[2]Totus hic locus est contemnendus in nobis, non negligendus in nostris.Cap.1, 1. 45.
[2]Totus hic locus est contemnendus in nobis, non negligendus in nostris.Cap.1, 1. 45.
[3]Curatio funeris, conditio sepulturae, pompa exsequiarum, magis sunt vivorum solatio, quam subsidia mortuorum.De Civit. Dei1, 12.
[3]Curatio funeris, conditio sepulturae, pompa exsequiarum, magis sunt vivorum solatio, quam subsidia mortuorum.De Civit. Dei1, 12.
Schrijvers.—Men heeft den schrijvers wel eens een te groote ingenomenheid met hun letterkundige voortbrengselen verweten, en zeker zijn zij, die zelve bij anderen den lof van hun papieren kinderen uitbazuinen, of, nog erger, er anderen op onthalen, even zeer te veroordeelen en te schuwen als zij, die in gezelschap hun kinderen van vleesch en bloed als kleine wondertjes voorstellenen ze hun kunsten laten vertoonen. Maar van eenen anderen kant kan men het aan een schrijver niet ten kwade duiden, dat hij aan de voortbrengselen van zijn geest eenigermate gehecht is. ’t Zijn toch ook zijn kinderen, en nog wel de zoodanige, die uit zijn brein, als Minerva uit dat van Jupiter, en zonder iemands tusschenkomst, zijn voortgesproten. Of die gelukkig of minder gelukkig zijn uitgevallen, of de affektie, die hij hun toedraagt, beredeneerd is of niet, doet minder ter zake. Zelfs is meer dan eens opgemerkt, dat ouders doorgaans een voorliefde hebben voor dezen of genen onder hunne kinderen, die ’t minst naar lichaam of geest ontwikkeld zijn: en op gelijke wijze ziet men niet zelden den auteur zeker zwak koesteren juist voor ’t werk, dat de kritiek ’t minst goed geslaagd oordeelt.
Van de gehechtheid des schrijvers aan zijn werk bestaan zelfs aandoenlijke voorbeelden. Te Rome leefde in de eerste eeuw onzer jaartelling zekere Labiënus, die niet alleen uitmuntte door aanzien en karakter, maar ook verscheidene keurige werken had in ’t licht gegeven. Hij had zich benijders en vijanden verwekt, die hem voor den Rechter riepen, en voorstelden als de jeugd door zijn geschriften te hebben bedorven. Die voorstelling schijnt geheel lasterlijk en valsch te zijn geweest. Wat daarvan zij is niet uit te maken, dewijl zij niet tot ons gekomen zijn; genoeg, de Rechter hechtte er aan en gelastte, dat zij verbrand zouden worden. En dit was, naar men beweert, het eerste voorbeeld dat te Rome gegeven werd van een vonnis, tegen boekwerken geveld. Labiënus nu trok zich het verlies zijner papieren kinderen zoo zeer aan, dat hij zich levend liet wegdragen en opsluiten in het grafzijner voorvaderen, en zich daar vrijwillig den dood gaf.
Hetzelfde deed Kumutius Kordus, die onder Tiberius leefde en wiens boeken ten vure gedoemd waren, omdat zij den lof van Brutus en Kassius behelsden. Hij hield hun gezelschap en getroostte zich den hongerdood.
Kassius Severus volgde dit voorbeeld niet, maar tergde zijn rechters, toen hij, krachtens hun vonnis, zijn boeken verbranden zag, en riep hun toe, dat zij hem mede hadden moeten veroordeelen om verbrand te worden; want dat hij al wat in die boeken stond in zijn geheugen bewaarde.
Toen de dichter Lukanus, door Keizer Nero ter dood veroordeeld zijnde, zich door zijn arts de aderen had doen openen, en door bloedverlies verzwakt, begon te bemerken dat de dood, die reeds zijn uiterste lichaamsdeelen had verstijfd, nu ook den zetel zijns levens naderde, hief hij aan met het opzeggen van eenige regels uit zijn gedicht over den slag bij Farsale, en stierf met die verzen in zijn mond. Het was als een laatst vaarwel, zijn kinderen toegeroepen.
Gelijk met de schrijvers, is het met alle kunstenaars gesteld, wat door de Oudheid zeer gelukkig is voorgesteld in de fabel van Pygmalion, die op het beeld verliefde, dat het werk was zijner handen.
Slaap.—Het is over ’t algemeen het bewijs, niet alleen van een gezond gestel, maar ook van een sterken geest, onder alle omstandigheden des levens goed te kunnen slapen. In de nacht, die den dag voorafging, waarop Alexander de Groote den beslissenden slag aan Darius leveren zou, sliep hij zoo gerust, dat zijn vertrouwelingParmenio verplicht was hem te gaan wekken, en hem tot twee of drie malen bij zijn naam te roepen eer hij hem wakker kreeg.
Cato, de jongere, besloten hebbende zich van kant te maken, wilde daarmede wachten tot hij bericht zou hebben bekomen dat de Senatoren, die hij had weggezonden, veilig buiten de haven van Utika waren gekomen, en ging zoo lang te bedde liggen, waar hij in een zoo diepen slaap viel, dat men hem in de naaste kamer hoorde snorken. Toen de bode, dien hij naar de haven om tijding had afgezonden, was teruggekeerd en hem gewekt had met het bericht, dat tegenwind alsnog het uitzeilen der schepen belette, draaide hij zich weder op zijn bed om en sliep even gerust weder in. Eerst toen hij door een tweeden bode onderricht was dat de vaartuigen in zee waren, stond hij op en volvoerde zijn opzet.
Omtrent hetzelfde wordt verhaald van Keizer Otho, die, evenzeer voornemens zijnde zich te dooden, ’s avonds orde op zijn zaken stelde, zijn geld onder zijn dienaars verdeelde, den degen, waar hij zich meê wilde om hals brengen, scherpte, en zich toen gerust te slapen ging leggen, even als Cato zijn voornemen niet volvoerende, dan na dat hij bericht had dat al zijn vrienden in veiligheid waren.
Doch het was niet alleen in zijn uiterste, dat Cato zulk een kalmte van geest toonde: ook een voorbeeld uit vroeger dagen is ons daarvan bewaard gebleven. Ten tijde van de groote samenzwering van Katilina had de Volkstribuun Metellus een voorstel gedaan om Pompejus met zijn troepen binnen de stad te roepen. Cezar, het volk, allen waren op de hand van Metellus en niemand wederstondhem dan Cato alleen, ’t Was bekend, dat op den dag, waarop de zaak zou beslist worden, een troep huurlingen en zwaardvechters Metellus zouden vergezellen, zoodat al de bloedverwanten en vrienden van Cato zeer bezorgd voor hem waren, en velen onder hen de nacht wakende doorbrachten om te overleggen, hoe zij hem aan het gevaar zouden onttrekken. Ook zijn vrouw en zijn zusters deden niets dan het huis met jammerklachten vullen: hij daar en tegen sprak iedereen troost in, at en dronk als naar gewoonte en ging toen naar bed, waar hij zoo gerust sliep, dat een zijner vrienden hem den volgenden morgen moest komen wekken om naar de plaats te gaan waar ’t geding zou gevoerd worden.
De Raadpensionaris Jan de Witt behoorde ook onder hen, die slapen kunnen zoodra zij ’t oorkussen ruiken. Hij placht te zeggen, dat iemand, die vele en gewichtige zaken in ’t hoofd heeft, die moet kunnen ter zijde stellen zoodra hij zich te bedde bevindt: een raad, die uitmuntend is, doch dien iedereen niet even bekwaam is te volgen. ’t Is echter in ’t algemeen raadzaam, niet onmiddellijk van den arbeid naar bed te gaan; want dan blijven allicht onze gedachten op hetzelfde punt werkzaam en belet ons dit te slapen: men doet daarom altijd beter, niet later dan tot een zeker uur te werken, en dan ’t zij een spel, ’t zij een weinig vermoeiende lektuur bij de hand te nemen, of zich op andere wijze te ontspannen, zoodat men met een verfrischt hoofd te bedde gaat: ik althans heb mij bij ’t aanwenden van soortgelijke middelen steeds wel bevonden.
Men heeft opgemerkt, dat lieden, die wegens misdaden te recht stonden waar de hals meê gemoeid was, doorgaanszeer slecht sliepen in de nacht voor dat het vonnis zou gewezen worden, dewijl alsdan de onzekerheid omtrent hun lot hen uit den slaap hield, maar daar en tegen zeer gerust in de nacht voor dat het vonnis zou voltrokken worden en als zij de overtuiging hadden, dat er toch aan hun zaak niets meer te doen was.
Snapachtigheid.—Men beschuldigt in ’t algemeen de vrouwen van een haar ingeboren zucht tot snappen, en de hekel- en blijspel-dichters, zie o. a. Hooft in zijn Warenar, hebben dan ook nimmer nagelaten, die zucht op allerlei wijze ten toon te stellen. Toch is het de vraag, of die meerdere geneigdheid tot praten niet veeleer een gevolg is van de bijzondere omstandigheden, waarin de vrouwen geplaatst zijn. Zij toch hebben over ’t geheel zoodanige bezigheden, waarbij de handen alleen ’t werk doen, terwijl hoofd en tong geheel vrij zijn. ’t Zij ze aan ’t naaien of borduren, ’t zij ze aan ’t wasschen of schoonmaken zijn, de verbeelding heeft vrij spel en, zij zouden zich vervelen, indien zij niet nu en dan een praatje maakten. De mannen daar-en-tegen, zijn ze ambtenaren, klerken, kantoorbedienden, advokaten, prokureurs, doktoren, letterkundigen, enz. enz., hebben hun hoofd noodig bij hun werk en wennen zich dan voorzeker ’t noodeloos praten niet aan. Zijn ze ambachtslieden, landbouwers, poldergasten, hun arbeid zelf, die zware krachtsinspanning vordert, maakt hun doorgaans ’t babbelen onmogelijk; zij zouden onder ’t werk niet verstaan worden, en zijn na ’t werk te moe en te slaperig om te praten. Toch vindt men ook onder de mannen niet weinig snappers,—maar ’t is doorgaans juist onder de zoodanigen, die een beroepuitoefenen, waarbij hoofd noch lichaamsspieren zich bijzonder vermoeien, onder kappers, barbiers, bedienden in koffiehuizen en modewinkels, livreiknechts en dergelijken, dat men babbelaars vindt, en wel dikwijls de zoodanigen, die ’t aan de vrouwen niets toegeven. ’t Is dus mijns bedunkens gewaagd uitsluitend aan de natuur der vrouwen een hebbelijkheid toe te schrijven, die zich uit andere oorzaken verklaren laat.
Doch toegegeven eens, dat de vrouw uitteraard meer dan de man tot snappen geneigd is, dan mag men dit nog als een geluk beschouwen. Immers, het is aan de vrouw, dat de eerste opleiding van ’t kind, als baker, als min, als kindermeid, als moeder, is toevertrouwd. Het denkvermogen van het kind kan niet ontwikkeld worden, tenzij men het van zijn geboorte af, reeds wenne, klanken te hooren, er naar te luisteren, er de beteekenis van te verstaan, er op te antwoorden, in één woord, te hooren praten. Nu ligt het wel in de reden, dat men begint met aan het kind enkele woorden voor te zeggen, en vervolgens volzinnen, maar die op zich zelve weinig beduiden, en dat ook zelfs als men verder komt, men nog altijd over zeer dagelijksche en onbelangrijke dingen tegen hem praat;—dat daartoe nu de vrouw in staat gesteld is, daarvoor mogen wij den Hemel danken, en offert zij soms een groot gedeelte van haar leven op om beuzelingen aan een kind te vertellen, laten wij het haar dan niet ten kwade duiden, zoo zij nu en dan beuzelingen in haar gesprek met menschen van haar leeftijd te pas brengt.
En toch, zoo als ik zeide, kunnen de mans niet nalaten, gedurig aan de vrouwen haar snapzucht te verwijten.Zelfs geestelijken hebben zich veroorloofd dit van den kansel te doen. Zoo wordt er van een verhaald, dat hij, op Paaschdag voor geestelijke zusters predikende, de reden van het feit, dat de Heer na zijn opstanding zich ’t eerst aan vrouwen vertoond had, daarin verklaarde gelegen te zijn, dat op die wijze de tijding het spoedigst verspreid zou worden.
Een andere geestelijke, die in een dorpskerk preekte, waar mannen en vrouwen afzonderlijk gezeten waren, werd midden in zijn rede gestoord door gebabbel onder zijn toehoorders. Dit hindert hem en hij beklaagt er zich over. Een vrouw staat op, en zegt: „’t Is niet aan onzen kant, Eerwaarde!”—„Des te beter, vrouwtje!” is zijn antwoord: „zooveel te eerder zal ’t gedaan zijn.”
Weêr een ander, over het gesprek met de Samaritaansche vrouw zullende preêken, zei tot zijn toehoorders: „Verwondert u niet, indien mijn tekst zoo lang is: ’t is hier een vrouw, die aan ’t woord is.”
Staatzuchtigen.—Wie door eer- en staatszucht wordt voortgedreven, kent zelden andere houding dan geknield te liggen of op de toonen te staan, en zoekt zich doorgaans, als hij de nukken of de ongenade verduren moet van wie boven hem zijn, zich daarover te wreken door hen, die van hem afhangen, uit de hoogte te behandelen. Dit althans was het gevoelen van een Sinees, die door Europa reisde. Eens zich in de voorzaal bevindende van een machtigen Monarch, zag hij daar een man met een gunstig voorkomen, in een prachtig gewaad, met vele eereteekens behangen, die alleen en afgezonderd stond en met wien zich niemand scheen te willen bemoeien.„Wie is die verlatene?” vroeg de Sinees aan zijn geleider. „’t Is,” antwoordde deze, „een onzer voornaamste Heeren; hij heeft roemrijke krijgstochten gemaakt en is Goeverneur van een onzer aanzienlijkste Gewesten; doch voor ’t oogenblik is hij in ongenade.”—„En waarom draait men hem den rug toe?” vroeg wederom de Sinees: „indien men ten Hove geen medelijden heeft met hem, moest men het ten minste hebben met zijn arme onderhoorigen.”
De Kardinaal Dubois, die Minister was onder den Regent, bood een abdij aan een Bisschop, wien hij op zijn hand wenschte te hebben. De Bisschop sloeg de gift af, zeggende, dat hij, volgens de Kanonieke wetten, niet meer dan één geestelijk goed bezitten mocht. Die onbaatzuchtigheid verbaasde Dubois, die zelf alles behalve nauwgezet was. „Indien gij,” zeide hij, „niet over sommige punten wat vrij geschreven hadt, zou ik u heilig verklaren.”—„Gave God,” antwoordde de Bisschop, „dat uwe Eminentie er de macht toe bezat, en ik er u aanleiding toe gegeven had; wij zouden beiden reden tot voldoening hebben.”—Dat was een fijne manier om hem zijn staatszucht te verwijten.
Tooneelspelers.—Het is noodig, dat een tooneelspeler, behalve een goed uiterlijk, ook bekwaamheid genoeg hebbe om de rol, die hij te vervullen heeft, behoorlijk te begrijpen; dat hij zich in den toestand kunne verplaatsen van de persoon, die hij zal voorstellen, en diens gevoelens en gewaarwordingen als ’t ware tot de zijne maken. Met slechts weinigen intusschen is dit het geval. Men had aan een beroemde tooneelspeelster de taak opgedragen, aan eene, die nog debuteeren moest,de rol te leeren spelen eener princes, die een hevige hartstocht gevoelde voor een ontrouwen minnaar; doch, na les op les, begon de onderwijzeres hoe langer hoe meer te bemerken, dat zij niet vorderde. Eindelijk ongeduldig geworden zijnde, zeide zij tot haar leerling: „Is hetgeen ik u vroeg dan zoo moeilijk? Stel u in de plaats der verlaten minnares. Indien gij in haar geval waart en verraden door hem, dien gij liefhadt, zoudt gij dan niet, als zij, van diepe smart doordrongen zijn? Zoudt gij niet....”—„Ik?” antwoordde de debutante: „ik zou mijn best doen, gaauw een anderen vrijer te krijgen.”—„Is dit het geval?” hernam de onderwijzeres; „dan verliezen wij beiden onzen kostbaren tijd: ik zal u nooit kunnen leeren uw rol te spelen gelijk ’t behoort.”—[4]
[4]Remond de STEAlbine.Le comédien.Paris 1751.
[4]Remond de STEAlbine.Le comédien.Paris 1751.
Intusschen, men versta ons wel: wanneer wij zeggen, dat een tooneelspeler zich in de plaats moet weten te stellen van de persoon, voor welke hij spelen zal, dan moet dit geschieden terwijl hij de rolbestudeert; wanneer hij die werkelijkvervult, moet hij daar-en-tegen zich steeds herinneren dat het maar spel is; ging hij zich dan werkelijk verbeelden de voorgestelde persoon te zijn, liet hij zich wegslepen door de aandoeningen, die desituatiemedebracht, hij zou groot gevaar loopen onverstaanbaar te worden, of in de war te raken. Een tooneelvertooning is als een schilderij: beiden moeten treffen door de voortreffelijke en bedriegelijke wijze waarop de natuur isnagevolgd, en even als men op een schilderij, waar een roos of een zijden kleed op is voorgesteld, geen degelijke rozebladeren of geen wezentlijke zijde zalgaan plakken zonder een zeer misselijke uitwerking te doen, even zoo zou een akteur, die wezentlijk gevoelde wat hij moet schijnen te gevoelen, de geheele vertooning allicht bederven.—Verbeelde men zich, dat hij, als ’t in zijn rol te pas kwam, verontwaardigd te schijnen op een ander personaadje, zich wezentlijk boos ging maken en aan den anderen een wezentlijk pak slaag gaf, of de minnares, op welke hij zich voorstellen moet verliefd te zijn, in plaats van een tooneelzoen, een wezentlijken liefdekus gaf!—En dit is zoo waar, dat zelfs de ondervinding geleerd heeft, hoe degene, die in zijn persoonlijk uiterlijk een toevallige overeenkomst heeft met het uiterlijk van dengene, dien hij voorstelt, minder voldoen zal, dan degene, die zich door kunst dat uiterlijk weet te verschaffen. Men verhaalt van een tooneelspeler te Londen, die, na dertig jaren de gunst van het publiek genoten te hebben, door een val kreupel werd. „Nu,” dacht hij, „zou hij juist beter dan iemand de rol van Richard II van Shakespeare vervullen, die door den schrijver kreupel is voorgesteld.” En toch, toen hij aan den regel kwam: „de honden blaffen mij na, als zij mij zien hinken,” ontstond er zulk een algemeen gelach dat hij buiten staat was zijn rol verder voort te spelen.[5]—Even zoo hebben werkelijk dikke akteurs nooit met goed gevolg voor sir John Falstaff gespeeld: en altijd slaagt hij er beter in, die er met een gemaakten buik in optreedt.
[5]Année Littéraire.
[5]Année Littéraire.
Zoo iemand zich immer wist te doordringen van den geest der rol, die zij vervulde, dan was het Wattier-Ziesenis, de volmaaktste tooneelspeelster, die wij ooit aanschouwden;eens bewees zij dit op eene meesterlijke wijze bij gelegenheid dat zij in de vertaling van het stuk van Bouilly, „l’Abbé de l’Epée,” de rol van den doofstommen jongeling vervulde. Er is in dat stuk een tooneel, waarin, terwijl de overige personaadjen een levendig gesprek voeren, de doofstomme in een hoek zit te lezen. Plotseling valt er, terwijl dat tooneel gespeeld wordt, achter de schermen een gewicht of ander zwaar voorwerp met een grooten slag naar beneden. Al de akteurs kijken verschrikt om; Wattier alleen vergeet niet, dat zij voor ’t oogenblik doofstom is, en niet alleen wendt zij ’t hoofd niet, maar geen spier op haar gelaat, geen beweging van een enkel lichaamslid geeft te kennen dat zij den slag gehoord heeft.
Eens dat een beroemd akteur aan deComédie françaisewat zacht sprak in zijn rol, riep iemand uit het publiek hem toe: „wat luider.” De akteur, zich werkelijk voorstellende de Vorst te zijn, waarvoor hij speelde, gaf onbeschroomd tot antwoord: „en gij, wat stiller.”—Hieruit ontstond groote opschudding; de politie bemoeide er zich mede, en de tooneelspeler kreeg last, het publiek om verschoning te vragen. Op den voorgrond van het tooneel gekomen,—wij zouden nu zeggen, bij ’t voetlicht, maar dat was er toen nog niet,—begon hij aldus zijn aanspraak: „Nog nooit, mijne Heeren, heb ik meer de overtuiging gekregen van het lage van mijn beroep, dan door den stap, dien ik heden doe.” Dit begin, hoezeer beleedigend voor het publiek, had niettemin een gunstige uitwerking, en de toeschouwers, misschien minder lettende op hetgeen hij zeide, dan op de vernedering, die hij onderging, gaven door luidruchtig handgeklap tekennen, dat zij tevreden waren en dat hij niet verder behoefde voort te gaan.
Een ander tooneelspeler redde zich evenzeer door zijn vrijmoedige taal uit een onaangename stelling. De eerste operazanger was ziek geworden en een zanger van den derden rang was geroepen om hem te vervangen. Hij zong, en werd uitgefloten; maar zonder zich onthutst te toonen, zag hij het publiek met strakke blikken aan, kruiste de armen en zeide: „ik begrijp ulieden niet; verbeeldt gij u misschien dat, voor driehonderd gulden ’s jaars, ik u een stem van duizend rijksdaalders bezorgen kan?”—Het publiek lachte, vergaf den zanger, om het logische zijner redeneering, zijn gebrek aan talent, en juichte hem de rest van den avond toe.
De beroemde Duclos, te Parijs de rol van Camille in den „Horace” van Corneille spelende, geraakte, op het oogenblik dat zij, na tegen Rome te zijn uitgevaren, het tooneel verlaten zou, in haar mantel verward en viel. De akteur, die voor Horatius speelde, beleefder dan zijn rol wel medebracht, nam zijn hoed af met de eene hand, hielp haar op met de andere en geleidde haar met vele plichtplegingen tot achter de schermen, waar hij, zijn hoed weder opzettende en zijn degen trekkende, haar met groote woede den doodsteek scheen te geven. „Baron,” zegt de abt Nadal, die deze anekdote vertelt, „zou de fout niet begaan hebben, die Beaubourg beging; hij zou, als een groot tooneelspeler die hij was, van hetgeen gebeurde partij getrokken, en haar in den val zelven gedood hebben.”
Een beroemde tooneelspeelster redde zich op behendiger wijze uit een onvoorzienen tegenspoed. Voor Fedra spelende, in het treurspel van Racine, voelde zij in hettooneel, waarin zij haar liefde aan Hippolytus verklaart, dat zij haar stem kwijt raakte; zij trok er partij van om de zwakke toonen te doen hooren van een vrouw, die, door haar gevoel overmand, alle kracht en stem verloren heeft. Het publiek zag hetgeen het gevolg van een tijdelijk ongemak was aan voor een opzettelijke stembuiging, door een verheven kunstgevoel voortgebracht, en nimmer maakte dat schoone tooneel een zoo diepen indruk op hen die ’t hoorden.
Twee voorbeelden van noodlottige gevolgen, ondervonden door mannen, die zich te veel vereenzelvigden met de personen, die zij op het tooneel voorstelden, wil ik hier verhalen. ’t Eene vond ik aangehaald door Gueret in zijn „Parnasse reformé”, en betreft Montfleuri, die op het Fransche tooneel Baron voorafging en in 1667 stierf ten gevolge van de geweldige inspanning, waarmede hij in Racine’s „Andromaque,” de rol van Orestes had vervuld. Het andere las ik in hetJournal politique et littéraire, een tijdschrift, dat in de vorige eeuw verscheen. Een Engelschman, Bond geheeten, was zoo bijzonder ingenomen met Voltaire’s „Zaïre,” dat hij een der beste dichters van Londen aanspoorde, dat stuk in ’t Engelsch te vertalen. Zijn doel was, de vertaling op het theater van Drurylane te doen opvoeren, en gedurende twee jaren stelde hij al zijn pogingen en die zijner vrienden in ’t werk om het Bestuur van gezegden schouwburg daartoe te doen overgaan; doch zonder gevolg; immers, hoewel de vertooning in die twee jaren wel twintig maal werd aangekondigd, had zij nimmer plaats. Eindelijk wanhopende het stuk immer op een gewonen schouwburg te zien spelen, nam Bond het besluit, dit zelf te doen, metde hulp van eenige andere tooneelliefhebbers, en wel in de zaal der Yorck-Buildings, toen een lokaal bestemd tot het geven van concerten, doch dat men ook voor één avond huren kon, mits een som betalende, waarvoor men een huis voor een geheel jaar kon krijgen. De rollen werden verdeeld en de geheele stad kreeg bericht van het gevormde plan. Bond, die reeds een goede zestig jaren achter den rug had, koos voor zich de rol van Lusignan, als ’t meest voor zijn leeftijd en krachten berekend; hij spaarde moeite noch kosten om de voorstelling zoo luisterrijk mogelijk te maken, al de voordeelen willende overlaten aan den vertaler van het stuk. De groote dag kwam, en nimmer had men in die zaal zulk een schitterend gezelschap bijeen gezien. De eerste bedrijven werden onder herhaalde toejuichingen gespeeld. Men wachtte Lusignan: hij verschijnt, en alle toeschouwers gevoelen zich aangedaan op ’t zien van den eerwaardigen grijsaard. Maar meer dan allen te zamen was hij zelf ontroerd; zoo geheel geeft zich de oude man over aan de kracht zijner verbeelding, zoo hevig grijpen hem zijn gewaarwordingen aan, dat hij, te zwak om haar geweld te weêrstaan, bewusteloos nedervalt in zijn stoel, op het oogenblik dat hij zijn dochter herkent. Eerst dacht men dat zijn flauwte slechts geveinsd was, en bewonderde men de wijze, waarop de kunst de natuur wist terug te geven. Maar men begon eindelijk te vinden, dat het lang genoeg duurde en zoo waarschuwden hem Chatillon, Nerestan en Zaïre, dat het tijd was, voort te gaan. Hij opent even de oogen, sluit ze weêr en valt terug in zijn leuningstoel zonder een woord te spreken: hij strekt nog eens de armen uit—en die beweging was zijn laatste levensstuip.
Mejuffrouw Bourgoin, die in de eerste helft dezer eeuw eene der bevalligste tooneelspeelsters was aan deComédie française, en die misschien nog enkele ouderen van dagen, als ik, zich herinneren zullen, in 1811, toen Napoleon Amsterdam bezocht, met Talma, Damas en Duchesnois op ’t Leidsche plein te hebben zien spelen, had te Parijs haar hôtel naast dat van de Princes X. Nu gebeurt het, dat de kat der tooneelspeelster op roof uitgaat, in de kamer der Princes dringt en haar kanarievogel opsnoept. De Princes, hierover verstoord, schrijft een vrij kras briefje aan de aktrice om zich te beklagen, en teekent dat briefje: X. De andere antwoordt in gelijken stijl, vertelt, dat zij de kat niet bij zijn staart kan houden, dat de Princes dan beter zorgen moest, haar vogelkooi dicht te houden, enz. enz., en teekent:Bourgoin. Groote verontwaardiging bij de Princes, die een tweeden en nog scherper brief schrijft, maar deze reis onderteekent:Princes X. Maar de tooneelspeelster, die juist dien avond een princesserol in een van Racine’s meesterstukken te vervullen had, wil voor de degelijke Princes niet onderdoen en teekent haar wederantwoord:Iphigénie en Aulide.
Van denzelfden aard is hetgeen zich, niet zoolang geleden, een andere Parijsche aktrice veroorloofde. Op de groote Tentoonstelling van 1867 was er om de ruimte, waarin die gehouden werd, binnen te treden, eene poort, die alleen toegang verleende aan vorstelijke personaadjen. Daar vertoont zich aan de poort een prachtigeéquipage, met vier paarden bespannen, en waarin een fraai gekleede vrouw was gezeten. De portiers, die alle gekroonde hoofden kenden, hielden het rijtuig, dat wilde doorrijden, tegen; doch met majesteit riep zij hun toe: „la Grande-Duchessede Gérolstein,” en eerbiedig trad men rechts en links ter zijde—voor MlleSchneider, die alle avonden gezegde rol in hetTheâtre des Variétésvervulde.
Tucht.—P. Krassus, Konsul in Aziën zijnde, had aan een Griekschen krijgsbouwmeester bevel gezonden om hem den grootsten van twee masten toe te zenden, die zich te Athenen bevonden, en waar hij zeker oorlogswerktuig van wilde doen vervaardigen. De andere echter vond goed, hem den kleinsten mast te brengen, als naar zijn oordeel beter geschikt voor het doel, dat Krassus zich voorstelde. Krassus, zijn gronden vernomen hebbende, liet hem dapper met roeden slaan, als meenende dat het belang van de krijgstucht van meer gewicht was dan het belang van het voorgenomen werk. Intusschen is het aan bedenking onderhevig, of niet die onbepaalde gehoorzaamheid alleen dan betracht moet worden, wanneer het bevel stellig en ondubbelzinnig is, en of niet Krassus, aan een man van ’t vak schrijvende, en hem meldende tot welk einde hij den bedoelden mast behoefde, hem scheen uit te noodigen over de zaak na te denken en naar zijn beste weten te handelen?
Vaderlandsliefde.—De Spartaan Pedaretes had zich als kandidaat gesteld voor den regeeringsraad, die uit drie honderd leden bestond. Hij wordt niet gekozen en keert huiswaarts, zich verblijdende, dat Sparta drie honderd mannen bezit, waardiger dan hij.
Een Spartaansche vrouw had vijf zonen bij ’t leger en wachtte tijding van den geleverden slag. Bevende vraagt zij dit aan een Heloot, die van ’t leger keert. „Uw vijfzonen zijn gesneuveld,” zegt de slaaf. „Ellendeling!” voegt zij hem toe, „is dat wat ik u vroeg?” Hij herneemt: „Wij hebben gezegevierd.” De moeder gaat naar den tempel en brengt den Goden dank.
Een andere Spartaansche vrouw ziet bij een beleg haar zoon, die ergens op post stond, door een pijl geveld, aan haar voeten nedervallen. „Roept zijn broeder,” zegt zij, „om hem te vervangen.”
Porsenna, Koning van Hetruriën, belegerde Rome in ’t jaar 246 harer stichting en had de stad reeds tot het uiterste gebracht. Een jonge Romein, Mutius genaamd, weet onder een vermomming in ’t vijandelijk leger, ja zelfs tot binnen Porsenna’s tent te dringen, waar hij met zijn dolk, wanende Porsenna te treffen, diens Sekretaris doorsteekt. Hij wordt gevat en de Koning bedreigt hem met de felste folteringen. „’t Is vruchteloos,” zegt Mutius, „dat gij mij schrik zoekt aan te jagen. Bewust, welk lot mij te wachten stond, heb ik mij vrijwillig opgeofferd voor mijn Vaderland en, om u het bewijs te geven, dat geen vrees voor uw foltertuigen mij weerhouden kon, zie hier,” en meteen steekt hij zijn rechterhand in de vlam, die op een daar aanwezig outer brandde, en blijft met onbeweeglijk oog de werking van het vuur, dat haar wegschroeit, aanstaren. Porsenna, over zulk een onversaagdheid verbaasd, laat hem van ’t altaar afhalen en stelt hem in vrijheid. „Ik wil u,” herneemt Mutius, „de grootmoedigheid, die gij mij betoont, vergelden en u thans vrijwillig een geheim mededeelen, dat anders al uw dreigementen mij niet ontrukt hadden: weet, dat wij met ons driehonderd Romeinen zijn, die gezworen hebben, u om hals te brengen, of testerven.” Volgens de historieschrijvers werd Porsenna door deze mededeeling zoodanig getroffen, dat hij het beleg opbrak.
De tot hiertoe vermelde gezegden en feiten werden in vroegeren tijd, en vooral in ’t laatst der vorige eeuw, hemelhoog geprezen en als voorbeelden ter navolging gesteld. Tegenwoordig denkt men daar anders over en kan men geen hulde meer brengen aan een onvrouwelijke, onmoederlijke en onnatuurlijke kalmte, als door die Spartaansche moeder aan den dag gelegd werd, en evenmin zal men toegeven dat, hetzij vaderlandsliefde, hetzij eenig ander gevoel, dat loffelijk is op zich zelf, een moord kan wettigen: zoodat dan ook de meesten van hen, die in de laatste jaren een rol als die van Mutius hebben willen spelen, verre van lof te behalen, afkeer verwekt hebben, en ’t vrij algemeen is goedgekeurd dat de galg of ’t schavot hun loon werd. Meer onverdeeld is de lof aan de bewijzen van vaderlandsliefde, die ik thans vermelden ga.
In 1396 verdedigden de Zwitsers bij Sempach hun onafhankelijkheid tegen de Oostenrijkers. Deze laatsten, in ’t staal geharnast, vormden een muur van ijzeren lansen, die ondoordringbaar scheen aan de lichtgewapende bergbewoners. Toen besloot Arnold von Winkelried, een Edelman uit Unterwalden, zich aan zijn Vaderland ten offer te brengen. „Vrienden!” zeide hij tot de Zwitsers, „ik bezorg u de overwinning ten koste van mijn leven. Draagt slechts zorg voor hen die ik achterlaat. Volgt mij nu en gedraagt u naar mijn voorbeeld.” En toen den Zwitsers hun gelederen hebbende doen schikken in den vorm van een driehoek, plaatste hij zich zelf aande spits en liep op het centrum van den vijand in. Daar gekomen omvatte hij met beide armen zoovele der op hem gerichte lansen als hij maar grijpen kon, en wierp zich daarmede op den grond, aldus aan hen die volgden een doortocht openende om in ’t hart dier ineengesloten falanks te dringen. Zoo was de muur verbroken en ’t kwam nu tot een strijd van man tegen man, waarbij de Oostenrijkers te kort schoten, daar nu ’t gewicht hunner wapenrusting hun noodlottig werd.
In 1346 werd Calais belegerd door Koning Eduard III van Engeland, en zag zich, na een langdurig beleg, op den 3denAugustus van ’t volgende jaar tot de overgave gedwongen. Vertoornd over den hardnekkigen wederstand, die hem geboden was, weigerde Eduard in ’t eerst eenige gunstige voorwaarden aan de ingezetenen toe te staan, en bepaalde hij, dat de eene helft omgebracht en de andere op rantsoen gesteld zou worden. Van dit wreede besluit werd hij echter door zijn legerhoofden teruggebracht, die hem niet zonder reden voorhielden, hoe zulk een gestrengheid de Franschen zou aansporen, hun gevangenen op gelijke wijze te behandelen, en hij zeide daarom zich tevreden te zullen stellen met den dood van zes personen, die hem, blootshoofds en met den strop om den hals, de sleutels der stad zouden brengen. Toen Mauny uit zijn naam aan de inwoners van Calais deze laatste bevelen zijns meesters kwam overbrengen, verzocht de Stadskommandant, Jean de Vienne, hem te blijven, en tegenwoordig te zijn bij het besluit dat dien overeenkomstig zou genomen worden. De markt stond volgepropt met lieden uit de stad, die er met pijnlijk ongeduld stonden af te wachten, hoe de veroveraar over hen beschikkenzou. Toen zij dit hadden vernomen, heerschte alom een stille neerslachtigheid, en de een zag angstig den anderen aan, als om te vragen, wie onder hen een der zes ter dood gedoemden wezen zou. Hier en daar gaf zich de smart in hoorbare zuchten of in snikken en tranen lucht; de Kommandant, hoe dapper hij in de bres gestreden had, schreide als een kind; Mauny zelf was met dit schouwspel innig bewogen. Toch moest men tot een besluit komen; want aan verzachting van ’s Konings eisch viel niet meer te denken. Daar kwam Eustatius de St. Pierre midden uit de burgers voor den dag en zeide: „Heeren, groot en klein! ’t zou een bittere ramp wezen al dit arme volk door honger of anders te laten omkomen, als er middel tot uitkomst is, en ik voor mij heb zoo groote hoop vergiffenis mijner zonden van onzen Heer te verwerven, als ik sterf tot rantsoen van deze allen, dat ik de eerste wil zijn.”—Zoo getroffen waren de omstanders door deze schoone taal, dat elk om ’t eerst zich aan zijn voeten wierp, en zoo krachtig was het voorbeeld der deugd, dat terstond Jean d’ Aire, Jacques en Pierre Wissant en twee anderen (wier namen de Geschiedenis, die er zoovele van groote schelmen in aandenken houdt, ons niet bewaard heeft) zich bereid verklaarden, met hem te sterven. De Kommandant deed hen uitgeleide tot aan de stadspoort, waar hij hen aan Mauny overgaf, met verzoek in hun voordeel te spreken bij den Koning. Voor dezen verschenen, boden zij hem de stadssleutels aan, terwijl al de hovelingen, door zoo veel grootmoedigheid getroffen, den Koning naar de oogen zagen in de hoop, dat hij een milder uitspraak doen zou. Doch Eduard bleef onbewogen, en in weerwildat zijn zoon, de Prins van Wallis, zich voor zijn voeten wierp, gaf hij last dat de beul zou geroepen worden. ’t Was met die ongelukkigen gedaan geweest, ware niet ter goeder ure ’s Konings gemalin, Filippa, zuster van onzen Graaf Willem den Goede, verschenen, die zich aan ’s Konings voeten wierp en hem smeekte, den luister zijner overwinning door geen wandaad te bezwalken. „Ach, Mevrouw!” zeide hij eindelijk, „’t ware mij liever geweest, indien gij elders dan hier geweest waart; doch gij bidt mij zoo ernstig, dat ik u niets kan afslaan. Neem ze met u, ik schenk ze u.” Terstond leidde hen de Koningin naar haar verblijf, bezorgde hun kleederen en spijzen, en zond ze naar de stad terug, aan elk hunner zes goudstukken schenkende, om in hun behoeften te voorzien.
Verachting van den Dood.—Toen Filippus van Macedoniën met zijn leger den Peloponnezus was binnengerukt, zeide iemand tegen Damindes, dat de Lacedemoniërs wèl zouden doen, zich tijdig te onderwerpen, dewijl zij anders ’t ergste te vreezen hadden. „Eiwat, bloodaard!” antwoordde deze: „wat kunnen zij te vreezen hebben, die niet bang zijn voor den dood?”—en inderdaad toen Filippus hun schreef, dat hij al hun ondernemingen verijdelen zou, was hun antwoord: „zult gij ons ook beletten te sterven?”
Toen men aan Koning Agis vroeg, hoe een man vrij kon leven, antwoordde hij: „door den dood te verachten.”—
Uit deze gezegden blijkt, dat beide deze Spartanen van oordeel waren, dat men des noods zijn einde verhaasten mag, ja verplicht is, zulks te doen, om een ergerleed, als b. v. schande of slavernij, te ontwijken. Trouwens, dit werd dien hardvochtigen volksstam van jongs af ingeprent, getuige die Lacedemoonsche knaap, die, door Antigonus gevangen en als slaaf verkocht zijnde, zijnen meester, toen deze zeker verachtelijk dienstbetoon van hem vorderde, toevoegde: „Ik zal u toonen wien gij gekocht hebt, en hoe ik, de vrijheid in mijne macht hebbende, mij schamen zou te dienen,” en meteen sprong hij het plat van het huis af en viel te pletter.
Ook de oude Germanen stelden den dood boven de slavernij, en edel was het antwoord, dat Bojaculus, een hunner aanvoerders, aan den Veldheer van Keizer Tiberius gaf: „wij kunnen gebrek hebben aan land om op te leven; maar het zal ons nooit aan land ontbreken om op te sterven.”
En dat diezelfde vastberadenheid ook bij de verre nakomelingen der oude Germanen niet was verloren gegaan, bleek uit de schoone woorden, die onze Stadhouder Willem III in 1672 sprak, toen men hem te kennen gaf, dat er voor onze landgenooten, door Frankrijk, Engeland en Munster bestookt, geen uitkomst meer bleef: „Ik weet een middel om den vijand te ontkomen,” zeide hij, „dat is te sterven bij de verdediging van de laatste gracht.”
De regel echter, dat men den dood verkiezen moet boven hetgeen erger is dan de dood, heeft van ouds reeds aanleiding gegeven tot verheerlijking van den zelfmoord. Ieder weet, hoe Kato van Utika door de Latijnsche schrijvers geprezen werd, omdat hij, toen Cezar zegevierde, de vrijheid van zijn Vaderland niet wilde overleven. Niet minder roemen zij Boges, die, door Xerxes tot bevelhebber van Eione aangesteld en geen kans meer ziendeom de plaats tegen de overmachtige Atheners, onder Cimon, te verdedigen, de schande van een post, hem door zijn meester toevertrouwd, te verliezen, niet begeerde te overleven, maar den hem aangeboden eerlijken uittocht weigerde, en, toen al de voorraad verteerd en alle verdere afweer onmogelijk was, eerst in de rivier Strymon al het goud en wat verder de begeerlijkheid des vijands wekken kon, liet werpen, waarna hij een groote houtmijt deed oprichten, zijn vrouwen, kinderen en dienaren en eindelijk zich zelven den vlammen prijs gaf.
Maar ook de zelfmoord ter ontwijking van tegenspoeden van minder beteekenis, ja van ziekten en gebreken, werd bij de Ouden loffelijk geacht. Diogenes, den wijsgeer Speusippus ontmoetende, die, door waterzucht gekweld, zich in een draagbaar liet rondrijden en hem goeden dag wenschte, gaf hem tot antwoord: „U wensch ik geen goeden dag, die laf genoeg zijt om in een toestand als de uwe te blijven leven.”—En inderdaad ontnam kort daarna Speusippus zich het leven, dat hem tot een last was geworden.
De oude niet alleen, ook de nieuwe geschiedenis is vol voorbeelden van menschen, die zich ombrachten om een gelijke of nog zonderlinger reden. Lucius Aruntius doodde zich om de toekomst en het verledene te ontvluchten. Grunius Silvanus en Statius Proximus, na eerst door Nero ter dood te zijn veroordeeld en toen vergiffenis ontvangen te hebben, deden hetzelfde omdat zij geen genade van zulk een dwingeland begeerden. Nog opmerkelijker is de zelfmoord van de vrouw van Fulvius. Deze Fulvius, een der gunstelingen van Augustus, had een geheim, dat de Keizer hem had toevertrouwd, aanzijne vrouw medegedeeld, en deze had het verder verteld. Augustus was er achter gekomen en had hem er ernstig over onderhouden; waarop de hoveling, vreezende de gunst zijns meesters voor altijd verbeurd te hebben, wanhopend naar huis liep en aan zijn vrouw zeide, dat hem nu niets anders overbleef dan zich om hals te brengen. „En daar zult ge zeer groot gelijk aan hebben,” zeide hierop zijne vrouw: „gij wist dat ik een langtong ben, en hadt beter moeten oppassen mij niets toe te vertrouwen; maar laat ik mij zelve nu eerst straffen,” en meteen, zijn degen nemende, stootte zij zich dien in ’t hart.
Sixtus Pompejus, naar Aziën trekkende, deed het eiland Cea aan, juist op het tijdstip dat een aanzienlijke vrouw aan hare medeburgers de redenen had ontvouwd, waarom zij besloten had zich van het leven te berooven. Zijn komst vernomen hebbende, liet zij hem verzoeken haar sterven met zijn tegenwoordigheid te vereeren; waarop hij zich onmiddellijk tot haar begaf en met klem van allerlei redenen trachtte haar van zulk een wanhopig besluit terug te brengen; doch al zijn preêken was vruchteloos. Hij moest toegeven dat zij haar zin deed. De vrouw, die reeds negentig jaren telde en gezond was van lichaam en geest, ontving ter bestemder ure hem en de overige genoodigden, terwijl zij fraai gekleed op haar rustbed lag, en sprak hem op deze wijze toe: „De Goden, o Sixtus Pompejus, en nog meer zij, die ik achterlaat, dan zij, die ik ga zoeken, mogen u dank weten, dat gij mij tot bepleiter van mijn leven en tot getuige van mijn dood hebt gestrekt. Wat mij betreft, altijd door voorspoed gehad hebbende, wil ik de kans niet loopen, dat de zucht om langer te leven mij een tegenovergestelde ondervindingliet opdoen, en ik acht het wijzer, aan mijn ziel een gelukkige standverwisseling te bezorgen, terwijl ik twee dochters en tal van achterneven nalaat.”—Dit gezegd, de haren tot vrede en eendracht vermaand en de huisgoden aan hare oudste dochter bevolen hebbende, nam zij met vaste hand den beker met vergif, bad Merkuur, haar in de andere wereld naar een gelukkig hoekje te geleiden, en dronk toen rustig den beker ledig. Dit gedaan hebbende bleef zij zich nog met de aanwezigen over de werking van het gif onderhouden, hun vertellende, hoe zij achtereenvolgens al haar ledematen voelde verstijven, totdat zij eindelijk, ontwarende dat het gif haar hart genaakte, haar dochters tot zich riep om haar de oogen te sluiten.
Hoe gemeenzaam de zelfmoord bij de Ouden was, kan men o. a. opmaken uit hetgeen van Timon den Menschenhater verteld wordt, die een vijgeboom in zijn tuin had, waar zich de Atheners, als zij ’t leven moede waren, bij voorkeur aan kwamen verhangen. Op zekeren dag sloeg hij op een paal de aankondiging aan, dat hij voornemens was gezegden boom te doen omhakken en alzoo zijn stadgenooten uitnoodigde, zich te haasten alsnog van de schoone gelegenheid gebruik te maken.
Of de oude schrijvers ons alleen die voorbeelden van zelfmoord hebben nagelaten, waar een min onedele reden daartoe geleid heeft, weet ik niet; maar zeker is ’t, dat ik nergens bij hen heb gelezen van iemand, die zich van kant maakte omdat zijn geld op was: wat echter in latere dagen de meest gewone aanleiding is tot zulk een wanhopige daad.
Voorbeelden daarvan zou ik bij duizenden ook uit onzenleeftijd kunnen aanhalen. Ik bepaal mij tot een paar, die nog al treffend zijn.
Richard Smith, een Engelschman, was zijn ongeluk moede. Hij was rijk geweest, en arm geworden. Hij was gezond geweest en zat vol kwalen. Zijn vrouw leed er evenzeer onder als hij, ook vooral om het kind, dat hun was overgebleven. Zoo besloten zij, zich van het leven te berooven, en na elkander teederlijk omhelsd en hun kind vaarwel gekust te hebben, wurgden zij eerst dat onnoozele wicht en hingen zich toen aan hun bedstijlen op. In een brief, dien zij aan hun neef Brindlay schreven, gaven zij hun hoop te kennen, dat God hun vergiffenis zou schenken, en verklaarden dat zij het leven verlaten hadden, omdat zij geen uitkomst meer wisten, en aan hun zoontje den dienst hadden bewezen van hem voor een gelijk lot te bewaren. Tevens bevalen zij hunnen neef hun hond en hun kat aan, zeker van oordeel zijnde, dat men gemakkelijker hier beneden het geluk van een huisdier dan dat van een menschelijk wezen verzekeren kan.
Een rijke en kinderlooze Weduwe had in haar huis een daglooner aan ’t werk, die een vrouw en een kindje had. ’t Waren eerlijke lieden, ordelijk en werkzaam, doch die naauwlijks in hun meest dringende behoeften konden voorzien. Eens gebeurde het dat de vrouw van den werkman bij de Weduwe kwam en haar vriendelijk verzocht, haar kind tot harent te laten, terwijl zij een boodschap ging doen. De Weduwe stemde er in toe. „Maar, beste Mevrouw,” zei de arme vrouw, „ik beveel hem u wel aan: laat het arme schaap toch goed verzorgd worden, tot ik terug ben.”—De Weduwe verzekerde haar dat zij er alle zorg voor dragen zou, waarop de moeder vertrok.Men zag haar dien dag niet terug, noch ook den vader. Eerst na drie dagen vernam men, hoe beiden zich in den Teems verdronken hadden. De Weduwe achtte zich nu door haar gegeven woord verbonden en voedde het kind als het hare op.
Een Engelsch meisje, door de armoede tot radeloosheid gebracht, wierp zich in den Teems; een voorbijganger sprong haar na en redde haar. Dan, in plaats van hem dank te weten, zeide zij dood bedaard tot hem: „Nu gij mij de eenige uitkomst, die mij overbleef, hebt ontnomen, zijt gij gehouden mij schadeloos te stellen. Ik ben ten prooi aan de ijselijkste ellende; gij wilt dat ik leev’, geef mij dan de kost.”—
Over ’t algemeen levert Engeland talrijke voorbeelden van zonderlinge zelfmoorden. Philip Mordaunt, neef van den beroemden Graaf van Peterborough, was zeven-en-twintig jaren oud, schoon, welgemaakt, door zijn liefste teeder bemind en met de schitterendste uitzichten voor zich. Het leven begon hem te vervelen, hij betaalde zijn schulden, schreef aan zijn vrienden brieven tot afscheid, en maakte zelfs eenige dichtregelen, waarvan de laatste, overgezet, aldus luidden: