Als Columbus 't hoofd omhoog gericht,Op 't gebruis der wentelende baren,In 't geloof, dat ginds een wereld ligt.
Als Columbus 't hoofd omhoog gericht,Op 't gebruis der wentelende baren,In 't geloof, dat ginds een wereld ligt.
Juli 1910.
Opvoeden is toch zo uiterst eenvoudig.
We waren eens in een zomerpension, waar nog al veel „opvoedkundigen” hun vacantie doorbrachten, een predikant, twee leraren, een paar onderwijzers en onderwijzeressen. Aan tafel werd er dientengevolge vaak gedebatteerd over opvoedkundige kwesties.
Nu was er bij het huis pas een nieuw paviljoen gebouwd. De werklieden hadden, gelijk dat voorkomt, heel wat rommel laten liggen en zo was het zand in de onmiddellijke omgeving vol met stukjes glas.
Menig logé had zich daar al aan geërgerd. Je kon niet op de grond gaan zitten, of liep gevaar op een minder aangename manier met scherpe glaskantjes in aanraking te komen. Vooral voor de vele kinderen der logeergasten was dat hinderlik. Wanneer die kleintjes in 't zand speelden, kregen ze vaak een schram.
„Werklui voelen toch absoluut geen verantwoordelikheid,” zei een mevrouw. „Als zij hun rommel maar kwijt zijn, vragen ze er niet naar of een ander er last van heeft.”
„Alleen werklieden?” vroeg iemand.
De dame hoorde 't niet en ging voort: „Nu wisten die mensen toch, dat hier kinderen moesten spelen. Zou er nu niet één gedacht hebben: laten we die glasscherven opruimen, anders krijgen die kinderen nog een ongeluk?”
„Kun je denken! Als zij hun geld maar hebben, kon de rest hun niets schelen.Zo zijn ze.”
„Alleenzij?” vroeg weer dezelfde stem.
Er ontspon zich een gesprek over het aankweken van het verantwoordelikheidsgevoel. Dat ging tenslotte heel diep. De Bijbel kwam er bij en ook de kwestie van de vrije wil. Intussen bleef het zand vol glasscherven en glasschilfers. Die stoorden zich niet aan deze discussie.
De eigenaar van het pension had natuurlik ook al menige klacht gehoord, maar hij noch zijn vrouw kon in deze drukke dagen tijd vinden, om dat zand te zuiveren.
Nu was er een oude heer, die zijn paedagogiese studiën gemaakt had op een grote houtwerf tussen houtloodsen met stapels vuren en grenen delen: de man was houtkoper. Hij kon niet aan de discussie deelnemen—deed het altans niet. Hij zat maar rustig te eten. Ongehuwd en kinderloos, interesseerde hem het probleem waarschijnlik niet.
Maar na tafel liep hij in zijn eentje naar die zandplek: hij wilde blijkbaar ook wel eens zien, wat er aan de hand was. Toen ging hij naar de keuken, vroeg daar een bak, keerde er mee terug naar het zand, zette debak in 't zand, zichzelf erbij, en ging aan 't oprapen: glasscherven.
Het eerst werd hij opgemerkt door de kinderen. Die keken zijn spelletje aan en volgden het na. Ook zij raapten glasscherven op en wierpen het in de bak. Ze vonden het leuk. Zonder waarschuwing van hem waren ze uit zichzelf voorzichtig genoeg, zich niet te snijden.
Toen kwamen de volwassenen, de heren en dames. Die zagen het ook aan, maar bleven daarbij. Tenminste aanvankelik. „Snij je niet, Marietje!” riep een moeder. De oude heer lachte in zichzelf en dacht: „Nu snijdt Marietje zich natuurlik, want Moeder heeft haar rust weggenomen.” En 't kwam ook net zo uit.
Marietje sneed zich.
„Dat had ik wel gedacht,” zei de moeder, „'t is ook geen werk voor kinderen. Kom maar hier, kind!” En Moeder trok met Marietje's bloedende vinger af naar huis en de wastafel. Die moeder hield erhaarpaedagogiek op na.
Een twede moeder deed anders. Die raapte een stukje glas op, dat dicht bij haar lag en bracht het in de bak. En nu ze dat eenmaal gedáán had, schitterden haar ook de andere scherven in de ogen. Ze bukte zich, telkens en telkens weer, eindelik ging ze er maar bij zitten en verzamelde een handvol, om die dan in de grote bak te werpen. Wat rinkelde dat!
Zij werd „gelijk de kinderkens”. Ze dacht niet aan haar positie, niet aan haar stand, zelfs niet aan haar japon.
Ze dacht ook niet aan het zedelike van dit werk, ook niet aan persoonlike of algemene verantwoordelikheid, zelfs niet aan de Bijbel en de vrije wil.
Ze dacht aan niets.
Alleen vond ze het leuk, die blikkerende plekjes uit het zand op te rapen, te verzamelen, en in de bak te werpen. Ze was een kind. Ze genoot als een kind—van het dóén. En dan ook van het zien, hoe telkens weer een plekje gezuiverd was.
Nu volgden geleidelik ook de heren en andere dames. Sommigen met een excuus jegens zichzelf, dat ze „toch buiten waren”, waarmee ze zeggen wilden, dat ze hier niet zo héél angstvallig hun waardigheid hadden op te houden. Maar ze volgden toch—onderwijzers, leraren, dominé, en de vrouwen. En binnen korte tijd lag daar een compleet regiment straatreinigers, jong en oud, jassen en japonnen. 't Was een prachtig gezicht, al die kleurige figuren in 't zand, en alle in diverse zoekhouding, en alle, met gespannen aandacht, verloren in een gewichtig werk: het zoeken en oprapen van glasscherfjes.
Die namiddag werd het hele terrein gezuiverd.
Twee volle bakken gevaar waren verwijderd.
En allen hadden plezier gehad.
De kinderen vonden 't zelfs jammer, dat 't uit was.
Zó eenvoudig is paedagogiek.
Die oude, ongehuwde, kinderloze houtkoper gaf daar college.
Het huis was omringd door een tuin. Buurmans huis ook. Tussen beide tuinen liep een aardig, smal paadje, met beukenheggen wederzijds. Dat was dus net een groen gangetje. En als je er van voren in ging, kwam je achteraan weer in de tuin. Het was eigenlik een laantje, dat buiten de voortuin om naar de achtertuin leidde. Een echt laantje voor kinderen, om er door te hollen.
Kleine Bertha was hier gelogeerd, een meisje van vijf jaar, een lief, teer, ietwat schuw kindje.
Ze stond voor 't laantje, keek er eens in. 't Zag er toch zo leuk uit. Toen deed ze een paar stapjes naar voren, als een muisje naar een val, en waagde zich, heel in haar eentje, tussen de groene wanden. 't Ging goed. Nu op een drafje. En ze draafde, klein meisje, moedig door 't laantje, als je dat lichte zwevendravenmag noemen, toen opeens over de heg van buurman een mannenhoofd verscheen, boven op een stuk lijf.
Bertha bestierf het haast van schrik. Ze schokte stil en holde onmiddellijk daarop terug.
Doodsbleek en met angstige oogjes kwam ze bij Oom en Tante, die in de voortuin tee dronken.
„Wat scheelt er aan, kindje? Gunst, wat ziet dat kind wit!”
't Kwam er bevende uit. In dat laantje was plotseling een mannenhoofd verschenen met grote ogen en een zwarte baard.
Oom begon luid te lachen. „Kom, kom, dat is buurmangeweest. Ben je daar bang voor! Maar meid, je hoeft voor buurman niet bang te wezen. Die zal je niet opeten. Ga jij maar eens met Oom mee.” En toen tegen zijn vrouw, heel wijs, zeker en vriendelik: „'k Zal 't haar meteen afleren. Ze zal wel aanstonds zien, dat die angst ongemotiveerd is... Geef jij Oom maar een handje.”
't Klonk waarlik aanmoedigend en zacht genoeg, maar Bertha liet Oom staan en gaf hem geen handje.
„Kom meid, je hoeft heus niet bang te wezen. Buurman houdt heel veel van kindertjes. Misschien is hij ook al lang weg. En Oom is toch bij je?”
Allemaal waar, maar Bertha was niet te bewegen. Ze kroop dicht bij Tante en drong zich tegen haar aan.
Nu voelde Oom zich een beetje boos worden. Hij gaf Bertha drie heel gegronde motieven op, er was wezenlik geen enkele reden voor bangheid, geen enkele, bovendien was het klaarlichte dag. Er kwam wat kortheid in zijn stem, toen hij zei: „Hoor eens, Bertha, dat is nu eigenlik maar onzin. Erisdaar niemand. Ga jij nu met Oom mee.”
Maar, al probeerde Oom zijn opkomende wrevel heel braaf en liefjes binnen te houden, Bertha voelde die toch in iets ongeduldigs en dringends van de stem, en het enige gevolg was, dat het kind nóg dichter bij Tante aandrong en begon te schreien.
Oom werd nu openlik boos. 't Was dan ook ergerlik, dat niet alleen zijn redenering, maar zelfs zijn hele beschermende persoonlikheid werd teruggewezen door de kuren van een vijfjarig kind.
„Wil Tante eens met je meegaan?” vroeg een zachte stem.
Nu begonnen de traantjes ineens rijkelik te vloeien. Die tederheid brak de huilbui door. En het kleine lijfje schokte van 't snikken.
„Is dat nu niet rechtaf onzinnig?” vroeg Oom aan zijn vrouw.
„Och, laat haar maar.”
„Nu, jij moet het weten, maar ik vind het verkeerd. 't Is het kind toegeven en zo stijf je haar in die ongegronde angst. Ik zou 't haar maar liever ineens afleren, dan was ze er doorheen.”
Tante zei niets meer. Ze wist, dat haar man het voortreffelik meende, maar ze wist ook, dat een affect niet door redenering wordt overwonnen, en altans niet als het nog in zijn volle kracht is. Hoe ze dat wist? Bij zuiver moeder-instinkt. En ze liet het kindje stilletjes kalmeren.
Oom ging zitten, nam zijn boek weer op, en hervatte zijn lektuur: een studie over...
Een poosje later, toen 't kindje gekalmeerd was, zei Tante zo, als zonder erg: „Tante schrok ook altijd zo gauw, toen ze nog een klein meisje was.”
Bertha hoorde het, al reageerde ze nog niet door een vraag.
„En eens,” ging Tante voort, „schrok ik toch zó erg...”
Even zwijgen.
„Ik liep in de keuken en daar hoorde ik ineens gerommelin de schoorsteen. Bomderdebom, en er viel een groot ding uit.”
„Wat was dat?” vroeg Bertha met grote oogjes.
„Ik liep hard weg, de gang door, de trap op, de kamer in, net met mijn neus tegen de tafel.”
Bertha begon te lachen. Tante zei het ook zo komiek.
„Ja, jij lacht, maar 't was heus erg, mijn neus begon te bloeden, zó...” en Tante wees met de vingers, hoe de bloedstraaltjes gelopen hadden en de droppeltjes waren gevallen.
„„Kind, wat is er!” zei mijn moeder. „Gauw naar de keuken, om je af te wassen.” En Moeder nam me op den arm, de trap af, de keuken in en wies me bij de kraan lekker schoon.”
„En wat was er nu?” vroeg Bertha.
„Wat meen je?”
„In de schoorsteen.”
„O, dat was ik al helemaal vergeten. Maar het was een steen. Die was boven in de schoorsteen, op het dak, losgeraakt, en naar beneden getuimeld.”
„En lag die toen in de keuken?”
„Ja, die lag heel rustig op de grond. Maar mijn neus begon op te zwellen, en die werd wel zó dik.”
Weer lachte Bertha, maar Tante wees ook véél te groot.
„Jij hebt maar niets geen medelijden met je arme Tante en met haar dikke neus.—Maar eens schrok ik weer erg. En weet je, wat ik toen deed? Toen liep ik niet weg. Maar toen ging ik kijken.”
„Hoe was dat dan?”
Nu vertelde Tante een geschiedenisje, dat wonderveel leek op wat er straks met Bertha gebeurd was. Bertha zag in dat verhaaltje een ander klein meisje in een laantje lopen, hoorde de vriendelike stem van een andere buurman, en zag plotseling het gezicht van die buurman over de heg kijken. Zij zag de man lachen, maar ze zag ook, hoe het kleine meisje verschrikte en hard wegliep. En dat kleine meisje was haar tante, dezelfde tante die nu bij haar zat.
Maar Tante was nu toch een dapper meisje. Want toen Moeder haar gezegd had, dat ze niet bang hoefde te wezen, dat het buurman maar was, en dat buurman haar geen kwaad wou doen, alleen maar vriendelik gedag zeggen, toen ging het kleine tantetje terug naar het laantje, en zonder Moeder—hoort kleine Bertha 't wel?zonderMoeder, helemaal in haar ééntje—en ze stapte het laantje in, en toen buurman over de heg keek, zei ze: dág buurman!
Bertha luisterde aandachtig, ook naar 't slot van 't verhaal: „En toen liep ik het hele laantje door, en aan de andere kant weer de tuin in en zo terug naar Moeder, en toen ik bij Moeder kwam zei ik: Dág Moe! Daar ben ik weer.”
Maar behalve Bertha had er nog iemand geluisterd, iemand die schijnbaar in een wetenschappelijke studie verdiept was over de invloed van de psychie op het physiek, en die iemand dacht: nu ben ik toch nieuwsgierig, of dat helpt. Hij bedoelde: dat vertelseltje.
En jawel, hoor! Na een poosje drentelde Bertha het laantje in. Aan de ingang bleef ze staan, net alseen vogeltje, en ze draaide het kopje langzaam links en rechts. Toen keek ze naar Tante, of die op haar lette. Maar Tante was niet zo dom, de oplevende durf te verzwakken met aanmoedigende woordjes. Ze was wijs genoeg om het groeiproces, dat in haar onmiddellike nabijheid viel waar te nemen, zich ongestoord te laten voltrekken. Ze keek niet naar Bertha. Ze schonkalhaar aandacht aan een haakwerk, dat evenwel niet zoveel aandacht vorderde, of een heel klein beetje kon ongemerkt wel om dat vogeltje zweven.
Daar deed Bertha een stapje vooruit, nog eentje. O, heerlik zelfvertrouwen! Nu verdween ze achter de heg...
Zou ze?
Oom en Tante keken elkaar aan. Oom glimlachte. Hij liet zijn boek liggen. Hij dacht zeker: wat kunnen die vrouwen toch in haar eenvoud wijs en in haar ongeleerdheid verstandig zijn!
Of hoopte hij in stilte, dat de onderneming niet slagen zou? Dat Bertha tóch weer terug zou krabbelen?
Helaas, zo boosaardig zijn sommige mensen. Niet het welzijn van 't kind, maar de triomf van hún zienswijze begeren ze. En met leedwezen zien ze het kind winnen, als hun gewichtigheid het daarbij moet afleggen....
„Dág Tante! Daar ben ik weer!” juichte een fijn stemmetje. En Bertha vloog Tante om de knieën.
Oom sloot zijn boek, en zei: „Wat is opvoeden toch verduiveld moeilik!”
„Vind-je?”
Waarde Heer Redacteur!U schijnt tegen een krachtig optreden te zijn. Dat meen ik altans uit uw beide schetsjes te mogen afleiden. Met een zoet lijntje kreeg uw houtkoper-pedagoog het hele pension aan 't werk en met een zoet lijntje kreeg Tante haar nichtje door 't laantje.Met alle waardering voor uw goede bedoeling vrees ik toch voor verwekeliking der individuen en van ons hele geslacht, wanneer de opvoeding in die toon wordt gezet.Ik zal u ook eens een verhaaltje vertellen en, evenzeer als ik dat van uw schetsjes vertrouw, zuivere afspiegeling van de werkelikheid.Weet dan allereerst, dat ik—als predikant—behoor tot het door u niet immer hooggeschatte leger der min of meer officiële pedagogen. Nader wens ik mijn betrekking niet aan te duiden.Ook ik ben vader.Welnu, ik heb een jongen van zes jaar. Wanneer ik met hem alleen wandel, weet hij heel aardig te babbelen, maar nauweliks ontmoeten we iemand, of het lijkt wel of zijn spraakorganen bevriezen. Op alle vragen geeft hij eenvoudig geen antwoord, tenzij een heel gebrekkig. Dan is zijn houding onbeleefd, bij 't lompe af. Of de mensen hem vriendelik aanspreken of beslist op een antwoord aandringen, hij blijft zwijgen. Alleen krijgt hij een hoge kleur en wordt onrustig.Ik wil u eerlik zeggen, dat deze houding mij meermalenin de hoogste mate heeft geërgerd. Het kindkanspreken, kan heel goed zijn woord doen, danzalhij ook spreken. Zijn zwijgen beschouw ik gewoon als malle kunsten, die hij af moet leren. En ik vind het ook niet te pas komen, dat hij mij tegenover vreemden een gek figuur laat maken door hardnekkig zijn mond te houden.Nu heb ik hem dat onlangs kort en goed afgeleerd. Hij had me weer in tegenwoordigheid van derden laten aanpraten tot grote ergernis niet alleen van mij, maar ook van mijn vrouw. Toen heb ik hem tuis een flink pak voor zijn broek gegeven. Ik verkoos niet langer door mijn eigen kind niet gehoorzaamd te worden en achtte het ook voor hem heilzaam om over die schuwheid of wat het wezen mag te worden heen gebracht.Begrijpelikerwijze heb ik dat niet met plezier gedaan.Maar de beste voldoening was toch het succes bij de jongen. Sinds de kleine kastijding—natuurlik heb ik het kind niet afgeranseld—is hij veranderd. Wanneer we nu iemand op de wandeling ontmoeten, geeft hij behoorlik en fatsoenlik antwoord. 't Gaat wel niet van harte, maar hij doet het toch. Ik eis geen hele verhalen, maar wel, dat hij beleefd en zakelik antwoordt.Ik wil u hierbij nog een confidentie doen. Ikzelf ben eigenlik verlegen, zelfs wat schuw. Daar heb ik in mijn leven veel hinder van gehad en 'k heb er nóg last van. Nu wil ik mijn jongen de onaangename moeilikheden van zijn vader besparen.U zult me verplichten met het opnemen van deze brief en het daaraan onomwonden toevoegen van uw mening over de opvatting en handelwijze vanUw belangstellende lezer,Dr. A.
Waarde Heer Redacteur!
U schijnt tegen een krachtig optreden te zijn. Dat meen ik altans uit uw beide schetsjes te mogen afleiden. Met een zoet lijntje kreeg uw houtkoper-pedagoog het hele pension aan 't werk en met een zoet lijntje kreeg Tante haar nichtje door 't laantje.
Met alle waardering voor uw goede bedoeling vrees ik toch voor verwekeliking der individuen en van ons hele geslacht, wanneer de opvoeding in die toon wordt gezet.
Ik zal u ook eens een verhaaltje vertellen en, evenzeer als ik dat van uw schetsjes vertrouw, zuivere afspiegeling van de werkelikheid.
Weet dan allereerst, dat ik—als predikant—behoor tot het door u niet immer hooggeschatte leger der min of meer officiële pedagogen. Nader wens ik mijn betrekking niet aan te duiden.
Ook ik ben vader.
Welnu, ik heb een jongen van zes jaar. Wanneer ik met hem alleen wandel, weet hij heel aardig te babbelen, maar nauweliks ontmoeten we iemand, of het lijkt wel of zijn spraakorganen bevriezen. Op alle vragen geeft hij eenvoudig geen antwoord, tenzij een heel gebrekkig. Dan is zijn houding onbeleefd, bij 't lompe af. Of de mensen hem vriendelik aanspreken of beslist op een antwoord aandringen, hij blijft zwijgen. Alleen krijgt hij een hoge kleur en wordt onrustig.
Ik wil u eerlik zeggen, dat deze houding mij meermalenin de hoogste mate heeft geërgerd. Het kindkanspreken, kan heel goed zijn woord doen, danzalhij ook spreken. Zijn zwijgen beschouw ik gewoon als malle kunsten, die hij af moet leren. En ik vind het ook niet te pas komen, dat hij mij tegenover vreemden een gek figuur laat maken door hardnekkig zijn mond te houden.
Nu heb ik hem dat onlangs kort en goed afgeleerd. Hij had me weer in tegenwoordigheid van derden laten aanpraten tot grote ergernis niet alleen van mij, maar ook van mijn vrouw. Toen heb ik hem tuis een flink pak voor zijn broek gegeven. Ik verkoos niet langer door mijn eigen kind niet gehoorzaamd te worden en achtte het ook voor hem heilzaam om over die schuwheid of wat het wezen mag te worden heen gebracht.
Begrijpelikerwijze heb ik dat niet met plezier gedaan.
Maar de beste voldoening was toch het succes bij de jongen. Sinds de kleine kastijding—natuurlik heb ik het kind niet afgeranseld—is hij veranderd. Wanneer we nu iemand op de wandeling ontmoeten, geeft hij behoorlik en fatsoenlik antwoord. 't Gaat wel niet van harte, maar hij doet het toch. Ik eis geen hele verhalen, maar wel, dat hij beleefd en zakelik antwoordt.
Ik wil u hierbij nog een confidentie doen. Ikzelf ben eigenlik verlegen, zelfs wat schuw. Daar heb ik in mijn leven veel hinder van gehad en 'k heb er nóg last van. Nu wil ik mijn jongen de onaangename moeilikheden van zijn vader besparen.
U zult me verplichten met het opnemen van deze brief en het daaraan onomwonden toevoegen van uw mening over de opvatting en handelwijze van
Uw belangstellende lezer,Dr. A.
U vraagt, waarde Heer, mijn onomwonden mening, welnu, ik zal ze naar uw verlangen geven.
Laat ik dan allereerst zeggen, dat ik niet tegen een krachtig optreden ben en daar ook nooit tegen geweest ben. Integendeel: alleen krachten kunnen krachten bedwingen. Dit is in de physieke, dat is ook in de zedelike wereld waar.
We moeten echter kracht niet gelijk achten aan hardheid.
Het is u toch niet onbekend, dat liefde, zachtheid, tederheid, geduld, wijsheid vaak buitengewone kracht ontwikkelen en menig stug, onwillig gemoed dwingen tot toegeven, tot buigen, dat door hardheid zich zou hebben geconcentreerd tot één compacte wil van verzet.
Men kan ijs kapot hakken met bijlen. Dan verbrijzelt men de vorm.
Het kan ook smelten onder zonneschijn. Dan verdwijnt het in zijn wezen.
Al zijn zonnestralen niet gewoon en ook niet in staat, op iets los te beuken—wie zal ontkennen, dat ze enorme kracht doen werken?
Heel de aarde leeft onder de dwang van zonnekracht.
Opvoeding zonder dwang acht ik ondenkbaar.
De vraag is slechts: welke dwang.
De dwang van physieke overmacht?
Die is alleen in staat de verzetsverschijnselente bestrijden. Hij tast het verzet niet in zijn hart aan. Uiterlik wordt gehoorzaamd met innerlike onwil.
Deze dwang is mij niet compleet genoeg. Hij laat een groot, het belangrijkste deel van het te beheersen gebied buiten zijn invloed.
Dan is pas de dwang volkomen, als hij de onwil heeft overwonnen, als hij de wil heeft omgekeerd. Zo totaal, dat de gedwongene, ook in volmaakte vrijheid, niet anders kan doen, dan hetgeen de opvoeder tot zijn heil begeerde.
Wat u wil—vergeef mij, dominé, dat ik u dit zo ronduit zeg—dat is: de kinderen met de hel grootbrengen. Pijn van vlammen of pijn van klappen, het is al eender. Het is lichamelike pijn. En vrees voor klappen of vrees voor vuur, ik zie geen verschil. Het is vrees voor pijn, die in geen oorzakelik verband staat met het bedreven kwaad. Daar is een wil—de wil van de goddelike of menselike opvoeder—die een straf oplegt. Het kind begrijpt er niets van, voelt alleen de pijn, en weet, d. w. z. verneemt, dat hem die voor zijn gedrag is aangedaan. Maar die pijn tast zijn verkeerdheid niet in haar wezen aan, zoals b.v. vochtige lucht ijzer aantast en dit als ijzer doet verdwijnen.
Daarom mag een opvoeder met deze dwang tot uiterlikheden niet voldaan zijn. Verre van mij, iemand hard te vallen, wanneer hij in nood deze dwang aanwendt.Doch berusten in een onvolkomenheid is iets anders dan deze aan te prijzen.
Dan pas mogen we tevreden zijn met onze middelen, wanneer ze zedelike kracht in de kinderen hebben ontwikkeld. Vreest ge daarbij voor verwekeliking? Dat is een vrees, die Christus zou loslaten terwille van Hercules.
Doch nu 't geval zelf.
Het onbeholpen zwijgen van uw kind ergerde u. Waar hij tegenover u best kon spreken, verkoost ge dat hij het ook tegenover vreemden zou doen.
Vergeef me, maar ik zie hier iets tirannieks en iets doms in.
Vele ouders misbruiken hun oudermacht, door hun kinderen te betrekken in de manieren der volwassenen. Dan moeten die kinderen iedereen een handje geven, liefst nog een zoentje erbij—ofschoon dat wegens hygièniese redenen de laatste tijd verboden en verdwenen is. De kinderen moeten zeggen: „Dag Meneer! Dag Mevrouw!” Een enkel maal ook: „Hoe vaart u?” En dan antwoorden op de vragen, die de vreemden met voorgewende belangstelling tot hen believen te richten.
Men schijnt niet te begrijpen, dat kinderen in een heel andere wereld leven dan de groten, dat ze zich niets om het welvaren dier groten bekommeren en ook niet vermoeden, dat ze die groten enige belangstelling inboezemen.
Ik vind dat dresseren der kleinen tot de beleefdheidsvormen der volwassenen een overbodige en schadelike plagerij. Overbodig—omdat de kinderen zolang ze kind zijn niet de rol der volwassenen behoeven te spelen. En schadelik—omdat de kinderen zo in hun natuurlike uitgroei worden belemmerd. Laat het kind kind blijven, dan behoeft men volstrekt niet bevreesd te zijn, dat ze lomp, onbeleefd, ongemanierd zullen worden. Wanneer de ouderen onder elkaar welwillend, beleefd, en gemanierd zijn, bootsen de kinderen dat gaandeweg vanzelf na, en als de tijd daar is, gedragen ze zich even fijn als de ouderen, maar nu met de natuurlike gratie, die het ongedwongene en onbevangene kenmerkt en zo bekoorlik maakt. Door vroegtijdige dressuur wordt veel kinderschoonheid bedorven. Die kunstenmakerij is alleen gemakkelik voor ouders, die zich minder druk maken over de innerlike cultuur der kleinen en deze maar gauw met wat schijn maskeren. Overigens is ze een kwelling voor 't jonge goed.
Hebt u wel eens gezien, op wat leuke manier kinderen met elkaar kennismaken? Ze geven geen handjes, kijken malkaar even aan, en dan begeeft de nieuweling zich aanstonds in het spel. Op z'n hoogst vraagt hij: „Hoe heet je?” (Nooit: Hoe heetu.) Maar dat is alles. Ze leren malkaar kennen in het gemeenschappelik spel, en trekken dan malkaar aan of stoten malkaar af.
Verbazend aardig is het ook, te zien hoe kleintjes geheel uit zichzelf naar volwassenen gaan, als ze die nodig hebben. „Meneer, wil u me even op die schommel zetten?” Nooit heeft het kleine ding Meneer „een handje”gegeven, maar ze weet hem best te vinden. „Meneer, weet u ook hoe laat of 't is?” Deze vraag wordt door kinderen dikwijls tot wandelaars gericht. Dan verzamelt zo'n klein meisje al haar vrijmoedigheid en loopt regelrecht op de wandelaar af.
De houtkoper-pedagoog, die man van de glasscherven, bemoeide zich haast nooit uit zichzelf met de kinderen, maar 't was eigenaardig hoe de kinderen zich vaak tot hem richtten. Eens heb ik met grote oplettendheid gadegeslagen, hoe een heel verlegen meisje van drie jaar hem opzocht. Het kind kleurde als je maar uit de verte naar haar wees. Ze meed de kringen der volwassenen. Maar op een dag ging ze vlak voor 't open venster van zijn zitkamer staan en keek naar binnen. Dat was nu precies een vogeltje. Het kopje draaide links en rechts, de heldere oogjes tuurden. Toen legde ze steentjes op zijn kozijn. Telkens raapte ze steentjes op en die legde ze daar neer. Het kindje had blijkbaar opgemerkt, dat de man zich voor steentjes interesseerde—hij beoefende wat geologie—en bezorgde hem nu materiaal.
Is dit nu niet wonderlik? Buiten de dwang der conventie-beleefdheid openbaarde dit schuwe kindje een zo fijne en lieftallige belangstelling voor de liefhebberij van die oude man, dat ze een verborgen opmerker wel moest ontroeren als iets bizonder moois. En zulke schoonheid wordt vernield, neen reeds vóór haar ontspruiten bevroren door de ijskoude strengheid ener vormelike dressuur.
En dient uw jongen dan zijn schuwheid niet af te leren?
Ik wil aannemen, dat dit uw enig doel was en zich in de klappen niet hoofdzakelik gekrenkte vadertrots lucht gaf. Het komt voor, dat de houding van onze kinderen en leerlingen ons niet pijn doet om hunnentwil, maar omdat ze onze ijdelheid kwetst. Doch ik wil u vrij achten van deze algemene zonde en dan blijft alleen de vraag: Was dit het middel, om uw doel te bereiken? Dit nu betwijfel ik niet slechts, maar ik betwist het.
Ge weet wel uit uw eigen levenservaring, dat die verlegenheid niet uit onwil voortkomt, maar uit onmacht. Ze is een uitvloeisel van de bepaalde constructie uwer natuur. Het is een soort van gemoedsstremming, die absoluut niet gelijk staat met bangheid, vrees of lafheid. Verlegen naturen kunnen in 't gevaar onverschrokken moed tonen, behoeven niet bang te zijn in duister of eenzaamheid, niet gevoelig voor pijn. Ze zijn alleen niet aangelegd op het gezellig verkeer, voelen weinig behoefte aan mensen, bevinden zich het rustigst en gelukkigst in de afgeslotenheid. Dit is geen zedelike fout, waaromtrent we ons ernstig bezorgd dienen te maken. Ook is het geen gevaar. Wellicht is de vrijmoedigheid, die zich lichter in onbekende omstandigheden waagt, ja wat gevaarliker. Alleen—is het soms wat lastig, zoals iedere stroefheid wat lastig is. De verlegenheid kan iemand in de omgang belemmeren en daardoor zijn maatschappelike vooruitgang wel eens tegenhouden, ofschoon echte verdiensten ondanksdat waas van verlegenheid toch gauw genoeg opgemerkt en waardeerd worden. De verlegenheid is dus een betrekkelik onschuldige en ongevaarlike eigenschap, zich openbarend in stijfheid en stramheid in de omgang.
Waar nu gemis aan gemoedslenigheid in 't spel is, moet alles aangewend worden om het gemoedsleven en de daarmee samenhangende spraakzaamheid zo vrij en ongedwongen mogelik te maken. Belemmeringen moeten worden weggenomen. En nu geschiedt bij straf en dwang juist het tegendeel. Daardoor wordt het gemoed in een bepaalde toestand geperst, waarin het wel bepaalde gewenste uitingen kan voortbrengen, maar die aan zijn aard niets ten gunste veranderen. Die uitingen zijn dan slechts surrogaat van wat men begeert, gelijk het sissen van een kat, die men tot spinnen wil noodzaken door het dier in de staart te knijpen. Dat is een spinnen waar een mens bang van wordt.
Wie de gemoedsuitingen wil veranderen, moet de medewerking van dat gemoed inroepen. Daartoe is nodig heel veel vrijheid, zodat het gemoed zichzelf kan zijn. En daarbij een sfeer van sympathie, van waardering, waarin aangeboren fijngevoeligheid niet schroomt, en zelfs uitgelokt wordt zich bloot te geven. Die waardering moet niet bestaan in het vleiend spreken van prijzende en aanmoedigende woordjes. Die zijn uit den boze. Die bepalen de aandacht veel te veel bij de persoon zelf en het is juist zaak de aandacht geheel en al van de persoon af te trekken. Aan hetonderwerp, aan het zakelik element moet alle aandacht gewijd zijn. Verlegen naturen moeten zichzelf totaal vergeten en verliezen, om zich juist dan geheel te geven.
Daarom is het verderfelik zulke naturen door merendeels onbescheiden en onbeduidende vragen bij zichzelf te bepalen. Ik weet natuurlik niet, wat aan uw ventje gevraagd is en onder welke omstandigheden, maar ik vrees dat het veel te na hemzelf betrof. Wanneer hem gevraagd was: „Och, geef me eens even je mesje,” dan had hij—ondersteld dat hij er een rijk was—dit zeker aanstonds uit de zak gehaald en gegeven. En wanneer de vrager het dan niet had kunnen openen, zou hij, ondanks zijn verlegenheid, stellig gezegd hebben: „Zo moet u doen” en het de man even uit de handen hebben genomen.
Leid de aandacht van het kind af.
En gij bepaalt juist de aandacht bij het kind.
Win zijn belangstelling voor onpersoonlike realiteiten.
En gij exploiteert de niet eens bestaande belangstelling.
Kinderen zijn heus dikwels net vogeltjes.
Loop je ze na, dan vliegen ze weg.
En blijf je rustig zitten, dan komen ze vlak bij je.Op 't laatst pikken ze de kruimels van je ontbijttafel. Die schuwe vogeltjes.
„Vader, mag ik vanmiddag fietsen?”
„Wel meid, dat hoef je mij niet te vragen.”
„Nou, zeg u nou maar, mag ik?”
„Dat moet je immers zelf weten. Heb je je werk af?”
„Neen, nog niet.”
„Dan zul je zelf wel weten, of je tijd hebt om te fietsen.”
„Nou maar, zegunu, mag ik fietsen? Ja of neen?”
„Dat laat ik aan jou over.”
„Dan zal ik in vredesnaam maar gaan werken,” en de dertienjarige hogere-burgerin droop af, naar haar eigen kamertje.
„Wat ben je toch een steen,” zei Moeder. „Je zag toch, hoe graag 't kind wou, en je antwoordde haar net of je er niets om gaf.”
„Wat had jij dan gewild?”
„Dat je 't haar had toegestaan, óf verboden. Een van tweeën. Maar nu liet je 't kind helemaal in d'r eigen twijfel.”
„'t Kind? Je moest liever zeggen: de onnozele stakkerd. Merkte je niet, wat ze wou?”
„Wat dan?”
„Ze wist heel goed, dat ze nog werk te maken had. En ze wou toch graag fietsen. Nu wou ze van mij absoluut een beslissing hebben. Had ik „ja” gezegd, dan was ze gegaan en had mij de verantwoordelikheid van de gevolgen laten dragen. Was dan morgen haar werk niet klaar geweest, dan had ik nog mogen horen: Ja, u hebt gezegd, dat ik gaan mocht. En had ik „neen” gezegd, dan was ze boos afgetrokken met de klacht, dat zij „ook nooit wat mocht” en dan had ik al weer de verantwoordelikheid te dragen van haarknorrige stemming en de noodlottige gevolgen daarvan in verzwakking der leerkracht. Neen vrouw, die steen wist heel goed wat hij deed.”
„Maar waarom heb je haar dan niet even een goede raad gegeven? Als je nu gezegd had: Werk nu eerst een uurtje, dan ben je klaar, en dan kun je zoveel te heerliker genieten. Maar je zat daar als een stuk ijs. Niets aardig.”
„En denk je, dat ze die goede raad van me nodig had? Dat ze niet uit zichzelf zo slim was? Ik heb haar de beste raad gegeven, die er was: Doe wat je wilt, maar draag zelf de verantwoordelikheid. Iedere preek van mij had de kracht van die raad verzwakt. Maar weet je hoe kinderen zijn? Ze willen wel zondigen—maar niet de verantwoordelikheid dragen. Die laten ze liever aan vader en moeder.”
„Hoe weet je dat?”
„Omdat ik zelf ook zo ben. 't Is de menselike natuur. En al van Adam en Eva af. Adam schoof het op Eva, en Eva op de slang. De slang maakte er zich niet druk over. Meneer de Duivel wil de verantwoordelikheid wel op zijn smalle schoudertjes dragen. Hij laat ze er toch weer afglijden. Hijkentgeen verantwoordelikheid. Want—en dit is zijn pure, onredbare duivelnatuur—hij heeft geengeweten.”
„En?”
„En? Wel,alonze opvoeding is gegrond op de zekerheid, dat het kind eengewetenheeft. Bezaten we die gewisheid niet, dan konden we wel uitscheiden. Zwakken kun je sterken, dommen kun je verstandigen,maar gewetenlozen zijn onverbeterbaar. En toch doen zoveel opvoeders dageliks hun best om 't geweten der kinderen te verslappen.”
„Maar....”
„Ja zeker. Door hun eeuwigdurend gebieden en verbieden, dreigen en straffen slaan ze het geweten murw als met zweepslagen. En door hun opdringen van goede raad en wijze vermaning begraven ze het als onder zand. Het is een kracht, en die moet werken. Werkende groeien de krachten. En het geweten werkt alleen, als er verantwoordelikheid gedragen wordt.—Zag je wel, met wat een beslistheid de dertienjarige Eva aftrok? Dat was de onderwerping aan de tiraninhaar. Geloof maar gerust: de tiran zit niet hier op een stoel met jou te praten. Maar Eva heeft heminzich. En wees daar maar heel dankbaar voor.”
Een uur later.
Daar is de hogere-burgerin weer:
„Ziezo, nu ga 'k een uurtje fietsen.”
„Ga-je? Ga-je? En vraag je dat maar niet eens?”
„Maar Moeder! Vader heeft toch gezegd, dat ik het zelf weten moest?”
„Zeker, maar daarom kon je het toch wel vragen?”
„Ik heb mijn werk af, Moeder!”
„Zeg eens Eva,” vraagt Vader, „waarom vroeg je het een uur geleden wel, en nu niet?”
„Ja—waaróm—”
„Nu?”
„Dat zou ik zo ineens niet kunnen zeggen.”
„Probeer het toch maar eens.”
„Nu—ik geloof—omdat—ik toen—mijn werk nog maken moest.”
„En dat bezwaarde je.”
„Ja.”
„En toen vond je geen vrijheid om te gaan.”
„Ja.”
„En je wou toch graag.”
„Ja.”
„En toen dacht je: ik zal 't aan vader vragen, dan moet die 't maar weten.”
„Ja, 'k geloof het wel.”
„En heb je nu ook behoefte, om 't aan mij te vragen?”
„Och, ikwil't u wel vragen, maar ik heb er geenbehoefteaan.”
„Dat komt, omdat je geweten nu vrij is.”
„Ik geloof het ook.” En dan glimlachend: „Zo'n geweten is een lastig ding.”
„Als het niet lastig was, zou het zijn last niet kunnen volbrengen. Maar ga jij nu fietsen, en vraag het nooit meer aan je vader, want die is barbaar genoeg, om op het juiste ogenblik—te zwijgen.”
Eva geeft Vader een zoen. Moeder ook. En weg is ze.
Jean Jacques Rousseauschreef eens: „Si les sacrifices que l'on fait au devoir et à la vertu coûtent à faire, on en est bien payé par les doux souvenirs qu'ils laissent au fond du cœur.”
De man die dit zo mooi schreef, was prachtig in de gelegenheid offers aan de plicht en de deugd te brengen. „Een verbinding met een zeer goedhartig, maar op het onnoozele af dom meisje,Thérèse Lavasseur, die zich door haar familie liet uitbuiten, wordt later ontgoocheling en drukkende last, die argwaan voedt en geestelijke gemeenschap buitensluit. Hij legt de uit deze verbintenis gesproten kinderen te vondeling.”2)
Het hele leven van Rousseau was wel een beetje een leven van zich-laten-gaan. Dit was jammer, want wat zou zulk een wereldberoemd pedagoog aan de bodem van zijn hart anders een „doux souvenirs” hebben kunnen bezorgen. Hij had door die verbinding met dat zeer goedhartige doch domme Treesje zich zo'n kostelike kans verschaft tot het brengen van offers „au devoir et à la vertu”. Men kan toch bezwaarlijk ontkennen, dat het tot zijn plicht behoorde, aan die vrouw te arbeiden, juist omdat ze dom was, haar te beschermen tegen de uitbuitende familie. En enige deugd mag er toch ook wel in gestoken hebben, de kinderen uit deze verbintenis een opvoeder te schenken als b.v. laterEmilewerd toebedacht, zo eentje als er bezig was te ontstaan in het brein van hun vader.
En zie, wat doet deze man? Hij laat zijn mooie kansen eenvoudig glippen. Hij schrijft een boek, en nog een boek, en weer een boek, en betovert de wereld en doet zelfs de ordelike Emanuel Kant zijn dageliksewandeling vergeten tot verbazing van diens buren, en schenkt de naam vanThérèse Lavasseureen plaats in de historie, als waarnaar menig trouwe huismoeder te vergeefs mag uitkijken.
Les sacrificeswaren hem te machtig.
Laten we eens een ogenblik denken, dat deze artiest geen schrijverstalent had bezeten, maar zijn brood had verdiend met boeren. Dat hij niettemin dezelfde opvoedingsinzichten had ontwikkeld als hem tans beroemd hebben gemaakt. Maar dat hij die had toegepast bij zijn eigen kinderen.
Laten we daarbij onderstellen, dat hij niet zijn „contract social” had geschreven, maar de idee daarvan in zijn eigen gezinnetje had uitgeleefd, zodat daar de souvereiniteit berustte bij Thérèse en hem en niet bijThérèse's uitbuitende familie.
Dan wareJean Jacquesnooit de wereldberoemde pedagoog geworden. Dan had hij maar zo simpel weg daarheen geleefd, nauweliks opgemerkt door zijn omgeving, gelijk er honderden, rustig-braaf, eenvoudig verstandig, hun dagtaak en hun ouderplicht vervullen. Dan ware hij door overmaat aan deugd onberoemd gebleven.
Nu is hij „Co de Reformateur” geworden, de grote man uit Starings puntdicht, die zijn geld en goed in brassende overdaad had verteerd, zodat het braadspit in zijn keuken door gemis aan werkzaamheid aan 't roesten trok—en die tans voor de welvaart van het hele volk zal zorgen. Staring zegt het zo aardig met zijn ondeugende humor en in zijn fijn gevoel voortegenstelling werktuig tegenover werktuig plaatsend: Co, die 't eenvoudige braadspit in zijn eigen keuken niet aan het draaien kon houden, mag vrij knoeien—aan het ingewikkelde werktuig, dat de planeten haar banen om de zon doet afleggen. En 't volk vertrouwt hem:
Co smulde tot hij hongren moest.Zijn keukenreêschap staat en roest.Dit deert hem niet in 's volks vertrouwen.Men zweert bij zijn specificum,3)En die geen spit aan gang kan houen,Knoeit vrij aan 'tplanetarium.
Co smulde tot hij hongren moest.Zijn keukenreêschap staat en roest.Dit deert hem niet in 's volks vertrouwen.Men zweert bij zijn specificum,3)En die geen spit aan gang kan houen,Knoeit vrij aan 'tplanetarium.
Wonderbaarlik, dat zulke begaafde naturen de practijk, die zij zo schitterend bepleiten, niet liever eenvoudig beoefenen.
En toch niet wonderbaarlik.
Het bezwaar zit in de geeiste offers.
Wie een boek schrijft of een rede houdt over de hervormingen die hem nodig dunken, geniet van zijn stemmingen, beelden, gedachten, laat zich gaan in zijn artistieke scheppingsdrang, en na de zelfvoldoening tijdens het schrijven of spreken volgt de weelde van het succes. Hem worden geen offers gevraagd.
Maar o, die offers! Pas melden ze zich aan, of erontstaat een hinderlike stremming in het opgewekte geestesleven. De gedachten willen niet komen en het gemoed wordt vervuld met wrevel. In plaats van een zonnige glans die vrolik de idealen verlichtte, de eigene, de schone, de met liefde gekoesterde, komt er dofheid. De vurige pleitbezorger zakt ineen, als hij de zege van zijn pleidooi in eigen levenskring mag bewerken.
Het zijn de offers, die iemands waarachtigheid toetsen, altijd weer de offers.
Eigenlik is niet alleen de opvoeding, maar het gehele leven dood-eenvoudig. We behoeven geen godgeleerde of wijsgerige stelsels door te werken, om de levenstaak te begrijpen. Die taak ligt voor ieder klaar. Deenigevraag is: Wilt ge uw offers brengen?
Maar die vraag komt neer op deze eis: Verlochen uw eer, uw roem, uw voordeel, uw zinnestreling, uw gemak.
En dat is wel eenvoudig, maar tevens buitengemeen moeilik.
Dood-eenvoudig betekent niet dood-gemakkelik.
Juist dat dood-eenvoudige vordert vaak àlles van ons. En daardoor is het zo uiterst moeilik.
Maar wie zijn eigen kinderen te vondeling legt om een papieren Emile op te voeden, geeft der wereld niet het voorbeeld, hoe zij vooruitgebracht moet worden. Zoete herinneringen zullen hem nimmer 't harte strelen, waar de eerste plicht verzuimd en de eerste deugd verkracht werd. Doch het ergste is: hij voedt de mensheid op tot verwaarlozing ondanks al zijn mooie taal.
Geen vooruitgang zonder persoonlike offervaardigheid.
Het spreekt wel vanzelf, dat ik in bovenstaande regelen geen beoordeling van Rousseau geef, noch van zijn leven, noch van zijn denkbeelden. Ik wil alleen naar aanleiding van de schrille tegenstelling tussen de prachtige frasen en de lelike daden, de volle nadruk leggen op de tot ons alles komende eis: Praat er niet over. Doe!
En die eis is dood-eenvoudig.