Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.—Naar een prent van Bernard Picard.Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.Naar een prent van Bernard Picard.
Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.Naar een prent van Bernard Picard.
Naar een prent van Bernard Picard.
De trouw in de hervormde kerk geschiedde nu gemeenlijk als volgt, waarbij, wat de versiering aangaat, de gegoedheid van partijen natuurlijk verschil maakte. Of in het koor, of in het doophek, of daarvóór in het midden der kerk lag een tapijt, stonden armstoelen en taboeretten, de poort van het doophek was vaak met groen versierd en in de tweede helft der 18deeeuw, de dagen der hooge kapsels, was het voor vele dames een zwaar stuk onder die poort door te gaan. Onder psalmgezang trad de staatsie (wij vertellen hier Schotel na) binnen, de leeraar beklom den kansel en las het straksgenoemde formulier.Dan liet hij bruidegom en bruid elkander de rechterhand der trouw geven en stelde de vragen, over het neergeknielde paar sprak hij dan den zegen uit, waarna het gebed volgde. Onder het gezang werd gecollecteerd. Daarna begaf zich de stoet, waarbij thans de man de hoogerhand had, naar de consistoriekamer, waar men ververschingen gebruikte. Dit was de trouw op zijn deftigst. Maar zeer dikwijls ging het minder statig toe, als de bruiloftsgasten zich niet ontzagen pratend en joelend de kerk binnen te treden.
Alleen geordende predikanten mochten den dienst leiden. Toch kwam het voor, dat proponenten het deden, gelijk bij het huwelijk van Willem Albert van Hout en Antonia Magdalena van Breda te Hoeven gem. Oudenbosch, 22 Juli 1787, dat door den proponent J. M. Visser werd ingezegend. In Utrecht echter was dit werk ook aan proponenten toegestaan. Te Leiden schijnen soms zelfs voorzangers zich de inzegening te hebben aangematigd. De kosten waren natuurlijk afhankelijk van den stand van het bruidspaar, van de plaats en van de vraag, of de trouw op gewonen of buitengewonen tijd geschiedde. In 1788 kostte te De Bildt zulk eene extra-inzegening 2 dukaten aan de armen (de gouden dukaat deed ongeveer ƒ5.50), tabak en pijpen, 12 flesschen malaga met een schotel best banket aan den kerkeraad,½ anker wijn aan den predikant, ƒ3 aan den koster.
Als een voorbeeld van huwelijksinzegening in eene hervormde gemeente in het buitenland geven wij die in de beroemde, reedsvroeger vermelde, Hollandsche kerk te Londen, die ook voor deze liturgische handelingen zooveel heeft gedaan en voor wie Maarten Micron reeds in 1554 zijne „Christlicke Ordinanciën” opstelde, waarin ook „Van de ceremonie des huywelicx”. Nadat het paar in de trouwboeken was ingeschreven (ze beginnen in 1571: „Hier achtervolgen die namen der gheener die onser Nederduytscher gemeinte getrouwet zijne”) en de drie Zondagsche proclamatiën waren „uutgheropen”, had de bevestiging op den volgenden Zondag in den morgendienst plaats, in diezelfde prachtige kerk in Austin-friars, waar thans nog de gemeente samenkomt.
De dienaar hield eene toespraak over het huwelijk, wees het bruidspaar op zijne verplichtingen en deed de vragen. Daarna legde hij hunne rechterhanden inéén en sprak: „God Almachtich, die u tot den huywelicken staet gheropen heeft, binde u te samen met den bandt der warachtigher liefden, opdat gij u gansche leven de groote verborghen eenicheit Christi ende sijnder ghemeinten uitdrucken moecht, ende wille u vermeerderen, ter eeren sijns naems ende uwersielen salicheit doer denselven Christum Jesum. Amen.”
Naar aanleiding van Matth. XIX sprak de predikant dan nog over de vaste onverbrekelijkheid van den huwelijksband, en de gemeente, bij monde van den dienaar, zegende het neêrgeknielde paar: „God wil u vruchtbaer maken ende ghenade gheven uwe kinderen, die hem sal believen u te gheven op te voeden, door leeringe ende straffinghe des Heeren. God blijve met u ende met ons allen.” Met psalmgezang eindigde de plechtigheid.
Hoezeer wij bij ons onderwerp telkens verdacht moeten zijn op plaatselijke afwijkingen leert ons de huwelijksinzegening op Ameland, waarvan ik daarom met een enkel woord melding maak. Dit merkwaardige eiland was staatkundig onafhankelijk (in den 80-jarigen oorlog sluit het een verbond van neutraliteit met de Republiek en met Spanje) en even onafhankelijk was de gereformeerde kerk, eene naar inrichting en bestuur op zich zelve staande gemeenschap. Vandaar op Ameland groote verdraagzaamheid tegenover dissenters. De doopsgezinde leeraren mochten huwelijken voltrekken, maar alleen tusschen leden hunner eigen gemeente. De hervormde predikanten deden het, als bruidegom en bruid (of een van beiden) ongedoopt, hervormd of van eene andere doopsgezinde gemeente waren.
Op Terschelling viel de magistraat de doopsgezinden lastig over hunne huwelijksinzegening, maar Gedeputeerde Staten van Friesland stelden hen in 't gelijk (19 Juni 1623), zoodat zij op dat eiland schijnen te hebben mogen doen, wat elders ongeoorloofd was, gelijk nog eens, in 1676, door acte van een Harlingschen notaris, de geldigheid der doopsgezinde huwelijksinzegening wordt bekrachtigd, d. i. dus van de door een doopsgezind leeraar afgegeven attestatie. Het eene gewest, de eene stad begunstigde de doopsgezinden meer dan de andere, zoodat het aan sommige gemeenten vrijstond om de huwelijken in haar eigen vergadering te sluiten, maar dit aan andere weder werd geweigerd. Ook schijnen de doopsgezinden op Terschelling, na hunne inzegening, ten stadhuize ingeschreven te zijn geworden. Trouwens ook in Holland heerschte er te dezen opzichte nog geen vaste regel en vandaar klachten over moeielijkheden hun in den weg gelegd, wat toch vaak slechts gehoorzamen was aan eene ordonnantie.
Voor het katholieke deel der bevolking ontstonden er groote moeielijkheden uit de bepaling, dat geen huwelijk wettig zou zijn tenzij voor predikant of schepenen gesloten. Hier bracht wetsontduiking uitermate verwarde toestanden, toch al verward genoeg.Vooreerst kwam het voor, dat hervormden, om in verboden graad te kunnen trouwen of het consent der ouders niet kunnende erlangen, zich door pastoors lieten trouwen, in den waan nog bovendien, dat dit huwelijk wettig was.
In 's-Hertogenbosch kwam het voor, zooals de hervormde kerkeraad in 1632 aan de „militaire en de politijcke collegiën” klaagt, dat soldaten, die „met bossche vrouwspersonen comen te trouwen, gaen, om haere bruydts te gelieven eerst trouwen bij de papen ende comen daerna trouwen in de kercke”.
Het was noodig, al verder, te bepalen, dat al had iemand zijne geboden voor een priester laten gaan, hij toch in de hervormde kerk trouwen moest en dat (omgekeerd), al waren de proclamatiën bij predikant of magistraat gegaan, het huwelijk voor den priester nochtans onwettig was.
Eindelijk (het ligt voor de hand), bij de herhaalde wetsontduiking wat aangaat de sluiting zelve des huwelijks, werd er ook met andere voorschriften de hand gelicht, zoodat wij b.v. hooren klagen, dat de priesters in het markiezaat van Bergen op Zoom personen trouwen, die zij nooit zagen, zonder voorafgaande geboden, zonder oudrenconsent. De wetten, te dezen door H.H. Magistraten voor de generaliteitslanden gegeven, zijn mede een deel van hunne politiektegen deze gewesten, die met harde hand, naar hun oordeel, moesten worden geregeerd.
Een plakkaat van 8 April 1644 verbood roomsche priesters, die nog in Brabant werden geduld, lieden in ondertrouw op te nemen, ook al zouden zij niet van plan zijn het huwelijk zelf te sluiten. Aan die van Hulst en Hulster-Ambacht gaven de Alg. Staten, 31 December 1647, nog eens expresselijk te kennen, dat, als zij buiten de publieke kerk wilden trouwen (want dit mochten zij overal) hun huwelijk, na drie voorafgaande Zondaagsche proclamatiën, bij klokslag te doen, moest worden voltrokken voor (een burgemeester met) twee schepenen en secretaris, terwijl elk ander huwelijk onwettig zou zijn.
In de landen van Overmaze (Valkenburg, Dalhem, 's-Hertogenrade) was 1632, na de verovering van Maastricht, de gereformeerde religie ingevoerd, tijdelijk onderbroken door de herovering in 1635. Na den Munsterschen vrede verbande de regeering „alle praetense geestelijke personen” en in 1656 maakte ook daar het Echtreglement het huwelijk politiek. Toen nu bij den vrede van Nijmegen in 1678 de uitoefening van den katholieken godsdienst werd toegestaan, waanden die van de landen van Overmaze, begrijpelijkerwijze, dat nu ook het huwelijk weêr kerkelijk was geworden, waan, waaraan toen eeneresolutie van 21 Augustus 1683 een einde maakte.
Voorzoover de roomschen in de generaliteitslanden dicht genoeg bij de frontieren woonden, lieten zij de plechtigheden van huwelijk (en doop) over de grenzen geschieden. De anderen moesten zich onderwerpen en overtraden de wet, als zij konden.
Er is menig hard woord gezegd over deze en dergelijke maatregelen in de generaliteitslanden. Tot de geschiedkundige verklaring ervan bedenke men, dat de roomsche bevolking in de grenslanden voortdurend onbetrouwbaar bleek en groot gevaar opleverde voor de veiligheid der Republiek. Het ergste was, dat waar de schout ontbrak, het wettig huwelijk diende gesloten voor den predikant. Dit was hatelijk. „Nos pères”, zegt een hedendaagsch katholiek, „ont du se résigner alors à se faire marier devant le ministre protestant avant de se presenter devant leur curé. Ils durent passer du temple réformé à l'église catholique comme de nos jours on passe de la mairie à l'église”.
Ook hier worde weêr bedacht, dat deze predikanten louter optraden als ambtenaren van den burgerlijken stand, dat zij in dat opzicht orde hebben gebracht in de nu getrouw bijgehouden huwelijksregisters—en dat zij, in zoo vijandige omgeving en met zulk eene taak, ook niet voor hun genoegen inde wereld waren. Daarvan is eene geschiedenis als van ds. Paulus Arleboutius te Tilburg (1633), een uiterst leerzaam en tegelijk schilderachtig voorbeeld.
Eindelijk—het blijkt duidelijk, dat de katholieken toch ook deofficiëeleinschrijving wel op prijs stelden. In de Roermondsche trouwboeken (1632–1637, jaren, waarin die stad Staatsch was) komen de namen voor van tal van roomsche officieren: zij hebben daaraan als maatregel van burgerlijke wettigheid waarde gehecht.
Keeren wij thans tot het algemeene terug, dan rest ons nog te vermelden, dat niet zonder reden de kerk het trouwen voor den magistraat verdacht. Het staat zoo onschuldig in het trouwboek te Vianen op 20 Juli 1604: „Compareerden joncker Balthasar van der Vecht en jonckvrouwe Theodora van Weer en hebben, na voorgaande geboden, voor den stadhuyse alhier gedaen, malcanderen bij desen getrouwt ende beloeven de een den anderen nyet te verlaten volgens Godts inzetten. Actum voor Michiel van Riemsdijk en Willem Pijll, schepenen.” Dat „hebben malcanderen getrouwt” is (wijzagen het) naar het juiste beginsel. Maar overigens—Vianen had, zoomin als Kuylenburg, een goeden naam, het waren wel-aangename vluchthavens voor velerlei soort van avonturiers, die daar gemeenlijk vriendelijke herbergen hartelijke ontvangst vonden. De magistraat zag er niet zoo nauw, ook waar het een huwelijk gold.
En dit geldt waarlijk ook buiten Vianen. Het gelukte al te vaak eene overeenkomst te treffen, als het met verboden graden of getuigenissen van vrijigheid niet in orde was, en trouwlustigen, die wat op hun geweten hadden, konden voor klinkende munt al te lastig onderzoek afkoopen. Geldzucht (heeft Fruin eens gezegd) was de groote zonde van den tijd, en tal van schouten waren helaas omkoopbaar. Wat wonder, dat de predikanten, die op dit punt zuiver van wandel waren, dat trouwen voor den schout soms niet vertrouwden? Gelijk zij evenmin konden toestaan, dat wie anders wel in de kerk kwamen, op 't stadhuis trouwden: het was een „misbruijck der ordonnantie van de policye”.
Op den trouwdag werden de ringen veranderd. De vrijster draagt den (verlovings)ring aan den linkerringvinger, dikwijls ook aan den duim, na haar huwelijk aan rechtervinger of -duim. Zoo was het nog op 't einde der Republiek. Wij durven, om ons bestek, over trouwringen niet uitweiden, er zijn meesterwerken van kunst bij en sommige hebben een Europeeschen naam, zooals de „ring van Frangipani”, ± 1514, thans te Augsburg, met de ingegraveerde, bekoorlijke woorden „Myt wyllen dijn eygen”,ring, die misschien gedragen is door Christoffel, graaf van Frangipani bij zijn huwelijk met Apollonia von Wellenbrug en door H. Thode bezongen werd. Wie deze en enkele andere ringen wil afgebeeld zien, kan „Die Woche” 1913, S. 1913–1916 opslaan en er de toelichtingen van Willy Bauer bij lezen.
Wanneer nu aldus bruidegom en bruid zich elkander in huwelijk gegeven hadden volgens wet en gewoonte, wachtte thuis het bruiloftsmaal.
„Daer twee geliefden trouwenMet weêrzijds vrinden raad,Daer mag bij 't bruyloft houwenWel zijn een blij gelaad...”,
„Daer twee geliefden trouwenMet weêrzijds vrinden raad,Daer mag bij 't bruyloft houwenWel zijn een blij gelaad...”,
zagen wijvroeger.
Bij aanzienlijken en gegoeden was de tafel prachtig versierd met bloemen, met slingers, met gekleurd zand ook kunstig bestrooid. De suikerbakkers wedijverden in het scheppen der kunstwerken, die den disch zouden versieren, jachtpartijen, zeeën met schepen, waranden met dieren, de Hof van Eden natuurlijk met Adam en Eva, welke laatste heerlijkheid Cats de vraag doet stellen:
„Waerom toch voor de bruyt een hof op tafel staat?”
„Waerom toch voor de bruyt een hof op tafel staat?”
wat hij dan beantwoordt met eene bespiegeling over Hooglied IV, 12: „Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein,” volgens zijne en de theologie zijner dagen alles zinnebeeld van het huwelijk tusschen Christus en zijne kerk, in waarheid—dit gansche Hooglied—eene verzameling Oudoostersche bruiloftsliederen, in verheerlijking der zinnelijke liefde gelijk, aan wat in zijn eigen dagen nog aan het bruiloftsmaal gezongen werd. De tafel boog door onder den last der gerechten, tegen de weelde waarvan, tegen het aantal gasten en schotels, de overheid wel door keur bij keur optrad, maar zonder veel gevolg, al moest, te Groningen, de bruidegom zelf ten stadhuize onder eede komen verklaren, dat op zijn feest naar die keuren was gehandeld.
Maar de vaderen hadden gezonde magen (misschien zij het ons vergund te verwijzen, naar wat wij over hun eten en drinken schreven in „Het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders”, blz. 157–164) en op Susanna Huygens' bruiloft zaten de gasten vijf uren aan tafel te midden van „la senteur des viandes” en toen kon M. du Thou, de Fransche ambassadeur, het niet langer uithouden en moest noodig eens opstaan „pour se degourdir le jarret”. Ook de kerk heeft geijverd tegen den overdaad, debrasserijen en de verspilling bij de bruiloften, bij de schouten aangedrongen op maatregelen „om de ongeregeltheden, die in de landsbruyloften ommegaan te bekampen”. Dubbel erg dus, dat soms predikanten zelven het slechte voorbeeld gaven, zooals Franc. Pontanus, predikant te Odoorn, door „ongeregeltheiden, bi hem alhijr binnen Assen begangen als sijn bruloft gecelebreert werde” (1608).
Het Boerenbruiloftsmaal (16e eeuw).—Naar Peter Brueghel den Oude.Het Boerenbruiloftsmaal (16eeeuw).Naar Peter Brueghel den Oude.
Het Boerenbruiloftsmaal (16eeeuw).Naar Peter Brueghel den Oude.
Naar Peter Brueghel den Oude.
Van die bruiloftsliederen gesproken—gedicht en gezongen werd er bij het feest uit den treure. Huwelijken, klaagde reeds de groote hervormer Anastasius Veluanus (1554) „beginnen met gasterijen, onkuys dantssen und singen...” De gasten droegen de liederenboekjes bij zich, duodecimo-bundeltjes, vaak prachtig gebonden, met allersierlijkste slootjes en bevattende minne-, bruilofts- en drinkliederen op aangegeven wijs. De inhoud is zeer verscheiden, oude balladen en volksliederen, zooals het lied van de Soudaensdochter:
„Hoord toe al die vol liefde zijt,Het lust mijn geest te zingen...”
„Hoord toe al die vol liefde zijt,Het lust mijn geest te zingen...”
of „Het daghet in den Oosten”, of „Na Oostland wil ik vaaren”; dan verzen aan de beste dichters van den eigen tijd ontleend, soms deerlijk verminkt, goede en slechte, waarin onbeschroomd het mingenotbezongen wordt, dat zoo straks het bruidspaar wacht, of waarin de gasten tot zingen en kussen worden opgewekt, kussen, geen klein deel van der vaderen gulle bruiloftspret, „des coups de baiser”, zegt alweêr Huygens, „francs et bien appuyez, enfin baisers apostoliques et de bonne foy, qui firent un bruit dans la sale, comparable à celuy que les chartons d'Anvers et de Bruxelles font avec leurs fouets, quand quelque douzaine de charrettes enfile les premières rues”. Dan weer plotseling tusschen de dartelste minneliedjes in een geestelijk: „O kerstnacht schooner dan de dagen” of, zooals in het „Groot Hoorns liedeboeck” eene berijming van Spr. XXXI, eene rijmelarij uit het Hooglied:
„Wanneer zal hij mij kussen fijn,Zelfs met de kus zijns monds divijn..”
„Wanneer zal hij mij kussen fijn,Zelfs met de kus zijns monds divijn..”
dan de psalmen 23, 33, 45, 100, 128 naar Datheen, het Onze Vader berijmd en (met doorloopende coupletten) het Ave Maria:
„Maria, vol van gratie,Uw name groeten wijMet groote jubilatie,Zoo is de Heer met dij..”
„Maria, vol van gratie,Uw name groeten wijMet groote jubilatie,Zoo is de Heer met dij..”
Deze liederen mag de lezer niet verwarren met deverzen, voor eene bepaalde bruiloft gedicht, door de grootsten onzer zangers of door de pooversten onzer poëtasters, de heerlijkste kunst dus of het ellendigst gerijmel, vrij uit het dichterlijk gemoed geweld of nagelbijtend op bestelling geleverd. Sommigen zijn gemeen, ook de beste dikwijls dartel, Vondel is af en toe van gloeienden hartstocht en bij Hooft slaat ook soms, zegt Kalff, „de vlam der gezonde zinnelijkheid uit”. Verbood ons bestek het ons niet, wij zouden gaarne van 't schoonste afschrijven, zooals van Vondel op de bruiloft van J. Linnich en Kathar. de Vries:
„Hoogste wijsheid, wiens beleidD'eeuwigheidVan het menschdom door het parenHandhaaft, en met volle vreugdOnze jeugdZegent onder 't zoet vergaren...”
„Hoogste wijsheid, wiens beleidD'eeuwigheidVan het menschdom door het parenHandhaaft, en met volle vreugdOnze jeugdZegent onder 't zoet vergaren...”
In deze liederen zijn, naar de mode van den tijd, Venus en Cupido de graag aangeroepen goden, die het genot der liefde smaken doen. Zijn er ten onzent ook geweest, die ze juist wilden weren als beschermers van de grofzinnelijke liefde, als in een bruiloftslied van Philip Sydney (1581):
„But thou, foul Cupid, sire to lawless lust,Be thou far hence with thy empoisoned dart,Which, though of glittering gold, shall here take rust,Where simple love, which chastness doth impart,Avoids thy hurtful art?”
„But thou, foul Cupid, sire to lawless lust,Be thou far hence with thy empoisoned dart,Which, though of glittering gold, shall here take rust,Where simple love, which chastness doth impart,Avoids thy hurtful art?”
In den loop der jaren werden de bruiloftszangen gekuischter, verzwegen de zangers, wat niet meer gezegd worden mocht, en in 1824 zingt Spandaw in een „Echtzang”:
„Gij wacht hier, bruidegom, geen dartle minnezangen,Geen cithertonen, waar Idalisch vuur in gloeit..”
„Gij wacht hier, bruidegom, geen dartle minnezangen,Geen cithertonen, waar Idalisch vuur in gloeit..”
Maar Bilderdijk kon zich niet weerhouden, bij de bruiloft van Pieter N. en Celia V., van woordspelingen als:
„Pietercelie, roem der hovenJa gij watert ons den mond!Laat vrij Pieter Celie stovenDat gerechtje is gezond.”
„Pietercelie, roem der hovenJa gij watert ons den mond!Laat vrij Pieter Celie stovenDat gerechtje is gezond.”
De vroegere, zeer openhartige zinspelingen op het te wachten kroost zijn op 't einde onzer periode geworden tot een „toast aan een bruiloftsdisch” (van C. G. Withuys):
„'k Breng een toast aan 't eerste wiegje,Bruidje bloos er maar niet om!'t Eerste wiegje is bij gehuwdenBoven alles wellekom.”
„'k Breng een toast aan 't eerste wiegje,Bruidje bloos er maar niet om!'t Eerste wiegje is bij gehuwdenBoven alles wellekom.”
Wil men zich over deze grooter ingetogenheid verheugen, het is ook waar, dat oudtijds onze liederen nog in den volksmond leefden, waaruit ze thans, helaas, verdwenen zijn. De dienstmaagd in Asselijns „Saartje Jansz. of de gewaande dienstmaagd” zingt onder den arbeid een bruiloftslied op Tromp:
„Tsa trompen en trompettenBlaas op een gouden toon,Nu Tromp de oorlogswettenVerlaat om Venus' zoon..”
„Tsa trompen en trompettenBlaas op een gouden toon,Nu Tromp de oorlogswettenVerlaat om Venus' zoon..”
Omdat bruiloftsverzen somtijds hatelijke, politieke toespelingen bevatten, stonden zij hier en daar onder censuur, welke taak te Groningen was opgedragen aan den... Rector magnificus der hoogeschool! Tegen het al te losse, het soms gemeene erin verzette zich al wat puriteinsch dacht onder de vaderen. Kan het Gode aangenaam zijn, vroegen zij, als men de beginselen des huwelijks zoekt in die ijdele, afgodische namen en grillen van Venus, Cupido en ander duivels gespuis? Wordt niet door zulke venusdichteneene ontuchtige manier van spreken ingevoerd en de jonge jeugd schrikkelijk afgetrokken in hare vrijagiën? Het was beter deze lichte en dartele galmen, deze venusjes en voddekens, dit „singen en lollen van lichtveerdige en onkuysche liedekens” te vervangen „door geestelijcke en stichtelijcke propoosten”. Het was slechts jammer, dat zij, zooals zoo dikwijls, reeds kwaad zagen, waar wezenlijk was onergerlijke blijdschap aan het leven en zijne volheid en dat zij, zooals ook vaak, met het badwater ook het kind uitgoten.
Jodocus van Lodenstein zat eens aan zekeren bruiloftsdisch en zorgde, dat men over tafel slechts hoorde „geestelijcke gezangen of gebeden of stichtelijcke redenen”. En toen Jacobus Arminius, toen nog predikant te Amsterdam, te Leiden de bruiloft vierde van Kuchlinus met zijne tante, voerde hij met zijn tafelbuurman, den uitnemenden hoogleeraar Franc. Junius, een druk gesprek over den val van Adam, de oorzaak, de manier waarop en de gevolgen van dien. Men kan niet nalaten te denken, dat dit toch wel het andere uiterste is.
Op eene bruiloft werden vertooningen gedaan en even natuurlijk, dat er gedanst werd, die bevallige, die statige dansen, die thans vergeten zijn. Ook tegen dit dansen heeft de kerk zich altijd verzet, wederomzonder eenig onderscheid te maken tusschen het wezenlijk wulpsche en gemeene èn het sierlijke, losse, gracelijke van den onergerlijken dans. Eens is gansch Groningen in rep en roer geweest, omdat een ouderling op de bruiloft zijner dochter, het was in 1772, het gewaagd had met zijne dame en het jonge paar een menuet te dansen. Betje Wolff heeft het schrikkelijke geval vereeuwigd in haar gedicht: „De menuet en de domineespruik”. Bij boerebruiloften was het dansen zeker niet altijd los en bevallig: wie den „Boerenbruiloftsdans” van Pieter Brueghel (den vader, gest. 1569) ziet, kan daaromtrent geene groote verwachtingen koesteren.
Maar thans—na een poos dansens—komt het oogenblik, dat de bruid „te bedde gedanst” wordt. Zoo nog in de 17de, niet meer in den loop der 18deeeuw. In de liedjes gaat dat nog kalm toe:
„Strooyt kruytjes en bloemtjes, de bruyd moet te bed!Geleyt er, bereit erOntkleet haar te metEn kust haar goe nagtEn slaat dog wel agt,Dat niemand haar ruste verstoort of belet!”
„Strooyt kruytjes en bloemtjes, de bruyd moet te bed!Geleyt er, bereit erOntkleet haar te metEn kust haar goe nagtEn slaat dog wel agt,Dat niemand haar ruste verstoort of belet!”
Dansend paar (16e eeuw).—Naar H. Aldegrever.Dansend paar (16eeeuw).Naar H. Aldegrever.Dansend paar (16e eeuw).—Naar C. Bos.Dansend paar (16eeeuw).Naar C. Bos.
Dansend paar (16e eeuw).—Naar H. Aldegrever.Dansend paar (16eeeuw).Naar H. Aldegrever.
Dansend paar (16eeeuw).Naar H. Aldegrever.
Naar H. Aldegrever.
Dansend paar (16e eeuw).—Naar C. Bos.Dansend paar (16eeeuw).Naar C. Bos.
Dansend paar (16eeeuw).Naar C. Bos.
Naar C. Bos.
Maar in werkelijkheid ging het ruwer. Schrikt niet! Daar grijpen midden onder den dans de jongeregasten de bruid aan en dragen en sleuren haar naar het bruidsvertrek—vage herinnering aan den ouden bruidsroof. Wel snelt de bruidegom den troep achterna en koopt de bruid terug door een feestje te beloven, het „weerom-vetje” op een der komende dagen. Maar nu barst de storm eerst recht los. Bed, dekens, kussens, al de geheimen der slaapkamer begluren zij, betasten zij en eindelijk vallen zij op de arme bruid aan en „plukken haar als een vogel” en nemen haar af sluier en lint, ketting en kroon, tot hare kousebanden toe, welke laatste vooral als gewenschte buit, als eene oorlogstropee, worden meêgenomen en aan tafel vertoond. De jonge echtgenoot raakt de dolle bende eerst kwijt, als hij doet, alsof hij zich ontkleeden gaat. Op deze manier werd bij de deftigste families de bruid te bedde gedanst. Gelukkig nog, zoo men haar en haar echtgenoot voor 't overige van den nacht met rust liet! Wel mochtEdmund Spenserin zijn „Epithalamion” (1594) smeeken:
„Let no false treason seek us to entrap,Nor any dread disquiet once annoyThe safety of our joy;But let the night be calm, and quietsome,Without tempestuous storms or sad affray,Like as when Jove with fair Alcmena lay....And let the maids and young men cease to sing,Ne let the woods them answer, nor their echo ring.”
„Let no false treason seek us to entrap,Nor any dread disquiet once annoyThe safety of our joy;But let the night be calm, and quietsome,Without tempestuous storms or sad affray,Like as when Jove with fair Alcmena lay....And let the maids and young men cease to sing,Ne let the woods them answer, nor their echo ring.”
Wel mocht nog twee eeuwen later Goethe zingen:
„Im Schlafgemach, entfernt vom Feste,Sitzt Amor dir getreu und bebt,Dasz nicht der List muthwill'ger GästeDes Brautbetts Frieden untergräbt...”
„Im Schlafgemach, entfernt vom Feste,Sitzt Amor dir getreu und bebt,Dasz nicht der List muthwill'ger GästeDes Brautbetts Frieden untergräbt...”
Van huwelijksreizen wisten de vaderen niet; nog van 1800 vertelt Jacob van Lennep, dat zulke dwaze, onkiesche dingen toen nog niet voorkwamen. Den eersten morgen komen de naaste vrouwelijke bloedverwanten de jonge vrouw begroeten en bij 't kleeden helpen (zóó nog bij Saartje Burgerhart, bij Chrisje Helder), de dienstbode brengt het morgenwater en ontvangt haar bruidsstuk als loon. Lang vergeten was de oude gewoonte van te onderzoeken, naar wat wij boven (blz. 90) hebben aangestipt. Lang ook vergeten (sommigen hebben ontkend, dat het ooit bestond: zóó Karl Schmidt, zóó Bismarck) was in onze periode het recht van den landsheer op den eersten nacht. Wie het vroeger bestaan ervan nog trachten te handhaven zeggen, dat het wijst op een „tijdperk van overgang tusschen de vroegere, alsheilig beschouwde, rechten van den stam én de langzaam opdagende persoonlijke rechten van den echtgenoot. Later wordt het dan beperkt tot enkele voornamen, nog later afgekocht, om eindelijk te verdwijnen.” Het is mogelijk, wij stellen ons geen partij; in elk geval was dit gebruik in den nieuwen tijd verdwenen.
Dit geldt wezenlijk ook vande morgengave, het geschenk door den man den eersten morgen aan zijne vrouw gegeven. Dit werd langzamerhand eene som gelds, waarvan het bedrag in het huwelijkscontract werd bepaald, maar waarvan de oorspronkelijke beteekenis geheel verloren was gegaan. Op deze manier: „Eyndelick (het is een stuk van 1626) soo heeft de bruydegom, Johan Witten, siin toecomende huysvrouw (Johanna van Brienen) een morgengave ende nae morgengaevesrechten uyt siin gereedste goederen gegeven 1200 caroli guldens”. Ook kwam het voor, dat de morgengave niet was betaald en werd opgeëischt. Het volgende signaat, d.d. Putten 26 Juni 1544, dat in zijn kortheid toch veel vertelt, lichte dat toe. Griet Jans spreekt aan de vier erfgenamen van haren overleden man, die haar schuldig zijn 12 rijderguldens „van de morgengaeve, gelick die frunde sulx verdedingt ind gemaeckt hebben.”
Te dezer plaatse voegt nog de herinnering vooreerst aan huwelijken op de graven gesloten, opdat (wonderbaar taaie nawerking van den ouden doodenkultus) daardoor lafenis zou geboden worden aan de zielen, wier stoffelijk omhulsel in die groeve rustte. De schilder Maerten van Heemskerck bestemde in 1558 de opbrengst van een stuk land voor „schamele doch eerlijcke jongelieden”, die op zijn graf en dat zijner vrouw te Haarlem zouden trouwen.
Niet minder eigenaardig was de ten onzent (maar ook reeds den Romeinen bekende) diepgewortelde gewoonte (voortgekomen uit de gedachte, dat de dood moet wijken voor wat de kweekplaats des levens is), dat, wie op weg naar het schavot door eene vrouw ten huwelijk werd gevraagd, van den dood vrij kwam. Toen den 3denJuni 1572 de jonge Theodoor Bommer te Gorinchem door Lumey's geuzen naar de galg werd gevoerd, redde een meisje hem op die wijze van den dood. Zoo erlangde 17 September 1603 een door Maurits ter dood veroordeeld Spaansch soldaat lijfsbehoud, „verboden synde door eene jonghe dochter”. Ja, nog in 1672 gold het gebruik in de rechtspraak. Te Amsterdam zouden toen vier Fransche soldaten worden gehangen. „Eenige juffrouwen, met groote meedogenthijt ingenomen”, vroegen aan burgemeester Outshoorn pardon voor de„gecondemneerdens”. Daarop „den heer Outshoorn sijde of de juffrouwen of eenige derselve, souden genegen wesen daarmede te trouwen?” Maar ongelukkig kon het middel deze maal niet worden toegepast: de juffrouwen „antwoorden alle getrout te sijn”. Toch kwamen de Franschen er af met brandmerking en gewipt worden aan de wipgalg. Soms echter ging strengheid boven gewoonte, als toen de jonge officier Nicolaasde Maulde de Mensard, betrokken in de leycestersche samenzwering te Leiden, 27 October 1587 werd terechtgesteld, niettegenstaande een „juffrouw genaemt Uytenbroeck” hem ten huwelijk vroeg.
Na de bruiloft volgden nog de „navetjes”, ook plachten de jonggetrouwden bezoeken te brengen aan magen en vrienden, binnenlandsche reisjes, waaraan toen zooveel meer vast zat dan nu, maar waarvan nog zoo kinderlijk, zoo volop in de ongerepte natuur genoten werd. Dan loopen echter de wittebroodsweken ten einde, de speelman is van het dak, het gewone leven herneemt zijn eischen.
ECHTSCHEIDING, ECHTMIJDING EN HERTROUW.
Naar Germaansche rechten gaf overspel der vrouw aanleiding tot hare verdrijving uit de echtelijke woning en dus tot scheiding. Zij had inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van den man. De man daarentegen had geene gelijke verplichtingen, zijn omgang met andere vrouwen leidde niet tot echtscheiding. Hij kon alleen inbreuk maken op het eigendomsrecht van een anderen echtgenoot en dáárvoor worden gestraft. „De man kon alleen vreemd, de vrouw alleen eigen echt breken.” Voorts kon—wij laten ons leeren door Fockema Andreae—het huwelijk worden ontbonden door vredeloosheid van een der echtgenooten, door onderlinge overeenkomst, door verstooting door den man op zekere gronden als b.v. onvruchtbaarheid.
De roomsche kerk stelde daartegenover haar volstrektverbod: slechts de dood snijdt den huwelijksband door; toch heeft het tot de elfde eeuw geduurd vóór zij haar stelsel zonder beperking vermocht in practijk te brengen. Tegelijk werd hare rechtspraak in gevallen van echtscheiding telkens gehoorzamer gevolgd, ook in ons vaderland, waarmede wij hier vooral te maken hebben. Daarbij moeten wij onderscheiden tusschen scheiding van tafel en bed èn echtscheiding. De eerste was, natuurlijk ook alleen met medewerking van het kerkelijk gezag, geoorloofd. Toen de geestelijke rechtbanken hunne bevoegdheid in wereldlijke zaken verloren hadden, sprak de lagere rechter de scheiding van tafel en bed uit, soms ook een Hof, op grond van overspel, ziekte, kwaadwillige verlating of ook na onderlinge toestemming. In Amsterdam, kort vóór de Reformatie, las de pastoor van de St. Jacobs-kapel aan den Nieuwendijk de vonnissen der overheid in zake scheiding van bed en samenwoning van den kansel af. Daarna gingen partijen uit de kerk, de een door de hoofddeur, de ander door die in de Hasselaarsteeg, daarom ook Trouweloossteeg genoemd. Zoo althans vertelt Lelong.
Over andere redenen heerschte niet overal gelijkheid van rechtspraak. Scheiding van goederen was er altijd het gevolg van. Maar de huwelijksbandbleef bestaan en naar hereeniging moest worden getracht. Echtscheiding daarentegen was toegelaten op grond van overspel en van verlating. De toestand bij den aanvang van de nieuwe bedeeling ten onzent was dus, naar de woorden van Huig de Groot: „Volgens Christus' vermaninge wordt in dese landen geen scheydinge des egtbandts toegelaten, dan door de doodt van een der egtgenooten ofte door overspel. Alle andere willige ofte regtelijke scheydinge konnen den egtbandt nogte de regten daar uyt ontstaande niet verbreeken.”
Vragen wij thans naar de houding der gereformeerde kerk en naar haren invloed te dezen. Men kan zeggen: zij heeft huwelijksscheiding zeer moeielijk gemaakt en aarzelend toegelaten. De gezaghebbende Geneefsche theoloog Beza gaf wel toe, dat wat God vereenigd had door den mensch niet mocht worden gescheiden, maar hij liet dit niet gelden voor zulke verbintenissen, die tegen Gods eigen wetten waren aangegaan. Daartoe rekent hij, als na het huwelijk blijkt van eene ongeneeselijke ziekte, geslachtelijk onvermogen, en voorts overspel, verlating en verwisseling (zie bovenblz. 125).
Latere, Nederlandsche theologen oordeelden strenger. „Ons wordt”, zegt prof. Van Renesse in een insgelijksreeds genoemd boek, „geen keur gegeven,wij mogen deze banden onzes Gods niet verscheuren en zijne touwen van ons werpen.” En met verontwaardiging maakt hij melding van „dat beklaaglijk spreekwoord”: 't geene Venus t'zamen voegt, dat scheid de knuppel. Het spreekwoord luidt ook, o. a. bij Campo Weyerman, den beruchte: „Dat Venus voegt scheidt de knuppel”. En mr. Joan de Brune houdt er deze bespiegeling over: „Te veel hitte verbrant en bederft de vlaede. Een matighe stokinghe maeckt het beste mout. 't Is wel gezeght: mint mij niet veel, maar mint mij langh. Heete liefde is haast kout.” Welke oudvaderlandsche huwelijksfilosofie Cats, al rijmend, aldus uitdrukt:
„Eedt te sweren op de pluymen,Dat en sijn maar minne-luymen.”
„Eedt te sweren op de pluymen,Dat en sijn maar minne-luymen.”
Ook prof. à Limborch is onverbiddelijk en zou alleen om echtbreuk scheiding toestaan. Als eene vrouw den man verlaat b.v. om des geloofs wille, mag, zegt hij, de man geen nieuw huwelijk sluiten; het oude is niet gebroken. In dezen geest nu, mag men zeggen, spraken ook de synoden zich uit. Al van den beginne oordeelen zij, dat een echt bevestigd met consent van ouders of voogden en ook van de jongelieden, niet mag verbroken worden. En als dande overheid in een bepaald geval geen uitspraak wil doen (wat dikwijls voorkwam b.v. uit vrees voor een der partijen) dan mogen de consistories toch de echtgenooten niet veroorloven een nieuw huwelijk aan te gaan. Opdat niet, zeide eene synode in 1575 zeer correct, de hertrouwden zich op het oordeel der kerkeraden in plaats van op de sententie der overheid zouden gaan verlaten. Van ditzelfde, juiste beginsel blijkt telkens.
In 1577 besloot de Alkmaarsche kerkvergadering, dat, zoo iemand wegens overspel geene echtscheiding van den magistraat verkrijgen kon en toch hertrouwen wilde, de predikanten dat huwelijk zouden mogen sluiten, omdat (overspel ook voor de kerk als scheidingsgrond gold en) de overheid er zich niet mede verkoos in te laten. Maar de volgende, Hoornsche, synode vernietigde dat besluit, omdat kerkedienaren niet den schijn op zich mochten laden zich in overheidszaken te mengen. En ook hierover waren de kerken het eens—altijd strijdende voor de vastheid des huwelijks—dat zij in geen geval lichtzinnige verlatingen zou bevorderen door—waar zij te beslissen had—echtscheiding te vergemakkelijken. In Noord-Holland stelde een oud plakkaat ƒ300 boete op het uitééngaan van getrouwde personen, waarvan velen natuurlijk gaarne gebruik maakten, lieverdie som verliezend, dan in onvrede samenblijvend. Doch de kerk, streng, onverbiddelijk, beginselvast, eenzijdig wilde op geenerlei manier dit lichtvaardig bedrijf in de hand werken, zij vroeg H.H. Staten opheldering omtrent dit afkeurenswaardig stuk en gebood haren dienaren middelerwijl zulke personen te blijven beschouwen als nog gehuwd, en een nieuw huwelijk als overspel.
En dit alleswasniet maar theorie. De Haarlemsche predikant Lucas Hespius verhaalde eens ter synode zijner woonplaats, hoe onlijdelijk en hoe bedroefelijk het hem was met eene onvreedzame huisvrouw te moeten leven en tegelijk zijnen kerkedienst te betreden. Heeren burgemeesteren, voor deze zaak ter vergadering gekomen, adviseerden, liever gezegd schreven voor, dat Lucas drie maanden met verlof buiten Haarlem zou gaan. Kwam in dien tijd geene verzoening tot stand, dan zou hij moeten scheiden van... zijn ambt.
In dezen zelfden tijd, 1597, vroeg een vrouw aan de synode van Schoonhoven om scheiding, zij was getrouwd met een man, die weleer furieus (d. i. krankzinnig) geweest, maar ten dage des huwelijks kloek van zinnen was. Nu was hij echter weêr furieus. Haar verzoek werd afgewezen en zij moest met den krankzinnige blijven leven—tenzij de overheid ingreep.Deze strengheid der kerk ontaardt in rigorisme. Want van haar is ook deze beslissing. Gevraagd „oft yemandt, eene onsinnige oft rasende partuere hebbend, na veel jaeren, als de saeck, na menschenoordeel, tot beteringe desparaet is, nyet en sal mogen scheyden en eene andere trouwen”, antwoordt de kerk: „men vindt nyet, dat sulx toegelaten moge worden ende daeromme sal deghene diet aengaat vermaent worden sijn cruys met gedult te dragen ende te wachten op Gods verlossinge”. Tot eene andere verlossing vond zij geene vrijmoedigheid mede te werken.
Dit is zeker hard. Toch hebben wij voor dit rigorisme nog meer bewondering dan voor eene slapheid als die der roomsche geestelijkheid in de dagen van haar verval onder Karel V. Te Cats in Zeeland, laat ik mij door dr. J. S. Theissen vertellen in zijn boek over de regeering diens keizers, verslingerde zekere Pieter Yemants zich aan een meisje van slechte zeden. Zij trouwden voor deken en provisor van Walcheren, die hun echter later samenwoning verboden en te Utrecht een proces tot scheiding tegen hem aanhangig maakten, toen hij niet gehoorzaamde. Ook sloegen zij hem met den ban, toen hij de hem opgelegde boete weigerde te betalen. Pieter beriep zich toen op de wereldlijke overheid, want „die provisoer ende deken, tselve considereerendeende souckende nyet alleen die salicheyt vanden sielen vanden voorsz. contrahenten, maar oick mede die gecruyste sielen, daarmen die roode butter omme coopt” (nl. het geld; maar de juiste beteekenis ontsnapt mij) „ende verhopende geen schade, maer groote bate hier uyt te gecrigen, hebben middelen gesocht omme den contrahenten wederomme te onttrouwen.”
Hoogst eigenaardige practijken treffen wij in de 16deen nog in de 17deeeuw aan bij de doopsgezinden ten onzent, de eenig overgebleven, maar talrijke, groep van de vele anabaptistische uit het tweede en derde tiental jaren der 16deeeuw. Maar ook deze doopsgezinden waren nog in talrijke grootere en kleinere groepen gesplitst. Onder deze waren er, die met strengheid den ban toepasten d. i. de uitwijzing uit de gemeente en daaraan, even streng, verbonden den eisch tot echtmijding. Wanneer nl. een man of vrouw uit de gemeente gebannen was, dan moest zelfs de echtgenoot hem of haar met de gemeente mijden. De ban bracht dus (voor 't minst tijdelijke) echtscheiding met zich. Ik haast mij er bij te voegen, dat er ook zeer milde secten en personen onder hen waren, die (als Matthijs Servaes) niet wilden, dat echtgenooten elkander zouden „schouwen ende mijden”,omdat zij één vleesch zijn, en die, mèt de Hoogduitsche broeders op een convent van 1557, zeiden: „dat gebodt des Echtstants draeght veel meer (heeft grooter gezag) dan de mijdinghe”.
Ook Menno Simons was aanvankelijk tegen de echtmijding. In een brief van 12 November 1556 aan de broeders te Emden over de geruchtmakende zaak van Swaantje Rutgers, die weigerde haren man, schoon uit de gemeente gebannen, aan tafel en in bed te mijden, koos Menno de partij der vrouw en van wie haar gelijk gaven. Hij oordeelde, dat de afzondering uit de gemeente tot betering niet tot verderving gegeven is. „Daervoor wil mijn de bermhertighe Heere verhoeden, dat ick dat toestaen soude”, dat wie elkander jaren lang als echtelieden toebehoord hebben, alzoo zouden gescheiden worden. „Ende is derhalve mijn siel een groote smerte... dat men Swaan Rutgers... daarom den duivel overgeven sal.” Hij begeerde, ook in deze zaak, een evangelie te leeren, dat bouwt en niet breekt, dat wèl en niet kwalijk riekt. Later is Menno echter, onder allerlei invloeden, tot de strenge partij overgegaan, ofschoon hij in zijne laatste ziekte daarvan weder berouw had en zeide: „Hoe leet is mij, dat ick die echtmijdinge hebbe geconsenteerd”. Wij echter hebben met die strenge richting onder de doopsgezinden alleen te doen.
Wanneer bij hen een huwelijk besloten was, ondervroegen de dienaars bruidegom en bruid vooral over den ban, of zij bij geval elkander mijden zouden? Zeiden zij neen, dan mocht het huwelijk niet doorgaan. De echtmijding, in zichzelve al bedenkelijk, voerde tot allerlei ellende en tot misdadige practijken, die ook buiten doopsgezinde kringen haren invloed gelden deden. Vooreerst—gelijk de tegenstanders opmerkten—wie de gave der onthouding niet heeft „ende nochtans tot afscheydinge gedrongen wert, hoe can die sonder sonde ende besmettinge leven?” Echtmijding voert tot ontucht.
Dan geschiedde het menigmaal, dat man en vrouw gewelddadig gescheiden werden, „dat wijf van haren gebanden man heymelick ende subtijlick, buyten weten en willen van denselven haren man, vervoert ende verborgen... waardoor eenige totter doodt toe van hare huysvrouwen deerlijck sijn berooft ghebleven.” Uit wanhoop sloegen zij dan vaak de hand aan zich zelven, waarvan verscheiden voorbeelden tot ons gekomen zijn, of, kalmer, maar niet minder tragisch, men deelde kinderen en goederen en zag elkander niet weder.
De ellende, door dit barbaarsche stelsel veroorzaakt, treedt ons duidelijk voor oogen in de geschiedenis van Dionies van Walle, grijnwever van beroep,wonende in de korte Koppenhincksteeg te Leiden. Deze man was getrouwd met eene doopsgezinde vrouw en hare geloofsgenooten „hadden haar mèt hare kinderen ontvoerd en nu al 14 maanden bij zich gehouden”. Zóó luidde zijne klacht voor de Schiedamsche synode in 1588. Zelfs zouden zij verklaard hebben, dat Dionies zijne vrouw niet zou terug zien, zoolang zij vruchtbaar was. De synode, niet ten onrechte vertoornd over deze „menschendiverie”, gaf den man zooveel troost als zij kon: de magistraat te Leiden had al besloten, dat de vrouw met klokslag zou worden ingeroepen. Ook spreekt het van zelf, dat de schout de zaak onderzocht, waarbij hij den indruk kreeg, dat Maaiken van Rebaus, zoo heette de vrouw, minder was weggeroofd dan wel haar man had verlaten, zooals zij vroeger ook al eens te Haarlem had gedaan „omme vant kinde daer mede zij swanger was heymelijken te geleggen ten eynde tselve haer kint niet en soude worden gedoopt”. Zij wilde terugkeeren, als de man beloven wilde het kind niet gereformeerd te doopen—en daarop is de zaak afgestuit. Het verder verloop der geschiedenis is ons niet overgeleverd, maar duidelijk blijkt welk eene verwoesting de echtmijding in de gezinnen bracht, waarbij het er weinig toe doet of Maaiken is ontvoerd, dan wel in overleg met hare geloofsgenooten zelve isgegaan. Wel begrijpelijk zeide nog Jan Vos in een zijner puntdichten: