En toch willen wij, dat het gauw gaat. En daarom trekken wij met onze ongeduldige vingers het plantje omhoog, doch rukken daarmee de fijne wortelvezels los, en 't plantje kwijnt. Of we plaatsen het in een broeikas, en het wordt wel spoedig groot, doch ongeschikt voor den kouden grond.
Groeien gaat langzaam. En wie dit niet gelooft, moet maar eens een paar uur bij een plant gaan kijken. Dan zal hij zien, dat hij niets ziet. En toch is de plant in die paar uren gegroeid.
Maar hij moet niet per ongeluk bij zijnkindgaan kijken, want dan wordt hij dadelijk zoo vreeselijk boos, omdat dit arme kind niet zoo gauw groeien wil. Ik bedoel verstandelijk, en zedelijk. Lichamelijk, dat is niet zoo erg. Maar verstandelijk!
Vader zit te zieden van drift, en dat simpel omdat zijn zoon die sommen maar niet begrijpt. „Maarbegrijpje dat dan niet, ezel? Wat ben je toch een stommerik!”
Ja, dat had de meester ook al gezegd, maar hierdoor was de jongen volstrekt niet ineens een heel eind opgeschoten. Hij was dezelfde stommerik gebleven, precies trouwens—als de meester en als vader zelf, die na jaren van ervaring maar niet begrijpen konden,dat groeien langzaam gaat, en dat dan nog de eene plant niet de ander is. In kinderkennis zijn deze beide paedagogen nog maar een luttel beetje gegroeid. En in zelfbeheersching nog minder.
Maar dit laatste is ook een moreel element, en in zedelijkheid groeit een mensch nòg langzamer dan in verstandelijk inzicht. Het begrijpen wil nog wel eens komen, langzaam aan, maar het kunnenlevennaar dit juistere begrip, dat valt nog zwaar. Dat eischt dan ook dikwijls een innerlijkevernieuwingvan het oude, een regeneratie. Dan moet er in ons een nieuw mensch geboren worden.
Echter, al groeit eenmenschin zedelijkheid ook héél langzaam, daarom heeft eenkindhiertoe nog niet de vrijheid. Dat zou ook wel schande zijn. En volkomen gegrond is onze verontwaardiging, dat die deugniet nòg al niet waarheidlievend is. We hebben het hem toch immers wel honderdmaal gezegd? In ondeugendheid en vrijpostigheid, o ja, daar groeit hij wonderlijk snel. Dat heb je van onkruid altijd. Maar in deugd en zelfbedwang?
Lieve vrinden, laten we nu eens héél eerlijk zijn en zeggen: Hoe gaat het met óns?
We zijn dertig, veertig, vijftig, zestig jaar geworden. We hebben het onzen leerlingen, onzen kinderen, onzen vrienden vaak voorgehouden. We zijn al bolleboozen in 't preeken—tegen anderen. Raadslieden van gezag. En hoe staat het met óns?
Zijt ge inderdaad beter geworden? Niet wijzer, maar beter? Ge hebt er uw tijd voor gehad. Kunt ge in uzelfeen voorbeeld stellen aan uw jongeren? Of zijt ge alleen zóó ver, dat ge ernstig het goede wilt, dat ge met uw diepste hart het goede wáárlijk begeert, en dat ge dageliks bidt om kracht om te vorderen, althans om staande te blijven?
Dan zijt ge al heel ver. Eigen zwakheid en slechtheid kennen, naar verbetering oprecht verlangen, en bidden om kracht in den strijd—dat is al een kostelijke levensvrucht. En hoop maar, dat, langzaam groeiende, die vrucht ook voor uw kinderen rijpen mag.
Maar denk er aan, voor de levensrust van uzelf en de levensvreugd van uw kinderen—en minderen—dat groeien, geestelijk groeien vooral, maar uiterst langzaam gaat.
Hebt gij ooit graan gemaaid in groene lente?Uw huis betrokken eer het was gebouwd?Eischt gij van 't kapitaal de volle rente,Nog eer gij 't in uw handel hebt betrouwd?En wilt ge, dat uwkindzich braaf, ervaren,En wijs zal toonen? Hoed u voor den schijn:Ook zeedlijkheid moet groeien met de jaren,Laat hem den tijd, om vroolijk dwaas te zijn.
Hebt gij ooit graan gemaaid in groene lente?Uw huis betrokken eer het was gebouwd?Eischt gij van 't kapitaal de volle rente,Nog eer gij 't in uw handel hebt betrouwd?En wilt ge, dat uwkindzich braaf, ervaren,En wijs zal toonen? Hoed u voor den schijn:Ook zeedlijkheid moet groeien met de jaren,Laat hem den tijd, om vroolijk dwaas te zijn.
Hoe hij opvoeder werd en wat de kinderwereld hem openbaarde, door Elise van Calcar, 2e druk. Met een voorrede van Dr. J. H. Gunning Wzn., Districts-schoolopziener.—Amsterdam, H. Wierts van Coehoorn. 1910.
Het is gewoonweg een schande, dat zulk een boek, dertig jaar geleden geschreven en nog wel aan het Ned. Ond. Genootschap opgedragen, nu pas herdrukt is. Nu pas. Ach, als het maar een handboek voor een of ander examen was geweest! Dan hadden de lui het móeten kopen, lezen, bestuderen—d. w. z. uit hun hoofd leren—en dan konden we nu al de 15e druk aankondigen. Dan waren de denkbeelden, er in ontwikkeld, wel niet dieper en vaster in de practijk doorgedrongen, want, gelijk men weet, hebben examen en practijk weinig of niets met elkaar te maken, maar dan was het boek toch in leven gebleven, had men het in onze tijd van opvoedkundige belangstelling niet behoeven op te diepen, en had het menig inderdaad belangstellende, die het nu niet kende, vaak gesterkt en verkwikt. Het is een mooi boek. Het iseen rijk boek. En men moest een niet-officiëele opvoedkundige als Elise van Calcar zijn, om zulk een boek te kunnen schrijven. Dit boek is niet voor de studie gemaakt. Dit boek is uit het hart opgeweld, uit een hart vol liefde en bewondering, en dat samenging met een hoofd vol kennis en inzicht.
Roerend zijn de eerste hoofdstukken. Fröbel als kind. Wist ge, dat hij zo'n bitter droevige jeugd heeft gehad? Verwaarloosd en miskend door zijn twede moeder, terzij geschoven door zijn vader. Een brave vader, die echter, als predikant, zo zeer in de zorgen voor zijn gemeente en van zijn studie opging, dat hij voor zijn kleine Frederik geen tijd had. Men ziet dit meer. Maar het blijft een groot vergrijp jegens het kind. President Roosevelt had wel gelijk, toen hij in zijn redevoeringen er op aandrong, dat men zijn naastliggende plicht niet mocht verwaarlozen om zich aan uitgebreider kring te wijden. Eerst kind en vrouw, dan stad en staat. Maar gaat het zo?
Fröbel's vader had geen tijd voor zijn kind, zijn stiefmoeder begreep het niet, en zo had de kleine Frederik een troosteloos droevige jeugd. Gelukkig—voor het nageslacht. In een reine en edele ziel wordt uit smart nooit verbittering, maar verbetering geboren. Zij zoekt anderen de smart te besparen, waaronder ze zelf geleden heeft. En zo geloof ik, dat heel wat kindervreugde in de latere „Kindergärten”—is opgebloeid uit de donkere bodem van Fröbels kindersmart.
De bladzijden over Fr.'s kinderjaren kan men echterniet lezen zonder een gevoel van wrevel jegens de ouders. Dat waren nu ontwikkelde, brave, fatsoenlike, godsdienstige mensen, maar die niettemin hun kleine jongen schandelik onrecht deden. Zulke ouders zijn er vele, ook nu nog. Daarom is het zo goed, als ze eens op een afstand en bij een ander zien, hoe schandelik onrechtvaardig en hard ze tegen hun kind zijn.
Toen Fr. een stiefbroertje had gekregen, „nam de nieuwgeborene de aandacht en de zorgen der ouders zoo geheel in, dat zij in het eerst den teruggang in Frederik's ontwikkeling niet ontwaarden—en toen die zich zoo onmiskenbaar vertoonde, dat zij elk in het oog viel, werd de schuwheid en droefgeestigheid van het teruggestooten kind, hem als een schuld aangerekend. „Wat kon de oorzaak anders zijn van zijne lusteloosheid en afgetrokkenheid dan jaloezie?”—Zoo redeneerde de stiefmoeder—„hij gunde haar kind niets—de wangunst verteerde hem—dat was een zeer leelike karaktertrek—zijn vader moest het niet door de vingers zien—en hem bij zijn thuiskomst dat pruilen en droomen eens met een goed pak slaag afleeren.” De ondeugendste bedoelingen werden aan zijne eenvoudigste daden toegedicht en dat met zulk een schijn van waarheid, dat het bij den vader geen den minsten twijfel over de strafbaarheid van het kind overliet.De thuiskomst des vaders werd van nu aan de nadering van het gericht en den scherprechter, in plaats van de vreugde des kinds. Harde woorden en zware straffen vervingen den zonneschijn, die voorlang door dreigende wolken was verduisterd.”
Is dit niet bedroevend en tegelijk ergerlik? Wat baatte die ontwikkeling, die braafheid, dat fatsoen en die godsdienst, ja vooral, wat baatte die godsdienst hier? Het arme kind merkte er niet veel van. 't Ware toch zo nodig geweest, dat de Luthersche theologant en zijn vrome vrouw bij hun godsdienst wat meer—liefde, wijsheid, begrip van 't kind, wat meer tedere zorg, wat meer toewijding, in één woord, wat meer vruchten vanechtegodsdienst hadden betoond.
„Met een diep geroerd gemoed nam Frederik zich gedurig voor recht vroom en braaf te zullen worden, maar ondanks deze oprechte godsvruchtige gemoedsaandoening contrastreerde zijn gedrag vaak zeer met zijn voornemens. Viel hij weder in eenig kinderlijk vergrijp dan liet zijn teeder geweten hem geen rust; hij kon geen oog sluiten van angst voor de straffen der hel, die ongetwijfeld zijn deel moesten worden.”
„Wat hem het meest deed struikelen was zijne rustelooze zucht tot bezigheid en onderzoek—zijne begeerte om de dingen te leeren kennen. En daar zijne moeder geen begrip had van de levenseischen van zijn leeftijd, verzuimde zij hem van die voorwerpen te voorzien, die hem gepaste bezigheid en oefening zouden verschaft hebben. Hij mocht nergens aankomen. „Overal afblijven—den boel niet omhalen,” was hare leuze.”
„Stil zijn en nergens aankomen.” Dit was echter even goed als hem alles tot de begeerlijke verboden vrucht te maken. De lust om alle voorwerpen, die hem omringden, van nabij te bezien en te betasten,werd zoo ontzettend geprikkeld door dien gestadigen strijd van alles afnemen en weer opbergen, zonder iets anders te verschaffen, dat hem bezigheid geven kon, dat onze rustelooze natuurvorscher dagelijks voor de verzoeking bezweek. Deze geheel onbestuurde lust om alles te leeren kennen, open te maken en van zijne plaats te halen, stortte hem in alle mogelijke kinderrampen en deed hem alles bederven, wat onder zijn bereik kwam. „Geene straffen, geene bedreiging hoe zwaar ook, waren in staat zijn ondoofbare aandrift tot werkdadig onderzoek te beteugelen. Wel verre van te verstaan wat de eischen van dit werkzaam karakter en de eischen van dezen leeftijd waren, zagen zijne ouders in deze onweerstaanbare aandrift niets anders dan moedwil en boosheid.”
Nu vraag ik nog eens: Wat baatte hier die godsdienst? Godsdienst moet dan toch de naaste, dus ook het kind, leren liefhebben, leren begrijpen, leren helpen. Men mag zeggen: die ouders wisten niet beter. Maar dat is voor godsdienstige mensen geen excuus. Ze hadden beter móéten weten. Hun liefde had hen moeten doen doordringen in het kind, had hen die stille smart moeten doen meegevoelen, verstaan en wegnemen. Ik kan het niet helpen, maar ik kan in al dat godsdienstig gedoe met zúlke opvoedingspraktijken geen godsdienst zien. „Aan hun vruchten zult ge ze kennen.” En nu weet ik zeer wel, dat onze godsdienst, ons geloof vaak niet sterk genoeg is, om de liefde en de wijsheid in volle kracht te doen stralen, dat ook de godsdienstigste mensen nog zondigende stumperdszijn, struikelend iederen dag, maar—hier was derichtingzo absoluut verkeerd. Hier werd het kind meer afgestoten, teruggewezen, dan aangetrokken, dan gezocht. Hier werd niets gevoeld van „Laat de kinderen tot mij komen”. Hier het lam in de woestijn niet gezocht, maar gezonden.
O, hoe heerlik is het, een kind te zien uitgroeien, zich te zien ontplooien, en hoe weldadig werkt de zon der moederliefde dan op dat in bewaakte vrijheid uitgroeiende wezentje. Dáár kan godsdienst zijn, ook al worden er geen onbegrepen gebedjes gepreveld, geen onverstane Bijbelteksten gelezen. Daar kan in Vader en Moeder de christelike liefde werken, daar kan Christus' geest zegenend heersen, daar—ook al wordt Zijn naam niet genoemd—kan Christus tegenwoordig zijn: „waar liefde woont, daar woont Hij zelf.” Maar in menige christelijke kring is Christus ver te zoeken. Hier bij Fröbel ten minste...
„hoe weldadig de schooluren in Frederik's toestand inwerkten, zij gaven hem toch de treurige ervaring, dat het elders beter was dan thuis. De tegenstelling van zijn geluk in de school en van zijne aanhoudende vervolging in huis, kwam tot een smartvol bewustzijn, en hij begon heimelijk zijne broeders gelukkig te prijzen, die op eene andere plaats werden opgevoed.”
In die school had Frederik het goed. „Daar zij echter geenszins zijn werk- en weetlust bevredigde of zijne ontwakende geesteskrachten, voldoende inspanning gaf,” zette hij op eigen gelegenheid steeds zijne natuur- en werktuigkundige nasporingen voort, op alwat hij maar machtig worden kon, proeven die ongelukkig nog altijd van een ontledenden aard waren, en hem de geduchte straffen zijner stiefmoeder en het ongenoegen van zijn vader op den hals haalden. De maatstaf, die bij deze straffen werd gebruikt, was eene gewone, maar zeer verkeerde. Zijne daden werden beoordeeld naar hare toevallige gevolgen, niet naar hare gewisse beginselen. Zulke straffen zijn allernadeeligst voor het kind, dat al het onrecht weegt, hem hierdoor aangedaan, en bij iedere straf dus meer eerbied en vertrouwen verliest, meer wrok vergadert. Konden echter de zwaarste straffen de behoefte aan werkzaamheid niet in zijn hart dooven, zij misten haar noodlottig uitwerksel niet—„zij leerden hem het geweld te ontduiken door de list—door achterhoudendheid en eindelijk door onwaarheid.” En zo bewerkte deze christelike opvoeding, althans deze opvoeding van christelike mensen, van christelik hetende mensen, dat ons oorspronkelik waarheidzoekend kind, opgeleid werd tot de duivelskunsten van list en leugen. Voorwaar, aan de vruchten zult ge ze kennen, ook de christelikheid der opvoeding.
Fröbel heeft zijn leven lang veel van „godsdienstige” mensen te lijden gehad. Geen wonder. Voor hem was, van zijn schooljaren af, „het schoone woord van Christus:Tracht eerst naar het Koninkrijk van God en zijne gerechtigheid, en alle dingen zullen u worden toegeworpen, het richtsnoer en het heil (zijns) levens,” en er is zoo buitengewoon veel „godsdienstigheid”, die met dit woord geen ernst maakt, dateen man als Fröbel voor zulke lippenbelijders wel een steen des aanstoots moest zijn. Het beste middel, om hem te bestrijden, was dan maar hem te belasteren, hem van goddeloosheid te beschuldigen. „De geestelijken (we zijn nu onder de katholieken in Zwitserland) hadden nauwelijks de lucht van het openen eener school of zij ruiden het domme landvolk op”—„de geestelijkheid werkte de uitbreiding der zaak door alle denkbare en ondenkbare praktijken tegen.” En zo deden niet alleen de katholieken. En zulke tegenstand kwam ook niet alleen van „gelovigen”. Ook van andere zijde. Maar dat maakt altijd een zoveel treuriger indruk, als in de naam van den Heiland, van den Heiland ook der kinderen, met onheilige middelen een edele zaak wordt bestreden, als de Heiland misbruikt wordt, om het onheil der kinderen te handhaven. „Het is lichter”—riep Fröbel menigmaal geërgerd uit—„dat een kemel ga door het oog van een naald—dan dat de opvoeders ingaan in het Koninkrijk van God,want niemand schendt de goddelijke wetten aanhoudender, koelbloediger en vermeteler dan de opvoeder, die met het kind doet al wat hem goed dunkt, zonder acht te slaan op de eischen van het nieuwe, jonge leven.” Juist, zo is het. En dit is een schande. Een schande voor allen. Maar de grootste schande voor hen, die in de gevel van hun schoolgebouw zetten: „Laat de kinderen tot Mij komen”, en straks binnen dat schoolgebouw door hun onkinderlik en liefdeloos drijven de kinderen tot list en leugen brengen. De godsdienst heeft de hoogsteaanspraken, maar daarom dragen de godsdienstigen dan ook de hoogste verantwoordelikheid. Tegenover Friedrich Fröbel hebben zij iets goed te maken.
Niet alleen zij.Toen de hertog van Sachsen-Meiningen Hilburghausen zijn waardering toonde met Fröbel's denkbeelden, voelden de „school-autoriteiten en vakmannen zich zeer gekrenkt. Wie was die eigenwijze man met zijn revolutionair drijven, die den ouden kalmen slakkengang wou wraken—die den zoet-vloeienden tredmolendraf in verdenking zocht te brengen? Zijn grillen inwilligen zou zijn te erkennen dat het volksonderwijsniet alleszins voldoendewas. Een zeer geacht literator, maar een onverzettelijk conservatief, die aan het hoofd stond van de zaken van het onderwijs, besloot in zijn kleingeestigheid het Fröbelsche drijven voor goed den bodem in te slaan en hij schaamde zich niet de onedelste middelen aan te grijpen. Plotseling wordt het paedagogisch gezelschap (Fröbel en zijn medewerkers) door de hatelijkste aanvallen bedreigd en door allerlei openlijke beleedigingen verguisd. In alle bladen verschenen lange en kwaadaardige artikelen tegen den avonturier van Kailhau, die het alleen op de beurzen der lichtgeloovigen toelegde... de nood klom nu zoo hoog, dat de positie te Kailhau bijna niet meer houdbaar scheen en hij door de tegenkanting en vijandigheden van de zijde der onderwijzers en schoolopzieners schier aan zichzelf begon te wanhopen.”
Men ziet, van priester en leek kwam de tegenstand. En dat duurde zo voort bijna de volle zeventig jarenvan Fröbel's leven. Eerst op 't laatst kwam er wat standvastige waardering. Doch toen stierf de man, die een smartvolle jeugd, en een leven vol strijd en miskenning, gewroken had met de liefdevolle leus te verkondigen en in praktijk te brengen: „Laat ons voor de kinderen leven.”
Het eerste gedeelte van dit opstel was bijna niet anders dan een reeks citaten, afgewisseld met uitingen van wrevel en verontwaardiging. De citaten deden zien, hoezeer Fröbel reeds van zijn kinderjaren af had geleden onder miskenning en verdachtmaking, en de uitingen van wrevel waren niet anders dan de spontane reactie's van 't mensenhart bij het zien van dergelike bejegening. We kúnnen het de mensheid niet vergeven, dat ze edele, belangeloze naturen, gelijk Fröbel, het leven verbittert en het streven schier onmogelik maakt. En te minder kunnen we dit, waar de tegenwerking vaart onder de vlag van de hoogste goederen der mensheid: godsdienst en geestesbeschaving. Aan deze beide kennen we een andere roeping toe, dan de duisternis en de dood te dienen, en als we dan bijwonen, hoe juist die machten licht en leven tegenhouden, vervult ons dit met ergernis. Er is daarbij echter één troost: niet de godsdienst, niet de geestesbeschaving verrichten dit droeve werk, maar haar bekrompen vertegenwoordigers, die, versteend in formalisme, voor de zoveelste maal de waarheid hebbengekruist en nu waken bij een ledig graf, terwijl de waarheid, opgestaan, ginds al weer predikend rondgaat, getuigend van haar onvernietigbaar leven. Voorzeker, mannen als Fröbel worden niet door godsdienst en geestesbeschaving bestreden, beide herleven in hen. En als de beeldspraak niet al te stout was, zou men kunnen zeggen: het is altijd het omhulsel van de pop, dat aan de vlinder het uitvliegen beletten wil. Maar de vlinder heeft zijn vleugels—én zijn vruchtbaarheid!—en het leege hulsel blijft liggen als zielloze stof. Wie kent nu nog de bestrijders, de tegenwerkers en lasteraars van onze onvermoeide, innig godsdienstige kindervriend? Maar de naam Fröbel kent heel de wereld.
Of zij die naam goed kent? Ach, 't is hier alweer het oude liedje. Vlechtmatjes van onberispelike afwerking dreigen Fröbel's geest te verstikken. Eén op, één neer, twee op, twee neer, steek maar toe en rijg maar toe. En de oude Fröbel schudt droevig het grijze hoofd. Priestergewaden en altaren moeten alweer voor godsdienst doorgaan, belijdenissen voor zieleleven. Steek maar toe, en rijg maar toe, één op, één neer, twee op, twee neer. De machine, de menselike machine, gaat haar eentonige gang. We zouden de vlechtende vingertjes kunnen vervangen door ijzeren staafjes, die zouden het „scheppingswerk” even goed doen, neen beter. En dan zouden die metalen stangetjes nog niet beven bij hun arbeid. Maar de kleine vingertjes? Zij kunnen trillen van inspanning, van blijde verrukking, maar ook van vrees. Een gelukkig makende arbeid ishun opgedragen. Maar wordt niet vaak de levering van een mooi werkstuk van het kind geeist? En zwoegen ze dan niet als gehoorzame slaafjes, opschrikkend bij elke vergissing? Dan is de kindertuin een fabriek geworden en de opgroeiende zieleplantjes kleine fabrieks-arbeiders, die maar liefst aan een grote staking zouden deelnemen, om in een modderplasje te gaan fröbelen op hún manier met kiezelsteentjes en drijvende plankjes. Fröbel's gedachten, ze zijnbelichaamdin zijn speelgaven, ze worden zo licht, ze worden zo vaak door zijn speelgavenvermoord. Dat is de tragedie van alle geestelik streven hier op aarde. De geest kan zich slechts openbaren in een stof, maar diezelfde stof wordt ook zijn graf.Sprichtdie Seele, dann spricht auch schon dieSeelenicht mehr.Geboorte is stervensbegin. Het systeem, waarin de gedachten tot uitvoering komen, dreigt die gedachten te ketenen, te verstrikken, te verstikken, neen, zál ze ketenen, verstrikken en verstikken. En zo gaat ook de levende en levenwekkende Fröbel in zijn eigen systeem ten onder.
Herhaaldelik waarschuwt Mevr. van Calcar er tegen, dat men toch niet de betekenis van Fröbel moet afleiden uit het geestdodend fröbelen, dat men veelvuldig op Fröbelscholen ziet. Het „werktuigelijk namaken” heeft met Fröbels geest niets te maken. „Waar de kinderen niet zelf uitvinden en nieuwe patronen afleiden uit de voorgaande, waar zij nietzonder voorbeeldenvlechten en teekenen, daar wordtFröbel's methode niet aangewend, al waren er kasten vol speelgaven—en al stond zijn naam met reuzenletters boven de deur.” En Dr. Gunning, die het boek met een „Voorrede” inleidt—en warm aanbeveelt!—schrijft: „wat wij van Fröbel te leeren hebben, dat is niet in de eerste en voornaamste plaats het zoogenaamde „fröbelen”, of wat daarvoor doorgaat, matjesvlechten, erwtenwerk en dergelijke, integendeel, dit alles moet aan grondige kritiek worden onderworpen, en dan blijkt er veel bij te zijn, wat geen stand houdt.”
We zien hier, dat bij uitstek deskundigen, wie het waarlik niet aan verering van Fröbel ontbreekt,eenfiasco erkennen. Maar tusschen beider mening openbaart zich een belangrijk verschil. Mevr. van Calcar zoekt een mislukken in de practijk uitsluitend bij de onkundige en oppervlakkige navolging. Wie zich goed inwerkt in het systeem van oefeningen en zich ernstig laat voorlichten door Fröbel's bedoelingen, zal zien, „dat de hulpmiddelen van Fröbelvolledig zijnen alles bevatten, wat de kleinkinderschool behoeft. Fröbel's oefeningen leveren, als ze alle opgenomen en toegepast worden, een voldoende gymnastiek voor alle leden en voor alle zintuigen.” „De Methode ligt dan vóór ons als een harmonisch geheel, als een volkomen organisme, waarin Fröbel's grondideeën volkomen in heerschen,” zij heeft het dan ook niet erg op verbeteraars begrepen, „omdat (zij) van deverbeteringender Methode nooit iets gezien (heeft), dat der moeite waard of zelfs maar heilzaam en verkieslijk was.” Zij staat„hier dicht aan de zijde van de beroemde discipelin van Fröbel, Mevrouwvon Marenholz, die overal waar zij kindertuinen aangelegd en onderwijzeressen gevormd heeft, op een nauwgezette studie en stipte naleving van Fröbels praktische aanwijzingen heeft aangedrongen.” En al „spreekt het ook (bij haar) van zelf, dat er van geen slaafsche naäperij of werktuigelijke navolging sprake mag zijn,” toch—„bedenke men wel, om Fröbel te verbeteren, moet men aan hem gelijk, zoo niet grooter zijn dan hij—en hij was zeer groot in wijsheid en veelomvattende kennis van den mensch en van de gansche natuur. Zijne Methode is de rijpe vrucht van veeljarige gedachten, veelzijdige ervaring, vergelijking, proefneming met een groep van een half dozijn geniale geleerden, die hun beste krachten jaren lang op hetzelfde doel gericht hebben.” En daarom durft zijn bewonderaarster vragen: „Zoude het dus niet voorzichtiger zijn, ook ter wille van de eenparigheid van het werk in ons land, dat wij ons nederig aan de voeten van den menschkundigen leeraar neerzetten, dan wellicht door een overhaasten misgreep zijn diepe wijsheid in het schoone plan te verminken?” De vraagster heeft recht tot spreken: niet alleen heeft zij zich geheel in Fröbel ingewerkt, ze heeft zijn Methode „van de kinderen en met de kinderen practisch geleerd.” Ze heeft alles met volle toewijding aan de practijk getoetst, aan de practijk ontleend.
Niet aldus instemmend, zij het niet minder bewonderend, betuigt zich Dr. Gunning. Deze schrijft—maar hierbij mag niet vergeten worden, dat we intusschen30 jaar verder zijn—onze Dr. Gunning schrijft dan: „Het is zoo waar, watStanley Hallzegt in zijn artikelThe ideal school on the basis of Child Study: „we moeten elke praktische uitdrukking zijner (d. i. van Fröbel's) denkbeelden van den grond af weder opbouwen.””En van de Fröbelschool sprekend, verklaart dezelfde veelziende schoolopziener: „daar wordt zijn leer althans met den mond beleden.” Uit beide aanhalingen blijkt, dat Dr. G. niet alleen met Mevr. v. C. een averechtse practijk veroordeelt, maar zijn afkeuring, evenals die van de Amerikaanse hoogleraar, ook Fröbel's eigen arbeid treft, „elke practische uitdrukking zijner denkbeelden.” Wanneer we deze immers op nieuw „van den grond af moeten opbouwen”, blijft er van het bestaande zo „schoone en harmonische” gebouw weinig meer over. Maar toch, „wij mogen geen syllabe van de kostelijke positieve philosophie van Fröbel, dien diepzinnigsten van alle moderne paedagogische denkers, verloren laten gaan,” erkent Dr. G. met St. H., en een eindje verder belijdt hij volmondig, „wat wij van Fröbel hebben moeten, dat is zijn geest, zijn opvattingen, zijn kijk op de kinderen, zijn grondbeginselen van opvoeding en onderwijs, in één woord: zijn paedagogiek. Wel verre dat deze zou hebben uitgediend, begint zij eigenlijk pas eerst tot haar recht te komen, dank zij de moderne Kinderstudie (Paedalogie), die slag op slag Fröbel's denkbeelden komt bevestigen, maar geenszins Fröbel overbodig maakt, omdat zij ons te veel laboratoriumproducten levert, die eerst na duchtige paedagogischebewerking voor de school bruikbaar gemaakt kunnen worden.”
Alzo, in volle waardering van Fröbels opvoedkundige beginselen gaat de oude wereld met de nieuwe, gaan wetenschap en ervaring, gaan vorsende mannen en uitvoerende vrouwen hier hand aan hand. En de vragen dringen naar voren: Welke zijn dan Fröbels beginselen? Hoe zijn die in hem ontstaan? Waardoor zijn die door Fröbel zelf verkeerdelik toegepast? En hoe moeten ze dan in practijk gebracht worden?
Al hebben wij, Nederlandse onderwijzers, het boek van Mevr. v. C. in benepen domheid maar simpelweg genegeerd, vermoeid en versuft als we waren door het klimmen langs leertrappen en dwalen door leergangen, door het analyseeren van al maar meer methoden, totdat we van louter methoderigheid niet meer wisten wat eigenlik methode was en hoeinhet kind de beste methode leefde en werkte; al hebben wij, Hollandse paedagogen, dit vrouwenboek over de Bewaarschoolheilige maar links laten liggen, verzekerd als we waren, dat we de juiste beginselen volgden en ons nu slechts op vervolmaking van de theoretiese praktijk hadden toe te leggen, totdat onze wijsgerige theorie de praktijk geheel had doortrokken en bedorven; al hebben we dus geen nota genomen van dit boek over het kind Friedrich Fröbel, dat zijn leven lang kind met de kinderen is geweest en ook kind tegenover de volwassenen—het verbaast ons nietdat het buitenland beslag heeft gelegd op dit Nederlandse werk en men het de eer ener Duitse, ener Italiaanse vertaling waardig keurde. Mevrouw van Calcar heeft het zich toch niet gemakkelik gemaakt en de bizonderheden der levensbeschrijving weten te verenigen met de openbaring en groei der opvoedkundige beginselen. Wie deze laatste weten wil, hij hoeft ze niet te zoeken. Bijna het gehele boek door dwarrelen ze om u heen, het heldere, warme, doch ook degelike en zaakrijke boek.
En welke zijn dan die beginselen?
Laten we een ogenblik naar Mevr. v. C. luisteren, dan zitten we er aanstonds midden in:
„Fröbel's ervaring had hem geleerd, dat het met de opvoeding over het algemeen nog hoogst gebrekkig gesteld was en dat slechts weinige onderwijzers de kweekelingenvoor het leven vormden—dat de school aan het kind den noodwendigen geestelijken teerkost, de noodzakelijke reispenningen niet wist mee te geven op de levensreis—ja, dat de gewone schoolsleur de jonge lieden eer stompzinnig en oppervlakkig, gedachteloos en werktuigelijk maakte dan de zielsvermogens te ontwikkelen, de geestkracht te schragen en die klaarheid en zuiverheid van inzichten en begrippen mede te deelen, die onmisbaar zijn om met vrucht tot hoogere studiën over te gaan of zich met goed gevolg op eenig beroep toe te leggen. Hij zag dat de oorzaak van het mislukken van zoo menige opleiding, het niet slagen van jonge lieden, die oorspronkelijk een goeden aanleg hadden, dikwijls alleen in de slechte methodevan werken en in het gehalte der hun geboden leerstof moest gezocht worden.
„Wat er dan ook in Fröbel's dagen van verbetering en vooruitgang in het schoolwezen mocht geroemd worden door de vakmannen, die elkander om strijd bewierookten, Fröbel bleef er bij, dat men nog altijdin een geheel verkeerd spoor wasen op menig punt geheel averechts te werk ging en dat men tot geen gewenschte uitkomst voor het volksonderwijs zou komen, zoo men niet tot eene genetische ontwikkelingsmethode overging, die met den innerlijken ontwikkelingsgang van het kinderleven gelijken tred houden en er geheel aan beantwoorden zou. Hij merkte op, dat men een zeer knap en afgericht en volgepropt scholier kan zijn en toch een onbruikbaar mensch worden, daar al de geleerde kundigheden het karakter niet vormen, den wil niet richten, en dat dit doel alleen door en methandelente bereiken is. Tot handelen, tot voortbrengend, tot scheppend handelen geeft de school geen gelegenheid. De leerling is te passief, de meester te actief; het kind ontvangt, hij neemt op; hij wordt een magazijn van wetenswaardige dingen, waaronder zijn eigenikvaak diep bedolven ligt, met onbegrepen gaven en onontwikkelde talenten.
„Tot hiertoe had menscholierengekweekt. Fröbel wildemenschenvormen.Niet de schoolmoest men in de eerste plaats in het oog houden, maar hetkinden zijnlevensbehoefte.
Daarom antwoordde hij op de vraag: „Wat wilt, wat zoekt gij dan toch eigenlijk?”
—„Juist het tegenovergestelde van wat tot hiertoe in het opvoedings- en onderwijsvak geschiedt.”
„Hij was overtuigd dat er slechts in den door hem ontdekten weg recht kon gedaan worden aan de heerlijke gaven, waarmede de menschheid zoo ruimschoots begiftigd is, maar die te vroeg verdrongen en verstompt en doodgewerkt worden, onder het gewicht van al het aangeleerde, opgezegde, nageklapte, dat als onverteerbaar geestesvoedsel is ingestompt.”
„Deze zijne overtuiging door daadzaken te bevestigen en door de praktijk te bekrachtigen, achtte hij zijn duurste plicht aan zijn vaderland en aan de menschheid. Hij zag duidelijk in datPestalozzi, met al het voortreffelijke van vele zijner denkbeelden in leerwijze en opvoeding, de allesherscheppende grondgedachtennog niet begreep of zich die toeëigenen en verwerken kon.”
„Hoewel hij hem als de grootste praktische opvoeder van zijn tijd waardeerde, voelde hij toch dat er nog een zeer groote leemte in zijne wijze van doen was, daar hij zijne middelen veel te willekeurig en naar het toeval koos en ze te ruw aangreep, terwijl hij zich niet regelmatig methodisch door de innerlijke wetten des levens en der ontwikkeling beheerschen en voorlichten liet.”
„De openbaring van alle leven is kracht, is beweging—is de daad!Van de daad, van het doenwilde Fröbel alle verdere menschelijke ontwikkeling afleiden;met handelen zag hij elk kind zijn eigen opvoeding en zelfonderwijs beginnen en voortzetten—op dedaadkracht moeten wij dus ook alles gronden, daardoor alles laten opwassen, omdat elke daad oorspronkelijk onderrichtend, sterkend, scheppend, voortbrengend is in zich zelf.”
„Leven—handelen—kennen—moeten voor den mensch eigenlijk altijd een samenstemmenden drieklank vormen voor zijn bestaan, maar allermeest in de opvoeding.”
Me dunkt, dit is duidelik genoeg. Toch wil ik nog een klein stukje overschrijven. Men zal er, evenals in het voorgaande, een kritiek op onze nog huidige kinderbehandeling, een aanwijzing voor een betere opvoedingswijze in vinden. Het is ook nu nog: kinderen indrukken, kinderen modelleren, kinderen wringen in een klaargemaakte vorm en daarmee de oorspronkelikheid, het eigene doden. Maar wat zei Fröbel?
„Elk nieuw geslacht is een groote schat voor de menschheid, elk nieuw kind een groote schat voor zijne familie. Het nieuwe kind en het nieuwe geslacht verschijnen niet in ons midden als ledige vaten, die wij zoo snel mogelijk met ons brouwsel hebben vol te gieten; het kind, elk geslacht brengt ook een eigen licht mede; het zal veel van ons moeten ontvangen, maar het heeft ook iets te geven. Het is op zich zelf een fontein van krachten, die wij niet kennen, maar waarin wij gelooven en die wij eerbiedigen moeten en plaats gunnen.”
„Onderwijzers verwachten dikwijls alles en alles van de school, de wetgevers en leiders alles en alles van het onderwijs.Leerenis het wachtwoord der eeuw, leeren en leeren en leeren—ja, mits niet enkel uit de boeken, mits men bovenal het kindleere te leven, hem gunne te leven.”
„Wij leven maar voor zooveel wijhandelen. Wij leven meer en dieper in hetgeen wijkunnendan in hetgeen wijkennen—meer bij hetdoendan bij hetwetenen het is deveelweterij, die met dekunst van te leveneen fellen kamp heeft ondernomen—zoo zelfs dat aan velen de heugenis van 's menschen oorspronkelijken rijkdom en aangeboren krachten begint te ontgaan.”
„Dat de mensch iets zou kunnenmaken, zonder hetna te maken, iets zou mogenzeggen, zonder hetna te zeggen, ietsdenken, zonder dat anderen het hemvoorgedachthebben—dat ligt buiten den gedachtenkring van zeer vele mannen en vrouwen van het onderwijs, want in waarheid—de beschaving is bezigde oorspronkelijkheid uit te wisschen, de individualiteit te vermoorden. Wij moeten hooger over de waarde van den mensch, de waarde van elk mensch leeren denken. Wat maakt den ontdekker groot? Dat hij iets opgemerkt heeft, wat geen ander had opgemerkt. Wat maakt den uitvinder beroemd? Dat hij gedacht en gedaan heeft, zooals geen ander tot hiertoe gedacht en gedaan had. Hij heeft zijn eigen zinnen durven en kunnen gebruiken, zijn eigen gedachte en vinding laten werken buiten alle handboeken om. Hij is zichzelf geweest en zijn innerlijk licht heeft een nieuwen straal op de menschheid geworpen.”
„Wij zullen niet zoo zelden een uitvinder, een ontdekker, een geniaal kunstenaar in ons midden zien opstaan, als wij de kinderen gelegenheid geven om zich zelf te worden—om zelfstandig te handelen—zelf te zoeken, zelf te vinden.”
„Bedenkt het wel, o onderwijzers en onderwijzeressen, de kunsten en wetenschappen zijn geboren voordat er scholen en hoogescholen waren. Het is de mensch, die de school schiep—maar de school kan en mag den mensch niet onderdrukken. Zij moet den mensch dienen, niet belemmeren—daarom moet zij natuurlijk naar de levenseischen des kinds zijn ingericht. Is zij dat? Fröbel voelde diep dat zij het nog lang niet was, dat zij het echter worden kon en worden moet.”
Het gaat bij Fröbel dus om hetdoen. Geen woorden, maardaden. Ook niet kijken, maardoen. En dan nog niet eens nadoen, maarzelf-doen. „De aanwezigheid van den heerlijksten tuin zal de oude bewaarschool nog niet tot den Fröbelschen kindertuin maken. Het verschil daartusschen is even groot als het verschil was tusschenPestalozzien Fröbel, dat is, tusschen hetaanschouwelijkonderwijs en hetwerkdadig—tusschen hetvoordoenen het zelfuitvinden—het laten namakenenlaten ontdekken.”
Vooral deze laatste opmerking, dit onderscheid tussenPestalozzien Fröbel, is kenschetsend voor het streven des laatsten. Niet in het zien en bezien, zelfs niet inhet tasten en betasten, ruiken en beruiken moet de onderwijsmethode geleid worden, maar in het zelfstandig handelen der kinderen. En hiermee kunnen we, in hoofdzaak, vrede hebben. Gaan we na, hoe wij, volwassenen, leren, hoe wij geestelik groeien, dan is het doorleven, door de verplichting om met allerlei menschen en dingenom te gaan, in allerlei verhoudingenop te treden. Ons innigste, eigenste, zuiverste bezit, we danken het niet aan de woorden van anderen, ook niet aan de voorbeelden, door anderen opzettelik of onwillens gegeven, maar aan onze eigenervaring, aan hetgeen weondergaanhebben bij hetuitlevenvan onze persoonlikheid. En dituitleven, het was geennaleven, het was een ontplooiing van de inwonende krachten, een ontspruiten en uitgroeien van de aanwezige levenskiem. Wat van buiten kwam, was voornamelijk prikkeling tot het opwekken dier krachten, en voedsel om de plant te doen groeien, maar dit voedsel had alleen waarde in zooverre het werd aangenomen, opgenomen, verwerkt. Niet wat aangebracht, zelfs niet wat ingebracht, maar wat gegrepen en verwerkt werd, had betekenis voor ons. Het andere was maar belemmering.
In hoofdzaak kunnen we dus met Fröbel meegaan. „Het kind moetwerkenen de onderwijzertoezien.” Of daarvan echter zulke schitterende gevolgen verwacht mogen worden in vermeerdering van ontdekkers en uitvinders, in nieuwe lichten voor de mensheid, zo, dat schier iedere mens zijn eigen straal verhelderend in de wereld zendt, dit is een andere vraag.
We behoeven niet ver te zoeken, wanneer we de bron willen opsporen van Fröbel's hoofdbeginsel in de opvoeding. Daartoe hebben we slechts zijn jeugdervaringen te raadplegen. We weten het: „Overal afblijven—den boel niet omhalen,” was de leus zijner stiefmoeder. „Stil zijn en nergens aankomen”, haar wachtwoord. En wanneer hij op eigen gelegenheid „zijne natuur- en werktuigkundige nasporingen voortzette, op al wat hij maar machtig kon worden, proeven die ongelukkig nog altijd van ontledenden aard waren”, liep hij daarmee „geduchte straffen zijner stiefmoeder en het ongenoegen van zijn vader” op. Hij had een onbedwingbare lust totdoen, maar werd totnietsdoengedoemd, totmisdoengedreven. De domme paedagogiek van zijn ouders was oorzaak van een onzalige jeugd, had oorzaak kunnen zijn van een zedelike mislukking, doch werd de oorzaak van een heilzaam streven. Uit het kwade werd het goede geboren.
Biecht eens eerlik op, ouders, bij hoe velen uwer is nog, nú nog, de leus: „overal afblijven—den boel niet omhalen,” en hoevelen uwer straffen hun kinderen nóg voor een noodlottig stukmaken door de naar werkzaamheid zoekende vingertjes? Beoordeelt en kastijdt ook gij uw kinderen niet vaak naar de onbedoelde gevolgen, in plaats dat gij ze schat en zelfs prijst naar hun ernstig en eerlik onderzoekend pogen?
Wat mij, èn bij Fröbel's ouders en bij honderden van hunsgelijken steeds bevreemdt, is het feit, dat aldie volwassenen zo volkomen hun eigen jeugd vergeten zijn. Of ze hebben 't goed gehad, en moesten in een blijde jonkheid reden genoeg hebben, om ook hun kinderen te doen genieten van die eerste levensvreugden. Of ze hebben 't slecht gehad en moesten in een kommervolle jeugd aanleiding vinden, 't hun kinderen beter te geven. Hebben zij zich, in 't laatste geval, die ouderlike onrechtvaardigheden indertijd niet zo sterk aangetrokken, en menen ze nu achteraf wellicht, dat die strenge bejegening wel heel goed voor hun vorming was? 't Schijnt wel zo. Anders zouden er geen Fröbels nodig zijn geweest. Van geslacht tot geslacht zouden de mensen eigen kinderervaringen hebben omgezet in zuiverder opvoeding, en er zou geen Friedrich Fröbel uitblinken als begrijpende en liefhebbende kindervriend te midden van duizenden officiëele en niet-officiëele opvoeders.
Neen, niet alleen zijn kinderleed was oorzaak van zijn levensstreven. Ook zijn gevoelig, zijn liefdezoekend en liefdegevend hart. Menig kind ondergaat dezelfde jammeren, maar groeit er onverschillig en vrolik door heen. De ontgroeningspraktijken worden niet alleen in het studentenleven spoedig vergeten en straks op nieuwe slachtoffers genadeloos toegepast. Ook de opvoeders, ook de ouders houden er vaak zo'n door de gewoonte gewijde, neen, door liefde-arme onnadenkendheid gehandhaafde ontgroeningskuur op na. En evenals onder de academiese jongelingschap, het zijn de teergevoeligste harten, die het smartelikst lijden onder die ruwheid en dwingelandij, maar diestraks dan ook het vurigst ijveren voor verbetering ten bate van wie na hen komen.
Fröbel's opvoedingsprincipe dankte hij aan zijn jeugdervaringen, zeker, maar toch daarnevens aan iets anders—aan de in hem werkende liefde, die zocht naar het heil der kinderen. Te Rudolfstadt sprak hij op een onderwijzersvergadering: „Ik arbeid daarvoor, dat het Christendom verwezenlijkt worde onder de menschen.” Wie dús zijn levensarbeid opvat, wordt—al bereikt hij natuurlik zijn doel niet—een zegen voor de mensheid en de kinderwereld. Hij zoekt, en vindt.
Fröbel zocht en vond. En mij dunkt, we doen hem geen onrecht, als we van hem getuigen, dat hij delevendemens en dus ook hetlevendekind weer vond, weer terugvond. Dit klinkt wellicht zonderling. We behoeven echter onze eigen tijd, onze eigen wereld maar te zien, om te begrijpen, dat dit niet zo zonderling is.
Als we de opvoeding, of wat daarvoor doorgaat, in menige kring raadplegen, blijkt het al gauw, dat men in de kinderen en ook in de mensen geen levende wezens ziet. Ze zijn van klei, poppen van klei, met een inwendig mechaniek. Die poppen kunnen gekneed worden naar onze zin, dat mechaniek in werking gesteld naar onze lust. Poppen met een werktuig er in—een soort automaten dus.
Het is verwonderlik, hoe onnozel vele opvoeders, ook vele onderwijzers zijn in deze materie. Ze gevoelen inzichzelf, dat ze, ondanks allerlei dwingende krachten van buiten af, iemand zijn, dat er iets eigens in hen leeft. Als ze in hun handelen en spreken zich richten, zich richten moeten naar de heersende machten, handhaven ze in hun denken toch hun eigen geestelik leven. Ze koesteren een innerlik willen, en scheppen, waar het gebied der werkelikheid hun ontzegd is, in hun verbeeldingsleventje een eigen wereldje. Uiterlike slavernij kan maskeren, maar niet dooden hun innerlik leven. Dat ervaart ieder voor zichzelf. Maar niettemin, nauweliks treden deze menschen als leiders, als opvoeders, als machthebbers tegenover anderen op, nog wel in het belang dier anderen, of ze vergeten, miskennen altans eigen ervaringen en doen precies, of hun kinderen, hun minderen géén eigen leven hebben. Ze leggen het zwijgen op, dwingen tot stipte navolging van voorschriften, noodzaken tot doen (liefst ook tot denken) op bevel, en willen van de levende naturen gehoorzame werktuigen maken. Een bedriegelike kwekerij van huichelaars.
Deze algemene, maar toch domme heersersmanie, schijnt voort te vloeien uit een kortzichtige overschatting van eigen inzichten. Men merkt haar in 't klein en in 't groot. Bij rechtzinnigen en vrijzinnigen. Bij behouders en hervormers. Zij is het illiberale bij de liberalen, zij veroorzaakt de onverdraagzaamheid der vrijdenkers. Ge moog vrij-denken—op mijn manier. Wanneer ge u vrijwillig houdt aan uw Bijbel, aan uw Kerk, zijt ge door mij reeds veroordeeld tot een domper. Ge moet, zo niet mijn leer, dan toch mijn beginselen,mijn methode onderschrijven. Aldus eist de vrijdenker. Hij zou, hadde hij de oppermacht, zijn vrijdenkersideaal de wereld—opleggen. Zoals men het kan bijwonen van anarchisten, die geen regering dulden dan—de hunne! Weg met hen, die niet vrij willen wezen onder onze dwinglandij! In naam der vrijheid—naar de guillotine! Elke kop af, die niet vrij kan denken—als de onze!
Het is een wonderlike wereld. Kerkeliken en niet-kerkeliken geven in de geschiedenis elkaar niets toe in heerszieke onverdraagzaamheid. En dit bewijst voor mij de armoede aan geloof. Die geloven, haasten niet. Die vertrouwen, dwingen niet. Doch men haast naar de macht. En dan dwingt men tot volgen. Zo doet men in 't groot, en in 't klein. We kunnen geen andere levensuiting verdragen, dan de onze. Maar—zo dwingen we het leven naar de dood. Gelukkig geen volslagen dood. Een rijke plantenwereld mag verharden tot steenkool, in die kool is zonne-energie geweest, toen de plant nog leefde, en die zonnekracht is er in gebleven, door alle eeuwen van duisternis of stilstand heen. En eenmaal is gekomen of komt de mens tot dat versteende leven, roept de slapende krachten wakker en daar ontstaat een nieuwe wereld uit de schijnbare vergane oude. Een wonderwereld, stoom en elektriciteit leeft en schittert boven de verstijfde en donkere koollagen in de diepte der aarde. Nieuw leven, neen oud leven treedt verjongend op. Maar eerst moet de spade worden in de grond gestoken, het houweel botsen tegen de zwarte rots.
Fröbel zag het licht in de duisternis, het leven in de verstening, de zon in de nacht. Hij riep, gelovend in het leven, dat leven te voorschijn. En naar de wetten van dat leven zou hij nu de ontwikkeling leiden, de opvoeding inrichten.
Juister en mooier kan het zeker niet. Bestudeer het leven, ontdek de wetten waarnaar het zich ontwikkelt en volg die. Zo doet men ook met de onbezielde natuur—en een wondervolle cultuur van planten en dieren, een sprookjesachtige wereld van werktuigen ontstaat onder ons oog, onder onze leiding. En zo wil de socioloog ook doen met het samengestelde organisme, dat maatschappij heet. Ook deze natuurverschijning vormt zich en groeit uit naar heersende wetten, en wie dus de maatschappij in haar ontwikkeling wil bevorderen, moet de wetten leren kennen om dan al zijn maatregelen te nemen in overeenstemming met die wetten. Geen regeling van natuurleven buiten en dus tegen de daarin werkende wetten om. We moeten die wetten als 't ware in de hand werken, de natuur niet in haar eigen leven en streven belemmeren.
De beschouwing schijnt juist en mooi. Er zijn echter enige moeilikheden aan verbonden. Wie durft beweren, dat—laten we alleen bij Fröbel blijven—al de tegenstand, de onverschilligheid, de laster, waarmee hij te kampen had,nietwas naar heersende wetten in het leven der mensheid, dus der natuur? Wanneerhonderden en duizenden van Fröbel's voorgangers en tijdgenoten de kinderen knelden in banden van conventie, hen dom hielden met een papagaaienopvoeding, hen dwongen naar leugen en list, was dit dan misschien een wijze van doen, geheel vreemd aan de menselike natuur en liggende buiten haar wetten? Maar overeenkomstig welke wetten was dit „verwaarlozen van de wetten der natuur” dan wel? Men kan toch bezwaarlik spreken van een menselike willekeur buiten echt-menselike invloeden, dus buiten natuurmachten om. Dat zou zo iets wezen van een buitenissigheid, een stuk leven buiten het leven, een stuk natuur buiten de natuur, dus een ondenkbaar ding. We spreken zo gemakkelik van een opvoeding volgens de wetten der natuur, maar dan schakelen we in onze beschouwing maar even gauw alle factoren uit, die niet passen inde—ik bedoelonzewetten der natuur, in de door ons gewenste, door ons slechts geziene en erkende. En heel wetenschappelik redenerende overdenatuurwetten, zitten we midden in ons eigen willen. We maken een natuur naar onze wensen, werken volgens wetten die in onze verbeelding een onaantastbare autoriteit hebben. En—we worden teleurgesteld. Natuurlik. We hadden onsnietaan de natuur gehouden.
Een mens is zo knap in het weggochelen van hetgeen niet in zijn beschouwing past. Er zijn niet alleen in Zuid-Afrika struisvogels, die hun kop verbergen om de dreigende gevaren niet te zien. We hebben aan het onwelkome slechts den rug toe te wenden, en hetbestaat niet voor ons. Maar achter die rug blijft het niettemin leven en werken, ons eenzijdig streven bestrijden. En nu behoeven we bij deze blindheid voor het ons niet passende nog geenszins aan bewuste, opzettelike zelfverblinding te denken. Zelfbedrog zou geen zelfbedrog wezen, als we ons er van bewust waren. Maar de bekrompenheid van onze aanleg, de beperktheid van onze geestelike blik, de eenzijdigheid van ons willen veroorzaakt, dat we niet anders kunnen dan—falen. We hebben slechts ónze kijk op de dingen en dat is de kijk van iemand, die niet buiten zichzelf kan treden, die dus in al zijn beschouwingen blijven moet binnen het enge cirkeltje van zijn eigen persoonlikheid. Daardoor zal ons zien, ons denken, ons doen, daardoor zal al ons werk onvolkomen zijn. Daardoor, wanende te slagen in strenge gehoorzaamheid aan de natuurwetten, mislukken we door eigen kortzichtigheid, door het verwaarloozen van enige factoren in het natuurgebeuren, die we bij het opmaken van ons product eenvoudig niet hadden meegerekend.
Het schijnt mij toe, dat Fröbels reactie op de heersende opvoedingswijze, dat zijn opvoeden door doen, door scheppend doen, niet vrij was van een eenzijdigheid, die haar geen onbeperkt succes kon waarborgen. Wanneer onze ontwikkeling alleen beheerst werd door hetgeen we deden, en dan nog wel door hetgeen wededen met eigen beeldend vermogen, zou het er met die ontwikkeling treurig uitzien. Fröbel mocht zich verklaren tegenPestalozzi's beginsel van aanschouwing, hij kon toch niet blind zijn voor het feit, dat een overgroot deel van ons geestelik bezit alleen door aanschouwen wordt verworven. En hij mocht terecht de alleenheerschappij van het woord bestrijden, hoe zou hij heel het rijke materiaal van de geschiedenis der mensheid, heel de wijsheid van het voorgeslacht onder het bereik der leerlingen brengen zonder dat gesmade woord? Een opvoeding, die met terzijdestelling van woord en aanschouwing, alleen de scheppende daad als middel aanwendt, moet noodzakelik tot geestelike armoede leiden, hoezeer dan ook door de samentrekking der geestelike krachten op beperkt gebied karaktersterkte mocht worden gewonnen. Woord, aanschouwing en daad moeten samengaan; aanhoren, zien en nadoen zijn onmisbaar, zal het kind niet, wat het aan intensiteit van karakter wint, moeten inboeten met een al te beperkte geestelike horizon. Hiermee is natuurlik de superioriteit van het doen niet gelochend, slechts zijn alleenheerschappij veroordeeld.
We kennen allen de mooie gelijkenis van „Een zaaier ging uit om te zaaien”. Zonder de woorden van Jezus, zonder het overbrengen dier woorden door de evangelisten, hadden we haar nooit vernomen. En geen mens, geen kind blijft buiten haar verlichtende en waarschuwende invloed, als we navertellen, hoe een deel van het zaad op den weg viel en door de vogelen des hemels werd opgegeten, hoe een ander deel op desteenrots viel en daar verdorde, hoe weer een ander deel verstikt werd door de doornen die er mee opwiesen, maar hoe ook een deel, in goede aarde gevallen, honderdvoudige vrucht voortbracht. Hoe zouden we, zonder het woord, ooit deze schone en ernstige gelijkenis hebben genoten en ter harte kunnen nemen?
Nu is er een plaat, uitgegeven door Callenbach te Nijkerk, waarop de inhoud van dit verhaal is veraanschouwelikt. In 't midden schrijdt rustig en met ernstig gelaat een zaaier, zijn zaad uitstrooiend ter zij van zijn pad, en om die hoofdfiguur heen zien we vier kleinere voorstellingen, die het succes van zijn arbeid vertonen: links boven pikken de vogels de korrels op van de weg, rechts boven verdroogt het zaad op de kale steenen, links beneden zien we slechts hoog opgeschoten doornen en distelen, rechts beneden slanke halmen met lange en volle aren, overbuigend van zwaarte. Die plaat was in een kamer, waar les gegeven werd in Bijbelsche geschiedenis, aan de wand gehecht, en toen een der leerlingen de vier groepen zag, om de hoofdfiguur geschaard, riep het kind opeens, spontaan: „Nu zal ik die geschiedenis nooit weer vergeten, kijk, jeziethet voor je, vogels, stenen, distels en aren, en de zaaier in 't midden.”
Dat is de waarde der aanschouwing. Zij maakt het woord aanstonds helderder, sprekender. Aanschouwing is eenmededeeling, niet minder dan het woord, maar zij spreekt in vormen en in kleuren, in stede van in klanken. Zij zegt iets tot de ogen, waar het woord zich tot de oren richt. En waar de mens beide zintuigenheeft, en velen—de visuelen—gemakkeliker en nauwkeuriger opnemen door het oog dan door het oor—de auditiven—, zou het een schromelike miskenning van onze organisatie en een onrechtvaardigheid jegens veler aanleg zijn, wanneer de aanschouwing buiten opvoeding en onderwijs werd gehouden. De plotselinge uiting van het kind bij de plaat is een opvoedkundige les, die tegen heel wat theorieën opweegt: Laat de kinderenzien. Een plaat, een voorwerp bij het woord, en dit woord krijgt aanstonds een rijker inhoud. 't Neemt gestalte aan, glanst in kleuren, 't licht op uit zijn nevelwereld.
Echter, hoezeer het kind mocht uitroepen, dat ze het gehoorde verhaal nu niet meer vergeten zou, daarom was de gelijkenis van de grote Zaaier nu nog niet tot haar hart en geweten doorgedrongen. Ook al wordt dit mooie verhaal niet door de beslommeringen des levens, door de zonden des harten verduisterd of verdreven, daarom is het nog geen waarheid, geen diepgevoelde en volmondig erkende waarheid geworden. Ons kind zal in het leven gaan, zal jonge vrouw, zal moeder worden, zal haar kinderen wijze raad, onmisbare lessen geven, en ze zalervaren, jaervaren, dat een deel van haar zaad de buit der vogelen wordt of wegteert op harde, ontoegankelike bodem, verstikt tussen het onkruid. Nu weet ze pas, nu door smartelike ervaring, wat die gelijkenis betekent, nu ze zelf gezaaid heeft en zo ontmoedigende gevolgen ziet. Nu begrijpt ze de droefheid van den Heer, die liefdevol zijn zaad des eeuwigen levens ook uitstrooide in haar hart enhet moest zien, ja hoopvol ontkiemen, maar daarna spoedig in zijn groen verstikken door de distelen der onreine begeerten, der lagere lusten. De woorden had ze vroeger gehoord, en ook wel begrepen; de beelden had ze vroeger gezien, en ook onuitwisbaar in haar geheugen bewaard; maar toch, eerst het zelf zaaien, het zelf zaaien met kostbaar zaad, het zelf zaaien in de akkers van haar eigen gronden, het zelf zaaien in de harten van haar eigen kinderen, haar zo geliefde kinderen,—dezedaadmet haar gevolgen deed het zaad van Jezus pas goed doorschieten in haar eigen hart. Toen pas was de gelijkenis van de zaaier voor haar leven en volle werkelikheid geworden. Een mens moet horen, om te vernemen; zien, om beter te onthouden; maar doen, om ten volle te verstaan.
Wat maken wij, wijze paedagogen, echter onderscheid tussen de leerwijze van hetwoord, die der aanschouwing en die der daad, alsof alleen de eerste op mededelen uit was en de beide andere niet. Is het wellicht geen mededeling, wanneer de beelden het ons ziende zeggen, of als de ervaring het ons levende leert? „Het leven zal het hem wel leren,” zegt, ten einde raad, de opvoeder ten opzichte van deweerspannigeigenwijze pupil. Het leven. Zeker. Dit leert. Dit deelt mede. En in een taal, die vaak hard is om te horen, maar die gehoord móét worden. 't Is alles mededeling. God heeft ons iets te zeggen. Wij hebben te luisteren.
Natuurlik wist Fröbel dit ook wel. Zijn strijd tegen woord en aanschouwing ging niet tegen die beide als zodanig. Hij wist wel, dat de Natuur aanschouwd, dat de Geschiedenis gehoord moest worden. Maar ach, zo vaak ontaardt de aanschouwing in een levenloos het oog richten naar het ding, zo vaak het luisteren in een levenloos opvangen van klanken. Niet het oog ziet, maar de ziel. En daartoe gebruikt ze het oor. Wat doet echter de school? Wekt ze het leven der ziel? En laat ze haar dorstend drinken van de rijke schepping, hongerend eten van de wijsheid? En de kerk? Wekt ze het leven der ziel, zodat deze met den psalmist uitroept: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzóó schreeuwt mijne ziel tot u, o God”? School en Kerk, of juister gezegd, wij mensen die haar al te slecht vertegenwoordigen, wij brengen zo vaak de dood in plaats van het leven. Niet het woord heeft schuld. Waar dit drager van leven is, overbrenger van geestelik leven, en dus zelf van leven trilt, wekt het leven op, deelt het leven mee. Het woord is een geestelike accumulator. Dat kán immers niet anders. Voortgebracht door zielekracht, draagt het die de eeuwen en de wereldstreken door. Maar als wij zulk een geestelike accumulator gans en al omwikkelen met de niet-geleidende stoffen van gevoelloosheid en onbegrip, van sleur en onverschilligheid, hoe kan de inwonende electriciteit dan naar buiten uitslaan? Woorden zijn zaadkorrels, die een levenskiem inhouden. Maar hoe kunnen de kiemen uitgroeien, als wij ze maar domweg rondstrooien op ontoebereide grond? Endaar zit de fout. Men speelt met zaadkorrels of het zandkorrels waren. Bijna zou ik zeggen, als het niet al te onmogelik klonk: men máákt er zandkorrels van en daaronder begraaft men de geesten. Zoals de graanschepen en pakhuizen gevuld worden met stromen gele korrels, zo vult men de hoofden der luisterende scharen. Met scheppen en zakken, de laatste tijd zelfs met elevators en luchtkanalen wordt het er in gevoerd. Niet om daar te ontkiemen, maar om er bewaard te worden, en als de tijd daar is, weer even mechanies te worden uitgevoerd. Niet het woord heeft schuld. Maar wij, die in perioden van geestelike inzinking en versuffing, aan het zaad zijn bestemming onthouden en er, als kleine kinderen, winkeltje mee spelen.
Natuurlik wist Fröbel dit alles. Hij, die gezien had hoe in de kinderen een drift tot doen werkte, hij had natuurlik ook ervaren, hoe in die kinderen een honger naar horen was. Zij willen voortbrengen, maar ook luisteren. Nauweliks zet moeder zich neer en begint ze de toverwoorden: „Er was eens”, of de kleinen laten zelfs hun speelgoed, hun eigen scheppingen liggen, om zich over te geven aan de scheppingen van anderen. Een verhaaltje! Indien er iets in staat was, om een heele theorie van uitsluitend „leren door doen” met één slag omver te werpen, het is het simpele verhaaltje. Moeder de Gans lokt nog altijd de kleine studenten sterker dan een gediplomeerd Handenarbeider. Maar goed luisterenisdoen, zowel als doen menigmaal niets anders is dan gedachteloos napraten met de vingers. Er is een actiefluisteren en een passief handelen. Er is een opvoedend aanhoren en een geestdodend uitvoeren. De vraag is maar, hoe de stand der ziel is ten opzichte van het gehoorde woord en de verrichte daad. En die stand der ziel wordt bepaald door aanleg, door omstandigheden, doch ook door de persoonlikheid van de opvoeder. Helaas, dat menig opvoeder bij de vervulling van zijn taak te weinig bezield is, om met zijn woorden de jonge zielen op te wekken, te voeden, te sterken, te prikkelen, te bezielen, en dat daardoor de woorden de schuld hebben te dragen van een euvel, dat alleen aan de gebruiker te wijten is. Een euvel, we merkten het reeds op, dat ook de daad kan aankleven.
Wanneer mijn onderstelling juist is, dat Fröbel in zijn beschouwingen, als natuurlike reactie, de grote betekenis van het woord wat veel veronachtzaamd heeft, kan daaraan veler miskenning van zijn streven voor een deel te wijten zijn. Voor een ander deel moet deze echter gezocht worden in zijn verplichting, als practies paedagoog, om zijn denkbeelden te belichamen in een systeem van oefeningen. Hij mocht dan al schrijven: „Ik wacht het heil niet vaneene Methode, maar vaneene idee,” hij mocht onder allerlei anen en anerij de dodelikste afkeer hebben van de Fröbelianen, hij mocht waarschuwen tegen navolging, de mensheid is nu eenmaal zo, dat ze ook van navolging leeft, dat niet ieder scheppings- en organisatiegaven bezit, om een systeem te ontwikkelen, en dathet inenten met een idee de grote meerderheid nog niet rijp maakt om daarnaar te handelen. Ja, ja, men geeft u graag de juistheid en de schoonheid van een idee toe, maar met een idee bakt men geen brood. Hoe moet ik aan koren komen, hoe dit malen, hoe het meel kneden, hoe het bakken? Wie tot uitvoeren van de idee geroepen is, staat met de handen in 't haar, vraagt naar oefeningen, naar leiding, naar een systeem, zodat hij aanstonds beginnen en geregeld voortgaan kan. De wijsgeer in zijn studiecel, de schrijver achter zijn bureau, zij kunnen volstaan met de verkondiging en bewijsvoering der ideeën, maar de man der practijk moet de handen aan 't werk slaan. En dan is de eerste vraag: Wat moet ik dóén? Met philosofeeren bereiken we Rome niet. Daartoe moeten we op weg. Zou Fröbel succes hebben met zijn idee, dan móést hij dit wel in een systeem verwerkeliken, en daarmee—het in een systeem ketenen.
Het spreekt zo vanzelf, dat al onze pogingen tot systematisering van een „natuurlike” opvoeding, op iets kunstmatigs uitlopen. Het „natuurlike” is een zo uiterst gecompliceerde en in zijn diepste wezen voor ons ontoegankelike werking, dat wij haar niet nabootsen kunnen. Een lichamelik, verstandelik, zedelik uit- en opgroeiend kind blijft voor ons een wonder. We blijven onszélven een wonder. We constateren eigenschappen, werkingen, ontwikkelingen, veranderingen in ons, maar het wezen van dat alles blijft mysterie. Ondanks de invloed van door ons aangewende middelen, naar onze mening heilzame middelen, openbarenzich averechtse gevolgen; tegen alle verwachting in groeien, te midden van boze invloeden, heerlike zielen uit. We kunnen in een „natuurlik” systeem de gang der natuur slechts benaderen, maar lopen daarbij aanhoudend gevaar van haar af te dwalen. En het is begrijpelik, dat de hoogste wijsheid soms gevonden wordt in de onthouding, in het niets opzetteliks doen, in het onbelemmerd laten uitgroeien, in volledige vrijheid. Maar wie dan naar die wijsheid gaat leven, grijpt, zeer inkonzekwent, toch telkens in. En dit is óók natuurlik.
Hoe vollediger en volmaakter een systeem van oefeningen is, hoe onvolkomener het wordt. Dit klinkt wonderspreukig. Met de volmaking kan toch niet van de volmaking worden afgeweken? En toch, het is zo. 't Gaat er mee als met de denkgebouwen, de wijsgerige stelsels der philosofen. Ze zitten zo prachtig in elkaar, dat ze geen vezeltje ongewisheid meer hebben. Alle draden en cellen van het weefsel der schepping vinden er hun verstandelike bewustwording en belijning in. Ja—zou De Genestet zeggen—„'t lijkt wel of ge 't weet, net als onz' lieve Heer”. „Maar”—voegt de in geen mazen gevangen dichter er bij—„maar dit doet juist mijn twijfel rijzen.” Hoe vollediger iemand 't weet, hoe meer hij ons in zijn weten binden wil en ons aldus dwingen, de wondervolle schepping Gods te verruilen voor zijn denkprodukt. En hoe volmaakter iemands systeem is, hoe meer hij ons daarnaar kneden wil, wanend dat hij, hij, de groei van dit organisme met zijn middelen in de hand heeft. De grootste denkersen organisators zijn, aldus de grootste tyrannen. En dit is hun gevaar. Ze laten ons te weinig vrij. Ze stichten stelsels en wereldrijken.—Maar—die weer uiteenvallen. Niet voor de eeuwigheid. Alle bouwwerken van de mens bestaan slechts voor een tijdje. Voor de eeuwigheid werkt alleen God. En geen groter gevaar voor onze waarlike groei, dan wanneer we het eeuwigheidswerk belemmeren door een onvolmaakte „volmaaktheid” van de tijd te willen handhaven.
Fröbel heeft dit niet gewild, het blijkt duidelik genoeg uit zijn verzekering, dat hij het heil niet van eenMethodemaar van eenIdeewachtte. Maar niettemin—hij kon zichzelf en zijn arbeid dit lot niet besparen. Hij móést een systeem bouwen. En dus moest hij de voorwaarden scheppen voor beide, het leven en het sterven van zijn willen.
Ik moet dit artikel eindigen, en mij daartoe dwingen, want de verleiding is groot uit de zeer rijke stof, welke het aangekondigde werk ons biedt, telkens nieuwe grepen te doen. We willen de uitspraken van dit boek telkens beamen en tegenspreken, we willen de verkondigde waarheden verbreiden, de eenzijdigheden en dwalingen aanvullen en bestrijden. Het zet ons aan den arbeid. Dat bewijst—de macht van het woord in dit pleidooi voor de daad. Dat bewijst ook—de vrijheidsliefde van onze geest, die zich niet laat nascheppen door ons vernuft, zelfs niet door het vernuft van een Fröbel. Maar het bewijst bovendien—debizondere betekenis van deze man. Bij het insluimeren van de menselike krachten is hij een opwekker geweest. Bij het misvormen der waarheden een hervormer. Dat ook hij niet de weg heeft aangelegd, waarlangs wij voortaan te gaan hebben, mag hem niet als verwijt worden aangerekend. Veeleer moeten we ons er door laten waarschuwen, dat ook wij dwalen kunnen, dat wij dwalen zullen, dat wij zelfs op 't ogenblik dwalen, wanneer we zo precies de weg wanen te weten.Es irrt der Mensch so lang' er lebt.Dit leert ons bescheidenheid. Voor moedeloosheid vrezen we daarbij niet. Want in ons leeft het geloof. En zo gaan we verder,