Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met de graslanden op Goeadalcanar—twintigduizend morgen huurde ik voor negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van deDoncasterwas zijn werk—ik kocht het wrak voor honderd pond in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de cacao-onderneming op Oepoloe.Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De eenige manier om hem terug te betalen was met liefde,en de hemel weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw zeker zijn verderf zijn gewest.De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.“Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen—het zijn daar allemaal Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora,” zei hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.Ik zeg met een vanonzeschoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.“Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat dePetite Jeannegezonken is”, zei hij eindelijk. “Maar als uwhart het begeert zullen wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen, en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel als ik wil—en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten boekhouder op het kantoor.”Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later was ik gedwongen aanmerkingen te maken.“Charley”, zei ik, “je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent, een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen.”“Heb ik nog wat te goed?” vroeg hij angstig.“Ik zeg je toch, duizenden en duizenden”, antwoordde ik.Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.“Het is goed”, zei hij. “Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen cent aan mankeeren.”“Als er wat aan mankeert”, voegde hij er fel bij, na een pauze,“moet het uit het loon van den boekhouder komen.”En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe van den Amerikaanschen consul.Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon’s,waar wij ons wildste werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten te verzamelen.Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind, rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen, in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van denman die bij de kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel, hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij, en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog tot den schouder.Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging, toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.“Zwem naar den schoener, meester!” zei hij. En hij sprak vroolijk, alsof de heele zaak maar een grapje was. “Ik ken de haaien. De haai is mijn broeder.”Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai, verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.“De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen,” legde hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen aanval af te slaan.Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken, maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.Maar hij bleef bij mij.“Dag Charley! Ik ben er geweest!” kon ik nog juist hijgen. Ik wist dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen omhoog gooien en zinken zou.Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei:“Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg beroerd maken!”Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op mij af te komen.“Een beetje meer naar links!” riep hij even later. “Er ligt daar een lijn op het water. Naar links, meester, naar links!”Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een uitroep van boord. Ikkeerde mij om en keek rond. Er was geen spoor van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.“Otoo!” riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde in zijn stem.Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren, noemde hij mij bij dien naam.“Dag Otoo!” riep hij.Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen, waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van zijn verheven zitplaats iederemenschziet vallen, dan zal zeker in zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.De Vreeselijke Eilanden.Het valt niet tegen te spreken dat de Salomon’s een onguur zoodje eilanden zijn. Evenwel, er zijn kwader oorden op deze wereld. Maar voor den nieuweling die geen aangeboren begrip heeft van de menschen en van het leven in het algemeen, zullen de Salomon-eilanden werkelijk vreeselijk kunnen blijken.Het is waar, dat koorts en dysenterie er voortdurend rondwaren, dat walgelijke huidziekten er in overvloed voorkomen, dat de atmosfeer er verzadigd is met een vergif dat bijt in iedere porie, in elk schrammetje of wondje, en daar kwaadaardige gezwellen plant, en dat menige sterke kerel die daar aan den dood is ontsnapt, als een wrak terugkeert naar zijn eigen land. Het is ook waar, dat de inboorlingen van de Salomon’s een woeste bende zijn, met een gezonden eetlust voor menschenvleesch en een zwak voor het verzamelen van menschenhoofden. Hun hoogste idee van sport is iemand van achteren aan te vallen en hem een hevigen slag met de tomahawk toe te brengen die den ruggegraat knakt bij de basis van de hersenen. Het is eveneens waar dat op sommige eilanden, zooals Malaita, de winst- en verlies-rekening van maatschappelijk aanzien berekend wordt in moorden. Hoofden zijn er een ruilmiddel, en hoofden van blanken zijn bijzonder veel waard. Heel dikwijls maken een dozijn dorpen een pot, dien ze maan na maan bijvullen, tegen den tijd dat de een of andere dappere krijger het hoofd van een blanke vertoont, versch en bloedig, en den pot opeischt.Al het voorgaande is volkomen waar, en toch zijn er blanken die meer dan twintig jaren in de Salomon’s geleefd hebben, en die heimwee voelen wanneer ze er weg gaan. Een man moet alleen maar voorzichtig zijn—en geluk hebben—om lang te blijven leven in de Salomon’s; maar hij moet ook van het goede soort zijn. Het kenmerkend stempel van het onvermijdelijke blanke ras moet gedrukt staan op zijn wezen. Hij moet onvermijdelijk zijn. Hij moet een zekere royale onverschilligheid hebben voor de kansen van het levensspel, een zekere kolossale zelfvoldaanheid, en een egoïsme van ras dat hem er van overtuigt dat één blanke meer waard is dan duizend nikkers iederen dag van de week, en dat hij op Zondag in staat is tweeduizend nikkers af te dekken. Want dat zijn de dingen die den blanke onvermijdelijk hebben gemaakt. O, en dan nog iets—de blanke die onvermijdelijk wil zijn, moet niet alleen de lagere rassen verachten en een groot idee van zichzelf hebben; hij mag ook geen last hebben van een teveel aan fantazie. Hij moet de instincten, gewoonten, en hersenprocessen van de zwarten en gelen en bruinen niet al te goed begrijpen; want het is niet op die manier dat het blanke ras zijn koninklijken weg over de wereld heeft gebaand.Bertie Arkwright was niet onvermijdelijk. Hij was te gevoelig, te fijn besnaard, en hij had te veel fantazie. Hij trok zich te veel van de wereld aan. Hij projecteerde zichzelf te levend, te gevoelig op zijn omgeving. Daarom waren de Salomon-eilanden de laatste plaats in de wereld waar hij heen moest gaan. Hij kwam ook niet met de bedoeling om er te blijven. Met een verblijf van vijf weken, tot de volgende boot kwam, zou, zoo besloot hij, de drang naar primitief leven die de snaren van zijn wezen deed trillen, wel bevredigd zijn. Tenminste, dat vertelde hij aan de dames-touristen op deMakembo, hoewel in anderetermen; en zij vereerden hem als een held, want het waren dames-touristen en zij zouden alleen maar het veilige dek van het stoomschip kennen terwijl het zijn weg zocht door de Salomon’s. Er was nog een man aan boord, waarvan de dames géén notitie namen. Het was een klein, verschrompeld mannetje, met een rimpelige huid die de kleur had van mahonie hout. Zijn naam op de passagierlijst doet hier niet ter zake, maar zijn andere naam, kapitein Maloe, was een naam waar de nikkers bij zwoeren, en waarmee men kinderen bang kon maken en tot rede brengen op ieder eiland van Nieuw-Hannover tot de Nieuwe Hebriden. Hij had barbaren en barbaarschheidgeëxploiteerd, en uit koorts en ontbering, uit den knal van Sniders en de zweep van opzichters had hij vijf millioen dollar gewrongen, in den vorm van tripang, sandelhout, pareloesters en schildpad, kokosnoten en kopra, graslanden, ruil-stations en plantages. Er was meer onvermijdelijkheid in kapitein Maloe’s pink, die gebroken was, dan in Bertie Arkwright’s heele lichaam. Maar, de dames-touristen hadden niets om naar te oordeelen dan den uiterlijken schijn, en Bertie was zonder twijfel een flinke, knappe jongen.Bertie praatte eens met kapitein Maloe in den rooksalon, en bekende hem zijn plan om het leven in de Salomon’s te zien, rood en bloedend, zooals het werkelijk was. Kapitein Maloe vond óók dat dat een loffelijk en prijzenswaardig streven was. Pas verscheiden dagen later begon hij meer belang te stellen in Bertie, toen die jeugdige avonturier er op aandrong hem een automatisch pistool, kaliber 44, te laten zien. Bertie legde uit hoe het werkte, en veraanschouwelijkte zijn onderricht door een houder met patronen in den hollen kolf te schuiven.“Het is zoo eenvoudig”, zei hij. Hij schoof den buitensten loop langs den binnensten. “Daardoor wordt het geladenen gespannen, ziet u. En dan is alles wat ik te doen heb den trekker overhalen, acht keer, zoo gauw als ik mijn vinger maar kan bewegen. Ziet u die veiligheidsspan? Dat vind ik er zoo mooi van. Het is veilig. De grootste dwaas kan er mee omgaan.” Hij liet den houder er weer uit glijden. “U ziet hoe veilig het is.”Terwijl hij het in zijn hand hield, kwam de mond in de richting van kapitein Maloe’s maag. Kapitein Maloe’s blauwe oogen keken er onafgewend naar.“Zoudt u het misschien in een andere richting willen houden?” vroeg hij.“Het is absoluut veilig”, verzekerde Bertie hem. “Ik heb den houder er uit gehaald. Het is heusch niet geladen nu.”“Een vuurwapen is altijd geladen.”“Maar dit niet.”“Houdt u het toch maar in een andere richting.”De stem van kapitein Maloe was laag en metaalachtig en zonder uitdrukking, maar zijn blikken wendden zich geen oogenblik af van den mond van het pistool, totdat de vizierlijn langs hem heen liep en van hem weg.“Ik verwed er een tientje onder dat het niet geladen is”, daagde Bertie uit.De ander schudde zijn hoofd.“Dan zal ik het u laten zien.”Bertie begon den loop naar zijn eigen hoofd te richten, met de klaarblijkelijke bedoeling om af te drukken.“Wacht u even”, zei kapitein Maloe rustig, zijn hand uitstrekkend. “Mag ik het even zien?”Hij richtte het pistool naar zee en drukte af. Er volgde een zware ontploffing, tegelijk met den scherpen tik van het mechanisme dat een heete, rookende huls zijwaarts uitwierp, tegen het dek. Bertie liet zijn onderkaak hangen in stomme verbazing.“Ik heb den loop één keer terug geschoven, hè?” legde hij uit. “Het was stom van me, dat moet ik zeggen.”Hij gichelde slapjes, en ging zitten in een dekstoel. Het bloed wasweggeëbduit zijn gezicht, en hij had ineens donkere kringen onder zijn oogen. Zijn handen beefden en waren niet in staat de trillende cigaret naar zijn lippen te brengen. Hij trok zich te veel van de wereld aan, en hij zag zich zelf al met druipende hersenen vóórover op het dek liggen.“Heusch,” zei hij, ”... heusch.”“Het is een mooi wapen”, zei kapitein Maloe, en gaf hem het pistool terug.De resident, die terugkwam van Sydney, was aan boord van deMakembo, en met zijn toestemming werd er gestopt bij Oegi om een zendeling aan land te zetten. En voor Oegi lag de kitsArla, schipper Hansen. Nu was deArlaeen van de vele schepen die kapitein Maloe in eigendom toebehoorden, en het was op zijn voorstel en op zijn uitnoodiging dat Bertie als gast aan boord van deArlakwam, voor een wervingskruistocht van vier dagen langs de kust van Malaita. Daarna zou deArlahem ontschepen op de Reminge-plantage (ook eigendom van kapitein Maloe), waar Bertie een week zou blijven, om dan over te steken naar Toelagi, den zetel der regeering. Daar zou hij gast zijn van den resident. Kapitein Maloe had nog twee andere voorstellen op zijn geweten, en als die bekend zijn, verdwijnt hij uit deze geschiedenis. Eén was er gericht aan kapitein Hansen, het andere aan mijnheer Harriwell, den administrateur van de Reminge-plantage. Zij waren van gelijken aard, namelijk om mijnheer Bertram Arkwright een idee te geven van de ruwheid en rauwheid van het leven in de Salomon eilanden. Ook, zoo fluistert men, liet kapitein Maloe doorschemeren, dat er een kist Schotsche whisky verbonden zou zijn aan elk bijzonder grootsch idee dat mijnheer Arkwright van dat leven mocht krijgen.“Ja, Swartz was altijd een veel te groote stijfkop. Ziet u, hij nam vier zwartjes van zijn bemanning mee naar Toelagi om gegeeseld te worden—officieel, begrijpt u—en ging toen met hen terug in de sloep. Het was tamelijk vlagerig, en de boot sloeg om toen ze net buiten waren. Swartz was de eenige die verdronk. Natuurlijk was het een ongeluk.”“Was het dat heusch?” vroeg Bertie, die maar half luisterde, en hevig zat te staren naar den zwarten man aan het stuurrad.Ze hadden Oegi achter zich gelaten, en deArlagleed door een zomersche zee naar de beboschte bergketens van Malaita. De roerganger die zulk een aantrekkingskracht uitoefende op Bertie’s oogen verheugde zich in het bezit van een langen draadnagel, dien hij als een vleeschpen scheef door zijn neus gestoken had. Om zijn hals hing een snoer van broeksknoopen. In verschillende gaten in zijn ooren staken een blik-openmaker, het kapotte handvat van een tandenborstel, een aarden pijp, een koperen tandwieltje van een wekker, en verscheiden hulzen van Winchester-geweerpatronen.Op zijn borst hing, vastgebonden aan een touwtje om zijn nek, de helft van een porseleinen bord. Een goede veertig ongeveer op dezelfde wijze uitgedoste zwartjes lagen overal verspreid op het dek. Vijftien daarvan vormden de bemanning, de rest waren pas geworven inlandsche koelies.“Natuurlijk was het een ongeluk”, deed de stuurman van deArlazich hooren. Hij heette Jacobs, en was een tengere man met donkere oogen, die meer van een professor had dan van een zeeman. “Johnny Bedip heeft bijna hetzelfde ongeluk gehad. Hij bracht er verscheiden terug van een pak slaag toen ze hem lieten omslaan. Maar hij kon even goed zwemmen als zij, en er verdronken er twee van hen. Hijgebruikte een voetenplank en een revolver. Natuurlijk was het een ongeluk.”“Heel gewoon, die ongelukken,” merkte de schipper op. Ziet u dien man daar aan het roer, mijnheer Arkwright? Dat is een menscheneter. Zes maanden geleden hebben hij en de rest van de bemanning den toenmaligen kapitein van deArlaverdronken. Ze deden het aan dek, mijnheer, hier op het achterschip, bij den overloop van de bezaan.”“Het dek zag er verschrikkelijk uit”, zei de stuurman.“Begrijp ik goed—?” begon Bertie.“Ja, precies”, zei kapitein Hansen. “Hij is bij ongeluk verdronken.”“Maar aan dek—?”“Precies. Ik wil u wel vertellen, in vertrouwen natuurlijk, dat ze een bijl gebruikten.”“Deze bemanning die u nu heeft?”Kapitein Hansen knikte.“De andere schipper was altijd veel te onvoorzichtig”, legde de stuurman uit. “Hij draaide zich alleen maar even om, toen zaten ze al boven op hem.”“We hebben geen schijn van kans hier”, was de klacht van den schipper. “Het gouvernement beschermt altijd de nikkers tegen de blanken. Je kunt niet het eerst schieten. Je moet de nikkers het eerste schot geven, en anders noemt het gouvernement het moord, en je gaatnaarFidzji. Daarom verdrinken er zooveel bij ongeluk.”Men werd geroepen voor het eten, en Bertie en de schipper gingen naar beneden, den stuurman aan dek latend om de wacht te houden.“Houd een oogje op dien zwarten duivel, dien Aoeiki”, was de laatste raad van den schipper. “Ik mag zijn tronie al een paar dagen lang niet.”“All right,” zei de stuurman.Het diner was al een heel eind gevorderd, en de schipper was midden in zijn verhaal van het buitmaken van deScottish Chiefs.“Ja,” zoo vertelde hij, “het was het mooiste schip op de kust. Maar toen ze niet door den wind wou, en nog voordat ze het rif geráákt had, kwamen de kano’s er al op af. Er waren vijf blanken aan boord, en een bemanning van twintig zwartjes van Santa Cruz en Kanaka’s van Samoa, en alleen de ladingmeester is ontsnapt. Bovendien waren er nog zestig inlandsche koelies. Ze zijn allemaalgekai-kaid.Kai-kai?—o, neemt u me niet kwalijk. Ik bedoel, ze werden opgegeten. Dan had je deJames Edwards, een keurig-getuigde—.”Maar op dat oogenblik klonk er een scherpe vloek van den stuurman aan dek en een koor van woeste kreten. Drie keer ging er een revolver af, toen hoorde men een luiden plons. Kapitein Hansen was direct de kajuitstrap op gesprongen, en Bertie’s op avontuur beluste oogen werden even geboeid door een glimp van een blinkenden revolver dien de schipper trok terwijl hij sprong.Bertie ging omzichtiger naar boven, aarzelend vóór hij zijn hoofd boven de luikopening uitstak. Maar er gebeurde niets. De stuurman trilde van opwinding, zijn revolver in de hand. Eéns schokte hij op, en sprong een halven draai om, alsof er gevaar dreigde in zijn rug.“Een van de inlanders is overboord gevallen”, zei hij met een vreemde, strakke stem. “Hij kon niet zwemmen.”“Wie was het?” vroeg de schipper streng.“Aoeiki”, was het antwoord.“Maar hoort u eens, ik geloof dat ik heb hooren schieten,” zei Bertie bevend van nieuwsgierigheid, want hij speurde avonturen, en avonturen die gelukkig voorbij waren.De stuurman stoof op hem af, en snauwde:“Je liegt, verdomme! D’r is geen schot gelost. De nikker viel overboord.”Kapitein Hansen keek Bertie aan met starende, glanslooze oogen.“Ik—ik dacht—” begon Bertie.“Schoten?” zei kapitein Hansen droomerig. “Schoten? Hebt u soms hooren schieten, mijnheer Jacobs?”“Geen schot gelost”, antwoordde mijnheer Jacobs.De schipper keek zijn gast zegevierend aan en zei:“Blijkbaar een ongeluk. Laten we naar beneden gaan, mijnheer Arkwright, en verder af-eten.”Bertie sliep dien nacht in de kajuit van den kapitein, een kleine hut naast de groote kajuit. De voorste wand was versierd met een rek geweren. Boven de kooi hingen nog drie geweren. Onder de kooi was een groote lade, die, toen hij ze uittrok, gevuld bleek met ammunitie, dynamiet, en verscheiden doozen slaghoedjes. Hij prefereerde de rustbank aan anderen kant. Op de kleine hangende tafel lag, goed zichtbaar, het journaal van deArla. Bertie wist niet dat het speciaal voor deze gelegenheid was bewerkt door kapitein Maloe, en hij las er in hoe op 21 September twee leden van de bemanning overboord waren gevallen en verdronken. Bertie las tusschen de regels door, en wist wel beter. Hij las hoe de sloep van deArlabij Soe-oe was beschoten van uit de bosschen en drie man verloren had; hoe de schipper had ontdekt dat de kok menschenvleesch braadde op de kombuiskachel, vleesch dat door de bemanning gekocht was in Foei; hoe, bij het seinen, een ander matroos was gedood door een toevallige ontploffing van het dynamiet; hij las van nachtelijke aanvallen; havens waaruit men met de noorderzon was weggevlucht; aanvallen door boschbewoners in mangrove-moerassen en door vloten vankustbewoners in de grootere doorvaarten. Een geval dat eentonig dikwijls terugkeerde was overlijden aan dysenterie. Hij merkte met ontzetting dat twee blanken daaraan gestorven waren, gasten op deArla, zooals hij zelf.“Zeg, hoort u eens”, zei Bertie den volgenden dag tegen kapitein Hansen. “Ik heb uw journaal eens doorgekeken.”De schipper bleek hoogst ontstemd dat het journaal was blijven slingeren.“En al die dysenterie, ziet u, dat is allemaal larie, net als dat bij ongeluk verdrinken,” ging Bertie door. “Wat beteekend dysenterieeigenlijk?”De schipper toonde onverholen bewondering om de scherpzinnigheid van zijn gast, werd toen stug en ontkende verontwaardigd, maar gaf zich ten slotte gracelijk gewonnen.“Kijkt u eens hier, mijnheer Arkwright, dat zit’m zoo. De reputatie van deze eilanden is al erg genoeg op zichzelf. Iedere dag wordt het moeilijker om blanken aan te monsteren. Stel dat er iemand vermoord wordt. De maatschappij moet dan zwaar betalen voor een ander die het baantje overneemt. Maar als er iemand gewoon dood gaat aan de een of andere ziekte, och, dan is de zaak in orde. De nieuwelingen geven niet om ziekte. Vermoord worden, daar hebben ze het land aan. Ik dacht dat de schipper van deArlaaan dysenterie gestorven was, toen ik zijn baantje vernam. Toen was het te laat. Ik had het contract geteekend.”“Bovendien,” zei mijnheer Jacobs, “d’r zijn er over ’t algemeen veel te veel die bij ongeluk verdrinken. Dat lijkt niet pluis. Het is de schuld van het gouvernement. Een blanke krijgt de kans niet om zich tegen de nikkers te verdedigen.”“Ja, kijk maar eens naar dePrincessen dien Yankee stuurman”, nam de schipper het verhaal op. “Het schipvoer vijf blanken en nog een gouvernements-agent. De kapitein, de agent, en de ladingmeester waren aan wal in de twee booten. Ze werden tot den laatste toe doodgeslagen. De stuurman en de bootsman met zoowat vijftien matrozen, lui van Tongga en Samoa, waren aan boord. Een troep nikkers kwam er aan, van de wal. Toen de stuurman begon te snappen wat er aan de hand was, waren de bootsman en de matrozen al doodgeslagen, bij den eersten aanval. Hij graaide drie patroongordels en twee Winchesters en smeerde ’m het want in. Hij was de eenige die het geval overleefde, en je zult hem niet laste kunnen leggen dat hij gek was. Hij pompte een geweer tot het zóó warm was dat hij het niet meer kon vasthouden, en toen pompte hij het andere. Het dek was zwart van de nikkers. Hij roeide ze uit. Hij schoot ze neer terwijl ze over de verschansing klommen, en zoo gauw namen ze hun pagaaien niet op of hij had ze te grazen. Toen sprongen ze in het water en probeerden zwemmende hun huid te bergen, en omdat hij razend was deed hij er nog een half dozijn bij. En wat heeft hij ervoor gekregen?”“Zeven jaar in Fidzji”, beet de stuurman.“Het gouvernement zei dat hij geen recht had om te schieten toen ze eenmaal in het water waren”, legde de schipper uit.“En daarom gaan ze tegenwoordig dood aan dysenterie”, voegde de stuurman er bij.“Stel je voor”, zei Bertie, en hij werd zich bewust van een verlangen naar het einde van den tocht.Later op den dag ondervroeg hij den zwarte die hem aangewezen was als een menscheneter. Deze mijnheer heette Soemasai. Hij had drie jaar doorgebracht op een plantage in Queensland. Hij was geweest in Samoa, en Fidzji, en Sydney; en als matroos had hij gevaren op wervingsschoenersdoor heel Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, Nieuw-Guinea, en de Admiraliteits-eilanden. Ook was hij een guit, en hij had een voorbeeld genomen aan het gedrag van zijn schipper. O ja, hij had heel wat menschen opgegeten. Hoeveel? Hij kon het niet zeggen. Ja, ook blanken; ze smaakten uitstekend, behalve als ze ziek waren. Hij had één keer een zieken opgegeten.“Mijn woord!” riep hij uit bij die herinnering. “Mij ziek veel bij hem. Mij buik loop rond te veel.”Bertie rilde, en vroeg inlichtingen over hoofden. Ja, Soemasai had er verscheiden, verstopt aan de wal, in uitstekenden staat, in de zongedroogd, en boven het vuur gerookt. Eén was er van den kapitein van een schoener. Het had lange bakkebaarden. Hij wilde het verkoopen voor twee pond. Hoofden van zwarten wou hij voor één pond verkoopen. Hij had ook nog wel een paar kinderhoofden, maar die waren niet goed geconserveerd, en hij wilde ze hem overlaten voor tien shilling.Vijftien minuten later merkte Bertie dat hij op het luik van de kajuitstrap zat langszij van een zwartje met een vreeselijke huidziekte. Hij vloog weg, en op zijn vraag vernam hij dat het melaatschheid was. Hij haastte zich naar beneden, en waschte zich met antiseptische zeep. Hij waschte zich dikwijls antiseptisch in den loop van dien dag, want iedere inlander aan boord was lijdende aan het een of ander kwaadaardig gezwel.Toen deArlavoor anker kwam te midden van mangrove-moerassen was er boven de verschansing een dubbele versperring van prikkeldraad gespannen die om het heele schip liep. Dat leek alsof het meenens zou worden, en toen Bertie de kano’s van den wal langszij zag komen, bewapend met speren, bogen, pijlen en Sniders verlangde hij serieuzer dan ooit naar het eind van de reis.Dien avond bleven de inlanders lang treuzelen vóórdat ze het schip verlieten. Enkelen van hen jouwden den stuurman uit toen hij hen beval aan land te gaan.“Hindert niet, ik zal ze wel,” zei kapitein Hansen, naar beneden duikend.Toen hij terug kwam liet hij Bertie een staaf dynamiet zien met een vischhaak er aan. Nu kan een leege chlorodyne-flesch die in een papier is gewikkeld en waar een onschadelijke lont uitsteekt iedereen misleiden. Het misleidde Bertie en het misleidde de inlanders. Toen kapitein Hansen de lont aanstak en den vischhaak in den lendendoek van een van de inlanders sloeg, werd die inlander overvallen door een zóó hevig verlangen naar het vaste land, dat hij vergat zijn lendendoek te laten afglijden. Hij vloog naar voren. De lont knetterde en siste achter hem aan, en bij iederen sprong dien hij maakte namen de nikkers bij dozijnen hun duik over het prikkeldraad. Bertie stond verlamd van schrik. Kapitein Hansen ook. Hij had niet gedacht aan zijn vijfentwintig koelies voor ieder waarvan hij dertig shilling vooruit betaald had. Ze sprongen samen met de bewoners van het eiland overboord, gevolg door den man die de sissende chlorodyne-flesch achter zich aan sleepte.Bertie zag de flesch niet springen; maar de stuurman liet op het juiste moment een staaf echt dynamiet ontploffen, op het achterschip, waar het niemand kwaad kon doen; en Bertie zou in ieder Admiraliteits-Hof gezworen hebben dat er een nikker aan flarden gevlogen was.De vlucht van de vijfentwintig koelies had deArlaveertig pond gekost, en aangezien ze hun heil in de bosschen hadden gezocht, was er geen hoop meer om hen nog terug te krijgen. De schipper en zijn stuurman wisten niet beter te doen dan hun verdriet verdrinken in koude thee. De koude thee was in whisky-flesschen, en Bertie wist niet, dat watze opdweilden maar koude thee was. Alles wat hij wist was, dat de twee mannen erg dronken raakten en welsprekende en lang-uitgesponnen debatten hielden over de kwestie of de ontplofte nikker gerapporteerd zou worden als bij ongeluk verdronken of als een geval van dysenterie. Toen ze eindelijk snorkend in slaap vielen, was hij de eenige blanke aan boord die nog tot iets in staat was, en hij hield een ijselijke wacht tot de morgenschemering, in angst en vreeze voor een aanval van de wal of een oproer van de bemanning.Nog drie dagen bracht deArladoor op de kust, en nog drie avonden dronken de scheeps-officieren overvloedig koude thee, terwijl ze Bertie de wacht lieten houden. Zij wisten dat ze op hem konden rekenen, en hij zelf wist even zeker dathij,als hij nog leefde, hun liederlijk gedrag aan kapitein Maloe zou rapporteeren. Daarna liet deArlahet anker vallen voor de Reminge-plantage, op Goeadalcanar, en Bertie stapte met een zucht van verlichting op het strand, waar hij werd verwelkomd door den administrateur. Mijnheer Harriwell was klaar voor hem.“Nu moet u niet schrikken als er een paar van ons een beetje neerslachtig lijken”, zei mijnheer Harriwell, hem even in vertrouwen apart nemend. “Er wordt gepraat over een uitbarsting, en ik geef toe dat er een paar verdachte teekenen zijn, maar voor mezelf geloof ik dat het allemaal poppenkast is.”“Hoe—hoeveel zwarten hebt u hier op de plantage?” vroeg Bertie, en alle moed ontzonk hem.“Op het oogenblik werken we met vierhonderd man”, antwoordde mijnheer Harriwell opgewekt;“maar we zijn hier met z’n drieën, en met u, natuurlijk, en den schipper en den stuurman van deArlakunnen we ze gemakkelijk hanteeren.”Bertie draaide zich om om kennis te maken met een zekeren McTavish, den magazijnmeester, die nauwelijks notitie van hem nam, zóó verlangend was hij om zijn ontslag in te dienen.“Omdat ik een getrouwd man ben, mijnheer Harriwell, kan ik me eigenlijk niet permitteeren nog langer te blijven. Er broeit iets, zoo zeker als er een neus op uw gezicht staat. De nikkers staan op springen, en dan krijgen we hier nieuwe Hohono gruwelen.”“Wat zijn Hohono gruwelen?” vroeg Bertie, nadat de magazijnmeester overreed was om nog tot het eind van de maand te blijven.“O, hij bedoelt de Hohono-plantage, op Isabella”, zei de administrateur.“De nikkers hebben daar de vijf blanken vermoord, den schoener buit gemaakt, kapitein en stuurman doodgeslagen, en zijn toen met z’n allen ontsnapt naar Malaita. Maar ik heb altijd gezegd dat ze op Hohono niet voorzichtig waren.Hierzullen ze ons niet in den dut vinden, dat verzeker ik u. Komt u even mee, mijnheer Arkwright dan kunt u het mooie uitzicht vanaf onze veranda eens zien.”Bertie was te druk bezig met overleggen hoe hij weg zou komen naar Toelagi, naar het huis van den resident om veel van het panorama te zien. Hij overlegde nog steeds, toen er vlak bij hem, in zijn rug, een geweer knalde. Op hetzelfde oogenblik werd zijn arm bijna uit het lid gerukt, zoo heftig trok mijnheer Harriwell hem naar binnen.“Zeg, oude jongen, dat scheelde een haartje”, zei de administrateur, en hij betastte hem overal om te zien, of hij ook getroffen was.“Ik kan je niet zeggen hoe me dat spijt. Maar het was klaarlichte dag, en ik dacht er zelfs niet aan.”Bertie begon bleek te worden.“Op die manier hebben ze den vorigen administrateur ook gekregen”, betuigde McTavish. “En een allemachtige flinke kerel was dat. Zijn hersens vlogen over de heele veranda. Hebt u die donkere vlek niet gezien daar, tusschen de trappen en de deur?”Bertie was rijp voor den cocktail die mijnheer Harriwell voorstelde en voor hem klaar maakte; maar vóórdat hij er nog van kon drinken, kwam er een man in rijbroek met puttees binnen.“Wat zal’t nu weer zijn”, vroeg de administrateur na een blik op het gezicht van den nieuwen acteur in de komedie. “Is de rivier weer gestegen?”“Verrek met je rivier—’t zijn de nikkers. Stapte pardoes uit het bamboe, geen tien voet van me af, en pafte op me. Het was een Snider, en hij schoot vanaf de heup. Nu wou ik wel eens weten waar hij dien Snider vandaan heeft gehaald. O, neemt u me niet kwalijk. Aangenaam, mijnheer Arkwright.”“Mijnheer Brown is mijn assistent”, legde mijnheer Harriwell uit. “En laten we nu die cocktail nemen.”“Maar waar heeft hij dien Snider vandaan?” hield mijnheer Brown aan. “Ik heb er altijd tegen gesputterd dat die geweren op het erf bewaard werden.”“Ze zijn er nog altijd”, zei mijnheer Harriwell, een beetje geraakt.Mijnheer Brown glimlachte ongeloovig.“Ga mee kijken”, zei de administrateur.Bertie sloot zich aan bij den optocht die naar het kantoortje ging, alwaar mijnheer Harriwell zegevierend wees naar een groote pakkist in een stoffigen hoek.“Goed, maar waar haalt de kerel dan dien Snider vandaan?” zaagde mijnheer Brown.Maar op dat oogenblik lichtte McTavish de kist op. De administrateur schrok, rukte toen het deksel er af. De kist was leeg. Ze staarden elkaar aan in een vreeselijk zwijgen. Harriwell liet vermoeid zijn hoofd hangen.Toen begon McTavish te vloeken.“Wat ik altijd beweerd heb, de huisjongens zijn niet te vertrouwen.”“Ik moet zeggen, het ziet er ernstig uit,” gaf Harriwell toe, “maar we zullen er wel door heen komen. De bloeddorstige heeren moeten eens door elkaar gerammeldworden, dat hebben ze noodig. Wilt u misschien zoo goed zijn, heeren, en uw geweren meebrengen aan tafel, en wilt u, mijnheer Brown, misschien een veertig of vijftig staven dynamiet klaar maken? Maak de lonten goed kort. We zullen ze een lesje geven. En nu, heeren, het diner is klaar.”Er was één ding dat Bertie verfoeide, en dat was rijst met kerrie, dus zoo gebeurde het dat hij alleen deel had aan een verleidelijke omelet. Hij had zijn bord heelemaal leeg, toen Harriwell zich van de omelet bediende. Eén mondvol proefde hij, toen spuwde hij het uit met veel misbaar.“Dat is de tweede keer”, verkondigde McTavish onheilspellend. Harriwell zat nog steeds te rochelen en te spuwen.“Tweede keer wat?” bibberde Bertie.“Vergif”, was het antwoord. “Die kok zal nog eens opgehangen worden.”“Op die manier is de boekhouder op Cape Marsh er tusschen uit getrokken,” deed Brown zich hooren. “Een vreeselijken dood gestorven. Aan boord van deJessiezeiden ze dat ze hem drie mijlen ver hadden hooren schreeuwen.”“Ik zal den kok in de boeien laten slaan”, proestte Harriwell. “Gelukkig dat we het op tijd ontdekt hebben.”Bertie zat daar alsverlamd. Er was geen kleur in zijn gezicht. Hij trachtte te spreken, maar het resultaat was slechts een onduidelijk gorgelen. Allen keken hem angstig aan.“Zeg het niet, kerel, zeg het niet!” schreeuwde McTavish, in hevige spanning.“Ja, ik heb er van gegeten, een heele boel, een heel bord vol!” barstte Bertie uit, en hij haalde ineens weer diep adem, als een duiker die boven water komt.Het afschuwelijk zwijgen duurde een oogenblik voort, en hij las zijn noodlot in hun oogen.“Misschien was het toch geen vergif, après tout,” zei Harriwell somber.“Roep den kok”, zei Brown.Binnen trad de kok, een grijnzend zwartje, met pennen door zijn neus en gaten in zijn ooren.“Hier, jij, Wi-wi, wat naam dat?” loeide Harriwell, en hij wees beschuldigend naar de omelet. De angst en de wanhoop van Wi-wi waren bijzonder natuurlijk.“Hem goed kai-kai”, mompelde hij afwerend.“Laat het hem opeten”, stelde McTavish voor. “Dat is het beste bewijs.”Harriwell vulde een lepel met het goedje en sprong naar den kok, die doodelijk verschrikt wegvluchtte.“Dat beslist alles”, was Brown’s plechtige uitspraak. “Hij wil het niet eten.”“Mijnheer Brown wilt u hem misschien even in de boeien slaan?” Harriwell wendde zich opgewekt tot Bertie. “Het is in orde, oude jongen, hij zal met den resident te doen krijgen, en als jij dood gaat, zal hij hangen, hoor, daar kan je van op aan.”“Ik geloof niet dat het gouvernement dat doen zal”, wierp McTavish tegen.“Maar heeren, heeren toch!” riep Bertie. “Denk ondertusschen eens aan mij.”Harriwell haalde medelijdend zijn schouders op.“Spijt me, beste kerel, maar het is een inlandsen vergif, en daar is geen tegengif voor bekend. Tracht je er in te schikken, en als—”Twee geweerschoten van buiten onderbraken het gesprek, en Brown kwam binnen, laadde zijn geweer opnieuw, en ging aan tafel zitten.“De kok is dood”, zei hij. “Koorts. Tamelijk plotselinge aanval.”“Ik was juist bezig mijnheer Arkwright te vertellen dat er voor inlandsche vergiften geen tegengif bestaat—”“Behalve jenever”, zei Brown.Harriwell schold zich uit voor een imbecielen idioot en rende weg om de jeneverflesch te halen.“Puur, man, puur”, raadde hij Bertie, die een groot glas voor twee derden gevuld met het bijtend goedje onvermengd naar binnen slokte, en zat te hoesten en te kuchen tot de tranen hem langs de wangen liepen.Harriwell voelde zijn pols en nam zijn temperatuur op, en twijfelde weer of de omelet wel vergiftigd was geweest. Brown en McTavish twijfelden ook, maar Bertie onderscheidde een onoprechten klank in hun stemmen. Zijn eetlust was weg, en hij voelde stilletjes zijn pols onder de tafel. Het viel niet te ontkennen, dat die sneller werd, maar hij dacht er niet aan dat toe te schrijven aan den jenever dien hij gedronken had. McTavish, geweer in de hand, ging naar buiten om eens poolshoogte te nemen.“Ze komen in troepen bij elkaar bij de keuken”, was zijn verslag. “En ze hebben bende’s Sniders. Mijn idee is er om heen te trekken en ze van den anderen kant in de flank aan te vallen. Den eersten klap geven, zie je. Ga je mee, Brown?”Harriwell at rustig door, terwijl Bertie ontdekte dat zijn pols vijf slagen toegenomen was. Niettemin sprong hijtegen wil en dank overeind toen de geweren begonnen te knallen. Boven de zware ontploffingen der Sniders uit hoorde men het scherpe knetteren van de Winchesters van Brown en McTavish, alles tegen een achtergrond van demonisch gegil en gekrijsch.“Ze hebben ze op den loop”, merkte Harriwell op, toen stemmen en geweerschoten wegstierven in de verte.Nauwelijks waren Brown en McTavish terug aan tafel, toen de laatste weer even poolshoogte ging nemen.“Ze hebben dynamiet”, zei hij.“Laten we ze dan ook met dynamiet bestoken”, stelde Harriwell voor.Ze staken elk een half dozijn staven in hun zakken, rustten zich uit met brandende sigaren, en liepen naar de deur. En juist op dat oogenblik gebeurde het. Ze gaven McTavish er later de schuld van, en hij gaf toe dat de lading wel wat sterk was geweest. Maar in ieder geval ontplofte het onder het huis, dat schuin omhoog werd gelicht, en weer terugviel op zijn fundamenten. De helft van het porselein op de tafel brak, en de achtdaagsche klok bleef stilstaan. Gillend om wraak renden de drie mannen naar buiten, den nacht in, en het bombardement begon.Toen ze terugkwamen was er geen Bertie meer. Hij had zich weggesleept naar het kantoortje, zich daar verschanst en gebarricadeerd, en was toen neergezonken op den vloer in een van jenever doordrenkte nachtmerrie, waarin hij duizend dooden stierf terwijl de wakkere strijd rondom hem verder gevoerd werd. In den morgen, beroerd en katterig van den jenever, kroop hij naar buiten, waar hij de zon nog in de lucht vond en God naar alle waarschijnlijkheid in den hemel, want zijn gastheeren leefden nog en waren ongedeerd.Harriwell drong er op aan dat hij nog wat zou blijven, maar Bertie stond er op onmiddelijk met deArlaweg tezeilen naar Toelagi, waar hij heel dicht in de buurt van het huis van den resident bleef, totdat de volgende boot kwam. Er waren dames-touristen op het stoomschip, en Bertie was weer een held, terwijl kapitein Maloe, zooals gewoonlijkonopgemerktbleef. Maar kapitein Maloe stuurde twee kisten met de beste Schotsche whisky die er aan de markt was, want hij was niet in staat uit te maken, wie Bertie het meest grootsche idee van het leven in de Salomon’s had gegeven kapitein Hansen of mijnheer Harriwell.Het Onvermijdelijke Blanke Ras.“De zwarten zullen de blanken nooit begrijpen, en de blanken de zwarten niet, zoo lang zwart zwart is en blank blank.”Zoo sprak kapitein Woodward. Wij zaten in de gelagkamer van Charley Roberts’ kroeg in Apia, en dronken eindelooze Aboe Hameds, voor ons gemengd en met ons gedeeld door voornoemden Charley Roberts.Hij beweerde dat hij het recept direct had van Steevens, bekend door het uitvinden van den Aboe Hamed in een tijd dat hij voortgejaagd werd door dorst naar den Nijl—de Steevens die “Met Kitchener naar Kartoem” op zijn geweten heeft, en die uit dit leven verdween bij het beleg van Ladysmith.Kapitein Woodward, kort en dik, al tamelijk oud, verbrand door veertig jaren tropische zon, en met een paar oogen, zoo mooi helder bruin als ik ze nooit bij een man gezien heb, sprak uit lange ervaring.De lidteekens die kris en kras over zijn kalen schedel liepen, spraken van een intieme bekendheid met de tomahawks van de zwartjes, en men bespeurde een soortgelijke bekendheid in twee lidteekens, voor en achter, in de rechter helft van zijn hals, waar een pijl in gedrongen en er heelemaal doorheen getrokken was. Zooals hij zelf uitlegde, hij had haast gehad bij die gelegenheid—de pijl had hem gehinderd bij het loopen—en hij voelde dat hij niet den tijd kon nemen om den kop af te breken en de schacht eruit te trekken op de manier waarop ze er in was gekomen. Op het oogenblik was hij gezagvoerder van deSavaii, het groote stoomschip dat in het Westen inlandsche koelies wierf voor de Duitsche plantages op Samoa.“De meeste herrie komt van de domheid van de blanken”, zei Roberts, afbrekend om een slok uit zijn glas te nemen en den Samoeeschen barjongen in vriendelijke termen te verwenschen. “Als de blanken een beetje hun best wilden doen om de werking van zwarte hersens te begrijpen, zouden de meeste moordpartijen vermeden worden.”“Ik heb er genoeg gekend die beweerden dat ze de zwarten begrepen”, antwoordde kapitein Woodward, een beetje schamper, “en ik heb altijd kunnen opmerken, dat het juist die lui waren die het eerstgekaikai’d(opgegeten) werden. Denk maar eens aan de zendelingen op Nieuw-Guinea en de Nieuwe Hebriden—het martelaars-eiland Erromanga en de heele rest. Denk eens aan de Oostenrijksche expeditie die in de pan gehakt is in de Salomon-eilanden, in het verwond van Goeadalcanar. En denk eens aan de kooplui zelf, met een ervaring van soms twintig jaren, die een grooten mond hadden dat geen nikker hen ooit te pakken zou krijgen; en nu versieren hun hoofden de daksparren van de kanohuizen. Je had den ouden Johnny Simons, zesentwintig jaren op de ruwe kanten van Melanesië, zwoer dat hij de nikkers op zijn duimpje kende en dat ze hem nooit zouden krijgen, en hij trok er tusschen uit in Marovo-Lagune, Nieuw-Georgië. Zijn hoofd werd afgezaagd door een zwarte vrouw en een ouden nikker met één been; het andere had hij in den bek van een haai gelaten toen hij dook naar visch die ze met dynamiet verdoofd hadden. Dan had je Billy Watts, met een vreeselijken naam als nikker-vreter, een kerel om den duivel bang te maken. Ik herinner me dat we voor Cape Little lagen, op Nieuw-Ierland, toen denikkers een halve kist ruiltabak stalen, kostte hem zoowat drie en een halven dollar. Hij trok er op los, schoot zes nikkers dood, vernielde hun oorlogskano’s, en stak twee dorpen in brand. En het was bij Cape Little, vier jaren later, dat ze hem op zijn dak kwamen, hem en een vijftig jongens van Boekoe die hij bij zich had om tripang te visschen. In vijf minuten waren ze allemaal dood, op drie jongens na die ontsnapten in een kano. Praat me niet van de nikkers begrijpen. De zending van den blanke is de wereld te ontginnen, en daar heeft hij meer dan genoeg aan. Hij heeft immers geen tijd over om de nikkers te begrijpen!”“Zoo is het”, zei Roberts. “En ’t is gek, maar het lijkt eigenlijk niet eens noodig om de nikkers te begrijpen. Aan de domheid van de blanken is hun succes in het ontginnen van de wereldgeëvenredigd.”“En hun succes in het brengen van de vrees voor de hel in de nikkerkoppen”, flapte kapitein Woodward er uit. “Misschien heb je gelijk, Roberts. Misschien is het hun stommiteit waar ze hun succes aan te danken hebben, en een vorm van die stommiteit is zeker, dat ze niet in staat zijn de nikkers te begrijpen. Maar één ding is zeker: de blanken moeten achter de nikkers heen zitten of zij ze begrijpen of niet. Het is onvermijdelijk. Het is hun noodlot.”“En natuurlijk zijn de blanken onvermijdelijk—het is het noodlot van de nikkers”, viel Roberts in. “Vertel een blanke dat er pareloesters zijn in de een of andere lagune die onveilig gemaakt door tienduizend brullende kannibalen, en hij zal er op uit trekken, heelemaal in z’n eentje, met een half dozijn Kanaka duikers en een blikken wekker als chronometer, alles als sardientjes gepakt in een handige kits van vijf ton. Fluister hem in dat er goud gevonden wordt aan de Noordpool, en datzelfde onvermijdelijke wezen met zijn blanke huid zal er meteen op af gaan, gewapendmet houweel een schop, een zij spek en den nieuwsten patent goud-wasscher—en wat meer is, hij zal er komen. Geef hem de lucht dat er diamanten zijn op de wit-gloeiende wallen van de hel, en mijnheer De Blanke zal de wallen bestormen en den ouden heer Satan in eigen persoon aan het houwen en graven zetten. Dat komt er van als men dom en onvermijdelijk is.”“Maar ik vraag me af wat de zwarten wel moeten denken van die—die onvermijdelijkheid”, zei ik.Kapitein Woodward begon zachtjes te lachen. Herinnering lichtte in zijn oogen.“Ik zit daar juist te peinzen wat de nikkers van Maloe wel hebben gedacht, en nog moeten denken, van den éénen onvermijdelijken blanke, dien we aan boord hadden toen we hun een bezoek brachten met deDuchess”, legde hij uit.Roberts mengde drie versche Aboe Hameds.“Dat was twintig jaar geleden. Saxtorph heette hij. Hij was zonder eenigen twijfel de stomste kerel die ik ooit gezien heb, maar hij was onvermijdelijk als de dood. Er was maar één ding dat die kerel kon, en dat was schieten. Ik herinner me den eersten keer dat ik hem tegen het lijf liep—hier in Apia, twintig jaar geleden. Dat was vóór jouw tijd, Roberts. Ik sliep in Hollandsche Henry z’n hotel, beneden, waar nu de markt is. Ooit van hem gehoord? Hij had een aardigen duit gemaakt met wapens smokkelen voor de opstandelingen, verkocht zijn hotel, en werd precies zes weken laterdoodgeslagenin Sydney, bij een herrie in een kroeg.“Maar Saxtorph. Op een nacht was ik net zoowat ingedommeld toen een paar katten concert begonnen te geven op het erf. Ik mijn bed uit en het raam omhoog, lampetkan in de hand. Maar juist op dat moment hoor ik het raam van de kamer ernaast omhoog gaan. Er vielen twee schoten en het raam ging dicht. Ik geloof niet dat ik jullie de snelheidduidelijk kan maken waarmee het gebeurde. Tien seconden op zijn hoogst. Omhoog ging het raam, pang, pang ging de revolver, en omlaag ging het raam. Wie het ook geweest was, hij had geen oogenblik gewacht om de uitwerking van zijn schoten te zien. Hij wist. Snappen jullie me?—hijwist. Het kattenconcert was afgeloopen, en ’s morgens lagen daar de twee delinquenten, morsdood. Het was een wonder. In de eerste plaats, al het licht dat er was kwam van de sterren en Saxtorph had geschoten zonder te mikken; dan, hij had zoo gauw achter elkaar geschoten dat het een dubbele knal leek in plaats van twee afzonderlijke, en eindelijk, hij wist dat hij zijn doel had geraakt zonder er naar te kijken.“Twee dagen later kwam hij aan boord om mij te spreken. Ik was stuurman toen, op deDuchess, een kolossalen schoener van honderdvijftig ton, een nikkervanger. En laat ik jullie vertellen dat nikkervangers ook nikkervangers waren in die dagen. Er waren geen gouvernements-inspecteurs, en geen gouvernements-bescherming voor ons ook. Het was ruw werk, leven tegen leven, en niets te zeggen als het met ons gedaan was, en we deden in nikkers op ieder eiland in de Zuidzee waar ze ons niet van af schopten. Nu dan, Saxtorph kwam aan boord, John Saxtorph was de naam dien hij opgaf. Hij was een klein, rossig kereltje, rossig haar, rossig gezicht, en rossige oogen ook. Hij had niets dat je trof. En van binnen was hij al even neutraal als van buiten. Hij zei dat hij dalles was en dat hij wilde monsteren. Wou kajuitsjongen zijn, kok, ladingmeester of gewoon matroos. Wist niets van al die baantjes, maar zei dat hij graag wilde leeren. Ik had hem niet noodig, maar zijn schieten had zóó’n indruk op me gemaakt, dat ik hem aannam als gewoon matroos, drie pond per maand.“Het was waar, hij wilde graag leeren, dat moet ik zeggen. Maar hij was van nature niet in staat om iets te leeren. Hij kon net zoo min de streken van het kompas achter elkaar opdreunen als ik cocktails kan maken zooals Roberts hier. En met zijn sturen bezorgde hij me mijn eerste grijze haren. Ik durfde hem nooit alleen aan het stuurrad te laten als we voor den wind liepen in een zware zee; en vol-en-bij en scherp-bij-de-wind waren onoplosbare mysteriën. Hij kon je het verschil niet vertellen tusschen een schoot en een talie, hij kon het gewoon niet. Fokkeklauwval en kluiverval, het was allemaal hetzelfde voor hem. Zeg hem de groote schoot wat af te vieren, en voor je ’t weet laat hij de piek vallen. Hij is drie keer over boord gesukkeld en hij kon niet zwemmen. Maar hij was altijd vroolijk, nooit zeeziek, en ik heb zelden iemand gezien die zóó vol goeden wil was. Mededeelzaam was hij niet. Praatte nooit over zichzelf. Zijn geschiedenis begon, voor zoover ons betrof, met den dag dat hij monsterde op deDuchess. Waar hij had leeren schieten weet de hemel alleen. Hij was een Yankee—zooveel wisten we wel door zijn neuzig praten. En dat was alles wat we ooit te weten zijn gekomen.“En nu komen we tot het eigenlijke verhaal. We hadden pech gehad in de Nieuwe Hebriden: maar veertien jongens in vijf weken, en we liepen vóór den zuidoost-passaat naar de Salomon’s. Malaita was toen, net als nu, goed jachtterrein, en we vielen Maloe binnen, in den noordwest-hoek. Er is daar een landrif en een buitenrif en een allemachtig lastige ankerplaats; maar we kwamen behouden binnen en lieten ons dynamiet knallen als signaal voor de nikkers om er uit te komen en zich te laten werven. Drie dagen lang kregen we geen kip. Ze kwamen bij honderden naar ons toe in hun kano’s, maar ze lachten ons alleen maar uit alswe hen kralen en calico en bijlen lieten zien en over de heerlijkheden van plantage-werk op Samoa spraken.“Den vierden dag kwam er verandering. In de vijftig zwartjes teekenden en kregen hun logeerkamer in het grootruim, terwijl ze zich aan dek natuurlijk vrij mochten bewegen. En natuurlijk was dit teekenen en bloc verdacht, als je er op terug kijkt, maar toen dachten we dat het een of ander machtig opperhoofd het verbod om te teekenen had opgeheven.“In den morgen van den vijfden dag gingen onze twee booten naar den wal, zooals gewoonlijk,—de eene om de andere te dekken, snap je, als er soms herrie mocht komen. En, zooals gewoonlijk, waren de vijftig nikkers die we aan boord hadden aan dek, lummelend, kletsend, rookend en slapend. Saxtorph en ik zelf, met nog vier andere matrozen, was alles wat er nog van ons aan boord was. De twee booten waren bemand met Gilbert-eilanders. In de eene zaten de kapitein, de ladingmeester en de werver. In de andere, die de eerste dekte en een honderd meter uit de wal lag, was de tweede stuurman. Allebei de booten waren goed bewapend, ofschoon we geen herrie verwachtten.“Vier van de matrozen, Saxtorph incluis, waren bezig de kanpanje-reeling te schrappen. De vijfde matroos, geweer in de hand, stond op wacht bij de watertank, even vóór den grooten mast. Ik was vooruit, bezig de laatste hand te leggen aan een nieuwen bek voor de fokkegaffel. Ik wilde net mijn pijp pakken waar ik ze had neergelegd, toen ik een schot van den wal hoorde. Ik richtte me op om te kijken. Er trof me iets tegen mijn achterhoofd dat me half verdoofd tegen het dek deed slaan. Mijn eerste gedachte was dat er boven in het tuig iets stuk was gegaan; maar terwijl ik nog viel, en vóór dat ik op het dek terecht kwam, hoorde ik een geweervuur van de booten alsof de duivel ineigen persoon een roffel sloeg. Ik draaide me half om, en zag den matroos die op schildwacht stond. Twee groote nikkers hielden zijn armen vast, en een derde sloeg hem van achteren op zijn hoofd met een tomahawk. Ik zie het nog voor me, de watertank, de groote mast, de troep die hem aan zijn lijf hing, de bijl die op zijn hoofd neerdaalde, alles onder het vlammende zonlicht. Ik werd geboeid door dat groeiend visioen van moord. De tijd die de bijl noodig had om neer te dalen leek afschuwelijk lang. Ik zag het ding op het hoofd van den man terecht komen, en ik zag zijn beenen onder hem wegzakken toen hij dubbel sloeg. De nikkers hielden hem bij zijn armen omhoog en hij werd nog een paar keer flink bewerkt. Toen kreeg ik zelf nog twee hakken op mijn hoofd, en maakte uit dat ik dood was. Dat was ook het idee van den kerel die me bewerkte.“Ik was te hulpeloos om me te bewegen en ik lag daar maar en keek hoe ze den schildwacht zijn hoofd afsloegen. Ik moet zeggen, ze deden het netjes. Je kon zien dat ze het meer gedaan hadden.“Het geweervuur uit de booten had opgehouden en ik stelde vast dat het met ons gedaan was en dat het eind van alles was gekomen. Het was een kwestie van minuten; dan zouden ze komen om mijn hoofd. Blijkbaar waren ze bezig de matrozen op het achterschip te onthoofden. Hoofden zijn veel waard op Malaita; vooral hoofden van blanken. Die hebben de eereplaats in de kano-huizen van de kustbewoners. Welk bijzonder decoratief effect de binnenlanders er in zien weet ik niet. Maar ze zijn er even verzot op als hun broertjes van het zoute water.“Ik had een vaag idee van ontsnappen, en kroop op handen en voeten naar den kaapstander, waar ik er in slaagde mezelf weer op de been te hijschen. Vandaar kon ik naar achteren kijken, en ik zag drie hoofden boven op de kajuitliggen—de hoofden van drie matrozen aan wie ik maanden lang orders had gegeven. De nikkers zagen mij staan en kwamen op me af. Ik greep naar mijn revolver en merkte dat ze hem hadden weggenomen. Ik kan niet zeggen dat ik bang was. Ik ben verschillende keeren dicht bij den dood geweest, maar het heeft me nooit gemakkelijker toegeschenen dan toen. Ik was half verdoofd en niets kon me meer wat schelen.“De nikker die voorop liep had zich gewapend met een hakmes uit de kombuis, en hij maakte grimassen als een aap terwijl hij zich klaar maakte om mij in tweeën te snijden. Maar dat sneedje heeft hij nooit gemaakt. Hij zakte in elkaar op het dek en ik zag het bloed uit zijn mond gudsen. Heel vaag hoorde ik een geweer afgaan, en het bleef afgaan, voortdurend. Nikker na nikker viel neer. Mijn begrippen werden weer een beetje helder, en ik merkte op dat er geen enkel schot mis was. Iederen keer dat het geweer knalde, zakte er een nikker in elkaar. Ik ging zitten op het dek naast den kaapstander en keek naar boven. Boven, in de dwarszalings, zat Saxtorph. Hoe hij het klaar had gespeeld kan ik nog niet begrijpen, want hij had twee Winchesters en ik weet niet meer hoeveel patroongordels mee naar boven genomen; en nu was hij bezig het eenige te doen waar hij op deze wereld voor deugde.“Ik heb veel schiet- en moordpartijen gezien, maar ik heb nooit zoo iets gezien als toen. Ik zat daar naast den kaapstander en keek naar de vertooning. Ik voelde me zwak en wee en het leek allemaal een droom. Pang, pang, pang, pang ging zijn geweer, en bom, bom, bom, bom, gingen de nikkers tegen het dek. Het was verbazend hoe ze vielen. Na hun eersten stormloop op mij, toen er zoo ongeveer een dozijn gevallen waren, schenen ze verlamd; maar hij hield geen oogenblik op met zijn geweer leeg te pompen.“Zóó was de toestand toen de kano’s en de twee booten van de wal kwamen, bewapend met Sniders en met Winchesters die ze in de booten hadden buitgemaakt. De fusillade die ze op Saxtorph loslieten was iets vreeselijks. Gelukkig voor hem kunnen de nikkers alleen maar op korten afstand schieten. Ze zijn niet gewend om een geweer aan den schouder te brengen. Ze wachten tot ze boven op iemand zitten, en dan schieten ze vanaf de heup. Toen zijn geweer te warm werd nam Saxtorph het andere. Dat was zijn idee geweest toen hij twee geweren mee het want in nam.“Wat me het meest verbaasde was de snelheid waarmee hij vuurde. En hij miste geen enkelen keer. Als er er ooit iets onvermijdelijk is geweest, dan was die man het. De slachting was zoo afschuwelijk omdat het zoo verbazend vlug ging. De nikkers hadden geen tijd om te denken. Als ze er in slaagden te denken, sprongen ze met een vaartje overboord, waarbij de kano’s meestal omsloegen. Saxtorph hield geen oogenblik op. Het water was bedekt met nikkers en pang, pang, pang, schoot hij zijn kogels in hun zwarte lichamen. Geen enkel schot was mis en ik kon duidelijk het poffen van de kogels hooren telkens als er een begraven werd in menschelijk vleesch.
Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met de graslanden op Goeadalcanar—twintigduizend morgen huurde ik voor negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van deDoncasterwas zijn werk—ik kocht het wrak voor honderd pond in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de cacao-onderneming op Oepoloe.
Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De eenige manier om hem terug te betalen was met liefde,en de hemel weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw zeker zijn verderf zijn gewest.
De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.
“Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen—het zijn daar allemaal Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora,” zei hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.
Ik zeg met een vanonzeschoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.
“Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat dePetite Jeannegezonken is”, zei hij eindelijk. “Maar als uwhart het begeert zullen wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen, en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel als ik wil—en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten boekhouder op het kantoor.”
Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later was ik gedwongen aanmerkingen te maken.
“Charley”, zei ik, “je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent, een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen.”
“Heb ik nog wat te goed?” vroeg hij angstig.
“Ik zeg je toch, duizenden en duizenden”, antwoordde ik.
Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.
“Het is goed”, zei hij. “Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen cent aan mankeeren.”
“Als er wat aan mankeert”, voegde hij er fel bij, na een pauze,“moet het uit het loon van den boekhouder komen.”
En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe van den Amerikaanschen consul.
Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon’s,waar wij ons wildste werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.
Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten te verzamelen.
Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind, rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.
Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen, in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van denman die bij de kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel, hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.
Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij, en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog tot den schouder.
Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging, toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.
“Zwem naar den schoener, meester!” zei hij. En hij sprak vroolijk, alsof de heele zaak maar een grapje was. “Ik ken de haaien. De haai is mijn broeder.”
Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai, verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.
“De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen,” legde hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen aanval af te slaan.
Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken, maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.
Maar hij bleef bij mij.
“Dag Charley! Ik ben er geweest!” kon ik nog juist hijgen. Ik wist dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen omhoog gooien en zinken zou.
Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei:
“Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg beroerd maken!”
Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op mij af te komen.
“Een beetje meer naar links!” riep hij even later. “Er ligt daar een lijn op het water. Naar links, meester, naar links!”
Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een uitroep van boord. Ikkeerde mij om en keek rond. Er was geen spoor van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.
“Otoo!” riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde in zijn stem.
Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren, noemde hij mij bij dien naam.
“Dag Otoo!” riep hij.
Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen, waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.
En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van zijn verheven zitplaats iederemenschziet vallen, dan zal zeker in zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.
Het valt niet tegen te spreken dat de Salomon’s een onguur zoodje eilanden zijn. Evenwel, er zijn kwader oorden op deze wereld. Maar voor den nieuweling die geen aangeboren begrip heeft van de menschen en van het leven in het algemeen, zullen de Salomon-eilanden werkelijk vreeselijk kunnen blijken.
Het is waar, dat koorts en dysenterie er voortdurend rondwaren, dat walgelijke huidziekten er in overvloed voorkomen, dat de atmosfeer er verzadigd is met een vergif dat bijt in iedere porie, in elk schrammetje of wondje, en daar kwaadaardige gezwellen plant, en dat menige sterke kerel die daar aan den dood is ontsnapt, als een wrak terugkeert naar zijn eigen land. Het is ook waar, dat de inboorlingen van de Salomon’s een woeste bende zijn, met een gezonden eetlust voor menschenvleesch en een zwak voor het verzamelen van menschenhoofden. Hun hoogste idee van sport is iemand van achteren aan te vallen en hem een hevigen slag met de tomahawk toe te brengen die den ruggegraat knakt bij de basis van de hersenen. Het is eveneens waar dat op sommige eilanden, zooals Malaita, de winst- en verlies-rekening van maatschappelijk aanzien berekend wordt in moorden. Hoofden zijn er een ruilmiddel, en hoofden van blanken zijn bijzonder veel waard. Heel dikwijls maken een dozijn dorpen een pot, dien ze maan na maan bijvullen, tegen den tijd dat de een of andere dappere krijger het hoofd van een blanke vertoont, versch en bloedig, en den pot opeischt.
Al het voorgaande is volkomen waar, en toch zijn er blanken die meer dan twintig jaren in de Salomon’s geleefd hebben, en die heimwee voelen wanneer ze er weg gaan. Een man moet alleen maar voorzichtig zijn—en geluk hebben—om lang te blijven leven in de Salomon’s; maar hij moet ook van het goede soort zijn. Het kenmerkend stempel van het onvermijdelijke blanke ras moet gedrukt staan op zijn wezen. Hij moet onvermijdelijk zijn. Hij moet een zekere royale onverschilligheid hebben voor de kansen van het levensspel, een zekere kolossale zelfvoldaanheid, en een egoïsme van ras dat hem er van overtuigt dat één blanke meer waard is dan duizend nikkers iederen dag van de week, en dat hij op Zondag in staat is tweeduizend nikkers af te dekken. Want dat zijn de dingen die den blanke onvermijdelijk hebben gemaakt. O, en dan nog iets—de blanke die onvermijdelijk wil zijn, moet niet alleen de lagere rassen verachten en een groot idee van zichzelf hebben; hij mag ook geen last hebben van een teveel aan fantazie. Hij moet de instincten, gewoonten, en hersenprocessen van de zwarten en gelen en bruinen niet al te goed begrijpen; want het is niet op die manier dat het blanke ras zijn koninklijken weg over de wereld heeft gebaand.
Bertie Arkwright was niet onvermijdelijk. Hij was te gevoelig, te fijn besnaard, en hij had te veel fantazie. Hij trok zich te veel van de wereld aan. Hij projecteerde zichzelf te levend, te gevoelig op zijn omgeving. Daarom waren de Salomon-eilanden de laatste plaats in de wereld waar hij heen moest gaan. Hij kwam ook niet met de bedoeling om er te blijven. Met een verblijf van vijf weken, tot de volgende boot kwam, zou, zoo besloot hij, de drang naar primitief leven die de snaren van zijn wezen deed trillen, wel bevredigd zijn. Tenminste, dat vertelde hij aan de dames-touristen op deMakembo, hoewel in anderetermen; en zij vereerden hem als een held, want het waren dames-touristen en zij zouden alleen maar het veilige dek van het stoomschip kennen terwijl het zijn weg zocht door de Salomon’s. Er was nog een man aan boord, waarvan de dames géén notitie namen. Het was een klein, verschrompeld mannetje, met een rimpelige huid die de kleur had van mahonie hout. Zijn naam op de passagierlijst doet hier niet ter zake, maar zijn andere naam, kapitein Maloe, was een naam waar de nikkers bij zwoeren, en waarmee men kinderen bang kon maken en tot rede brengen op ieder eiland van Nieuw-Hannover tot de Nieuwe Hebriden. Hij had barbaren en barbaarschheidgeëxploiteerd, en uit koorts en ontbering, uit den knal van Sniders en de zweep van opzichters had hij vijf millioen dollar gewrongen, in den vorm van tripang, sandelhout, pareloesters en schildpad, kokosnoten en kopra, graslanden, ruil-stations en plantages. Er was meer onvermijdelijkheid in kapitein Maloe’s pink, die gebroken was, dan in Bertie Arkwright’s heele lichaam. Maar, de dames-touristen hadden niets om naar te oordeelen dan den uiterlijken schijn, en Bertie was zonder twijfel een flinke, knappe jongen.
Bertie praatte eens met kapitein Maloe in den rooksalon, en bekende hem zijn plan om het leven in de Salomon’s te zien, rood en bloedend, zooals het werkelijk was. Kapitein Maloe vond óók dat dat een loffelijk en prijzenswaardig streven was. Pas verscheiden dagen later begon hij meer belang te stellen in Bertie, toen die jeugdige avonturier er op aandrong hem een automatisch pistool, kaliber 44, te laten zien. Bertie legde uit hoe het werkte, en veraanschouwelijkte zijn onderricht door een houder met patronen in den hollen kolf te schuiven.
“Het is zoo eenvoudig”, zei hij. Hij schoof den buitensten loop langs den binnensten. “Daardoor wordt het geladenen gespannen, ziet u. En dan is alles wat ik te doen heb den trekker overhalen, acht keer, zoo gauw als ik mijn vinger maar kan bewegen. Ziet u die veiligheidsspan? Dat vind ik er zoo mooi van. Het is veilig. De grootste dwaas kan er mee omgaan.” Hij liet den houder er weer uit glijden. “U ziet hoe veilig het is.”
Terwijl hij het in zijn hand hield, kwam de mond in de richting van kapitein Maloe’s maag. Kapitein Maloe’s blauwe oogen keken er onafgewend naar.
“Zoudt u het misschien in een andere richting willen houden?” vroeg hij.
“Het is absoluut veilig”, verzekerde Bertie hem. “Ik heb den houder er uit gehaald. Het is heusch niet geladen nu.”
“Een vuurwapen is altijd geladen.”
“Maar dit niet.”
“Houdt u het toch maar in een andere richting.”
De stem van kapitein Maloe was laag en metaalachtig en zonder uitdrukking, maar zijn blikken wendden zich geen oogenblik af van den mond van het pistool, totdat de vizierlijn langs hem heen liep en van hem weg.
“Ik verwed er een tientje onder dat het niet geladen is”, daagde Bertie uit.
De ander schudde zijn hoofd.
“Dan zal ik het u laten zien.”
Bertie begon den loop naar zijn eigen hoofd te richten, met de klaarblijkelijke bedoeling om af te drukken.
“Wacht u even”, zei kapitein Maloe rustig, zijn hand uitstrekkend. “Mag ik het even zien?”
Hij richtte het pistool naar zee en drukte af. Er volgde een zware ontploffing, tegelijk met den scherpen tik van het mechanisme dat een heete, rookende huls zijwaarts uitwierp, tegen het dek. Bertie liet zijn onderkaak hangen in stomme verbazing.
“Ik heb den loop één keer terug geschoven, hè?” legde hij uit. “Het was stom van me, dat moet ik zeggen.”
Hij gichelde slapjes, en ging zitten in een dekstoel. Het bloed wasweggeëbduit zijn gezicht, en hij had ineens donkere kringen onder zijn oogen. Zijn handen beefden en waren niet in staat de trillende cigaret naar zijn lippen te brengen. Hij trok zich te veel van de wereld aan, en hij zag zich zelf al met druipende hersenen vóórover op het dek liggen.
“Heusch,” zei hij, ”... heusch.”
“Het is een mooi wapen”, zei kapitein Maloe, en gaf hem het pistool terug.
De resident, die terugkwam van Sydney, was aan boord van deMakembo, en met zijn toestemming werd er gestopt bij Oegi om een zendeling aan land te zetten. En voor Oegi lag de kitsArla, schipper Hansen. Nu was deArlaeen van de vele schepen die kapitein Maloe in eigendom toebehoorden, en het was op zijn voorstel en op zijn uitnoodiging dat Bertie als gast aan boord van deArlakwam, voor een wervingskruistocht van vier dagen langs de kust van Malaita. Daarna zou deArlahem ontschepen op de Reminge-plantage (ook eigendom van kapitein Maloe), waar Bertie een week zou blijven, om dan over te steken naar Toelagi, den zetel der regeering. Daar zou hij gast zijn van den resident. Kapitein Maloe had nog twee andere voorstellen op zijn geweten, en als die bekend zijn, verdwijnt hij uit deze geschiedenis. Eén was er gericht aan kapitein Hansen, het andere aan mijnheer Harriwell, den administrateur van de Reminge-plantage. Zij waren van gelijken aard, namelijk om mijnheer Bertram Arkwright een idee te geven van de ruwheid en rauwheid van het leven in de Salomon eilanden. Ook, zoo fluistert men, liet kapitein Maloe doorschemeren, dat er een kist Schotsche whisky verbonden zou zijn aan elk bijzonder grootsch idee dat mijnheer Arkwright van dat leven mocht krijgen.
“Ja, Swartz was altijd een veel te groote stijfkop. Ziet u, hij nam vier zwartjes van zijn bemanning mee naar Toelagi om gegeeseld te worden—officieel, begrijpt u—en ging toen met hen terug in de sloep. Het was tamelijk vlagerig, en de boot sloeg om toen ze net buiten waren. Swartz was de eenige die verdronk. Natuurlijk was het een ongeluk.”
“Was het dat heusch?” vroeg Bertie, die maar half luisterde, en hevig zat te staren naar den zwarten man aan het stuurrad.
Ze hadden Oegi achter zich gelaten, en deArlagleed door een zomersche zee naar de beboschte bergketens van Malaita. De roerganger die zulk een aantrekkingskracht uitoefende op Bertie’s oogen verheugde zich in het bezit van een langen draadnagel, dien hij als een vleeschpen scheef door zijn neus gestoken had. Om zijn hals hing een snoer van broeksknoopen. In verschillende gaten in zijn ooren staken een blik-openmaker, het kapotte handvat van een tandenborstel, een aarden pijp, een koperen tandwieltje van een wekker, en verscheiden hulzen van Winchester-geweerpatronen.
Op zijn borst hing, vastgebonden aan een touwtje om zijn nek, de helft van een porseleinen bord. Een goede veertig ongeveer op dezelfde wijze uitgedoste zwartjes lagen overal verspreid op het dek. Vijftien daarvan vormden de bemanning, de rest waren pas geworven inlandsche koelies.
“Natuurlijk was het een ongeluk”, deed de stuurman van deArlazich hooren. Hij heette Jacobs, en was een tengere man met donkere oogen, die meer van een professor had dan van een zeeman. “Johnny Bedip heeft bijna hetzelfde ongeluk gehad. Hij bracht er verscheiden terug van een pak slaag toen ze hem lieten omslaan. Maar hij kon even goed zwemmen als zij, en er verdronken er twee van hen. Hijgebruikte een voetenplank en een revolver. Natuurlijk was het een ongeluk.”
“Heel gewoon, die ongelukken,” merkte de schipper op. Ziet u dien man daar aan het roer, mijnheer Arkwright? Dat is een menscheneter. Zes maanden geleden hebben hij en de rest van de bemanning den toenmaligen kapitein van deArlaverdronken. Ze deden het aan dek, mijnheer, hier op het achterschip, bij den overloop van de bezaan.”
“Het dek zag er verschrikkelijk uit”, zei de stuurman.
“Begrijp ik goed—?” begon Bertie.
“Ja, precies”, zei kapitein Hansen. “Hij is bij ongeluk verdronken.”
“Maar aan dek—?”
“Precies. Ik wil u wel vertellen, in vertrouwen natuurlijk, dat ze een bijl gebruikten.”
“Deze bemanning die u nu heeft?”
Kapitein Hansen knikte.
“De andere schipper was altijd veel te onvoorzichtig”, legde de stuurman uit. “Hij draaide zich alleen maar even om, toen zaten ze al boven op hem.”
“We hebben geen schijn van kans hier”, was de klacht van den schipper. “Het gouvernement beschermt altijd de nikkers tegen de blanken. Je kunt niet het eerst schieten. Je moet de nikkers het eerste schot geven, en anders noemt het gouvernement het moord, en je gaatnaarFidzji. Daarom verdrinken er zooveel bij ongeluk.”
Men werd geroepen voor het eten, en Bertie en de schipper gingen naar beneden, den stuurman aan dek latend om de wacht te houden.
“Houd een oogje op dien zwarten duivel, dien Aoeiki”, was de laatste raad van den schipper. “Ik mag zijn tronie al een paar dagen lang niet.”
“All right,” zei de stuurman.
Het diner was al een heel eind gevorderd, en de schipper was midden in zijn verhaal van het buitmaken van deScottish Chiefs.
“Ja,” zoo vertelde hij, “het was het mooiste schip op de kust. Maar toen ze niet door den wind wou, en nog voordat ze het rif geráákt had, kwamen de kano’s er al op af. Er waren vijf blanken aan boord, en een bemanning van twintig zwartjes van Santa Cruz en Kanaka’s van Samoa, en alleen de ladingmeester is ontsnapt. Bovendien waren er nog zestig inlandsche koelies. Ze zijn allemaalgekai-kaid.Kai-kai?—o, neemt u me niet kwalijk. Ik bedoel, ze werden opgegeten. Dan had je deJames Edwards, een keurig-getuigde—.”
Maar op dat oogenblik klonk er een scherpe vloek van den stuurman aan dek en een koor van woeste kreten. Drie keer ging er een revolver af, toen hoorde men een luiden plons. Kapitein Hansen was direct de kajuitstrap op gesprongen, en Bertie’s op avontuur beluste oogen werden even geboeid door een glimp van een blinkenden revolver dien de schipper trok terwijl hij sprong.
Bertie ging omzichtiger naar boven, aarzelend vóór hij zijn hoofd boven de luikopening uitstak. Maar er gebeurde niets. De stuurman trilde van opwinding, zijn revolver in de hand. Eéns schokte hij op, en sprong een halven draai om, alsof er gevaar dreigde in zijn rug.
“Een van de inlanders is overboord gevallen”, zei hij met een vreemde, strakke stem. “Hij kon niet zwemmen.”
“Wie was het?” vroeg de schipper streng.
“Aoeiki”, was het antwoord.
“Maar hoort u eens, ik geloof dat ik heb hooren schieten,” zei Bertie bevend van nieuwsgierigheid, want hij speurde avonturen, en avonturen die gelukkig voorbij waren.
De stuurman stoof op hem af, en snauwde:
“Je liegt, verdomme! D’r is geen schot gelost. De nikker viel overboord.”
Kapitein Hansen keek Bertie aan met starende, glanslooze oogen.
“Ik—ik dacht—” begon Bertie.
“Schoten?” zei kapitein Hansen droomerig. “Schoten? Hebt u soms hooren schieten, mijnheer Jacobs?”
“Geen schot gelost”, antwoordde mijnheer Jacobs.
De schipper keek zijn gast zegevierend aan en zei:
“Blijkbaar een ongeluk. Laten we naar beneden gaan, mijnheer Arkwright, en verder af-eten.”
Bertie sliep dien nacht in de kajuit van den kapitein, een kleine hut naast de groote kajuit. De voorste wand was versierd met een rek geweren. Boven de kooi hingen nog drie geweren. Onder de kooi was een groote lade, die, toen hij ze uittrok, gevuld bleek met ammunitie, dynamiet, en verscheiden doozen slaghoedjes. Hij prefereerde de rustbank aan anderen kant. Op de kleine hangende tafel lag, goed zichtbaar, het journaal van deArla. Bertie wist niet dat het speciaal voor deze gelegenheid was bewerkt door kapitein Maloe, en hij las er in hoe op 21 September twee leden van de bemanning overboord waren gevallen en verdronken. Bertie las tusschen de regels door, en wist wel beter. Hij las hoe de sloep van deArlabij Soe-oe was beschoten van uit de bosschen en drie man verloren had; hoe de schipper had ontdekt dat de kok menschenvleesch braadde op de kombuiskachel, vleesch dat door de bemanning gekocht was in Foei; hoe, bij het seinen, een ander matroos was gedood door een toevallige ontploffing van het dynamiet; hij las van nachtelijke aanvallen; havens waaruit men met de noorderzon was weggevlucht; aanvallen door boschbewoners in mangrove-moerassen en door vloten vankustbewoners in de grootere doorvaarten. Een geval dat eentonig dikwijls terugkeerde was overlijden aan dysenterie. Hij merkte met ontzetting dat twee blanken daaraan gestorven waren, gasten op deArla, zooals hij zelf.
“Zeg, hoort u eens”, zei Bertie den volgenden dag tegen kapitein Hansen. “Ik heb uw journaal eens doorgekeken.”
De schipper bleek hoogst ontstemd dat het journaal was blijven slingeren.
“En al die dysenterie, ziet u, dat is allemaal larie, net als dat bij ongeluk verdrinken,” ging Bertie door. “Wat beteekend dysenterieeigenlijk?”
De schipper toonde onverholen bewondering om de scherpzinnigheid van zijn gast, werd toen stug en ontkende verontwaardigd, maar gaf zich ten slotte gracelijk gewonnen.
“Kijkt u eens hier, mijnheer Arkwright, dat zit’m zoo. De reputatie van deze eilanden is al erg genoeg op zichzelf. Iedere dag wordt het moeilijker om blanken aan te monsteren. Stel dat er iemand vermoord wordt. De maatschappij moet dan zwaar betalen voor een ander die het baantje overneemt. Maar als er iemand gewoon dood gaat aan de een of andere ziekte, och, dan is de zaak in orde. De nieuwelingen geven niet om ziekte. Vermoord worden, daar hebben ze het land aan. Ik dacht dat de schipper van deArlaaan dysenterie gestorven was, toen ik zijn baantje vernam. Toen was het te laat. Ik had het contract geteekend.”
“Bovendien,” zei mijnheer Jacobs, “d’r zijn er over ’t algemeen veel te veel die bij ongeluk verdrinken. Dat lijkt niet pluis. Het is de schuld van het gouvernement. Een blanke krijgt de kans niet om zich tegen de nikkers te verdedigen.”
“Ja, kijk maar eens naar dePrincessen dien Yankee stuurman”, nam de schipper het verhaal op. “Het schipvoer vijf blanken en nog een gouvernements-agent. De kapitein, de agent, en de ladingmeester waren aan wal in de twee booten. Ze werden tot den laatste toe doodgeslagen. De stuurman en de bootsman met zoowat vijftien matrozen, lui van Tongga en Samoa, waren aan boord. Een troep nikkers kwam er aan, van de wal. Toen de stuurman begon te snappen wat er aan de hand was, waren de bootsman en de matrozen al doodgeslagen, bij den eersten aanval. Hij graaide drie patroongordels en twee Winchesters en smeerde ’m het want in. Hij was de eenige die het geval overleefde, en je zult hem niet laste kunnen leggen dat hij gek was. Hij pompte een geweer tot het zóó warm was dat hij het niet meer kon vasthouden, en toen pompte hij het andere. Het dek was zwart van de nikkers. Hij roeide ze uit. Hij schoot ze neer terwijl ze over de verschansing klommen, en zoo gauw namen ze hun pagaaien niet op of hij had ze te grazen. Toen sprongen ze in het water en probeerden zwemmende hun huid te bergen, en omdat hij razend was deed hij er nog een half dozijn bij. En wat heeft hij ervoor gekregen?”
“Zeven jaar in Fidzji”, beet de stuurman.
“Het gouvernement zei dat hij geen recht had om te schieten toen ze eenmaal in het water waren”, legde de schipper uit.
“En daarom gaan ze tegenwoordig dood aan dysenterie”, voegde de stuurman er bij.
“Stel je voor”, zei Bertie, en hij werd zich bewust van een verlangen naar het einde van den tocht.
Later op den dag ondervroeg hij den zwarte die hem aangewezen was als een menscheneter. Deze mijnheer heette Soemasai. Hij had drie jaar doorgebracht op een plantage in Queensland. Hij was geweest in Samoa, en Fidzji, en Sydney; en als matroos had hij gevaren op wervingsschoenersdoor heel Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, Nieuw-Guinea, en de Admiraliteits-eilanden. Ook was hij een guit, en hij had een voorbeeld genomen aan het gedrag van zijn schipper. O ja, hij had heel wat menschen opgegeten. Hoeveel? Hij kon het niet zeggen. Ja, ook blanken; ze smaakten uitstekend, behalve als ze ziek waren. Hij had één keer een zieken opgegeten.
“Mijn woord!” riep hij uit bij die herinnering. “Mij ziek veel bij hem. Mij buik loop rond te veel.”
Bertie rilde, en vroeg inlichtingen over hoofden. Ja, Soemasai had er verscheiden, verstopt aan de wal, in uitstekenden staat, in de zongedroogd, en boven het vuur gerookt. Eén was er van den kapitein van een schoener. Het had lange bakkebaarden. Hij wilde het verkoopen voor twee pond. Hoofden van zwarten wou hij voor één pond verkoopen. Hij had ook nog wel een paar kinderhoofden, maar die waren niet goed geconserveerd, en hij wilde ze hem overlaten voor tien shilling.
Vijftien minuten later merkte Bertie dat hij op het luik van de kajuitstrap zat langszij van een zwartje met een vreeselijke huidziekte. Hij vloog weg, en op zijn vraag vernam hij dat het melaatschheid was. Hij haastte zich naar beneden, en waschte zich met antiseptische zeep. Hij waschte zich dikwijls antiseptisch in den loop van dien dag, want iedere inlander aan boord was lijdende aan het een of ander kwaadaardig gezwel.
Toen deArlavoor anker kwam te midden van mangrove-moerassen was er boven de verschansing een dubbele versperring van prikkeldraad gespannen die om het heele schip liep. Dat leek alsof het meenens zou worden, en toen Bertie de kano’s van den wal langszij zag komen, bewapend met speren, bogen, pijlen en Sniders verlangde hij serieuzer dan ooit naar het eind van de reis.
Dien avond bleven de inlanders lang treuzelen vóórdat ze het schip verlieten. Enkelen van hen jouwden den stuurman uit toen hij hen beval aan land te gaan.
“Hindert niet, ik zal ze wel,” zei kapitein Hansen, naar beneden duikend.
Toen hij terug kwam liet hij Bertie een staaf dynamiet zien met een vischhaak er aan. Nu kan een leege chlorodyne-flesch die in een papier is gewikkeld en waar een onschadelijke lont uitsteekt iedereen misleiden. Het misleidde Bertie en het misleidde de inlanders. Toen kapitein Hansen de lont aanstak en den vischhaak in den lendendoek van een van de inlanders sloeg, werd die inlander overvallen door een zóó hevig verlangen naar het vaste land, dat hij vergat zijn lendendoek te laten afglijden. Hij vloog naar voren. De lont knetterde en siste achter hem aan, en bij iederen sprong dien hij maakte namen de nikkers bij dozijnen hun duik over het prikkeldraad. Bertie stond verlamd van schrik. Kapitein Hansen ook. Hij had niet gedacht aan zijn vijfentwintig koelies voor ieder waarvan hij dertig shilling vooruit betaald had. Ze sprongen samen met de bewoners van het eiland overboord, gevolg door den man die de sissende chlorodyne-flesch achter zich aan sleepte.
Bertie zag de flesch niet springen; maar de stuurman liet op het juiste moment een staaf echt dynamiet ontploffen, op het achterschip, waar het niemand kwaad kon doen; en Bertie zou in ieder Admiraliteits-Hof gezworen hebben dat er een nikker aan flarden gevlogen was.
De vlucht van de vijfentwintig koelies had deArlaveertig pond gekost, en aangezien ze hun heil in de bosschen hadden gezocht, was er geen hoop meer om hen nog terug te krijgen. De schipper en zijn stuurman wisten niet beter te doen dan hun verdriet verdrinken in koude thee. De koude thee was in whisky-flesschen, en Bertie wist niet, dat watze opdweilden maar koude thee was. Alles wat hij wist was, dat de twee mannen erg dronken raakten en welsprekende en lang-uitgesponnen debatten hielden over de kwestie of de ontplofte nikker gerapporteerd zou worden als bij ongeluk verdronken of als een geval van dysenterie. Toen ze eindelijk snorkend in slaap vielen, was hij de eenige blanke aan boord die nog tot iets in staat was, en hij hield een ijselijke wacht tot de morgenschemering, in angst en vreeze voor een aanval van de wal of een oproer van de bemanning.
Nog drie dagen bracht deArladoor op de kust, en nog drie avonden dronken de scheeps-officieren overvloedig koude thee, terwijl ze Bertie de wacht lieten houden. Zij wisten dat ze op hem konden rekenen, en hij zelf wist even zeker dathij,als hij nog leefde, hun liederlijk gedrag aan kapitein Maloe zou rapporteeren. Daarna liet deArlahet anker vallen voor de Reminge-plantage, op Goeadalcanar, en Bertie stapte met een zucht van verlichting op het strand, waar hij werd verwelkomd door den administrateur. Mijnheer Harriwell was klaar voor hem.
“Nu moet u niet schrikken als er een paar van ons een beetje neerslachtig lijken”, zei mijnheer Harriwell, hem even in vertrouwen apart nemend. “Er wordt gepraat over een uitbarsting, en ik geef toe dat er een paar verdachte teekenen zijn, maar voor mezelf geloof ik dat het allemaal poppenkast is.”
“Hoe—hoeveel zwarten hebt u hier op de plantage?” vroeg Bertie, en alle moed ontzonk hem.
“Op het oogenblik werken we met vierhonderd man”, antwoordde mijnheer Harriwell opgewekt;“maar we zijn hier met z’n drieën, en met u, natuurlijk, en den schipper en den stuurman van deArlakunnen we ze gemakkelijk hanteeren.”
Bertie draaide zich om om kennis te maken met een zekeren McTavish, den magazijnmeester, die nauwelijks notitie van hem nam, zóó verlangend was hij om zijn ontslag in te dienen.
“Omdat ik een getrouwd man ben, mijnheer Harriwell, kan ik me eigenlijk niet permitteeren nog langer te blijven. Er broeit iets, zoo zeker als er een neus op uw gezicht staat. De nikkers staan op springen, en dan krijgen we hier nieuwe Hohono gruwelen.”
“Wat zijn Hohono gruwelen?” vroeg Bertie, nadat de magazijnmeester overreed was om nog tot het eind van de maand te blijven.
“O, hij bedoelt de Hohono-plantage, op Isabella”, zei de administrateur.“De nikkers hebben daar de vijf blanken vermoord, den schoener buit gemaakt, kapitein en stuurman doodgeslagen, en zijn toen met z’n allen ontsnapt naar Malaita. Maar ik heb altijd gezegd dat ze op Hohono niet voorzichtig waren.Hierzullen ze ons niet in den dut vinden, dat verzeker ik u. Komt u even mee, mijnheer Arkwright dan kunt u het mooie uitzicht vanaf onze veranda eens zien.”
Bertie was te druk bezig met overleggen hoe hij weg zou komen naar Toelagi, naar het huis van den resident om veel van het panorama te zien. Hij overlegde nog steeds, toen er vlak bij hem, in zijn rug, een geweer knalde. Op hetzelfde oogenblik werd zijn arm bijna uit het lid gerukt, zoo heftig trok mijnheer Harriwell hem naar binnen.
“Zeg, oude jongen, dat scheelde een haartje”, zei de administrateur, en hij betastte hem overal om te zien, of hij ook getroffen was.“Ik kan je niet zeggen hoe me dat spijt. Maar het was klaarlichte dag, en ik dacht er zelfs niet aan.”
Bertie begon bleek te worden.
“Op die manier hebben ze den vorigen administrateur ook gekregen”, betuigde McTavish. “En een allemachtige flinke kerel was dat. Zijn hersens vlogen over de heele veranda. Hebt u die donkere vlek niet gezien daar, tusschen de trappen en de deur?”
Bertie was rijp voor den cocktail die mijnheer Harriwell voorstelde en voor hem klaar maakte; maar vóórdat hij er nog van kon drinken, kwam er een man in rijbroek met puttees binnen.
“Wat zal’t nu weer zijn”, vroeg de administrateur na een blik op het gezicht van den nieuwen acteur in de komedie. “Is de rivier weer gestegen?”
“Verrek met je rivier—’t zijn de nikkers. Stapte pardoes uit het bamboe, geen tien voet van me af, en pafte op me. Het was een Snider, en hij schoot vanaf de heup. Nu wou ik wel eens weten waar hij dien Snider vandaan heeft gehaald. O, neemt u me niet kwalijk. Aangenaam, mijnheer Arkwright.”
“Mijnheer Brown is mijn assistent”, legde mijnheer Harriwell uit. “En laten we nu die cocktail nemen.”
“Maar waar heeft hij dien Snider vandaan?” hield mijnheer Brown aan. “Ik heb er altijd tegen gesputterd dat die geweren op het erf bewaard werden.”
“Ze zijn er nog altijd”, zei mijnheer Harriwell, een beetje geraakt.
Mijnheer Brown glimlachte ongeloovig.
“Ga mee kijken”, zei de administrateur.
Bertie sloot zich aan bij den optocht die naar het kantoortje ging, alwaar mijnheer Harriwell zegevierend wees naar een groote pakkist in een stoffigen hoek.
“Goed, maar waar haalt de kerel dan dien Snider vandaan?” zaagde mijnheer Brown.
Maar op dat oogenblik lichtte McTavish de kist op. De administrateur schrok, rukte toen het deksel er af. De kist was leeg. Ze staarden elkaar aan in een vreeselijk zwijgen. Harriwell liet vermoeid zijn hoofd hangen.
Toen begon McTavish te vloeken.
“Wat ik altijd beweerd heb, de huisjongens zijn niet te vertrouwen.”
“Ik moet zeggen, het ziet er ernstig uit,” gaf Harriwell toe, “maar we zullen er wel door heen komen. De bloeddorstige heeren moeten eens door elkaar gerammeldworden, dat hebben ze noodig. Wilt u misschien zoo goed zijn, heeren, en uw geweren meebrengen aan tafel, en wilt u, mijnheer Brown, misschien een veertig of vijftig staven dynamiet klaar maken? Maak de lonten goed kort. We zullen ze een lesje geven. En nu, heeren, het diner is klaar.”
Er was één ding dat Bertie verfoeide, en dat was rijst met kerrie, dus zoo gebeurde het dat hij alleen deel had aan een verleidelijke omelet. Hij had zijn bord heelemaal leeg, toen Harriwell zich van de omelet bediende. Eén mondvol proefde hij, toen spuwde hij het uit met veel misbaar.
“Dat is de tweede keer”, verkondigde McTavish onheilspellend. Harriwell zat nog steeds te rochelen en te spuwen.
“Tweede keer wat?” bibberde Bertie.
“Vergif”, was het antwoord. “Die kok zal nog eens opgehangen worden.”
“Op die manier is de boekhouder op Cape Marsh er tusschen uit getrokken,” deed Brown zich hooren. “Een vreeselijken dood gestorven. Aan boord van deJessiezeiden ze dat ze hem drie mijlen ver hadden hooren schreeuwen.”
“Ik zal den kok in de boeien laten slaan”, proestte Harriwell. “Gelukkig dat we het op tijd ontdekt hebben.”
Bertie zat daar alsverlamd. Er was geen kleur in zijn gezicht. Hij trachtte te spreken, maar het resultaat was slechts een onduidelijk gorgelen. Allen keken hem angstig aan.
“Zeg het niet, kerel, zeg het niet!” schreeuwde McTavish, in hevige spanning.
“Ja, ik heb er van gegeten, een heele boel, een heel bord vol!” barstte Bertie uit, en hij haalde ineens weer diep adem, als een duiker die boven water komt.
Het afschuwelijk zwijgen duurde een oogenblik voort, en hij las zijn noodlot in hun oogen.
“Misschien was het toch geen vergif, après tout,” zei Harriwell somber.
“Roep den kok”, zei Brown.
Binnen trad de kok, een grijnzend zwartje, met pennen door zijn neus en gaten in zijn ooren.
“Hier, jij, Wi-wi, wat naam dat?” loeide Harriwell, en hij wees beschuldigend naar de omelet. De angst en de wanhoop van Wi-wi waren bijzonder natuurlijk.
“Hem goed kai-kai”, mompelde hij afwerend.
“Laat het hem opeten”, stelde McTavish voor. “Dat is het beste bewijs.”
Harriwell vulde een lepel met het goedje en sprong naar den kok, die doodelijk verschrikt wegvluchtte.
“Dat beslist alles”, was Brown’s plechtige uitspraak. “Hij wil het niet eten.”
“Mijnheer Brown wilt u hem misschien even in de boeien slaan?” Harriwell wendde zich opgewekt tot Bertie. “Het is in orde, oude jongen, hij zal met den resident te doen krijgen, en als jij dood gaat, zal hij hangen, hoor, daar kan je van op aan.”
“Ik geloof niet dat het gouvernement dat doen zal”, wierp McTavish tegen.
“Maar heeren, heeren toch!” riep Bertie. “Denk ondertusschen eens aan mij.”
Harriwell haalde medelijdend zijn schouders op.
“Spijt me, beste kerel, maar het is een inlandsen vergif, en daar is geen tegengif voor bekend. Tracht je er in te schikken, en als—”
Twee geweerschoten van buiten onderbraken het gesprek, en Brown kwam binnen, laadde zijn geweer opnieuw, en ging aan tafel zitten.
“De kok is dood”, zei hij. “Koorts. Tamelijk plotselinge aanval.”
“Ik was juist bezig mijnheer Arkwright te vertellen dat er voor inlandsche vergiften geen tegengif bestaat—”
“Behalve jenever”, zei Brown.
Harriwell schold zich uit voor een imbecielen idioot en rende weg om de jeneverflesch te halen.
“Puur, man, puur”, raadde hij Bertie, die een groot glas voor twee derden gevuld met het bijtend goedje onvermengd naar binnen slokte, en zat te hoesten en te kuchen tot de tranen hem langs de wangen liepen.
Harriwell voelde zijn pols en nam zijn temperatuur op, en twijfelde weer of de omelet wel vergiftigd was geweest. Brown en McTavish twijfelden ook, maar Bertie onderscheidde een onoprechten klank in hun stemmen. Zijn eetlust was weg, en hij voelde stilletjes zijn pols onder de tafel. Het viel niet te ontkennen, dat die sneller werd, maar hij dacht er niet aan dat toe te schrijven aan den jenever dien hij gedronken had. McTavish, geweer in de hand, ging naar buiten om eens poolshoogte te nemen.
“Ze komen in troepen bij elkaar bij de keuken”, was zijn verslag. “En ze hebben bende’s Sniders. Mijn idee is er om heen te trekken en ze van den anderen kant in de flank aan te vallen. Den eersten klap geven, zie je. Ga je mee, Brown?”
Harriwell at rustig door, terwijl Bertie ontdekte dat zijn pols vijf slagen toegenomen was. Niettemin sprong hijtegen wil en dank overeind toen de geweren begonnen te knallen. Boven de zware ontploffingen der Sniders uit hoorde men het scherpe knetteren van de Winchesters van Brown en McTavish, alles tegen een achtergrond van demonisch gegil en gekrijsch.
“Ze hebben ze op den loop”, merkte Harriwell op, toen stemmen en geweerschoten wegstierven in de verte.
Nauwelijks waren Brown en McTavish terug aan tafel, toen de laatste weer even poolshoogte ging nemen.
“Ze hebben dynamiet”, zei hij.
“Laten we ze dan ook met dynamiet bestoken”, stelde Harriwell voor.
Ze staken elk een half dozijn staven in hun zakken, rustten zich uit met brandende sigaren, en liepen naar de deur. En juist op dat oogenblik gebeurde het. Ze gaven McTavish er later de schuld van, en hij gaf toe dat de lading wel wat sterk was geweest. Maar in ieder geval ontplofte het onder het huis, dat schuin omhoog werd gelicht, en weer terugviel op zijn fundamenten. De helft van het porselein op de tafel brak, en de achtdaagsche klok bleef stilstaan. Gillend om wraak renden de drie mannen naar buiten, den nacht in, en het bombardement begon.
Toen ze terugkwamen was er geen Bertie meer. Hij had zich weggesleept naar het kantoortje, zich daar verschanst en gebarricadeerd, en was toen neergezonken op den vloer in een van jenever doordrenkte nachtmerrie, waarin hij duizend dooden stierf terwijl de wakkere strijd rondom hem verder gevoerd werd. In den morgen, beroerd en katterig van den jenever, kroop hij naar buiten, waar hij de zon nog in de lucht vond en God naar alle waarschijnlijkheid in den hemel, want zijn gastheeren leefden nog en waren ongedeerd.
Harriwell drong er op aan dat hij nog wat zou blijven, maar Bertie stond er op onmiddelijk met deArlaweg tezeilen naar Toelagi, waar hij heel dicht in de buurt van het huis van den resident bleef, totdat de volgende boot kwam. Er waren dames-touristen op het stoomschip, en Bertie was weer een held, terwijl kapitein Maloe, zooals gewoonlijkonopgemerktbleef. Maar kapitein Maloe stuurde twee kisten met de beste Schotsche whisky die er aan de markt was, want hij was niet in staat uit te maken, wie Bertie het meest grootsche idee van het leven in de Salomon’s had gegeven kapitein Hansen of mijnheer Harriwell.
“De zwarten zullen de blanken nooit begrijpen, en de blanken de zwarten niet, zoo lang zwart zwart is en blank blank.”
Zoo sprak kapitein Woodward. Wij zaten in de gelagkamer van Charley Roberts’ kroeg in Apia, en dronken eindelooze Aboe Hameds, voor ons gemengd en met ons gedeeld door voornoemden Charley Roberts.
Hij beweerde dat hij het recept direct had van Steevens, bekend door het uitvinden van den Aboe Hamed in een tijd dat hij voortgejaagd werd door dorst naar den Nijl—de Steevens die “Met Kitchener naar Kartoem” op zijn geweten heeft, en die uit dit leven verdween bij het beleg van Ladysmith.
Kapitein Woodward, kort en dik, al tamelijk oud, verbrand door veertig jaren tropische zon, en met een paar oogen, zoo mooi helder bruin als ik ze nooit bij een man gezien heb, sprak uit lange ervaring.
De lidteekens die kris en kras over zijn kalen schedel liepen, spraken van een intieme bekendheid met de tomahawks van de zwartjes, en men bespeurde een soortgelijke bekendheid in twee lidteekens, voor en achter, in de rechter helft van zijn hals, waar een pijl in gedrongen en er heelemaal doorheen getrokken was. Zooals hij zelf uitlegde, hij had haast gehad bij die gelegenheid—de pijl had hem gehinderd bij het loopen—en hij voelde dat hij niet den tijd kon nemen om den kop af te breken en de schacht eruit te trekken op de manier waarop ze er in was gekomen. Op het oogenblik was hij gezagvoerder van deSavaii, het groote stoomschip dat in het Westen inlandsche koelies wierf voor de Duitsche plantages op Samoa.
“De meeste herrie komt van de domheid van de blanken”, zei Roberts, afbrekend om een slok uit zijn glas te nemen en den Samoeeschen barjongen in vriendelijke termen te verwenschen. “Als de blanken een beetje hun best wilden doen om de werking van zwarte hersens te begrijpen, zouden de meeste moordpartijen vermeden worden.”
“Ik heb er genoeg gekend die beweerden dat ze de zwarten begrepen”, antwoordde kapitein Woodward, een beetje schamper, “en ik heb altijd kunnen opmerken, dat het juist die lui waren die het eerstgekaikai’d(opgegeten) werden. Denk maar eens aan de zendelingen op Nieuw-Guinea en de Nieuwe Hebriden—het martelaars-eiland Erromanga en de heele rest. Denk eens aan de Oostenrijksche expeditie die in de pan gehakt is in de Salomon-eilanden, in het verwond van Goeadalcanar. En denk eens aan de kooplui zelf, met een ervaring van soms twintig jaren, die een grooten mond hadden dat geen nikker hen ooit te pakken zou krijgen; en nu versieren hun hoofden de daksparren van de kanohuizen. Je had den ouden Johnny Simons, zesentwintig jaren op de ruwe kanten van Melanesië, zwoer dat hij de nikkers op zijn duimpje kende en dat ze hem nooit zouden krijgen, en hij trok er tusschen uit in Marovo-Lagune, Nieuw-Georgië. Zijn hoofd werd afgezaagd door een zwarte vrouw en een ouden nikker met één been; het andere had hij in den bek van een haai gelaten toen hij dook naar visch die ze met dynamiet verdoofd hadden. Dan had je Billy Watts, met een vreeselijken naam als nikker-vreter, een kerel om den duivel bang te maken. Ik herinner me dat we voor Cape Little lagen, op Nieuw-Ierland, toen denikkers een halve kist ruiltabak stalen, kostte hem zoowat drie en een halven dollar. Hij trok er op los, schoot zes nikkers dood, vernielde hun oorlogskano’s, en stak twee dorpen in brand. En het was bij Cape Little, vier jaren later, dat ze hem op zijn dak kwamen, hem en een vijftig jongens van Boekoe die hij bij zich had om tripang te visschen. In vijf minuten waren ze allemaal dood, op drie jongens na die ontsnapten in een kano. Praat me niet van de nikkers begrijpen. De zending van den blanke is de wereld te ontginnen, en daar heeft hij meer dan genoeg aan. Hij heeft immers geen tijd over om de nikkers te begrijpen!”
“Zoo is het”, zei Roberts. “En ’t is gek, maar het lijkt eigenlijk niet eens noodig om de nikkers te begrijpen. Aan de domheid van de blanken is hun succes in het ontginnen van de wereldgeëvenredigd.”
“En hun succes in het brengen van de vrees voor de hel in de nikkerkoppen”, flapte kapitein Woodward er uit. “Misschien heb je gelijk, Roberts. Misschien is het hun stommiteit waar ze hun succes aan te danken hebben, en een vorm van die stommiteit is zeker, dat ze niet in staat zijn de nikkers te begrijpen. Maar één ding is zeker: de blanken moeten achter de nikkers heen zitten of zij ze begrijpen of niet. Het is onvermijdelijk. Het is hun noodlot.”
“En natuurlijk zijn de blanken onvermijdelijk—het is het noodlot van de nikkers”, viel Roberts in. “Vertel een blanke dat er pareloesters zijn in de een of andere lagune die onveilig gemaakt door tienduizend brullende kannibalen, en hij zal er op uit trekken, heelemaal in z’n eentje, met een half dozijn Kanaka duikers en een blikken wekker als chronometer, alles als sardientjes gepakt in een handige kits van vijf ton. Fluister hem in dat er goud gevonden wordt aan de Noordpool, en datzelfde onvermijdelijke wezen met zijn blanke huid zal er meteen op af gaan, gewapendmet houweel een schop, een zij spek en den nieuwsten patent goud-wasscher—en wat meer is, hij zal er komen. Geef hem de lucht dat er diamanten zijn op de wit-gloeiende wallen van de hel, en mijnheer De Blanke zal de wallen bestormen en den ouden heer Satan in eigen persoon aan het houwen en graven zetten. Dat komt er van als men dom en onvermijdelijk is.”
“Maar ik vraag me af wat de zwarten wel moeten denken van die—die onvermijdelijkheid”, zei ik.
Kapitein Woodward begon zachtjes te lachen. Herinnering lichtte in zijn oogen.
“Ik zit daar juist te peinzen wat de nikkers van Maloe wel hebben gedacht, en nog moeten denken, van den éénen onvermijdelijken blanke, dien we aan boord hadden toen we hun een bezoek brachten met deDuchess”, legde hij uit.
Roberts mengde drie versche Aboe Hameds.
“Dat was twintig jaar geleden. Saxtorph heette hij. Hij was zonder eenigen twijfel de stomste kerel die ik ooit gezien heb, maar hij was onvermijdelijk als de dood. Er was maar één ding dat die kerel kon, en dat was schieten. Ik herinner me den eersten keer dat ik hem tegen het lijf liep—hier in Apia, twintig jaar geleden. Dat was vóór jouw tijd, Roberts. Ik sliep in Hollandsche Henry z’n hotel, beneden, waar nu de markt is. Ooit van hem gehoord? Hij had een aardigen duit gemaakt met wapens smokkelen voor de opstandelingen, verkocht zijn hotel, en werd precies zes weken laterdoodgeslagenin Sydney, bij een herrie in een kroeg.
“Maar Saxtorph. Op een nacht was ik net zoowat ingedommeld toen een paar katten concert begonnen te geven op het erf. Ik mijn bed uit en het raam omhoog, lampetkan in de hand. Maar juist op dat moment hoor ik het raam van de kamer ernaast omhoog gaan. Er vielen twee schoten en het raam ging dicht. Ik geloof niet dat ik jullie de snelheidduidelijk kan maken waarmee het gebeurde. Tien seconden op zijn hoogst. Omhoog ging het raam, pang, pang ging de revolver, en omlaag ging het raam. Wie het ook geweest was, hij had geen oogenblik gewacht om de uitwerking van zijn schoten te zien. Hij wist. Snappen jullie me?—hijwist. Het kattenconcert was afgeloopen, en ’s morgens lagen daar de twee delinquenten, morsdood. Het was een wonder. In de eerste plaats, al het licht dat er was kwam van de sterren en Saxtorph had geschoten zonder te mikken; dan, hij had zoo gauw achter elkaar geschoten dat het een dubbele knal leek in plaats van twee afzonderlijke, en eindelijk, hij wist dat hij zijn doel had geraakt zonder er naar te kijken.
“Twee dagen later kwam hij aan boord om mij te spreken. Ik was stuurman toen, op deDuchess, een kolossalen schoener van honderdvijftig ton, een nikkervanger. En laat ik jullie vertellen dat nikkervangers ook nikkervangers waren in die dagen. Er waren geen gouvernements-inspecteurs, en geen gouvernements-bescherming voor ons ook. Het was ruw werk, leven tegen leven, en niets te zeggen als het met ons gedaan was, en we deden in nikkers op ieder eiland in de Zuidzee waar ze ons niet van af schopten. Nu dan, Saxtorph kwam aan boord, John Saxtorph was de naam dien hij opgaf. Hij was een klein, rossig kereltje, rossig haar, rossig gezicht, en rossige oogen ook. Hij had niets dat je trof. En van binnen was hij al even neutraal als van buiten. Hij zei dat hij dalles was en dat hij wilde monsteren. Wou kajuitsjongen zijn, kok, ladingmeester of gewoon matroos. Wist niets van al die baantjes, maar zei dat hij graag wilde leeren. Ik had hem niet noodig, maar zijn schieten had zóó’n indruk op me gemaakt, dat ik hem aannam als gewoon matroos, drie pond per maand.
“Het was waar, hij wilde graag leeren, dat moet ik zeggen. Maar hij was van nature niet in staat om iets te leeren. Hij kon net zoo min de streken van het kompas achter elkaar opdreunen als ik cocktails kan maken zooals Roberts hier. En met zijn sturen bezorgde hij me mijn eerste grijze haren. Ik durfde hem nooit alleen aan het stuurrad te laten als we voor den wind liepen in een zware zee; en vol-en-bij en scherp-bij-de-wind waren onoplosbare mysteriën. Hij kon je het verschil niet vertellen tusschen een schoot en een talie, hij kon het gewoon niet. Fokkeklauwval en kluiverval, het was allemaal hetzelfde voor hem. Zeg hem de groote schoot wat af te vieren, en voor je ’t weet laat hij de piek vallen. Hij is drie keer over boord gesukkeld en hij kon niet zwemmen. Maar hij was altijd vroolijk, nooit zeeziek, en ik heb zelden iemand gezien die zóó vol goeden wil was. Mededeelzaam was hij niet. Praatte nooit over zichzelf. Zijn geschiedenis begon, voor zoover ons betrof, met den dag dat hij monsterde op deDuchess. Waar hij had leeren schieten weet de hemel alleen. Hij was een Yankee—zooveel wisten we wel door zijn neuzig praten. En dat was alles wat we ooit te weten zijn gekomen.
“En nu komen we tot het eigenlijke verhaal. We hadden pech gehad in de Nieuwe Hebriden: maar veertien jongens in vijf weken, en we liepen vóór den zuidoost-passaat naar de Salomon’s. Malaita was toen, net als nu, goed jachtterrein, en we vielen Maloe binnen, in den noordwest-hoek. Er is daar een landrif en een buitenrif en een allemachtig lastige ankerplaats; maar we kwamen behouden binnen en lieten ons dynamiet knallen als signaal voor de nikkers om er uit te komen en zich te laten werven. Drie dagen lang kregen we geen kip. Ze kwamen bij honderden naar ons toe in hun kano’s, maar ze lachten ons alleen maar uit alswe hen kralen en calico en bijlen lieten zien en over de heerlijkheden van plantage-werk op Samoa spraken.
“Den vierden dag kwam er verandering. In de vijftig zwartjes teekenden en kregen hun logeerkamer in het grootruim, terwijl ze zich aan dek natuurlijk vrij mochten bewegen. En natuurlijk was dit teekenen en bloc verdacht, als je er op terug kijkt, maar toen dachten we dat het een of ander machtig opperhoofd het verbod om te teekenen had opgeheven.
“In den morgen van den vijfden dag gingen onze twee booten naar den wal, zooals gewoonlijk,—de eene om de andere te dekken, snap je, als er soms herrie mocht komen. En, zooals gewoonlijk, waren de vijftig nikkers die we aan boord hadden aan dek, lummelend, kletsend, rookend en slapend. Saxtorph en ik zelf, met nog vier andere matrozen, was alles wat er nog van ons aan boord was. De twee booten waren bemand met Gilbert-eilanders. In de eene zaten de kapitein, de ladingmeester en de werver. In de andere, die de eerste dekte en een honderd meter uit de wal lag, was de tweede stuurman. Allebei de booten waren goed bewapend, ofschoon we geen herrie verwachtten.
“Vier van de matrozen, Saxtorph incluis, waren bezig de kanpanje-reeling te schrappen. De vijfde matroos, geweer in de hand, stond op wacht bij de watertank, even vóór den grooten mast. Ik was vooruit, bezig de laatste hand te leggen aan een nieuwen bek voor de fokkegaffel. Ik wilde net mijn pijp pakken waar ik ze had neergelegd, toen ik een schot van den wal hoorde. Ik richtte me op om te kijken. Er trof me iets tegen mijn achterhoofd dat me half verdoofd tegen het dek deed slaan. Mijn eerste gedachte was dat er boven in het tuig iets stuk was gegaan; maar terwijl ik nog viel, en vóór dat ik op het dek terecht kwam, hoorde ik een geweervuur van de booten alsof de duivel ineigen persoon een roffel sloeg. Ik draaide me half om, en zag den matroos die op schildwacht stond. Twee groote nikkers hielden zijn armen vast, en een derde sloeg hem van achteren op zijn hoofd met een tomahawk. Ik zie het nog voor me, de watertank, de groote mast, de troep die hem aan zijn lijf hing, de bijl die op zijn hoofd neerdaalde, alles onder het vlammende zonlicht. Ik werd geboeid door dat groeiend visioen van moord. De tijd die de bijl noodig had om neer te dalen leek afschuwelijk lang. Ik zag het ding op het hoofd van den man terecht komen, en ik zag zijn beenen onder hem wegzakken toen hij dubbel sloeg. De nikkers hielden hem bij zijn armen omhoog en hij werd nog een paar keer flink bewerkt. Toen kreeg ik zelf nog twee hakken op mijn hoofd, en maakte uit dat ik dood was. Dat was ook het idee van den kerel die me bewerkte.
“Ik was te hulpeloos om me te bewegen en ik lag daar maar en keek hoe ze den schildwacht zijn hoofd afsloegen. Ik moet zeggen, ze deden het netjes. Je kon zien dat ze het meer gedaan hadden.
“Het geweervuur uit de booten had opgehouden en ik stelde vast dat het met ons gedaan was en dat het eind van alles was gekomen. Het was een kwestie van minuten; dan zouden ze komen om mijn hoofd. Blijkbaar waren ze bezig de matrozen op het achterschip te onthoofden. Hoofden zijn veel waard op Malaita; vooral hoofden van blanken. Die hebben de eereplaats in de kano-huizen van de kustbewoners. Welk bijzonder decoratief effect de binnenlanders er in zien weet ik niet. Maar ze zijn er even verzot op als hun broertjes van het zoute water.
“Ik had een vaag idee van ontsnappen, en kroop op handen en voeten naar den kaapstander, waar ik er in slaagde mezelf weer op de been te hijschen. Vandaar kon ik naar achteren kijken, en ik zag drie hoofden boven op de kajuitliggen—de hoofden van drie matrozen aan wie ik maanden lang orders had gegeven. De nikkers zagen mij staan en kwamen op me af. Ik greep naar mijn revolver en merkte dat ze hem hadden weggenomen. Ik kan niet zeggen dat ik bang was. Ik ben verschillende keeren dicht bij den dood geweest, maar het heeft me nooit gemakkelijker toegeschenen dan toen. Ik was half verdoofd en niets kon me meer wat schelen.
“De nikker die voorop liep had zich gewapend met een hakmes uit de kombuis, en hij maakte grimassen als een aap terwijl hij zich klaar maakte om mij in tweeën te snijden. Maar dat sneedje heeft hij nooit gemaakt. Hij zakte in elkaar op het dek en ik zag het bloed uit zijn mond gudsen. Heel vaag hoorde ik een geweer afgaan, en het bleef afgaan, voortdurend. Nikker na nikker viel neer. Mijn begrippen werden weer een beetje helder, en ik merkte op dat er geen enkel schot mis was. Iederen keer dat het geweer knalde, zakte er een nikker in elkaar. Ik ging zitten op het dek naast den kaapstander en keek naar boven. Boven, in de dwarszalings, zat Saxtorph. Hoe hij het klaar had gespeeld kan ik nog niet begrijpen, want hij had twee Winchesters en ik weet niet meer hoeveel patroongordels mee naar boven genomen; en nu was hij bezig het eenige te doen waar hij op deze wereld voor deugde.
“Ik heb veel schiet- en moordpartijen gezien, maar ik heb nooit zoo iets gezien als toen. Ik zat daar naast den kaapstander en keek naar de vertooning. Ik voelde me zwak en wee en het leek allemaal een droom. Pang, pang, pang, pang ging zijn geweer, en bom, bom, bom, bom, gingen de nikkers tegen het dek. Het was verbazend hoe ze vielen. Na hun eersten stormloop op mij, toen er zoo ongeveer een dozijn gevallen waren, schenen ze verlamd; maar hij hield geen oogenblik op met zijn geweer leeg te pompen.
“Zóó was de toestand toen de kano’s en de twee booten van de wal kwamen, bewapend met Sniders en met Winchesters die ze in de booten hadden buitgemaakt. De fusillade die ze op Saxtorph loslieten was iets vreeselijks. Gelukkig voor hem kunnen de nikkers alleen maar op korten afstand schieten. Ze zijn niet gewend om een geweer aan den schouder te brengen. Ze wachten tot ze boven op iemand zitten, en dan schieten ze vanaf de heup. Toen zijn geweer te warm werd nam Saxtorph het andere. Dat was zijn idee geweest toen hij twee geweren mee het want in nam.
“Wat me het meest verbaasde was de snelheid waarmee hij vuurde. En hij miste geen enkelen keer. Als er er ooit iets onvermijdelijk is geweest, dan was die man het. De slachting was zoo afschuwelijk omdat het zoo verbazend vlug ging. De nikkers hadden geen tijd om te denken. Als ze er in slaagden te denken, sprongen ze met een vaartje overboord, waarbij de kano’s meestal omsloegen. Saxtorph hield geen oogenblik op. Het water was bedekt met nikkers en pang, pang, pang, schoot hij zijn kogels in hun zwarte lichamen. Geen enkel schot was mis en ik kon duidelijk het poffen van de kogels hooren telkens als er een begraven werd in menschelijk vleesch.