boyet.(Boyetkomt terug.)Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89(De Dames doen haar maskers voor.)(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.(Zij overhandigt een geschrift.)Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Biron.Ik weet, het is zoo.Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121Biron.Hoe laat is ’t wel?Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.Biron.Moog’ heil uw masker dagen!Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!Biron.Heb minnaars bij dozijnen!Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!(De Koning met zijn Gevolg af.)Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?Biron.Mijn hart is hard ziek.Rosaline.Onttap het dan wat bloed.Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.Biron.Zoo prikke uw oog de wond.Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.Biron.Nu, God behoede uw leven!Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.(Hij treedt ter zijde.)Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!(Dumaineaf.)Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.(Longavilleaf.)Biron.Wie is die met den hoed?Boyet.Catharina, geen bloed.Biron.En heeft ze al een man?Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.Maria.Twee vurige schapen!Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.(Hij wil haar kussen.)Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.Boyet.Aan wien behoort het veld dan?Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.Prinses.Hoe zoo?Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.Prinses.En uwe reed’nen?Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.Boyet.Zottinnen, hoort gij?Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?Rosaline.O ja, ons pad naar huis.Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.(Boyetaf.)Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?Eerste Edelman.Daar komt Boyet.(Boyetkomt terug.)Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89(De Dames doen haar maskers voor.)(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.(Zij overhandigt een geschrift.)Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Biron.Ik weet, het is zoo.Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121Biron.Hoe laat is ’t wel?Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.Biron.Moog’ heil uw masker dagen!Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!Biron.Heb minnaars bij dozijnen!Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!(De Koning met zijn Gevolg af.)Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?Biron.Mijn hart is hard ziek.Rosaline.Onttap het dan wat bloed.Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.Biron.Zoo prikke uw oog de wond.Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.Biron.Nu, God behoede uw leven!Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.(Hij treedt ter zijde.)Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!(Dumaineaf.)Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.(Longavilleaf.)Biron.Wie is die met den hoed?Boyet.Catharina, geen bloed.Biron.En heeft ze al een man?Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.Maria.Twee vurige schapen!Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.(Hij wil haar kussen.)Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.Boyet.Aan wien behoort het veld dan?Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.Prinses.Hoe zoo?Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.Prinses.En uwe reed’nen?Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.Boyet.Zottinnen, hoort gij?Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?Rosaline.O ja, ons pad naar huis.Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.(Boyetaf.)Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?Eerste Edelman.Daar komt Boyet.(Boyetkomt terug.)Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89(De Dames doen haar maskers voor.)(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.(Zij overhandigt een geschrift.)Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?Biron.Ik weet, het is zoo.Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121Biron.Hoe laat is ’t wel?Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.Biron.Moog’ heil uw masker dagen!Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!Biron.Heb minnaars bij dozijnen!Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!(De Koning met zijn Gevolg af.)Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?Biron.Mijn hart is hard ziek.Rosaline.Onttap het dan wat bloed.Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.Biron.Zoo prikke uw oog de wond.Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.Biron.Nu, God behoede uw leven!Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.(Hij treedt ter zijde.)Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!(Dumaineaf.)Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.(Longavilleaf.)Biron.Wie is die met den hoed?Boyet.Catharina, geen bloed.Biron.En heeft ze al een man?Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.Maria.Twee vurige schapen!Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.(Hij wil haar kussen.)Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.Boyet.Aan wien behoort het veld dan?Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.Prinses.Hoe zoo?Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.Prinses.En uwe reed’nen?Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.Boyet.Zottinnen, hoort gij?Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?Rosaline.O ja, ons pad naar huis.Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.(Allen af.)
Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.
De Prinses van Frankrijk,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden en verder Gevolg komen op.
Boyet.Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;Denk, wie uw koninklijke vader zendt,Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaamVan al wat ooit een man ten sieraad strekte,Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.Wees met uw zeldzaam schoone gratie mildZooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,Toen zij der gansche wereld die onthield,Om in haar mildheid alles u te schenken.
Boyet.
Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;
Denk, wie uw koninklijke vader zendt,
Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,
Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,
Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaam
Van al wat ooit een man ten sieraad strekte,
Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,
Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.
Wees met uw zeldzaam schoone gratie mild
Zooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,
Toen zij der gansche wereld die onthield,
Om in haar mildheid alles u te schenken.
Prinses.Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—Gij weet, hoe ’t alles meldende geruchtVerbreidde, dat Navarre heeft gezworen,Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;En daarom komt het ons noodzakelijk voor,Aleer we aan zijn verboden drempel treden,Te weten, wat hij wil; en daartoe lezenWij, zeker van uw kloeken geest, u uit,Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochterTer wille van een zaak, die spoed vereischt,Met zijn genade een mondgesprek verlangt.IJl, meld dit; ondertusschen wachten wijZijn wil als arme smeekelingen af.
Prinses.
Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering,13
Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;
Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,
Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.
Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,
Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,
Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.
Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—
Gij weet, hoe ’t alles meldende gerucht
Verbreidde, dat Navarre heeft gezworen,
Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,
Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;
En daarom komt het ons noodzakelijk voor,
Aleer we aan zijn verboden drempel treden,
Te weten, wat hij wil; en daartoe lezen
Wij, zeker van uw kloeken geest, u uit,
Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.
Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochter
Ter wille van een zaak, die spoed vereischt,
Met zijn genade een mondgesprek verlangt.
IJl, meld dit; ondertusschen wachten wij
Zijn wil als arme smeekelingen af.
Boyet.Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.
Boyet.
Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.
Prinses.Juist; ijver is aan allen trots gemeen.
Prinses.
Juist; ijver is aan allen trots gemeen.
(Boyetaf.)
Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenootenDes wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?
Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenooten
Des wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?
Eerste Edelman.’k Weet Longaville er van.
Eerste Edelman.
’k Weet Longaville er van.
Prinses.’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?
Prinses.
’k Weet Longaville er van.Kent gij dien man?
Maria.Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeestIn Normandië, toen graaf PérigordMet de erfgenaam van Jacques FalconbridgeIn de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,In kennis rijk, met wapenroem gesierd,Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—Is scherp vernuft bij al te plompen wil.Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wilWil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.
Maria.
Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeest
In Normandië, toen graaf Périgord
Met de erfgenaam van Jacques Falconbridge
In de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.
Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,
In kennis rijk, met wapenroem gesierd,
Welslagend steeds in wat hij ernstig wil.46
Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—
Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—
Is scherp vernuft bij al te plompen wil.
Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wil
Wil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.
Prinses.Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?
Prinses.
Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?
Maria.Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.
Maria.
Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.
Prinses.Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—En wie zijn de and’ren?
Prinses.
Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—
En wie zijn de and’ren?
Catharina.Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.Ik zag hem eens bij hertog Alençon,En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.
Catharina.
Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,
Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;
Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,
Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,
Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.
Ik zag hem eens bij hertog Alençon,
En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,
Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.
Rosaline.Nog één van deze wijsheidzoekers wasDaar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,Heet hij Biron; met opgeruimder man,—Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,Want ieder voorwerp, dat het eene treft,Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,En jonger hoorders ras zijn meegesleept;Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.
Rosaline.
Nog één van deze wijsheidzoekers was
Daar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,
Heet hij Biron; met opgeruimder man,—
Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—
Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.
Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,
Want ieder voorwerp, dat het eene treft,
Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,
Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,
In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,
Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,
En jonger hoorders ras zijn meegesleept;
Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.
Prinses.God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierdMet zulk een rijken schat van eer en lof?
Prinses.
God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,
Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierd
Met zulk een rijken schat van eer en lof?
Eerste Edelman.Daar komt Boyet.
Eerste Edelman.
Daar komt Boyet.
(Boyetkomt terug.)
Prinses.Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?
Prinses.
Daar komt Boyet.Nu, heer, hoe is de ontvangst?
Boyet.Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;En stond juist, hooge meesteres, gereedOm met zijn eedgenooten u te ontmoeten,Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,Dan hij de strengheid van zijn eed ontduiktEn u zijn eenzaam hof betreden laat.Daar komt Navarre.89
Boyet.
Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;
En stond juist, hooge meesteres, gereed
Om met zijn eedgenooten u te ontmoeten,
Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:
Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,
Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,
Dan hij de strengheid van zijn eed ontduikt
En u zijn eenzaam hof betreden laat.
Daar komt Navarre.89
(De Dames doen haar maskers voor.)
(De Koning,Longaville,DumaineenBironkomen op, met Gevolg.)
Koning.Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!
Koning.
Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!
Prinses.Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.
Prinses.
Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.
Koning.Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.
Koning.
Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.
Prinses.Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!
Prinses.
Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!
Koning.Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—
Koning.
Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—
Prinses.Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!
Prinses.
Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!
Koning.Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.
Koning.
Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.
Prinses.Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.
Prinses.
Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.
Koning.Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.
Koning.
Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.
Prinses.Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;En zonde ook is het, hem te breken.—MaarVergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;Het past mij niet, een leeraar les te geven.Gelief het doel van mijne komst te lezen,En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.
Prinses.
Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;
Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.
Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;
Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;
En zonde ook is het, hem te breken.—Maar
Vergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;
Het past mij niet, een leeraar les te geven.
Gelief het doel van mijne komst te lezen,
En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.
(Zij overhandigt een geschrift.)
Koning.Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.
Koning.
Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.
Prinses.’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.
Prinses.
’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,
Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.
Biron.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
Biron.
Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
Rosaline.Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
Rosaline.
Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
Biron.Ik weet, het is zoo.
Biron.
Ik weet, het is zoo.
Rosaline.Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig danMij dit te vragen!
Rosaline.
Ik weet, het is zoo.Hoe onnoodig dan
Mij dit te vragen!
Biron.Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!
Biron.
Mij dit te vragen!Dat is doorgedraafd!
Rosaline.Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.
Rosaline.
Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.
Biron.Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.
Biron.
Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.
Rosaline.Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121
Rosaline.
Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot.121
Biron.Hoe laat is ’t wel?
Biron.
Hoe laat is ’t wel?
Rosaline.Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.
Rosaline.
Hoe laat is ’t wel?Het uur, dat dwazen vragen.
Biron.Moog’ heil uw masker dagen!
Biron.
Moog’ heil uw masker dagen!
Rosaline.En mijn gelaat beschijnen!
Rosaline.
En mijn gelaat beschijnen!
Biron.Heb minnaars bij dozijnen!
Biron.
Heb minnaars bij dozijnen!
Rosaline.En beet’re, dan gij zijt.
Rosaline.
En beet’re, dan gij zijt.
Biron.Ik ga; ’t is meer dan tijd.
Biron.
Ik ga; ’t is meer dan tijd.
Koning.Prinses, uw vader spreekt in zijnen briefVan ’t afdoen van een honderdduizend kronen,Wat echter slechts de helft is van de som,Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—Die som betaald was, dan bleef de and’re helftToch onbetaald, waarvoor aan ons als pandEen deel van Aquitanië is afgestaan,Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.Indien uw koninklijke vader onsDie onbetaalde helft nu afdoen wil,Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer afEn blijven zijner hoogheid goede vriend.Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,Want hij verlangt hier de terugbetalingVan honderdduizend kronen, en vraagt niet,Na kwijting van een honderdduizend kronen,’t Bezit van Aquitanië weer terug,Wat wij veel liever hem weer zouden afstaanMits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooterDan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hartToegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.
Koning.
Prinses, uw vader spreekt in zijnen brief
Van ’t afdoen van een honderdduizend kronen,
Wat echter slechts de helft is van de som,
Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.
Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—
Die som betaald was, dan bleef de and’re helft
Toch onbetaald, waarvoor aan ons als pand
Een deel van Aquitanië is afgestaan,
Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.
Indien uw koninklijke vader ons
Die onbetaalde helft nu afdoen wil,
Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer af
En blijven zijner hoogheid goede vriend.
Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,
Want hij verlangt hier de terugbetaling
Van honderdduizend kronen, en vraagt niet,
Na kwijting van een honderdduizend kronen,
’t Bezit van Aquitanië weer terug,
Wat wij veel liever hem weer zouden afstaan
Mits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,
Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.
Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooter
Dan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hart
Toegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,
Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.
Prinses.Gij doet den koning mijnen vader onrecht,En onrecht aan uw eigen goeden naam,Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.
Prinses.
Gij doet den koning mijnen vader onrecht,
En onrecht aan uw eigen goeden naam,
Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,
Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.
Koning.Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;Bewijs dit, en ik zal voldoen, of staU Aquitanië af.
Koning.
Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;
Bewijs dit, en ik zal voldoen, of sta
U Aquitanië af.
Prinses.U Aquitanië af.Een man een woord.Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggenVoor deze som, van hen, die volmacht haddenVan Karel zijnen vader.
Prinses.
U Aquitanië af.Een man een woord.
Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggen
Voor deze som, van hen, die volmacht hadden
Van Karel zijnen vader.
Koning.Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.
Koning.
Van Karel zijnen vader.Goed, vertoon dit.
Boyet.Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomenMet dit en andere overtuigingsstukken;165Doch morgen zult gij inzage er van hebben.
Boyet.
Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomen
Met dit en andere overtuigingsstukken;165
Doch morgen zult gij inzage er van hebben.
Koning.Dit zal voldoende zijn, en dan zal ikToegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,Als eere, zonder eerebreuk te plegen,Aan uw hooge waarde bieden kan.Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.
Koning.
Dit zal voldoende zijn, en dan zal ik
Toegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.
Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,
Als eere, zonder eerebreuk te plegen,
Aan uw hooge waarde bieden kan.
Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;
Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,
Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,
Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.
Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;
Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.
Prinses.Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!
Prinses.
Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!
Koning.’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!
Koning.
’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!
(De Koning met zijn Gevolg af.)
Biron.Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.
Biron.
Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.
Rosaline.Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.
Rosaline.
Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.
Biron.Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.
Biron.
Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.
Rosaline.Is ’t arme ding dan krank?
Rosaline.
Is ’t arme ding dan krank?
Biron.Mijn hart is hard ziek.
Biron.
Mijn hart is hard ziek.
Rosaline.Onttap het dan wat bloed.
Rosaline.
Onttap het dan wat bloed.
Biron.Gij denkt dus, dit waar’ goed?
Biron.
Gij denkt dus, dit waar’ goed?
Rosaline.O, dan is ’t dra gezond.
Rosaline.
O, dan is ’t dra gezond.
Biron.Zoo prikke uw oog de wond.
Biron.
Zoo prikke uw oog de wond.
Rosaline.Neen, ’k wil mijn mes u geven.
Rosaline.
Neen, ’k wil mijn mes u geven.
Biron.Nu, God behoede uw leven!
Biron.
Nu, God behoede uw leven!
Rosaline.En ’t uwe, voor hooge jaren!
Rosaline.
En ’t uwe, voor hooge jaren!
Biron.Nu kan ik mijn dank wel sparen.
Biron.
Nu kan ik mijn dank wel sparen.
(Hij treedt ter zijde.)
Dumaine(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?
Dumaine
(totBoyet).Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?
Boyet.Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.
Boyet.
Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.
Dumaine.Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!
Dumaine.
Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!
(Dumaineaf.)
Longaville.Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?
Longaville.
Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?
Boyet.Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.
Boyet.
Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.
Longaville.In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.
Longaville.
In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.
Boyet.Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200
Boyet.
Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag.200
Longaville.Wiens dochter is zij, meende ik.
Longaville.
Wiens dochter is zij, meende ik.
Boyet.Ik meen wel, van haar moeder.
Boyet.
Ik meen wel, van haar moeder.
Longaville.Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!
Longaville.
Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!
Boyet.Bedaard, heer, niet verstoord!Zij is een Falconbridge.
Boyet.
Bedaard, heer, niet verstoord!
Zij is een Falconbridge.
Longaville.’t Is over, op mijn woord.Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!
Longaville.
’t Is over, op mijn woord.
Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!
Boyet.Op mijn eer, ze is behaag’lijk.
Boyet.
Op mijn eer, ze is behaag’lijk.
(Longavilleaf.)
Biron.Wie is die met den hoed?
Biron.
Wie is die met den hoed?
Boyet.Catharina, geen bloed.
Boyet.
Catharina, geen bloed.
Biron.En heeft ze al een man?
Biron.
En heeft ze al een man?
Boyet.Ze is zoo mans, als ’t maar kan.
Boyet.
Ze is zoo mans, als ’t maar kan.
Biron.’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!
Biron.
’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!
Boyet.De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.
Boyet.
De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.
(Bironaf.—De dames ontmaskeren zich.)
Maria.Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;Elk woord met hem is een scherts.
Maria.
Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;
Elk woord met hem is een scherts.
Boyet.Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.
Boyet.
Elk woord met hem is een scherts.En elke scherts maar een woord.
Prinses.Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.
Prinses.
Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.
Boyet.Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.
Boyet.
Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.
Maria.Twee vurige schapen!
Maria.
Twee vurige schapen!
Boyet.Neen, schepen zijn we eer beide’;Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.
Boyet.
Neen, schepen zijn we eer beide’;
Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.
Maria.Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.
Maria.
Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.
Boyet.Als gij mij vergunt te grazen.
Boyet.
Als gij mij vergunt te grazen.
(Hij wil haar kussen.)
Maria.Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.
Maria.
Als gij mij vergunt te grazen.Neen, neen, mijn teeder beest!
Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.
Boyet.Aan wien behoort het veld dan?
Boyet.
Aan wien behoort het veld dan?
Maria.Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.
Maria.
Aan wien behoort het veld dan?Aan mijn geluk en mij.
Prinses.Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgildDie roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227
Prinses.
Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.
Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgild
Die roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild.227
Boyet.Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.
Boyet.
Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—
Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,
Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.
Prinses.Hoe zoo?
Prinses.
Hoe zoo?
Boyet.Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.
Boyet.
Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.
Prinses.En uwe reed’nen?
Prinses.
En uwe reed’nen?
Boyet.Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;De schoonste der schoonen te zien was hun streven.Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.
Boyet.
Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,
Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;
Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,
Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;
Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.
Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;
Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;
De schoonste der schoonen te zien was hun streven.
Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,
Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;
Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,
En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.
Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;
En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.
Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,
Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.
Prinses.Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.
Prinses.
Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.
Boyet.Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oogEen mond met een tong, die nooit iemand beloog.
Boyet.
Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.
Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oog
Een mond met een tong, die nooit iemand beloog.
Rosaline.Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.
Rosaline.
Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.
Maria.Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.
Maria.
Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.
Rosaline.Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.
Rosaline.
Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.
Boyet.Zottinnen, hoort gij?
Boyet.
Zottinnen, hoort gij?
Maria.Zottinnen, hoort gij?Neen.
Maria.
Zottinnen, hoort gij?Neen.
Boyet.Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?
Boyet.
Zottinnen, hoort gij? Neen.En ziet gij ook niets meer?
Rosaline.O ja, ons pad naar huis.
Rosaline.
O ja, ons pad naar huis.
Boyet.O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.
Boyet.
O ja, ons pad naar huis.Gij plaagt mij al te zeer.
(Allen af.)