Chapter 2

Toch levert de geschiedenis een aantal voorbeelden van een aanzienlijk en welgewapend getal aanvallers, die zich door een naauwlijks noemenswaardigen hoop verdedigers hebben laten terugslaan. Zeer zeker zou Elias Beeckman, toen hij met luttel manschappen, met vrouwen en kinderen de vesting Aardenburg tegen een Fransch leger verdedigde niet alleen, maar den vijand met groot verlies deed wijken, den dood verdiend hebben, indien zijn stoutmoedigheid een min voordeeligen uitslag had gehad; maar hij bleef overwinnaar en in zulke gevallen wordt men door de goede uitkomst gerechtvaardigd.

Kwakzalvers.—Een zoogenaamde Alchymist beweerde het geheim te hebben uitgevonden om goud te maken en vroeg een belooning aan Paus Leo X, die een voorstander was der kunsten. De Paus toonde zich geneigd om aan zijn verlangen gehoor te geven en de kwakzalver achtte zijn fortuin reeds gemaakt. Maar leelijk keek hij op zijn neus, toen hij de verhoopte gift ontvangen kwam en van Leo niets anders kreeg, dan een groote leêge beurs, met de boodschap, dat, nu hij toch goud kon maken, hij niets anders behoefde dan een beurs om het te bergen.

Een rijke Engelschman lag te bedde met een hevigen aanval van de jicht, toen zijn kamerdienaar hem iemand kwam aandienen, die een onfeilbaar middel tegen die kwaal beweerde te hebben. „Is die wonderdokter te voet of met rijtuig gekomen?” vroeg de lijder. Het antwoord was: „te voet.”—„Zeg in dat geval,” hernam de zieke, „dat hij naar de pomp mag bruien; want zoo hij inderdaad het middel bezat, waar hij zich op beroemt, zou hij in eenkoets met zes paarden rijden en zou ik zelf hem gaan bezoeken en hem de helft van mijn vermogen aanbieden om van mijn kwaal bevrijd te worden.”

Een Kwakzalver is altijd vol vaderlandsliefde, zoo b. v. de man van wien Addisson in zijnSpectatorverhaalt. Deze stond te Hammersmith van zijn tooneel tot het volk te redeneeren en zeide: „ik ben in dit dorp geboren en opgevoed, en draag het groote liefde toe: waarom ik ook, uit dankbaarheid voor de weldaden, die ik er genoten heb, een kroon wil schenken aan elken dorpsgenoot, die mij de eer wil bewijzen die aan te nemen.” Terstond staken niet weinigen onder zijn toehoorders de hand uit om het beloofde geldstuk te ontvangen, en zagen met niet weinig gretigheid hoe de Dokter zijn arm reeds in een wijden zak stak. Maar in plaats van blinkende munt, haalde hij er kleine papieren pakjes uit en ging toen aldus voort: „deze poeders, Heeren! verkoop ik anders voor vijf schellingen zes penningen; doch uit achting voor deze plaats, die ik lief heb, geef ik ze hier vijf schellingen minder.” Ieder haastte zich aan dit edelmoedig aanbod gebruik te maken, en de poeders waren in een oogenblik verkocht, terwijl de omstanders, de een voor den ander borg stonden, dat er geen vreemdelingen onder hen, maar allen te Hammersmith geboren of althans woonachtig waren.

Een kwakzalver, die te Syrakusen gekomen was, beroemde zich een middel te kennen, waardoor Dionysius, die toen daar regeerde, de voorwetenschap zou bekomen van alle lagen, die men hem ooit zou willen leggen, en dat hij het den Vorst tegen een goede belooning zou mededeelen. Dionysius, op wiens leven men het reedsmeer dan eens had toegelegd, was natuurlijk zeer verlangend, in ’t vervolg tegen elken aanslag beveiligd te zijn; hij liet den man komen en vroeg hem wat zijn geheim was. „Mijn geheim,” antwoordde de ander, „is dood eenvoudig. Geef mij een talent zilvers en beroem er u voortaan overal op, dat gij nu ’t geheim weet.” Dionysius lachte en, het middel goed vindende, liet hij den man de zeshonderd kroonen uitbetalen.

Lafhartigheid.—Het was bij de meeste oude volkeren gebruikelijk, hen, die in den krijg op de vlucht getogen waren, met den dood te straffen. Het eerst werd die gewoonte in onbruik gesteld door Charondas van Catana, die wetten schreef, waar zoo wel Grieksche als Latijnsche steden zich naar regelden. Van oordeel zijnde, dat de schrik een gewaarwording is, waaraan ook anders dappere lieden onderhevig kunnen zijn en die iemand ook tegen zijn wil overvallen kan, schafte hij voor hen, die gevlucht waren de doodstraf af, doch gelastte, dat zij drie dagen in vrouwekleêren op eene openbare markt of plein zouden worden ten toon gesteld, in de verwachting dat de schaamte, die zij op die wijze ondervonden, hen voor altijd van den schrik genezen zou.

Hoe de vrees, wanneer zij eenmaal de lieden bevangen heeft, hen buiten bezinning brengt, en hoe aanstekelijk die is, daarvan werd mij door een ooggetuige een treffend voorbeeld medegedeeld. Mijn zwager Joan Hodshon, die in 1830 en later Kolonel-Kommandant was der schutterij te Amsterdam, was in 1812 met de zoogenaamdegardes d’honneurnaar Frankrijk getrokken, en tot Luitenant bij de kavallerie bevorderd zijnde, had hij in 1813den slag bij Leipzig bijgewoond, die, als men weet, door Napoleon verloren werd. Ieder weet welk een roem van onverschrokkenheid en volharding zich de „Oude garde” van den Keizer had verworven, en toch had in dien veldslag de schrik zich van een harer bataillons zoo zeer meester gemaakt, dat het den vijand den rug toekeerde en op de vlucht ging. Hodshon werd door zijn Overste gelast met een deel zijner ruiters hen in ’t vuur terug te brengen; doch hoe hij zijn paard ook aanzette, het was hem, zoo als hij mij later meer dan eens betuigde, niet mogelijk geweest, de vluchtelingen in te halen, wien de schrik vleugels aan de voeten scheen te hebben gegeven.

Nog vertelde hij mij, hoe, bij diezelfde gelegenheid, vóór den slag de dagorder gegeven was: „het is op doodstraffe verboden, een gekwetste bij te staan.” Dat verbod klinkt ons hard en onmenschelijk in de ooren; doch Napoleon, die, mits de uitkomst van den slag in zijn voordeel was, er zeer weinig om gaf of daar eenige arme drommels meer of minder aan werden opgeofferd, wist zeer goed wat hij deed, en zijn maatregel, hoe wreed ook, was niet onverstandig. Immers, wanneer een soldaat gekwetst wordt, zijn er voor ’t minst twee anderen noodig om hem naar achteren te dragen en verliest het gelid alzoo drie man. Bovendien, er waren in ’t leger niet weinig jonge soldaten en rekruten, die doorgaans zeer genegen zijn om een gewonde te „helpen”—of liever, om, onder schijn van hulp te bieden, zich aan het gevaar te onttrekken, en op die wijze kon het vallen van een man wel het terugtrekken van een half dozijn of meer ten gevolge hebben.

Er is met dat al groot verschil tusschen de lafhartigheid,die tijdelijk is en door onoverkomelijken schrik ontstaat, en die, welke aan een gebrek van plichtsgevoel te wijten is: tusschen die, welke de soldaat toont onder ’t strijden en die, waaraan zich de bevelhebber schuldig maakt, aan wien een post is toevertrouwd, of die in elk geval een goed voorbeeld behoort te geven. Daarom zijn dan ook ten allen tijde zij, die een post overgegeven of zich aan het gevecht onttrokken hebben, voor een krijgsraad gebracht en, naar bevind van zaken, met meerdere of mindere strengheid gestraft geworden. Men weet, hoe o. a. de Heer van Hemert, die in 1586 Grave aan de Spanjaarden had overgegeven, op last van Leicester, die toen Opperlandvoogd was, met den dood gestraft werd, en hoe in 1673 hetzelfde vonnis ten uitvoer gelegd werd op den Overste Mozes Pain et Vin, die de verschansing aan de Nieuwerbrug zonder bevel ontruimd en daardoor aan de Franschen een veiligen terugtocht geopend had. Ook herhaaldelijk werden onderscheidene zeekapiteins, die met hun schepen den slag ontweken waren, meer of minder zwaar, enkelen met den dood, gestraft, en onder de verzen van Vondel is er een, dat den titel draagt van „Staatswekker” en waarbij hij den Staat aanspoort om toch vooral strenge maatregelen te nemen tegen hen, die door hun lafhartigheid ’s lands vloot en ’s lands eer in de waagschaal stellen.

Onder de regeering van Frans I had de Heer van Frangot, Fontarabiën, waar hij het bevel over voerde, aan de Spanjaarden overgegeven. Voor dit feit werd hij van den adelstand vervallen verklaard, en zoowel hij als zijn nakomelingschap veroordeeld als voor altijd onedel en onbekwaam de wapenen te voeren. Een dergelijkestraf ondergingen later, onder Hendrik III, al de edellieden, die zich binnen Guise bevonden, toen deze plaats door den Graaf van Nassau (Willem I) genomen werd.

’s Lands wijs, ’s Lands eer.—Wie ’t overal wil hebben gelijk hij het t’huis heeft, wie zijn voedsel, zijn ligging, zijn kleeding, zijn uren van opstaan, eten, enz. niet kan regelen naar de gewoonte der plaats, waar hij zich bevindt, doet beter, nooit van huis te gaan. Alcibiades, dien ik anders niet als voorbeeld ter navolging stellen zal, wist zich even goed te voegen naar de eenvoudige Spartaansche zeden en met smaak het zwarte mengsel te eten, dat zij soep noemden, als hij, in Ioniën zijnde, in weelde en voorspoed op zijn Persisch wist te leven. Trouwens Alcibiades had een dier gelukkige naturen, die zich overal te huis vinden en zich daardoor ook overal bemind maken.

Inzonderheid past die gave om zich naar de zeden van ’t land te schikken aan hen, die er voor hun eigen of huns meesters belangen zijn. Hoe zullen zij zich vrienden maken, als zij gedurig toonen met alles ontevreden en nimmer op hun gemak te zijn? Montaigne vroeg aan een Edelman, dien hij als zeer matig en ingetogen kende en die in Duitschland een belangrijke onderhandeling had gevoerd, hoe dikwijls hij zich in ’s Konings dienst een roes had gedronken. Deze antwoordde „drie malen”, en verhaalde meteen bij welke gelegenheden. „Ik ken er,” voegt Montaigne, dit verhalende, er bij, „wie hun onbekwaamheid om op die wijze meê te kunnen doen in groote ongelegenheid heeft gebracht.”—Gelukkig, dat men de Gezanten tegenwoordig niet meer op zulk een proef stelt: het zou anders wel noodzakelijk zijn, bij deexamina, die afgenomen worden aan de aspirant-diplomaten, er een te voegen, waarbij zij een proef moesten afleggen van de hoeveelheid drank, die zij kunnen verzwelgen zonder van de bank te rollen.

Is men thans niet meer gehouden om, zoo men zich achting bij een volk wil verwerven, ook aan zijn uitspattingen en verkeerde gewoonten deel te nemen, toch zal men steeds wel doen, waar men zich bevindt, het spreekwoord „’s Lands wijs, ’s Lands eer” voor oogen te houden. Wie in Holland tegen den middag zijn koffie met een broodje gebruikt, gebruike in Engeland ale of porter met koud vleesch, en in Frankrijk zijn carbonade met een glas wijn, en hij zal er zich wel bij bevinden. De zendeling, die Sineezen of Hottentotten bekeeren wil, zal moeilijk slagen, zoolang hij niet eerst zelf zoo veel mogelijk een Sinees of een Hottentot wordt.

De Engelschman kan moeilijk, en minder dan iemand van eenige andere natie, van zijn gewonen leefregel afstand doen, en moet er dan ook dikwijls voor boeten. Ik herinner mij hoe, voor eenige jaren, verscheidene Europeanen in Sina werden vermoord. Onder hen was ook de korrespondent van het Engelsche dagbladthe Times. Deze had, om Sina en de Sineezen recht goed te bestudeeren, zich geheel als een Sinees gekleed, sprak de taal van ’t land vrij vloeiend, en had een geheel Sineesche reisbagaadje meê. Hij werd echter als vreemdeling herkend en opgehangen.—Mij verwonderde dit volstrekt niet, toen ik las, dat hij onder zijn bagaadje een half dozijn flesschensoda-waterhad; want een Engelschman schijnt het buitensoda-waterniet te kunnen stellen, en niemand dan een Engelschman zal er aan denken,soda-waterop reis meê te nemen. Het zal dus wel zijnsoda-watergeweest zijn, dat hem verklapt heeft.

Maar behalve dat men, door ’s Lands wijs te volgen, zich aangenaam maakt bij de inboorlingen, is zulks ook steeds heilzaam voor de gezondheid. ’t Schijnt, dat de ervaring in ieder land dien leefregel heeft doen aannemen, die er het meest toe geëigend is, en wie tegen dien leefregel handelt, begaat altijd een waagstuk.

Men weet, welk een slechten naam de kust van Guinee heeft met betrekking tot het klimaat, en hoe weinig Europeanen er gezond blijven. En nu verdient het opmerking, dat gedurende den tijd, dat Napoleon in oorlog was met Engeland en ons land bij Frankrijk ingelijfd, zoo dat men in de gemelde kolonie niets uit Europa, veel min uit het moederland bekomen kon, de Hollanders, die er waren, volkomen gezond bleven. Men schreef dit daaraan toe, dat zij al dien tijd wel gedwongen waren geweest, zich uitsluitend met de voortbrengselen van ’t land te voeden en geheel op zijn Guineesch te leven.

Logen.—

Al is de logen nog zoo snel,De waarheid achterhaalt ze wel,—

Al is de logen nog zoo snel,De waarheid achterhaalt ze wel,—

zegt Cats: en zeer zelden ziet men, dat een logenaar, ook de gevatste, niet vroeg of laat wordt ontmaskerd en beschaamd gemaakt. „De logenaar,” zegt een Latijnsch spreekwoord, „behoort een goed geheugen te hebben,”—en toch verspreekt hij zich nu en dan en vergeet wat hij vroeger gezegd heeft. Ik wil daarvan een paar voorbeelden bijbrengen.

Koning Frans I had, na uit Italiën verdreven te zijn, te Milaan een geheimen Agent, die er zich in schijn voor zijn eigen zaken ophield, doch inderdaad om de gangen van den Hertog na te gaan. Gezegde Agent, die Merveille heette en stalmeester was van den Koning, had geheime geloofsbrieven en instruktiën mede, waaruit zijn hoedanigheid bleek van gemachtigde, doch ook brieven van aanbeveling aan den Hertog, die zijn bijzondere zaken betroffen. Intusschen kwam de zaak den Keizer ter ooren, die, er niet weinig over verstoord zijnde, bij den Hertog er op aandrong, dat de gemelde Agent van kant zou gemaakt worden. De Hertog, zich niet tegen ’s Keizers wil durvende verzetten, liet inderdaad Merveille op schoonschijnende gronden in hechtenis nemen, hem zijn proces opmaken en twee dagen later bij nacht onthoofden. Doch nu moest ook Koning Frans tevreden gesteld worden en tot dat einde zond de Hertog tot hem Francisco Taverna, die beroemd was als behendig en voorzichtig spreker. Taverna, bij den Koning gekomen, gaf hem een fraai opgesmukt verslag van de zaak, daarbij voorwendende, dat de Hertog zijn meester nimmer anders had kunnen denken, dan dat de veroordeelde een Milanees en een onderdaan was, en volstrekt niet had geweten, dat de man tot ’s Konings Huis behoorde en geloofsbrieven als Gezant bezat. Vruchteloos poogde een tijd lang de Koning, die aan gezegde praatjes geen geloof sloeg, Taverna door allerlei vragen en opmerkingen van zijn stuk te brengen, de listige Gezant had altijd een schijnbaar voldoend antwoord klaar. Eindelijk toch vroeg Frans I, waarom de straf bij nacht en als in ’t geheim voltrokken was;—waarop Taverna, plotslings uit beleefdheid jegensden Koning zijn rol vergetende, als reden daarvoor opgaf, dat zulks geschied was omdat de Hertog, uit eerbied voor Zijn Majesteit, niet had willen gedoogen dat de straf bij dag en in ’t openbaar voltrokken werd.—Men kan bedenken welk bescheid hij van den Koning kreeg, en deze verhief er zich later meermalen op, dat hij zulk een slimmen vos als dien Milanees zich zoo duidelijk had doen verspreken.

Nog erger bekwam een Gezant van Paus Julius II een logen, dien hij zich veroorloofde. De man was namelijk afgevaardigd naar Hendrik VIII van Engeland om dezen aan te sporen tot een oorlog met Frankrijk. Toen nu de Koning in zijn antwoord op het gedane voorstel de groote bezwaren opsomde, die er bestonden om zich ten strijde toe te rusten tegen een zoo machtigen Vorst als Frans I, zeide de Gezant zeer ten ontijde, dat hem die bezwaren ook vrij wichtig waren voorgekomen, en „dat hij ze reeds aan den Paus onder ’t oog had gebracht.” Die taal, zoo geheel afwijkende van het voorstel dat de Gezant belast was te doen, wekte ’s Konings wantrouwen op en het vermoeden, dat de ander in ’t geheim naar de zijde van Frankrijk helde; hij waarschuwde den Paus, die, hoogst verstoord, de goederen van den Gezant verbeurd verklaarde en hem naauwlijks genade van ’t leven schonk.

Menschenoffers.—Het is van ouds een volksgeloof bij de meeste Natiën geweest, dat men de Godheid met menschenoffers verzoende. Niet alleen verhaalt ons de Grieksche geschiedenis van Thoas, den dwingeland van Tauris, die de vreemdelingen slachtte op het outer van Diana, maar ook Achilles offert bij Homerus een stoetjonge Trojanen aan de schim van zijn vriend Patrokles, en gelijkelijk wijdt Eneas, bij Virgilius, een aantal gevangenen aan die van Pallas. In latere dagen zien wij, hoe Sultan Morad, na een glansrijke overwinning, 600 Grieksche jongelingen ten zoenoffer deed strekken aan de schim zijns vaders. De gezanten van den koning van Mexiko, bij Fernand Cortes van de macht huns meesters ophalende, verhaalden niet alleen, hoe hij dertig vazallen had, waarvan elk honderdduizend man te velde kon brengen, en dat hij zijn verblijf hield in de schoonste en sterkste stad die zich in de wereld bevond, maar voegden er bij, dat hij bij machte was, jaarlijks vijftigduizend menschen op de altaren der Goden te slachten. Wel is waar zorgde hij altijd met eenige naburige volkeren in oorlog te zijn, zoo om de jeugd in den krijg te oefenen als om altijd voorraad te hebben van gevangenen, tot offers bestemd. Elders werden tot welkomst aan Cortes in zeker dorp vijftig menschen geslacht. Een volksstam aldaar, die in den strijd tegen hem was te kort geschoten, zond hem gezanten met drie soorten van geschenken, die zij hem aanboden op de navolgende wijze: „Heer, hier zijn vijf slaven; indien gij een God zijt, die naar bloed dorst, zoo eet ze, en wij zullen er u meer zenden; zijt gij een zachtmoedige God, hier zijn wierook en pluimen; zijt gij een mensch, zoo aanvaard deze vogels en vruchten.”

Wanneer wij ons echter verwonderen en met afkeer spreken over de barbaarsche gewoonten dier heidensche volkeren, dan moeten wij niet vergeten, dat zij, die zich Kristenen noemen, hun, waar ’t op menschenoffers aankomt, niets te verwijten hebben, en dat, zoo ’t heette, tot Gods eer, duizenden en duizenden op schavotten en brandstapelsof op andere wijze zijn om ’t leven gebracht. En dat niet alleen in de ruwe Middeleeuwen, maar ook in tijden, die op hooge beschaving roemden. Eischte de Inquisitie hare offers ter wille van den Godsdienst en namen haar tegenstanders niet zelden een bloedige weêrwraak, het was in naam der vrijheid, dat in ’t laatst der vorige eeuw onmenschelijke beulen dagelijks het bloed deden rooken van tallooze onschuldigen, en dat, als te Nantes, geheele scharen van grijsaards, vrouwen en meisjes in de rivier werden verdronken.

Moed.—Vele handelingen worden hoog geroemd omdat zij het gevolg schijnen van de edelste drijfveêren, terwijl zij inderdaad uit geheel andere oorzaken spruiten. Een soldaat van Lukullus had zich door den vijand van zijn plunje zien berooven: begeerig, die terug te bekomen, deed hij een wakkeren, doch hoogst gewaagden tocht, waarbij hij niet alleen het zijne terug bekwam, maar ook een rijken buit op den vijand behaalde. Lukullus, dit vernemende, kreeg daarop groote gedachten van zijn moed en droeg hem een niet minder gewaagde onderneming op, in de verwachting, dat hij niet zou aarzelen, de nieuwe gelegenheid om zijn moed te toonen, met gretigheid te aanvaarden. „Ik dank u,” zei de andere, „gebruik daar liever dezen of genen armen sukkel toe, die zijn boeltje kwijt is.”

In een gevecht van de Turken tegen de Hongaren, hadden zich Chazan en de Janitzaren, die hij aanvoerde, min dapper van hun plicht gekweten. Hierover op scherpe wijze door Sultan Mehemet doorgestreken, ging Chazan, tot eenig antwoord, zich met het zwaard in de vuistmidden in de vijandelijke drommen werpen, waar hij, als te verwachten was, het offer werd van zijn waagstuk. Het was hier de spijt over den geleden hoon, die hem den onberaden moed had gegeven tot zulk een wanhopige daad.

Naauwgezetheid.—In de Middeleeuwen waren de Bisschoppen en andere Geestelijke Heeren, die de waardigheid van Pairs van het rijk bekleedden, gehouden, hun Soeverein in den oorlog te volgen. De Bisschop van Beauvais, die met Philippus Augustus op die wijze den slag van Bovines bijwoonde, nam dapper deel aan den strijd, doch, te naauwgezet om bloed te vergieten, waarvan, naar een oud voorschrift, de Kerk een afkeer heeft, bezigde hij een strijdkolf, en wanneer hij een vijand had nedergeslagen, liet hij aan een edelman van zijn gevolg de taak om hem verder om hals te brengen of gevangen te maken.

Niet minder naauwgezet had zich de man getoond, wien door Hendrik III van Frankrijk verweten werd, dat hij de handen aan een priester geslagen had.—„De handen aan een priester, Sire!” herhaalde de man: „’t zou nooit in mij zijn opgekomen, zulk een strafbaar feit te plegen. Ik heb hem alleen een trap gegeven dat hij rolde, en heb hem toen met de voeten een weinig op buik en maag getrommeld.”

Ouderliefde.—In de jaarboeken van Japan wordt het navolgende voorbeeld van zeldzame ouderliefde medegedeeld. Een Weduwe had drie zonen, die voor haar de kost zochten te verdienen, doch wier arbeid niet toereikend was om haar altijd het behoorlijk onderhoud teverschaffen. Het droevige schouwspel eener Moeder, die het noodige ontbeerde, bracht de jongelingen tot een allerzonderlingst besluit. Men had bij aanplakbiljetten bekend gemaakt, dat wie den dief van zekere gestolen goederen aan ’t gerecht overleverde, een bepaalde som gelds ontvangen zou. De drie broeders komen overeen, dat een hunner voor den dief zal doorgaan en door de beide anderen naar den Rechter gebracht worden. Zij loten om te weten wie tot offer der ouderliefde strekken zal, en het lot valt op den jongste, die zich als een misdadiger laat binden en naar den Rechter voeren. Deze ondervraagt hem: de knaap bekent de misdaad en wordt naar de gevangenis gebracht, terwijl zijn broeders het beloofde loon ontvangen. Doch, met het lot van den gevangene begaan, volgen zij hem in den kerker en nemen daar afscheid van hem onder bittere tranen. Zij waanden dat dit tooneel geen getuigen had; doch ook de Rechter had zich naar de gevangenis begeven en onopgemerkt een tooneel gadegeslagen, waar hij niets van begreep, doch ’t welk zijn nieuwsgierigheid zoo zeer wekte, dat hij aan een dienaar last gaf, de beide aangevers te volgen en hun bedrijf gade te slaan. De bediende kwijt zich van dien last en komt eerlang bericht brengen, hoe hij de jonge lieden had zien ingaan in een nederige woning, waar zij het door hen ontvangen geld ter hand gesteld hadden aan hun moeder, die op ’t hooren, tot welken prijs zij het verworven hadden, terstond bitter was beginnen te schreien en hun gelast had, het terug te brengen, verklarende liever van honger te sterven dan haar leven te rekken ten koste van haar kind. De Rechter, verbaasd over zulk een zeldzaam blijk van ouderliefde, laat dengevangene voor zich komen, onderhoudt hem over zijn gewaanden diefstal, dreigt hem zelfs met de felste straffen, indien hij de waarheid niet bekent; doch de jongeling blijft volharden bij zijn eerste verklaring. Diep getroffen verlaat hem de Rechter, doch doet verslag van het voorgevallene aan den Keizer, die, mede verrukt over een zoo heldhaftig betoon van teederheid, de drie broeders voor zich laat komen, hen van zijn genegenheid, en aan hun moeder een ruim inkomen verzekert.

Paard.—Bij de oude Grieken, zoo min als bij de Joden, werd het paard als strijdros of zelfs als rijdier gebezigd: en zoowel bij Homerus als in de Heilige Schrift wordt alleen daarvan gewag gemaakt als trekdier voor de strijdkarren. Dat de Grieken echter andere naburige volken hadden zien te paard rijden, en dit een zeer ongewoon verschijnsel hadden gevonden, blijkt daaruit, dat zij in hun mythen de ruiterij als Centauren of Paardmenschen voorstelden. Bij de Parthen daarentegen, gelijk later bij de meeste Aziatische volkeren, was van ouds het paardrijden een gewone en dagelijksche zaak. Van de Parthen wordt gemeld, dat zij te paard niet alleen ten strijde togen, maar ook hun bijzondere zaken deden, kochten en verkochten, onderhandelden en bezoeken aflegden; en dat bij hen het verschil tusschen Vrijen en Onvrijen daarin bestond, dat de eerstgemelden te paard, de anderen te voet gingen. Ook de Numidiërs, die een deel van het tegenwoordige Barbarijen bewoonden, waren treffelijke ruiters, en zoo zeker van hun paarden, dat zij die, zonder teugel, met de knieën of met de stem regeerden.

Geen wonder, dat langzamerhand ook de Grieken, en later ook de Romeinen, het nut inzagen, dat men van een welgeoefende ruiterij kon trekken, en dat zelfs te Rome de Ruiter- of Ridderschap als een bijzondere orde in den Staat werd aangemerkt, boven die der Plebejers verheven. Bij den roem, dien Alexander de Groote en Cezar verwierven, wordt ook die niet vergeten, welken hun paarden verkregen: beiden even wonderbaar in hun soort als hun meesters. Van Bucefal, Alexanders paard, zegt men, dat het een kop had naar dien van een stier zweemende, dat het door niemand dan door zijn meester getemd had kunnen worden en geen berijder duldde buiten hem; waarom het dan ook na zijn dood vereerd en een stad naar hem genoemd werd. Het paard van Cezar had gespleten hoeven in den vorm van menschenvingeren; het kon evenzeer alleen door zijn meester getemd en bereden worden, en na zijn dood werd zijn beeltenis door Cezar aan Venus toegeheiligd.

Hoewel Cezar, als hij vreemde volkstammen bedwongen had, doorgaans gelastte, dat zij hem hun wapenen en paarden zouden uitleveren, ten einde hun op die wijze hun voornaamste middelen tot krijgvoeren te ontnemen, toch stelde hij, wat zijn Romeinen betrof, steeds het meeste vertrouwen in hun voetvolk, dat door geen ander overtroffen werd; zoo zelfs dat hij, als de nood drong, de ruiters gelastte af te stijgen en te voet te strijden, in de overtuiging, dat zij zich dan beter en moediger zouden kwijten. Even zoo dachten ook over ’t algemeen de Franschen, in de oorlogen, die zij in de 14deen 15deeeuw tegen de Engelschen voerden: zij streden liever te voet dan te paard, als meer vertrouwen stellende in hun eigen moed,vlugheid en behendigheid dan in de belemmerende hulp, die een strijdros kon aanbieden: en ook bij de hedendaagsche wijze van oorlogvoeren schijnt het uitgemaakt, dat de kracht van een leger voornamelijk in het voetvolk bestaat.

Toen de Spanjaarden voor ’t eerst in Amerika kwamen, zagen de Indianen niet alleen hen, maar ook hun paarden, voor bovenmenschelijke wezens aan; en wanneer zij, na in een veldslag overwonnen te zijn, om vrede kwamen smeeken, brachten zij niet alleen aan de ruiters goud en spijzen, maar boden die ook den paarden met gelijke toespraken aan, hun gehinnik als een hun onbekende taal aanmerkende.

Wanneer oudtijds de Tartaren gezanten stuurden aan den Tsaar van Moscoviën, die toen zoo machtig niet was als tegenwoordig, ging deze hen te voet te gemoet, en bood hun een beker met paardemelk aan, en vielen er dan, onder ’t drinken, druppels op de manen hunner paarden, dan was hij gehouden, die met de tong af te lekken.

Panische schrik.—Men noemtpanischen schrikde plotselinge ontsteltenis, die iemand overvalt, en geheel van ’t spoor brengt, dikwijls zonder dat er billijke grond voor vrees bestaat. Er zijn voorbeelden, dat zoodanige schrik geheele volkeren heeft vermeesterd, als o. a. te Karthago het geval was bij de nadering van Scipio: de menschen holden schreiende en weeklagende hun woningen uit, ja stormden op elkander in, elkander wondende en doodende, als hadden zij den vijand voor zich, en de geheele stad was een tooneel van verwarring.

Toen de laatste der Ptolemeën Achilles en Septimus afzond om Pompejus, die met het overschot zijner vloot herbergzaamheid bij hem zoeken kwam, te dooden, had de ongelukkige vluchteling zeer wel door zijn vrienden en volgers verdedigd kunnen worden; doch zoo zeer waren zij van schrik bevangen, op ’t zien der Egyptische schepen die hen naderden, dat zij dachten aan eigen lijfsbehoud en niet deden dan de manschap aan te sporen, zich met kracht van riemen te verwijderen, terwijl zij niet recht tot bezinning kwamen dan toen zij te Tyrus waren aangeland.

In enkele gevallen heeft men gezien, dat juist overgroote schrik tot overmoedigheid leidde. In den eersten veldslag, dien de Romeinen onder Sempronius tegen Hannibal verloren, togen tienduizend der hunnen op de vlucht; doch door de vijanden aan alle zijden omcingeld, wisten zij er niet anders op, dan zich op den dichtsten drom te werpen en er zich door heen te slaan, niet zonder een groote slachting onder de Karthagers te hebben aangericht; aldus een schandelijke vlucht tot denzelfden prijs koopende, als waarvoor zij een roemrijke overwinning hadden kunnen behalen.

Gespt de vrees somtijds vleugels aan de hielen, op andere tijden verlamt zij elke beweging bij hem, dien zij bevangen heeft, en wordt de mensch het vogeltje gelijk, dat, bedwelmd door de blikken van de loerende slang, het besef mist, om zich door de vlucht te redden. Keizer Theofilus, een slag tegen de Agarenen verloren hebbende, was van schrik zoozeer versteld en verstijfd, dat hij niet in staat was een stap te doen om ’t gevaar te ontkomen, totdat Manuel, een zijner Krijgsoversten, hem aangreepen schudde, als men iemand doet, dien men uit den slaap wil opwekken, er bijvoegende: „Zoo gij mij niet volgt, dan dood ik u, want het is beter dat gij het leven verliest, dan dat gij gevangen genomen wordt en het Rijk verspeelt.”

Toen de Hertog van Bourbon storm liep op Rome, werd een vaandeldrager, die aan de voorstad St. Pieter de wacht hield, zoo zeer van schrik bevangen, dat hij, door een opening in den muur aan den loop ging, recht op den vijand aan, terwijl hij zich verbeeldde binnen de stad te vluchten. Niet eer bemerkte hij zijne vergissing dan toen het volk van Bourbon, in den waan verkeerende dat er meer volk volgde en de bezetting een uitval deed, zich aaneensloot om het te ontvangen; waarop hij, rechts-om-keert makende, naar de stad terugvlood en hetzelfde gat weêr binnenkroop waar hij was uitgekomen.

Aarnout, de onechte zoon van Karelman, betwistte in 888 het rijk aan Guy, Hertog van Spoleto, die reeds Rome vermeesterd had. Na onderscheidene veldslagen komt Aarnout voor die stad en maakt de noodige toebereidselen om haar te berennen. Terwijl zijn arbeiders bezig zijn, doen zij een haas op, die verschrikt door ’t leger vliedt, zijn weg naar de stad nemende. De soldaten vervolgen het dier al lachende en joelende. Maar de belegerden, die niet den haas, maar wel de toesnellende soldaten zien, verbeelden zich, dat er reeds storm geloopen wordt, en dewijl hun verdedigingsmiddelen niet gereed zijn, verlaten zij in allerijl de wallen. Aarnout wordt dit gewaar, grijpt de gelegenheid aan, gelast de bestorming, neemt Rome en laat er zich tot Keizer kronen.

In 1598 werd het kasteel van Moyrane door de Franschenonder Lesdiguières belegerd. Een bres gemaakt hebbende, klimmen de belegeraars naar binnen, doch vinden een geduchten tegenweer. In ’t heetste van ’t gevecht weet een Trompetter naar binnen te dringen en den toren te beklimmen, van waar hij nu met kracht den aanval blaast. Zulk een ontsteltenis brengt dit onder de belegerden te weeg, dat zij zonder nadenken in de gracht springen of zich laten ombrengen, zoodat er van hun driehonderden niet meer dan twee gespaard blijven.

Een dergelijk feit als dat van dien Trompetter werd door een Vlissinger gepleegd, en leidde tot de vermeestering van den Bosch. Bij de berenning dier stad door Frederik Hendrik was gemelde soldaat de stad binnengedrongen, en terstond naar de Groote kerk geloopen, waar hij, den toren beklommen hebbende, er een Prinsenvlag uitstak, die hij, om zijn lijf geslagen, had medegebracht. Het zien dier vlag sloeg de belegerden met zulk een schrik, dat zij, de stad reeds in ’s vijands macht wanende, allen verderen tegenweer opgaven.

De Engelschen, in 1647 het voornemen opgevat hebbende om de haven van l’Orient te bederven en op die wijze de Fransche Oostindische Maatschappij ten gronde te richten, zonden te dien einde een vloot af, aan boord waarvan zich de Generaal Sinclair bevond met 7000 man landingstroepen. Aan de kust van Bretagne geland, eischt Sinclair l’Orient op, dat zich overgeeft zonder tegenweer. Den volgenden morgen slaan de tamboers der militie van l’Orient, die geen tegenbevel bekomen hadden, als naar gewoonte hun generalen marsch. Sinclair vraagt aan iemand van ’t land, wat dat getrommel na de gesloten kapitulatie beteekent. De ander antwoordt, dat men hem een valstrikgespreid heeft met die kapitulatie en dat eene afdeeling van 12000 man, in de nabijheid gelegerd, slechts wacht, dat hij zijn troepen aan wal zal gezet hebben, om die te omcingelen en gevangen te maken. Staande dit gesprek verandert de wind, waar de Admiraal door middel van een sein Sinclair van verwittigt. Deze laatste nu, vol vrees van overvallen te worden, scheept zich weder in en kiest de ruimte. Maar nu komen zij, die de kapitulatie gesloten hebben, buiten, om zich aan den Engelschen Generaal te onderwerpen, en staan geheel verbaasd, niemand meer te vinden. De bloôhartigheid en de dwaasheid, zegt de Schrijver, aan wien wij deze vertelling ontleenen, stonden aan weêrskanten gelijk.

Raad inwinnen.—Dat men raad gaat vragen bij anderen, die men wijzer of beter op de hoogte acht, is op zich zelf zeer verstandig, doch van de honderd, die zulks doen, zijn er negen-en-negentig, die reeds vooraf hun besluit genomen hebben, en eigenlijk alleen daarom bij een raadsman gaan, omdat zij hopen en verwachten dat die zal instemmen met hun zienswijze en zij zich, als de zaak tegenslaat, op hem zullen kunnen beroepen. Een raad, die niet overeenstemt met het verlangen van den vrager, wordt dan ook maar zeldzaam nagekomen, en is er in dien raad iets twijfelachtigs gelegen, dan wordt de twijfel altijd op zoodanige wijze uitgelegd als met dat verlangen overeenkomt. Een voorbeeld uit duizenden levert de volgende vertelling. Een boerin, die haar man verloren had, wilde met haar bouwknecht Jan hertrouwen en ging bij den Pastoor om raad. „Ik ben nog jong genoeg om te trouwen,” zeide zij. „Trouw dan,” antwoorddeHeeroom. „Maar men zal misschien zeggen, dat mijn aanstaande veel te jong voor mij is.”—„Trouw dan niet.”—„Ik heb echter een hulp noodig en hij verstaat het boerewerk.”—„Trouw dan.”—„Maar ik ben bang, dat hij mij verwaarlozen zal.”—„Trouw dan niet.”—„Van een anderen kant, een arme weduwvrouw wordt door iedereen misleid en bedrogen, als zij geen steun heeft.”—„Trouw dan.”—„Ik ben bang, dat hij gekheid maakt met de meiden.”—„Trouw dan niet.”—Op die manier ging het gesprek voort en de vrouw klaagde, dat zij even wijs bleef als zij gekomen was, waarop de Pastoor, die geen trek had om in een zoo teedere zaak een bepaald advies te geven, haar raadde, naar de klokken te luisteren die juist zouden beginnen te luiden, en zich te regelen naar den raad, dien deze haar geven zouden. De vrouw deed het en meende duidelijk uit het klokgebrom te verstaan: „trouw uw bouwknecht Jan.”—Zoo deed zij; doch weldra had zij er bitter berouw van en ging zich bij den Pastoor beklagen, dat die haar naar een zoo bedriegelijk orakel, als die klokken waren, verwezen had. „Dan heb je niet goed verstaan, wat zij zeiden,” antwoordde de Geestelijke: „ga er nog eens naar luisteren. Wel, wat zeggen zij?”—„Och, Heeroom!” riep zij, „zij hebben groot gelijk. Had ik de vorige keer maar beter geluisterd. Zij zeggen heel duidelijk: „trouw uw bouwknecht niet.””

Het raadgeven is altijd een hachelijke zaak, omdat de beste raad dikwijls in onvoorziene omstandigheden een slechte uitkomst kan opleveren; terwijl het omgekeerde evenzeer het geval kan wezen. De Athener Focion had eens aan zijne stadgenooten een raad gegeven, die nietgevolgd werd. Toch had de zaak, tegen zijn verwachting, een goeden afloop. „Wel, Focion,” vroeg hem iemand, „hoe denkt gij er nu over?”—„Ik verheug mij, dat het zoo gegaan is,” antwoordde Focion, „doch ik heb geen berouw over hetgeen ik gezegd heb.”

Vooral is het moeilijk, raad te geven aan hen, die boven ons geplaatst zijn. In zoodanig geval, zeide de beroemde Engelsche Kanselier Bacon, zal men altijd best doen de les, die men geeft, in te kleeden met de woorden van dezen of genen schrijver der Oudheid, of een algemeen gangbare spreuk te bezigen, waarvan men aan hem, die den raad behoeft, de toepassing overlaat.

Toch vindt men er genoeg, die altijd bereid zijn ook ongevraagd raad te geven. ’t Is dan minder de vriendschap, dan de ijdelheid, die spreekt. Een wijsgeer gaf eens aan een dier ijverige raadgevers tot antwoord: „hoe wilt gij, dat ik mij beter van mijn gebreken, als gij u niet beteren kunt van ’t gebrek van anderen te willen verbeteren.”

De dichter Scheichi was arm, en voorzag in zijne behoeften door den verkoop van een oogwatertje. Maar hij zelf leed aan zijn oogen en dacht er niet aan om het middel te gebruiken, dat hij aan anderen verkocht. Eens dat er iemand een fleschje bij hem kocht tegen den prijs van een asper, gaf die, in stede van één asper, hem er twee. Scheichi wilde hem er een teruggeven; doch dien weigerde de kooper: „de eene,” zeide hij, „is voor het fleschje, dat ik voor mijn gebruik behoef: de andere, opdat gij er een voor uzelven koopt en er uw eigen oogen meê wrijft, die ’t zeer noodig hebben.”—Als met Scheichi gaat het met meer van die lieden, die altijd bij de handzijn om anderen met hun raad te dienen en zelven zich zeer verkeerd gedragen.

Redenaars.—Het was bij de Romeinen niet ongewoon, dat de Advokaten elkander grofheden zeiden. Zoo vroeg Filippus eens aan een anderen rechtsgeleerde, die tegen hem pleitte, en Catulus („hondje”) genoemd was, waarom hij zoo „blafte?” „Omdat ik een dief over mij zie,” was het antwoord.

Een middelmatig redenaar vroeg aan dien zelfden Catulus: „ben ik niet gelukkig geweest in het opwekken van het gevoel van medelijden bij mijn toehoorders?”—„Voorzeker”, antwoordde de ander, „geen onder hen, die uw rede niet deerniswaardig vond.”

Verres, die beschuldigd was, zich verrijkt te hebben, door de Gewesten, waarin hij het bewind gevoerd had, onmatige lasten op te leggen, had aan den redenaar Hortensius, die hem verdedigen zou, een keurig bewerkten ivoren Sfinx gezonden. Toen nu Cicero in zijn pleidooi tegen Verres eenige duistere toespelingen gemaakt had op de handelwijze van Hortensius, zeide deze, dat hij niet in staat was, raadsels op te lossen. „Dat is vreemd,” voegde hem Cicero onmiddellijk toe, „als men den Sfinx in huis heeft.”

Theofrastus verhaalt van een bejaarden redenaar, die zich blankette. Archidamus, voor den Raad van Sparta tegen hem pleitende, zeide dat men iemand niet gelooven moest, die den leugen op zijn voorhoofd droeg.

Eens zeide mij de Heer Thorbecke, sprekende van een onzer medeleden in de Kamer, die het talent had lang en aangenaam te spreken, zonder echter veel bijzondersvoor te dragen: „de redevoeringen van dien man zijn wolbalen: veel omvang, weinig gewicht.”

Een Rechter, die, ’t zij ten gevolge van beschroomdheid, ’t zij om andere redenen, nooit in staat was geweest, voor de vuist te spreken, viel eens een Advokaat, die aan ’t pleiten was, in de rede. „Gij doet mij gevaar loopen, mijn Heer, den draad van mijn pleidooi te verliezen,” zei de Advokaat, „en toch weet niemand beter dan gij, hoeveel moeite het kost, in ’t openbaar te spreken.”

Beter begreep de Amsterdamsche Schepen zijn plicht tegenover den later zoo beroemden Advokaat Angelus Cuperus. Deze zou voor ’t eerst pleiten, en wel in een assurantie-zaak; doch het ongewone maakte hem onthutst en verlegen. „Het schip de Twee Gebroeders,” begon hij: „....het schip de Twee Gebroeders....het schip....”—„Mijn Heer!” zei de President-Schepen: „dat schip zal van daag niet van stapel loopen; wij stellen de behandeling der zaak veertien dagen uit.”—Dit geschiedde, en veertien dagen later hield Cuperus een meesterlijk pleidooi.

Een Advokaat pleitte eens zeer lang over een zaak, die naar ’t oordeel van de Rechtbank te eenvoudig was om er zooveel bij om te halen. Reeds een paar keeren had de Voorzitter hem verzocht zich te bekorten, doch telken reize had de Advokaat beweerd, dat al wat hij zeide onmisbaar tot de zaak behoorde. De Voorzitter verloor eindelijk zijn geduld en zeide: „De Rechtbank gelast u, konklusie te nemen.”—„Wel!” zei de Advokaat, „ik konkludeer dat de Rechtbank hoore wat ik nog te zeggen heb.”

Dumont, die in de vorige eeuw te Parijs een der beroemdsteadvokaten was, pleitte eens voor ’t Parlement aldaar en voegde bij uitmuntende en afdoende gronden er sommige, die zwak waren of veel van drogredenen hadden. De Eerste Voorzitter, Dr. Harley, kon niet nalaten hem na de zitting daarvan een verwijt te maken. „Wat wilt gij, mijn Heer de Voorzitter,” zei Dumont: „iedereen is niet vatbaar voor gezonde redenen! Ik moest argumenten bezigen al naar de Rechters zijn: het eene dient om den Heer A., het andere om den Heer B. te vangen: men moet elk naar de mate van zijn verstand bedienen.” Toen nu vonnis gewezen was en de Advokaat zijn zaak gewonnen had, zeide de Voorzitter tegen hem: „Mr. Dumont, uw pakjes zijn behoorlijk aan hun adres te recht gekomen.”

Een beroemd Advokaat had zich belast met een zaak voor koorddansers en dergelijk kermisvolk. De Voorzitter betuigde hem zijn verwondering, dat hij voor dergelijke lieden pleiten zou. „Ik meende,” antwoordde de Advokaat, „dat zoodra het Hof ’t niet beneden zich acht, die lieden in hun belang te hooren, ik het niet beneden mij achten moest, voor hen te pleiten.”

Aan een ander Advokaat werd gevraagd, hoe ’t kwam, dat hij zich met schurfte zaken belastte. „Och!” zeide hij, „ik heb er zoo vele goede verloren, dat ik niet meer weet welke ik nemen zal.”

Regeeren na den dood.—Het is niet alleen voor erfgenamen en boedelberedders een zeer lastige, maar ook in ’t algemeen een zeer verkeerde zucht, te willen regeeren na zijn dood. Dat iemand, met het vooruitzicht van den dood, beschikkingen maakt betreffende zijn nalatenschap,is loffelijk, alleen uit twee oogpunten: vooreerst voor zoo verre hij daarbij zorgt, dat zijn zaken in behoorlijke orde zijn, zoodat zij, die na hem komen, geen of weinig moeite hebben met het beredderen van den boedel; en ten andere, voor zoo verre hij daarbij bewezen diensten beloont, of welkome herinneringen vermaakt aan hen, die hem dierbaar zijn. En dan nog is het dikwijls de vraag, of de sommen, die eerst na zijn sterven aan anderen verstrekt worden, hun niet even welkom, ja nog welkomer waren geweest, indien hij ze hun bij zijn leven had geschonken. Maar waar ik vooral geen vrede meê kan hebben, is met die legaten aan armen en aan liefdadige instellingen. De dagbladen in hunne kolommen, en de Regenten van Arm- en Godshuizen in hun verslagen en toasten, mogen den naam van zulk een erflater met hooge ingenomenheid vermelden en ’s mans liefdadigheid roemen, ik zal alleen dan met die loftuitingen instemmen, wanneer de overledene geen kinderen of naaste erfgenamen heeft gehad, en zijn inkomsten noodig had om naar zijn stand te leven. Maar in elk ander geval is ’t al heel gemakkelijk voor hem, zich edelmoedig te betoonen, en zijn ’t per slot zijn erfgenamen, en niet hij, van wie de giften herkomstig zijn. Slechts hij, die bij zijn leven geeft, en zoo, dat hij er zich eenige genoegens voor ontzegt, die hij anders zou gesmaakt hebben, mag inderdaad aanspraak maken op den eernaam van weldadig.

Dat weldadigheid uitoefenen ten koste van anderen, spruit bij velen voort uit de meening, waarin zij verkeeren, dat zij daarmeê den hemel zullen verdienen, alsof Onze Lieve Heer evenzoo handelde als aardsche Vorstensomtijds doen, wanneer zij den Minister een kruis of lint schenken voor den arbeid, die een ondergeschikte heeft verricht;—maar ook bij sommigen uit ijdelheid, om na hun dood in ’t rond geprezen te worden. Uit kleingeestigheid daarentegen spruiten beschikkingen van een anderen aard, namelijk zoodanige, waarbij allerlei beuzelachtige bijzonderheden worden opgesomd, die bij de begrafenis in acht zijn te nemen, of die ’t bestier over huis, stal of andere zaken betreffen; en uit gebrek aan doorzicht de zoodanige, b. v., waarbij gelden worden vast gemaakt en bestemd tot doeleinden, die langzamerhand niet meer vervuld kunnen worden. Zoo b. v. liet de geleerde Hoeufft te Breda, die een groot minnaar en beoefenaar der Latijnsche dichtkunde was, een belangrijke som na, die strekken moest om daaruit jaarlijks een gouden eerepenning te verstrekken aan den vervaardiger van een Latijnsch gedicht, dat door drie gelukkige beoefenaars der Latijnsche poëzie dien prijs waardig gekeurd zou zijn. De erflater was niet indachtig geweest op hetgeen al spoedig na zijn dood zou plaats hebben, n. l. dat het vervaardigen van Latijnsche verzen in onbruik geraken zou, en vooral, dat er wellicht geen drie personen in Nederland meer zouden te vinden zijn, de vereischten bezittende, die hij in de beoordeelaars vorderde.

Intusschen, hoe men ook die liefhebberij, om nog na den dood over zijn eigendom te blijven regeeren, moge afkeuren, geheel uitroeien zal men haar niet, omdat zij den mensch als ’t ware is ingeschapen. Niemand schier, of hij verzet zich tegen de gedachte, dat hij van al het aardsche scheiden moet; men wil zoo gaarne ook na zijn dood ten minsten eenigen invloed behouden op wat menachterliet, en begeert dat daarmede althans in onzen geest worde gehandeld. Hoe sterk dat gevoel bij velen spreekt, wordt door talrijke voorbeelden uit de geschiedenis gestaafd. Ik zou er bij menigte kunnen opnoemen; doch kies er bij voorkeur eenige van doorluchtige personen, die ook na hun dood wilden voortleven, al was ’t dan op vrij zonderlinge wijze.

Eduard I, Koning van Engeland, had langdurige oorlogen gevoerd tegen Koning Robbert van Schotland. Hij had daarbij doorgaans opgemerkt, dat zijn tegenwoordigheid niet weinig toebracht om zijn leger aan te moedigen, en althans schreef hij daaraan de door hem behaalde overwinningen toe. Met die overtuiging bezield, liet hij, stervende, zijn zoon beloven, dat deze na zijn dood zijn lijk van ’t vleesch zou ontdoen en dit laten begraven, maar zijn gebeente met zich voeren zou, zoo dikwijls men weêr tegen de Schotten te velde trok:—zijnde, volgens zijn waan, de overwinning aan zijn beenderen gehecht.

Niet minder vreemd luidde de laatste wilsbeschikking van Johannes Ziska, den aanvoerder der Hussiten. Deze gelastte, dat men hem na zijn dood zou villen, en zijn vel op een trom spannen; hopende alzoo dat de vijand, als daarop getrommeld werd, evenzeer de vlucht zou nemen als men het herhaaldelijk voor hem, die in dat vel stak, had gedaan.

In hoeverre het geraamte van Koning Eduard en het vel van den Hussiet inderdaad de uitwerking hebben gehad, die zij er zich van beloofden, laat ik daar; doch schooner voor de eer eens afgestorvenen is het, wanneer zijn overblijfselen ook zonder beschikking zijnerzijds eerbiedaan vriend en vijand inboezemen. Dit was het geval toen de dappere Bertrand du Guesclin omkwam bij het beleg van ’t kasteel Rancon in Auvergne, en de belegerden, tot de overgave genoodzaakt, de sleutels van ’t gebouw in niemands handen wilden stellen, maar nederlegden op de lijkkist des overledenen.

Een dergelijken eerbied voor een afgestorvene betoonde de Venetiaan Teodoro Trivultio. Bartolomeo d’ Alviano, die de Venetiaansche troepen had aangevoerd tegen Brescia, was in een veldslag gesneuveld en zijn lijk werd naar Venetiën teruggevoerd. De weg leidde over ’t Veronische, toen een vijandig land, en de Legerhoofden waren meestendeels van oordeel, dat men aan die van Verona een vrijgeleide vragen zou; doch een hunner, Trivultio, verzette zich daartegen en dreef door, dat men het gezegde grondgebied des noods met geweld moest doortrekken. „Het was,” zeide hij „niet betamelijk, dat de man, die levend nooit een vijand gevreesd had, na zijn dood blijk van schroomvalligheid zou toonen.”—Gewis herinnerde zich Trivultio bij die gelegenheid, hoe bij de oude Grieken de regel gold, dat hij, die aan zijn weêrpartij verlof verzocht om zijn lijken te begraven, afstand deed van de overwinning en geen zegeteeken mocht oprichten; terwijl de partij, aan welke ’t verzoek gedaan werd, er roem uit trok. Krachtens dat krijgsgebruik verloor Hicias het voordeel, dat hij buiten allen twijfel op die van Korinthen had behaald; terwijl daar-en-tegen Agezilaus, door aan de Beotiërs hun verzoek toe te staan, zich een voordeel op hen verzekerde, dat anders aan grooten twijfel onderhevig ware geweest.

Om tot uiterste wilsbeschikkingen terug te komen, loffelijkis die van den Ridder Bayard, die, toen hij in den strijd doodelijk gewond werd door een busschot, en men hem buiten ’t gevecht wilde voeren, eerst zulks weigerde, zeggende, dat hij in zijn levensuiterste geen begin wilde maken met den vijand den rug te keeren, wat hij nimmer gedaan had; doch toen hij zijn krachten voelde bezwijken, en niet langer bij machte was in den zadel te blijven, zijn Stalmeester verzocht hem aan den voet van een boom te leggen, doch zoo, dat hij met het gezicht naar den vijand gekeerd bleef; en in die houding stierf hij.

Men weet, hoe Vrouwe Maria van Borgondiën, van ’t paard gevallen zijnde, en haar dij gekwetst hebbende, overleed ten gevolge eener te ver gedreven kieschheid, daar zij niet had willen toelaten, dat een wondheeler haar ontbloote beenen zag;—haar echtgenoot, Aartshertog, later Keizer, Maximiliaan, was nog preutscher dan zij, ’t geen in die eeuw en bij een man als zeer zonderling werd beschouwd. Zoo verre dreef hij de kieschheid, dat hij bij uitersten wille beschreef, dat men hem als hij dood was, niet zonder broek zou begraven. Hij vergat, in een kodicil er bij te voegen, dat de dienaar, die hem de broek zou aantrekken, eerst geblinddoekt worden moest.

Is deze beschikking zonderling, belachelijk is die van zekeren Franschen Edelman, die, in hoogen ouderdom stervende en hevig lijdende aan den steen, zijn laatste levensuren besteedde om niet slechts al de bijzonderheden voor zijn begrafenis te regelen, maar ook al den Adel uit de buurt, en vooral een Vorst van koninklijken bloede, die hem bezoeken kwam, uit te noodigen, zijn uitvaart met hun gevolg bij te wonen, alle mogelijke gronden bijbrengende, om te betoogen dat hem die eer toekwam,en toen hij hun woord gekregen had, gerust den geest gaf.

Geheel anders dacht daarover M. Emilius Lepidus, die aan zijn erfgenamen verbood bij zijn begrafenis de anders gebruikelijke plechtigheden in acht te nemen,—een beschikking, waarover hij door sommigen geprezen werd, die er een bewijs van zedige eenvoudigheid in zagen, door sommigen gelaakt, die haar aan ongepaste karigheid toeschreven. Mijns bedunkens handelt hij het verstandigst, die zich niet bekommert over zijn ter-aarde-bestelling en die aan zijne erfgenamen overlaat. Te recht zegt Cicero, daarvan gewagende: „dat men die zaak, waar ’t ons zelve aangaat, niet moet tellen, maar niet verwaarloozen, waar ’t onze naastbestaanden betreft”[2]. En evenzoo oordeelt Augustinus, waar hij zegt, dat de zorg voor de begrafenis, de hoedanigheid van het grafteeken en de luister der lijkplechtigheden zaken zijn, die meer de vertroosting der levenden betreffen dan de behoeften der dooden[3].


Back to IndexNext