„O, Sunter klaasje, goed-heylig-manTrek erais je beste, moye tabbert an!Wat was ik in mijn schik...”
„O, Sunter klaasje, goed-heylig-manTrek erais je beste, moye tabbert an!Wat was ik in mijn schik...”
volgt eene plastische omschrijving van den huwelijken staat. Althans leeft hier nog de, sedert verloren, herinnering aan den H. Nicolaas als den „hijlic-man”, den huwelijkssluiter, sinds tot „heilig man” verbasterd.
De vrijage dan, de bruidswerving, in haren wezenlijken aard zichzelve door de eeuwen heen gelijk gebleven, vertoont in hare vormen eene oneindige wisseling. Wij zwijgen van den grijzen vóórtijd, waarin volgens de meesten nog geen huwelijk, waarin deagamie was, de volstrekt ongeregelde geslachtsmenging, waarbij vrijage en huwelijk in één oogenblik samenvielen en in één oogenblik ook weêr voorbij gingen. Wij spreken evenmin van het roofhuwelijk, waarbij ook moeielijk aan voorafgaande vrijage te denken valt, zeker niet bij dien ouden vorm, dien wij nog kennen uit het verhaal van den roof der meisjes van Sjilo door de Benjaminieten, of uit dat van den Sabijnschen maagdenroof door de mannen van Romulus, in beeld gebracht door Bologna en later door Begas, of uit de verzen van Homerus, als hij zingt, van wat Hephaistus' kunst op het gedreven metaal van het schild van Achilles aanbracht:
„Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de slaapzaal,Werden gevoerd door de stad.”
„Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de slaapzaal,Werden gevoerd door de stad.”
Al even weinig sprake van vrijage in onzen zin is er bij het koophuwelijk in dien ruwen vorm, waarin het zich o. a. vertoont—mogen wij Herodotus gelooven—in de dorpen van het oude Babylonië, waar de huwbare meisjes werden bijeen verzameld op de markt, de mannen om haar heen. Een heraut bood ze te koop aan, bij de schoonste te beginnen. Zij werden verkocht om te huwen (dus niet als slavinnen).En zoovelen als er rijk waren onder de trouwlustigen joegen elkander op en kochten de schoonsten. De leelijken werden toegewezen, aan wie met de kleinste som te tevreden waren. Ruwer en wreeder kan het bezwaarlijk. Daarentegen treedt de vrijage duidelijk naar voren bij de „Jacobshuwelijken”, zoo genoemd naar Jacob, die tweemaal zeven jaren diende om Rachel, want hier moest de vrijer dienen om de bruid, of proeven afleggen van kracht of behendigheid. Onze Oudgermaansche sagen bewaren ons den dichterlijken trek, dat de koninklijke vrijer zich vermomt en zich uitgeeft voor den bode zijns konings, aldus het paleis der begeerde prinses betreedt en zich door eigene heldendaden en die zijner dienaren, of door een lied of een geestig woord openbaart en de koningsdochter tot vrouw krijgt.In de longobardische sage van „Authari's bruidswerving”maakt de vermomde koning zich bekend door de kracht, waarmede hij zijn bijl in een boom vastwerpt. In de latere, op deze steunende, Thidhrekssage behaalt de (weder vermomde) koning Osantrix een reeks van overwinningen op koning Melias van Hunnenland. Dan wordt diens dochter Oda vóór hem gebracht. „Toen zette de koning Osantrix haren voet op zijn knie en deed er een zilveren schoen aan en hij paste, alsof hij voor haar gemaakt ware.” Hetzelfde geschiedt met een gouden schoen. „Toenstreek de prinses zich over haar been en zeide, terwijl zij opzag: o God in den hemel, wanneer zult gij mij zoo genadig zijn, dat ik mijnen voet alzoo op den troon van koning Osantrix zetten mag? Toen lachte de koning en zeide: heden reeds is het de dag, waarop God u zoo genadig is, dat gij uwen voet op den troon van Osantrix, den koning van Wilkinenland, zetten moogt. Toen bespeurde zij dat koning Osantrix zelf gekomen was en ontving hem vriendelijk.” Om mijn kort bestek kan ik hier nog slechts één voorbeeld van zulk een vrijage bijvoegen, de allerbekoorlijkste anecdote van Theudelinde, de jonge weduwe van den genoemden Longobardenkoning Authari. Zij zal hertrouwen, en reist haren aanstaanden gemaal Agilulf tegemoet. Zelve reikt zij hem den welkomstbeker. „Toen hij den beker van haar aannam en daarbij eerbiedig zijne lippen op hare hand drukte, lachte de koningin en bloosde en zeide: hij behoefde hare hand niet te kussen, daar hij haar wel een kus op den mond geven mocht.” Wel terecht heeft Gibbon het in Boccacio gelaakt, dat hij in eene zijner vertellingen, den naam dezer Theudelinde bezoedeld heeft. Maar genoeg van deze oude vrijages.
Het ligt voor de hand, dat hoe meer de vrouw steeg in de achting der mannen, hoe verder zij zich bevrijdde (of bevrijd werd) uit den staat harer slavernij,hoe meer zij zich harer waarde bewust werd, ook de vrijage grooter inspanning, fijner overleg, geduldiger toewijding eischte, terwijl zij bovendien haar aandeel verkreeg van de zachter wordende zeden. Maar altijd behield zij naar haren aard het karakter van voor-zich-willen-veroveren, als het belegeren van eene vesting, als (naar het woord van prof. Van der Vlugt) „eene taktische kunst met hare duizend regelen en conventiën”. Zoo spreekt Breêro van de vrijage:
„... Dan wert benadert en becingelt stracx de steeMet loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...”
„... Dan wert benadert en becingelt stracx de steeMet loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...”
en Johan de Witt laat zijn neef Jacob de Graaff den raad geven, dat hij zijne uitverkorene „met een jeuchdich ende brandendt hardt sal moeten comen aborderen, niet negligerende all 't gene de jeucht wat in 't ooge loopt als van cierlijcke kleederen etc.” Dit laatste behoefde niemand hun te raden: in zijn beste plunje gaat de vrijer tot den aanval over, wandelt langs het huis zijner godin, bindt, te schemeravond, ter sluik bloemen aan den deurklopper, staat bij het uitgaan der kerk aan de deur om (mocht het zijn!) liefjes groet te ontvangen. Hij kent de kracht van kleine geschenken, vergezeld van briefjes enverliefde rijmpjes, en soms waagt hij openlijker aanval en huurt een troepje speelluiden en brengt eene serenade voor het gesloten huis in de maanverlichte straat: schuift eene kleine hand daar even het gordijntje ter zijde en zien de oogen zijner koningin met welgevallen op den verlangenden jongman neder? Voorts behoeft niemand hem te leeren, dat hij de ouders zijne hulde betoonen moet, dat hij, als zij des avonds op de stoepbank onder de luifel een luchtje scheppen, met breeden armzwaai den geveerden hoed lichten en met een hoffelijk woord hen aanspreken zal. Misschien kan hij, als één hunner hem reeds genegen is, daardoor ook het hart des anderen vermurwen, gelijk wederom Johan de Witt van zijne eigene vrijage om Wendela Bicker vertelt, dat hij door „de genegentheydt van de vaeder 't geluck gehadt (heeft) de groote scrupule van de moeder te surmonteren”. Is de lieve lente in 't land gekomen, dan vraagt de minnaar het meisje een ganschen dag met hem uit spelevaren te gaan, vriendinnen en vrienden zijn van de partij, de wagen met de „dappere dravers”komt voor of de schuit wordt afgehuurd, en dan is er, in de vrije natuur, naar 's lands zeden, overvloedig gelegenheid den aanval te wagen op het hart van Dafne of Amaryl, met harten snijden in gladden beukenstam, met grasjes knoopen als symboolvan den huwelijksband, met letters vlechten uit buigbare bloemstengels. Voor handtastelijker vrijage deinsden de 17de-eeuwsche jongelieden niet terug, bij iederen eenboogsbrug of heul klonk het „heulen, heulen” en was er het zoet gespeel van graag gezochte en niet te spijtig toegelaten kussen, en aan het zeestrand greep de vrijer het meisje om het middel en droeg haar een eindweegs de golven in, om het „soete, onnoosele dier” daarna met „sant te zouten”, weinig arcadische galanterie naar onzen smaak in het Batavisch arcadia der vaderen, niet door allen goedgekeurd, maar als proeve van kracht en behendigheid toch wel heimelijk toegejuicht. Helaas, dat „Draag Roosje nu in zee” het arme kind, in Bellamy's bekend gedicht, het jonge leven kostte. Binnenshuis, bij winteravond, waren de kansen niet minder schoon en tal van gezelschapsspelen, vrijer enlosserdan onze preutscher tijden zouden toestaan, gaven aanleiding tot niet te misduiden liefdesverklaring en tot, bij vooruitbetaling, al vast ontvangen van het loon.
In dit raam van algemeenheid passen nu de tallooze vormen. De aard der vrijage staat onder den invloed van plaatselijke zeden en gewoonten, zooals in het noorderkwartier en op Texel nog tot ver in de 18deeeuw de nachtelijke bezoeken, het kweesten,wat eigenlijk reeds niet meer is „vrijen om”, maar „vrijen met”, waarbij het „Galathea, zie de dag breekt aan”, uit hoofscher (en Hooft-sche) kringen, ook menige boersche nymf opschrikte, waarom het ook krieken heette enGrabner, een Duitsch reiziger ten onzent aan 't einde der eeuw, deftig zeggen mocht: „Nicht Hesperus sondern der Morgenstern ist daselbst der Stern der Liebe”. Overigens is het duidelijk, dat dit kweesten, waarbij de vrijer bij het meisje te bed ligt, door een deken gescheiden, samenhangt met de Duitsche„Kommnächte”, „Probenächte”, zooals ze vooral in Zwaben, in het Zwarte woud voorkomen, zede, die den minnaar vergunt om, tegen het venster harer slaapkamer opgeklommen, enkele uren van de nacht bij de geliefde door te brengen, zede, die op haar beurt wederom gelijkenis heeft over de gansche aarde en reeds door den Pruisischen raadsheerF. C. Fischer(1780) is onderzocht, doorGrupen(1748) en vele anderen. Van eerbaarder en zediger vrijage bewaart de geschiedenis menig getuigenis. Hoe bescheiden en ingetogen is Johan Schoorl de schilder (1495–1562), die als leerling werkzaam is bij Mr. Jacob Cornelisz. van Amsterdam. Deze meester had een „seer fraey dochterken van twaelf jaer. Ende alhoewel deses vrouwmenschen aerdighe bevallijckheid Schoorels herte in liefde verwonnenhadde”, hij bedwong zich om haar jeugd, reist naar verre landen, en laat de kans op een goed huwelijk voorbijgaan, omdat het „Amsterdamsche dochterken hem geschildert was van der liefde godt in 't herte, waervan hij altijt de prickelinge bevoelende, niet en dacht dan om in consten volcomender te worden, opdat hij eyndlinghe tot sijn begheerte mocht comen: door welcke vijericheyt hij veel ghevordert heeft, schijnende of liefde consten doet leeren”. Helaas, toen hij na vele jaren terugkeerde, was het meisje de vrouw van een ander.
Met welgevallen herinnert men zich de vrijage van Dirk Rafels Camphuysen, den remonstrantschen predikant, den dichter, den later zoo rampzaligen balling. Wij bezitten van hem eene biografie, door zijne vrouw gedicteerd en dr. Rademaker, die hem vóór enkele jaren afdrukte, maakte de menschkundige opmerking, dat de inhoud de wezenlijke schrijfster aanwijst: hare vrijage en haar huwelijk teekent zij uitvoerig, aan dien gelukkigen tijd dacht zij gedurende haar 41-jarig weduwschap herhaaldelijk terug. Camphuysen dan studeerde te Leiden, in 1608, en sloot daar vriendschap met Joh. van Alendorp, een Dordtschen predikantszoon. „Het gebeurde”, aldus dicteert de weduwe, „dat Johannis soude vertrecken, en sijn suster Anneke komt tot Leyden, om het goetvan haren broeder bij een te pakken... op dese tijd kright C. de eerste kennis aen dese Anneke en hij sedert die tijd al te met eens na Dorderegt trock, om te besoeken hetgeen hij beminde... en hij brengt het soo verde, dat hij met haar in beloften raakt, sulcks dat C. 's morgens eerst ernstig naar sijne wijse den Alderoppersten gesmeeckt en gebeden hadde op sijn kamer om wijsheit in dese hoog wigtijge saack; hij quam bij Anneke haar aanpresenteerende seekeren penning, die hij haar op trou gaf”. Dan wordt hij gouverneur bij Gideon van Boetselaar, heer van Langerak, „wat hij niet soude gedaen hebben had hij sijn huwelijck moogen voltrekken met de verloofde”. Want de moeder onthield haar toestemming, omdat C. arminiaansch was. Hij was bij de Boetselaars geacht „als Jozef in 't hof van Farao” en zij trachtten hem uit te huwelijken aan „een joffer van groot qualyteit”. „Maar alsoo het knagende geweeten van C. nog niet geheel en was verstorven (gelijk sommige ongestadige minnaers niet veel passchen op haar woorden en beloften, die sij aan eenige vrous persoonen gedaan hebben), soo is hij oock in desen een exempel geweest van volstandigheit in sijne woorden. Hij ondertusschen, denckende op middelen om te met een oog als woort te hebben van het geliefde, quam het juist te gebeuren, dat degouvernante van 't hof quam te trouwen ende, mevrouwe verlegen sijnde, conseleerde met C., die sijn slag in dese waar nam en zeyde: kont gij die dogter krijgen (noemende Anneke van Alendorp) ik meen, dat gij 'n contentement in haaren dienst sout nemen; de joffer staat het toe en belast C. een brief daer na toe te senden, daer toe hij hem met weynig woorden liet bewilligen. Sij, den brief ontfangende en den inhoud verstaande, resolveert om voor goevernant te dienen, want de moeder viel haar vrij hard en was haar dagelijks aan, om het huwelijk te beletten. Maar gelijk een welgebouwd hof voor geen stormwind en plasregen komt te buigen,” (denkt Anneke hier aan C.'s „Uytbreydingh over Ps. CXXV”:
Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast,Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)
Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast,Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)
„soo heeft hem ook de ongeveinsde liefde gedragen. De heer en ook de anderen, om geen dink minder denckende, krijgen ondertusschen groot behaagen in dese dienstmaagd en C. had een groote lof behaalt, in voegen hem den heer nog een rosenobel vereerde voer zijn moeyten.” De rest laat zich denken. De stille minnehandel wordt ontdekt, men poogt de gelieven tegen elkander op te zetten, C. vraagt omuitlegging en doet of hij niets meer van haar weten wil „singende overluid een deuntje gelijk de jonge minnaers ende hovelyngen gewend waren”. Maar zij gaat hem na, „vernieuwende hem alles wat se om sijnentwil al had geleeden en uitgestaen, daer van sijn gemoet ten volle overtuigd was”. De verzoening is volkomen, hij verlaat het kasteel, zij „passeert van den dienst” en na nog een aantal lotgevallen, waarbij C. „vol moets en coragije is, denckende dat geen see te hoog gaan en mogt, als hij maar dat mogt genieten, daar alle hartstogten op gevallen scheenen”, trouwen zij eindelijk den 11denApril 1613. Het is een verhaal als een sprookje, deze toch zuiver historische vrijage, al kan men er helaas niet bijvoegen, dat zij „daarna nog lang en gelukkig hebben geleefd”.
Even zedig, even eerbaar was een eeuw later de „burgerlijke vrijage” tusschen Kobus en Agnietje, ons door Justus van Effen verhaald in zijn „Hollandschen Spectator”, vertoogen, die aan hun levendigen verhaaltrant de eer danken van hunne plaats in tegenwoordige bloemlezingen. De bescheiden en schuchtere vrijage van den braven Kobus, die met een grachtje om en een paar bange kusjes al den koning te rijk is (voorloopig!), is zeker een aardig schilderijtje van 18de-eeuwsche, burgerlijke zeden, waaruit de vroegere,dartele en onbeschroomde vrijpostigheid, die wij nog in de 17deeeuw bij den vrijer bespeuren, geweken is—voorzoover wij dat nu nog kunnen uitmaken. Zeker vermeed men in de 18de, in de kringen ook der patriciërs, de grove uitingen eener bloedrijke verliefdheid, en de wijze, waarop een galante petit-maître vrijt om de charmante godin van zijn hart, in de saletten, bij het speeltafeltje, is van eene onnatuurlijke gemanierdheid. Degelijk, oprecht, maar wat statig en koel is de vrijage in de kringen, die 't hart hebben van de juffrouwen Wolff en Deken, zooals van den kolonel Uto van Sytsama om de bedachtzame Coosje Veldenaar, die voorloopig zijn aanzoek afwijst: „Mijn hart is vrij” antwoordt zij hem, „maar ik heb geene de minste overhelling om van staat te veranderen en dat wel, al vorm ik mij van een op goede gronden voltrokken huwelijk geene schrikbeelden. Maar mijne waardige ouders kunnen mij onmogelijk missen.” Hij, door zoo bezonnen redeneering geenszins ontmoedigd, schrijft terug: „Mijne waardste! Kunt gij mij met uwe bezitting niet zegenen, schrijf mij dan nooit meer; voor zulke verdiensten, voor zulke begaafdheden is mijne rede niet bestand. En echter, alles wat gij schrijft is zoo billijk. Ja mijn Coosje (o, mag ik u zoo eenmaal noemen) mijn hart klopt van gevoel, mijne oogen vloeien over, als ik uwen brief lees.Edel meisje, kunt gij de mijne niet worden?” Zeker klinkt dit uiterst statig—maar wij moeten altijd bedenken, dat de draagkracht, de juiste strekking der woorden bij de voorgeslachten ons al te vaak ontsnapt. Ook waren zij in hunne spreektaal veel ongegeneerder dan wij thans voegzaam zouden achten. Wat bovendien dit bepaalde geval betreft, Betje Wolff was in hare jeugd bijna het slachtoffer geworden van eene zeer brutale vrijage, waartegen zij deze eerbare overstelt. In geen geval was een taal als die van kolonel van Sytsama toen onwezenlijk. Ook in het vrijen om de bruid openbaarden de vaderen eene bedaarde bedachtzaamheid, die wel nationaal moet zijn. Juist in dezen zelfden tijd, 1782, schreef de dichter H. van Alphen aan zijn vriend mr. J. P. Kleyn: „Haast niet, maar wikt. Laat de keuze van eene levensgezellin de vrugt zijn van een rijp beraad en van een ernstig, aanhoudend, opregt en vertrouwend gebed. Laat zelfs de tijd aan God over.” Het is dit nationale flegma, dat zich ook in de vrijage uit, dat vreemdelingen zoo opvalt. „Der Bataver ist nur thätig, wo er es sein musz”, schrijft een Pruisisch reiziger in ons land, ao1797, en in een Fransch rapport van twee jaren vroeger luidt het, met wat dieper ingaan in het wezen: „son caractère est flegmatique, mais sensible et si ses affections ont moins d'essor et d'éclat, ellesn'en sont que plus profondes et plus durables”. In onslaatste hoofdstukkomen wij hierop nog terug. Thans hebben wij over den aard der vrijage nog iets op te merken.
Toen wijbovenverhaalden van Authari's bruidswerving, herinnerden wij ook aan de dienaren, die de vermomde koning mede nam en die door hunne heldendaden zijn aanzoek kracht bijzetten. Dezen trek der oude sage vinden wij de eeuwen door terug. In belangrijke aangelegenheden laat men zich door helpers ter zijde staan, voor de rechtbank, bij een koopcontract, bij een tweegevecht. Desgelijks bij de vrijage. De vrijer zendt zijne boden vooruit, om het terrein te verkennen, om den eersten aanval te wagen. In de Ommelanden heette zulk een paranymf de maakman, in sommige streken van Friesland werd eene oude vrouw uitverkoren, om de gevoelens van het meisje te polsen. Het is opmerkelijk, hoe deze vrijage bij volmacht in krassen vorm bij de oude Friesche doopsgezinden voorkwam. Een, die tot hen behoord had en hen goed kende, schreef (het geldt het derde kwart der 16deeeuw): „dat niemandt onder haer, een huysvrouwe begeerende, de persoone selfs aenspreecken noch versoecken en mach, maer moet sulcks den Dienaren aengeven ende raedt vragen ende denselven voor hem aensoecken laten.” Ja zelfs moet hijer vrede mede hebben, als die dienaar „'t selve houwelijck haer afriedt ende een anderen in den sinne bracht.” Deze gewoonte moet onder de doopsgezinden vastgeworteld zijn geweest. Niet alleen vindt men haar nog veel later in ons land (gelijk immers Reynier Adriaansz, in Asselijn's blijspel, een paar bemiddelaars op Saartje Jansz. afzendt en eerst daarna zelf zich „eerbiediglijk” komt aanbieden), maar ook treft men haar aan bij buitenlandsche doopsgezinden. Zoo verhaalt Alfred Michiels van de doopsgezinden in de Vogezen ao1858, dat zij bij huwelijksaanzoeken zich richten naar het voorbeeld van Abraham en Eliëzer (Genesis XXIV) en naar dat van den jongen Tobias, in het apocryfe boek van dien naam, die immers ook met behulp van den engel vrijde om Sara, de dochter van Raguel. Want als een jonkman bij hen huwen wil, neemt hij een diaken in zijn vertrouwen. Deze (hij heet „der steckelmann”) stijgt te paard en rijdt tot bij den put van de woning van het meisje. Die komt naar buiten met eene kruik in de hand, schept er water in en biedt hem te drinken (gelijk immers Rebekka het Eliëzer deed). Zegt zij verder niets, dan weet hij genoeg en rijdt weêr terug. Maar zegt zij: „kom wat dichterbij en laat ik ook uw paard te drinken geven,” dan haalt hij de meêgegeven geschenken voor den dag en vraagt tot hare ouders toegelaten te worden.Op deze wijze voeren deze menschen hunne vrijage naar bijbelsch voorbeeld.
Wij keeren naar ons vaderland terug en hebben nog slechts te herinneren, dat een 18deeeuwsch Spectator (niet zeer geestig) voorstelt, om in plaats van deze helpers publieke makelaars in huwelijkszaken aan te stellen, die de vrijage tusschen twee jongelieden tot een goed einde zouden brengen. Overigens was hier te lande (anders dan b.v. in Frankrijk) de vrijage de zaak der gelieven-zelven. Wel was het prijselijk als „jonckheyt lieft met ouders raat”, zooals het oude rijmpje zegt, maar de ouders bedisselden het geval toch niet onder elkander, zij lieten het vrij, wat natuurlijk niet buitensloot, dat sommigen, als het eene goede partij gold, een zachten drang uitoefenden. Wat den bekenden Adolf, vrijheer Knigge in zijn, ook in onze taal overgezet „Ueber den Umgang mit Menschen”, 1785, de weinig hoffelijke uitroep ontlokt: „Het koppelen en bekuipen van huwelijken late men over aan den hemel en aan zekere klasse van oude wijven!” Wij hoordendaarevenAnneke van Alendorp gewagen van die „ongestadige minnaers, die niet veel passchen op haar beloften.” Van zulke trouwelooze vrijers zijn onze oude liederenboekjes vol:
Huwelijkscontract.—Naar een schilderij van Jan Steen.Huwelijkscontract.Naar een schilderij van Jan Steen.
Huwelijkscontract.Naar een schilderij van Jan Steen.
Naar een schilderij van Jan Steen.
„Dog vrijers zijn vol list en loze streken,Hun woorden zijn wel honing-zoet,Terwijl zij dragen in 't gemoetDen angel, om te stekenHaar, die hen mind.”
„Dog vrijers zijn vol list en loze streken,Hun woorden zijn wel honing-zoet,Terwijl zij dragen in 't gemoetDen angel, om te stekenHaar, die hen mind.”
Trots deze booze ervaring verlangen de vrijsters toch naar hun gezelschap:
„Dit bosje weet,Dat ons is leet,Dat gij niet t'alle-tijdetjens,Ons met uw koutGezelschap houtEn zit aan onze zijdetjens.Uw zoet gevrijEn boerterijMet velerhande klugjensOns zo verleydDat, als gij scheydU volgen veele zugjens.”
„Dit bosje weet,Dat ons is leet,Dat gij niet t'alle-tijdetjens,Ons met uw koutGezelschap houtEn zit aan onze zijdetjens.Uw zoet gevrijEn boerterijMet velerhande klugjensOns zo verleydDat, als gij scheydU volgen veele zugjens.”
Had echter de vrijage het gewone, gewenschte verloop, bleek het meisje niet onvermurwbaar, liet zij zich eindelijk verbidden, om van staat te verwisselen („wat haast hebben wij meisjes,” vraagt Alida Leevendin haren overmoed; „als wij getrouwd zijn, zijn onze blijde daagjes uit?”), dan kan de verloving, straks het huwelijk plaats hebben. Wij vragen allereerst naar het karakter van het wettig huwelijk, zooals het zich onder de Republiek aan ons voordoet.
HET WETTIG HUWELIJK.
Tegenover welke taak stond het nieuwe geslacht, vroegen wij aan heteinde van ons eerste hoofdstuk, nadat wij de toestanden, zooals zij in de 16deeeuw heerschten, geschilderd hadden? Roepen wij ons duidelijk de moeielijkheid voor den geest. Van wien zou het gezag uitgaan in huwelijkszaken, zoodat de bestaande verwarring en onzekerheid zouden ophouden? Van de Staten der gewesten? Van de jonge, gereformeerde kerk, zelve nog nauwelijks (immers eerst sinds 1572 in het noorderkwartier, van lieverlede ook in de overige provinciën) geordend en ingericht? Zeker had zij nog geen wijdstrekkende autoriteit, maar van den beginne heeft zij zich met groote energie aan deze zaak laten gelegen liggen. Omdat voor haar, gelijk voor alle protestantsche Kerken, het sacramenteel karakter des huwelijks vervallenwas, heeft zij van den aanvang af geijverd voor het burgerlijk, algemeen karakter der instelling. Wat Huig de Groot zegt, dat door het aannemen van den gezuiverden godsdienst alle voorrechten van geestelijken, zoo in rechtspleging als in andere zaken, het bijzonder burgerrecht rakende, ophouden, heeft zij reeds vroeger erkend ook voor 't huwelijk. Zij volgde daarin slechts de denkbeelden harer groote theologen: Calvijn achtte het huwelijk een ding, den wereldlijken rechter competeerend. Reeds de oudste provinciale synoden spreken zich uit, zoowel over de verhouding tusschen kerk en staat in 't algemeen als over het huwelijksrecht in 't bijzonder. Die van Rotterdam, ao1575, begrenst het wederzijdsch gebied en spreekt uit, dat „onse kerckelijke regieringe geenszins usurpatie van het ambt van den magistraat medebrengt, maar dat de politische (burgerlijke) ende kerkelijcke regieringe” door God zijn ingesteld, zoodat het er verre van af is, dat „dit gheestelick ende kerckelick regiment enichsins soude het ampt ende de hoocheit der overheit tegenstriden ofte vercorten, dat in tegendeel 't selfde veelmeer dient tot befestinge vande autoriteit derselver, gelijck oock wederom der overheit ambt is door haar autoriteit der kerckelicke regieringe te beschermen ende te handthaben”. Reeds een jaar vroeger had art. 5 der Dordtsche kerkordevoorgeschreven: „die dienaren ende ouderlingen sullen wel toesien, dat sij in hare consistorische, classische ende sinodische vergaderinge niet en verhandelen dan 't gene kerckelick is”. Welnu dezelfde vergadering spreekt het uit: „Overmidts d'officiaelen des Antichrists int pausdom d'autoriteyt ende recht der overheijden in den echtscheydinghen aen sich getrocken hebben, soo sal de magistraet van den ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent worden, datse dien helpen, welcke in soodane saecken hare hulpe behoeven”. En nog algemeener de oudste gereformeerde synode hier te lande, die van Edam in 1572: ieder streve er naar dat „dese saecke des huwelijcx tot ontlastinge der kercken gebracht wordt in het burgerlijke regiment”. Omdat echter de berechting van huwelijksgeschillen voor de overheden nog nieuw was en, bij de nieuwe bedeeling, het geestelijk gerechtshof had „afgedaen”, heeft de kerk reeds in 1581 het wenschelijk geacht, dat de Staten een „houwelicxgericht” zouden instellen, „daeraen alle twistige houwelicxsaken” zouden opgedragen worden.
Men bespeurt waarom het gaat: aan den Staat moet komen de regeling van, de uitspraak in huwelijksgevallen, de wetgeving in 't algemeen over alle huwelijkszaken. Zonder zijne sterke hand zal deverwarring nooit ophouden, aangezien, zegt wederom Huig de Groot, het huwelijk is de grondwet der burgerlijke gemeenschap en omdat, naar de woorden van den remonstrantschen hoogleeraar Simon Episcopius, als er geen vaste huwelijksordening is, „is de policie niet als eene wildernisse ende de familiën zijn niet als verckensschotten”. Wenschte de gereformeerde kerk aldus, dat het huwelijk burgerlijk zou zijn, dit hield niet in, dat zij afstand begeerde te doen van haar recht op huwelijkssluiting. Opvolgster van de oude, roomsche kerk, in zekeren zin erfgename harer functiën, overtuigd, dat het huwelijk voor zijne wettigheid de wijding der kerk behoeft—had zij reeds in de jaren der vervolging, vóór zij nog gevestigd was, huwelijken gesloten. Hare rondreizende predikanten „celebreerden houwelijcken volgende de voirs. religie” en „vougden na den sermoenen oik eenige persoenen als in echten t'saemen”. In 1566, toen Margaretha hun vrije godsdienstoefening had toegestaan en zij enkele kerken in gebruik namen, was het dáár, dat men „bruyden troude”. Thans, als gevestigde kerk, handhaaft zij dit recht van huwelijkssluiting. Hare leden kunnen binnen hare muren een wettig, christelijk trouwverbond aangaan, al is men in 1573 in Noord-Holland zóó vrijzinnig, dat men een lidmaat toestond buitende kerk te trouwen. Men moest het hem wel afraden, maar gebeurde het nochtans, dan was het huwelijk als echt te erkennen. Nu begon echter de moeielijkheid. Niet alleen toch begeerde de kerk van de overheid goedkeuring van hare huwelijksregeling op eigen terrein, maar, volgens het in haar midden sterker wordend calvinistisch beginsel, dat de wereldlijke en geestelijke macht samen moeten arbeiden aan den bloei der christelijke gemeenschap, eischte zij telkens nadrukkelijk, dat de overheid zich in alles, dus ook in huwelijkszaken, door die calvinistisch-gereformeerde gedachte zou laten leiden. Waar nu de staat zich verzet, ontstaat de strijd. En als wij bespeuren, dat de kerk voortdurend poogt eene algemeene huwelijksordonnantie te verkrijgen naar hare beginselen, dan zien wij daarin duidelijk een onderdeel van die worsteling om de oppermacht tusschen Kerk en Staat, ook in onze vaderlandsche geschiedenis zoo belangrijk. Het gaat op een loven en bieden. De kerk vraagt en de overheid, zeker gewillig het advies en de medewerking der kerkelijken in te roepen, geeft, maar ten halve. De kerk vraagt weêr en de overheid staat ook iets toe, maar geeft de teugels nimmer uit de hand en houdt aan zich het oppergezag. Zeker gevoelen wij bewondering voor deze „dienaren des Woords”, die, in hunnevolstrekte afhankelijkheid van regenten en magistraten, toch rusteloos aanhouden om wat zij voor een heilig huwelijk noodig achten. Maar begrijpelijk vinden wij het evenzeer, dat de overheid op hare hoede was tegen een heerschzucht, die wezenlijk bedoelde der kerk het gezag over den staat te schenken. Ware het anders geweest, men zou kunnen wenschen, dat zij nog ruimer gelegenheid gehad hadde, haar onmiskenbaar organiseerend talent, ook op het gebied der huwelijksregeling, met de stukken te toonen. Laat ons dan zien wat langzamerhand in de Republiek tot stand kwam, door gewestelijke of stedelijke overheid gegeven, maar onder voortdurenden invloed der kerk.
Reeds in 1576 hadden Baljuw en mannen van Rijnland bepaald, dat partijen zich of door den gereformeerden predikant moesten laten te zamen geven, of voor baljuw en mannen moesten verzoeken, dat hun trouw wettig verklaard werd. Dit was reeds eene belangrijke stap in de richting van orde, maar het besluit gold slechts Rijnland en ook, men durfde een anders gesloten huwelijk nog niet nietig verklaren. Maar vijf jaren later, 1 April 1580, vaardigden de Staten van Holland en Westfriesland hunneOrdonnantie van policieuit, waar men sub III bepalingen vindt „omme te voorsien op de ongeregelthedenin huwelijkszaken”. Hier moeten partijen verschijnen voor magistraat of gereformeerde predikanten hunner woonplaats, om door (voor) hen getrouwd te worden. Huwelijken niet volgens deze ordonnantie „gecontraheerd ende gecelebreerd” zullen voortaan zijn „nul ende van onwaarde”. Eene resolutie van 6 Juli gaf nog nadere uitlegging. Voor Zeeland volgde 8 Februari 1583 eene ordonnantie van den Prins van gelijke strekking, op de openbare afkondiging waarvan de Zeeuwsche kerk telkens aandringt. Den 6denOctober 1584 volgden de Staten van Utrecht en voerden ook het burgerlijk huwelijk in voor het gerecht ten stadhuize, d. w. z. voor wie dit begeerden. De anderen werden getrouwd door den gereformeerden predikant. Andere huwelijken werden niet langer erkend, terwijl als overgangsbepaling in art. 13 der ordonnantie werd voorgeschreven, dat vroeger gesloten vormlooze of geheime huwelijken alsnog voor het gerecht konden worden gewettigd. De andere gewesten volgden (voor de Generaliteitslanden gaven de Algemeene Staten 18 Maart 1656 een Echtreglement) en sinds was de toestand zóó, dat ieder naar wet en ordonnantie moest trouwen, de gereformeerden in hunne kerk, de andere burgers ten stadhuize. Aan deze laatsten werden dan daarna hunne kerkelijke plechtigheden vrij gelaten. Vanopmerkelijke vrijzinnigheid is een besluit van schepenen, raden en gezworen gemeente van Hasselt, reeds 25 Februari 1590. Omdat, heet het in dit merkwaardig stuk, velen, om de verscheidenheid van religie, niet gezind zullen wezen de huwelijken in de gereformeerde kerk te sluiten voor den predikant, en omdat de vrijheid van conscientie gehandhaafd moet blijven, besluiten wij, dat allen die bezwaar hebben tegen de kerk, zich zullen mogen laten afkondigen van het raadhuis en daarna getrouwd worden voor twee schepenen, onder aflegging van een eed en aanteekening in het stadsprotocol. Hoe langzaam elders weêr de nieuwe regeling doordrong (iedere stad was wezenlijk souverein) toont o. m. Kampen. Het burgerlijk huwelijk voor de doopsgezinden is aldaar ingevoerd bij publicatie d.d. 7 Juni 1658. Tot dien datum toe waren zij gedwongen geweest zich door (voor) de hervormde predikanten te laten trouwen. Thans kon dat ten raadhuize geschieden, maar (vreemd genoeg) de geboden moesten zij nog „voor den Eerb. kerckenraedt deser stadt doen opschrijven”. In Holland heeft men den dissenters sneller recht gedaan. Zoo kon de luthersche gemeente te Amsterdam in 1597 bepalen, dat wie wenschten te huwen eerst voor den gecommitteerde van de overheid moesten verschijnen, zich dan aan de voorgeschrevenformaliteiten onderwerpen en daarna in de kerk konden worden ingezegend. Zoo is het gebleven tot het einde der republiek. Onder de Bataafsche Republiek openbaarde de nieuwe geest van gelijkheid en vrijheid (zegt Cornelis Rogge) zich ook in de bepaling, dat voortaanelkhuwelijk voor de plaatselijke regeering moest voltrokken worden. De inzegening bleef den geestelijken toegestaan, nadat hun op eene wettige wijze de voltrekking voor de burgerlijke regeering was gebleken.
Al was dus het groote beginsel van het burgerlijk huwelijk in de gewestelijke ordonnantiën neêrgelegd, op tal van punten bleek telkens nog voorziening noodig. Onvermoeid hebben de synoden der gereformeerde kerk om zulke nieuwe bepalingen gevraagd en tevens om maatregelen tegen de ergerlijke zonden en abusen den huwelijken staat rakende. Het verdient alle aandacht, dat zij daarbij heeft gestreefd naar ééne wet voor 't gansche land, dat zij dus, te midden van het provincialisme, bij den zeer lossen band die de gewesten te zamen snoerde, voor die landséénheid opkwam, die eerst onder Napoleon gekomen is. In de 162stezitting der groote, Dordtsche (na)synode besloot de vergadering H. H. M. te verzoeken „dat deselve door hare autoriteyt ghelieve metten eersten te doen stellen eene huwelijcks ordinancie...die eenpaerlick door alle de geunieerde provinciën mach nagekomen worden”. En art. 70 der Dordtsche kerkorde zegt desgelijks, dat „tot noch toe verscheyden ghebruycken in houwelijcksche saken alom onderhouden zijn”, maar dat het „nochtans wel oirbaar is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te worden”.
Het is duidelijk, dat wij in ons bestek er niet aan denken kunnen ook maar een vluchtig overzicht te geven van de wijsgeerige en rechtsgeleerde theorieën ten onzent over het eigenlijk wezen des huwelijks. Slechts op één enkel punt wil ik wijzen: de vraag, of kinderbezit het eigenlijk doel des huwelijks zij? In 't algemeen reeds zijn er anthropologen, die beweren dat, zoomin als bij de dieren, bij den oermensch, bij de natuurvolken, de voortbrenging van eene nieuwe generatie, hoewel de onbewuste drijfveer tot geslachtelijken omgang, bij den man het bewuste doel, een gewild oogmerk zou zijn. Het is, zegt ten onzent o. a. dr. C. J. Wijnaendts Francken, slechts een secondair gevolg. Het behoeft niet eenmaal altijd als gevolg bekend te zijn geweest. Dit laatste is althans onbetwijfelbaar. Maar, zoo was nu de vraag, is het huwelijk niet alleen maar eene door de wet erkende vereeniging der beide geslachten, „eene verzameling” (zegt Huig de Groot en zeide ook het Rom. Recht)„van man en wijf tot een gemeen leven, medebrengend een wettelijk gebruik van elkanders lichaam”, doch is voortplanting zijn eigenlijk doel? Neen, zeide prof. C. L. Vitringa van Harderwijk in 't begin der 19deeeuw, neen, want anders zou de apostel Paulus den christenen niet het coelibaat hebben aangeraden. Ook Kant, de wijsgeer, stelde de verwekking van nakroost op den achtergrond, het doel om kinderen te verkrijgen achtte hij niet te behooren tot de rechtmatigheid der verbinding. Anders de protestantsche kerken, die hierin de roomsche slechts navolgden. Het bijbelsch gebod, aan Adam gegeven, „wees vruchtbaar en vermenigvuldig” gold ook voor later geslachten, vonden zij, en de remonstrantsche hoogleeraar Phil. à Limborch (1735) noemt als eerste doel des huwelijks: „de voortplanting en de vermeerdering van het menschelijk geslacht”. En met deze theorie ging het volksbewustzijn accoord. Het vroeg niet: is het wezenlijk de lust om kinderen te bezitten, die de menschen tot elkander brengt? Maar het achtte kinderbezit het natuurlijk en, zeker, gewenscht gevolg der vereeniging. Tegelijk was het de gereformeerde kerk, die in haar huwelijksformulier de schoone opvatting leerde: „Daarom sult gij ook niet twijfelen of de houwelicke staet en behage Godt den Heere, overmits hij Adam sijne huysvrouwe geschapen, selve toegebracht ende hem tot eene huysvrouwegegeven heeft; daermede betuygende, dat hij nogh hedendaegs eenen yegelicken sijn huysvrouwe als met sijne hant toebrengt.”
Bruidsstoet.—Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)—Ms. L. Bibliotheek.Bruidsstoet.—Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)—Ms. L. Bibliotheek.Bruidsstoet.Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, vanHugo von Trimberg(14eeeuw)Ms. L. Bibliotheek.
Bruidsstoet.Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, vanHugo von Trimberg(14eeeuw)Ms. L. Bibliotheek.
Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, vanHugo von Trimberg(14eeeuw)Ms. L. Bibliotheek.
De gansche huwelijksacte, eindelijk, moest, als van ouds, ook bij de nieuwe bedeeling, openbaar zijn. „De tsamenvoeginge der eheluiden, gelijck deselve is eene algemeene actie” behoort te geschieden „in facie ecclesiae” d. i. voor den priester en openlijk. De term en het gansche beginsel waren van Rome overgenomen. De roomsche kerk heeft altijd het openbaar huwelijk gewild. En dit was weder in overeenstemming met het Oudgermaansch recht, dat eischt, dat de vrije Friezin in des vrijen Friezen macht komen moest met hoorngeschal en burengejuich, met fakkelenbrand en vriendengezang. In 1310 b. v. verbood de bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, uitdrukkelijk niet-openbare, clandestiene huwelijken, dat zijn zulke „die aangegaan worden, zonder dat de plechtige afroeping of de behoorlijke geboden in de parochiekerk der trouwensgezinde personen vooraf zijn gegaan.” Ze waren wel niet ongeldig (wij zagen datreeds in ons eerste hoofdstuk), maar brachten toch sommige nadeelen mede. Zoo had Dirk van Santhorst, uit het geslacht der Wassenaars, „sijn wijf mitter witte van der heylegher kercke niet ghetrouwet.” Daarom wilde de vrouw van Dirk van Raephorst haar den voorrang(„voirstain ende voirofferen ende anders voirdeel te hebben”) niet gunnen in de parochiekerk van Wassenaar (1338). Twee eeuwen later, den 2denOctober 1535 had George van Egmondt, ook bisschop van Utrecht, noodig een scherp mandaat uit te vaardigen, waarbij hij gebood: „... geen huwelijken te sluiten dan in 't openbaar, ten tijde der godsdienstoefeningen, in de kerken en niet in verborgen plaatsen, in bijwezen der gemeente.”Dat nochtans, ook door plichtsverzuim der priesters, meer nog door de taaiheid van volksgebruiken, de heimelijke, vormlooze huwelijken tot ver in de 16deeeuw voortduurden, hebbenwij gezien. Maar het is duidelijk, dat ook nog bij den aanvang onzer periode en later maatregelen daartegen niet overbodig waren. Karel V bepaalde, dat een jongman onder de 25 en eene jonge dochter onder de 20 jaar niet mochten huwen zonder advies, raad en konsent van vrienden en magen van beide zijden, op verbeurte van alle aanspraak op elkanders goed, terwijl geen van Z. M. onderdanen bij huwelijken, zonder medeweten der justitie gesloten, tegenwoordig mocht zijn op boete van 100 karoliguldens. Dat was in 1540. Op 't einde der eeuw had nog de overheid denzelfden strijd te voeren, door de gereformeerde kerk gesteund, die ijverde tegen het trouwen in huis, „yn private huseren”, want het is „ergerlijck en der politie schadelijck”.Het wekte daarom in 1585 groote ergernis in gansch Friesland, dat Johannes Bogerman, de vader, twee freules Burmannia op hare state te Ferwerd getrouwd had. Zelfs het trouwen in huis bij zware ziekte werd nauwelijks (en dan nog met al de waarborgen voor openbaarheid) toegestaan. De straffen waren zwaar. Op heimelijk trouwen stond sinds 1580 voor beide schuldigen ƒ50 voor de eerste maand, ƒ150 voor de tweede, ƒ200 voor de derde en bannissement. Hooge boeten inderdaad. Want in datzelfde jaar 1580 bedroeg het predikantstractement in Den Haag ƒ360, te Dordrecht in 1594 ƒ400, prof. Feugueray werd in 1575 te Leiden benoemd op ƒ500 en ƒ100 persoonlijke toelage. Waren, trots al deze bepalingen, toch nog lieden in 't geheim gehuwd, dan trachtte de kerk hen alsnog openlijk te laten trouwen. Den 23stenJanuari 1705 huwden in de Hollandsche gemeente te Smyrna Giovanni Jan Schagen en Anna Smith, weduwe Charles Pike, die vroeger voor een roomsch priester een geheim huwelijk hadden aangegaan. Nu werden zij alsnog openlijk getrouwd en wel „in 't aangezicht des doods” en dus waarschijnlijk (in dit geval van zwaren nood) in huis. Want nog dienzelfden dag overleed Schagen.
Om nu de openbare en wettige huwelijkssluiting voor te bereiden diende de verloving of ondertrouw.
DE VERLOVING OF ONDERTROUW.
In onze wereld is verloving het eenigszins deftige woord voor engagement, eene voorloopige overeenkomst en verklaring van wederzijdsche genegenheid zonder eenige bindende kracht voor de wet. Dat was vroeger anders. Zij vormde toen deel der huwelijkshandeling en is met onzen ondertrouw te vergelijken. Naar Oudgermaansch recht was zij eene overeenkomst tusschen den bruidegom en dengeen, in wiens macht zich het meisje bevond, den vader, in 't algemeen den voogd. Deze verplichtte zich, tegen betaling eener som, haar den eerste tot vrouw te geven, die zich verbond haar te ontvangen. In den ruwen oervorm van het koophuwelijk kocht de a.s. echtgenoot de voogdij, eigenlijk het bezit, van den vader. Later wordt dat, bij de verloving, een soort van waarborgsom, die aan het meisjevervalt, als na twee jaren geen huwelijk volgt, de meta, demundschatz. Ook verzachten zich de zeden aldus, dat de koophandel eerst buiten het meisje omgaat, maar dat later (en zóó was het in het middeleeuwsch Hollandsch recht) de toestemming der bruid volstrekt geëischt wordt, gelijk die van ouders of voogden. Van de weigering van den voogd was dan overal beroep op den rechter, in Friesland ook van de weigering des vaders. Hier is invloed der kerk, door het christendom verdwijnt het begrip koop en de toestemming der partijen treedt op den voorgrond. De verloving nu vormde reeds een sterken band. Van den kant van het meisje kon hij niet worden verbroken; zag de man van haar af, dan gold zij als eene weduwe. In onderscheiden Germaansche rechten moest ook de verlover instaan voor de gaafheid der bruid en hare ongereptheid en, bij gebleken bedrog, kon dus de bruidegom hem aanklagen. Maar, omgekeerd, brak hij de verloving af zonder bekende reden, dan moest hij met twaalf eedhelpers, van zijn geslacht en maagschap, die zweren moesten dat zijn eed rein was en niet mein, onder eede verklaren, dat hij geenerlei kwaad aan haar gevonden had, maar dat de liefde voor eene andere maakte dat hij haar verliet. Voorts geschiedden bij de verloving formaliteiten, die dikwijls zinnebeeldenzijn van de macht, die de man over zijne vrouw verkrijgt, bij de Friezen het ronddragen van het aeftswird, bruidzwaard (waaroverlatermeer), of ook het zetten van den voet op dien der bruid. Volgens sommigen is ook het geven van den ring teeken van eigendom. Anderen, gelijk wijbovenin ander verband zagen, houden hem voor een herinnering aan de koopsom. Sommigen beweren, dat door den ring de eigenschappen van den man op de vrouw overgaan, door den ring draagt zij hemzelven bij zich. Hoe zeer de verloving als sterke band werd gedacht, blijkt ook uit hare geldigheid jegens derden. Wie eens anders verloofde huwde betaalde dubbele meta. Ontucht met eene verloofde gold als overspel.
Nu komen de vaderen onder den invloed van het kanonieke, het roomsche kerkrecht en daardoor ook van het Oudromeinsche recht. Het kanonieke recht stond wel aan het Germaansche nader dan aan het Romeinsche, omdat het, schoon grootendeels in Italië ontstaan, op Germaansch-christelijke grondslagen rustte, zich aan Germaansche toestanden aansloot, maar het ontleende toch zooveel aan het Rom. recht, dat het zonder hulp daarvan niet kon verstaan worden. Nu werd in dat Romeinsche recht de verloving wel als minder verbindend beschouwd, danin het Germaansche, maar de kerk beschouwde haar toch ook als eene acte, die reeds een band legde. Bij haar heet de verlovingdesponsatio. Zij geschiedde in tegenwoordigheid van den parochiepriester, van bruid en bruidegom, in de kerk met open deuren, in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder uitreiking van een ring. Was alzoo het voorgenomen huwelijk vastgesteld, dan werd het op drie Zon- of Feestdagen na de mis bekend gemaakt, d. w. z. de geboden werden afgeroepen en wie wilde kon bezwaren tegen het huwelijk inbrengen. Zulk een stuk luidde b.v.: Heer Anthony Fockynck kapelaan in de moederkerk te Arnhem bekent, dat hij „drije sonnendage nae een anderen volgenden alhyer in der moderkerke proclamationes gedaen heeft woe dat Jan van Nijmegen ind Mesry Havesche jn der hilliger echtschapp vergaderen solden, weer ymantz, die meighschapp, swagerschapp off andere saicken wuste, dair durch die echtschapp verhynderd mocht worden...” die kon ze mededeelen (1550).
Op dezen weg wandelde men ook in latere eeuwen voort. Ook onder de Republiek droeg de verloving een bindend karakter, zooals in Duitschland gesproken werd van „verlobte Eheleute”, zij is een nog niet geheel afgesloten huwelijk. „Het consent” zegt een schrijver op 't einde der17deeeuw, „ende de bewilligingh van beyde partijen om t'samen te verbinden aan malkander in den Echten Staat, is eygentlijck het gheene dat het Houwelijck maekt ende waeruyt volgt, dat sodanige perzoonen zijn als getrouwt voor Godt... met die conditie, dat men de behoorlijcke en gewoonlijcke tijdt moet uyt-wachten”. Christenen mogen niet als 't vee te zamen komen, zegt een ander, en zij moeten in de weken der verloving God om een gelukkig huwelijk bidden. De wet dan schreef voor, dat de jongelieden moesten verschijnen voor magistraat of kerkendienaar hunner woonplaats en verzoeken om drie Zondaagsche of marktdaagsche geboden. Op gewone werkdagen mochten geen geboden gaan en evenmin natuurlijk alle drie in één week. Vandaar de grap van Alida Rijzig-Leevend, als de a.s. man van Keetje West ziek is geworden en zij daarom niet op de bruiloft van Chrisje Helder kunnen komen, „had hij het tot een week na zijn huwelijk uitgesteld, dan had gij hem voetstoots hier naar toe kunnen inpakken. Had gij mijn raad gevolgd: drie geboden op één dag en voor 't bed getrouwd”. Na slechts twee geboden mocht geen huwelijk voortgang hebben, ook moest de aanteekening geschieden op 't aangeven van beide partijen. Vorstelijke personen vroegen soms ontheven te mogen worden van de publieke geboden, wat vermoedelijk deftiger werd geacht. Toen in Juli1659 Henriëtte Catharina, dochter van Amalia van Solms in het huwelijk zou treden met Johan George II van Anhalt-Dessau kreeg Johan de Witt van de Prinsesse-douairière het verzoek om er toe te willen medewerken, dat er dispensatie verleend zou worden van de afkondiging der drie „Sonnedaegse geboden”. De Witt antwoordde 11 Juli, dat de Staten met algemeene stemmen het verzoek hadden ingewilligd. De voorschriften waren goed, maar ook hier bleek, dat goede zeden meer waard zijn dan goede wetten. Want het gebeurde, dat sommigen de proclamatiën wel lieten gaan, maar daarna toch niet trouwden, al hadden zij ook de nadrukkelijke gelofte afgelegd van zich niet te zullen terugtrekken. „Helaas!” roeptprof. Van Renesseuit, in zijn toentertijdveelgelezen boekje over „De heilige voorsienigheid Gods in 't beleid der huwelijken” (1639), „men speelt met die eedzweeringen als de kinderen met hare bikkels en knikkers”. Ergerlijk was ook, dat, ofschoon de tijdsruimte tusschen den dag der laatste afkondiging en die des huwelijks was vastgesteld (in Amsterdam, in Leiden ééne maand, elders b.v. in sommige streken der Generaliteitslanden, twee weken), toch die tijd soms onbehoorlijk werd gerekt. Zoo lieten Wouter Hermans en Gerritje Germens te Nijkerk hunne geboden gaan 5, 12 en 19 November 1609, maar hunhuwelijk volgde eerst 24 Juni 1618. Bij een ander paar daar ter stede duurde het zelfs van 1597 tot ook 1618. Gelijk de Staten daareven dispensatie verleenden voor de geboden van Henriëtte Catharina van Oranje, zoo konden zij dat ook voor anderen doen. Hielden zij geene zitting, dan (resolutie van 26 november 1678) waren President en Raden van de Hoven en burgemeesters en schepenen der steden daartoe gemachtigd. Het kwam veel voor bij zeelui, die op uitzeilen stonden of ook bij zware zieken. Hun werd dan dispensatie verleend van den interval van tijd tot het gaan der proclamatiën, mits één gebod ging. In de koloniën volgde men zoo goed mogelijk de gewoonten van het moederland. Zoo vertelt een Zweedsch reiziger ons van de Kaap ao. 1773, dat geen kolonist mocht huwen zonder goedkeuring van den gouverneur, dat hij het verzoek kon indienen des Donderdags, dat daarop des Zaterdags aan het paar een order wordt gegeven voor den Raad, die de verboden graden onderzoekt, waarna de gouverneur beveelt de geboden af te kondigen. „Zoo goed mogelijk”, zeide ik. Aan boord van het Compagnieschip „D'Sperwer”, waaropJoan Cunaeusvoer bij zijne zending naar Perzië, werden ter reede van Surat, 23 November 1651, twee Nederlandsche paren van het comptoir aldaar door Cunaeus' predikant in den echt vereenigd, waarbij wij vangeboden niet hooren, al roepen wij ons daarom toch gaarne het tooneel voor oogen van die Nederlanders aan verre kust, begeerig naar vaderlandsche wijze hun huwelijk te laten sluiten.
Maar wij keeren naar het vaderland terug. Voor de buitenwereld bleek van de verloving door het feestelijk versierde huis. De speeljonkers en speelmeisjes hadden hun dienst aangevangen, de spiegels, de stoelen met groen en bloemen versierd, of, bij eenvoudiger levensmanier, alleen deurknoppen en stoep van het huis der bruid groen gemaakt. In de blij getooide kamer zitten dan op den Zondag van het eerste gebod bruid en bruidegom in staatsie, ontvangen de gelukwenschen, en de dag wordt besloten met het commissarismaal. Dit banket draagt zijn naam naar de „Commissarissen tot de huwelijksche zaken”, zeer gelijkende op onze ambtenaren van den burgerlijken stand. In de Republiek, waar bij het beruchte en noodlottige particularisme, de toestanden in elk gewest, in elke stad verschilden, treffen wij dit college niet overal aan. Toch wel in de meeste steden van eenige beteekenis, soms met andere waardigheden verbonden, als te Groningen, waar de Heeren van de Weeskamer tegelijk Commissarissen van den Egten Staat waren. Ook hun getal verschilde, in Amsterdam waren er eerst vijf, later zeven. Deze commissarissennu hielden aanteekening der geboden, zoowel van hen, die in de gereformeerde kerk als van wie op 't stadhuis voor schepenen trouwden, de afkondiging geschiedde daarna voor de eersten van het voorlezersbankje, voor de tweeden van de pui. Waar geen commissarissen waren, geschiedde de aanteekening voor schout en schepenen of secretaris. Te Amsterdam waren de kosten in de 18deeeuw, voor wie aanteekenden om in de kerk te trouwen, 8 st. voor den secretaris, 16 voor den koster, 6 voor de voorzangers; voor wie op het raadhuis zouden huwen, 30 st. voor den secretaris, 30 st. voor de boden, buiten den gewonen tijd alles duurder. Uitspraken van commissarissen werden ten uitvoer gelegd bij gijzeling of bij bevel van in huis blijven, deur sluiten en nering staken.Uit eene instructie voor commissarissen te Leiden (1658)blijkt dat wie in de kerk hunne geboden gehad hadden niet ten stadhuize mochten trouwen—en omgekeerd, onder kerk altijd te verstaan de Nederlandsch-, Waalsch- en Engelsch gereformeerde. In Amsterdam heette de ondertrouw o. m. „voor de roode deur gaan”, omdat de kamer in de Oude kerk, waar Comm. Zaterdagsmiddags zitting hielden eene roode deur had, waarboven dit oude rijmpje, dat o. a. al in het Wonderboek des onzaligen David Joris (uitgave van 1551) te vinden is,