“De nikkers verspreidden zich en richtten zich naar den wal, zwemmend. Het was alsof het water bedekt was met een kleed van opduikende en bewegende hoofden, en ik ging rechtop staan, als in een droom, om er naar te kijken: de bewegende hoofden en de hoofden die ophielden te bewegen. Sommige lange-afstand-schoten waren schitterend. Eén man bereikte het strand, maar toen hij opstond om aan land te waden schoot Saxtorph hem nog neer. Het was meesterlijk. En toen een paar nikkers het strand op kwamen loopen om hem uit het water te trekken, gingen zij ook nog tegen de vlakte.“Ik dacht dat alles voorbij was, toen ik het geweer opnieuw hoorde afgaan. Een nikker kwam met een vaartje uit de kajuit schieten, naar de verschansing, maar viel halverwege neer. De kajuit moet vol nikkers gezeten hebben. Ik telde er twintig. Ze holden één voor één naar boven en sprongen naar de verschansing. Maar zoover kwamen ze niet. Het deed me denken aan het schieten van dieren in een val. Een zwart lichaam schoot telkens omhoog uit het trapluik, pang ging dan Saxtorph’s geweer, en neer sloeg het zwarte lichaam. Natuurlijk wisten de nikkers die beneden waren niet wat er aan dek gebeurde, dus bleven ze omhoog schieten uit het luik, totdat de laatste er geweest was.“Saxtorph wachtte een poosje om zeker van zijn zaak te zijn, en kwam toen naar beneden. Wij tweeën waren alles wat er overbleef van bemanning en officieren van deDuchess, en ik was er tamelijk beroerd aan toe, terwijl hij hulpeloos was nu hij niet meer kon schieten. Onder mijn leiding waschte hij mijn hoofdwonden en naaide ze dicht. Een groote slok whisky sterkte mij tot het wagen van een poging om weg te komen. Er bleef ons niets anders over. De rest was dood. We trachtten de zeilen te hijschen. Saxtorph heesch en ik hield het val om den nagel. Hij was weer hetzelfde stomme rund van vroeger. Zijn hijschen was geen cent waard, en toen ik op een goed oogenblik flauw viel, leek het of het afgeloopen was met ons.“Toen ik weer bij kwam, zat Saxtorph hulpeloos op de verschansing, wachtend om mij te vragen wat hij doen moest. Ik zei hem de gewonden eens onderste boven te halen om te zien of er ook bij waren die nog konden kruipen. Hij kreeg er zes bij elkaar. Eén, herinner ik me, had zijn been gebroken; maar Saxtorph zei dat zijn armen in orde waren. Ik lag in de schaduw, en joeg de vliegen weg, enleidde de zaken, terwijl Saxtorph zijn ploeg invalieden aanvoerde. Ik wil eeuwig verdoemd zijn als hij die arme duivels niet aan ieder touw op de nagelbanken liet hijschen vóórdat hij de vallen vond. Eén van hen liet het touw glippen onder het hijschen en gleed neer op het dek, dood; maar Saxtorph rammeide de anderen en hield hen aan het werk. Toen de fok en het grootzeil op waren zei ik hem de steekschalm uit den ankerketting te schroeven en het anker te laten slippen. Ik liet me naar het achterschip helpen om een slappe poging aan het stuurrad te wagen. Hoe hij het hem lapte begrijp ik nog niet, maar in plaats van de steekschalm uit te schroeven, plons ging het tweede anker naar beneden, en daar lagen we dubbel geankerd.“Eindelijk was hij zóó ver dat allebei de ankers geslipt en de stagfok en kluiver omhoog waren, en deDuchessviel af en stevende naar de doorvaart. Ons dek was de moeite waard om te zien. Doode en stervende nikkers lagen overal. Sommigen zaten weggestopt op de onmogelijkste plaatsen. De kajuit zat er vol mee, waar ze van het dek weggekropen en naar beneden getuimeld waren. Ik zette Saxtorph en zijn ploeg doodgravers aan het overboord zetten, en erover gingen ze, levenden en dooden. De haaien hadden een vette, dien dag. Natuurlijk gingen onze vier vermoorde matrozen denzelfden weg. Maar hun hoofden deden we in een zak met gewichten eraan, dat ze niet naar het strand drijven en in de handen van de nikkers zouden vallen.“Onze vijf gevangenen besloot ik als bemanning te gebruiken, maar zij besloten anders. Ze namen hun kans waar, en sprongen overboord. Saxtorph schoot er twee dood met zijn revolver terwijl ze nog in de lucht zweefden, en hij zou de andere drie in het water ook nog naar de andere wereld hebben geholpen als ik hem niet tegen gehouden had. Ja, ik had genoeg van het moorden, en bovendien, ze haddenmeegeholpen den schoener naar buiten te brengen. Maar het was weggegooid medelijden, want ze werden alle drie door de haaien ingepikt.“Ik kreeg hersenkoorts of iets dergelijks toen we goed en wel in volle zee waren; tenminste deDuchesslag drie weken bijgedraaid; toen pas was ik mezelf weer meester, en we sukkelden verder met de schuit naar Sydney. In ieder geval hebben die nikkers van Maloe de eeuwige les geleerd, dat het niet goed is, gekheid te maken met een blanke. Saxtorph was zonder eenigen twijfel onvermijdelijk voor hen.”Charley Roberts floot eens, en zei:“Je zou het zoo zeggen. Maar wat is er van Saxtorph geworden?”“Hij is bij de robbenvaart terecht gekomen, en een heele beroemdheid geworden. Zes jaren lang was hij een geweldig heer in de vloten van San Francisco en Victoria. Het zevende jaar is zijn schoener in de Beringzee ingepikt door een Russischen kruiser, en alle hens, zoo ging het verhaal, zijn in de zoutmijnen van Siberië gesmakt. Ten minste ik heb nooit meer iets van hem gehoord.”“De wereld ontginnen”, mompelde Roberts. “De wereld ontginnen. Hier, op hun gezondheid, iemand moet het toch doen—de wereld ontginnen, bedoel ik.”Kapitein Woodward wreef de lidteekens die kriskrasten over zijn kaal hoofd.“Ik heb er mijn deel toe bijgedragen”, zei hij. “Veertig jaar nu al. Dit is mijn laatste reis. Dan ga ik voor goed naar huis.”“Ik verwed er den borrel onder dat je het niet doet”, tartte Roberts. “Jij gaat dood in het harnas, niet in je bed.”Kapitein Woodward nam de weddenschap dadelijk aan, maar ik voor mij denk dat Charley Roberts de beste kans heeft.Het Nageslacht van McCoy.DePyreneeën, haar ijzeren zijden laag in het water gedrukt door de lading tarwe, slingerde traag, en maakte het gemakkelijk voor den man die aan boord klom vanuit een kleine kano met vlerken. Toen zijn oogen ter hoogte van de verschansing kwamen, zoodat hij binnen boord kon kijken, scheen het hem toe, dat hij een vaag, bijna niet te onderscheiden waas zag. Het leek meer een zinsbegoocheling, een dof vlies dat zich plotseling over zijn oogen had gespreid. Hij voelde een neiging om het weg te vegen, en dacht tegelijkertijd, dat hij oud werd, en dat het tijd was om een bril te bestellen in San Francisco.Terwijl hij over de verschansing klom, liet hij zijn blikken omhoog gaan naar de hooge masten, daarna naar de pompen. Zij werkten niet. Alles scheen in orde op het groote fregat, en hij vroeg zich verwonderd af, waarom men het noodsignaal geheschen had. Hij dacht aan zijn gelukkige eilanders en hoopte dat het geen besmettelijke ziekte zou zijn. Misschien had het schip gebrek aan water of proviand. Hij schudde den kapitein de hand. Wat het ook zijn mocht, erwasiets, dat zeiden het vermagerde gezicht en de bezorgde blik van de gezagvoerder. Op het zelfde oogenblik bemerkte de nieuw-aangekomene een flauwen niet te definieeren geur. Het leek van verbrand brood, maar toch weer anders.Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Twintig voet verder was een moe-uitziend matroos bezig het dek te breeuwen. Terwijl zijn blik op dien man rustte, zag hij plotseling eendun spiraaltje rook onder zijn handen uit opstijgen, dat kronkelde en kringelde, en weg was. Ondertusschen was hij zelf op het dek gekomen. Hij voelde een broeiende warmte aan zijn bloote voeten, die snel door het dikke eelt heen drong. Hij kende nu den nood van het schip. Zijn blikken zwierven naar voren waar de geheele bemanning van magere, vermoeide matrozen vol verwachting naar hem stond te kijken. Die blik van zijn vochtige bruine oogen ging over hen heen als een zegening; hij kalmeerde hen, wikkelde hen als in den mantel van een groote vrede.“Hoe lang hebt u al brand aan boord, kaptein?” vroeg hij, en zijn stem was zoo zacht en sereen, dat het leek alsof er een duif kirde.Eerst voelde de kapitein die rust en die tevredenheid zachtjes in zich dringen, maar dan sloeg hem weer het bewustzijn van alles wat hij doorstaan had en nog doorstond, en hij was kwaad. Wat gaf dezen vuilen strandschuimer, gekleed in een grof linnen broek en een katoenen hemd, het recht om hem en zijn overwerkte, uitgeputte hersenen iets als rust en tevredenheid te suggereeren? De kapitein beredeneerde het niet zoo; het onbewuste proces der emotie was de oorzaak van zijn boosheid.“Vijftien dagen”, antwoordde hij kortaf. “Wie ben jij?”“Mijn naam is McCoy”, kwam het antwoord, en het geluid ademde zachtheid en medelijden.“Ik bedoel, ben je de loods?”McCoy liet de zegening van zijn blik gaan over den langen, zwaar-geschouderden man met het verwilderde, ongeschoren gezicht, die naast den kapitein was komen staan.“Ik ben even goed loods als iemand anders”, was het antwoord van McCoy. “We zijn hier allemaal loods, kapitein, en ik ken iederen centimeter van deze wateren.”Maar de kapitein was ongeduldig.“Ik moet de autoriteiten hebben. Ik moet hen spreken, en allemachtig gauw ook.”“Dan kunt u ook met mij volstaan.”Weer dat hinderlijke gevoel van vrede, en dan zijn schip een woedende oven onder zijn voeten! Hij trok nerveus en ongeduldig zijn wenkbrauwen op, en balde zijn vuist alsof hij er mee wou slaan.“Wie ben je dan in Jezus’ naam?” vroeg hij ruw.“Ik ben de eerste ambtenaar”, was het antwoord, en nog steeds was de stem de zachtste en teederste die men zich kon denken.De lange zwaar-geschouderde man barstte uit in een schorren lach, die meer een uiting was van hysterie dan van plezier. De kapitein en hij bekeken McCoy verwonderd en ongeloovig. Dat deze strandschuimer op bloote voeten zulk een klinkende waardigheid zou bekleeden was onbegrijpelijk. Zijn katoenen hemd, los geknoopt, liet een grauw-behaarde borst zien, en tevens dat hij er geen kleedingstuk meer onder droeg. Een versleten strooien hoed trachtte tevergeefs het ongekamde grijze haar te verbergen. Een patriarchale baard, ongeknipt, daalde neer tot halfweg zijn borst. Twee kwartjes zouden hem bij een uitdrager compleet hebben uitgerust zooals hij nu voor hem stond.“Soms familie van McCoy van deBounty?” vroeg de kapitein.“Mijn overgrootvader.”“O”, zei de kapitein, en hij bedacht zich. “Mijn naam is Davenport, en dit is mijn eerste stuurman, mijnheer Konig.”Ze schudden elkaar de hand.“En nu ter zake.” De kapitein sprak snel, de drang van een groote haast preste zijn woorden. “We hebben nu al meer dan twee weken brand aan boord. Ieder oogenblik kan dehel losbarsten. Daarom heb ik op Pitcairn aangehouden. Ik wil de schuit aan den grond zetten, of lek slaan, om den romp te sparen.”“Dan hebt u zich vergist, kaptein”, zei McCoy. “U had met ruime schooten naar Mangareva moeten koersen. Daar is een mooi strand, in een lagune, waar het water is als een vischvijver.”“Maar we zijn nou hier, hè?” snauwde de eerste stuurman. “Daar komt het maar op aan. We zijn hier, en er moet iets gedaan worden.”McCoy schudde vriendelijk zijn hoofd.“U kunt hier niets doen. Er is hier geen strand. Er is zelfs geen ankerplaats.”“Klets”, zei de stuurman. “Klets”, herhaalde hij luid, toen de kapitein hem een teeken gaf, wat minder kras in zijn uitdrukkingen te zijn. “Dergelijke praatjes kun je mij niet verkoopen. Waar heb je je eigen booten dan, je schoener of je kotter of weet ik wat jij hebt? Hè? Vertel me dat maar’ es.”McCoy glimlachte zacht zooals hij gesproken had. Zijn glimlach was een liefkoozing, een omhelzing die den uitgeputten stuurman trachtte mee te trekken in den sereenen vrede van McCoy’s rustige ziel.“Wij hebben geen schoener en geen kotter”, antwoordde hij. “En we dragen onze kano’s boven op de rotsen.”“Zou ik eerst’ es moeten zien”, snoof de stuurman. “Hoe kom je dan op de andere eilanden, hè? Dat wou ik wel’ es weten.”“Wij gaan niet naar de andere eilanden. Ik alleen, af en toe, als gouverneur van Pitcairn. Toen ik nog jong was, was ik heel dikwijls weg—soms op de koopvaardij-schoeners, meestal op de brik van de zending. Maar die is er nu niet meer, en we zijn nu afhankelijk van passeerende schepen. Soms hebben we er wel eens zes in ’t jaar. Maar dikwijlsgaat er ook een jaar en nog meer voorbij zonder dat we één enkel schip zien. U bent het eerste sinds zeven maanden.”“En je wilt me vertellen—”, begon de stuurman weer.Maar kapitein Davenport kwam tusschenbeide.“Genoeg, genoeg. We verliezen onzen tijd maar. Wat moeten we doen, mijnheer McCoy?”De oude man wendde zijn bruine oogen, zacht als die van een vrouw, naar het land, en kapitein en stuurman volgden zijn blik, van de eenzame rots Pitcairn naar de bemanning die in een troep bijeen stond op het voorschip en vol spanning wachtte op een beslissing. McCoy haastte zich niet. Zijn gedachten gingen rustig en langzaam, stap voor stap, met de zekerheid van iemand die nooit gekweld of geslagen is door het leven.“Er is niet veel wind op ’t oogenblik”, zei hij eindelijk. “En er loopt een sterke strooming naar het westen.”“Die heeft ons doen afdrijven naar lij”, onderbrak de kapitein, die zijn zeemanschap wilde rechtvaardigen.“Juist, die heeft u naar lij gedreven!” ging McCoy verder. “Nu, u kunt vandaag niet tegen die strooming in opwerken. En al kon het, dan is er nog geen strand. Uw schip zou totaal verloren zijn.”Hij wachtte even, en kapitein en stuurman keken elkaar wanhopig aan.“Maar ik zal u zeggen wat u kunt doen. De bries zal vannacht doorkomen, ongeveer middernacht—kijk die vegen wolken en die dikte te loevert, achter dien bergtop daar. Daar zal-ie vandaan komen, uit het zuid-oosten, en hard. Het is driehonderd mijlen naar Mangareva. Bras je ra’s in ’t vierkant en loop er vóór het windje heen. Er is daar een mooi bed voor je schip.”De stuurman schudde zijn hoofd.“Kom even in de kajuit, dan kunnen we eens op de kaart kijken,” zei de kapitein.Er hing een vergiftige, verstikkende atmosfeer in de kleine, benauwde kajuit. Onzichtbare gassen die overal ronddreven beten en prikten in McCoy’s oogen. Het dek was hier nog heeter, bijna onverdraaglijk heet voor zijn bloote voeten. Het zweet stroomde uit zijn lichaam. Hij keek bijna bang om zich heen. Deze kwaadaardige, inwendige hitte was afschuwelijk. Het was een wonder, dat de kajuit niet in vlammen uitbarstte. Hij had een gevoel alsof hij in een grooten oven was, waar ieder oogenblik de hitte tot een geweldige hoogte kon stijgen en hem verschroeien als een halmpje gras.Toen hij één voet oplichtte en de heete zool tegen zijn broekspijp wreef, beet de stuurman hem een woesten, grimmigen lach toe.“Het voorgeborchte der hel”, zei hij. “De hel zelf is daar vlak onder uw voeten.”“Het is heet!”, riep McCoy onwillekeurig, en veegde zijn gezicht met een bandana zakdoek.“Hier is Mangareva”, zei de kapitein, terwijl hij zich over de tafel boog en een zwarte vlek aanwees midden in de onverbroken witheid van de kaart.“En hier, nog daar vóór, ligt nog een eiland. Waarom daar niet heen?”McCoy keek niet op de kaart.“Crescent Eiland”, antwoordde hij. “Het is onbewoond, en maar twee of drie voet boven het water. Een lagune, maar geen invaart. Neen, Mangareva is de naaste plek die u gebruiken kunt.”“Dan zal het Mangareva zijn”, zei kapitein Davenport, de grommende tegenwerpingen van zijn stuurman onderbrekend. “Roep het volk achter, mijnheer Konig.”De matrozen gehoorzaamden. Ze strompelden moe langs het dek en deden pijnlijke pogingen om haast te maken. Hun uitputting was zichtbaar in iedere beweging die zemaakten. De kok kwam uit zijn kombuis om te luisteren, en de kajuitsjongen hing naast hem over de deur.Toen kapitein Davenport de situatie uitgelegd en zijn voornemen om naar Mangareva te loopen geuit had, brak er een geweldig rumoer los. Tegen een achtergrond van kelig gegrom rezen ongearticuleerde kreten van woede, met hier en daar een duidelijk te onderscheiden vloek, een woord, een zin. De schrille stem van een Cockney steeg, en beheerschte een oogenblik alles: “Jeisis Christus, eers’ veertien daoge in de hel, en nou wil-ie dawwe die drijvende hel weer nao see seile!”De kapitein had geen macht meer over hen, maar de aanwezigheid van McCoy scheen hun een zacht verwijt, en kalmeerde hen. Het mopperen en vloeken stierf weg, totdat, behalve hier en daar een gezicht dat vol angstige spanning naar den kapitein gericht was, de geheele bemanning verlangend stond te kijken naar de groen-begroeide toppen en de overhangende rotsen van Pitcairn.Zacht als een lentewind was de stem van McCoy; “Kaptein, ik meende dat ik er een paar hoorde zeggen dat ze honger hadden.”“Ja”, was het antwoord, “en wij ook. Ik heb de laatste twee dagen niets gehad dan een scheepsbeschuit en een lepel gedroogde zalm. We zijn op rantsoen. Ziet u, toen we den brand ontdekten, hebben we alles onmiddelijk dichtgeschalmd om het vuur te verstikken. En toen merkten we hoe weinig voedsel er in de provisiekast was. Maar toen was het te laat. We durfden de voorraadkamer niet meer open te breken. Honger? Ik heb even veel honger als zij.”Hij sprak de mannen opnieuw toe, en opnieuw rees het kelig gebrom en gevloek, en hun gezichten waren als van dieren, verwrongen vanwoede. De tweede en de derde stuurman waren bij den kapitein komen staan, vóór op dekampanje. Hun gezichten waren strak en zonder uitdrukking; vóór alles schenen ze ontstemd door deze muiterij van de bemanning. Kapitein Davenport keek zijn eersten officier vragend aan, maar die haalde slechts zijn schouders op ten teeken van zijn hulpeloosheid.“U ziet”, zei de gezagvoerder tegen McCoy, “je kunt matrozen niet dwingen het veilige land te verlaten en naar zee te gaan op een brandend schip. Het is hun drijvende doodkist geweest, nu al meer dan twee weken. Ze zijn uitgewerkt en uitgehongerd, en ze hebben er genoeg van. We zullen naar Pitcairn opwerken.”Maar er was weinig wind, de bodem van dePyreneeënwas aangegroeid, en het schip kon niet tegen de sterke westelijke strooming op laveeren. Na verloop van twee uren had men drie mijlen verloren. De matrozen werkten fel, alsof ze alleen door hun kracht dePyreneeëntegen de vijandige elementen in konden drijven. Maar gestadig, nu over stuurboord, dan over bakboord, zakte het schip af naar het westen. De kapitein ijsbeerde rusteloos heen en weer. Af en toe hield hij op om te kijken naar de slierten rook die overal ronddreven, en hij trachtte hun spoor na te gaan tot de plek waar ze uit het dek sprongen. De timmerman was voortdurend bezig dergelijke plekken vast te stellen en, als hij daarin geslaagd was, ze dichter en dichter te breeuwen.“Wel, wat denkt u er nu van?” vroeg de kapitein eindelijk aan McCoy, die naar den timmerman stond te kijken met al de belangstelling en nieuwsgierigheid van een kind in zijn oogen.McCoy keek in de richting van de wal, waar het eiland verdween in den dichtenden nevel.“Ik denk, dat ’t beter zou zijn naar Mangareva te loopen. Met de bries die nu komt bent u daar morgenavond.”“Maar wat als de brand uitslaat? Het kan ieder oogenblik gebeuren.”“Houdt uw booten klaar in de vallen. Dezelfde bries zal uw booten naar Mangareva brengen, als het schip onder u uit brandt.”Kapitein Davenport overlegde een oogenblik met zich zelf, en toen hoorde McCoy de vraag die hij liever niet had willen hooren, maar die hij voelde komen.“Ik heb geen kaart van Mangareva. Op de groote kaart is het maar een vliegenscheet. Ik zou niet weten waar ik de invaart in de lagune moest zoeken. Zoudt u mee willen gaan en het schip voor mij naar binnen loodsen?”McCoy’s sereene rust bleef onverstoord.“Goed, kaptein”, zei hij met dezelfde kalme achteloosheid waarmee hij een uitnoodiging om te komen dineeren zou hebben aangenomen; “ik ga met u mee naar Mangareva.”Weer werd de bemanning naar achteren geroepen, en de kapitein sprak hen toe vanaf de hooge kampanje.“We hebben geprobeerd de schuit stroomop te krijgen, maar jullie ziet hoe veel we verloren hebben. We drijven af in een twee-knoops strooming. Deze mijnheer hier is de Edelachtbare Heer McCoy, eerste ambtenaar en gouverneur van het eiland Pitcairn. Hij zal met ons meegaan naar Mangareva. Jullie ziet dus dat de toestand niet zoo gevaarlijk is. Hij zou het niet aangeboden hebben, als hij dacht dat hij er zijn hachje bij in zou schieten. Bovendien, hoe groot de risico ook is, als hij uit eigen beweging aan boord komt, en de kans wil loopen, kunnen wij niet minder doen. Wat zeggen jullie van Mangareva?”Dezen keer was er geen rumoer. McCoy’s aanwezigheid, de zekerheid en de kalmte die er van hem uit schenen te stralen, hadden hun uitwerking. Ze spraken zachtjes onder elkaar. Veel werd er niet gepraat. Ze waren eensgezindin de deugd, en ze schoven den Cockney naar voren als hun woordvoerder. Overstelpt door het bewustzijn van zijn eigen heldenmoed en dien van zijn kameraden, schreeuwde hij met vlammende oogen: “Verdomd, as hij ’t doet, wij ook!”De bemanning mompelde bijval en ging naar voren.“Eén oogenblik, kaptein”, zei McCoy toen de ander zich omdraaide om orders aan den eersten stuurman te geven, “ik moet eerst aan land gaan.”Mijnheer Konig was als door den donder getroffen en staarde McCoy aan alsof hij een krankzinnige voor zich had.“Aan land gaan?” riep de kapitein. “Waarom in Godsnaam? Het duurt drie uren eer u daar bent in uw kano.”McCoy mat den afstand tot het verre land en knikte.“Ja, en het is nu zes uur. Ik ben niet aan land vóór negen. Het volk kan niet eerder bijeen zijn dan tien uur. Terwijl de bries doorkomt vanavond kunt u beginnen er tegen in te laveeren, en mij dan morgen vroeg bij zonsopgang oppikken.”“In den naam van rede en gezond verstand”, barstte de kapitein uit, “waarom wilt u het volk bijeen roepen? Ziet u niet in dat mijn schip onder mij wegbrandt?”McCoy was kalm als een zomersche zee, en de woede van den ander bracht er niet het minste rimpeltje op.“Zeker, kaptein”, kirde hij met zijn duivengeluid. “Ik zie heel goed in dat uw schip in brand staat. Daarom ga ik met u mee naar Mangareva. Maat ik moet verlof hebben om met u mee te gaan. Het is gewoonte zoo bij ons. Het is iets heel gewichtigs als de gouverneur van het eiland weggaat. De belangen van het volk staan op het spel, en ze hebben het recht hun toestemming te geven of te weigeren. Maar ze zullen het zeker goed vinden, dat weet ik.”“Weet u dat zeker?”“Absoluut zeker.”“Maar als u weet dat ze permissie zullen geven, waarom maakt u zich dan nog druk om ze te krijgen? Denk aan het oponthoud—een heelen nacht!”“Het is gewoonte bij ons”, was het onverstoorbare antwoord. “Bovendien ben ik gouverneur, en ik moet maatregelen nemen voor het bestuur van het eiland voor den tijd dat ik weg ben.”“Maar het is maar vierentwintig uur naar Mangareva”, wierp de kapitein tegen, “Veronderstel dat het zesmaal zoo lang duurt om terug te komen tegen den wind in; dat zou u na een week weer terug brengen.”McCoy glimlachte zijn breeden, goedigen glimlach.“Er komen maar heel weinig schepen langs Pitcairn, en als er komen, zijn ze meestal van San Francisco of van om Kaap Hoorn. Ik mag van geluk spreken als ik over zes maanden terug ben. Misschien blijf ik een jaar weg, en misschien moet ik naar San Francisco gaan om een schip te vinden dat mij terug zal brengen. Mijn vader ging eens voor drie maanden weg van Pitcairn, en het duurde twee jaren vóórdat hij terug kon komen. Verder hebt u gebrek aan voedsel. Als u uw toevlucht in de booten moet zoeken en het weer wordt slecht, kan het dagen duren eer u land bereikt. Ik kan u twee kano-ladingen proviand mee brengen morgen vroeg. Gedroogde bananen zullen het beste zijn... Als de bries aanwakkert, kruist u er tegen in. Hoe dichterbij u is, des te grootere ladingen kan ik meebrengen. Tot ziens.”Hij stak zijn hand uit. De kapitein schudde haar, en kon bijna niet los laten. Hij scheen er zich aan vast te klemmen zooals een verdrinkende zeeman zich vastklemt aan een reddingboei.“Hoe weet ik dat u terug zult komen morgen?” vroeg hij.“Ja, dat is het maar!” riep de stuurman. “Hoe weten we dat-ie ’m niet smeert om zijn eigen huid te bergen?”McCoy zei niets. Hij keek de twee mannen zacht en zegenend aan, en het scheen hun toe als ontvingen zij een boodschap uit zijn onbegrijpelijke gerustheid van ziel.De kapitein liet zijn hand los, en met een laatsten blik die de bemanning omving in zijn zegening, klom McCoy over de verschansing en daalde af in zijn kano.De wind werd sterker, en dePyreneeën, ondanks den baard onder haar bodem, won een half dozijn mijlen van de westelijke strooming. Bij zonsopgang, met Pitcairn drie mijlen te loevert, bemerkte kapitein Davenport twee kano’s, die op hem aanhielden. Weer klauterde McCoy op tegen den ijzeren wand van het schip, en sprong over de verschansing op het heete dek. Hij werd gevolgd door vele pakken gedroogde bananen, elk pak gewikkeld in droge bladeren.“Nu, kapitein,” zei hij, “gooi je ra’s om, en vooruit om je lieve leven. Ziet u, ik ben geen zeevaarder”, legde hij een paar minuten later uit, toen hij naast den kapitein stond achter op de kampanje, terwijl deze zijn blikken liet gaan van de bovenste zeilen omlaag naar het water, om de vaart van dePyreneeënte schatten. “Jaag ’r naar Mangareva. Als u het land hebt gevonden zal ik haar wel naar binnen loodsen. Wat denkt u dat het oudje maakt op ’t oogenblik?”“Elf”, antwoordde kapitein Davenport, met een laatsten blik naar het voorbij ruischende water.“Elf knoopen. Eens even kijken, als we die vaart houden zullen we Mangareva morgen vroeg tusschen acht en negen in zicht krijgen. Ik zal het schip op ’t strand hebben om tien uur, elf uur op z’n laatst. En dan is al uw zorg voorbij.”Het scheen den kapitein bijna toe dat het oogenblik van zaligheid al gekomen was, zoo overtuigend sprak McCoy.Meer dan twee weken had kapitein Davenport geleefd onder de vreeselijke spanning gezagvoerder van een brandend schip te zijn, en hij begon te voelen dat hij genoeg had gehad.Een windvlaag, heviger dan de vorigen, sloeg tegen zijn nek en floot langs zijn ooren. Hij mat de kracht ervan en keek snel overboord.“De wind neemt voortdurend toe”, verklaarde hij. “De ouwe schuit maakt eerder twaalf dan elf op ’t oogenblik. Als dat zoo doorgaat, zullen we zeil moeten minderen vanavond.”Den geheelen dag vloog dePyreneeënmet haar lading smeulend vuur over de schuimende zee. Bij het vallen van den nacht waren bovenbram- en bramzeilen ingenomen, en het groote fregat joeg voort, de duisternis in. Hooge zeeën met schuimkoppen liepen kokend en sissend achterop. De gunstige wind miste zijn uitwerking niet, en vóór- en achteruit was iedereen zichtbaar beter gestemd. In de tweede hondenwacht1hief de een of andere zorgelooze ziel zelfs een lied aan, en toen het acht glazen sloeg was de geheele bemanning aan het zingen.Kapitein Davenport had zijn dekens naar boven gebracht en spreidde ze boven op de kajuit.“Ik ben vergeten wat slaap is”, legde hij McCoy uit. “Ik ga een uiltje knappen. Maar roep me in ieder geval wanneer je denkt dat ’t noodig is.”Om drie uur ’s morgens werd hij gewekt door een zacht trekken aan zijn arm. Hij ging snel rechtop zitten, leunend tegen het vallicht, nog verdoofd door zijn zwaren slaap. De wind zong zijn krijgszang in het tuig, en dePyreneeënwerd gebeukt door een woeste zee. Het schip slingerdebeurtelings de stuurboord- en bakboord-reeling onder water, en midscheeps was de zee niet van het dek. McCoy schreeuwde iets dat hij niet verstaankon. Hij strekte zijn arm uit, greep den ander bij den schouder en trok hem naar zich toe, zoodat zijn oor dicht bij McCoy’s lippen was.“Het is drie uur nu”, kwam de stem van McCoy, die nog steeds haar duivengeluid behield, maar vreemd gedempt, als van een grooten afstand. “We hebben tweehonderd vijftig geloopen. Het eiland Crescent is maar dertig mijlen verder, ergens recht vooruit. Er zijn geen lichten op, en als we vóór den wind blijven loopen, vliegen we er tegen aan, en dan zijn wij weg en het schip ook.”“Wat denk je—bijliggen?”“Ja, ga bijliggen tot het licht wordt. We verliezen er maar vier uur mee.”Dus dePyreneeën, met haar lading vuur, werd bijgedraaid, en beet recht in den wind, vocht zich heen door de beukende zeeën die braken over haar boeg. Ze was een dunne schaal, gevuld met een smeulenden brand, en buiten op de schaal, zich met levensgevaar vasthoudend, hielpen de nietige menschjes haar in den strijd.“Het is heel ongewoon, deze storm”, zei McCoy tegen den kapitein, in de beschutting van de kajuit. “Eigenlijk zou er geen storm moeten zijn in dezen tijd van het jaar. Maar alles is ongewoon geweest met het weer. De passaatwinden hebben niet meer geblazen, en nu loeit het juist uit den passaathoek.” Hij wees met zijn hand de duisternis in, alsof zijn oogen honderden mijlen ver konden zien. “Het zit in ’t westen. Daar is ergens iets geweldigs op til—een wervelstorm of iets dergelijks. We boffen dat we zoo ver naar ’t oosten zijn. Dit is maar een lichte koelte”, voegde hij er bij. “Lang zal het niet duren, dat kan ik je wel vertellen.”Toen de zon opkwam was de wind bedaard tot zijn normale kracht. Maar het daglicht openbaarde een nieuw gevaar. Het was dik van mist geworden. De zee was er mee bedekt, of liever, met een parelgrijzen nevel, die mist was in zooverre dat hij het zicht belemmerde; maar eigenlijk was het niet meer dan een vlies op de zee, want de zon schoot er doorheen en doorgloeide het met een roode straling.Het dek van dePyreneeënrookte meer dan den vorigen dag, en de opgewektheid van officieren en bemanning was verdwenen. Men kon den kajuitsjongen hooren huilen in lij van de kombuis. Het was zijn eerste reis, en de vrees voor den dood was sterk in hem. De kapitein liep met een woedend gezicht rond, nerveus op zijn snor kauwend, niet in staat een besluit te nemen.“Wat denk jij ervan”, vroeg hij, stilstaand naast McCoy, die zat te ontbijten met gedroogde bananen en een kroes water. McCoy at zijn laatste banaan op, dronk zijn kroes leeg, en keek langzaam om zich heen. Er was een teedere glimlach in zijn oogen toen hij zei: “Wel, kaptein, we kunnen even goed varen als verbranden. Je dek zal het niet eeuwig uithouden. Het is al veel warmer van morgen. Heb je misschien een paar schoenen die ik kan dragen. Het wordt onpleizierig voor mijn bloote voeten.”DePyreneeënschepte twee zware zeeën toen ze volgebrast en opnieuw vóór den wind gebracht werd; en de eerste stuurman gaf uiting aan den wensch om al dat water in het ruim te hebben, als het er maar ingebracht kon worden zonder de luiken af te nemen. McCoy dook met zijn hoofd in het kompashuisje, en keek naar den koers die men zette.“Ik zou’r een beetje hooger houden, kaptein”, zei hij. “We zijn afgedreven terwijl we bij-lagen.”“Ik lig al een streek hooger”, was het antwoord. “Is dat niet genoeg?”“Ik zou er twee streken van maken, kaptein. Dit stukje wind heeft die westelijke strooming harder vooruit geschopt dan je denkt.”Kapitein Davenport gaf toe tot anderhalven streek, en ging toen het want in, vergezeld van McCoy en den eersten stuurman, om uit te kijken naar land. Alle zeilen stonden weer bij, zoodat dePyreneeëntien knoopen liep. De achteroploopende zee werd snel kalmer. Nog niets was er dat den parelgrijzen nevel brak, en om tien uur begon kapitein Davenport zenuwachtig te worden. Alle hens stonden klaar op hun post om bij den eersten roep van “Land vooruit!” als duivels aan het werk te springen om dePyreneeënin den wind te brengen. Dat “Land vooruit”, het een of ander buitenrif waar de branding overheen spoelde, zou gevaarlijk dichtbij zijn als het zich liet zien in dien mist.Weer ging er een uur voorbij. De drie uitkijken boven tuurden gespannen in de parelende straling.“Wat, als we Mangareva voorbij varen?” vroeg kapitein Davenport plotseling.McCoy antwoordde zachtjes, zonder zijn blik af te wenden van de zee:“Wel, laat’r loopen, kaptein. Dat is het eenige wat we kunnen doen. De heele Paoemotoe’s liggen vóór ons. We kunnen duizend mijlen ver varen steeds door riffen en atollen. Ergens zullen we er wel tegen aan loopen.”“Dan vooruit.” Kapitein Davenport gaf blijk van zijn bedoeling om naar het dek af te dalen. “We zijn Mangareva voorbij. God weet waar het volgende land is. Ik wou nòg dat ik ’r die halve streek hooger gehouden had”, biechtte hij een oogenblik later. “Die vervloekte strooming steekt den gek met een zeevaarder.”“De oude zeevaardersnoemdende Paoemotoe’s den Gevaarlijken Archipel”, zei McCoy, toen ze weer op dekampanje waren. En het is juist deze strooming die dien naam mee op zijn geweten heeft.”“Ik heb ’s gepraat met een varensgezel in Sydney”, zei mijnheer Konig. “Hij had lang gehandeld in de Paoemoetoe’s. Hij vertelde me dat verzekering daar achttien procent was. Is dat zoo?”McCoy glimlachte en knikte.”Alsze nog verzekeren”, vulde hij aan. “De reeders schrijven ieder jaar twintig procent op hun schoeners af.”“Groote God!” kermde kapitein Davenport. “Dat maakt het bestaan van een schoener maar vijf jaren!” Hij schudde neerslachtig zijn hoofd, mompelend: “Kwaad water; kwaad water!”Ze gingen weer de kajuit binnen om de groote kaart te raadplegen, maar de vergiftige dampen dreven hen hoestend en hijgend weer aan dek.“Hier is het eiland Moerenhout.” Kapitein Davenport wees het aan op de kaart die hij boven op de kajuit had uitgespreid. “Het kan niet meer dan honderd mijlen aan lij liggen.”“Honderd en tien.” McCoy schudde twijfelend zijn hoofd. “Misschien kunnen we het doen, maar het is erg gewaagd. Ik zou het schip op ’t strand kunnen zetten, maar er is even veel kans dat we op ’t rif komen. Een leelijk gat, een heel leelijk gat.”“We zullen de risico loopen”, was kapitein Davenport’s besluit en hij ging de koers uitrekenen.Vroeg in den namiddag werd er zeil geminderd om het eiland ’s nachts niet voorbij te varen; en in de tweede hondenwacht gaf de bemanning blijk van haar herwonnen opgewektheid. Het land was zóó dicht bij, en ’s morgens zouden al hun zorgen voorbij zijn.Maar de morgen kwam, helder, met een vlammende tropische zon. De zuidoost-passaat was naar het oostengedraaid en dreef dePyreneeëndoor het water met een vaart van acht knoopen. Kapitein Davenport maakte zijn gegist bestek, ruim rekenend voor afdrijven, en kondigde aan, dat Moerenhout niet meer dan tien mijlen verder was. DePyreneeënzeilde de tien mijlen, ze zeilde tien mijlen verder, en de uitkijken in de drie masten zagen niets dan de naakte, zon-overspoelde zee.“Maar het landiser, zeg ik je,” schreeuwde kapitein Davenport hun toe vanaf de kampanje.McCoy glimlachte kalmeerend, maar de kapitein keek rond als een krankzinnige, greep zijn sextant, en deed een chronometer-waarneming.“Ik wist wel dat ik gelijk had!” schreeuwde hij bijna toen hij de waarneming had uitgewerkt “eenentwintig, vijfenvijftig, zuid; honderdzesendertig, twee, west. Daar! We zijn nog acht mijlen te loevert. Wat hebt u gekregen, mijnheer Konig?”De eerste stuurman keek naar zijn cijfers en zei met een lage stem:“Eenentwintig, vijfenvijftig heb ik ook, maar mijn lengte is honderdzesendertig, acht en veertig. Dat brengt ons een heel stuk naar lij—-”Maar kapitein Davenport negeerde zijn berekeningen met een zóó verachtelijk stilzwijgen, dat mijnheer Konig op zijn tanden knarste en wild vloekte in zijn baard.“Houd ’r af”, beval de kapitein den roerganger. “Drie streken—recht zoo, laat ’r zoo loopen!”Toen keerde hij terug naar zijn berekeningen en deed alles nog eens over. Het zweet liep van zijn gezicht. Hij kauwde op zijn snor, op zijn lippen, op zijn potlood, en staarde naar zijn cijfers als naar een spook. Plotseling, met een nijdige uitbarsting van zijn spieren, verfrommelde hij het bekrabbelde papier in zijn vuist, en stampte er op. Mijnheer Koniggrinnikte voldaan en draaide zich om, terwijl kapitein Davenport tegen kajuit stond te leunen en een half uur lang geen woord meer zei, zich tevreden stellend met naar lij te staren, een uitdrukking van peinzende wanhoop op zijn gezicht.“Mijnheer McCoy”, verbrak hij opeens de stilte. “De kaart wijst een eilandengroep aan, ongeveer veertig mijlen naar het noorden, of noordnoordwesten”—de Actaeon-eilanden. Wat denkt u daarvan?”“Er zijn er vier, allemaal laag”, antwoordde McCoy. “Het eerste, in ’t zuidoosten van den archipel, is Matoe-eri, geen menschen, geen invaart in de lagune. Dan komt Tenaroengga. Vroeger woonden er een dozijn menschen, maar die zullen nu wel allemaal weg zijn. In ieder geval is daar geen invaart voor een schip, hoogstens voor een boot, één vadem water. De andere twee zijn Vehaoega en Tehoeararo. Geen invaart, geen menschen, heel laag. In die groep is geen bed voor dePyreneeën. Ze zou totaal wrak slaan.”“Hoor nu toch eens!” Kapitein Davenport was razend. “Geen menschen, geen invaart. Maar lieve hemel, waar zijn eilanden dan goed voor?”“Nou dan”, blafte hij opeens, als een opgewonden terrier, “de kaart geeft een heelen hoop eilanden in het noordwesten. Hoe is ’t daar mee? Welk eiland heeft een invaart waar ik mijn schip kan leggen?”McCoy overwoog kalm. Hij keek niet op de kaart. Al die eilanden, riffen, ondiepten, lagunen, invaarten en afstanden stonden gedrukt op de kaart van zijn geheugen. Hij kende ze zooals een stadsbewoner zijn gebouwen en straten en stegen kent.“Ginds in ’t westen, of westnoordwest, liggen Papakena en Vanavana, honderd mijlen verder, misschien iets meer”, zei hij. “Het eene is onbewoond, en ik heb gehoord dat demenschen van het andere naar Cadmus-eiland zijn gegaan. In ieder geval heeft geen van beide lagunen een invaart. Honderd mijlen verder naar ’t noordwesten ligt Ahoenoei. Geen invaart, geen menschen.”“Nou, veertig mijlen verder liggen nog twee eilanden..?” vroeg kapitein Davenport, en hij keek op van de kaart.McCoy schudde zijn hoofd.“Paros en Manoehoengi—geen invaart, geen menschen. Veertig mijlen verder hebben we Nenggo-nenggo, ook dat heeft geen invaart en is onbewoond. Maar dan is er nog Hao. Dat moeten we hebben. De lagune is dertig mijlen lang en vijf breed. Menschen in overvloed. Gewoonlijk is er wel water te krijgen ook. En er is geen schip zoo groot of het kan door de invaart.”Hij zweeg, en keek kapitein Davenport onderzoekend aan. Deze stond over de kaart gebogen met een passer in zijn hand, en had juist een diep gebrom laten hooren.“Is er nergens een lagune met een invaart dichter bij dan Hao?” vroeg hij.“Neen, kaptein, dat is het dichtste bij.”“Nu, het is driehonderd veertig mijlen.” Kapitein Davenport sprak heel langzaam, vast besloten. “Ik wil de verantwoordelijkheid voor al deze menschenlevens niet dragen. Ik zal het schip in de Actaeons op het rif zetten. En het is zoo ’n goeie, ouwe schuit”, voegde hij er berouwvol bij, nadat hij den koers veranderd had. Dezen keer liet hij meer speling dan ooit voor de westelijke strooming.Een uur later was de lucht betrokken. De zuidoost-passaat blies nog steeds, maar de zee was als een schaakbord van buien.“We zullen er om één uur zijn”, zei kapitein Davenport vol vertrouwen. “Twee uur op z’n laatst. McCoy, jij zet haar op het eiland waar menschen wonen.”De zon kwam niet meer terug, en om één uur was er nog geen land te zien. Kapitein Davenport keek naar achter, naar het kielwater van dePyreneeën, dat schuin afzakte.“Groote God!” riep hij. “Een oostelijke strooming! Kijk eens!”Mijnheer Konig was ongeloovig. McCoy had er geen verstand van, ofschoon hij zei, dat hij geen reden zag waarom er in de Paoemoetoe’s geen oostelijke strooming zou loopen. Een paar minuten later nam een bui voor een poos al den wind uit de zeilen en het schip lag zwaar te slingeren in de laagten tusschen de golven.“Waar is dat diep-lood? Overboord ermee, jij daar!”Kapitein Davenport hield de loodlijn en zag haar afdrijven naar het noordoosten. “Daar! Kijk! Houd het zelf eens vast!” McCoy en de stuurman probeerden het en voelden de lijn nijdig trillen en zoemen in den greep van den vloedstroom.“Een vier-knoops-strooming”, zei mijnheer Konig.“En een oostelijke in plaats van een westelijke”, zei kapitein Davenport, en staarde McCoy verwijtend aan, alsof hij hem de schuld wou geven.“Dat is een van de redenen, kaptein, waarom verzekering achttien procent is in deze wateren,” antwoordde McCoy opgewekt. “Men weet hier nooit waar men aan toe is. De stroomingen veranderen voortdurend. Er is een man geweest die boeken schreef, ik ben zijn naam vergeten, in het jachtCasco. Hij liep Takawa dertig mijlen mis en kwam uit op Tikei, allemaal door die veranderende stroomingen. Je bent nu weer een heel eind te loevert, en ik zou maar een paar streken afhouden.”“Maar hoeveel ben ik in deze strooming afgedreven?” schreeuwde de kapitein woedend. “Hoe kan ik weten hoeveel ik af moet houden?”“Ik weet het niet, kaptein,” zei McCoy met groote zachtheid.De wind kwam weer, en dePyreneeën, haar dek rookend en glinsterend in het heldere grijze licht, liep vóór de wind pal naar lij. Toen laveerde ze terug, nu over stuurboord dan over bakboord, kruisend over haar vroeger spoor, de zee afzoekend naar de Actaeon-eilanden. Maar de uitkijken in de masten kregen geen land in zicht.Kapitein Davenport was buiten zichzelf. Zijn woede nam den vorm aan van een norsch zwijgen, en den geheelen middag liep hij over de kampanje te ijsberen, of leunde tegen het want te loevert. Toen de nacht viel ging hij vóór den wind liggen, zonder McCoy’s raad in te winnen, en stevende naar het noordwesten. Mijnheer Konig, die stilletjes kaart en kompas raadpleegde, en McCoy, die kinderlijk en openlijk op het kompas keek, wisten dat ze naar Hao gingen. Te middernacht hielden de buien op en de sterren kwamen te voorschijn. Kapitein Davenport werd een beetje opgevroolijkt door de belofte van een helderen dag.“Ik zal een waarneming doen morgen vroeg,” vertelde hij McCoy, “ofschoon het me een raadsel is op welke breedte we zijn. Maar ik zal het wel uitvinden met de Sumner-methode. Weet je wat dat is, de Sumner-methode?”En toen legde hij het McCoy in bijzonderheden uit.De dag bleek helder te zijn, de passaatwind woei stadig uit het oosten, en dePyreneeënlogde even stadig haar negen knoopen. Kapitein en stuurman werkten de positie van het schip uit met behulp van de Sumner-methode en hun berekeningen klopten, en om twaalf uur klopten ze weer; en daarna toetsten ze de waarneming van ’s morgens aan die van twaalf uur.“Nog vierentwintig uur en we zijn er”, verzekerde kapitein Davenport. “Het is een wonder dat het dek het uithoudt. Maar het kan zoo niet duren; het kan niet.Kijk het eens rooken, iederen dag meer. Toch was het dicht bij het begin van de reis, pas gebreeuwd in ’Frisco. Ik wist niet wat ik zag toen de brand begon en we de luiken dichtschalmden. Kijk, kijk!”Hij brak af om met open mond naar een rook-sliert te staren die zich wond en kringelde in lij van den bezaansmast, twintig voet boven het dek.“Hoe komt dat nu daar?” riep hij kwaad.Onder het dunne rook-spiraaltje was niets te zien. Opstijgend uit het dek, beschut voor den wind door den zwaren mast, nam het door de een of andere gril eerst op die hoogte vorm en zichtbaarheid aan. Het dreef weg van den mast en hing een seconde boven den kapitein als een dreigend voorteeken. Het volgend oogenblijk veegde de wind het weg, en de onderkaak van den kapitein keerde terug in den normalen stand.“Zooals ik zei, ik wist niet wat ik zag toen we de boel dichtschalmden. Het dek was dicht, en toch lekte de rook er doorheen als door een zeef. En we hebben voortdurend gebreeuwd, gebreeuwd en nog eens gebreeuwd. Er moet een geweldige druk onder staan om er zooveel rook doorheen te drijven.”Dien middag betrok de lucht opnieuw en het weer werd buiig en druilerig. De wind liep voortdurend heen en weer tusschen zuidoost en noordoost, en te middernacht werd dePyreneeënteruggeslagen door een hevige bui uit het zuidwesten. En de wind bleef met tusschenpoozen in dien hoek.“We zijn niet in Hao vóór tien of elf uur”, jammerde kapitein Davenport om zeven uur ’s morgens, toen de vluchtige belofte van zon weggevaagd werd door dikke wolkenmassa’s in den oostelijken hemel. En een oogenblik later vroeg hij klagelijk: “En wat doen de stroomingen?”De uitkijken in de masten konden geen land signaleeren, en de dag ging voorbij onder hevige vlagen en druilerige blakten. Bij het vallen van den nacht kwam er een zware zee opzetten uit het westen. De barometer was gedaald tot 29·50. Wind was er niet en steeds werd die onheilspellende deining heviger. Weldra slingerde dePyreneeënals waanzinnig op de geweldige golven die in oneindige opvolging kwamen aanrollen uit de duisternis. De zeilen werden ingenomen, zoo snel als de beide wachten konden werken, en toen de uitgeputte bemanning haar plicht had gedaan, hoorde men in het donker hun stemmen brommen en mopperen, vreemd dierlijk en dreigend. Eens, toen de stuurboordwacht achteruit geroepen werd om alles vast te sjorren, gaven de mannen openlijk blijk van hun tegenzin en onwil. Iedere langzame beweging was een protest en een bedreiging. De atmosfeer was vochtig en dik als slijm en in de volkomen windstilte schenen alle hens naar adem te hijgen. Het zweet stond op gezichten en bloote armen, en kapitein Davenport, zijn gezicht magerder en vermoeider dan ooit, zijnoogendof en starend, werd gekweld door het vreeselijk gevoel van een dreigende catastrophe.“Het zit ver in ’t westen”, zei McCoy bemoedigend. “Op zijn hoogst komen we in den buitensten gordel.”Maar kapitein Davenport wilde niet bemoedigd worden, en las bij het licht van een scheepslantaarn in zijnEpitomenog eens het hoofdstuk over, dat handelt over de gedragslijn van gezagvoerders in cyclonen. Ergens in de midscheeps werd de stilte verbroken door een zacht gekerm van den kajuitsjongen.“In Godsnaam, hou je mond!” gilde kapitein Davenport plotseling, en met zulk een kracht, dat iedereen aan boord schrok en de delinquent uitbarstte in een wild gehuil van krankzinnigen angst.“Mijnheer Konig”, zei de kapitein met een stem die trilde van zenuwachtigheid, “wilt u zoo goed zijn om vooruit te gaan en dien kwajongen z’n mond te stoppen met een dekzwabber.”Maar het was McCoy die naar voren ging en den jongen in een paar minuten gekalmeerd en in slaap gesust had.Kort vóór zonsopgang begon het eerste zuchtje te komen, uit het zuidoosten, en het groeide snel tot een steeds stijvere bries. Alle hens waren aan dek en wachtten op wat er achter zat.“Het is nu wel in orde, kaptein”, zei McCoy, die dicht naast zijn schouder stond. “De cycloon zit in ’t westen en wij zijn er ten zuiden van. Deze bries is de zuiging die hij doet ontstaan. Het zal niet harder gaan waaien. Je kunt er weer zeil op gaan zetten.”“Maar waar dient ’t voor? Waar moet ik heen zeilen? Dit is al de tweede dag zonder waarnemingen, en gistermorgen zouden we Hao al hebben moeten zien. Waar ligt het, noord, zuid, oost, waar? Vertel me dat eerst maar eens en ik zal in een wip zeil bijzetten.”“Ik ben geen zeevaarder, kaptein”, zei McCoy, mild en zacht, zooals alleen hij het zijn kon.“Vroeger dacht ik dat ik er een was”, was het nijdige antwoord, “vóór ik hier in de Paoemoetoe’s kwam.”Om twaalf uur hoorde men den kreet “Brekers vooruit!” van den uitkijk. Men hield dePyreneeënaf, en zeil na zeil werd losgemaakt en aangehaald. DePyreneeënbegon door het water te glijden, en worstelde tegen een strooming die haar op die brekers dreigde te zetten. Officieren en mannen werkten als krankzinnigen, zelfs de kok en de kajuitsjongen, kapitein Davenport zelf, en McCoy hielpen een handje. Het scheelde een haartje. Het was een lage ondiepte, een ongure, gevaarlijke plek waar de zeeën onophoudelijkover heen braken, waar geen mensch kon leven, waar zelfs geen zeevogels konden rusten. DePyreneeënwas tot op honderd meter genaderd vóór dat de wind haar weg dreef, en op dat oogenblik, toen het werk gedaan was, barstte de hijgende bemanning uit in een stroom van vervloekingen op het hoofd van McCoy—McCoy, die aan boord was gekomen en voorgesteld had naar Mangareva te gaan en hen had weggelokt van het veilige land naar een zekeren ondergang in deze vreeselijke, bedriegelijke zee. Maar de rustige ziel van McCoy was onberoerd. Hij glimlachte hen toe met simpele, zachte welwillenheid; en zijn verheven goedheid scheen door te dringen in hun donkere, sombere zielen, en hen te beschamen, en met schaamte de vloeken te smoren die nog trilden in hun keel.“Kwaad water! Kwaad water!” mompelde kapitein Davenport toen zijn schip vrij worstelde; maar hij brak plotseling af om te staren naar de ondiepte die pal achter had moeten liggen, maar die nu al schuins te loevert achter het schip lag en zich snel in loefwaartsche richting verplaatste. Hij ging zitten, en begroef zijn gezicht in zijn handen. En de eerste stuurman zag wat hij had gezien, en McCoy zag het en de matrozen zagen het. Ten zuiden van de bank had een oostelijke strooming hen er heen gedreven, en ten noorden had een even sterke westelijke strooming het schip gegrepen en droeg het weg.“Ik heb meer gehoord van dezePaoemoetoe’s”, kermde de kapitein en hij hief zijn verbleekt gezicht op uit zijn handen. “Kapitein Moyendale heeft me er van verteld toen hij er zijn schip verloren had. En ik lachte hem achter zijn rug uit. God zal ’t me vergeven, ik lachte hem uit!... Wat voor ondiepte is dat?” brak hij plotseling af.“Ik weet het niet, kaptein”, antwoordde McCoy“Waarom weet je ’t niet?”“Omdat ik het ding nooit eerder gezien heb en omdat ik er nooit van heb gehoord. Ik weet wel dat het niet op de kaart staat. Deze wateren zijn nooit grondig onderzocht.”“Dus je weet niet waar we zijn?”“Niet beter dan jij”, zei McCoy zacht.Om vier uur in den middag werden kokospalmen gesignaleerd die uit het water leken te groeien. Wat later zag men het lage land van een atol op de zee liggen.“Nu weet ik waar we zijn, kaptein.” McCoy liet den kijker zakken. “Dat is het eiland Resolution. We zijn Hao veertig mijlen voorbij en we hebben den wind recht tegen.”“Maak je klaar om haar aan den grond te zetten. Waar is de invaart?”“Er is alleen maar een kanaal voor kano’s. Maar nu we weten waar we zijn kunnen we naar Barclay de Tolley gaan. Het is maar honderd twintig mijlen van hier, pal noordnoordwest. Met deze bries kunnen we er morgen vroeg om negen uur zijn.”Kapitein Davenport raadpleegde de kaart en overlegde lang.“Als we het schip hier op het rif laten loopen,” voegde McCoy erbij, “zouden wij toch in de booten naar Barclay de Tolley moeten.”De kapitein gaf zijn orders, en opnieuw draaide dePyreneeënvóór den wind om zich nog eens op die ongastvrije zee te wagen.En de volgende middag zag wanhoop en muiterij op haar rookend dek. De strooming was sterker geworden, de wind minder, en dePyreneeënwas afgedreven naar het westen. De uitkijk signaleerde Barclay de Tolley in het oosten, nauwelijks zichtbaar vanuit den top van den grooten mast, en uren lang trachtte dePyreneeëntevergeefs er heen te laveerentegen den stroom in. Voortdurend bleven de kokospalmen aan den horizon hangen, als een luchtspiegeling, slechts zichtbaar vanuit den mast-top. Voor de menschen aan dek waren ze verborgen door de ronding der aarde.Opnieuw raadpleegde kapitein Davenport de kaart en McCoy. Makemo lag zeventig mijlen naar het zuidwesten. De lagune daar was dertig mijlen lang en had een uitstekende invaart. Toen kapitein Davenport zijn bevelen gaf, weigerde de bemanning haar dienst. Ze verklaarden dat ze genoeg hellevuur onder hun voeten gehad hadden. Daar lag het land. Wat kon het hun schelen of het schip er niet kon komen? Zij konden er in de booten komen. Laat ’r branden. Hun levens waren hun nog wat waard. Ze hadden het schip trouw gediend, nu gingen ze zichzelf dienen. Ze sprongen naar de booten, schoven den tweeden en derden stuurman uit den weg, en begonnen de booten buiten boord te zwaaien en neer te laten. Kapitein Davenport en de eerste stuurman, revolvers in de hand, liepen naar den rand van de kampanje, toen McCoy, die boven op de kajuit was geklommen, begon te spreken.Hij sprak de matrozen toe, en bij het eerste geluid van zijn kirrende duiven-stem hielden ze op om te luisteren. Hij deelde hun mede van zijn eigen oneindigen, sereenen vrede. Zijn zachte stem en zijn eenvoudige gedachten vloeiden naar hen uit als een magische stroom en kalmeerden hen tegen hun wil. Lang-vergeten dingen kwamen bij hen op, en sommigen herinnerden zich wiegeliedjes uit hun kindertijd, en de tevredenheid en de rust van moeders armen aan het eind van den dag. Er was geen zorg meer, geen gevaar, geen onwil, nergens in de heele wereld. Alles was zooals het zijn moest, en het was niet meer dan natuurlijk dat ze het land den rug toe zouden keeren en opnieuw naar zee zouden gaan, met de hel heet onder hun voeten.McCoy sprak eenvoudig, maar het was nietwathij zei. Zijn zachte wezen was welsprekender dan alle woorden. Het was een samenstel van onstoffelijke krachten, verwonderlijk subtiel en oneindig diep—een geheimzinnige emanatie van den geest, die meesleepte, zacht-nederig, en toch gebiedend als een machtig heerscher. Het was het Licht in de donkere krypten van hun zielen, en die kracht van reinheid en zachtheid was veel, veel grooter dan de kracht die lag in de blinkende, dood-spuwende revolvers van de officieren.De mannen weifelden waar ze stonden, tegen wil en dank, en degenen die de touwen hadden losgegooid maakten ze weer vast. Toen begonnen ze, eerst een, dan een ander, en ten slotte allemaal, verlegen weg te schuifelen.McCoy’s gezicht straalde van kinderlijk plezier toen hij van de kajuit af klom. Er bestond geen herrie. Daarom was er ook geen herrie afgewend. Er was nooit herrie geweest, want voor zoo iets was er geen plaats in de gezegende wereld waarin hij leefde.“Je hebt ze gehypnotiseerd”, grinnikte mijnheer Konig hem zachtjes toe.“Die jongens zijn goed”, was het antwoord. “Ze hebben een goed hart. Ze hebben een harden tijd gehad, en ze hebben hard gewerkt, en ze zullen hard werken tot het eind.”Mijnheer Konig had geen tijd om te antwoorden. Hij schalde zijn bevelen, de matrozen sprongen aan het werk, en dePyreneeënviel langzaam af totdat haar boeg wees in de richting van Makemo.Er was weinig wind en na zonsondergang ging hij bijna geheel liggen. Het was ondragelijk warm, en voor- en achteruit trachtte men tevergeefs te slapen. Het dek was te heet om er op te liggen; de vergiftige dampen siepelden door de naden en dreven als booze geesten over het schip. Zekropen in neusgaten en luchtpijp van wie niet oplette, en veroorzaakten heftige hoest- en niesbuien. De sterren knipoogden lui in het donkere, verre gewelf boven hun hoofden; en de volle maan, rijzend uit het oosten, beroerde met haar licht de myriaden slierten en draden en webbige vliezen rook die ineen krulden en kringelden en wegdreven over het dek, langs de reelings en omhoog, de masten en het want in.“Vertel me eens”, zei kapitein Davenport, zijn stekende oogen wrijvend, “wat gebeurde er met den troep van deBountynadat ze op Pitcairn waren aangekomen? Zooals ik de zaak heb gelezen, hebben ze deBountyverbrand en zijn ze pas jaren later ontdekt. Maar wat is er in dien tusschentijd gebeurd? Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar geweest.Hetwaren kerels met het koord al om hun nek. En er waren ook een paar inboorlingen bij. En dan waren er vrouwen. Dat alleen was al een teeken dat het op herrie uit zou draaien, van ’t begin af aan.”“Het draaide op herrie uit”, antwoordde McCoy. “Het waren kwade kerels. Ze begonnen direct al met ruzie om de vrouwen. Een van de muiters verloor zijn vrouw. Al de vrouwen waren van Tahiti. Zijn vrouw viel van de klippen toen ze jacht maakte op zeevogels. Toen nam hij de vrouw van een van de inboorlingen. Dat maakte al de inboorlingen erg boos, en ze sloegen bijna alle muiters dood. En die ontsnapten sloegen alle inboorlingen dood. De vrouwen hielpen mee. En de inboorlingen sloegen elkaar dood. Iedereen vermoordde iedereen. Het waren vreeselijke kerels.“Timiti werd dood geslagen door twee andere zwarten terwijl ze heel vriendschappelijk bezig waren zijn haar te kammen. De blanken hadden hun de opdracht gegeven. Toen sloegen de blanken hen weer dood. Toellaloo werd door zijn vrouw vermoord in een rots-hol omdatze een blanken man wilde hebben. Ze deugden geen van allen. God had zijn gelaat voor hen verborgen. Na twee jaren waren alle inboorlingen vermoord en de blanken op vier na. Het waren Young, John Adams, McCoy, mijn overgrootvader, en Quintal. Dat was ook een kwade. Eens beet hij zijn vrouw een oor af,alleenmaar omdat ze niet genoeg visch voor hem ving.”“Wat een beestentroep!” riep mijnheer Konig.“Ja, ze deugden niet”, stemde McCoy toe, en hij kirde sereen verder van de woeste, bloedige daden van zijn zondig voorgeslacht.“Mijn overgrootvader ontsnapte aan den dood door zelfmoord te plegen. Hij had een distilleerinrichting gemaakt en fabriceerde alcohol uit de wortels van de ti-plant. Quintal was zijn kameraad en ze bedronken zich voortdurend samen. Ten slotte kreeg McCoy delirium tremens, bond een stuk rots om zijn nek en sprong in zee. Quintal’s vrouw, dezelfde die hij een oor had afgebeten, kwam ook aan haar eind door van de rotsen af te vallen. Toen ging Quintal naar Young en eischte zijn vrouw op, en hij ging naar Adams en eischte ookzijnvrouw. Adams en Young waren bang voor Quintal. Ze wisten dat hij hen dood zou slaan. Daarom sloegen zij hem dood, samen, met een bijl. Toen ging Young dood. En dat is zoowat alle herrie die ze gehad hebben.”“Kan je donder op zeggen!” snoof kapitein Davenport. “Er was niemand meer om dood te slaan.”“God had Zijn aangezicht verborgen, zie je”, zei McCoy.In den morgen was er niet meer wind dan een zacht koeltje uit het oosten, en ofschoon hij er niet genoeg zuid mee kon varen, ging kapitein Davenport toch vol-en-bij over stuurboord liggen. Hij was bang voor die vreeselijke westelijke strooming die hem al zooveel veiligehavens had ontfutseld. Den geheelen dag duurde de windstilte, en den geheelen nacht, en de matrozen, op hun klein rantsoen gedroogde bananen, mopperden weer. Bovendien werden ze zwak en klaagden over maagpijn, veroorzaakt door het dieet van enkel bananen. Den geheelen dag dreef dePyreneeënwestwaarts en er was geen wind om haar naar het zuiden te brengen. In de eerste hondenwacht werden recht in ’t zuiden kokospalmen gesignaleerd. Hun gepluimde kruinen rezen uit het water en gaven de laag-liggende atol er onder aan.“Dat is Taengga”, zei McCoy. “We moeten een briesje hebben vannacht, anders loopen we Makemo mis.”“Wat is er nu weer met de zuidoost-passaat?” vroeg de kapitein nijdig. “Waarom blaast-ie niet? Wat scheelt ’m?”“Het is de uitdamping van de groote lagunen—er zijn er zóó veel”, legde McCoy uit. “Die verdamping gooit het heele systeem van de passaatwinden onderste boven. Zelfs loopt de wind soms heelemaal om en blaast halvestormenuit het zuidwesten. Dit is de Gevaarlijke Archipel, kaptein.”Kapitein Davenport keek den ouden man aan, deed zijn mond open, en wilde gaan vloeken; maar hij hield zich in. McCoy’s tegenwoordigheid was een bestraffing van de godslasteringen die in zijn hersenen leefden en trilden in zijn keel. McCoy’s invloed was sterker geworden gedurende de vele dagen dat ze samen geweest waren. Kapitein Davenport was een autocraat van de zee, voor niemand bang, die zijn tong nooit beheerschte; en nu bemerkte hij, dat hij niet in staat was te vloeken in het bijzijn van dezen ouden man met zijn bruine vrouwenoogen en zijn duiven-stem. Toen kapitein Davenport zich dit bewust werd, kreeg hij een merkbaren schok. Deze oude man was slechts een nakomeling van McCoy, van McCoy van deBounty, demuiter die vluchtte voor den strop die hem wachtte in Engeland, de McCoy die een booze macht was in de vroegere dagen van bloedvergieten en gewelddadigen dood op Pitcairn.Kapitein Davenport was niet religieus, maar op dat oogenblik voelde hij een dolle behoefte om zich voor de voeten van den ander te werpen—en iets te zeggen, hij wist niet wat. Wat hem zoo diep beroerde was meer emotie dan logische gedachte, en hij was zich vaag bewust van zijn eigen onwaardigheid en kleinheid naast dezen anderen man, die den eenvoud van een kind bezat en de zachtheid van een vrouw.Natuurlijk kon hij zich niet zoo vernederen in de oogen van zijn officieren en matrozen. En toch woedde de toorn die hem bijna had doen vloeken nog steeds in hem. Plotseling sloeg hij met zijn gebalde vuist tegen de kajuit en riep:“Hoor’s hier, vader, ik laat me niet voor den gek houden. DezePaoemoetoe’shebben me van alle kanten bedot en bedrogen en me laten staan als een idioot. Ik laat me niet bedotten. Ik zal dit schip drijven, drijven, drijven, heelemaal door de Paoemotoe’s naar China, als ik er maar een bed voor vind. Al deserteert iedereen, ik blijf. Ik zal die Paoemotoe’s eens wat laten zien. Ze kunnen me niet voor den gek houden. Het is een goeie ouwe schuit, en ik blijf bij d’r zoolang er nog een plank is om op te staan. Hoor je?”
“De nikkers verspreidden zich en richtten zich naar den wal, zwemmend. Het was alsof het water bedekt was met een kleed van opduikende en bewegende hoofden, en ik ging rechtop staan, als in een droom, om er naar te kijken: de bewegende hoofden en de hoofden die ophielden te bewegen. Sommige lange-afstand-schoten waren schitterend. Eén man bereikte het strand, maar toen hij opstond om aan land te waden schoot Saxtorph hem nog neer. Het was meesterlijk. En toen een paar nikkers het strand op kwamen loopen om hem uit het water te trekken, gingen zij ook nog tegen de vlakte.
“Ik dacht dat alles voorbij was, toen ik het geweer opnieuw hoorde afgaan. Een nikker kwam met een vaartje uit de kajuit schieten, naar de verschansing, maar viel halverwege neer. De kajuit moet vol nikkers gezeten hebben. Ik telde er twintig. Ze holden één voor één naar boven en sprongen naar de verschansing. Maar zoover kwamen ze niet. Het deed me denken aan het schieten van dieren in een val. Een zwart lichaam schoot telkens omhoog uit het trapluik, pang ging dan Saxtorph’s geweer, en neer sloeg het zwarte lichaam. Natuurlijk wisten de nikkers die beneden waren niet wat er aan dek gebeurde, dus bleven ze omhoog schieten uit het luik, totdat de laatste er geweest was.
“Saxtorph wachtte een poosje om zeker van zijn zaak te zijn, en kwam toen naar beneden. Wij tweeën waren alles wat er overbleef van bemanning en officieren van deDuchess, en ik was er tamelijk beroerd aan toe, terwijl hij hulpeloos was nu hij niet meer kon schieten. Onder mijn leiding waschte hij mijn hoofdwonden en naaide ze dicht. Een groote slok whisky sterkte mij tot het wagen van een poging om weg te komen. Er bleef ons niets anders over. De rest was dood. We trachtten de zeilen te hijschen. Saxtorph heesch en ik hield het val om den nagel. Hij was weer hetzelfde stomme rund van vroeger. Zijn hijschen was geen cent waard, en toen ik op een goed oogenblik flauw viel, leek het of het afgeloopen was met ons.
“Toen ik weer bij kwam, zat Saxtorph hulpeloos op de verschansing, wachtend om mij te vragen wat hij doen moest. Ik zei hem de gewonden eens onderste boven te halen om te zien of er ook bij waren die nog konden kruipen. Hij kreeg er zes bij elkaar. Eén, herinner ik me, had zijn been gebroken; maar Saxtorph zei dat zijn armen in orde waren. Ik lag in de schaduw, en joeg de vliegen weg, enleidde de zaken, terwijl Saxtorph zijn ploeg invalieden aanvoerde. Ik wil eeuwig verdoemd zijn als hij die arme duivels niet aan ieder touw op de nagelbanken liet hijschen vóórdat hij de vallen vond. Eén van hen liet het touw glippen onder het hijschen en gleed neer op het dek, dood; maar Saxtorph rammeide de anderen en hield hen aan het werk. Toen de fok en het grootzeil op waren zei ik hem de steekschalm uit den ankerketting te schroeven en het anker te laten slippen. Ik liet me naar het achterschip helpen om een slappe poging aan het stuurrad te wagen. Hoe hij het hem lapte begrijp ik nog niet, maar in plaats van de steekschalm uit te schroeven, plons ging het tweede anker naar beneden, en daar lagen we dubbel geankerd.
“Eindelijk was hij zóó ver dat allebei de ankers geslipt en de stagfok en kluiver omhoog waren, en deDuchessviel af en stevende naar de doorvaart. Ons dek was de moeite waard om te zien. Doode en stervende nikkers lagen overal. Sommigen zaten weggestopt op de onmogelijkste plaatsen. De kajuit zat er vol mee, waar ze van het dek weggekropen en naar beneden getuimeld waren. Ik zette Saxtorph en zijn ploeg doodgravers aan het overboord zetten, en erover gingen ze, levenden en dooden. De haaien hadden een vette, dien dag. Natuurlijk gingen onze vier vermoorde matrozen denzelfden weg. Maar hun hoofden deden we in een zak met gewichten eraan, dat ze niet naar het strand drijven en in de handen van de nikkers zouden vallen.
“Onze vijf gevangenen besloot ik als bemanning te gebruiken, maar zij besloten anders. Ze namen hun kans waar, en sprongen overboord. Saxtorph schoot er twee dood met zijn revolver terwijl ze nog in de lucht zweefden, en hij zou de andere drie in het water ook nog naar de andere wereld hebben geholpen als ik hem niet tegen gehouden had. Ja, ik had genoeg van het moorden, en bovendien, ze haddenmeegeholpen den schoener naar buiten te brengen. Maar het was weggegooid medelijden, want ze werden alle drie door de haaien ingepikt.
“Ik kreeg hersenkoorts of iets dergelijks toen we goed en wel in volle zee waren; tenminste deDuchesslag drie weken bijgedraaid; toen pas was ik mezelf weer meester, en we sukkelden verder met de schuit naar Sydney. In ieder geval hebben die nikkers van Maloe de eeuwige les geleerd, dat het niet goed is, gekheid te maken met een blanke. Saxtorph was zonder eenigen twijfel onvermijdelijk voor hen.”
Charley Roberts floot eens, en zei:
“Je zou het zoo zeggen. Maar wat is er van Saxtorph geworden?”
“Hij is bij de robbenvaart terecht gekomen, en een heele beroemdheid geworden. Zes jaren lang was hij een geweldig heer in de vloten van San Francisco en Victoria. Het zevende jaar is zijn schoener in de Beringzee ingepikt door een Russischen kruiser, en alle hens, zoo ging het verhaal, zijn in de zoutmijnen van Siberië gesmakt. Ten minste ik heb nooit meer iets van hem gehoord.”
“De wereld ontginnen”, mompelde Roberts. “De wereld ontginnen. Hier, op hun gezondheid, iemand moet het toch doen—de wereld ontginnen, bedoel ik.”
Kapitein Woodward wreef de lidteekens die kriskrasten over zijn kaal hoofd.
“Ik heb er mijn deel toe bijgedragen”, zei hij. “Veertig jaar nu al. Dit is mijn laatste reis. Dan ga ik voor goed naar huis.”
“Ik verwed er den borrel onder dat je het niet doet”, tartte Roberts. “Jij gaat dood in het harnas, niet in je bed.”
Kapitein Woodward nam de weddenschap dadelijk aan, maar ik voor mij denk dat Charley Roberts de beste kans heeft.
DePyreneeën, haar ijzeren zijden laag in het water gedrukt door de lading tarwe, slingerde traag, en maakte het gemakkelijk voor den man die aan boord klom vanuit een kleine kano met vlerken. Toen zijn oogen ter hoogte van de verschansing kwamen, zoodat hij binnen boord kon kijken, scheen het hem toe, dat hij een vaag, bijna niet te onderscheiden waas zag. Het leek meer een zinsbegoocheling, een dof vlies dat zich plotseling over zijn oogen had gespreid. Hij voelde een neiging om het weg te vegen, en dacht tegelijkertijd, dat hij oud werd, en dat het tijd was om een bril te bestellen in San Francisco.
Terwijl hij over de verschansing klom, liet hij zijn blikken omhoog gaan naar de hooge masten, daarna naar de pompen. Zij werkten niet. Alles scheen in orde op het groote fregat, en hij vroeg zich verwonderd af, waarom men het noodsignaal geheschen had. Hij dacht aan zijn gelukkige eilanders en hoopte dat het geen besmettelijke ziekte zou zijn. Misschien had het schip gebrek aan water of proviand. Hij schudde den kapitein de hand. Wat het ook zijn mocht, erwasiets, dat zeiden het vermagerde gezicht en de bezorgde blik van de gezagvoerder. Op het zelfde oogenblik bemerkte de nieuw-aangekomene een flauwen niet te definieeren geur. Het leek van verbrand brood, maar toch weer anders.
Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Twintig voet verder was een moe-uitziend matroos bezig het dek te breeuwen. Terwijl zijn blik op dien man rustte, zag hij plotseling eendun spiraaltje rook onder zijn handen uit opstijgen, dat kronkelde en kringelde, en weg was. Ondertusschen was hij zelf op het dek gekomen. Hij voelde een broeiende warmte aan zijn bloote voeten, die snel door het dikke eelt heen drong. Hij kende nu den nood van het schip. Zijn blikken zwierven naar voren waar de geheele bemanning van magere, vermoeide matrozen vol verwachting naar hem stond te kijken. Die blik van zijn vochtige bruine oogen ging over hen heen als een zegening; hij kalmeerde hen, wikkelde hen als in den mantel van een groote vrede.
“Hoe lang hebt u al brand aan boord, kaptein?” vroeg hij, en zijn stem was zoo zacht en sereen, dat het leek alsof er een duif kirde.
Eerst voelde de kapitein die rust en die tevredenheid zachtjes in zich dringen, maar dan sloeg hem weer het bewustzijn van alles wat hij doorstaan had en nog doorstond, en hij was kwaad. Wat gaf dezen vuilen strandschuimer, gekleed in een grof linnen broek en een katoenen hemd, het recht om hem en zijn overwerkte, uitgeputte hersenen iets als rust en tevredenheid te suggereeren? De kapitein beredeneerde het niet zoo; het onbewuste proces der emotie was de oorzaak van zijn boosheid.
“Vijftien dagen”, antwoordde hij kortaf. “Wie ben jij?”
“Mijn naam is McCoy”, kwam het antwoord, en het geluid ademde zachtheid en medelijden.
“Ik bedoel, ben je de loods?”
McCoy liet de zegening van zijn blik gaan over den langen, zwaar-geschouderden man met het verwilderde, ongeschoren gezicht, die naast den kapitein was komen staan.
“Ik ben even goed loods als iemand anders”, was het antwoord van McCoy. “We zijn hier allemaal loods, kapitein, en ik ken iederen centimeter van deze wateren.”
Maar de kapitein was ongeduldig.
“Ik moet de autoriteiten hebben. Ik moet hen spreken, en allemachtig gauw ook.”
“Dan kunt u ook met mij volstaan.”
Weer dat hinderlijke gevoel van vrede, en dan zijn schip een woedende oven onder zijn voeten! Hij trok nerveus en ongeduldig zijn wenkbrauwen op, en balde zijn vuist alsof hij er mee wou slaan.
“Wie ben je dan in Jezus’ naam?” vroeg hij ruw.
“Ik ben de eerste ambtenaar”, was het antwoord, en nog steeds was de stem de zachtste en teederste die men zich kon denken.
De lange zwaar-geschouderde man barstte uit in een schorren lach, die meer een uiting was van hysterie dan van plezier. De kapitein en hij bekeken McCoy verwonderd en ongeloovig. Dat deze strandschuimer op bloote voeten zulk een klinkende waardigheid zou bekleeden was onbegrijpelijk. Zijn katoenen hemd, los geknoopt, liet een grauw-behaarde borst zien, en tevens dat hij er geen kleedingstuk meer onder droeg. Een versleten strooien hoed trachtte tevergeefs het ongekamde grijze haar te verbergen. Een patriarchale baard, ongeknipt, daalde neer tot halfweg zijn borst. Twee kwartjes zouden hem bij een uitdrager compleet hebben uitgerust zooals hij nu voor hem stond.
“Soms familie van McCoy van deBounty?” vroeg de kapitein.
“Mijn overgrootvader.”
“O”, zei de kapitein, en hij bedacht zich. “Mijn naam is Davenport, en dit is mijn eerste stuurman, mijnheer Konig.”
Ze schudden elkaar de hand.
“En nu ter zake.” De kapitein sprak snel, de drang van een groote haast preste zijn woorden. “We hebben nu al meer dan twee weken brand aan boord. Ieder oogenblik kan dehel losbarsten. Daarom heb ik op Pitcairn aangehouden. Ik wil de schuit aan den grond zetten, of lek slaan, om den romp te sparen.”
“Dan hebt u zich vergist, kaptein”, zei McCoy. “U had met ruime schooten naar Mangareva moeten koersen. Daar is een mooi strand, in een lagune, waar het water is als een vischvijver.”
“Maar we zijn nou hier, hè?” snauwde de eerste stuurman. “Daar komt het maar op aan. We zijn hier, en er moet iets gedaan worden.”
McCoy schudde vriendelijk zijn hoofd.
“U kunt hier niets doen. Er is hier geen strand. Er is zelfs geen ankerplaats.”
“Klets”, zei de stuurman. “Klets”, herhaalde hij luid, toen de kapitein hem een teeken gaf, wat minder kras in zijn uitdrukkingen te zijn. “Dergelijke praatjes kun je mij niet verkoopen. Waar heb je je eigen booten dan, je schoener of je kotter of weet ik wat jij hebt? Hè? Vertel me dat maar’ es.”
McCoy glimlachte zacht zooals hij gesproken had. Zijn glimlach was een liefkoozing, een omhelzing die den uitgeputten stuurman trachtte mee te trekken in den sereenen vrede van McCoy’s rustige ziel.
“Wij hebben geen schoener en geen kotter”, antwoordde hij. “En we dragen onze kano’s boven op de rotsen.”
“Zou ik eerst’ es moeten zien”, snoof de stuurman. “Hoe kom je dan op de andere eilanden, hè? Dat wou ik wel’ es weten.”
“Wij gaan niet naar de andere eilanden. Ik alleen, af en toe, als gouverneur van Pitcairn. Toen ik nog jong was, was ik heel dikwijls weg—soms op de koopvaardij-schoeners, meestal op de brik van de zending. Maar die is er nu niet meer, en we zijn nu afhankelijk van passeerende schepen. Soms hebben we er wel eens zes in ’t jaar. Maar dikwijlsgaat er ook een jaar en nog meer voorbij zonder dat we één enkel schip zien. U bent het eerste sinds zeven maanden.”
“En je wilt me vertellen—”, begon de stuurman weer.
Maar kapitein Davenport kwam tusschenbeide.
“Genoeg, genoeg. We verliezen onzen tijd maar. Wat moeten we doen, mijnheer McCoy?”
De oude man wendde zijn bruine oogen, zacht als die van een vrouw, naar het land, en kapitein en stuurman volgden zijn blik, van de eenzame rots Pitcairn naar de bemanning die in een troep bijeen stond op het voorschip en vol spanning wachtte op een beslissing. McCoy haastte zich niet. Zijn gedachten gingen rustig en langzaam, stap voor stap, met de zekerheid van iemand die nooit gekweld of geslagen is door het leven.
“Er is niet veel wind op ’t oogenblik”, zei hij eindelijk. “En er loopt een sterke strooming naar het westen.”
“Die heeft ons doen afdrijven naar lij”, onderbrak de kapitein, die zijn zeemanschap wilde rechtvaardigen.
“Juist, die heeft u naar lij gedreven!” ging McCoy verder. “Nu, u kunt vandaag niet tegen die strooming in opwerken. En al kon het, dan is er nog geen strand. Uw schip zou totaal verloren zijn.”
Hij wachtte even, en kapitein en stuurman keken elkaar wanhopig aan.
“Maar ik zal u zeggen wat u kunt doen. De bries zal vannacht doorkomen, ongeveer middernacht—kijk die vegen wolken en die dikte te loevert, achter dien bergtop daar. Daar zal-ie vandaan komen, uit het zuid-oosten, en hard. Het is driehonderd mijlen naar Mangareva. Bras je ra’s in ’t vierkant en loop er vóór het windje heen. Er is daar een mooi bed voor je schip.”
De stuurman schudde zijn hoofd.
“Kom even in de kajuit, dan kunnen we eens op de kaart kijken,” zei de kapitein.
Er hing een vergiftige, verstikkende atmosfeer in de kleine, benauwde kajuit. Onzichtbare gassen die overal ronddreven beten en prikten in McCoy’s oogen. Het dek was hier nog heeter, bijna onverdraaglijk heet voor zijn bloote voeten. Het zweet stroomde uit zijn lichaam. Hij keek bijna bang om zich heen. Deze kwaadaardige, inwendige hitte was afschuwelijk. Het was een wonder, dat de kajuit niet in vlammen uitbarstte. Hij had een gevoel alsof hij in een grooten oven was, waar ieder oogenblik de hitte tot een geweldige hoogte kon stijgen en hem verschroeien als een halmpje gras.
Toen hij één voet oplichtte en de heete zool tegen zijn broekspijp wreef, beet de stuurman hem een woesten, grimmigen lach toe.
“Het voorgeborchte der hel”, zei hij. “De hel zelf is daar vlak onder uw voeten.”
“Het is heet!”, riep McCoy onwillekeurig, en veegde zijn gezicht met een bandana zakdoek.
“Hier is Mangareva”, zei de kapitein, terwijl hij zich over de tafel boog en een zwarte vlek aanwees midden in de onverbroken witheid van de kaart.
“En hier, nog daar vóór, ligt nog een eiland. Waarom daar niet heen?”
McCoy keek niet op de kaart.
“Crescent Eiland”, antwoordde hij. “Het is onbewoond, en maar twee of drie voet boven het water. Een lagune, maar geen invaart. Neen, Mangareva is de naaste plek die u gebruiken kunt.”
“Dan zal het Mangareva zijn”, zei kapitein Davenport, de grommende tegenwerpingen van zijn stuurman onderbrekend. “Roep het volk achter, mijnheer Konig.”
De matrozen gehoorzaamden. Ze strompelden moe langs het dek en deden pijnlijke pogingen om haast te maken. Hun uitputting was zichtbaar in iedere beweging die zemaakten. De kok kwam uit zijn kombuis om te luisteren, en de kajuitsjongen hing naast hem over de deur.
Toen kapitein Davenport de situatie uitgelegd en zijn voornemen om naar Mangareva te loopen geuit had, brak er een geweldig rumoer los. Tegen een achtergrond van kelig gegrom rezen ongearticuleerde kreten van woede, met hier en daar een duidelijk te onderscheiden vloek, een woord, een zin. De schrille stem van een Cockney steeg, en beheerschte een oogenblik alles: “Jeisis Christus, eers’ veertien daoge in de hel, en nou wil-ie dawwe die drijvende hel weer nao see seile!”
De kapitein had geen macht meer over hen, maar de aanwezigheid van McCoy scheen hun een zacht verwijt, en kalmeerde hen. Het mopperen en vloeken stierf weg, totdat, behalve hier en daar een gezicht dat vol angstige spanning naar den kapitein gericht was, de geheele bemanning verlangend stond te kijken naar de groen-begroeide toppen en de overhangende rotsen van Pitcairn.
Zacht als een lentewind was de stem van McCoy; “Kaptein, ik meende dat ik er een paar hoorde zeggen dat ze honger hadden.”
“Ja”, was het antwoord, “en wij ook. Ik heb de laatste twee dagen niets gehad dan een scheepsbeschuit en een lepel gedroogde zalm. We zijn op rantsoen. Ziet u, toen we den brand ontdekten, hebben we alles onmiddelijk dichtgeschalmd om het vuur te verstikken. En toen merkten we hoe weinig voedsel er in de provisiekast was. Maar toen was het te laat. We durfden de voorraadkamer niet meer open te breken. Honger? Ik heb even veel honger als zij.”
Hij sprak de mannen opnieuw toe, en opnieuw rees het kelig gebrom en gevloek, en hun gezichten waren als van dieren, verwrongen vanwoede. De tweede en de derde stuurman waren bij den kapitein komen staan, vóór op dekampanje. Hun gezichten waren strak en zonder uitdrukking; vóór alles schenen ze ontstemd door deze muiterij van de bemanning. Kapitein Davenport keek zijn eersten officier vragend aan, maar die haalde slechts zijn schouders op ten teeken van zijn hulpeloosheid.
“U ziet”, zei de gezagvoerder tegen McCoy, “je kunt matrozen niet dwingen het veilige land te verlaten en naar zee te gaan op een brandend schip. Het is hun drijvende doodkist geweest, nu al meer dan twee weken. Ze zijn uitgewerkt en uitgehongerd, en ze hebben er genoeg van. We zullen naar Pitcairn opwerken.”
Maar er was weinig wind, de bodem van dePyreneeënwas aangegroeid, en het schip kon niet tegen de sterke westelijke strooming op laveeren. Na verloop van twee uren had men drie mijlen verloren. De matrozen werkten fel, alsof ze alleen door hun kracht dePyreneeëntegen de vijandige elementen in konden drijven. Maar gestadig, nu over stuurboord, dan over bakboord, zakte het schip af naar het westen. De kapitein ijsbeerde rusteloos heen en weer. Af en toe hield hij op om te kijken naar de slierten rook die overal ronddreven, en hij trachtte hun spoor na te gaan tot de plek waar ze uit het dek sprongen. De timmerman was voortdurend bezig dergelijke plekken vast te stellen en, als hij daarin geslaagd was, ze dichter en dichter te breeuwen.
“Wel, wat denkt u er nu van?” vroeg de kapitein eindelijk aan McCoy, die naar den timmerman stond te kijken met al de belangstelling en nieuwsgierigheid van een kind in zijn oogen.
McCoy keek in de richting van de wal, waar het eiland verdween in den dichtenden nevel.
“Ik denk, dat ’t beter zou zijn naar Mangareva te loopen. Met de bries die nu komt bent u daar morgenavond.”
“Maar wat als de brand uitslaat? Het kan ieder oogenblik gebeuren.”
“Houdt uw booten klaar in de vallen. Dezelfde bries zal uw booten naar Mangareva brengen, als het schip onder u uit brandt.”
Kapitein Davenport overlegde een oogenblik met zich zelf, en toen hoorde McCoy de vraag die hij liever niet had willen hooren, maar die hij voelde komen.
“Ik heb geen kaart van Mangareva. Op de groote kaart is het maar een vliegenscheet. Ik zou niet weten waar ik de invaart in de lagune moest zoeken. Zoudt u mee willen gaan en het schip voor mij naar binnen loodsen?”
McCoy’s sereene rust bleef onverstoord.
“Goed, kaptein”, zei hij met dezelfde kalme achteloosheid waarmee hij een uitnoodiging om te komen dineeren zou hebben aangenomen; “ik ga met u mee naar Mangareva.”
Weer werd de bemanning naar achteren geroepen, en de kapitein sprak hen toe vanaf de hooge kampanje.
“We hebben geprobeerd de schuit stroomop te krijgen, maar jullie ziet hoe veel we verloren hebben. We drijven af in een twee-knoops strooming. Deze mijnheer hier is de Edelachtbare Heer McCoy, eerste ambtenaar en gouverneur van het eiland Pitcairn. Hij zal met ons meegaan naar Mangareva. Jullie ziet dus dat de toestand niet zoo gevaarlijk is. Hij zou het niet aangeboden hebben, als hij dacht dat hij er zijn hachje bij in zou schieten. Bovendien, hoe groot de risico ook is, als hij uit eigen beweging aan boord komt, en de kans wil loopen, kunnen wij niet minder doen. Wat zeggen jullie van Mangareva?”
Dezen keer was er geen rumoer. McCoy’s aanwezigheid, de zekerheid en de kalmte die er van hem uit schenen te stralen, hadden hun uitwerking. Ze spraken zachtjes onder elkaar. Veel werd er niet gepraat. Ze waren eensgezindin de deugd, en ze schoven den Cockney naar voren als hun woordvoerder. Overstelpt door het bewustzijn van zijn eigen heldenmoed en dien van zijn kameraden, schreeuwde hij met vlammende oogen: “Verdomd, as hij ’t doet, wij ook!”
De bemanning mompelde bijval en ging naar voren.
“Eén oogenblik, kaptein”, zei McCoy toen de ander zich omdraaide om orders aan den eersten stuurman te geven, “ik moet eerst aan land gaan.”
Mijnheer Konig was als door den donder getroffen en staarde McCoy aan alsof hij een krankzinnige voor zich had.
“Aan land gaan?” riep de kapitein. “Waarom in Godsnaam? Het duurt drie uren eer u daar bent in uw kano.”
McCoy mat den afstand tot het verre land en knikte.
“Ja, en het is nu zes uur. Ik ben niet aan land vóór negen. Het volk kan niet eerder bijeen zijn dan tien uur. Terwijl de bries doorkomt vanavond kunt u beginnen er tegen in te laveeren, en mij dan morgen vroeg bij zonsopgang oppikken.”
“In den naam van rede en gezond verstand”, barstte de kapitein uit, “waarom wilt u het volk bijeen roepen? Ziet u niet in dat mijn schip onder mij wegbrandt?”
McCoy was kalm als een zomersche zee, en de woede van den ander bracht er niet het minste rimpeltje op.
“Zeker, kaptein”, kirde hij met zijn duivengeluid. “Ik zie heel goed in dat uw schip in brand staat. Daarom ga ik met u mee naar Mangareva. Maat ik moet verlof hebben om met u mee te gaan. Het is gewoonte zoo bij ons. Het is iets heel gewichtigs als de gouverneur van het eiland weggaat. De belangen van het volk staan op het spel, en ze hebben het recht hun toestemming te geven of te weigeren. Maar ze zullen het zeker goed vinden, dat weet ik.”
“Weet u dat zeker?”
“Absoluut zeker.”
“Maar als u weet dat ze permissie zullen geven, waarom maakt u zich dan nog druk om ze te krijgen? Denk aan het oponthoud—een heelen nacht!”
“Het is gewoonte bij ons”, was het onverstoorbare antwoord. “Bovendien ben ik gouverneur, en ik moet maatregelen nemen voor het bestuur van het eiland voor den tijd dat ik weg ben.”
“Maar het is maar vierentwintig uur naar Mangareva”, wierp de kapitein tegen, “Veronderstel dat het zesmaal zoo lang duurt om terug te komen tegen den wind in; dat zou u na een week weer terug brengen.”
McCoy glimlachte zijn breeden, goedigen glimlach.
“Er komen maar heel weinig schepen langs Pitcairn, en als er komen, zijn ze meestal van San Francisco of van om Kaap Hoorn. Ik mag van geluk spreken als ik over zes maanden terug ben. Misschien blijf ik een jaar weg, en misschien moet ik naar San Francisco gaan om een schip te vinden dat mij terug zal brengen. Mijn vader ging eens voor drie maanden weg van Pitcairn, en het duurde twee jaren vóórdat hij terug kon komen. Verder hebt u gebrek aan voedsel. Als u uw toevlucht in de booten moet zoeken en het weer wordt slecht, kan het dagen duren eer u land bereikt. Ik kan u twee kano-ladingen proviand mee brengen morgen vroeg. Gedroogde bananen zullen het beste zijn... Als de bries aanwakkert, kruist u er tegen in. Hoe dichterbij u is, des te grootere ladingen kan ik meebrengen. Tot ziens.”
Hij stak zijn hand uit. De kapitein schudde haar, en kon bijna niet los laten. Hij scheen er zich aan vast te klemmen zooals een verdrinkende zeeman zich vastklemt aan een reddingboei.
“Hoe weet ik dat u terug zult komen morgen?” vroeg hij.
“Ja, dat is het maar!” riep de stuurman. “Hoe weten we dat-ie ’m niet smeert om zijn eigen huid te bergen?”
McCoy zei niets. Hij keek de twee mannen zacht en zegenend aan, en het scheen hun toe als ontvingen zij een boodschap uit zijn onbegrijpelijke gerustheid van ziel.
De kapitein liet zijn hand los, en met een laatsten blik die de bemanning omving in zijn zegening, klom McCoy over de verschansing en daalde af in zijn kano.
De wind werd sterker, en dePyreneeën, ondanks den baard onder haar bodem, won een half dozijn mijlen van de westelijke strooming. Bij zonsopgang, met Pitcairn drie mijlen te loevert, bemerkte kapitein Davenport twee kano’s, die op hem aanhielden. Weer klauterde McCoy op tegen den ijzeren wand van het schip, en sprong over de verschansing op het heete dek. Hij werd gevolgd door vele pakken gedroogde bananen, elk pak gewikkeld in droge bladeren.
“Nu, kapitein,” zei hij, “gooi je ra’s om, en vooruit om je lieve leven. Ziet u, ik ben geen zeevaarder”, legde hij een paar minuten later uit, toen hij naast den kapitein stond achter op de kampanje, terwijl deze zijn blikken liet gaan van de bovenste zeilen omlaag naar het water, om de vaart van dePyreneeënte schatten. “Jaag ’r naar Mangareva. Als u het land hebt gevonden zal ik haar wel naar binnen loodsen. Wat denkt u dat het oudje maakt op ’t oogenblik?”
“Elf”, antwoordde kapitein Davenport, met een laatsten blik naar het voorbij ruischende water.
“Elf knoopen. Eens even kijken, als we die vaart houden zullen we Mangareva morgen vroeg tusschen acht en negen in zicht krijgen. Ik zal het schip op ’t strand hebben om tien uur, elf uur op z’n laatst. En dan is al uw zorg voorbij.”
Het scheen den kapitein bijna toe dat het oogenblik van zaligheid al gekomen was, zoo overtuigend sprak McCoy.Meer dan twee weken had kapitein Davenport geleefd onder de vreeselijke spanning gezagvoerder van een brandend schip te zijn, en hij begon te voelen dat hij genoeg had gehad.
Een windvlaag, heviger dan de vorigen, sloeg tegen zijn nek en floot langs zijn ooren. Hij mat de kracht ervan en keek snel overboord.
“De wind neemt voortdurend toe”, verklaarde hij. “De ouwe schuit maakt eerder twaalf dan elf op ’t oogenblik. Als dat zoo doorgaat, zullen we zeil moeten minderen vanavond.”
Den geheelen dag vloog dePyreneeënmet haar lading smeulend vuur over de schuimende zee. Bij het vallen van den nacht waren bovenbram- en bramzeilen ingenomen, en het groote fregat joeg voort, de duisternis in. Hooge zeeën met schuimkoppen liepen kokend en sissend achterop. De gunstige wind miste zijn uitwerking niet, en vóór- en achteruit was iedereen zichtbaar beter gestemd. In de tweede hondenwacht1hief de een of andere zorgelooze ziel zelfs een lied aan, en toen het acht glazen sloeg was de geheele bemanning aan het zingen.
Kapitein Davenport had zijn dekens naar boven gebracht en spreidde ze boven op de kajuit.
“Ik ben vergeten wat slaap is”, legde hij McCoy uit. “Ik ga een uiltje knappen. Maar roep me in ieder geval wanneer je denkt dat ’t noodig is.”
Om drie uur ’s morgens werd hij gewekt door een zacht trekken aan zijn arm. Hij ging snel rechtop zitten, leunend tegen het vallicht, nog verdoofd door zijn zwaren slaap. De wind zong zijn krijgszang in het tuig, en dePyreneeënwerd gebeukt door een woeste zee. Het schip slingerdebeurtelings de stuurboord- en bakboord-reeling onder water, en midscheeps was de zee niet van het dek. McCoy schreeuwde iets dat hij niet verstaankon. Hij strekte zijn arm uit, greep den ander bij den schouder en trok hem naar zich toe, zoodat zijn oor dicht bij McCoy’s lippen was.
“Het is drie uur nu”, kwam de stem van McCoy, die nog steeds haar duivengeluid behield, maar vreemd gedempt, als van een grooten afstand. “We hebben tweehonderd vijftig geloopen. Het eiland Crescent is maar dertig mijlen verder, ergens recht vooruit. Er zijn geen lichten op, en als we vóór den wind blijven loopen, vliegen we er tegen aan, en dan zijn wij weg en het schip ook.”
“Wat denk je—bijliggen?”
“Ja, ga bijliggen tot het licht wordt. We verliezen er maar vier uur mee.”
Dus dePyreneeën, met haar lading vuur, werd bijgedraaid, en beet recht in den wind, vocht zich heen door de beukende zeeën die braken over haar boeg. Ze was een dunne schaal, gevuld met een smeulenden brand, en buiten op de schaal, zich met levensgevaar vasthoudend, hielpen de nietige menschjes haar in den strijd.
“Het is heel ongewoon, deze storm”, zei McCoy tegen den kapitein, in de beschutting van de kajuit. “Eigenlijk zou er geen storm moeten zijn in dezen tijd van het jaar. Maar alles is ongewoon geweest met het weer. De passaatwinden hebben niet meer geblazen, en nu loeit het juist uit den passaathoek.” Hij wees met zijn hand de duisternis in, alsof zijn oogen honderden mijlen ver konden zien. “Het zit in ’t westen. Daar is ergens iets geweldigs op til—een wervelstorm of iets dergelijks. We boffen dat we zoo ver naar ’t oosten zijn. Dit is maar een lichte koelte”, voegde hij er bij. “Lang zal het niet duren, dat kan ik je wel vertellen.”
Toen de zon opkwam was de wind bedaard tot zijn normale kracht. Maar het daglicht openbaarde een nieuw gevaar. Het was dik van mist geworden. De zee was er mee bedekt, of liever, met een parelgrijzen nevel, die mist was in zooverre dat hij het zicht belemmerde; maar eigenlijk was het niet meer dan een vlies op de zee, want de zon schoot er doorheen en doorgloeide het met een roode straling.
Het dek van dePyreneeënrookte meer dan den vorigen dag, en de opgewektheid van officieren en bemanning was verdwenen. Men kon den kajuitsjongen hooren huilen in lij van de kombuis. Het was zijn eerste reis, en de vrees voor den dood was sterk in hem. De kapitein liep met een woedend gezicht rond, nerveus op zijn snor kauwend, niet in staat een besluit te nemen.
“Wat denk jij ervan”, vroeg hij, stilstaand naast McCoy, die zat te ontbijten met gedroogde bananen en een kroes water. McCoy at zijn laatste banaan op, dronk zijn kroes leeg, en keek langzaam om zich heen. Er was een teedere glimlach in zijn oogen toen hij zei: “Wel, kaptein, we kunnen even goed varen als verbranden. Je dek zal het niet eeuwig uithouden. Het is al veel warmer van morgen. Heb je misschien een paar schoenen die ik kan dragen. Het wordt onpleizierig voor mijn bloote voeten.”
DePyreneeënschepte twee zware zeeën toen ze volgebrast en opnieuw vóór den wind gebracht werd; en de eerste stuurman gaf uiting aan den wensch om al dat water in het ruim te hebben, als het er maar ingebracht kon worden zonder de luiken af te nemen. McCoy dook met zijn hoofd in het kompashuisje, en keek naar den koers die men zette.
“Ik zou’r een beetje hooger houden, kaptein”, zei hij. “We zijn afgedreven terwijl we bij-lagen.”
“Ik lig al een streek hooger”, was het antwoord. “Is dat niet genoeg?”
“Ik zou er twee streken van maken, kaptein. Dit stukje wind heeft die westelijke strooming harder vooruit geschopt dan je denkt.”
Kapitein Davenport gaf toe tot anderhalven streek, en ging toen het want in, vergezeld van McCoy en den eersten stuurman, om uit te kijken naar land. Alle zeilen stonden weer bij, zoodat dePyreneeëntien knoopen liep. De achteroploopende zee werd snel kalmer. Nog niets was er dat den parelgrijzen nevel brak, en om tien uur begon kapitein Davenport zenuwachtig te worden. Alle hens stonden klaar op hun post om bij den eersten roep van “Land vooruit!” als duivels aan het werk te springen om dePyreneeënin den wind te brengen. Dat “Land vooruit”, het een of ander buitenrif waar de branding overheen spoelde, zou gevaarlijk dichtbij zijn als het zich liet zien in dien mist.
Weer ging er een uur voorbij. De drie uitkijken boven tuurden gespannen in de parelende straling.
“Wat, als we Mangareva voorbij varen?” vroeg kapitein Davenport plotseling.
McCoy antwoordde zachtjes, zonder zijn blik af te wenden van de zee:
“Wel, laat’r loopen, kaptein. Dat is het eenige wat we kunnen doen. De heele Paoemotoe’s liggen vóór ons. We kunnen duizend mijlen ver varen steeds door riffen en atollen. Ergens zullen we er wel tegen aan loopen.”
“Dan vooruit.” Kapitein Davenport gaf blijk van zijn bedoeling om naar het dek af te dalen. “We zijn Mangareva voorbij. God weet waar het volgende land is. Ik wou nòg dat ik ’r die halve streek hooger gehouden had”, biechtte hij een oogenblik later. “Die vervloekte strooming steekt den gek met een zeevaarder.”
“De oude zeevaardersnoemdende Paoemotoe’s den Gevaarlijken Archipel”, zei McCoy, toen ze weer op dekampanje waren. En het is juist deze strooming die dien naam mee op zijn geweten heeft.”
“Ik heb ’s gepraat met een varensgezel in Sydney”, zei mijnheer Konig. “Hij had lang gehandeld in de Paoemoetoe’s. Hij vertelde me dat verzekering daar achttien procent was. Is dat zoo?”
McCoy glimlachte en knikte.
”Alsze nog verzekeren”, vulde hij aan. “De reeders schrijven ieder jaar twintig procent op hun schoeners af.”
“Groote God!” kermde kapitein Davenport. “Dat maakt het bestaan van een schoener maar vijf jaren!” Hij schudde neerslachtig zijn hoofd, mompelend: “Kwaad water; kwaad water!”
Ze gingen weer de kajuit binnen om de groote kaart te raadplegen, maar de vergiftige dampen dreven hen hoestend en hijgend weer aan dek.
“Hier is het eiland Moerenhout.” Kapitein Davenport wees het aan op de kaart die hij boven op de kajuit had uitgespreid. “Het kan niet meer dan honderd mijlen aan lij liggen.”
“Honderd en tien.” McCoy schudde twijfelend zijn hoofd. “Misschien kunnen we het doen, maar het is erg gewaagd. Ik zou het schip op ’t strand kunnen zetten, maar er is even veel kans dat we op ’t rif komen. Een leelijk gat, een heel leelijk gat.”
“We zullen de risico loopen”, was kapitein Davenport’s besluit en hij ging de koers uitrekenen.
Vroeg in den namiddag werd er zeil geminderd om het eiland ’s nachts niet voorbij te varen; en in de tweede hondenwacht gaf de bemanning blijk van haar herwonnen opgewektheid. Het land was zóó dicht bij, en ’s morgens zouden al hun zorgen voorbij zijn.
Maar de morgen kwam, helder, met een vlammende tropische zon. De zuidoost-passaat was naar het oostengedraaid en dreef dePyreneeëndoor het water met een vaart van acht knoopen. Kapitein Davenport maakte zijn gegist bestek, ruim rekenend voor afdrijven, en kondigde aan, dat Moerenhout niet meer dan tien mijlen verder was. DePyreneeënzeilde de tien mijlen, ze zeilde tien mijlen verder, en de uitkijken in de drie masten zagen niets dan de naakte, zon-overspoelde zee.
“Maar het landiser, zeg ik je,” schreeuwde kapitein Davenport hun toe vanaf de kampanje.
McCoy glimlachte kalmeerend, maar de kapitein keek rond als een krankzinnige, greep zijn sextant, en deed een chronometer-waarneming.
“Ik wist wel dat ik gelijk had!” schreeuwde hij bijna toen hij de waarneming had uitgewerkt “eenentwintig, vijfenvijftig, zuid; honderdzesendertig, twee, west. Daar! We zijn nog acht mijlen te loevert. Wat hebt u gekregen, mijnheer Konig?”
De eerste stuurman keek naar zijn cijfers en zei met een lage stem:
“Eenentwintig, vijfenvijftig heb ik ook, maar mijn lengte is honderdzesendertig, acht en veertig. Dat brengt ons een heel stuk naar lij—-”
Maar kapitein Davenport negeerde zijn berekeningen met een zóó verachtelijk stilzwijgen, dat mijnheer Konig op zijn tanden knarste en wild vloekte in zijn baard.
“Houd ’r af”, beval de kapitein den roerganger. “Drie streken—recht zoo, laat ’r zoo loopen!”
Toen keerde hij terug naar zijn berekeningen en deed alles nog eens over. Het zweet liep van zijn gezicht. Hij kauwde op zijn snor, op zijn lippen, op zijn potlood, en staarde naar zijn cijfers als naar een spook. Plotseling, met een nijdige uitbarsting van zijn spieren, verfrommelde hij het bekrabbelde papier in zijn vuist, en stampte er op. Mijnheer Koniggrinnikte voldaan en draaide zich om, terwijl kapitein Davenport tegen kajuit stond te leunen en een half uur lang geen woord meer zei, zich tevreden stellend met naar lij te staren, een uitdrukking van peinzende wanhoop op zijn gezicht.
“Mijnheer McCoy”, verbrak hij opeens de stilte. “De kaart wijst een eilandengroep aan, ongeveer veertig mijlen naar het noorden, of noordnoordwesten”—de Actaeon-eilanden. Wat denkt u daarvan?”
“Er zijn er vier, allemaal laag”, antwoordde McCoy. “Het eerste, in ’t zuidoosten van den archipel, is Matoe-eri, geen menschen, geen invaart in de lagune. Dan komt Tenaroengga. Vroeger woonden er een dozijn menschen, maar die zullen nu wel allemaal weg zijn. In ieder geval is daar geen invaart voor een schip, hoogstens voor een boot, één vadem water. De andere twee zijn Vehaoega en Tehoeararo. Geen invaart, geen menschen, heel laag. In die groep is geen bed voor dePyreneeën. Ze zou totaal wrak slaan.”
“Hoor nu toch eens!” Kapitein Davenport was razend. “Geen menschen, geen invaart. Maar lieve hemel, waar zijn eilanden dan goed voor?”
“Nou dan”, blafte hij opeens, als een opgewonden terrier, “de kaart geeft een heelen hoop eilanden in het noordwesten. Hoe is ’t daar mee? Welk eiland heeft een invaart waar ik mijn schip kan leggen?”
McCoy overwoog kalm. Hij keek niet op de kaart. Al die eilanden, riffen, ondiepten, lagunen, invaarten en afstanden stonden gedrukt op de kaart van zijn geheugen. Hij kende ze zooals een stadsbewoner zijn gebouwen en straten en stegen kent.
“Ginds in ’t westen, of westnoordwest, liggen Papakena en Vanavana, honderd mijlen verder, misschien iets meer”, zei hij. “Het eene is onbewoond, en ik heb gehoord dat demenschen van het andere naar Cadmus-eiland zijn gegaan. In ieder geval heeft geen van beide lagunen een invaart. Honderd mijlen verder naar ’t noordwesten ligt Ahoenoei. Geen invaart, geen menschen.”
“Nou, veertig mijlen verder liggen nog twee eilanden..?” vroeg kapitein Davenport, en hij keek op van de kaart.
McCoy schudde zijn hoofd.
“Paros en Manoehoengi—geen invaart, geen menschen. Veertig mijlen verder hebben we Nenggo-nenggo, ook dat heeft geen invaart en is onbewoond. Maar dan is er nog Hao. Dat moeten we hebben. De lagune is dertig mijlen lang en vijf breed. Menschen in overvloed. Gewoonlijk is er wel water te krijgen ook. En er is geen schip zoo groot of het kan door de invaart.”
Hij zweeg, en keek kapitein Davenport onderzoekend aan. Deze stond over de kaart gebogen met een passer in zijn hand, en had juist een diep gebrom laten hooren.
“Is er nergens een lagune met een invaart dichter bij dan Hao?” vroeg hij.
“Neen, kaptein, dat is het dichtste bij.”
“Nu, het is driehonderd veertig mijlen.” Kapitein Davenport sprak heel langzaam, vast besloten. “Ik wil de verantwoordelijkheid voor al deze menschenlevens niet dragen. Ik zal het schip in de Actaeons op het rif zetten. En het is zoo ’n goeie, ouwe schuit”, voegde hij er berouwvol bij, nadat hij den koers veranderd had. Dezen keer liet hij meer speling dan ooit voor de westelijke strooming.
Een uur later was de lucht betrokken. De zuidoost-passaat blies nog steeds, maar de zee was als een schaakbord van buien.
“We zullen er om één uur zijn”, zei kapitein Davenport vol vertrouwen. “Twee uur op z’n laatst. McCoy, jij zet haar op het eiland waar menschen wonen.”
De zon kwam niet meer terug, en om één uur was er nog geen land te zien. Kapitein Davenport keek naar achter, naar het kielwater van dePyreneeën, dat schuin afzakte.
“Groote God!” riep hij. “Een oostelijke strooming! Kijk eens!”
Mijnheer Konig was ongeloovig. McCoy had er geen verstand van, ofschoon hij zei, dat hij geen reden zag waarom er in de Paoemoetoe’s geen oostelijke strooming zou loopen. Een paar minuten later nam een bui voor een poos al den wind uit de zeilen en het schip lag zwaar te slingeren in de laagten tusschen de golven.
“Waar is dat diep-lood? Overboord ermee, jij daar!”
Kapitein Davenport hield de loodlijn en zag haar afdrijven naar het noordoosten. “Daar! Kijk! Houd het zelf eens vast!” McCoy en de stuurman probeerden het en voelden de lijn nijdig trillen en zoemen in den greep van den vloedstroom.
“Een vier-knoops-strooming”, zei mijnheer Konig.
“En een oostelijke in plaats van een westelijke”, zei kapitein Davenport, en staarde McCoy verwijtend aan, alsof hij hem de schuld wou geven.
“Dat is een van de redenen, kaptein, waarom verzekering achttien procent is in deze wateren,” antwoordde McCoy opgewekt. “Men weet hier nooit waar men aan toe is. De stroomingen veranderen voortdurend. Er is een man geweest die boeken schreef, ik ben zijn naam vergeten, in het jachtCasco. Hij liep Takawa dertig mijlen mis en kwam uit op Tikei, allemaal door die veranderende stroomingen. Je bent nu weer een heel eind te loevert, en ik zou maar een paar streken afhouden.”
“Maar hoeveel ben ik in deze strooming afgedreven?” schreeuwde de kapitein woedend. “Hoe kan ik weten hoeveel ik af moet houden?”
“Ik weet het niet, kaptein,” zei McCoy met groote zachtheid.
De wind kwam weer, en dePyreneeën, haar dek rookend en glinsterend in het heldere grijze licht, liep vóór de wind pal naar lij. Toen laveerde ze terug, nu over stuurboord dan over bakboord, kruisend over haar vroeger spoor, de zee afzoekend naar de Actaeon-eilanden. Maar de uitkijken in de masten kregen geen land in zicht.
Kapitein Davenport was buiten zichzelf. Zijn woede nam den vorm aan van een norsch zwijgen, en den geheelen middag liep hij over de kampanje te ijsberen, of leunde tegen het want te loevert. Toen de nacht viel ging hij vóór den wind liggen, zonder McCoy’s raad in te winnen, en stevende naar het noordwesten. Mijnheer Konig, die stilletjes kaart en kompas raadpleegde, en McCoy, die kinderlijk en openlijk op het kompas keek, wisten dat ze naar Hao gingen. Te middernacht hielden de buien op en de sterren kwamen te voorschijn. Kapitein Davenport werd een beetje opgevroolijkt door de belofte van een helderen dag.
“Ik zal een waarneming doen morgen vroeg,” vertelde hij McCoy, “ofschoon het me een raadsel is op welke breedte we zijn. Maar ik zal het wel uitvinden met de Sumner-methode. Weet je wat dat is, de Sumner-methode?”
En toen legde hij het McCoy in bijzonderheden uit.
De dag bleek helder te zijn, de passaatwind woei stadig uit het oosten, en dePyreneeënlogde even stadig haar negen knoopen. Kapitein en stuurman werkten de positie van het schip uit met behulp van de Sumner-methode en hun berekeningen klopten, en om twaalf uur klopten ze weer; en daarna toetsten ze de waarneming van ’s morgens aan die van twaalf uur.
“Nog vierentwintig uur en we zijn er”, verzekerde kapitein Davenport. “Het is een wonder dat het dek het uithoudt. Maar het kan zoo niet duren; het kan niet.Kijk het eens rooken, iederen dag meer. Toch was het dicht bij het begin van de reis, pas gebreeuwd in ’Frisco. Ik wist niet wat ik zag toen de brand begon en we de luiken dichtschalmden. Kijk, kijk!”
Hij brak af om met open mond naar een rook-sliert te staren die zich wond en kringelde in lij van den bezaansmast, twintig voet boven het dek.
“Hoe komt dat nu daar?” riep hij kwaad.
Onder het dunne rook-spiraaltje was niets te zien. Opstijgend uit het dek, beschut voor den wind door den zwaren mast, nam het door de een of andere gril eerst op die hoogte vorm en zichtbaarheid aan. Het dreef weg van den mast en hing een seconde boven den kapitein als een dreigend voorteeken. Het volgend oogenblijk veegde de wind het weg, en de onderkaak van den kapitein keerde terug in den normalen stand.
“Zooals ik zei, ik wist niet wat ik zag toen we de boel dichtschalmden. Het dek was dicht, en toch lekte de rook er doorheen als door een zeef. En we hebben voortdurend gebreeuwd, gebreeuwd en nog eens gebreeuwd. Er moet een geweldige druk onder staan om er zooveel rook doorheen te drijven.”
Dien middag betrok de lucht opnieuw en het weer werd buiig en druilerig. De wind liep voortdurend heen en weer tusschen zuidoost en noordoost, en te middernacht werd dePyreneeënteruggeslagen door een hevige bui uit het zuidwesten. En de wind bleef met tusschenpoozen in dien hoek.
“We zijn niet in Hao vóór tien of elf uur”, jammerde kapitein Davenport om zeven uur ’s morgens, toen de vluchtige belofte van zon weggevaagd werd door dikke wolkenmassa’s in den oostelijken hemel. En een oogenblik later vroeg hij klagelijk: “En wat doen de stroomingen?”
De uitkijken in de masten konden geen land signaleeren, en de dag ging voorbij onder hevige vlagen en druilerige blakten. Bij het vallen van den nacht kwam er een zware zee opzetten uit het westen. De barometer was gedaald tot 29·50. Wind was er niet en steeds werd die onheilspellende deining heviger. Weldra slingerde dePyreneeënals waanzinnig op de geweldige golven die in oneindige opvolging kwamen aanrollen uit de duisternis. De zeilen werden ingenomen, zoo snel als de beide wachten konden werken, en toen de uitgeputte bemanning haar plicht had gedaan, hoorde men in het donker hun stemmen brommen en mopperen, vreemd dierlijk en dreigend. Eens, toen de stuurboordwacht achteruit geroepen werd om alles vast te sjorren, gaven de mannen openlijk blijk van hun tegenzin en onwil. Iedere langzame beweging was een protest en een bedreiging. De atmosfeer was vochtig en dik als slijm en in de volkomen windstilte schenen alle hens naar adem te hijgen. Het zweet stond op gezichten en bloote armen, en kapitein Davenport, zijn gezicht magerder en vermoeider dan ooit, zijnoogendof en starend, werd gekweld door het vreeselijk gevoel van een dreigende catastrophe.
“Het zit ver in ’t westen”, zei McCoy bemoedigend. “Op zijn hoogst komen we in den buitensten gordel.”
Maar kapitein Davenport wilde niet bemoedigd worden, en las bij het licht van een scheepslantaarn in zijnEpitomenog eens het hoofdstuk over, dat handelt over de gedragslijn van gezagvoerders in cyclonen. Ergens in de midscheeps werd de stilte verbroken door een zacht gekerm van den kajuitsjongen.
“In Godsnaam, hou je mond!” gilde kapitein Davenport plotseling, en met zulk een kracht, dat iedereen aan boord schrok en de delinquent uitbarstte in een wild gehuil van krankzinnigen angst.
“Mijnheer Konig”, zei de kapitein met een stem die trilde van zenuwachtigheid, “wilt u zoo goed zijn om vooruit te gaan en dien kwajongen z’n mond te stoppen met een dekzwabber.”
Maar het was McCoy die naar voren ging en den jongen in een paar minuten gekalmeerd en in slaap gesust had.
Kort vóór zonsopgang begon het eerste zuchtje te komen, uit het zuidoosten, en het groeide snel tot een steeds stijvere bries. Alle hens waren aan dek en wachtten op wat er achter zat.
“Het is nu wel in orde, kaptein”, zei McCoy, die dicht naast zijn schouder stond. “De cycloon zit in ’t westen en wij zijn er ten zuiden van. Deze bries is de zuiging die hij doet ontstaan. Het zal niet harder gaan waaien. Je kunt er weer zeil op gaan zetten.”
“Maar waar dient ’t voor? Waar moet ik heen zeilen? Dit is al de tweede dag zonder waarnemingen, en gistermorgen zouden we Hao al hebben moeten zien. Waar ligt het, noord, zuid, oost, waar? Vertel me dat eerst maar eens en ik zal in een wip zeil bijzetten.”
“Ik ben geen zeevaarder, kaptein”, zei McCoy, mild en zacht, zooals alleen hij het zijn kon.
“Vroeger dacht ik dat ik er een was”, was het nijdige antwoord, “vóór ik hier in de Paoemoetoe’s kwam.”
Om twaalf uur hoorde men den kreet “Brekers vooruit!” van den uitkijk. Men hield dePyreneeënaf, en zeil na zeil werd losgemaakt en aangehaald. DePyreneeënbegon door het water te glijden, en worstelde tegen een strooming die haar op die brekers dreigde te zetten. Officieren en mannen werkten als krankzinnigen, zelfs de kok en de kajuitsjongen, kapitein Davenport zelf, en McCoy hielpen een handje. Het scheelde een haartje. Het was een lage ondiepte, een ongure, gevaarlijke plek waar de zeeën onophoudelijkover heen braken, waar geen mensch kon leven, waar zelfs geen zeevogels konden rusten. DePyreneeënwas tot op honderd meter genaderd vóór dat de wind haar weg dreef, en op dat oogenblik, toen het werk gedaan was, barstte de hijgende bemanning uit in een stroom van vervloekingen op het hoofd van McCoy—McCoy, die aan boord was gekomen en voorgesteld had naar Mangareva te gaan en hen had weggelokt van het veilige land naar een zekeren ondergang in deze vreeselijke, bedriegelijke zee. Maar de rustige ziel van McCoy was onberoerd. Hij glimlachte hen toe met simpele, zachte welwillenheid; en zijn verheven goedheid scheen door te dringen in hun donkere, sombere zielen, en hen te beschamen, en met schaamte de vloeken te smoren die nog trilden in hun keel.
“Kwaad water! Kwaad water!” mompelde kapitein Davenport toen zijn schip vrij worstelde; maar hij brak plotseling af om te staren naar de ondiepte die pal achter had moeten liggen, maar die nu al schuins te loevert achter het schip lag en zich snel in loefwaartsche richting verplaatste. Hij ging zitten, en begroef zijn gezicht in zijn handen. En de eerste stuurman zag wat hij had gezien, en McCoy zag het en de matrozen zagen het. Ten zuiden van de bank had een oostelijke strooming hen er heen gedreven, en ten noorden had een even sterke westelijke strooming het schip gegrepen en droeg het weg.
“Ik heb meer gehoord van dezePaoemoetoe’s”, kermde de kapitein en hij hief zijn verbleekt gezicht op uit zijn handen. “Kapitein Moyendale heeft me er van verteld toen hij er zijn schip verloren had. En ik lachte hem achter zijn rug uit. God zal ’t me vergeven, ik lachte hem uit!... Wat voor ondiepte is dat?” brak hij plotseling af.
“Ik weet het niet, kaptein”, antwoordde McCoy
“Waarom weet je ’t niet?”
“Omdat ik het ding nooit eerder gezien heb en omdat ik er nooit van heb gehoord. Ik weet wel dat het niet op de kaart staat. Deze wateren zijn nooit grondig onderzocht.”
“Dus je weet niet waar we zijn?”
“Niet beter dan jij”, zei McCoy zacht.
Om vier uur in den middag werden kokospalmen gesignaleerd die uit het water leken te groeien. Wat later zag men het lage land van een atol op de zee liggen.
“Nu weet ik waar we zijn, kaptein.” McCoy liet den kijker zakken. “Dat is het eiland Resolution. We zijn Hao veertig mijlen voorbij en we hebben den wind recht tegen.”
“Maak je klaar om haar aan den grond te zetten. Waar is de invaart?”
“Er is alleen maar een kanaal voor kano’s. Maar nu we weten waar we zijn kunnen we naar Barclay de Tolley gaan. Het is maar honderd twintig mijlen van hier, pal noordnoordwest. Met deze bries kunnen we er morgen vroeg om negen uur zijn.”
Kapitein Davenport raadpleegde de kaart en overlegde lang.
“Als we het schip hier op het rif laten loopen,” voegde McCoy erbij, “zouden wij toch in de booten naar Barclay de Tolley moeten.”
De kapitein gaf zijn orders, en opnieuw draaide dePyreneeënvóór den wind om zich nog eens op die ongastvrije zee te wagen.
En de volgende middag zag wanhoop en muiterij op haar rookend dek. De strooming was sterker geworden, de wind minder, en dePyreneeënwas afgedreven naar het westen. De uitkijk signaleerde Barclay de Tolley in het oosten, nauwelijks zichtbaar vanuit den top van den grooten mast, en uren lang trachtte dePyreneeëntevergeefs er heen te laveerentegen den stroom in. Voortdurend bleven de kokospalmen aan den horizon hangen, als een luchtspiegeling, slechts zichtbaar vanuit den mast-top. Voor de menschen aan dek waren ze verborgen door de ronding der aarde.
Opnieuw raadpleegde kapitein Davenport de kaart en McCoy. Makemo lag zeventig mijlen naar het zuidwesten. De lagune daar was dertig mijlen lang en had een uitstekende invaart. Toen kapitein Davenport zijn bevelen gaf, weigerde de bemanning haar dienst. Ze verklaarden dat ze genoeg hellevuur onder hun voeten gehad hadden. Daar lag het land. Wat kon het hun schelen of het schip er niet kon komen? Zij konden er in de booten komen. Laat ’r branden. Hun levens waren hun nog wat waard. Ze hadden het schip trouw gediend, nu gingen ze zichzelf dienen. Ze sprongen naar de booten, schoven den tweeden en derden stuurman uit den weg, en begonnen de booten buiten boord te zwaaien en neer te laten. Kapitein Davenport en de eerste stuurman, revolvers in de hand, liepen naar den rand van de kampanje, toen McCoy, die boven op de kajuit was geklommen, begon te spreken.
Hij sprak de matrozen toe, en bij het eerste geluid van zijn kirrende duiven-stem hielden ze op om te luisteren. Hij deelde hun mede van zijn eigen oneindigen, sereenen vrede. Zijn zachte stem en zijn eenvoudige gedachten vloeiden naar hen uit als een magische stroom en kalmeerden hen tegen hun wil. Lang-vergeten dingen kwamen bij hen op, en sommigen herinnerden zich wiegeliedjes uit hun kindertijd, en de tevredenheid en de rust van moeders armen aan het eind van den dag. Er was geen zorg meer, geen gevaar, geen onwil, nergens in de heele wereld. Alles was zooals het zijn moest, en het was niet meer dan natuurlijk dat ze het land den rug toe zouden keeren en opnieuw naar zee zouden gaan, met de hel heet onder hun voeten.
McCoy sprak eenvoudig, maar het was nietwathij zei. Zijn zachte wezen was welsprekender dan alle woorden. Het was een samenstel van onstoffelijke krachten, verwonderlijk subtiel en oneindig diep—een geheimzinnige emanatie van den geest, die meesleepte, zacht-nederig, en toch gebiedend als een machtig heerscher. Het was het Licht in de donkere krypten van hun zielen, en die kracht van reinheid en zachtheid was veel, veel grooter dan de kracht die lag in de blinkende, dood-spuwende revolvers van de officieren.
De mannen weifelden waar ze stonden, tegen wil en dank, en degenen die de touwen hadden losgegooid maakten ze weer vast. Toen begonnen ze, eerst een, dan een ander, en ten slotte allemaal, verlegen weg te schuifelen.
McCoy’s gezicht straalde van kinderlijk plezier toen hij van de kajuit af klom. Er bestond geen herrie. Daarom was er ook geen herrie afgewend. Er was nooit herrie geweest, want voor zoo iets was er geen plaats in de gezegende wereld waarin hij leefde.
“Je hebt ze gehypnotiseerd”, grinnikte mijnheer Konig hem zachtjes toe.
“Die jongens zijn goed”, was het antwoord. “Ze hebben een goed hart. Ze hebben een harden tijd gehad, en ze hebben hard gewerkt, en ze zullen hard werken tot het eind.”
Mijnheer Konig had geen tijd om te antwoorden. Hij schalde zijn bevelen, de matrozen sprongen aan het werk, en dePyreneeënviel langzaam af totdat haar boeg wees in de richting van Makemo.
Er was weinig wind en na zonsondergang ging hij bijna geheel liggen. Het was ondragelijk warm, en voor- en achteruit trachtte men tevergeefs te slapen. Het dek was te heet om er op te liggen; de vergiftige dampen siepelden door de naden en dreven als booze geesten over het schip. Zekropen in neusgaten en luchtpijp van wie niet oplette, en veroorzaakten heftige hoest- en niesbuien. De sterren knipoogden lui in het donkere, verre gewelf boven hun hoofden; en de volle maan, rijzend uit het oosten, beroerde met haar licht de myriaden slierten en draden en webbige vliezen rook die ineen krulden en kringelden en wegdreven over het dek, langs de reelings en omhoog, de masten en het want in.
“Vertel me eens”, zei kapitein Davenport, zijn stekende oogen wrijvend, “wat gebeurde er met den troep van deBountynadat ze op Pitcairn waren aangekomen? Zooals ik de zaak heb gelezen, hebben ze deBountyverbrand en zijn ze pas jaren later ontdekt. Maar wat is er in dien tusschentijd gebeurd? Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar geweest.Hetwaren kerels met het koord al om hun nek. En er waren ook een paar inboorlingen bij. En dan waren er vrouwen. Dat alleen was al een teeken dat het op herrie uit zou draaien, van ’t begin af aan.”
“Het draaide op herrie uit”, antwoordde McCoy. “Het waren kwade kerels. Ze begonnen direct al met ruzie om de vrouwen. Een van de muiters verloor zijn vrouw. Al de vrouwen waren van Tahiti. Zijn vrouw viel van de klippen toen ze jacht maakte op zeevogels. Toen nam hij de vrouw van een van de inboorlingen. Dat maakte al de inboorlingen erg boos, en ze sloegen bijna alle muiters dood. En die ontsnapten sloegen alle inboorlingen dood. De vrouwen hielpen mee. En de inboorlingen sloegen elkaar dood. Iedereen vermoordde iedereen. Het waren vreeselijke kerels.
“Timiti werd dood geslagen door twee andere zwarten terwijl ze heel vriendschappelijk bezig waren zijn haar te kammen. De blanken hadden hun de opdracht gegeven. Toen sloegen de blanken hen weer dood. Toellaloo werd door zijn vrouw vermoord in een rots-hol omdatze een blanken man wilde hebben. Ze deugden geen van allen. God had zijn gelaat voor hen verborgen. Na twee jaren waren alle inboorlingen vermoord en de blanken op vier na. Het waren Young, John Adams, McCoy, mijn overgrootvader, en Quintal. Dat was ook een kwade. Eens beet hij zijn vrouw een oor af,alleenmaar omdat ze niet genoeg visch voor hem ving.”
“Wat een beestentroep!” riep mijnheer Konig.
“Ja, ze deugden niet”, stemde McCoy toe, en hij kirde sereen verder van de woeste, bloedige daden van zijn zondig voorgeslacht.
“Mijn overgrootvader ontsnapte aan den dood door zelfmoord te plegen. Hij had een distilleerinrichting gemaakt en fabriceerde alcohol uit de wortels van de ti-plant. Quintal was zijn kameraad en ze bedronken zich voortdurend samen. Ten slotte kreeg McCoy delirium tremens, bond een stuk rots om zijn nek en sprong in zee. Quintal’s vrouw, dezelfde die hij een oor had afgebeten, kwam ook aan haar eind door van de rotsen af te vallen. Toen ging Quintal naar Young en eischte zijn vrouw op, en hij ging naar Adams en eischte ookzijnvrouw. Adams en Young waren bang voor Quintal. Ze wisten dat hij hen dood zou slaan. Daarom sloegen zij hem dood, samen, met een bijl. Toen ging Young dood. En dat is zoowat alle herrie die ze gehad hebben.”
“Kan je donder op zeggen!” snoof kapitein Davenport. “Er was niemand meer om dood te slaan.”
“God had Zijn aangezicht verborgen, zie je”, zei McCoy.
In den morgen was er niet meer wind dan een zacht koeltje uit het oosten, en ofschoon hij er niet genoeg zuid mee kon varen, ging kapitein Davenport toch vol-en-bij over stuurboord liggen. Hij was bang voor die vreeselijke westelijke strooming die hem al zooveel veiligehavens had ontfutseld. Den geheelen dag duurde de windstilte, en den geheelen nacht, en de matrozen, op hun klein rantsoen gedroogde bananen, mopperden weer. Bovendien werden ze zwak en klaagden over maagpijn, veroorzaakt door het dieet van enkel bananen. Den geheelen dag dreef dePyreneeënwestwaarts en er was geen wind om haar naar het zuiden te brengen. In de eerste hondenwacht werden recht in ’t zuiden kokospalmen gesignaleerd. Hun gepluimde kruinen rezen uit het water en gaven de laag-liggende atol er onder aan.
“Dat is Taengga”, zei McCoy. “We moeten een briesje hebben vannacht, anders loopen we Makemo mis.”
“Wat is er nu weer met de zuidoost-passaat?” vroeg de kapitein nijdig. “Waarom blaast-ie niet? Wat scheelt ’m?”
“Het is de uitdamping van de groote lagunen—er zijn er zóó veel”, legde McCoy uit. “Die verdamping gooit het heele systeem van de passaatwinden onderste boven. Zelfs loopt de wind soms heelemaal om en blaast halvestormenuit het zuidwesten. Dit is de Gevaarlijke Archipel, kaptein.”
Kapitein Davenport keek den ouden man aan, deed zijn mond open, en wilde gaan vloeken; maar hij hield zich in. McCoy’s tegenwoordigheid was een bestraffing van de godslasteringen die in zijn hersenen leefden en trilden in zijn keel. McCoy’s invloed was sterker geworden gedurende de vele dagen dat ze samen geweest waren. Kapitein Davenport was een autocraat van de zee, voor niemand bang, die zijn tong nooit beheerschte; en nu bemerkte hij, dat hij niet in staat was te vloeken in het bijzijn van dezen ouden man met zijn bruine vrouwenoogen en zijn duiven-stem. Toen kapitein Davenport zich dit bewust werd, kreeg hij een merkbaren schok. Deze oude man was slechts een nakomeling van McCoy, van McCoy van deBounty, demuiter die vluchtte voor den strop die hem wachtte in Engeland, de McCoy die een booze macht was in de vroegere dagen van bloedvergieten en gewelddadigen dood op Pitcairn.
Kapitein Davenport was niet religieus, maar op dat oogenblik voelde hij een dolle behoefte om zich voor de voeten van den ander te werpen—en iets te zeggen, hij wist niet wat. Wat hem zoo diep beroerde was meer emotie dan logische gedachte, en hij was zich vaag bewust van zijn eigen onwaardigheid en kleinheid naast dezen anderen man, die den eenvoud van een kind bezat en de zachtheid van een vrouw.
Natuurlijk kon hij zich niet zoo vernederen in de oogen van zijn officieren en matrozen. En toch woedde de toorn die hem bijna had doen vloeken nog steeds in hem. Plotseling sloeg hij met zijn gebalde vuist tegen de kajuit en riep:
“Hoor’s hier, vader, ik laat me niet voor den gek houden. DezePaoemoetoe’shebben me van alle kanten bedot en bedrogen en me laten staan als een idioot. Ik laat me niet bedotten. Ik zal dit schip drijven, drijven, drijven, heelemaal door de Paoemotoe’s naar China, als ik er maar een bed voor vind. Al deserteert iedereen, ik blijf. Ik zal die Paoemotoe’s eens wat laten zien. Ze kunnen me niet voor den gek houden. Het is een goeie ouwe schuit, en ik blijf bij d’r zoolang er nog een plank is om op te staan. Hoor je?”