Dwarsdoorsnede houtzaagmolen.De lezer volge bij deze doorsnede eens rustig de weg van de wieken naar de zaagramen, zonder nog de verklaring te lezen.
De lezer volge bij deze doorsnede eens rustig de weg van de wieken naar de zaagramen, zonder nog de verklaring te lezen.
Hoe de beweging wordt overgebracht is al heel gemakkelik na te gaan, zo gemakkelik, dat ik me meermalen met verbazing heb afgevraagd, hoe een deel der onderwijzerswereld toch zo verbijsterd is geworden door het inwendige van mijn houtzaagmolen en daarna zelfs nijdig op mij, dat ik ze in dat gewirwar had gebracht, alsof ik het boze opzet had gekoesterd,kollega's daar tot planken te doen zagen. Bekijken we eens rustig bijgaande tekening, dan zien we, hoe dood-eenvoudig onze goede windmolen van binnen is, veel eenvoudiger dan ons eigen lichaam, dat door diezelfde boze mensen met de kinderen wordt ontleed, alsof ze er alles van wisten.
De windmolen is evenals het zeilschip de oplossing van het probleem, hoe we de wind werk voor ons kunnen laten verrichten. De wind vaart maar als een woestaard door onze boomgaarden, over onze huizen, smijt vruchten af, bomen om, schoorstenen naar beneden, kunnen we die sinjeur niet van vijand tot vriend maken en zijn kracht tot ons voordeel aanwenden?
De eerste eis is natuurlik, die kracht op te vangen. Dat geschiedt het best in grote lappen, in zeilen.
Zie nu de molen. Zijn vier wieken zijn met zeilen bedekt en staan wat schuin tegen de wind, zodat die er op los blaast en ze wegduwt. Ze kunnen echter niet weg, ze zitten vast in een zware as. Nu moeten ze wel in de rondte draaien, net als een steen aan een touw. En de as draait mee.
Daar hebben we de kracht al opgevangen en omgezet in een draaiende beweging. Met die beweging kunnen we nu verder werken. Willen we ermee hijsen, dan binden we een touw aan de as en de wind trekt onze lasten op, terwijl het touw om de draaiende as wordt opgerold. Doch nu willen we er planken mee zagen. Hoe spelen we dat klaar?
Om de as brengen we een rad met tanden. Deze draaien met de as mee en grijpen onderdehand tussende staafjes van een liggend rad, dat op die manier op zijn beurt in de rondte wordt geduwd. Draait het, dan draait de spil mee, waar het aan verbonden is, en beneden aan de spil ook een tweede rad. De tanden van dit laatste grijpen weer tussen de staafjes van een staand rad, dat ook begint te draaien en in zijn wentelende beweging een lange horizontale ijzeren kruk doet delen, die dwars door de hele molen ligt. Sommige stukjes van deze kruk zijn wat uitgebogen. Juist daar zijn er stokken los aan verbonden. Die stokken draaien met de boogjes mee, omhoog, omlaag, en daardoor gaan de zaagramen, onder aan die stokken, ook omhoog, omlaag. Leg er een boom voor, en ze zagen hem aan planken. „Ze”—maar dat is dan eigenlik de wind, die langs de weg van wieken, as, asrad, spilrad, spil, onderste spilrad, krukrad, kruk en kolderstokken2)de zaagramen op en neer beweegt.
Is nu dat overbrengen der kracht niet gemakkelik te volgen? En dit wordt er niets moeiliker op, als we in plaats van tandraderen, wielen met drijfriemen hebben en de wrijving van de lederen riem de duwende dienst der tanden verricht.
Zal de molen goed wind vangen, dan mogen de wieken niet te klein zijn en moet hij dus vrij hoog gebouwd worden. Hiervan is het gevolg, dat hij verschillendezolders heeft—hoe kan de molenaar anders in de kap komen. Eigenaardig zijn die zolders benoemd naar de voornaamste delen van 't werktuig, die zich op die zolders bevinden, gelijk men op de tekening zien kan. Nu is het natuurlik niet nodig, dat een leek die namen kent, maar is er iets bizonders in de namen as, spil, kruk, raam? Alleen de kolderstokken zijn vreemdelingen, maar deze worden heel aardig geïntroduceerd door kolderende paarden.
Nog eens—'t is de bedoeling niet, iemands geheugen te belasten met vele namen, doch alleen werd hier de vraag gesteld: Is het zo moeilik in een dergelik werktuig het overbrengen der kracht te volgen? Ik hoop, dat zelfs moeders antwoorden: „Wel neen! Als je 't maar weet!” Welnu, laat de school zorgen, dat zulke eenvoudige kennis iemand niet terugschrikt.
Er zijn vragen, die gemakkeliker schijnen, doch veel moeiliker zijn. Dat zijn de vragen, die alleen doorlevenservaringbeantwoord kunnen worden, en deze is voor een kind ja wat ontoegankeliker dan een werktuig. Hier komt men er niet met een waterketel, een draad, een lucifer, of een tekening, en het is een der grote domheden van de redeneerpedagogiek, dat ze kinderen door mededeling en redenering wijsheid heeft willen inprenten, die alleen door levenservaring kan worden verworven.
Die redeneerpedagogiek heeft met veel goede bedoelingveel onvruchtbaar werk gedaan en gaat hiermee nog trouw voort bij ouders, die menen dat verstandelike voorlichting steeds mogelik, voldoende en plichtmatig is. Een paar eenvoudige voorbeelden kunnen het tegendeel bewijzen.
Wie acht zich in staat aan een kind een zuiver denkbeeld te geven van verliefdheid? Dit kunnen we zelfs niet aan een volwassene. Verliefdheid leren we alleen maar kennen door verliefdheid, en wie nooit echt verliefd is geweest zal dit gevoel nooit begrijpen, ook al heeft hij zijn zilveren bruiloft gevierd met de beste en mooiste vrouw van de wereld, al is hij mijnentwege tweemaal getrouwd geweest. Verliefdheid is de verrukkelikste en de gevaarlikste, de zaligste en de noodlottigste bedwelming ter wereld. Wie nooit verliefd is geweest, heeft een hemel op aarde gederfd—mijn vader zei van verliefden te recht: ze zijn in de zevende hemel—maar zulk een misdeelde kan daardoor dan ook niet over verliefdheid meespreken en mag over verliefden niet oordelen. Doet de onverlaat dit toch, en spot hij b.v. met de heerlike dwaasheden van jonge verliefden of bederft hij hun kleurig minnespel door het grauw van zijn nuchterheid en de rauwheid van zijn tirannieke bemoeizucht, hij verdient op zijn oude dag tot over zijn oren hopeloos verliefd te worden, opdat hij ervare en met schade en schande—ik zeg niet: wijs worde, maar de gelegenheid hebbe, de dwaasheid zijner nuchterheid in de wijsheid der verliefdheid onschadelik te maken.
Zullen we een kind op zijn vragen aan 't verstandpogen te brengen, waarom die jongelui „zo gek” doen? Al zit in de rups een vlinder verborgen, laat de rups rups, rondscharrelen door het malse groen. Wanneer de tijd daar is, zal hij vanzelf wel zijn vleugeltjes ontplooien en zijn vlinderweelde leren kennen. Een kruipend diertje zal nooit het vliegen begrijpen.
Jonge moeders en vaders moesten uit hun eigenverliefdheidsperiode—ik hoop, dat ze er nog telkenkeer in leven?—genoeg geleerd hebben, om met hun opgroeiende kinderen niet over onderwerpen te spreken aan hun jaren en ervaren vreemd. En anders kunnen ze die les nog trekken uit hun ouderlike gevoelens. Wat een moeder is, weet je pas als je moeder bent, en daar een man nooit dit voorrecht zal hebben, dient hij met gepaste bescheidenheid zijn vrouw dwaasheden te laten begaan in de omgang met haar kinderen. Ook hem is niet volkomen aan 't verstand te brengen, wat er in een moederhart leeft en werkt, al kan hij 't in begrijpen een heel eind brengen, wanneer hij zich herinnert, wat hem als kind zo weldadig in moeders handelen aandeed. Dan zal hij daar liefheidjes en onredelikheidjes ontdekken, die tans zijn wijze vaderpedagogiek zou willen veroordelen, maar die hem als knaap verkwikt, gekoesterd en gesteund hebben. Maar ten volle zijn vrouw als moeder begrijpen, het lukt hem nooit. Hij zie er daarom maar wijzelik van af en tevens van elke poging, om zijn kroost, redenerende, in de wereld der volwassenen binnen te leiden.
Doen de mensen dat dan?
Het komt mij voor van wel. En het schijnt me zelfs toe, dat ze de laatste decenniën als gevolgen van het intellectualisties streven daarin al aardig ver zijn gegaan.
Kinderen leren oordelen over de geheel-onthouding, het militarisme, het socialisme. De volwassen drijvers zijn uiterst bang, dat de jeugd hun ontsnapt, en stichten kinderverenigingen met komplete programma's. De kleinen memoriseren een nieuw soort catechismussen en redeneren—als in de slechte godsdienstige opvoeding—ganse beschouwingen na.
Het is ons aller plicht, kinderen te oefenen in matigheid, in afkeer van gevaarlike prikkels, in vredelievende gezindheid, in gemeenschapszin. Die eigenschappen hebben ze reeds als kind nodig, in de huiskamer, in de buurt, op school, bij spel en werk. Maar daarom zijn ze nog niet in staat over het alcoholvraagstuk, het soldatenwezen, het kapitalisme te oordelen. Hoeveel kennis van de menselike natuur, van volkeren in hun onderlinge verhoudingen, van oeconomiese faktoren wordt er vereist, om die problemen te doorzien, te overzien, in hun oplossing te beinvloeden. Maar tegenwoordig schijnt die kennis gemeengoed te zijn van de massa. Beheerst door een ongetwijfeld prijzenswaardig hunkeren naar het heil der mensheid, weet nu iedere arbeider, iedere kantoorklerk, iedere schoolmeester de bedwelmingsprikkel te bezweren, de oorlog op te ruimen, de geldmacht te vernietigen. Je stemt maar vóór dit en tégen dat, en we zijn er. Deingewikkeldste vraagstukken, waar de gecompliceerdheid en boosheid der menselike natuur ons voor plaatst, worden in cursusvergaderingen gemakkelik opgelost. En om die oplossing te verhaasten worden ook al kinderen tot overtuigde en bewuste medestrijders gemaakt.
Ik eer natuurlik de nobele bedoelingen, ik sympathiseer gehéél met de zedelike drijfveren, maar krijg toch de indruk, dat men torens bouwt van dominostenen. Dit nu is geen kwaad in de kinderkamer, daar is het één en al spel. Maar als men waant, in die torens te kunnen wonen, komt men bedrogen uit. We behoeven niet eens zo heel hoog te klimmen, reeds gelijkvloers zijn ze onbruikbaar.
Al die Babeltorens, uit beginselen en stelsels opgetrokken, zijn zo bedriegelik. Redenerende in vergadering of op papier, doen we ze netjes en snel verrijzen. Doch straks storten ze ineen bij de spraakverwarring der praktijk. Veiliger en vruchtbaarder dunkt het me daarom, steeds in het klein te beginnen met detoepassing.Leef het beginsel uit.Dan blijkt zijn levenskracht, zijn echtheid, zijn vruchtbaarheid. Dan ervaren we onmiddellik de onverbiddelike contrôle en kritiek van het leven en worden daardoor wijs.
Gemakkeliker is het echter, te redeneren. Dat geeft ons het plezier van 't verstandelik opbouwen, het genot van een zuivere hervormingsbraafheid, en 't eist geen opoffering van neigingen en lusten in het gewone leven van huiskamer en werkplaats. Doch wil men inderdaad in en door zijn kinderen het heil der toekomstigemensheid bevorderen, dan schijnt mij de aangewezen weg: Praat ze niet vroegrijp met allerlei ongepeilde beginselen en ongewogen algemeenheden en onbegrepen theorieën, maar doe ze dag aan dag ervaren—ervaren!—wat het betekent, een verkeerde lust te beheersen, een slechte neiging te bedwingen, een lelike stemming onder de knie te krijgen, een onedel gevoel op te lossen. Kinderen, die zich strijdend geoefend hebben in zelfverbetering, verrijken de mensheid—maar denken later niet zo eenvoudig over „maatschappelike hervormingen”. We leren—door dóén.
Soms antwoorden we dus niet, omdat de kennis alleen door levenservaring kan worden aangebracht, een ander maal bovendien, omdat het juiste antwoord het kind al te hevig kan aangrijpen, zijn gemoedsrust verstoren, zijn verbeelding bezoedelen.
Er zijn allerlei lichamelike en zedelike ziekten onder de volwassenen, waarover we met het kind niet spreken.
Dat is nog al natuurlik, zal men zeggen. Maar zó natuurlik is dit niet.
De kinderen horen op school, lezen wellicht op een aanplakbiljet, dat er een jongetje vermoord is. Het signalement van de vermoedelike dader wordt beschreven, het waarschijnlike motief voor zijn misdaad aangeduid. Nu komen de kinderen tuis en vragen, gelijk dat bij een goede verhouding vanzelf spreekt: „Maar Moeder, waaróm heeft die man dat jongetje vermoord? Wat had hij eraan?” Ze begrijpen, dat er een duisterebedoeling achter ligt, hebben misschien reeds enige bizonderheden gehoord, weten dat de man het kind met lekkernijen, met beloften, met een beroep op lieve kinderlike hulpvaardigheid heeft meegelokt, het water over, langs stille zandwegen, door de weiden, in de duinen. En voelende, dat zulk een gevaar ook hen zou kunnen bedreigen, vragen ze met onrustige aandrang: „Waarom dééd die man dat dan?”
Moeten we nu spreken van abnormale sexuele neigingen?
„Natúúrlik niet!” roept men weer, en nu nog beslister dan zo even.
Doch hierop luidt mijn antwoord weer: „Zo natuurlik is dit niet.”
't Ging goed, wanneer onze kinderen alleen maar door zulk een geval, daar heel in de verte, nu en dan iets van die afdwalingen vernamen. Doch vergeten we niet, dat de gevaren henzelf bedreigen, en dat vaak de teerste en liefste en welwillendste kinderen er het slachtoffer van kunnen worden. Vergeten we niet, dat ons zwijgen oorzaak kan zijn, dat onze eigen kinderen... Ouders krimpen ineen bij de gedachte, dat hun jongetje aan zulke zielsangsten en lichaamsmarteling ten prooi zou kunnen zijn. Maar wat dóén ze, om het, naar hun vermogen, te behoeden? Het aangrijpende geval, in de kranten vermeld, geschiedde „daar heel in de verte”. Maar deze „verte” was in die kring zelf vreselike dichtbijheid.
Driemaal in mijn leven ben ik in aanraking geweest met dit gevaar.
De eerste maal betrof het mijzelf. Als kind van dertien jaar stond ik, bij schemeravond, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, te kijken naar een „boekenstalletje”. Een jongeman van ruim 20 jaar kwam bij staan en begon een praatje. Ik vond dit vreemd, maar gaf antwoord. Zwijgen zou toch onbeleefd zijn geweest. Toen deed hij erg familiaar met zijn handen, kneep me heel vriendschappelik, en zei allerlei dingen die me niets aanstonden, alle van sexuele aard. Ik verstond en begreep, verstandelik, heel goed, wat hij zei, maar doorzag het niet. Het beviel me echter niets, maakte me onrustig, en ik ging weg. Maar hij liep mee, vroeg of ik naar huis ging, waar ik woonde, zei dat hij ook die kant uit moest. Ik kon hem natuurlik niet wegsturen en evenmin ontlopen, ofschoon mijn bevreemding en afkeer steeds groter werden door zijn vuile praatjes en onbeschaamde vieze voorstellen. Natuurlik kan ik die hier niet herhalen,ofschoon het heel nuttig kon zijn ouders eens te zeggen, wat hun kinderen soms moeten horen van vreemden, als de opvoeders zwijgen. Maar daarvoor is het hier de plaats niet. Alleen wil ik nog mededelen, dat hij ongeveer vijf minuten me bleef vergezellen en toen eindelik afdroop op mijn hardnekkig en beslist weigeren. In mijn eentje ging ik naar huis. 't Was inmiddels donker geworden en ik had nog wel een kwartier te lopen langs een gedeeltelik heel stille weg. Bang was ik absoluut niet, 'k had ook geen aasje idee van 't gevaar dat me van zo nabij bedreigd had. Daarvan begon ik pas iets te beseffen, toen ik tuis alles vertelde. Mijnmoeder werd wit van schrik. Allen luisterden met ontzetting en waren innig dankbaar, dat ik niet meegegaan was. Maar nog zei niemand me, wat die man gewild en beoogd had. Men gaf me alleen de algemene inlichting, dat zulke mensen heel lelike dingen doen, en daarbij de waarschuwing, nooit met ze mee te gaan. 't Gevaar was nu voorbij.
Ik wil niet beweren, dat mijn ouders me hadden behoren in te lichten. Dit wil ik nog geheel in 't midden laten. Alleen moet ik opmerken, dat het mislukken van de schandelike pogingen voor een groot deel gedankt kon worden aan de grove, onhandige manier van de man. Had hij het slimmer, voorzichtiger aangelegd, niets onbehoorliks gezegd, alleen een beroep gedaan op mijn hulpvaardigheid, dan—schijnt het me nu toe—had ik hem gaarne geholpen en had ik hem zeker, vol vertrouwen, langs stille wegen begeleid. Zijn onbeschaamde, familiare manier van spreken en doen was mijn behoud. Maar hij had fijner kunnen optreden.
We brachten—mijn vrouw, ik, en de kinderen—eens een zomervacantie buiten door, toen in het stil en afgelegen hotel een heer zich aanmeldde. Hij praatte met de kinderen der gasten en vroeg de weg. Een der kinderen, een vriendelik, bereidvaardig jongetje van zes jaar vertelde hem alles van de planten die hij geplukt had, lief-vertrouwelik, gelijk sommige kinderen dat kunnen doen, en was aanstonds klaar om met meneer een eindje op te lopen en hem zo de weg te wijzen. Gelukkig kwamen juist de volwassenen, diemet de kinderen een wandeling zouden maken, en moest ook het kleine ventje mee, die er echter hartzeer van had, dat hij die meneer niet had kunnen helpen. Later, na de terugkeer van de wandeling, vernamen de ouders van de hotelknecht, dat de veldwachters „die meneer” hadden meegenomen wegens pogingen tot onzedelikheid met een boerejongen.
Hier zien we, hoe gevallen, heel in de verte, ons soms heel dichtbij kunnen naderen, en behoedzaamheid plicht is. Achten we het al niet nodig en zelfs verkeerd, kinderen bizonderheden mee te delen, uit vrees daarmee blijvend hun verbeelding te verontreinigen en hun gemoed te verontrusten, een algemeen en zeer beslist verbod omnooitmet vreemde mensen mee te gaan, is toch haast onvermijdelik.
En eenmaal is het mij in mijn onderwijzersloopbaan gebeurd, dat ik mee heb kunnen helpen, een oud-leerling, een fijn en braaf kind, te beschermen tegen de zeer verleidelike en voor de ouders bedriegelik-mooie aanbiedingen van een rijk heer. Dit leek nu inderdaad heel onschuldig. Mag een rijke zich niet het lot van een arme jongen aantrekken, hem uit zijn sfeer ophalen, en voor zijn toekomst zorgen? De ouders werden bang bij 't mooie aanbod, ontvingen van betrouwbare zijde nog tijdig een waarschuwing, en waren het met mij eens, dat arme jongens hun toekomst met hard werken moeten veroveren en die niet moeten ontvangen uit de handen van rijke meneren.
De moeder vertelde, toen 't gevaar voorbij was, datde kameraden van de jongen hem precies verteld hadden, wat „die smerige vent” op het oog had. „Meester, ze hebben 't hem zo maar ronduit gezegd.”—En weet hij 't nu? „Ja hoor.” En waarom hebben zijn vader en moeder niet met hem gesproken? Die zijn er toch het naast toe? „Ja, waarom! Dat moest een mens eigenlik doen. Maar Meester, dat durf je dan niet.”—Waarom niet?
Is het mogelik en daarbij goed, kinderen de volle waarheid te zeggen in sexuele vragen. De volle waarheid kan men hun natuurlik nooit geven, en dat niet zo zeer uit een oogpunt van kiesheid, maar omdat devollewaarheid insluit en allereerst eist: de sexuele neigingen en driften. Deze zijndehoofdzaak van het probleem, en hierover kan niemand inlichting geven dan het leven zelf. Hier geldt wat ik reeds van verliefdheid en moederliefde zei: de realiteit is hier niethet physies gebeurenen nog minderde kennis daarvan, maarhet psychies ervaren. En zo zou men iemand van deze geheimenissenalleskunnen zeggen, met het gevolg, dat hij er nog niet hetechtevan wist. De mysteries van ons gemoeds- en neigingenleven worden niet door verstandelike voorlichting, maar alleen door levenservaring geopenbaard.
Wat er overblijft en eigenlik alleen mee te delen valt, is een stuk natuurwetenschap. En nu wil ik wel eerlik verklaren, dat ik niet begrijpen kan, hoe iemand daar enig bezwaar in kan zien. Het gehele bevruchtingsprocesbij planten, dieren en mensen is—natuurkundig bekeken—niets anders dan de samenbrenging van twee verschillende cellen. En ik begrijp bij al de haren op mijn hoofd niet, wat daar vies of onkies in kan wezen. De weg, waarlangs die samenbrenging geschiedt, is in 't ene geval wat anders dan in 't andere, maar dit is alleen een kwestie van physiologiese bouw.
Wanneer men met kinderen van opeenvolgende leeftijden—en dat kan al op het vierde jaar beginnen—platen van het inwendig menselik lichaam bekijkt, behoeft men maar simpel de luchtpijp, de longen, de slokdarm, de maag, de darmen, het hart, de aderen, de urinewegen, de baarmoeder, de eierstokken aan te wijzen, en daarbij, in overeenstemming met de leeftijd der kinderen, te vertellen, waartoe die organen dienen, om al spoedig te ervaren, dat de kinderen het ene orgaan even belangrijk vinden als het andere, en ingeen enkel opzichtaan de geslachtsorganen en hun funkties meer belangstelling wijden dan b.v. aan die der spijsvertering. Alles is hun even (of even weinig) interessant.
Men kan heus op alle vragen, die de kinderen in deze materie tot ons richten—op alle!—heel eerlik antwoorden, mits men vroegtijdig beginne en niet gewichtig-geheimzinnig, maar eenvoudig-wetenschappelik antwoorde.
Vroegtijdig beginnen. Hebt ge ooit gemerkt, dat kinderen 't vreemd vonden, dat Vader een baard had en Moeder niet? dat de zon overdag scheen en 's nachts niet? dat vissen zwommen en duiven vlogen? datstenen vielen en pluisjes zweefden? Kinderen wennen bijna al te gemakkelik aan de wonderen om hen en in hen. Maar als ze op hun tiende jaar voor 't eerst een neger zien, dan kijken ze vreemd op. Wacht niet. Wie wacht, vermeerdert ieder jaar de moeilikheid. Doch wie vroeg begint, ontmóét zelfs geen moeilikheden, dan wellicht in zijn eigen verdorven natuur.
En maak geen nodeloze ontroeringen. Ik houd er niet van, als Moeders zo buitengewoon teer en uiterst behoedzaam, in een schemerhoekje, over deze dingen met de kinderen spreken en daarbij zelfs hun eigen pijnen en weeën te berde brengen, om het kind tot liefde en dankbaar medelijden te stemmen. Zo maken ze stemming en zogenaamd eerbiedige schroom. Zeg de dingen zakelik, niet bruut, niet ruw, maar wel nuchter, fris. Kweek zakelike belangstelling, zo blijven de kinderen het best geestelik gezond. Broeikasstemming kweekt exotiese gewassen.
Het heeft me altijd verbaasd en geërgerd, wanneer fatsoenlike en zelfs godsdienstige mensen het geslachtelik leven onbetamelik en vies vonden. Hoe nu? Heeft God het dan niet aldus ingericht, en hebben wij ons voor Gods werk te schamen? Zouden wij het misschien nog op 't ogenblik God willen verbeteren? Al is het waar, dat de zonde dit terrein tot haar bedervende en vernielende werking kiest, die zonde openbaart zich hier wellicht het snelst en het zichtbaarst, maar waarlik niet in haar ernstigste karakter. Zij sluipt ookhet gebedsleven binnen, het geestelike verkeer met God, en vergiftigt de ziel met opborrelende bewondering voor eigen welsprekendheid bij het openlik belijden van eigen onmacht. Zullen we ons nu schamen voor het gebed? Onze arbeidzaamheid, ons winnen van het dageliks brood, weet zij tot gierig opzamelen te doen ontaarden, waarbij we een medemens laten verkwijnen. Zullen we nu afkerig worden van werken en winnen? De zonde vergiftigt iedere openbaring van zinnelik en geestelik leven en dan dunken mij de hoogmoed, de nijd, de gierigheid ja wat heillozer dan de zinnelike afdwaling.
Zoals God onze lichamelike funktiën heeft ingericht, hebben wij ze te aanvaarden en te eren en te bewonderen. Wat zouden wij er dan bezwaar tegen inbrengen, ze—physiologies—met onze kinderen te bespreken? Wie het doet met eenvoud, oprechtheid, zonder gewichtigdoenerij, zal ervaren, dat noch de reinheid, noch de fijnheid van het kinderlik gemoed er ook maar iets bij heeft in te boeten, en beide juist veel echter en mooier worden.
Vergissen we ons evenwel niet. Het gaat hier alleen omwaarheid in de opvoeding. Want wie menen mocht, dat in de eerlike voorlichting dezedelike opvoedingbestaat, komt bedrogen uit. Als dát waar was, zouden alle mediese studenten wel engelen van reinheid moeten zijn. En hoe wensenswaard we dit mochten achten in hun eigen belang en dat hunner toekomstige vrouwen en kinderen, we mogen het op grond van hun wetenschappelike opleiding toch maar zo grif nietaannemen. Kennis heet macht. We mochten willen, dat het, op dit gebied, waar bleek. Dan viel de zedelike opvoeding, ook de zedelike zelfopvoeding, ja wat gemakkeliker. Kennis waarborgt in geen enkel opzicht morele gezindheid, morele kracht, niet eens wijs beleid. Alleen heiliging der neiging kan ons helpen. En die wordt niet door kennis verkregen.
Waarom we dan toch op kennis aandringen?
Omdat ze later onmisbaar is en ze het best geleidelik met vroegtijdig wennen wordt aangebracht, en dan door de ouders zelf. Het kind vraagt en zal blijven vragen, en ontvangt het geen antwoord van zijn ouders, dan zullen vriendjes en vriendinnetjes het zelfs ongevraagd inlichten. Hoe? Dat is toch wel algemeen bekend: onjuist, onrein, met zeer gevaarlike bijmengselen voor gemoed en verbeelding, die—en men vergete dit toch niet—het kind in een apart wereldje doen leven, verwijderd van zijn ouders. Niet ouderlike voorlichting, maar de troebele bron der geheime mededeling bederft enorm veel kinderreinheid en kinderbegrip, die beide ontzien en zelfs gebaat zouden zijn door tijdige opheldering van de alleen bevoegden. In donker vermenigvuldigen zich vele schadelike bakteriën, die door 't zonnelicht gedood worden.
2)De naam kolderstokken is wel heel aardig: die stokken kolderen of draaien. Heeft een paard ook niet soms de kolder in de kop?
Wees waar in uw gedragingen tegenover uw ook nog heel kleine kinderen.
Gun dezen waar te zijn in hun oordelen over anderen.
Geef naar waarheid antwoord op hun vragen.
Deze drie voorschriften werden in de eerste drie artikelen aanbevolen.
Er zijn volwassenen, ouders, die er niet van willen weten.
Waarom niet?
Uit gemakzucht en lafheid, zijn we geneigd te zeggen. Ze zijn te traag en missen de moed, om met de sleur te breken.
Zeker, dit komt veelvuldig voor, doch eer we hierover ons veroordelend vonnis vellen, willen we aan het goede in deze „gemakzucht en lafheid” recht doen wedervaren.
Niet iedereen heeft aanleg, gelegenheid en tijd, om zich ernstige opvoedingsproblemen in te denken. Is het dan niet voorzichtiger, zich bij 't oude te houden, waarbij men zelf niet verongelukt is, dan met onvoldoend inzicht en ontoereikende kracht een nieuwe weg in te slaan, waarvan het minstens nog twijfelachtig moet heten, of hij naar het doel leidt?
Onze ouders hebben ons ook allerlei praatjes wijs gemaakt, met velerlei kluitjes in 't riet gestuurd, en honderd malen het zwijgen opgelegd, maar ze meenden het toch goed met hun kinderen, hebben ze met liefde gekoesterd, hard voor ze gewerkt, ten slotte ze met ere grootgebracht. Zullen wij nu hun opvoedingspraktijk willen critiseren en verbeteren?
Hun manier moge dan haar gebreken hebben, duizenden en millioenen hebben er zich wel bij bevonden. Dit is geen principe, maar een ervaring. En dezeervaring heeft bewijskracht. Wanneer de massa, in wie toch het zelfbehoudsinstinkt werkt, met een gerust hart zekere paden volgt, gedachte- en critiekloos, zijn daar zeker wel goede redenen voor te vinden, ook al is men zich die niet bewust. Sleur is vaak: instinktief vertrouwen in de wijsheid van 't voorgeslacht.
Met laatdunkende geringschatting wordt vaak van de „oude paden” gesmaald. Dan heet het, dat we niet laks en lauw het „platgetreden pad” moeten bewandelen en „nieuwe wegen” moeten zoeken. Maar het zou er treurig met ons en met de vooruitgang uitzien, als we telkens door zand en hei en woud en moeras nieuwe wegen moesten banen. We volgen heel verstandig de wegen, door onze voorgangers platgetrapt, uitgehakt, aangelegd, al verzuimen we niet ze te verbeteren en daarnaast de nodige nieuwe wegen aan te leggen. Verguizing van het voorgeslacht is ondankbaar en dom, loopt uit op schade en schande, en het is niet alleen wijs en voorzichtig, wanneer jonge ouders gedachteloos het voorbeeld hunner eigen ouders volgen, indien ze niet van een betre gedragslijn overtuigd zijn, maar er spreekt ook een eerbiedvol vertrouwen uit, dat—hoewel niet bestand tegen een onbarmhartige maar in zijn verstandelikheid toch bekrompen critiek—én de ouderen én de jongeren eert. Er is toch, ondanks het gemis aan wat men noemt „waarheid in de opvoeding”, een geest van gehechtheid aangekweekt, die op slot van rekening ja wat meer levensgeluk meebrengt dan een helderheid van inzicht, die de harten koud heeft gelaten.
Wat als gemakzucht veroordeeld wordt, is dus meermalen vertrouwenvolle voorzichtigheid, die zich aan 't beproefde oude houdt en dit met zijn deugden en gebreken overneemt, waar de critiek heeft gezwegen en de drang tot reiner practijk ontbroken.
Zo is het verwijt van lafheid ook vaak ongegrond. Zeker, menigeen durft niet de eenvoudige waarheid te zeggen, hij is er niet bij grootgebracht en huivert er nu voor terug. 't Is hem, alsof hij zich in een vreemd land begaf, waar in het duister der onbekendheid allerlei gevaren dreigen, in ieder geval zich telkens nieuwe moeilikheden voordoen, waarop hij niet gerekend had en waarvoor hij niet berekend is. Maar mogen we deze vrees lafheid noemen? Er spreekt veeleer zelfkennis en wijze behoedzaamheid uit.
Er is bij velen een angstig terugdeinzen voor de naakte, de geheel naakte waarheid. Is dit lafheid? Het kan evenzeer schaamte zijn en eerbiedige schroom.
Het Paradijsverhaal laat de eerste mensen bedekking hunner naaktheid zoeken, niet tegen de koude, niet ter bescherming tegen letsel, maar uit ontwaakte schaamte na bedreven kwaad. Zondebesef maakt het hun onmogelik, zich onbevangen te geven, gelijk ze zijn. En is dit tans, met ons, nog niet volkomen hetzelfde? Wie durft zich gehéél te geven, gelijk hij is? Alleen de schaamteloosheid, die geen oog heeft voor eigen grote tekortkomingen, of de zuivere onschuld. Maar wij overigen, we hullen ons in allerlei klederen van schijn, dekken ons met de vijgebladeren van vormelike braafheid, omdat we ons innerlik, met al zijn zondigebewegingen, niet eens tegenover ons zelf in zijn naakte waarheid durven vertonen. We huiveren terug voor zulk een waarheid. En terecht.
Want wij kunnen de Waarheid niet dragen. Wanneer wij, door één woord uit te spreken, eens plotselingalleszouden zien,alleshoren,allesweten, alle gedachten in alle mensenhoofden kennen, alle neigingen in alle mensenharten, het gehele verleden, de volle toekomst, wie zou dat woord durven uitspreken? Dan zouden we de gehele werkelikheid, en daarin de waarheid hebben. Doch eer we er een millioen malen millioenste deel van zouden ontvangen hebben, zouden we al bezweken zijn. Alleen de oppervlakkige domheid durft de „naakte waarheid” aanvaarden, omdat ze haar toch niet ziet.
Vertrouwen, schaamte, schroom weerhouden menigeen—ook al is hij zich zelf de aard dezer remming niet bewust—de aanbevolen drie voorschriften te volgen. Wel verre van dit te misprijzen, moet men gelukkig zijn met de aanwezigheid en de uitwerking dier gemoeds-realiteiten. Zij zijn de schatbewaarders onzer beste geestelike goederen. Zonder haar behoudszucht zou de vooruitgang ons al te licht in 't moeras brengen. En veel meer te vrezen is de voorthollende nieuwlichter, die bezwaren noch gevaren ziet, dan de aarzelende „duisterling”, zelfs al wordt hij als „conservatief” gebrandmerkt, die niet waagt, omdat hij er anderen niet gaarne aan waagt.
Kunnen we het goed recht bepleiten en waardering gevoelen voor de opvatting van behoudszucht, waar deze kort en goed verklaart: „onze ouders waren ook niet dom” en daarmee van een verandering in velerlei levenspraktijk niet weten wil, niet zo welwillend zijn we gestemd tegenover de mening, die de waarheid uit de opvoeding weren wil, omdat ze de dood zou zijn voor alle poëzie. Want hier wordt eenvoudig wat geleuterd.
„Alles wordt zo nuchter, zo prozaïsch,” klaagt de in 't proza der vormelikheid verdorde ziel, „wanneer het kind niet meer in Sint Niklaas geloven mag en precies moet weten, dat Oom Willem maar voor Sint Niklaasspeelt; wanneer het niet meer mag uitzien naar de ooievaar, die broertjes brengt, of zich voorstellen, hoe zusje uit de kool kruipt; wanneer het horen moet, dat zusje in moeder groeit—o, shocking!—en hoe dat lieve kindje ontstaan is uit de vereniging van twee cellen; wanneer de sprookjes uit de kinderwereld verjaagd worden, de elfen en de kabouters, de betoverde prinsessen en de wonderdoende tovenaars en alle verdere bekoorlik- en griezeligheden. Dan blijft er tenlaatste niets meer over dan sommen en zinsontledingen en geraamten van bladeren, dieren en menselike wetenschap. En dan wordt het zo kil en zo donker in het jonge gemoed.”
Is de klacht gegrond?
Al aanstonds niet, waar ze vreest voor 't verbannen der sprookjes. Het vertellen dier kleurige verbeeldingen kan heel best gepaard gaan met „waarheid inde opvoeding.” Of dieren kunnen spreken, is geen vraag. Ze kúnnen spreken, zowel onder elkander als tegen de mensen. Dat weet ieder die met dieren omgaat, al dringt hij niet door tot de finesses van hun taal. Een verhaaltje met pratende dieren is natuurlik verdicht, maar kan niettemin evenzeer waar zijn als een, ook verdicht, verhaal met pratende mensen. En zijn er geen elfen, geen kabouters, geen betoverde prinsessen? De wereld is er vol van, al zien ze er niet steeds precies zo uit als de phantasie van ons dichterlik gemoed ze uitbeeldt. Lieftallige zegenende natuurtjes, kleine kwelgeesten, lelike eendjes die ten slotte mooie zwanen blijken, ze omringen ons, dag aan dag, en onze fout is alleen, dat we ze alleen maar zien in de vertellingen, dat we niet dichterlik genoeg zijn om ze in de levende werkelikheid te aanschouwen. Die klagers en klaagsters over het prozaische der nuchtere waarheid zijn eigenlik echte prozamensen, zo door en door prozamensen, dat ze de verbeeldingen van anderen behoeven, om daarmee hun lege gemoedshuis te meubileren.
De sprookjes blijven dus en alleen uit erbarmen met het kind besparen we dit de ijselikheden van grootmoeders-verslindende-wolven, zoals we het tere gemoed ook niet willen verscheuren met de angsten van kleine knaapjes, in de greep van sexueel krankzinnige moordenaars. Niet het verbeeldingrijke is de grief tegen vele sprookjes van Grimm, maar het grove, gevoelloze, schokkende, en we verhalen evenmin met aangrijpende aanschouwelikheid de ontzettendhedenvan het slagveld, de epidemieën, of de gevangenissen, als die uit de sprookjeswereld. Hier gaat het niet om waarheid of onwaarheid, maar om de hygiëne van het kinderlik gemoedsleven.
Dat de jeugd van wonderdoende tovenaars vervreemd wordt, wanneer de waarheid haar strenge eisen stelt, kan alleen opkomen in het brein der breinloze onnozelheid. Is niet het ontspruiten van iedere zaadkiem een wonder en het openen van iedere bloemknop? Wie tovert daar uit de zwarte grond die groene stengels met die kleurige kelken? Daar droppelen wat nevels op de aarde, daar spelen wat gouden stralen over die donkerheid, en er verrijzen groene zuiltjes, zwevend van lenigheid, en waarop zich rode en gele en blauwe offerschalen ontplooien, die bedwelmend zoete geuren omhoog zenden. En het grootste wonder bij dit wonder is, dat we de toverwereld zien, zonder dat de tovenaar zelf aanwezig schijnt. Een man, die uit een lege hoed levende vogels schijnt te halen, gapen we met eerbied aan. Doch zie nu, daar ontstaat vanzelf—kan het toverachtiger?—vanzélf een weelde van vormen en kleuren en geuren, en we zien het niet, en zo al, dan aanvaarden we het als een „vanzelfsheid”, waaraan alle wonder vreemd is. Alleen onze blindheid voor de toverwereld der werkelikheid klaagt over armoede te midden van de rijkdom, en het zijn weer, vrees ik, de misdeelde zielen, die voor de gekunsteldheid der menselike tovenaars pleiten, omdat ze instinktmatig voelen alles te verliezen, waar dit maakwerk hun ontvalt. 't Is echter wat veel gevergd,hun hol gelawaai, hun conventioneel gekerm, hun grootwoordige gevoelloosheid te respekteren als bewijzen hunner warme liefde voor het wondervolle. Zolang er leven is, is er wonder, en ieder vliegje, zwevend door de kamer, is met zijn gazen vleugeltjes of waar het straks langs de vensterruit wandelt, een zwevend sprookje, een wandelend mysterie.
Het is verre van mij, sprookjes en wonderverhalen te willen verbannen, doch men vergete toch niet, dat deze niet verteld worden als antwoorden op kindervragen. Geheel iets anders is het met de ooievaarshistorie en de Sint Niklaasmanifestatie. Hier wordt niet als vertelseltje, niet als toneelspel, maar als werkelikheid aangeboden en onbevangen aangenomen, wat geen werkelikheid is. Bij 't verhaal van de wolf en de zeven geitjes weten de kinderen heel goed, dat het „een verhaaltje” is, en geen moeder heeft er plezier in, haar kind met alle geweld te doen geloven, dat de geitjes weer levend te voorschijn kwamen, toen de buik van de wolf werd opengesneden. Het kind luistert en leeft mee, alsof het waarheid was, maar wéét het tegendeel, en de moeder laat het daarbij. Maar zelfs als het kind uit zichzelf begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die bisschop en niet meer kán geloven, dat een ooievaar een kindje door de lucht kan dragen, doen de volwassenen nog hun best, dezetwijfel te onderdrukken, vrezende het feest dan al zijn heerlikheid en de geboorte al haar reinheid te doen verliezen, beide van hun „heerlike poëzie” te beroven. Dit nu wijst op een averechtse opvatting van poëzie, volgens welke deze onmogelik zou wezen zonder zulke geloverijen in overgeleverde voorstellingen.
Poëzie is eenkrachtin de mens. Zij openbaart zich in verbeeldingen en materialisaties. Zo kunnen de scheppingen van het voorgeslacht de poëzie vertolken van vergane eeuwen. Maar in zichzelf zijn ze geen poëzie.
Men kan wel zeggen, dat in ieder kind deze kracht werkt. Een jonge moeder schrijft me van haar vierjarig dochtertje: „Op 't ogenblik amuseert ze zich nog al eens met vijf kleine dochters en twee kleine broertjes, die enkel in haar verbeelding bestaan, maar waarvoor ze toch in Gouda blauwe en witte jurken gaat kopen, waarvoor ze kleren strijkt, die ze te eten geeft en in het bad stopt.” Waar komen al deze dochtertjes en broertjes vandaan? Wie maakt ze zo werkelik, dat Anneke jurken voor ze koopt en deze zelfs strijkt? Behoeft de moeder daarvoor 't kind iets wijs te maken? Wel neen, 't kind maakt zichzelf iets wijs, en dit is de ware aard der poëzie: deze kracht heeft scheppingsvermogen. Poëzie komt van een werkwoord, datmakenbeteekent, zij maakt iets, zij schept, zij beeldt uit, zij geeft stemming gestalte, zij maakt neiging tot droom en droom tot levensrealiteit. Endezepoëzie maakt het mensenkind rijk te midden der armoede.
Heeft niet elke moeder die kracht in haar kinderen zien werken? Ze is niet verbeelding. Zegebruiktverbeelding. Deze is haar dienaresse. Ze is niet schoonheid. Ze tovert schoonheid. Ze is, wat de levenskracht in de natuur is. Ze is scheppingsvermogen, opborrelend uit de geheimzinnige bron van het leven zelf. En gelijk die levenskracht in de natuur de sprookjes der bloemen- en dierenwereld voor onze ogen als reëele schoonheid doet verschijnen, zo roept zij uit de donkere aardbodem der kinderziel de sprookjes van kindertjes in blauwe jurkjes, die grote reizen maken in de spoortreinen der stoelen.
Nooit heb ik kinderen—én mensen!—gelukkiger gezien, dan wanneer ze hun eigen scheppingsdrang konden volgen. Verloren in arbeid, maakten ze, rustig gelukkig, hun mooie, ook wel hun constructieve verbeeldingen—kleine ingenieurs—tot zichtbare en tastbare werkelikheid. Dan waren ze aan het dichten. Dan werkte de Poëzie in hen. En deze Poëzie kon door de verhaaltjes van wolven en elfen en Sint-Niklazen wel van haar oorspronkelikheid verliezen, door de ooievaarshistorie wel in voorvaderlike banen geleid of misleid worden, maar behoefde dit verbeeldingsmateriaal niet, om te worden gewekt of gevoed.
Men versta mij nogmaals wel: ik bestrijd hier niet het vertellen van deze dingen, ik betwist alleen, dat zij nodig zouden zijn, om wat poëzie te brengen in de kinderwereld.
En zo vreze men dus niet, door zuiver-zakelike inlichtingen, door eerlik-nauwkeurige antwoorden depoëzie in de kinderziel te doden. Het kind gebruikt de verworven kennis als bouwstoffen voor zijn scheppingen. Doch laten we nu de zaak niet omkeren. Wanneer het kind toverpaleizen maakt van stoven en prinsessen van poken, wanneer kiezelsteentjes tot uitgezochte versnaperingen worden en nietsigheden tot prachtdingen, wanneer het uit de lucht vriendjes en vriendinnetjes oproept en met deze phantomen ernstige gesprekken voert en zelfs vrolike spelletjes speelt, dan moeten wij niet zeggen: dat alles bestaat niet, dat is maar verbeelding, want dan vergrijpen we ons evenzeer aan de ziel van het kind, als wanneer we deze met leugens menen te vormen. We moeten het goed beseffen: rijmende regels maken geen gedicht en conventionele voorstellingen geen poëzie. Het gedicht zingt zelf zijn rythmiese regels, de poëzie roept zelf haar verbeeldingen op, en beide komen, als vogelgejubel uit verliefde keeltjes, als schone uitlevingen van het bewogen gemoed.
Waarheid in de opvoeding, zo zeiden we in het begin, is slechts een middel.
Slechtseen middel.
Maar welk een heerlike vrucht kan het ons bezorgen.
Als we jegens elkander steedswaarzijn, groeit er een steeds dichteronderling vertrouwenop.
En dit vertrouwen geeft aan 't onmisbaar verkeermet mensen—in 't gezin, in school en kerk, in de fabriek, in de... Staten-Generaal!—zo'n veilig rustgevoel.
Onderling vertrouwen is een geestelike atmosfeer, weldadig en vruchtbarend.
Evenwel—hoe verkwikkend en sterkend, dit vertrouwen is toch ook weer slechts een middel.
Wanneer de leden onzer roverbende volkomen op malkaar kunnen rekenen, volkómen, is hun dit wel zeer geriefelik in 't bedrijf, maar waarborgt het in geen enkel opzicht hun zedelike vooruitgang.
Het is verwonderlik, hoe vele zogenoemde deugden eigenlik alleen bruikbaarheden zijn, middelen die voor een zeker doel „deugen”, maar met waarachtige zedelikheid niets te maken hebben. Waarheid en vertrouwen—'t zijn woorden met een edele klank, vertegenwoordigen ook wel mooie eigenschappen, de vraag is echter: welk doel beogen we ermee?
Heiliging van ons zelf en anderen?
Dan is 't goed.
Doch zedelik verderf van onszelf en anderen?
Ook dit kan door waarheid en vertrouwen worden beoogd en bereikt.
Een goudstuk kan God of de Duivel dienen. Bouwen we er kroegen en bordelen van of weeshuizen? In zichzelf heeft het geen waarde. En zo is 't ook met de goudstukken van vele zogenaamde deugden. Wat bouwen we er mee op?
Wat bouwen we met waarheid en vertrouwen in onze kinderen op?
Het is niet de zon der waarheid, het is niet de dampkring van 't vertrouwen, die beslissen over de toekomst. Dezelfde zon, dezelfde dampkring doen giftplanten en voedingsgewassen uitgroeien.
Zon en dampkring zijn slechts middelen.
De aanleg, in de zaadkorrel verborgen, is het zijnde, het bepalende. Daarvan hangt de aard van het gewas af. En de hoofdvraag is dus in de opvoeding: Wat doen we met de aanleg van 't kind?
Kunnen we die beinvloeden?
Kunnen we dieveranderen?
Dit laatste lijkt onmogelik.
Er kan alleen sprake zijn van een bevorderen en belemmeren. Een kweken of verstikken van aanwezige eigenschappen.
Zoals een kind geboren is,ishet geboren. Het heeft in zijn aanleg zijn bestemming.
Is er dan geen „wedergeboorte” mogelik?
De grenzen van dit opstel gedogen niet de behandeling van deze vraag. Ze wordt hier alleen gesteld, om ons eraan te herinneren, dat het gewichtigste probleem der opvoeding, de zedelike vorming, op een ander gebied ligt dan we nu hebben betreden.
Wie omtrent de mogelikheid van aardverandering, van wedergeboorte, een belangrijk boek raadplegen wil, leze: „Gebroken aardewerk” vanHarold Begbie.3)Eén citaat kan volstaan, om de betekenis van dit werkte doen uitkomen: „Wat wij ook van het verschijnsel zelf mogen denken, het feit staat vast, dat door hetgeen wij bekeering noemen, menschen die met bewustheid het verkeerde doen, die slecht en ongelukkig zijn, op eens met hun vrijen wil het goede doen en zich gelukkig gevoelen. Het brengt geenveranderingte weeg maar eenomkeeringin aard.Het schept een nieuwe persoonlijkheid.De uitdrukking „wedergeboorte” is geen rhetorische overdrijving, maareen feit uit het gebied der zielkunde.”
Men zal erkennen, dat deze uitspraak aan beslistheid niets te wensen overlaat. En daarbij vergete men niet, dat deschr.leerling is van Prof.William James, de psycholoog, aan wie hij zijn boek „met bewondering en eerbied” opdraagt.
Deze kwestie brengt ons in het hart der zedelike opvoeding en we hopen er, naar aanleiding van het genoemde boek, onze aandacht aan te schenken. Wellicht moeten we dan tot de conclusie komen, dat de „wedergeboorte” toch niet een „nieuwe persoonlikheid” schept, maar verborgen elementen der oude persoonlikheid heeft doen uitschieten. We kunnen ons onmogelik een te-voorschijn-komen van een nieuwe aard voorstellen en het feit zelf verliest toch niets van zijn aangrijpende betekenis, wanneer we aannemen, dat in de bekeerde latente eigenschappen zo krachtig zijn opgetreden, dat ze de verschijning der persoonlikheid als 't ware een geheel nieuw karakter hebben gegeven.
Hoe het zij, we kunnen noch wensen er op 't ogenblik dieper op in te gaan. We moesten echter nógeens duidelik uitspreken, dat de vorming der morele persoonlikheid beheerst wordt door andere faktoren dan door „waarheid in de opvoeding”, al is dit „middel” belangrijk genoeg, om, eer we eindigen, zijn betekenis ook nog toe te lichten in de omgangmet de oudere kinderen van 14–20 jaar.
Met jongelieden van deze leeftijd volkomen waar om te gaan, valt vele volwassenen moeilik, moeiliker dan met kinderen beneden die leeftijd.
Dit is geen wonder.
Jonge kinderen, als ze naar belangrijke dingen vragen, vragen haast altijd uit voorbijgaande nieuwsgierigheid. Hun weetgierigheid is meer een geestelik spelletje dan uitvloeisel van diepgevoelde hartedrang. Ze willen iets weten, omdat plotseling een vraagvóórhen oprijst. Maar de vragen rijzen niet zoinhen op. Wanneer ze antwoord krijgen, zijn ze dan ook onmiddellik tevreden en laten de pas verworven wijsheid straks weer gemoedelik schieten. Ze hebben geen flauw besef van de belangrijkheid hunner vragen en van het gewicht der antwoorden.
Niet alzo is het bij de jongelieden. Bij hen wordt het ernst. En daarom kunnen vele ouders gemakkeliker waar zijn met de kleintjes, dan met de groten. Bij die kleintjes blijft het toch maar aan de oppervlakte. Die denken niet door. Die staan geheel in hun eigen kinderwereldje, brengen daar de wijsheid der volwassenen heen en herleiden ze tot kinderproporties.Ze maken van alles iets kinderliks, omdat ze de gevoelens en denkbeelden der ouderen niet kúnnen verstaan.
De jongelieden echter gaan met hunervaringengaandeweg in de wereld der volwassenen over. Zij komen ons physies en psychies hoe langer hoe dichter bij. Zij vragen niet uit speelse nieuwsgierigheid, zoals zonnestraaltjes even door 't lover trillen, maar uit levensbehoefte, gelijk wortels in de grond dringen om voedsel te halen en een stevige stand te verzekeren. Hun opmerkingen zijn gekleurd door hun persoonlikheid, die zich in steeds helderder en scherper trekken openbaart. En de ouders voelen, dat langzamerhand gelijken hen naderen, zij het ook dat deze nog vele kenmerken van onrijpheid vertonen. Dit maakt vele ouders onrustig en ze ontwijken hun opgroeiende kinderen.
Daardoor doen ze die opgroeiende kinderen te kort.
Over 't algemeen worden onze „jongelingen” en „jonge meisjes” opvoedkundig niet zo goed verzorgd als de „kinderen”. Hun halfslachtige positie typeert hun hele leeftijd en komt reeds uit in het gemis van een eigen naam. Er zijn kinderen en volwassenen. En daar tussen in?
Heeft men er wel eens aan gedacht, hoe impopulair de namen „jongelingen” en „jongedochters” zijn? We durven ze haast niet te gebruiken. Met heel veel gemak spreekt iedereen over kinderen, maar we voelen aanstonds enige en soms grote stroefheid in onze spraakwerktuigen, als we 't over jongelingen en jongedochters moeten hebben. Die woorden willen ons nietfamiliaar worden en schijnen zich alleen tuis te gevoelen in deftige verbindingen als „Christelijke Jongelingsvereeniging” en stijve toespraken. Voor dit opgroeiend geslacht hebben we geen eigen, vertrouwlike, inheemse namen, waarmee het volk in al zijn lagen voor den dag durft komen, en de wetenschappelike opvoedkundige schrijvers der laatste jaren vergasten ons op het woordpubers. Al herinnert dit woord eraan, dat deze knapen en meisjes in de puberteitsperiode zijn, is het daarom een woord, waarmee een gewone liefhebbende moeder haar kinderen kan aanduiden? „Uw jongens en meisjes zijn gelukkig de kinderleeftijd te boven, mevrouw!”—„Ja, meneer, dat zijn gelukkig al pubers.” Neen, dat gaat niet.
Dan maar liever gesproken van „jongemannen”, „jongeheren”, „jongedames”, al bewijzen deze woorden duidelik, dat de betrokkenen geen eigen namen bezitten, maar tevreden moeten zijn met die der volwassenen voorafgegaan door het beperkende „jonge”. Te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken, moeten ze het stellen zonder eigen disdoek en zich in vredesnaam met het tafellaken der ouderen maar leren zindelik houden. Ze hebben een eigen positie, een eigen karakter, eigen noden, maar deze worden niet derwijze erkend, dat er ook eigen namen, eigen rechten, eigen voorzieningen komen.
Laat de eigen namen dan weg blijven, indien de eigen rechten maar toegekend en de eigen voorzieningen verschaft worden. Nog oneindig meer dan bij de opvoeding der kleinen is waarheid nodig in deomgang met de groten. Voor hen kan het een levensredding zijn.
Doch nu wordt er van de ouders grote zelfverlochening geeist. Hoe gaarne ze ook zagen, dat de jongelui de ideeën, idealen, beschouwingen der ouders deelden, ze moeten het kunnen verdragen, dat het precies omgekeerd is en de jongeren met hun denkbeelden en toekomstplannen lijnrecht tegenover hen staan.
Vader en Moeder zijn steeds rechtzinnig godsdienstig geweest en hebben hun kinderen trouw in die geest opgevoed. Nu komt er echter twijfel in de harten dier kinderen. Een maar al te verklaarbare twijfel. Hun gemoed komt in opstand tegen de voorstelling van een God, die zoveel zonde en ellende toelaat ondanks zijn liefde en almacht, hun verstand heeft geen vrede met het aannemen van waarheden, die strijden met rede en natuur. Ze kunnen onmogelik geloven, dat water in wijn veranderd wordt en een dode opgewekt, en alles in hen verzet zich tegen een Vaderliefde, die een enige Zoon aan het Kruis doet nagelen, om door dat offer te voldoen aan de eis der gekrenkte rechtvaardigheid. Zij zouden zelf zo geheel anders doen, zij zouden geen „wonderen” nodig hebben om hun goddelikheid te bewijzen en deze goddelikheid liever getoond hebben in hetvoorkomenvan de zonde bij de mensenkinderen, dan in het offeren van een enig kind nadat die mensenkinderen eerst in de zondeval waren gelopen.
Ze voelen er iets zo bitter, bitter oneerliks in: eerst de mensen scheppen met eigenschappen, die hen zéér zeker zullen doen vallen en hun daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen, dat de niet alleen almachtige dit gans anders had kunnen inrichten, maar de alwetende dit alles reeds van te voren wist, dat Hij, aleer de mensen in 't aanzijn te roepen, reeds wist dat zij vallen zouden! Hoe, in vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang te voren bepaald was, enige verantwoordelikheid over voor bedreven schuld! Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelike almacht gedwongen, door een goddelik raadsbesluit genoodzaakt, wel móésten vallen! Waren de mensen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelike raadsbesluit niet uitgevoerd! De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlik gehoorzaamheid. De eerste mensen gehoorzaamden, en juist door hun overtreding, aan hetgeen de almachtige reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die „gehoorzaamheid” dan als vergrijp worden toegerekend?
Het is voor rechtzinnig gelovende ouders smartelik, als hun kinderen met deze critiek tot hen komen, te smarteliker, waar zij er ongoddelike machten in zien werken, eigengerechtigheid en geestelike hoogmoed, eigenwillige dienst des verstands, en vrezen dat de zielen, in de greep van Satan, verloren zullen gaan. Voor waarlik gelovenden openbaart zich hier niet een„verschil van zienswijze”, waarover te redeneren valt, maar eenzwenking in zielerichting, die—als God het niet verhoedt—op verderf, op eeuwige rampzaligheid moet uitlopen. Oppervlakkig ongeloof denkt hier zo licht over en ziet slechts een onderscheid van beschouwing. Maar hoe voelen ongelovige ouders het, als hun meisjes, hun huwbare dochters, aldus redeneren: „Die sexuele zelfbeheersing is eigenlik onzin. Wij zijn geschapen met drang naar het moederschap. Aan die drang moeten we voldoen. Dat is niet alleen gans rein en natuurlik, het is zedelike plicht, het is gehoorzamen aan levensroeping. Huweliken zijn maar menselike instellingen, verre daarboven gaat de zuivere bevrediging van de spontane, ongereglementeerde behoefte onzer scheppingsrijpe natuur. En in plaats van zonde is het deugd, wanneer een meisje een onecht kind krijgt. De onechte kinderen zijn juist de echte.” Houdt een moeder, al is ze nog zo vrijzinnig, haar hart niet vast, wanneer die gedachten in haar dochter opkomen? En hoe denkt die uiterst verlichte vader erover, wanneer zijn achttienjarig kind, in eerlikheid van overtuiging, die „weg der natuur” op wil? Gedachten zijn maar niet ijdele hersenspinsels, het zijn de verstandelike lijnen en figuren, waarin zich de gemoedsbewegingen, de neigingen, aan het bewustzijn openbaren. En het is alleszins begrijpelik, wanneer de verlichtste vrijzinnigheid onrustig wordt, wanneer dergelike gedachten door jonkvrouwlik verlangen worden gevormd en geuit: Er dreigt voor ouders en kind—zij het nog slechts in de verbeelding—namelozeellende, een volkomen verbrijzeld leven. Doch hoe, lieve vrijzinnige, moet het dan ouders te moede zijn, die, in door u aangemoedigde en geprezen critiek op geloofswaarheden, de donkere wolken zien aandrijven van een noodweer, dat, losbarstend,eeuwigeellende veroorzaakt in een volkomen verbrijzeld zieleleven? Gevallen meisjes zijn nog op te richten, de gevallen engelen zijn onredbaar in de afgrond gestort.
In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en deze is het, die gelovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlik uitzeggen, wat er in hen omgaat. Dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen.
Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer tuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen groter zonde dan de leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugenen genoemd. Leugen is duisternis. En wie zich in de duisternis rustig voelt, zoekt nooit naar het licht. Liever openlik bekend en getoond, wat er in ons omgaat, dan een schijnleven geleid, dat anderen en ons zelf bedriegt.
Dit geldt ook in gevallen, wanneer, juist omgekeerd,de kinderen tegen de zin der ouders, zeer rechtzinnig worden. Het „Leger des Heils” vindt men heel mooi, vooral sinds de Generaal aan vorstelike hoven is ontvangen, maar men acht het toch minder wenselik, dat zijn eigen kinderen er in dienst nemen: dan is er iets dweepzieks en zelfs iets ordinairs in. Zie nu toch: in plaats dat de ouders zich verheugen over de ernst hunner kinderen, welke geen vrede heeft met vrome praatjes maar pas rust vindt indoen—de daad is toch pas de waarachtige uitzegging van ons zijn—tonen die ouders zich bang voor eerlikheid en zien ze hun kinderen maar 't liefst streberig afstevenen op een mooie, voordelige en vooral fatsoenlike positie. Ze willen hun kinderen wel doen aannemen tot lid van een kerkgenootschap en behoorlik naar de kerk zien gaan, dat staat netjes, is ook meermalen niet onvoordelig, maar hun meisjes te zien meetrekken met „het Leger” of hun jongens te horen praten van „zendeling-worden”—dat geeft zo'n akelig gevoel van onrust.
Niet anders is het, wanneer de jongeren in het sociale en politieke leven een andere richting willen inslaan dan de ouders, wanneer de dochter voor vrouwenkiesrecht gaat ijveren en de zoon zich bij de sociaal-democratie aansluit. Dan loopt menig ouder langs het water van 't leven, als moeder kip, toen een van haar kuikentjes niet in 't droge zand bleef scharrelen, maar brutaal te water ging. Angst, angst, angst, dat het kind verdrinken zal.Maar als dit kind nu in 't water zijn element vindt?
Jongeren, als zeechtzijn, móéten rood zijn, rood in godsdienst, rood in politiek, rood in ieder opzicht. Rood is de kleur van de dageraad. We weten immers dat dageraadletterlik wil zeggen dagerood? Wat jong is, kent het leven niet, kent zichzelf niet, ziet alleen zijn ideaal van volmaaktheid en wil dit verwerkeliken. Heerlike jonglingschap! Wat jong is, gelóóft! Gelooft, ook al zegt het van geloof niets te willen weten. Gelooft in gelijkheid, in broederschap, in sociale rechtvaardigheid, in den adel der menselike natuur, in verwerkeliking van humanitaire denkbeelden, in een hemel op aarde! Enditgeloof isechtgelóóf. Het is niet een verstandelik voor waar houden, niet het gevoelloos onderschrijven van een belijdenis, van een programma, maar het is een in 't diepst der ziel overtuigd zijn, het is een volkomengemoedsverzekerdheid. Ach ja, ze menen wel, recht verstandelik te zijn en hun opvattingen zuiver te kunnen beredeneren, maar dat nemen we op den koop toe. Hoofdzaak is, dat ze het geloof in zich hebben als een gemoedskracht, die hen drijft en sterkt. En dit geloof, al kleedt het zich vaak, naar de eisen van deze tijd, in sociaal-democratiese denkbeelden, is het behoud der mensheid. Daardoor ontspruit in elke nieuwe lente der mensheid nieuw groen. Zonder dat zou de boom tenslotte niets hebben dan dorre, verkleurde bladeren, en sterven.
Daarom, maak u niet bekommerd, als uw kinderen „rood” worden. Verheug u veeleer. Mits ze hetechtzijn. Mits ze vol zijn van barmhartig meegevoel, nietalleen machtig in de critiek, maar bovenal bewogen door reddingsliefde tot al wat zwak en misdeeld is. Werkt dezeliefdein hen, geloof gij dan maar dat ze met christendom zijn ingeënt, ook al menen ze, door verkeerd begrip, voor 't ogenblik op het christendom te moeten afgeven. Verkeerd begrip is wel een droevig ding, maar véél droeviger is een verkeerde harteneiging. Dat begrip komt wel weer terecht, maar er moeten geweldige krachten komen, om een zelfzuchtige te bekeren, dat is: om te keren, tot een toewijdende. Waar toewijding is, is het beste wat een mens hebben kan. Terecht zingt een onzer psalmen: „Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen,” en durft zelfs getuigen: „Daar woont Hij zelf.”
Daar woont Hij zelf. Stouter kan het niet gezegd worden. Maar dan moeten we er ook wel diep van doordrongen zijn, dat er zuivere liefde werkt en niet anders dan deze. Wie zich „rood” noemt en dit meent te moeten tonen door schampere critiek, lasterend ondermijnen, boosaardig verdacht maken, felle haat, die is een niet minder groot huichelaar dan de schijnvromen die hij bestrijdt. Want ook hij, onder de vlag van het mensenminnend idealisme, dient slechts zijn eigen zelfzucht van een zeer laag gehalte.
Wanneer nu onze opgroeiende kinderen, gedreven door liefdevol medelijden en edele rechtvaardigheidszin, zich—zij het in kortzichtigheid—stellen tegenover onze godsdienstige of sociale of staatkundige beschouwing en zich zelfs willen aansluiten bij onze tegenpartijders, behoeven we daarover niet te treurenen past ons in geen geval dwang, die hen tot een onoprechte positie verplicht. Onze beste houding is: de kinderen volle vrijheid te geven, en ze daarbij de eis te stellen: Wees wat ge zijt, maar wees het echt.
In de gelijkenis van „De verloren zoon” wordt ieder getroffen door de blijdschap, waarmee de vader zijn berouwhebbend kind weer ontvangt. Het kind is van de vader afgedwaald, heeft al zijn geld verkwist in „liederlik leven”, en keert daarna pas terug. De twijfel is volkomen begrijpelik, of dit berouw wel het echte is. De zoon komt tot inzicht, als hij niet meer heeft, honger moet lijden, en zich niet eens mag voeden met zwijnendraf. Letterlik uit armoede zoekt hij zijn vader weer op, en zijn berouw komt pas in de bitterste nood. De vader vraagt echter niet, of de omstandigheden dit berouw niet een beetje verdacht maken. Hij laat zijn kind niet eens de tijd, woorden van berouw te uiten. Toen hij zijn zoon van verre zag, werd zijn hart door medelijden bewogen, liep hij zijn kind te gemoet, viel hem om de hals, en kuste hem. En wanneer de verarmde verkwister uitroept: „ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ben niet meer waard, uw zoon te heten”, is het antwoord niet een verwijt, een strafpredikatie, een instemming, zelfs niet een dankuiting voor dit blijk van berouw, maar zegt de vader tot zijn knechten: „Haalt aanstonds het beste feestkleed entrekt het hem aan,” en laat hij—een feestmaaltijd aanrichten!
Die vader is prachtig en we mogen ons maar innig gelukkig prijzen, dat ook ons berouw niet krities onderzocht wordt, wanneer we ten slotte uit de zelfbewerkte ellende, uit de smartvolle gevolgen onzer zonden vluchten naar zulk een Vader, die ons ook nog aannemen wil als we „uit armoede” tot hem komen.
Toch is deze trek van vaderliefde niet het enige, wat ons deze gelijkenis zo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van de vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door velen voorbij wordt gezien. Wanneer de zoon zegt: „Vader, geef mij mijn kinderlik erfdeel” horen we alleen, dat de vader het goed onder de twee verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een vreemd land, horen we niet, dat zijn vader hem dit verbood.
Deze houding van de vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hen toekomende geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd tonen, als een ongehuwde zoon—zonder dat zijn „zaken” het eisen—zijn erfdeel opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tussen vader en kind? En wat zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt, om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met het uitbetalen van het kinderlik erfdeel bracht de vader en zijn zoon én zijn geld in gevaar. En toch deed hij het.
En we horen niet, dat hij erbij murmureerde. We horen alleen, dat hij het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En meent ge, dat de vader de zinnelike neigingen, de lichtzinnige aard van zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij—ja misschien wel, omdat hij zijn kind kende; hoewel—misschien omdat hij de toekomst voorzag. De vader gaf en liet zijn kind gaan.
Nog eens, deze houding is ongewoon. Ze is niet menselik. Dat durven we niet. We zijn te bang, voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming van zijn kind? We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft—de vraag is diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd—wie durft de maatschappelike welvaart, de goede naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn zedelik heil? We zetten ook liever het kind vast in verboden en angstvallig bewaarde schijnbraafheid.
Wie heeft zijn zoon zo lief, dat hij hem kan zien verongelukken, wetende dat alleen ervaring hem wijs, smart hem beter kan maken?
Neen, ik vraag niet: Wie wil zijn kind ongelukkig maken? Ik vraag ook niet: Wie ziet met blijdschap, dat een kind zichzelf ongelukkig maakt? Ik weet veel te goed, dat het ouderhart wegkrimpt van smart, als het kind verongelukt.
Maar ik vraag: Wie durft het voorbeeld van de vader uit de gelijkenis te volgen? Wie durft zijn geld, zijn goed, zijn naam, zijn gemoedsrust, zijn liefde eraan te wagen, als hij weet, dat zijn eigenzinnig, lichtzinnig,genotlievend kind slechts gered wordt door ondergang?
Dat durft alleen, wie het zedelik louteringsproces hoger stelt dan de glimmendste schijnbraafheid; wie het om de waarheid en niets dan de waarheid te doen is; wie zijn kind de leerschool van 't leven kan insturen en niet vraagt naar het schoolgeld, maar naar de grote les die daar geleerd wordt en die de verloren zoon bij zijn tuiskomstuit eigen hartopzei zonder dat iemand ze hem had voorgezegd: „Vader, ik ben niet waard uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen.”
Het komt niet in me op, iemand de ouderzorg van een „verloren zoon” toe te wensen, maar die zorg kan men niemand besparen aan wie ze opgelegd is. In dat geval is er voor hem een troost: De „verloren zoon” is dikwels de verloren zoon niet. Hij komt weer terecht na en zelfs door zijn afdwalen. Maar de eigengerechtige, naijverige, wangunstige oudste broeder, die zo braaf, voor zichzelf zorgend, bij zijn vader bleef, hij is de eigenlike verloren zoon, verdwaald in geestelike hoogmoed en zelfzucht. Het is de vraag, of hij—ofschoon hij dageliks met hem omgaat—ooit zijn vader vindt. Jezus had het meest te kampen met de Farizeeërs.
Maar dan is er toch ook iets te doen, om, als de gevaarlike jaren komen, het gevaar voor afdwalen te verminderen.
Herhaaldelik hebben we er op gewezen, hoe waarheidin 't verkeer met de kinderen vertrouwen kweekt. Wie dit vertrouwen van jongsaf doet aanwassen in kracht en zuiverheid, zal ervaren hoe het én de opvoeders én de jongemensen tot steun kan zijn. Het is heerlik te zien, hoe opgroeiende jongelingen en jongemeisjes dan met al hun noden bij de ouders komen. Metalhun noden.
Ik wéét het, hoe in zulke gevallen jongelingen met hun godsdienstige worstelingen en, wat misschien nog meer zegt, met hun strijd tegen zinnelike driften bij bij hun vader kwamen, deze om raad, om bijstand vroegen, ook in het bestrijden van geslachtelike zwakheden, hoe ze hun vader alles beleden, uit eigen beweging, en de maatregelen toepasten, door vader aanbevolen, hoe ze met vaders hulp streden en overwonnen.
Ook wéét ik, hoe verliefde en verloofde meisjes alles met moeder bespraken, zo eenvoudig, zo oprecht, zo rein, en met een gemakkelikheid, die voor de meerderheid der mensen een ondenkbaarheid is.
De meerderheid der mensen? Het ontbreekt hun aan ernst, aan moed, aan waarheidsliefde. De fout is niet bij de jongeren. Als zij bij waarheid worden grootgebracht, zijn ze in niets verlegen, om ermee bij de ouders te komen. Maar de ouders zijn verlegen. Die vervreemden hun eigen kinderen van hen. En daarvan openbaren zich later vaak de treurige gevolgen.
Slechts een heel kleine minderheid, slechts betrekkelik zeer weinige ouders durven onafgebroken volkomen waar met hun kinderen om te gaan. Doch zij zullen weten, hoe het vertrouwen, reeds vroeg ontwikkeld,later, als van alle kanten de gevaren dreigend kwamen opzetten, de zegenrijkste vruchten droeg.
Wie vertrouwen wil maaien, dient het tijdig te zaaien.
Niet overal, waar het aan waarheid ontbrak, vertoonden zich noodlottige gevolgen. Gelukkig. Maar dit mogen we veilig zeggen: zeer vele misstappen met de daaraan verbonden smarten hadden voorkomen kunnen worden, indien de ouders de liefde, de wijsheid, de moed hadden bezeten, de zelfverlochening en soms ook de zelfopoffering, omgedurende de ganse opvoeding hunner kinderen, van de wieg tot de bruiloftskoets, de waarheid te doen heersen.
Ik zou het verloofden en jonggehuwden, op grond van rijpe ervaring, wel op 't hart willen binden: Waag het maar. Ge zult eens zien, hoe innig en rijk de omgang tussen u en uw kinderen wordt. Bezwaren? Ze bestaan niet, ze vernevelen, verijlen, vervluchtigen. Vrees maakt ze massief, vertrouwen doet ze verdampen. En dan zult ge ook ervaren hoe ge, derwijze uw kinderen opvoedend, tevens uzelf opvoedt. Want waarheden, die we onze kinderen moeten zeggen, houden onszelf onder tucht.
„De eerste deugd is waarheid.”
We hebben dit oordeel van Beets aanvankelik in 't midden gelaten. Nu we echter onze beschouwingen hebben geëindigd, willen we die uitspraak nog even onder de ogen zien. Is waarheid de eerste deugd?
Het komt mij voor van niet.