IV. OVER STRAFFEN.

Verbiet het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet,En dreigen werdt bevell.

Verbiet het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet,En dreigen werdt bevell.

Kan het krachtiger en kernachtiger gezegd? Dreigen wordt bevelen. Ze móéten, omdat ze niet mogen. Doch nu maakt men zich er te gemakkelik af, als men dit bloot aan een zondige zucht tot ongehoorzaamheid toeschrijft. Hier werkt ook de waarheid, en geen zondige waarheid, dat de belangstelling door het verborgene en dus ook door het verbodene wordt opgewekt. Heel het wetenschappelik streven vloeit hieruit voort. Leg alles open en bloot, er viel niet te onderzoeken, er zouden geen Noordpoolontdekkers wezen. Het onbekende, het ongedane prikkelt tot onderzoek, tot beproeven, en in die gevoeligheid voor zulke prikkeling werkt de springader van onze ontwikkeling. Ontsluieren is onze lust, sterker nog, ontsluieren is onze taak. We moeten zien het ongeziene, maken het ongemaakte. En zo is dit wegschuiven van gordijntjes, dit zeggen van verboden dingen, dit overtreden vangetrokken grenzen, dit gaan op gesloten terrein volstrekt niet enkel een uiting van ongehoorzaamheid. Trek naar het verbodene wordt gewekt door de aantrekkelikheid van het afgeslotene. En deze aantrekkelikheid is op zichzelf geen verkeerd verschijnsel.

Ik wil hier nog even op doorgaan.

Niet alleovertreding is overtreding.

Overtraden we nooit de totnogtoe gevoelde en geëerbiedigde grenzen, dan kwamen we nooit verder. Maar zulk een overtreding moet in de goede richting zijn. Een overtreding is een deugd, als ze ons, over een hogere breedtecirkel heen, een graad verder voert naar de pool der waarheid. Een overtreding is een kwaad, als ze ons, over de zedelike verbodslinie heen, een stap dichter voert naar de poel der zonde. Niet in het overtreden zit het kwaad, maar in hetovertredenvan dete rechtgestelde grenzen. En nu is de fout in menige opvoeding, dat menten onrechtegrenzen stelt en daardoor overtredingen uitlokt, die zonde zijn. Ja, het komt voor, dat men het kind tot overtredingen noodzaakt door het opleggen van onredelike en onzedelike geboden. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Ook het kind. Waar het ouderlik gebod in strijd komt met Gods bevelen—denk eens aan moeders, die haar dochter de verkeerde weg op drijven—daar móét een kind, dat zijn verantwoordelikheid gevoelt, het eerste overtreden. Er zijn ook verboden geboden.

Het gaat dus niet aan, de overtreding van een gebod zo maar zonder meer een misstap te noemen en de lust tot overtreden uitsluitend aan een ingeboren neiging tot ongehoorzaamheid toe te schrijven. Willen we in deze bij de opvoeding onzer kinderen zoveel mogelik klaarheid hebben, dan moeten we niet alleen zorgen, dat onze geboden redelik zijn, maar ook, dat de kinderen, indien enigszins mogelik, er de redelikheid van voelen. Door een erkende redelikheid hebben de geboden zedelike autoriteit. En hierin bezitten ze een waarlik bedwingende kracht, waartegen elk verzet ongehoorzaamheid mag en moet heten. Delusttotverkeerdeovertreding bestrijden we echter het best, door een afkeer te wekken van de zaak, waarvan we 't kind weerhouden willen. Dan wordt het kind niet door het verbod, maar door het verbodene zelf tegen gehouden. We moeten het verbodene afkeerwekkend en daardoor in zichzelf verbodskrachtig maken.

Dit laatste wordt door vele ouders gevoeld en in de practijk herhaaldelik toegepast. Wil de moeder, dat het kind van iets afblijft, dan zegt ze: „Niet aankomen, 't is vies.” Door deze waarschuwing, hetzij ze leugen of waarheid bevat, laat een kind zich weerhouden om 't verbodene aan te raken. Niet het verbod van de moeder, maar de viesheid van het verbodene houdt het kind binnen de grenzen. Zo boezemen sommige moeders hun kleintjes vrees voor dit of dat voorwerp in, door te zeggen, dat „het bijt”.

Ik wil deze leugens niet in bescherming nemen, maar in het principe zit iets goeds. Maak het kindafkerig van het verbodene en het zal niet tot overtreden worden uitgelokt, het zal er juist van terug gehouden worden. Inzicht in de zedelikheid van een verbod is op zichzelf niet voldoende. Op een verstandelike overtuiging valt nooit zo te rekenen als op een diepgevoelde afkeer. Verstandskrachten zijn sterker in 't redeneren dan in 't leven. Zuiver redenerende gaat menigeen ten verderve, omdat de gevoelskrachten hem in de steek laten. Maar zuiver gevoelende blijft menigeen, ondanks een zwakke logica, op 't rechte pad. 't Hart heeft zijn levende logica.

We moeten dus:

ten eerste geen verbodsbepalingen stellen, waar dit onnodig of zelfs verkeerd is; hierdoor toch zouden we het kind tot overtreden kunnen verleiden of dwingen en dus de ongehoorzaamheid zelf hebben veroorzaakt; en

ten andere moeten we een overtreding, waar deze verkeerd is en voorkomen moet worden, bestrijden—minder door het simpele verbod en zelfs het gemotiveerde verbod, als wel door een afkeer van het verbodene. De kunst der opvoeding bestaat dan in het wekken van zin en tegenzin, van liefde en afkeer. Waar deze gevoelens zuiver werken, kan de opvoeder zijn kind loslaten.

Natuurlik brengt niemand het zo ver, niet eens bij zichzelf. We moeten in ons zelf nog voortdurend de rechte zin ontwikkelen. Maar dat verplicht ons te meer, 't bij onze kinderen toch vooral daarin te zoeken. We moeten zorgen, dat het verbod als eenlevende haat in hen werkt en niet als een ongemotiveerde dwang hen prikkelt tot overtreding. En nooit, nooit mogen we ons ouderlik gezag misbruiken—en 't komt meer voor dan men denkt—tot het opleggen van onredelike en onzedelike plichten, want ook de kinderen hebben een geweten, een heilig geweten, en ook voor hen geldt het woord, dat we andermaal aan Huygens ontlenen:

„Maar 't Wereldsche gesagh en gaet niet aen de wortelVan 't heilighe Gewiss,”

„Maar 't Wereldsche gesagh en gaet niet aen de wortelVan 't heilighe Gewiss,”

ook niet als het „Wereldsche gesagh” het ouderlik gezag is.

En wat heeft dit alles nu te maken met je jongen en zijn vermaak in „vieze woordjes”?

Dit, dat hij nooit zulk een vermaak zou hebben, als hij daarbij niet over gestelde grenzen ging, die in hun rechtmatigheid door hemnietworden erkend; dat hij in géén geval zo'n vermaak zou hebben, als hij waarlik afkeer voelde van het verboden gebied. En dat de schuld dus bij zijn ouders ligt, die hem in dit opzicht verkeerd hebben opgevoed.

Nu hoef je onder deze beschuldiging niet zó diep gebukt te gaan. Je zegt zelf, dat je het kwaad niet zo verschrikkelik vindt. En daar heb je m. i. gelijk aan.Eigenlik is het geen kwaad, maar een onhebbelikheid. Ik voel er geen zedelike fout in, maar iets onsmakeliks, onkies, onopgevoeds. Als er iets kwaads in schuilt, dan zit dit eer in de ongehoorzaamheid jegens de ouders, dan in het zeggen der onbehoorlike dingen zelf. Heel wat volwassenen gaan in deze onsmakelike liefhebberij zelfs hun kinderen voor, zonder dat die mensen dáárom onzedelik zouden zijn of mogen heten. 't Is een kwestie van smaak.

Huygens—je ziet wel, dat ik de laatste tijd weer veel met hem omga—deze waarlik vrome en wijze, deze zeer kundige, ontwikkelde en fijne man, geeft ons honderden staaltjes, dat in zijn tijd oorbare scherts was, 't geen we nu vuile en hoogst ongepast aardigheden noemen. De zin- en woordspelingen op 't gebied van 't physieke leven zijn bij hem legio. Wanneer niemand minder dan Tesselschade zijn gast is, beklaagt hij zich, dat dit mooie weeuwtje ... doch ik wil zijntansonvoegzame woorden hier niet herhalen. Voldoende zij de verzekering, dat ze naar onze huidige smaak alle perken te buiten gaan, maar dat niettemin Tesselschade er in rijm op antwoordde, en niet alleen Tesselschade, ook menige andere dame werd vergast op dergelike aardigheden, en daaronder dames van de hoogste stand. In hoffelike taal drong de dichter door op voor ons zeer stellig verboden gebied. En dit zou Huygens zeker niet zo openlik gedaan hebben, als hij gemeend had hiermee iets onzedeliks te bedrijven. Of hij hiermee Bijbels was? Paulus zegt in Ephese 4 vers 29: „Geen vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo er eenigegoede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die ze hooren.” Doch wellicht noemde Huygens dit geen vuile rede. Op dezelfde dag, dat hij zulke verzen schreef, stortte hij zijn ziel uit in de godsdienstigste gedichten ter verheerliking Gods.

Hoe het zij, er is een essentieel verschil tussen het debiteren van sommige schuine aardigheden en het bedrijven van onzedelikheid. Maar—op dit verschil mogen wij ons niet beroepen, wanneer door onze nalatigheid onze kinderen zich woorden veroorloven, die wijop die wijze gebruikt, beslist veroordelen. Het is onze plicht, zulk een gebruik te voorkomen, en onze schuld, als wij hiervoor niet hebben gezorgd. En hoe hadden we dit gebruik dan moeten voorkomen? Door de kinderen van jongs af juist die woordenin volkomen reinheid en onbevangenheidte laten gebruiken. Diewoordenzijn niet slecht, 'tgebruikervan evenmin, maar dewijzewaarop ze gebruikt worden, die is in dergelike gevallen slecht. En zulk eenslechte wijzevoorkomt men het best, door eengoed gebruikreeds van te voren aan te wennen.

Bij een goede verhouding tussen moeder en kind is er zo'n echte, zo'n onbeperkte, zo'n volkomen intimiteit. De kleintjes geven zich met hun naakte lichaampjes zo geheel aan moeder, en al de functies van hun groeiend lijfje, moeder kent ze, moeder is van niets vies, moeder regelt ze zelfs. Zou er ook maar één kind zijn, dat zich voor moeder schaamt, dat in de physieke uitingen van zijn lichaam iets onbehoorliks vindt, of dat uit zich zelf zou lachen om woorden, die hij op de meestgewone manier dageliks van moeder gehoord had, gedurende zijn kinderjaren? Al wat bij 't physieke leven behoort, 't is een kind absoluut niet vreemd of onvoegzaam, van zijn geboorte af is hij er aan gewend, en dus kan de taal van dit physieke leven hem evenmin vreemd of onvoegzaam zijn, en ze behoeft dit ook nooit te worden.

Echter, wat bij moeder en vader heel gewoon is, en gepast, behoeft daarom nog niet in de buitenwereld te worden gebracht. Vreemden hebben daarmee niets te maken. En langzamerhand leert het kind in woord en daad tegenover vreemden en in tegenwoordigheid van vreemden een reserve in acht nemen, die in de kleine familiekring nog niet nodig is. Moeder leert hem, dat dit een eis van kiesheid is. De lichaamsdelen en hun functies zijn op zichzelf volstrekt niet onbetamelik. God heeft de mens aldus geschapen, en zoals God hem gemaakt heeft, is het goed. Maar om velerlei redenen, die een moeder haar kinderen best kan uitleggen, is het raadzaam over sommige lichaamsdelen en lichaamswerkingen niet met vreemden te spreken. 't Is ook absoluut niet nodig. En—dit kunnen we er gerust bijvoegen—een aldus opgevoed kind zal er uit zich zelf ook nooit toe komen. Het denkt er niet aan. Het denkt aan zijn spelen, zijn uitgangen, zijn lekkernijen, later aan zijn lessen, maar niet aan de physieke functies van zijn lichaam, zo min als het b.v. aan de nagel van zijn grote teen denkt en hierover gaat spreken, tenzij die nagel toevallig pijn mocht doen.

Hoe gewoner een kind dit terrein heeft leren beschouwenen bespreken, hoe onvatbaarder het zal wezen voor het vermaak-scheppen in vieze woordjes. Wanneer andere kinderen hem daarmee aan boord komen, begrijpt hij eenvoudig de aardigheid er niet van. Wat is er voor aardigs aan, die dingen te zeggen? Hij mág ze zeggen. Maar hij vindt er niets plezierigs in. Ook niets onplezierigs. Je lacht toch ook niet, als je over je ogen of je oren spreekt, of over je eten en drinken?

Op deze wijze wordt een kind bewaard voor de besmetting met dit kwaad. De natuurlike en reine opvoeding heeft er hem immuun voor gemaakt. En mocht het er mee in aanraking komen, dan zal het—tenzij 't hem al te onverschillig laat—zijn moeder de gehoorde praatjes wel meedelen. En dan heeft deze alle gelegenheid, haar eigen afkeer van zulk soort aardigheden in de kinderen over te brengen. Voor de aantrekkelikheid ervan behoeft ze niet te vrezen, die bestaat voor haar kinderen niet. Maar 't is ook goed, dat deze voelen, hoe min het is, woorden, die men uit kiesheid voor vreemden verzwijgt, te gaan zeggen uit plezier.

Doch nu vraag je, hoe je je jongen dit kwaad weer moet afleren. Niet met klappen, niet met standjes, zelfs niet met ernstige onderhouding, maar allereerst door de door hem met verboden bijbedoeling gebruikte woorden openlik zelf te gebruiken, doch dan natuurlik als de zaak er aanleiding toe geeft. Zodra vader en moeder gewoonweg, zakelik over de dingen spreken,welke de kleine vent alleen stilletjes durft zeggen, is er van dit stilletjes zeggen al gauw alle aardigheid af. Met het wegvallen der grenzen verdwijnt het plezier om er over heen te sluipen. En een nuchter-zakelike bespreking is de dood voor alle verdachte interessantheid.

Ten slotte wil ik je nog iets zeggen. Ik ken kinderen, die van jongsafalleuitingen van het physieke leven als iets volkomen normaals in reine zin hebben leren kennen, en bij deze kinderen heb ik nooit een spoor van het genoemde kwaad opgemerkt. Hun nuchterheid in dezen sloot volstrekt geen idealisme uit, maar bevroor als een kille vorst alle verdachte grappen. Geen verontwaardiging, maar gevoelloosheid verlamde het plezier van schoolkameraadjes in ongepaste woordjes. Zulk een gevoelloosheid is reinheid. Wapen daar je jongen mee.

Ik geloof niet in de opvoedende kracht van door menschen opgelegde straffen. Tegen de Natuur, tegen het Lot, tegen God, kunnen we niet zeggen: „Blijf van mijn lijf af, bemoei je met je eigen zaken,” want wezijnhun zaken. We zijn „producten der Natuur”, „speelballen van 't Lot”, „kinderen Gods”, al naar we 't opvatten, en zeker niemand meent in ernst, dat hij de baas is over de in- en omstandigheden, die zijn leven beheerschen. We onderwerpen ons aan de Oppermacht van den eenig Machtige, en willen zelfs aannemen, dat Zijn handelen rechtvaardig is, ook al kunnen we deze rechtvaardigheid niet altijdzien.

Maar tegen de ons straffendemenschenverzetten we ons altijd, 't zij feitelijk, 't zij, waar moed en kracht falen, alleen innerlijk. Met onwil en wrevel en toorn worden we jegens hen vervuld en een „fiat voluntas” kan ons nooit met volkomen overgave jegens de straffenden mensch over de lippen, misschien wel mede omdat we gevoelen, hoe hij, niet bekend metalde motieven onzer daden, onmogelijk rechtvaardig kan zijn. Raadpleeg ik mijn eigen leven—en daarin hebben we meestal ons beste paedagogiekboek—dan hebben de straffen mijnooitgebracht tot afkeer vanhet kwaad, maar wel tot kortstondigen en soms zelfs langdurigen afkeer van den straffer.

Toch kunnen we de straffen niet missen, maar dan dienen ze een anderen naam te dragen, in overeenstemming met hun dienst. In elke kleinere of grootere samenleving heb je de ongebonden naturen, die zich niet naar de eischen van het geheel of de rechten van hun gelijken willen schikken, en tegenover hun aanmatiging moeten we ons zelf en de maatschappij beschermen doordwangmaatregelen. Wil je niet, dan zal ik je dwingen.

Deze dwangmaatregelen hebben echter geen opvoedend, wel een regelend, een formeerend, een fatsoeneerend, een dresseerend karakter. Het individu wordt er door gekneed tot een bepaalden vorm, gedresseerd tot een bepaald handelen, en daardoor wordt hij wel bruikbaarder en dus practisch beter, maar niet moreel beter. Zoo min als we de moraliteit kunnen prijzen van een machinerad, dat precies in de tanden van een ander rad grijpt en zoo medewerkt tot een onberispelijk loopen van de heele machine, zoo min kunnen we zedelijkheid eeren in de onder pressie van dwangmaatregelen geproduceerde braafheid.

Er is geen zedelijkheid zonder vrijheid.

Wie dus zijn kinderen—of menschen!—wil opvoeden, d. i. wil doenontwikkelentot zedelijke karakters, gunne hun een zoo groot mogelijke vrijheid en onthoude zich zoo veel mogelijk van straffen. De kracht, waarmee hij hen leidt, ga uit van zijn eigen reine en rijpe persoonlijkheid, en van de ook in denkinderleeftijd reeds tot wijsheid voerende Ervaring.

Het klinkt mij als een idiootheid, wanneer ik hoor: „Je hebt de bessen van het boompje geplukt, nu mag je voor je straf een week niet in den tuin.” Het had zin, wanneer men zei: „Jekuntdus blijkbaar nog nietzonder toezichtin den tuin.” In zoo heel veel gevallen kan men aan kinderen (en volwassenen!) zelf de keuze laten, of ze zekere vrijheid voor hun verantwoording durven nemen, ja of neen. En in plaats van hun allerlei vrijheden te ontzeggen, moedige men hen juist aan, vrijheden,en daarmede verplichtingen, voor hun rekening te nemen.

„Ik kan 't niet vinden met dat kind,”Zegt hij, „en 'k laat het dus maar staan.”Wat zoudt ge zeggen, waarde vrind,Als zoo met u eens werd gedaan?Zoo streng straft gij der kindren schuld,En ge eischt nog zelf zooveel geduld.

„Ik kan 't niet vinden met dat kind,”Zegt hij, „en 'k laat het dus maar staan.”Wat zoudt ge zeggen, waarde vrind,Als zoo met u eens werd gedaan?Zoo streng straft gij der kindren schuld,En ge eischt nog zelf zooveel geduld.

Een kleine jongen loopt met zijn hoofdje tegen de tafel. 't Is een geweldige bons en 't arme kind schreeuwt het uit van de pijn. Moeder vangt haar kermend ventje in de armen, kust zijn tranen weg, troost hem met zoete woorden, smeert wat zalf op het gezwollen voorhoofd en haalt wat lekkernijen uit de kast, om haar lieveling na die pijnlike botsing wat strelende afleiding te bezorgen. Dit is alles van Moeder natuurlik, verklaarbaar en goed. Geen moeder behoeft anders te doen. Maar—nu gaat ze met haar jongen naar de tafel en zegt: „Stoute tafel!Geef de tafel maar een klap.” En dit is schromelik verkeerd. Al zal de tafel van die klap niet bederven, zoveel te erger haar eigen kind, dat nu al vroeg in de valse waan wordt gebracht, dat de oorzaken van zijn pijnlike ervaringen buiten hem liggen, terwijl zeinhem zitten. Een waan, die menig mensenleven bederft, waar hij alle zedelike loutering onmogelik maakt.

„Meester, daar is iemand om u te spreken.”

De meester gaat naar de schoolgang en ziet daar een man staan met een jongen van een jaar of tien. Die jongen is een van zijn leerlingen en die man is zeker de vader.

„Wat blieft u?” vraagt de meester met een nog al vriendelik gezicht.

„Meester, ik wou u vragen, of Piet eens een dag vrij mocht hebben, om met me te gaan vissen.”

Nu betrekt het gelaat van de meester.

„Een dag vrij? Om te gaan vissen? Neen, dat kan ik onmogelik toestaan.”

Doch nu betrekt er ook een ander gelaat. Piet staat naast zijn vader, netjes met zijn petje in de hand en de ogen blij verwachtend naar de meester opgericht. Nu de meester echter spreekt van onmogelik toestaan, beginnen zijn lipjes wat te trillen en komt er iets zenuwachtigs in zijn ogen.

„Want ziet u,” gaat de meester voort, „als hij een dag wegblijft, mist hij weer zoveel, dat de andere kinderen dan natuurlik hebben, en als hij dan terugkomt, begrijpt hij niet, wat we dán weer behandelen.”

„Maar Meester, hij blijft nooit thuis.”

„Ja, dat is ook maar goed ook, want hij is toch al niet van de vlugste, en als hij thuis bleef zou hij zeker nog meer achter raken en niet verhoogd worden.”

De vader zwijgt een ogenblik. Hij is een bescheiden man en de meester heeft natuurlik gelijk. Als Piet een dag niet op school komt, leert hij die dag niet, en dan leren de andere kinderen wel, en dan raakt Piet dus achter. Daar is niets tegen in te brengen. Die goeie man denkt, dat leren hetzelfde is als b.v. aardappelen poten: als je ze in den grond steekt, zitten ze en blijven ze zitten. Hij heeft er helemaal geen idee van, dat de leeraardappeltjes, die wij poten, weer net zo vrolikuitde grond springen als wij ze er in hebben gestopt, en dat je ze er wel tienmaal in moet stoppen, eer ze eindelik voor goed blijven zitten. En hij kan de meester dus onmogelik tegenspreken.

Toch—hij voelt het warme handje van zijn jongen, die naast hem staat, in zijn hand—toch kan hij 't verzoek nog niet opgeven. Hij had thuis tegen Piet gezegd, dat hij net zo lang vragen zou, tot de meester ja zei, en in die zekerheid was Piet blij met hem naar school gegaan. En dan, hij had er zelf ook zo'n plezier in. Hij had maar zo zelden een dag vrij, en 't kon nu dus net zo mooi. Als de meester maar een beetje toeschietelik wou zijn.

„Kom, Meester, zou hij dan dat werk niet kunnen inhalen? Misschien kan ik hem thuis een beetje helpen. Ik weet wel niet veel, maar...”

Doch eer de man uitgesproken had, zegt Meester: „Neen, beste man, dat gaat niet. En bovendien, waarzou dat naar toe moeten, vandaag de een verlof en morgen de ander, want natuurlik, als ik het de een toesta, kan ik het de ander niet weigeren. En er gaat toch al zoveel van het onderwijs verloren. Je moest eigenlik zelf wijzer wezen en die dingen niet vragen. De kinderen hebben maar één jeugd, en één schooltijd, en die mogen ze wel goed gebruiken. Als ze eenmaal van school af zijn, is 't uit met hun leren. Laat ze dus nu hun tijd maar nuttig besteden. Voor uitgangen hebben ze de vacanties.”

„Ja Meester, u hebt wel gelijk, maar in de vacantie ben ik daarom niet vrij.”

„Ja, dat is nu wel jammer, maar daar kan ik niets aan doen. School is school, en uitgaan is uitgaan. Dat zijn twee afzonderlike dingen.”

Deze laatste woorden zegt de anders niet onvriendelike meester wat korzelig, zodat vader en zoon begrijpen, dat alle verder aandringen vruchteloos zou zijn en maar tot onaangenaamheden leiden. Ze keren zich dus langzaam om. „Als het dan niet kan, in vredesnaam, dan kan het niet,” zegt de man, en dan tot zijn jongen: „Dan moet je morgen maar gewoon naar school gaan.”

„Zeker,” zegt de meester, met goedmoedige stem, „dat is heus het beste voor hem.”

En vader en zoon gaan weg, zwijgend, met lome schreden, en vooral de kleine met een geheel terneergeslagen gezicht.

O, die braafheid! En die degelikheid! En die paedagogiese beginselvastheid! Ik wou, dat ze die meester met zijn dierbare zorg voor de geestelike ontwikkeling van die arme jongen een vol jaar in de „Paedagogische Bibliotheek” opsloten. Dan kon hij zijn hart ophalen aan opvoedkundige ernst.

Een dag met je vader uit vissen! Maar wist die paedagoog nu niet, hoe dat voor een jongen een zaligheid is, waarbij zo goed als niets haalt? Een dag, een vólle dag, en dan een schooldag, uit vissen—met je vader! 't Is zo uit de duffe, stoffige, roezemoesige stad- en schoolwereld verplaatst worden in de frisse, zuivere, rustige natuur, en daar vrij rondzwerven—met je vader!

Ik herinner me nog zo goed, wat zo'n dag voor mij was. 's Avonds te voren hadden we de hengels al in orde gemaakt en de snoeren nagekeken met de simmen en de haken. En dan hadden we voor vijf centen wormen gekocht en die verdeeld over eenige wormenbakjes, met wat aarde er in. En dan had Moeder een grote hoeveelheid boterhammen gesneden met „wat er op”, en die had ze tegen 't uitdrogen tussen borden en onder stenen deksels geborgen. En dan hadden we alles netjes en ordelik bij elkaar gelegd, om het de volgende morgen gereed te vinden, en waren vroeg gaan slapen. Slapen vóór 't donker was, dat ging moeilik, en we woelden dan ook nog al wat heen en weer. Maar eindelik kwam de slaap toch en sliepen we vast door, totdat Moeder ons, omstreeks half vier, met zachte stem wakker riep. Ze had ons eigenlik welwillen laten slapen, we sliepen zo lekker, en ze gunde ons die rust zo graag. Maar ze gunde ons ook 't genot, en dus: „Toe jongen, vader is al klaar.” En dan sprongen we er uit, kleedden en wiesen ons slaapdronken, aten onze boterham, dronken een glas melk, pakten ons boeltje bijeen, gaven Moeder een zoen en stapten met Vader de deur uit, waarna Moeder ons nog nakeek totdat we groetende de hoek omsloegen.

Wij mochten de hengels dragen. En nu ging het in de kille morgenlucht, straat in straat uit, door het in ochtendschemer nog rustende Amsterdam, naar de Willemspoort. Even daarbuiten was de Haarlemmerweg langs de Haarlemmervaart, en hier lag de trekschuit klaar. We sprongen er op, als oude bekenden, legden onze hele bagage van hengels, wormenbakken, visnetten en proviandzakken op 't dek, en liepen dan eens naar beneden, of het in de kajuit nog al gezellig was. Nee hoor, 't was boven 't leukste, en we bleven dan ook boven, al mocht straks, onder 't varen, het morgenwindje wat koel om de oren blazen.

Hoe heerlik, de zon te zien opgaan, zo'n grote gouden schijf, oprijzend uit de nevelen over de vochtig groene weiden. En al die boerderijen, telkens weer een andere. En de boerenwagens, rijdende naar de stad. En dan weer eens aanleggen, om goederen of mensen te laden. En dan dat lekkere frisse gekabbel en geklots van het water. En het wuiven van het slanke riet, langs de kanten. Hier en daar zag je er een hengel uit steken, en als je er dan voorbij voer, zag je een opening in 't riet en daar in 't gras zateen visser, helemaal in z'n eentje. „Morgen!” riepen wij hem toe. „Geeft het wat?”—„Niks gedaan, hoor!Ze bijten vandaag niet.”—Maar wij gingen verder. Van die drukke trekvaart moesten we niets hebben. We gingen naar Halfweg, en daar had je uitgestrekte plassen. Dat was ons viswater. Daar zaten ze. Mooie baars en snoek. En die zouen wel bijten.

Door Sloterdijk heen en dan nog eens zo'n vaart, een nog langere. Hè, wat was de zon al warm. Lekker zo in de koele morgen. Wil je wel geloven, dat ze langzamerhand al begon te steken? Maar je kon 't best uithouden. En naar beneden ging je in geen geval. Daar was niets te zien. En hier—wat ruim en hoog en mooi!

Eindelik waren we in Halfweg. In een klein herbergje gebruikten we een kop warme thee, zo'n klein, gezellig herbergje, met biezen stoelen om oude, verveloze tafeltjes, en waarvan de boerin als een oude kennis met je sprak. En dan naar buiten, naar 't water. Snoeren afgewonden, vastgebonden, hengelstukken in elkaar gedraaid, aas aangeslagen, en gauw eens even ingelegd, om te zien, of de sim verschoven moest worden. Dan een rustig schilderachtig hoekje opgezocht, en je daar een poosje verstopt tussen 't riet.

O, hoe heerlik is 't hier. Zacht golft het riet. Vóór je glinstert de watervlakte in levende rimpeltjes. En daarop danst of eigenlik trilt de dobber, het gladde, rode kopje met de doorgestoken pen. Die stijve pen heeft zo iets eigenwijzigs, iets eigengerechtigs, iets pedants. Een ietsje maar. Maar toch genoeg, om eenkomiese indruk te maken te midden van deze harmonie van ruisend riet en rimpelend water.

Wanneer je op de grond zit, met je oog dicht bij het water, wat is dan die glinsterende vlakte groot. Telkens verdwijnt de dobber uit je gezicht, niet doordat hij er niet meer wezen zou, o neen, dat pedante pennetje blijft aldoor even eigenwijzig boven het rode kopje uitsteken, of die hele goud-glinsterendekabbelingvoor zijn plezier zoo schittert en trilt. Maar, wegdoezelend onder het zachte suizen en ruisen, raak je gauw in dromen verloren, en dan zie je niets meer dan een dooreenmengeling van groen en donker met gouden tipjes, waarin het pedante pennetje volkomen verdwijnt.

„Jongen, je hebt beet!” roept daar plotseling een stem achter je. Je trekt snel op, en boven 't donkere water schittert een zilveren vis, spartelend door de lucht. Hè, je hart klopt in je keel. 't Ging ook zo onverwacht. „Je moet niet zitten suffen,” zegt de goedmoedige visser nog. „Anders vang je niet.”

Je moet niet zitten suffen. En toch, na een poosje, daar is het weer. Is het de buitenlucht, die je zo soezerig maakt? Of dat stralende hemelblauw? Of ben je misschien te vroeg opgestaan voor zo'n kleine jongen? Langzamerhand komt het weer over je. Alles om je heen zingt met zachte, suizende stem. En boven dat stille natuurzingen uit hoor je telkens heldere klanken van vogels, van rietvinken. En dan strooien de leeuweriken, hoog uit het hemelblauw, naar alle kanten hun smeltend getierelier, hun zangerige serpentines,die de lucht vervullen als hoorbare zonneschijn. Daar komt het weer. Je drijft weer weg in vergetelheid. Het pennetje, het stijve, pedante pennetje, schiet naar beneden, als een eigengerechtige paedagoog, die door meester Duivel plotseling in de hel wordt getrokken. Maar je ziet het niet, je bent weggezonken in de vrede van een heerlike harmonie, totdat een ruk aan je hengel je wakker schrikt uit je dromerijen en je snel ophaalt met al weer een goud-gevinde vis aan het eind van je snoer.

Vader is intussen aan 't rondvissen van de plas. Echte vissers zitten nooit. Die lopen aanhoudend verder. Ze wachten de vis niet af, maar zoeken ze op, telkens hun verleidelik aas trillend inleggend in al weer een nieuw plekje krozig water. En zo is Vader een heel eind van ons af geraakt. Dat geeft ons een gevoel van eenzaamheid, dat ten laatste wat neerdrukkend werkt. Daarom staan we op, winden het snoer om de hengelroe, en gaan op stap, vijf, tien, vijftien minuten ver, totdat we weer bij Vader zijn en daarmee een behagelik gevoel van veiligheid en stille gezelligheid herkrijgen.

De ganse dag gaat het zo door, totdat de namiddagzon naar huis wenkt. Eerst wordt hier buiten, op een vlotje, de gevangen vis schoongemaakt, van schubben en ingewanden en vinnen ontdaan, daarna in een netje met gras gepakt, en nu, naar de schuit, jongens! Daar heb je het jagertje, vooruit! Op het dek liggen we uit te rusten van de vermoeiende dag, slapende komen we in Amsterdam. Daar maakt Vader onszachtjes wakker, en aan zijn hand slepen we ons door het eindeloze stratennet voort. Thuis de vis in een emmer fris water uitspoelen. Morgen zal Moeder ze bakken. Of misschien vanavond nog? Eer de pan op 't vuur staat, liggen wij al onder de wol en soezen te midden van buitenlucht en zonneschijn en ruisend riet en glinsterend water. Uit een diepe slaap worden we de volgende morgen verkwikt wakker en gaan naar school, om de verloren schade in te halen.

Hebt ge wel opgemerkt, waarde lezer, dat ik in die herinnering aan een dag uit vissen vanzelf uit de verleden tijd in de tegenwoordige tijd ben overgegaan? Daar zou mijn vroegere taalmeester zeker een dikke blauwe streep doorheen gehaald hebben. Dat mochten we niet doen. Als we in de verleden tijd begonnen waren, moesten wij daar ook in blijven, al dwong de levendigheid van het gebeurde ons ook nog zo tot een voorstelling in het heden. Maar de artikelen voor Sch. en L. gaan niet eerst door de handen van een blauwgepotlode taalmeester en zo verschijnen ze onder uw ogen met al de ongerechtigheden van de onverbeterde en onverbeterbare schrijver.

Eén ding wil ik echter wel zeggen, dat ik n.l. nooit die sprong uit de voorbijgegane tijd naar de huidige zou hebben gemaakt, als ik nu nog een dag uit mijn vroegerschoollevenhad moeten beschrijven, in zoverre, dat leven eenleerlevenwas onder de leidingvan de meester, want—ik zou eenvoudig niet in de verleden tijd begonnen zijn, ik zouhelemaalniet begonnen zijn, om de afdoende reden, dat ik me uit dat leerleven niets meer herinneren kan. Wel weet ik nog van de streken en ondeugendheden, die we in en om de school uithaalden, maar—is het niet leerzaam?—van het echte leerleven, waarom we dan toch jaren achtereen dag aan dag naar school gingen, weet ik zo goed als niets meer af. Ik zou geen schooldag kunnen beschrijven.

En wel een dag uit vissen? En dat, hoewel die slechts bij hoge uitzondering voorkwam, terwijl de schooldagen regel waren?

Zo is het. En hieruit ziet men, hoe dat leerleven buiten het hart der kinderen omgaat. Die kleine jeugdmensjes leiden dan ook eigenlik twee leventjes: één echt kinderleven, en een ander schijn leerleven; het eerste natuurlik, het twede kunstmatig; het eerste van binnen uit gegroeid en beheerst, het andere van buiten af opgedrongen en bedwongen; het eerste met hun volle hart, het andere met hun verplichte gehoorzaamheid. Is het wonder, dat ze zich in later jaren weinig of niets meer van dat laatste herinneren, terwijl het eerste tot in hoge grijsheid toe levendig voor den geest staat? Waar er geen innerlik contact is tussen het nodig geoordeelde leerleven—óók, o geliefde broeders van de christelike en katholieke scholen, tussen het nodig geoordeelde godsdienstige leerleven—en het waarachtige leven des harten, het groeiende gevoelsleven, daar dragen de kinderen het eerste alseen kleed, dat ze straks uittrekken en vergeten. Neen, nog minder. Daar is het leerleven hun een stuk pakpapier, waarin ze een deel van hun gevoels- en geluksleven moesten inwikkelen en dat ze straks achteloos laten vallen en wegwaaien, wanneer dat gevoels- en geluksleven onbelemmerd mag uitgroeien. Dan zwerven de oude schooldagen als verfrommelde krantenpapieren over de straat, terwijl de oude geluks-uurtjes als kostbare schatten der jonkheid worden meegedragen met dankbare liefde.

Daarom, paedagogen, als een jongen een dag uit vissen wil gaan met zijn vader, zet dan geen gewichtig paedagogen-gezicht en weiger het die jongen en zijn vader niet, maar zeg ja, en zeg dat met je volle hart, innig overtuigd, dat die jongen daar voor zijn leven meer aan heeft, dan aan het onmisbare stukje leerstof, dat hij nu uit uw methodiese gang moet derven. Vrees niet, dat hij achter zal raken. Het leren gaat zo ontzettend langzaam, dat de andere kinderen in die éne dag onmogelik zo ver vooruit komen, dat hij 't niet zou kunnen inhalen. Gun het kind zijn dag van vreugde, ook wanneer hij een ondeugende bengel is, die 't eigenlik niet verdiend heeft. Ja, sta het hem dan vooral toe. Een weigering verbetert hemnooit. Een inwilliging misschien. Laat genade voor recht gelden en ge zult eens zien, wat heerlike uitwerking dat vaak heeft.

En wanneer ge het vissen een onedel en wreed vermaak vindt, dat ge zelf niet meer zoudt kunnen smaken, zeg dan toch ja. En dat nog wel zonder dooreen preek het genot van de jongen voor die dag te bederven. Met een preek bekeert ge de jongen en zijn vader niet. En een dag natuurgenot, zij het vissende, is ook een preek van overtuigende welsprekendheid. Dat weet ik uit mijn jeugd, waaruit ik tal van andere preken glad vergeten ben. Vooral een dag natuurgenot—met je Vader.

Waarom heb ik die geschiedenis van het vissen zo in den brede verteld? Kan ik dan niet volstaan met eenvoudig te zeggen, dat en waarom het zo goed is, de jongens eens een dag vrij te geven? Zeker, maar ik moest doen uitkomen, doen vóélen, wat zo'n vrije dag voor een jongen betekent, opdat de onderwijzers, voor zo ver ze 't nodig hadden, tot instemming werden gebracht. Er zijn er nog zo veel, die bij de almacht der school zweren. En nu is het wel goed, dat we geloof hebben in de noodzakelikheid van onze arbeid, in de onmisbaarheid van onze taak, maar dat mag niet gaan leiden tot overschatting. Wie hiervan genezen wil worden, moet zich eens heel krachtig zijn eigen vroeger schoolleven indenken. Dan zal hem blijken, hoe dat als een grote eenvormigheid in de verte ligt, waaruit best een dagje en wel een weekje gemist kon worden. Vooral onze bij millimeters ineengelegde methoden voeren ons tot de overschatting van het détail, alsof met het overslaan van één schakel het hele verband ineens verbroken was. Neen, het verstand derkinderen groeit niet door onze methodiese kleinigheden. De kinderen verkeren korter of langer tijd in een stuk nieuwe leerstof, gaandeweg wordt dat hun eigendom, en soms, ineens, wordt het hun bewust. Dan breekt de nieuwe kennis door. Leren gaat langzaam, veel langzamer dan wij gewoonlik denken. Wilt ge eens echt ervaren, hóé langzaam? Herinner u dan maar even, dat het rechte inzicht in vermenigvuldigen u pas duidelik werd, toen ge deze kunst zelf aan 't onderwijzen was. Hebt ge zo iets nooit ondervonden? Toch meende uw onderwijzer vroeger heel zeker, dat ge de zaak volkomen begreept. Dat komt: hij zat toen in zijn eigen denken verdiept in plaats van in dat van zijn leerlingen. En dat zal met ons nu ook wel eens het geval wezen. Wanneer we de hersenwerkzaamheid onzer leerlingen konden meemaken, wie weet, met wat een geduld we aanstonds onze tred vertraagden, en hoe gans onbekommerd we de jongens een dag uit vissen stuurden, zo niet een week.

Maar nu heb ik nog iets anders. Bij voorbaat moeten de onderwijzers—ik bedoel de niet-schoolhoofden—me echter beloven, dat ze niet kwaad zullen worden. Want wat ik zeggen ga, is geheel in hun voordeel. Maar, sommigen zijn zo gauw op hun zelfstandige teentjes getrapt, dat een bovenmeester—zo heet de verguisde nog hier in de residentie—uiterst voorzichtig moet wezen, dat hij zelfs in zijn goedaardige vlagen de vrienden niet beledigt en tegen zich in 't harnas jaagt.

Weet ge, wat ik zeggen wou? Dat ook die bovenmeestersmaar ja moeten zeggen, wanneer een onderwijzer eens een dagje uit vissen wil gaan, nu wel niet met zijn vader, maar met zijn jongen. Uit vissen, of op een andere wijze uit genieten. Want voor een onderwijzer kan het toch ook zo'n verrukkelik ding wezen, eens een dag buiten te dwalen, terwijl de hele wereld school heeft. Ik weet natuurlik niet, of anderen net zulke boosaardige égoisten zijn, als ik, maar ik geniet het meest van een vrije dag, als anderen lekker in school zitten. Dan is het geen officiëele vacantie, en toch ben je vrij. Dan ziet de wereld er heel anders uit. Dan kijk je al in de stad de straten en mensen, ook vooral de straatventers en de winkels, met heel andere ogen aan dan gewoonlik. Dan smul je zo gemeen in het geroezemoes, wanneer je toevallig een school voorbijkomt, waarin de kinderen hardop leren of de meester luid aan 't oreren is. Dan heb je net een gevoel van een vogel. Je bent vrij te midden van een gebonden wereld. En als je dan naar buiten gaat, o naarbuiten, naar dat voor een stadsmens zo zalige buiten, dan geniet je dubbel, neen honderdvoud. Dan drink je het groen van de weiden in, of je zo ineens met een naar stilte en schoonheid dorstende ziel uit de dufheid der methodiek verplaatst bent naar de frisheid der natuur. Dan geniet je op één dag voor een jaar. Maar 't moet een weekse dag zijn, geen zondag, en geen algemeen vrije dag. Een extratje, zoals wij menschen malkaar te weinig gunnen en bezorgen.

Heb ik nu de zelfstandige onderwijzers kwaad gemaakt? Of zijn ze zo zelfstandig nog niet, dat ze nogwel zo'n dagje uit bovenmeesterlike hand willen ontvangen?

Wat is de wereld toch hatelik. Daar sist iemand me onder 't schrijven toe, dat ik niet zo kinderachtig moet zijn. Grote mensen zijn veel te degelik, vooral volwassen opvoeders, om op die wijze behandeld en besproken te worden. En verbeeldt zo'n bovenmeester zich soms, dat hij iets meer is, een halve godheid bij voorbeeld, die de arme, sjofele klasse-onderwijzer met een vrij dagje genadiglik verblijden kan?

Neen, hatelike sisser, dat verbeeldt zo'n bovenmeester zich niet. Daarvoor is de man nog zelf veel te blij, als hij er zo eens tussen uit mag trekken. Als hij zo eens alle zorgen zijner ambulante nietsdoenerigheid van zijn schouders mag laten glijden en één dagje rentenier zijn in de wije, vrije wereld. Maar waarom moest gij nu mijn goedmoedige stemming eensklaps verstoren met uw kwaadstokende sisserij?

Eén ding is gelukkig. Die stem kwam niet van buiten af, maar van binnen uit. En daardoor kan ik hem aanstonds in zijn ware aard onderscheiden. Hij is de stem van mijn eigen verleden.

Er was een tijd, dat ik inderdaad met een hooghartig veroordelend „kinderachtig” tal van gewoon menselike gevoelens en verhoudingen smalend verwierp. Wanneer toen een onderwijzer mij een dagje vrij vroeg, gingen we samen aan 't redeneren, aan 't onderzoeken, of de aangegeven reden wel een dag verlof wettigde,en dan analyseerde ik 't geval net zo fijn, dat hij tot de erkenning gedwongen werd (altans naar mijn mening), dat hier geen reden tot verlof bestond, maar.... dan was er voor hem de aardigheid ook al lang af. Zo'n redeneerziekte maakt iedereen in zijn leven door, als je zo tussen de twintig en dertig bent. Dan meen je, dat alles verstandelik te regelen is, doch loopt intussen groot gevaar alle gevoelens des harten te vermoorden en in jezelf een koude, verstandelike eigengerechtigheid te ontwikkelen, waarmee je ten slotte de omgeving verkilt.

Ouder geworden, begin je te begrijpen, dat er in de mens nog andere factoren werken dan logiese krachten, en dat een plichtsbetrachting overeenkomstig de voorschriften der principes wel eens inferieur kan wezen aan een gewoon plichtsleven, dat met blijde en ijverige opgewektheid zijn dagtaak verricht, doch óók wel eens voor een keer van die dagelikse plichten ontslagen wil zijn, zij het ook dat gestrenge, beginselvaste braafheid hier een steekje aan los vindt. Alles is niet te beredeneren. Er zijn onberedeneerbare dwaasheden, (dwaas in het oog ónzer wijsheid), die op slot van rekening rijker en vruchtbaarder zijn in levensvreugd en ook in levensdeugd, dan scherpzinnig beredeneerde verstandelikheden.

In onze tijd van strijd, ook van strijd in de onderwijswereld tussen klasse-onderwijzers en schoolhoofden, lopen we zo groot gevaar, die andere factoren uit het oog te verliezen, het persoonlike en echt menselike in de verhouding te doden, en ons te beknellenin de banden van reglements-artikelen, véél meer dan nodig is. Zeker, ik zie de gevaren niet voorbij van een eenhoofdig bewind, dat zo licht tot misbruik van macht kan leiden, maar laten we toch ook de ogen wijd open houden voor het kwaad, dat ons bedreigt van een reglementen-regering, die in uniformiteit haar heil vindt en in een contrôle van vormelikheden haar sterkte. Daarmee zijn we ten slotte allemaal achterop. Niets toch zo onrechtvaardig als een wet, die met geen individuele verschillen rekening houdt; niets zo genadeloos als een reglement, dat geen hart heeft; niets zo vrijheid dodend als een regeling, die in naam der algemene vrijheid, elke persoonlike vrijheid aan banden legt.

Mensen zijn kinderen, net zoo goed als kinderen mensen zijn. We behandelen de kinderen dikwijls te kinderachtig, vergetende dat er een zelfstandigheid in hen rijpt, en de volwassenen soms te mensachtig, vergetende dat er altijd nog een kind in hen is blijven leven. En geen mens zo voornaam, zo invloedrijk, zo verstandig en zo zedelik, of hij komt nog wel in omstandigheden, dat hij bij zijn stille wensen of uitgesproken verzoeken om een extratje heel kinderlik in zijn hart denkt: Toe, zeg maar ja.

Ik sprak daar over bindende wetten en dacht toen aan het verenigingsleven en aan centralisatie in gemeentelik-en rijksbewind. Over beide wil ik nog even doorgaan.

Het moet iedereen wel getroffen hebben, hoe de vakvereniging, ook die der onderwijzers, de persoonlike vrijheid van haar leden aan banden legt. Wie zich aan de genomen besluiten niet wenst te houden, wordt als lid geschrapt. Niet ten onrechte heeft men b.v. de Soc.-dem. arb. partij een politieke Katholieke kerk genoemd, waarin de leken niets hebben in te brengen, maar de paus of de pausen de leiding voeren en gehoorzaamd moeten worden. Daarbij vergat men echter, ten eerste, dat die leidersgekozenworden en dus de partij door haar leiders zichzelf bestuurt, en ten twede (als ik mij niet vergis), dat ook de macht in de Kath. kerk oorspronkelik uit de democratie is voortgekomen, zoals nu b.v. ook de kerkelike kiesverenigingen in de Protest. kerk, dus verenigingen van leken, van leden, de ouderlingen, de diakenen, toezieners en ten slotte door hen ook de predikanten en de synode kiezen. En dan vergeet men ook dat er niemand lid van een partij of een vereniging of een kerkgenootschap behoeft te blijven. De dwang in die verenigingen kan men dus billiken, omdat hij van onder af is opgekomen en niemand langer binden kan dan deze zelf verkiest. Het is een dwang, waaraan men zich vrijwillig onderwerpt, indien men al niet zelf heeft meegewerkt om hem in te voeren.

Anders is het echter gesteld met de Staatsdwang. Men kan niet als lid van de Staat bedanken, tenzij men lust heeft de wildernis in te trekken. Op dit gebied moet daarom de dwang zoveel mogelik beperkt worden en die kans heeft men te minder, naarmate decentralisatie te groter wordt. Om alleen bij ons lager onderwijs te blijven, in de grote steden zien we het echte schoolleven, het echte uitleven van opvoedkundige en onderwijskundige idealen, langzamerhand, steeds meer, onder de druk komen van het algemene voorschrift. We weten, hoe dat in Frankrijk de ontwikkeling van de school belemmert. Het is wellicht voor een minister van onderwijs met zijn heirleger van ambtenaren heel gemakkelik, dat voor heel Frankrijk hetzelfde leerplan, hetzelfde rooster geldt, waarbij alle kinderen van een zelfde leerhoogte op hetzelfde uur op dezelfde wijze aan dezelfde stof bezig zijn, maar voor die leerstof en die leerwijze en die leerkinderen,voor het leven en de bloei van het onderwijs, is het ten slotte verderfelik, de dood in de pot. En ook in ons land dreigt het hier en daar die kant op te gaan. De voorvechters van de republikeinse school mogen het mijnentwege winnen: als de onderwijzers in 't algemeen zo hoog staan inalleopzichten, dat ze de dagelikse leiding der schoolhoofden kunnen missen, is dat eentegelukkig verschijnsel, dan dat we er ons niet over zouden verheugen. Ieder chef moet blij zijn, als hij tengevolge der betrekkelike volkomenheid zijner ondergeschikten misbaar is geworden. Maar—laten die voorvechters niet vergeten, dat er nog een veel ellendiger chef is dan een ambulante bovenmeester: de domme, harteloze, starre, onbewegelike administratie. Met een bovenmeester—hij is toch ook een mens—is nog te spreken en ook hij staat onder de invloed van de geest des tijds, maar wie met de administratie wilstrijden, stikt in de duffe papierrommel. Daartegen hield zelfs een Multatuli het niet uit. En die was taai.

Ik wil dus zeggen: laten we bij het onderwijs ons uiterste best doen, om de persoonlike vrijheid zo ver mogelik door te zetten, zo hoog mogelik te houden. En laten de leden van Rijks- en Gemeentetoezicht ons daarbij helpen. Voor hen, ik voel en begrijp het best, is de verleiding zo groot, om in de richting der centralisatie te sturen. Al die verscheidenheid is zo moeilik te overzien en te contrôleren. Maar toch—uit die verscheidenheid spreekt het leven. En omgekeerd, het grote leven zelf met zijn eisen dwingt ons wel naar een zekere eenheid. Doch 't is zo'n groot verschil, of die eenheid gegroeid is en steeds vergroeien kan, of dat ze in elkaar is gezet als de spaken en velgen van een wiel en door een ijzeren band onbewegelik bijeengehouden wordt.

Stel u eens voor, dat het leven der huisgezinnen, de inrichting der maaltijden, de verhouding tussen ouders en kinderen minutieus door de wet geregeld werd. Dat de bemoeizucht der tirannieke vrijheidsmannen ook daar het leven tot een poppenkast maakte, waarvan de poppen mochten dansen naar het trekken der wetsartikelen. Zou het huiselik en maatschappelik leven niet alle bekoorlikheid voor u verliezen en ge liever de wildernis intrekken dan in zulk een beschaving te verstenen tot een stuk gietwerk?

Welnu, liever moet de school groeien in de richting van een ideaal huisgezin dan in die van een leger.

Het is zo goed, als we onder alle verhoudingen de vrijheid hebben tot een ja-zeggen. Ik bedoel: dat is inzedelikopzicht zo goed. Wat blijft er over van onze zedelike groei, wanneer we als machineraadjes lopenmoetennaar het ingrijpen der tanden. Wat verdienste steekt er in, overeenkomstig artikel zoveel van de wet iemands rechten niet te krenken. Wettiese braafheid is geen braafheid. Gehoorzaamheid aan de wet is iets zo geheel anders dan gehoorzaamheid aan een beginsel, dat niets te eisen heeft dan—een beetje zelfverlochening, een beetje meegevoel, een beetje welwillendheid; zo geheel anders dan gehoorzaamheid aan de zedelike eis der liefde. En zullen we niet verstarren in gereglementeerde braafheid, dan moeten we vrijheid hebben tot toestaan en weigeren.

Maar—zegt de klasse-onderwijzer—als gij, bovenmeester, zo op die vrijheid gesteld bent, wilt ge dan ons in wettelike afhankelikheid houden? Geenszins. Hoe eer de zelfstandigheid der onderwijzers wettelik geregeld is, hoe liever. Ik ben er geen greintje bang voor, wat zeg ik, ik zou me er zelf sterker door voelen. Maar ook dán nog zal er veel geregeld moeten worden bij onderlinge welwillendheid—zie slechts naar de verhoudingen op de H. B. S. en de Gymnasia. Ook dán zal van het menselike nog veel meer afhangen dan van het wettelike. En zo lang het niet zo is....

Nu kom ik wellicht in botsing met sommige collega's-schoolhoofden. Maar fiat, ik waag het er op.

Geef, zou ik willen zeggen, de onderwijzers eenmaximum van vrijheid in hun klasse. Wanneer zij met hart en ziel werken en ze willen iets liever anders dan gij, zeg dan ja. Het scheelt zo enorm veel, of iemand naar zijn eigen zin en inzicht iets mag inrichten en uitvoeren. Dan is er vaak zoveel meer ambitie. En, mijn hemel, denkt ge, dat over dertig jaar die kinderen nog weten, of ze de vermenigvuldiging zus of zo geleerd hebben?

Verdenk me niet van gebrek aan ernst, beschuldig me niet van lichtvaardigheid, wanneer ik over geschillen van methodiek en zo gemakkelik schijn heen te glippen. Doch, indien mogelik, erken met mij, dat er in de persoonlike lust en liefde van de klasse-onderwijzer—die dan toch het onderwijs moet geven—een véél belangrijker factor in 't spel komt. Het hart van die man is ja wat meer waard dan de voortreffelikste leergang en het nauwkeurigste leerplan. En zulk een vrijheid van de klasse-onderwijzer sluit volstrekt niet de invloed van het schoolhoofd buiten. Eer zou ik zeggen: integendeel.

Het spreekt van zelf, waar een ja-zeggen mogelik is, moet ook een neen-zeggen kunnen voorkomen. De Genestet heeft gelukkig geprezen, wieneendurft zeggen. En hij had gelijk. Maar juist hij, die de macht en de moed heeft omneente zeggen, hij bereikt zo verbazend veel met eenja. Dat is toch niet het ja der slapheid, maar het ja der zelfbewuste kracht, het ja van 't gelovend vertrouwen, en dit ja kan niet anders dan sterkend werken.


Back to IndexNext