Weet ge waar veel straffen het bewijs van is?
Dat er veel verkeerdheden in uw gezin of uw klas gebeuren.
En onder wiens leiding staat dat gezin of die klasse?
Gij straft dus de verkeerde gevolgen van uw eigen verkeerde leiding.
Veelvuldig straffen veroordeelt de opvoeder. Met elke straf corrigeert hij zichzelf. Maar 't is een correctie, die zijn slachtoffer pijnigt.
2)R. Casimir. Bekn. Gesch. der Wijsbegeerte, 1e deel, blz. 327.
2)R. Casimir. Bekn. Gesch. der Wijsbegeerte, 1e deel, blz. 327.
3)Een specificum, n.l. een speciaal en afdoend middel, gelijk de kwakzalvers er op na houden, ook de politieke, pedagogiese en theologiese.
3)Een specificum, n.l. een speciaal en afdoend middel, gelijk de kwakzalvers er op na houden, ook de politieke, pedagogiese en theologiese.
Naar aanleiding van mijn „Dood-eenvoudig IV” ontving ik de volgende brief.
Geachte Heer Ligthart,U durft.Dit zeg ik niet, omdat u den moed toondet, in den vorigen jaargang een paar anonyme briefkaarten te doen afdrukken, waarin de schrijver zich zeer krenkend uitliet over uw ambt. U is wijs genoeg, om te weten, dat zulke uitingen zich altijd keeren tegen den schrijver. Die publicatie acht ik meer een bewijs van uw menschenkennis dan van uw moed. Zulke bestrijding maakt altijd de positie van den aangevallene sterker. De schrijver met zijn tartend „U durft toch?”4)kende u niet.Maar u durft in de practijk der opvoeding. Daarin durft u waarlijk verder te gaan, dan ik ooit gezien heb. Dat u aan een dertienjarige hoogere-burgeres de zelfstandige beslissing laat over haar arbeid en haarontspanning, dat is mij inderdaad een waagstuk, dat ik u niet zou durven nadoen en ik denk hier de overgroote meerderheid der ouders aan mijn zijde te hebben.Ik heb ook kinderen van dien leeftijd en toevallig bezoekt er ook een de H. B. S. Het is een flinke en heusch niet ongehoorzame jongen, maar ik verzeker u, als ik hem de vrijheid liet, om te gaan fietsen wanneer hij wilde, dat hij daarvan dan al spoedig een veel te ruim gebruik zou maken en er weinig van zijn werk terecht zou komen. Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, al bevalt de eerste hem niet immer, en bevindt zich daar wel bij. Ik houd er de hand aan, en ik mag gerust zeggen: met goede gevolgen. Op de lagere school is hij geregeld overgegaan, en op de middelbare school gaat alles ook naar wensch: zijn werk is steeds af en zijn cijfers zijn goed. Maar ik ben er gansch niet zeker van, dat zulks het geval zou wezen, wanneer ik hem, naar uw advies, maar gaan liet. Tal van voorbeelden zijn er toch, hoe jongens en meisjes op H. B. S. en Gymnasium mislukken, doordat de ouders te veel vrijheid laten. De jongelui gaan naar het sportterrein, maken fietstochten, zitten in clubs, doen precies wat ze willen—dat is natuurlijk nooit: lessen leeren—en het eind draagt den last. Er komen slechte rapporten, er volgt zittenblijven, ten slotte verwijdering of zakken.Uw stukje opvoedings-practijk komt mij uiterst gevaarlijk voor. Het is een loopen over het slappe koord.Slechts een enkele brengt het kunststuk er heelhuids af, honderden tuimelen naar beneden. Er zullen ouders zijn, verleid door het „dood-eenvoudige”, die bij allerlei verzoeken hunner kinderen antwoorden: Dat moet je zelf maar weten. Dan zijn zij er van af. De methode is waarlijk dood-eenvoudig, en voor de opvoeders zeer gemakkelik. Maar die ouders zullen bedrogen uitkomen. De kinderen die het zelf moeten weten,zijn te jong, om het zelf te weten. Ze hebben de kracht niet, om zich tegen de verzoeking staande te houden. Ze beseffen de noodzakelijkheid niet van hun geregeld en nauwgezet arbeiden. Ze hebben nog niet een voldoend ontwikkeld plichtsgevoel. En ze doen, wat ze laten—ze laten, wat ze doen moesten.Daarom achtte ik het mijn plicht, tegen uw methode ernstig te waarschuwen.Van uw bekende en gewaardeerde gastvrijheid, waarop ik rekenen durf, maak ik gaarne gebruik, om mijn waarschuwing onder de oogen uwer lezers te brengen. Als jarenlang trouw lezer weet ik, dat u aan tegenstanders „het onweersproken woord” laat. Maar ditmaal zou ik het toch op prijs stellen, wanneer u, mocht u hiertoe aanleiding en lust hebben, wat dieper op de zaak inging en mij even onomwonden te woord wilde staan als Dr. A. De kwestie is, dunkt mij, een ernstig overwegen waard.Hoogachtend,Uw dw. lezerG. de Haan.
Geachte Heer Ligthart,
U durft.
Dit zeg ik niet, omdat u den moed toondet, in den vorigen jaargang een paar anonyme briefkaarten te doen afdrukken, waarin de schrijver zich zeer krenkend uitliet over uw ambt. U is wijs genoeg, om te weten, dat zulke uitingen zich altijd keeren tegen den schrijver. Die publicatie acht ik meer een bewijs van uw menschenkennis dan van uw moed. Zulke bestrijding maakt altijd de positie van den aangevallene sterker. De schrijver met zijn tartend „U durft toch?”4)kende u niet.
Maar u durft in de practijk der opvoeding. Daarin durft u waarlijk verder te gaan, dan ik ooit gezien heb. Dat u aan een dertienjarige hoogere-burgeres de zelfstandige beslissing laat over haar arbeid en haarontspanning, dat is mij inderdaad een waagstuk, dat ik u niet zou durven nadoen en ik denk hier de overgroote meerderheid der ouders aan mijn zijde te hebben.
Ik heb ook kinderen van dien leeftijd en toevallig bezoekt er ook een de H. B. S. Het is een flinke en heusch niet ongehoorzame jongen, maar ik verzeker u, als ik hem de vrijheid liet, om te gaan fietsen wanneer hij wilde, dat hij daarvan dan al spoedig een veel te ruim gebruik zou maken en er weinig van zijn werk terecht zou komen. Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, al bevalt de eerste hem niet immer, en bevindt zich daar wel bij. Ik houd er de hand aan, en ik mag gerust zeggen: met goede gevolgen. Op de lagere school is hij geregeld overgegaan, en op de middelbare school gaat alles ook naar wensch: zijn werk is steeds af en zijn cijfers zijn goed. Maar ik ben er gansch niet zeker van, dat zulks het geval zou wezen, wanneer ik hem, naar uw advies, maar gaan liet. Tal van voorbeelden zijn er toch, hoe jongens en meisjes op H. B. S. en Gymnasium mislukken, doordat de ouders te veel vrijheid laten. De jongelui gaan naar het sportterrein, maken fietstochten, zitten in clubs, doen precies wat ze willen—dat is natuurlijk nooit: lessen leeren—en het eind draagt den last. Er komen slechte rapporten, er volgt zittenblijven, ten slotte verwijdering of zakken.
Uw stukje opvoedings-practijk komt mij uiterst gevaarlijk voor. Het is een loopen over het slappe koord.Slechts een enkele brengt het kunststuk er heelhuids af, honderden tuimelen naar beneden. Er zullen ouders zijn, verleid door het „dood-eenvoudige”, die bij allerlei verzoeken hunner kinderen antwoorden: Dat moet je zelf maar weten. Dan zijn zij er van af. De methode is waarlijk dood-eenvoudig, en voor de opvoeders zeer gemakkelik. Maar die ouders zullen bedrogen uitkomen. De kinderen die het zelf moeten weten,zijn te jong, om het zelf te weten. Ze hebben de kracht niet, om zich tegen de verzoeking staande te houden. Ze beseffen de noodzakelijkheid niet van hun geregeld en nauwgezet arbeiden. Ze hebben nog niet een voldoend ontwikkeld plichtsgevoel. En ze doen, wat ze laten—ze laten, wat ze doen moesten.
Daarom achtte ik het mijn plicht, tegen uw methode ernstig te waarschuwen.
Van uw bekende en gewaardeerde gastvrijheid, waarop ik rekenen durf, maak ik gaarne gebruik, om mijn waarschuwing onder de oogen uwer lezers te brengen. Als jarenlang trouw lezer weet ik, dat u aan tegenstanders „het onweersproken woord” laat. Maar ditmaal zou ik het toch op prijs stellen, wanneer u, mocht u hiertoe aanleiding en lust hebben, wat dieper op de zaak inging en mij even onomwonden te woord wilde staan als Dr. A. De kwestie is, dunkt mij, een ernstig overwegen waard.
Hoogachtend,
Uw dw. lezerG. de Haan.
G. de Haan.
Gaarne wil ik op dit schrijven antwoorden, te liever, omdat het zeker de mening van zeer velen vertolkt. De heer De Haan windt er geen doekjes om, waar hij mijn metode gevaarlik noemt en vreest dat ze honderden zal doen tuimelen. Het verheugt mij, dat hij het daarom zijn plicht heeft geacht, tegen die metode te waarschuwen. Dat hij het in zo krachtige en besliste bewoordingen heeft gedaan, zonder ook maar een ogenblik kwetsend te worden, bewijst wel dat men zakelik kan strijden zonder persoonlik te krenken, een kunst, die bizonderlik in het worstelperk der opvoeding moet worden beoefend. Laat ik mij aan hem spiegelen, waar ik beproeven ga mijn zienswijze te verdedigen.
Twee uitingen troffen mij in de brief. Aan het slot spreekt de schrijver van een gastvrijheid, waarop hij rekenen durft. Dit is een durven op grond van ervaring. Hij wist wel, dat die gastvrijheid hem niet zou worden geweigerd. Hij vertrouwde er op met volmaakte zekerheid. Dit vertrouwen, deze ervaring, deze zekerheid ontnamen aan zijn durven al het durven.
Wat zou hij ervan zeggen, als mijn durven—of eigenlik het durven van die vader in mijn schetsje—ook niet de geringste moed vereiste, omdat het gegrond was op ervaring? Die man maakte toch immers in 't minst niet de indruk van een waaghals of een held? Hij was heel kalm en volkomen zeker van zijn zaak. Hij zette zijn opvoedkundig fortuin niet op één kaart, noch zijn kind op 't slappe koord. Hij ontwikkelde zijn kracht in een paar simpele vragen en dwonghet kind door 't kind zelf. En dit deed hij met zulk een gemak, dat hij blijkbaar dit instrument meer bespeeld had.
Deze opmerking brengt me tot de twede uiting. De schr. vreest slechte gevolgen, wanneer hij de jongen, naar mijn advies, „maar gaan liet”.
Doch waar heb ik dat ooit geadviseerd? Een kind maar laten gaan. Dat is nog erger dan de Rousseausche zorg, om het schaap te vondeling te leggen. Zo'n vondeling krijgt in het vondelingenhuis altans nog een soort opvoeding. Maar laten gaan? Wat zijn de mensen toch slechte lezers of partijdige formuleerders. Nooit heb ik aangeraden: Laat uw kind maar gaan. Precies omgekeerd heb ik meermalen gezegd: Laat de kinderen tot u komen en verhinder ze niet. Volg hierin Christus na. Stoot ze niet van u, trek ze aan, houd de armen voor hen geopend, koester ze met uw liefde, leid ze met uw wijsheid, vorm ze met uw willen. De kinderen laten gaan? En dat zou ik geadviseerd hebben? Zie, zo verkeerd vatten zelfs welwillende lezers iemands uitingen op. Wat moet er dan van de kwaadwillende verwacht worden? En deze welwillende schrijver komt gelukkig met zijn bezwaren nog in ons blad, gunt en vraagt me zelfs nadere toelichting. Maar wat moet het gevolg zijn, wanneer kwaadgezinde en ergdenkende critiek zich in andere bladen verkneukelt in haar lasterlike voorstellingen? Dan vormen zich in sommige lezerskringen totaal valse meningen, tot schade van de zaak waarom het gaat. Het doet er natuurlik niets toe, of men omtrenteen persoon bedriegelik voorgelicht wordt. Maar het is van ernstige betekenis, met het oog op het belang der kinderen, wanneer een opvoedingsrichting verkeerd wordt gekarakteriseerd. En dit geschiedt, wanneer de handelwijze van de vader in het schetsje wordt gelijk gesteld met de „Laat-maar-gaan”-metode.
De „Laat-maar-gaan”-metode wordt gevolgd, waar niet met de kinderen wordt meegeleefd, waar men dientengevolge de kinderen niet kent, en ze, al of niet, met tussentijdse afstraffingen, in vrijheid laat verwilderen. Die tussentijdse afstraffingen veranderen niets aan de aard dezer onmetode der zorgeloosheid. Of een vader zo nu en dan al eens duchtig opspeelt en ranselt, als er eenmaal een kwaad gebeurd is, dat maakt hem nog niet tot een zorgzaam leider. Die uitbarstingen herstellen de verwaarlozing niet. Hij laat zijn kinderen gaan, totdat er iets ernstigs voorvalt, en dan treedt hij op. Dit is natuurlik mis en dit is nooit door mij aanbevolen. Dit is toch immers ook niet de tactiek van de vader der hogere-burgeres? Hij kende zijn kind door en door, nog beter dan de moeder het kende. Hij leefde als 't ware in het kind. Hij begreep haar daden, zag haar gemoedsbewegingen, koos zijn middelen, voorkwam haar afdwalingen, bewaarde 't kind voor de zonde, spaarde zichzelf het straffen, en sterkte het weifelende meisje in willen en doen. Is dit het kind maar laten gaan? De geachte schrijver weet wel beter.
Er is juist een treffende overeenkomst tussen het optreden van de heer De Haan en dat van die vader. Namelik:Dat beiden zich met hun kind bemoeien. En hierin staan zenaast elkaartegenover de laat-maar-gaan-mensen.
Wat is echter het verschil?
Dat de heer De Haan, gelijk hij het zelf aanschouwelik uitdrukt, er „de hand aan houdt”, terwijl de ander 't zonder hand klaarspeelt. De eerste bemoeit zich met alle bizondere plichten van het kind, de laatste alleen met het algemene feit der plichtsvervulling. En dan kiezen beiden nog verschillende middelen.
„Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, en bevindt zich daar wel bij.”
Ik prijs de jongen gelukkig met zo'n vader, en de vader met zo'n kind. Het ware te wensen, dat het nergens minder was. Maar wanneer de jongen nu eens niet in de gelegenheid was, alles te vragen? Wanneer Vader eens voor lange tijd op reis moest, ernstig ziek werd, stierf? Het kan voor niemand goed wezen, dat zijn geweten bij een ander gedeponeerd ligt. Ook niet voor een kind. Dat is een ding, dat ieder voor zichzelf moet hebben, gelijk elk uurwerk zijn veer. Vragen kan tweeërlei doel hebben: het kan op inlichting, op raad uitgaan, of op verlof. Het eerste kan natuurlik niet verkeerd zijn, al is het van een oudere niet altijd wijs gevraagde inlichting en raad te verschaffen, wanneer die door geestelike traagheid worden verzocht: laat de kinderen vinden, wat ze zelf kunnen zoeken.Doch het twede neemt verantwoordelikheid af, bestendigt afhankelikheid, voedt niet op tot zelfstandigheid—de deugd, die in 't belang van 't kind zo spoedig mogelik moet worden aangekweekt. Wie zijn kind alles laat vragen, doet het altijd zwemmen op kurken. En hoe, als het nu onverwacht door 't water moet en de kurken zijn niet bij de hand?
De heer De Haan, en de zeer velen aan zijn zijde, zullen, vertrouw ik, het zwakke punt van hun kracht zien. Nu wil ik echter niet in hetzelfde euvel vervallen, als waarvan ik zelf de dupe werd, en door verkeerd lezen de tegenstander onrecht aandoen. Ik wil nog verder gaan en de schrijver niet aan zijn woorden houden, doch naar zijn zuiverste bedoeling trachten te begrijpen. En dan moet ik zeker dat woord „alles” niet letterlik opnemen. De jongen zal zijn vader wel niet „alles” behoeven te vragen, hij zal bij zeer veel dageliksche plichten wel weten wat hij doen moet en alleen bij min of meer belangrijke wijzigingen in het dagprogramma zijns vaders wil vernemen. Hij oefent zich dus wel degelik in zelfstandigheid, maakt door stage gehoorzaamheid van zijn plicht een goede gewoonte, en zal, eens te water gaande, op de kurken dier goede gewoonten veiliger drijven dan op zijn eigen nog zwakke beenen.
Is het wonder dat ik, te midden van zoveel karikatuur van „vrije opvoeding”, het kind gelukkig prijs, dat aldus wordt gebonden? Verre te kiezen deze leiband-metode boven een vrijheid, die niets anders is dan volslagen ongebondenheid en die het kindroerloos laat zwalken in een zee vol blinde klippen. En hier blijkt het, dat de heer De Haan en die vader het nog verder met elkaar eens zijn dan in het zich bemoeien met het kind: beiden willen het kindbinden, en aldus leiden.
Maar nu komt het verschil: de eerste bindt het kind zo lang mogelik met uiterlik gezag, met wat ik zou willen noemen: een moreel mechanisme, met zedelike werktuiglikheid, en de laatste wil zo spoedig mogelik binden door zedelik gevoel, door de innerlike tirannie van het geweten. Het is, als ik goed zie, de grote tegenstelling tussen de vrijheid van het alleseisende christendom, en de vormelike gehoorzaamheid aan de voorschriften van het wettiese gezag.
Deze formulering van het onderscheid schijnt zuiver, en toch zou de heer De Haan zich juist op deze formulering kunnen beroepen, om zijn positie verkiezelik boven de andere te achten. Is het, kan hij vragen, dan niet echt christelik, wanneer het kind in liefde en vertrouwen zijn vader blindelings gehoorzaamt? Is dit zelfs niet de eis van het christendom, dat de mens, zonderredeneringen, de wil volbrengt van zijn Hemelsche Vader? Gehoorzaamheid voortvloeiend uit volmaakt vertrouwen—kan het christeliker?
Ja, het kan christeliker. Paulus zegt: „Ik vermag alles in Christus, die mij kracht geeft.” Dat is niet de stille, vertrouwenvolle gehoorzaamheid. Het is meer. Het is de geest van liefde, van heiligheid, het is de Christusgeest, wonende, werkendeinPaulus.Het is Godinde mens. Het is de Goddelike bezieling.
Nu willen we hier niet pogen te ontleden, wat wij onder God verstaan. Voor ons doel is het genoeg, als wij bij deze naam ons vaag iets bewust worden van volmaakte heiligheid en liefde. En dan zeggen we: beheerst worden door die geest, gedwongen worden door die geest, gelijk deze in Christus tot ons gekomen is, dat is zuiver christelik.
Men mag zich niet achter Christus verschuilen, om iedere gehoorzaamheid aan ouderlik voorschrift christelik te noemen, zelfs niet als die gehoorzaamheid geschiedt in volmaakt vertrouwen. Rooverskinderen kunnen ook hun ouders vertrouwen en in gehoorzaamheid aan hun bevelen op roof en moord uittrekken. Christelik wordt de opvoeding pas, als het kind in zijn vader de Christengeest gehoorzaamt, zich steeds helderder bewust wordt wat deze van hem vordert, en het zijn vader missen kan, omdat het Christus in zich heeft, omdat Diens krachten in hem werken.
Daarom is christelike opvoeding: gewetenscultuur. „Zonder Mij kunt gij niets doen,” zei Christus zelf. Zijn geest van heiligheid en liefde moet heersen, enzonder dezewordt de opvoeding een niet gevaarloze werktuiglikheid.
Gebondenheid aan een gezaghebber buiten of aan een heerser binnen ons—ziedaar het eerste onderscheidin het hangende geding. De voorrang van de laatste wordt al verzekerd, doordat hij de mens overal verzelt.
Een twede verschilpunt kwam uit in de zelfwerkzaamheid der zedelike natuur, waartoe de vrijheid verplicht, de vrijheid onder leiding. Gehoorzamen aan een uitwendig machthebber is voor de overgrote meerderheid zoveel gemakkeliker, dan onderwerping aan eigen plichtsbesef. Het laatste, met zijn gelegenheid tot ontduiken, maakt de strijd dikwels zo zwaar. Aan een gezag buiten ons, dat zijn machtsmiddelen kan aanwenden, onttrekt men zich niet licht. Slavernij is op slot van rekening bij een goed meester, voor velen een begeerlike toestand, en dit ondanks al het geschreeuw om vrijheid.
Hoe willig onderwerpen de mensen zich aan de tirannie der mode. Zijn er velen, die, tegenover haar, eigen zelfstandigheid kunnen handhaven? Hoe veilig voelen millioenen zich in de schoot der kerk. Als de priester het maar weet, is 't hun genoeg, en gaarne volgen ze de voorschriften. Hij draagt de verantwoordelikheid en zij zijn zalig in hun gehoorzaamheid. Niet verplicht worden tot een keuze, het is bewaard worden voor de strijd.
Maar, al is het waar, dat het trouw volgen van voorschriften goede gewoonten aankweekt, voor afdwalen behoedt, en een zekere stugge kracht ontwikkelt, het is ook waar, dat deze eenmoreleconsolidatie, maar geen zedelike stijging is. Die wordt alleen door strijd bewerkt. Móéten kiezen, móéten beslissen, móétendoorzetten—kúnnen dwalen, kúnnen weifelen, kúnnen opgeven—ziedaar voorwaarden voor zedelike groei. En dus vordert de zedelike opvoeding een vrijheid, die—berekend naar zijn krachten—het kind tot kiezen, beslissen, doorzetten verplicht.
Gelijk bij alles moet er evenredigheid zijn tussen taak en kracht. Niemand denkt er aan een zuigeling met bruine bonen te voeden, een zesjarige de worteltrekking te doen uitvoeren, een tienjarige met honderd kilo te belasten. Zo behoort ook de verantwoordelikheid in overeenstemming te zijn met leeftijd, aanleg, bereikte hoogte. De heer De Haan merkte op, dat kinderen die nog te jong zijn om op eigen benen te staan, gesteund moeten worden. Men kan het hiermee eens zijn en toch menen, dat dit steunen geen dragen mag wezen, dat kruipende kinderen hun spieren ontwikkelen, en zij wel door kruipen, maar niet door gedragen-worden tot lopen komen.
Gewetenscultuur is misschien wel een der moeilikste opvoedingsplichten. Zeker is ze een der voornaamste. Maar nooit vervullen we deze plicht naar behoren, als we dit wondere orgaan van de geestelike natuur buiten werking houden. Vroeg beginnen, héél vroeg, met het doen dragen van kleine verantwoordelikheden; met het schenken—neen, het verplichten tot zekere zelfstandigheid; met het verlenen—neen het noodzaken tot zekere vrijheid; dit is, naar mijn ervaring, de weg, waarlangs het geweten zichzelf voedt en versterkt. Mits op die weg de „Zon der gerechtigheid” schijnt.
Er is in onze tijd een schreeuwen naar vrijheid en zelfstandigheid. Ik begrijp niet, hoe iemand zich daarover bekommerd kan maken. Ik zou zeggen: Is het u ernst, hier hebt ge vrijheid, hier hebt ge zelfstandigheid. Doe uw plicht en draag de verantwoordelikheid. Waarom zijn velen zo bang, aldus te spreken? Is het, omdat zij niet begonnen zijn, en dageliks voortgaan, met gewetenscultuur? In deze ligt de oplossing der politieke, der sociale vrijheid—misschien wel der hele sociale kwestie. Want deze is in hoogste instantie een opvoedingsprobleem.
Ontdek het kind zijn sluimerende kracht,En breng die tot ontwikk'ling door waardeeren,Dan zal de lust in d'arbeid hem regeerenEn hebt ge uw „deugniet” 't rustigst in uw macht.
Ontdek het kind zijn sluimerende kracht,En breng die tot ontwikk'ling door waardeeren,Dan zal de lust in d'arbeid hem regeerenEn hebt ge uw „deugniet” 't rustigst in uw macht.
4)De briefschrijver zinspeelt hier op eenige in School en Leven ingezonden anonyme stukjes aan het adres van den redacteur, onder 't motto: „U durft toch?”
4)De briefschrijver zinspeelt hier op eenige in School en Leven ingezonden anonyme stukjes aan het adres van den redacteur, onder 't motto: „U durft toch?”
(EEN TOESPRAAKJE).
Godsdienstwekkenin het kinderhart? Dan moet er ook godsdienstsluimerenin het kinderhart.
Natuurlik. We moeten van een godsdienstige aanleg kunnen uitgaan, een aanleg, die wij tot groei en ontwikkeling kunnen brengen. Hoe zou er anders later van een godsdienstig leven sprake kunnen zijn? De gehele plant met haar schoonste bloemen is reeds in de kiem aanwezig.
Die godsdienstige aanleg openbaren de kinderen aan ons het allereerst in hun aanhankelikheid en vertrouwen. Kinderen, die zich met volkomen, naief vertrouwen naar volwassenen begeven en zich jegens deze aanhankelik betonen, doen hierin de eerste groene sprietjes van hun godsdienstige aanleg zien.
Is ook onze godsdienst niet grotendeels aanhankelikheid en vertrouwen? Aanhankelikheid jegens onze Schepper en vertrouwen in zijn Vaderliefde?
Het vertrouwen van kinderen in volwassenen is, helaas, dikwels misplaatst. Dat is dan echter niet de schuld van dat vertrouwen, die onmisbare eigenschap der jeugd, maar van de verdorvenheid der volwassenen.
En zo, wordt, door de zelfzucht der ouderen, ook vaak de aanhankelikheid der jongeren teruggewezen. Maar dit neemt niet weg, dat beide eigenschappen getuigen, hoe de jonkheid zich overgeven en hechten wil aan de voor haar hoogere macht der volwassenheid.
Ons hechten en overgeven, met vertrouwenvolle aanhankelikheid, aan de Hoogste Macht, dit is het wezen van ònze godsdienst, waarin de kinderen niet ons, maar wij de kinderen gelijk moeten worden.
Eigenlik is het dan ook minder juist te spreken van godsdienstwekkenin het kinderhart. We moeten hem alleen de gelegenheid niet benemen, zich te openbaren. Dan verschijnt hij vanzelf.
Wij ouderen behoeven voorlopig niets in het kind op te roepen. We moeten alleen in het kind iets niet indrukken en verstikken. Doch hiertoe moeten we aan onszelf iets doen.
Vele volwassenen, ja ook ouders, missen liefde, geduld, belangstelling, om de uitingen van het kind zelfs maar aan te horen, laat staan te beantwoorden, en in plaats van die lieve aanhankelikheid te dragen, schudden ze haar af als een hinderlike last. Ze redeneren liever, genietend van hun dialecties spel, over de oorsprong van het ouderlik uit het goddelik gezag, dan dat ze God waarlik vertegenwoordigen in diens onuitputtelike liefde en geduld. Redeneren over aangevochten meningen is zoveel gemakkeliker en zelfbevredigender, dan zedelike waarheden uit te leven. Doch zodoende bieden ze het kind geen gelegenheid,zijn aanhankelikheid te tonen, en beschamen het reine vertrouwen, dat het kind onberedeneerd, en helaas ook ongemotiveerd, in hen stelde. De ontluikende godsdienst wordt in zijn eerste groei belemmerd in stee van bevorderd, en geen gedogmatiseer en gephilosofeer kan later herstellen, wat door verwaarlozing vroegtijdig aan zielekrachten vernield is.
Verhinder uw kinderen niet.
Dat is ook het woord van den Heiland: „Laat de kinderen tot mij komen en verhinder ze niet.”
Maar Hij kon dit onvoorwaardelik zeggen. Hij in zijn liefde, in zijn reinheid, wilde de kinderen in zijn armen nemen en Hij kon het veilig doen.
Hij kon hen koesteren. Hij kon hen ook leiden.
Doordat Hijzelf vol Godsvertrouwen was, kon Hij dat vertrouwen in hen vestigen en versterken.
Doordat Hij zijn Vader in de hemelen liefhad boven alles, kon Hij die liefde in de kleinen wekken en voeden.
Doordat het Zijn lust was, zijns Vaders wil te doen en niets dan dat, in volkomen gehoorzaamheid, kon Hij zulk een gehoorzaamheid vorderen.
Het is met ons echter zo geheel anders. Wanneer wij de aanhankelikheid der kinderen al aanvaarden met hun vertrouwen, wat hebben wij hun dan aan te bieden? Een leven van zelfzucht, ijdelheid, zinnelikheid, eerzucht, hebzucht. Een leven van aardsgezindheid. Ja, wij hebben ook mooie woorden, waarmeewe hen strelen en onszelf verblinden kunnen. Maar als zij daden vragen? Als hun onbevangen oordeel een pijnlik onderscheid ziet tussen ons zeggen en doen? Als zij teleurgesteld worden, ondanks ons goed willen, door ons armelik kunnen? Dan baat het niet veel, of we hen al of niet verhinderd hebben. Dan hebben we hen toch verhinderd, omdat ze bij ons niet vonden, wat ze nodig hadden. En waar we dan mooier gepreekt dan geleefd hebben—en wie doet dit niet, al draagt hij geen toga—geldt ook voor ons het verwijt uit kindermond:
Zij hebben ons met woorden wel gedreven,Maar hebben ons verhinderd met hun leven.
Zij hebben ons met woorden wel gedreven,Maar hebben ons verhinderd met hun leven.
Aanhankelikheid en vertrouwen van kinderen aanvaarden legt ons een grote verantwoordelikheid op. Zij moeten toch in onshet goedeaanhangen en met hun vertrouwen ook hunzedelik heilaan ons toevertrouwen. En die verantwoordelikheid kunnen wij niet dragen. Ook al openen we de ogen der jongeren niet opzettelik voor onze zwakheden en gebreken, ze zullen die toch spoedig genoeg zien. Daarom verhelen we de kinderen niet, hoe ook wij ons nog kinderen voelen, niet op onszelf kunnen staan, ons aan God vastklemmen en in volmaakt vertrouwen ons aan Zijn Vaderzorg overgeven. Terwijl zij tot ons komen en wij hen met open armen ontvangen, nemen we hen mee tot Hem, den Levende, den Machtige, die zich in Christus geopenbaard heeft als een Vader vol ontfermende liefde, maar ook als de Volmaakte, die zijn kinderende strenge eis voorhoudt: Weest heilig, want ik ben heilig.
Zo leiden we de gevoelens van aanhankelikheid en vertrouwen tot Hem, op wiens liefde zij en wij moeten leren bouwen, en aan wiens heiligheid zij en wij ons moeten leren hechten, die, gevend en eisend, de zoekende en hulpbehoevende mens bij de hand neemt en voert langs Zijn wegen.
De kinderen moeten op Godlerenbouwen enlerenzich aan Hem te hechten. Zo zeiden we. Maar is dit niet in strijd met hetgeen we in de aanvang opmerkten, dat aanhankelikheid en vertrouwen tot de kindernatuur behoorden?
Geenszins. Een jong kind vertrouwt, onder normale omstandigheden, gemakkelik op zijn ouders: het kan hen niet missen en ontvangt van hen niets dan goeds. In zijn afhankelikheid geheel aan hen overgeleverd, ervaart het slechts liefde en zorg. Zo valt het vertrouwen licht.
Doch als de ouders, mede in 't belang van 't kind, moeten weigeren en eisen, verandert de zaak. Dan heeft het kind zijn zelfzuchtige natuur te verlochenen, zijn zondige en zelfs geoorloofde begeerten op te geven, en krijgt het in die strijd vaak zó moeilik, dat het liever op eigen kompas vaart, dan in 't vertrouwen op zijn ouders.
Oneindig veel moeiliker wordt het nog, wanneer heteen volmaakte en volmaaktheid eisende God moet blijven aanhangen en het vertrouwen moet bewaren in Hem, die, in stede van onze lusten te bevredigen, ons vaak schijnt te willen pijnigen en smarten met tegenspoed, armoede, ziekte, zedelike nederlaag. Dan breekt de tijd aan van maar al te gegronde twijfel en al te redelik ongeloof. Dan brokkelt de aanhankelikheid weg en sterft het vertrouwen. Op een mens zouden ze zich nog kunnen verlaten, maar op God? Op zulk een God? Die zijn almacht misbruikt en zijn eigen liefde lastert? Die met pest en oorlog de mensheid, zijn kinderen, teistert? Zij zouden het die God verbeteren.
Gelukkig wanneer zij dan als de diepste psalmdichters en profeten, God aanklagen bij God. Dan zullen zij tot antwoord ontvangen, dat aanhankelikheid en vertrouwen alleen het deel zijn voor de ziel, die waarachtig naar de Allerhoogste hijgt. Niet voor hem, die God begeert als wonderdoend bevrediger van aardse verlangens, maar wel voor hem, wiens hoogste zaligheid is met God één te zijn.
Zullen we zúlk een godsdienst bij hen aankweken, dan moeten we hen vroeg leren, God lief te hebben, opdat die liefde hen redde tegen twijfel en ongeloof. En geen beter weg hiertoe, dan het geestelik verkeer met Jezus, die zichzelve de weg genoemd heeft. Wij, worstelende, bezwijkende volwassenen, kunnen onmogelik God in zijn liefde en heiligheid bij de kinderen vertegenwoordigen. Maar Jezus, wiens spijze het was de wil van zijn Vader te doen, is hierin de kinderenen ons gelijkelik een middelaar. Levende met Hem, voert Hij ons mee, voert Hij ons op, leert Hij ons, ook in Gethsemané en aan het kruis niet te vertwijfelen, en liever de smaad der hele wereld te dragen, dan het vertrouwen te verliezen in Gods Vaderliefde.
Jezus onze middelaar. Het woord heeft door zekere dogmatiese verstarring bij vele een onaangename bijklank gekregen. Dit mag echter geen reden zijn, het te versmaden. Wij allen behoren in de opvoeding onzer kinderen middelaars te wezen, dragers en overbrengers der goddelike eigenschappen. Maar wij kunnen niet, dan uiterst gebrekkig in dezen onze plicht vervullen. Heerlik dan, dat wij in Hem, naar wien wij ons christenen noemen, voor de jeugd en voor onszelf, de Middelaar bezitten, wiens leven en sterven Liefde en Godsvertrouwen wàs.
Deze korte toespraak werd gehouden bij de openlucht-samenkomst van „Vrijzinnige godsdienstigen” op Hemelvaartsdag. Het comité had me uitgenodigd en graag voldeed ik daaraan.
„Ben jij modern?” vroegen sommigen me. „Ik dacht dat je orthodox was.”
Vreemde vraag.
Wat ik ben?
Ik wou, dat ik ietswas—een christen b.v., een goed christen.
Dat was me genoeg.
En dan zou ik willen spreken overal en voor allen, voor confessionelen en Hottentotten, voor etischen endronkaards, voor modernen en Papoea's, en ook voor puur ongelovige gelovigen. Want die heb je ook, net als gelovige ongelovigen.
Maar ach, het is zo'n ontzettende toer, eerst een beetje christen te zijn, ik bedoel een echte, zo eentje in wie Jezus iets van zijn discipel zou zien, dat ik aan het modern of orthodox nog lang niet toe ben.
Daarvoor moet je eerst enige eeuwen van Jezus af staan.
Als ik me niet vergis, waren zijn eerste volgelingen ook simpel christenen en werden als zodanig gestenigd. Later kwam pas het onderling stenigen. Daar ben ik dus nog niet aan toe. 'k Zit pas op de christelike bewaarschool. En eigenlik hoop ik het nooit verder te brengen. Dan blijf je een kind in die dingen.
Maar nu wil ik toch nog even zeggen, welk een heerlike indruk ik van Duindigt heb meegebracht. Daar waren 4 à 5000 mensen, grotendeels uit de burgerstand en van 30–60-jarige leeftijd. Ik had gevreesd, dat het een roezemoezige dag zou zijn, veel gelach, gescherts, gebabbel, heen-en-weer-geloop. Gescharrel om de tentjes, met nu en dan een ogenblikje luisteren naar wegstervend gegalm.
Maar neen. Ademloze stilte,levendestilte, luisterende stilte. 't Was koud, winderig, wat vochtig. Doch al die duizenden bleven, bleven tot den einde toe, luisterden aandachtig naar iedere spreker, zongen met toewijding de psalmen en gezangen. Het was treffend. Er zweefde zo'n stille vrije vroomheid om de schare. En daarbij zong een koor van dames en herenbizonder mooi een keur van liederen. Alles stemde tot Godsverering en was in die stemming.
Terwijl ik een ogenblik sprak en die menigte overzag, zag ik in de geest onze zendelingen, de pioniers van dit werk, arbeidende in onbeschaafde streken, ver, ver weg. En toen dacht ik: bij zo'n samenkomst moet eigenlik ook altijd de zending herdacht worden door een toespraakje en een aparte collecte. Ze heeft onze liefde en ons geld zo nodig. Moderne en confessionele liefde, modern en confessioneel geld—dat zie je de liefde niet aan, en ook de goudstukken niet. Als die maar echt zijn. Is het niet onbescheiden, als ik voor volgende gelegenheden een kwartiertje voor de Zending aanbeveel? Dit is toch óók zending.
Alle kinderen van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun negende of tiende jaar dat onze voorvaderen heidenen waren die aan afgoden offerden en dat er toen zendelingen in ons land kwamen, die er het Christendom predikten. Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat enkele van die zendelingen wreedaardig vermoord werden, maar dat er ook kerken werden gebouwd en kloosters en scholen werden gesticht. En dat door de monniken de landbouw en de tuinbouw verbeterd werden, en de ziekenverpleging en allerlei bedrijven. Dat door diezelfde monniken kunsten en wetenschappen werden beoefend en hierdoor het volk ook allengs geestelijk ontwikkeld. Dateindelijk door die volgelingen van Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen in lezen en schrijven, maar ook in de christelijke leer en zeden, zoodat de bewoners van ons land, stoffelijke, verstandelike en zedelike verheffing aan de invoering van het Christendom, dus aan de zending te danken hadden. Zonder zending geen school. Echter dat was—de zending naar ons toe. De zending van ons uit—dat is heel wat anders!
Dat heb ik me zelf berokkend.
Men weet nog wel, dat ik een poos geleden zo blufte op mijn succes met de sinaasappelmetode. Jaag de straatbengels niet weg met schelden en schoppen, maar geef ze een sinaasappel. Zo ongeveer luidde mijn raad. En ik wou het wel weten, dat ik daar menig hart mee gewonnen had.
Maar nu ben ik er dezer dagen toch lelik ingelopen met die, volgens sommigen, zoetsappige pedagogiek.
Bij het uitgaan van de school stromen onze eigen kinderen als een levend riviertje een stukje speelplaats over, de schoolpoort uit, en langs de huizen tot aan het eind der straat. Dit is nodig opdat er niet een, dartel de school uitvliegend, onder de tram komt, die om de vijf minuten vlak voorbij de uitgang snort. Ze zouden er onder liggen, eer ze 't wisten. Eens, ongeveer 15 jaar geleden, is er een leerling, die vóór schooltijd in de straat speelde, overreden, en was aanstonds dood. Toen hadden we nog maar de paardentram. 't Is dus begrijpelik, dat we nu, met die vliegende electriese, wat bizonder voorzichtig zijn.
Ons levend riviertje stroomt dus over het trottoir, langs de huizen, de Tullinghstraat uit. Maar daarbijhebben we nog al eens last van andere scholieren: er zijn wel zes à zeven scholen in de buurt. Dat kleine goed doet dan als jonge kozakken telkens vlugge invallen op de rij en vliegt even gauw weg als 't komt. Je kunt ze niet narennen, zonder de hele straat in opstand te brengen, en daar maken ze misbruik van.
Nu was er de laatste dagen weer zo'n troepje van wel twaalf zeven- tot negenjarige jongetjes om onze rij aan 't zwermen en die kleine bengels waren haast dronken van baldadigheid. Ik wist er niet beter op, dan ze, met mijn oude en beproefde metode, te winnen, en lokte de meer dan dartele vlegeltjes met wat vriendelike woorden bij me. Ze kwamen, maar tuimelden haast door elkaar van overmoedige, luidruchtige onbeheerstheid.
„Wil jelui de duiven eens zien?”
O ja, dat had ik geen tweemaal te vragen. Schuchterheid of schroom kenden ze niet. Ze renden de speelplaats op en holden daar naar alle kanten heen. Naar de duiven, de kippen, de tuintjes—ze deden precies wat ze wilden. Ze gooiden malkaar, een ging in de tuintjes lopen, een ander greep een pet van zijn makker en smeet die een eind weg. 't Leek net een troep speelse honden, maar dan honderd graden erger.
Ik kan niet verklaren, dat deze opvatting van hun gastrecht me bijster beviel. En om de gulle waarheid te zeggen, ik voelde me er een beetje verlegen mee worden. 'k Had dat volk binnengehaald, hoe kreeg ik ze weer fatsoenlijk de straat op.
Daar zag een de schoolbel, die op de speelplaats onder een afdakje hangt. „Meester, mag ik bellen?” Doch eer ik nog ja gezegd had, had hij de ketting al te pakken en begon te luiden. De anderen er bij, en nu vochten ze om de ketting. Al die kleine handjes grepen hem beet en trokken. Straks trokken ze de ketting nog stuk of kregen ze de zware klok op hun kop.
„Ieder op de beurt,” gebood ik, en 't lukte me altans eenige orde in 't gelui te krijgen, maar wie eenmaal de ketting te pakken had, was volstrekt niet altijd bereid hem op mijn kommando los te laten. Hij vond het veel te lekker. 'k Was echter wijs genoeg, niet mijn handen te gebruiken. 'k Wist veel te goed, dat zúlke heerschappen dan tegenspartelen.
Gelukkig bracht ik het zo ver, dat ieder zijn beurt mocht genieten, zij het dan ook, dat enkele brutale doordrijvers een onrechtvaardig lange beurt kregen. En toen wist ik ze, door mijn eigen tuin, naar een twede speelplaats te krijgen. In mijn tuin liepen verscheidenen maar over 't gras, en toen ze op de twede speelplaats kwamen, draafden ze daar als gekken rond, schreeuwden, sprongen, en stoorden zich geen seconde aan mijn bevelen.
Kommanderen, ik begreep het, baatte hier niets. Ze waren er ontoegankelik voor. De enige weg was, dat ik rustig, heel rustig, de schoolgang binnen ging. Enkelen volgden me, anderen renden weer de plaats op. Maar zónder mij werden ze toch een beetje onrustig. Ze kwamen ook, ik opende een voordeur, en schreeuwendeals indianen sprongen ze de straat op, zonder bedanken, zonder groeten, zelfs een beetje jouwende. 'k Was blij, ze kwijt te zijn. Maar wist tevens, dat ik van die bende nog niet af was. Dat zou wat geven.
De volgende dag, klokke vier, daar stonden, of eigenlik daar drongen ze weer. Ze persten zich haast de poort in. Hun oogjes schitterden met ondeugend geflikker. Nerveuse bewegingen van schouders, armen en benen, opspringen, dansen, malkaar gooien, alles sprak van opgewondenheid. Ik hield ze niet buiten, vond het ook verstandiger, ze binnen te laten, anders hadden ze zeker tegen de deur getrapt, met stenen gesmeten, gescholden. 'k Liet ze dus gaan, maar besefte heel wel, dat ik hier geen vriendelikheid bewees, geen gunsten uitdeelde, doch eenvoudig te gehoorzamen had aan de onbeschaamde dringerigheid van een aantal kleine deugnieten. 'k Was echter eenmaal begonnen en moest tegen wil en dank verder gaan.
Ze stormden de plaats op, zo mogelik ditmaal nog tomelozer dan de vorige keer. Niemand stoorde zich aan mij. De gymnastiekzaal stond open, ze holden er in. Binnen een ogenblik waren ze buiten mijn bereik. 't Leek zo iets, of ik een kooi had geopend en alle vogels naar buiten waren gevlogen, in de vrijheid. Alleen waren deze vogels kleine monsters van baldadigheid. Wat een bengels! En natuurlik waren ze sterk door hun aantal, de een voelde zich krachtig door al de anderen. Ze maakten malkaar aan de gang.
Toch had ik al gauw in de gaten, dat een de oorzaak, de psychiese besmetter was. Dat scheen een ventje, die tuis zijn zin kreeg. 'k Schatte hem tussen 8 en 9 jaar. Hij was nog al lang, en slungelde met een eigenaardige onaandoenlikheid zijn zin door. Hij maakte niet de indruk van een nijdige, grove forceerder, maar van iemand die zich met een lachend gezicht eenvoudig aan niets stoorde, met komies gedrijn al zijn makkers op zijn hand kreeg, en volwassenen, die niet innerlik krachtig waren, volslagen machteloos maakte. Een jongen die een hele klasse kon bederven. Zijn lachend gezicht, niet vriendelik, maar leuk aanstokend, was in staat een onderwijzer hels te maken. De andere jongetjes waren meer nerveuse natuurtjes, door hem buiten hun gewone doen gebracht, niet door zijn plannen of bevelen of aanhitsingen, maar eenvoudig door zijn houding, zijn stemming, zijn gedrag, zijn manier van laat-maar-gaan, zijn—niet in wilde overmoed, maar als in vrolike dronkenschap ontzien van niemand en niets. Dat ventje moest ik baas worden.
Dit laatste was gemakkeliker gedacht dan gedaan. Hij gleed als 't ware tussen je geestelike vingers door. Met zijn grappige, lummelachtige, halfbewuste, onbedoelde en toch bedoelde omverwerping van mijn gezag, kreeg ik zo moeilik vat op hem. Ik voelde me als een fatsoenlike, stijve meneer, die, in een achterbuurt verzeilt geraakt, nu in 't ootje wordt genomen door de eigenaardige, schijnbaar beleefde manieren van de clown uit de buurt. Ga je zo'n heerschap met eengrap te gemoet, dan heeft hij je onmiddellik omwikkeld door zijn boertige stemming. Niet de geestelike kwinkslagen, maar de onbarmhartig komiese persoonlikheid overwint je. En word je boos, dan heb je het terrein helemaal verloren. Gesteund door zijn kring van genieters, geeft hij je aan de algemene bespotting prijs. Het beste is maar, eventjes te lachen, en rustig verder te gaan. 't Is hier niet een enkel woord, maar een stemming, een sfeer, waar je tegen te strijden hebt, een onaantastbare en in zijn onaantastbaarheid geheimzinnig-overmachtige werkelikheid. Ga er niet tegen in, ga er in vredesnaam niet tegen in, of je bent verloren. En waag je het in je domheid toch, word je driftig of handtastelik, dan slaat de stemming plotseling om, de tirannieke clown wordt een wrede wreker, en 't loopt uit op een strijd van leven en dood. Zulke schijnbaar goedmoedige, maar inderdaad harteloos heerszuchtige naturen geven geen kamp.
Ik kreeg de jongen niet onder mijn invloed en de anderen al evenmin.
„Magge we weer op die plaats?”
Waar weigeren niet baat, is toestemmen soms het wijste. Dan bewaar je tenminste nog de schijn, of je de baas was. Maar ook is vaak, en juist dan, een besliste weigering nodig, die het verzet reëel maakt en constateert. Al is het heel vaag, de belhamels krijgen dan toch een vluchtig besef van overtreden. Zodra men voelt, dat er in een verzet min of meer opzet werkt, lijkt mij 't verbloemen uit den boze en dunktme een openlike nederlaag verreweg beter dan een gehuichelde meegaandheid. Die geconstateerde weigering, nú onze zwakheid, is straks onze kracht. Ongehoorzaamheid kan ons een ogenblik verrassen, maar zij kan—en mag—het nooit winnen. En daar zou groot gevaar voor wezen, als zij in haar waar karakter van ongehoorzaamheid werd gelochend.
Evenwel, ik had hier niet eens te philoseferen over weigeren of toestemmen, de zwerm liet zich al gaan, als vogels drijvend op de wind. Ik volgde van verre, uiterlik rustig, maar innerlik kokend, en—ergst van al—telkens twijfelend, of ik wel goed had gedaan. 't Werd half vijf, eer de dolle troep weer goed en wel buiten was. Joelend holden ze de straat in, met schitterende oogjes, malle bokkesprongen: levend vuurwerk.
Wat zou er nu in dat kleine goed omgaan? dacht ik. Zouden ze besef ervan hebben, dat ze hier de baas hebben gespeeld? Zouden ze mij voelen als een zwakkeling, bij wie ze alles konden doen? Zo iets als, helaas, wellicht hun vader of moeder? Zouden ze wachten op een krachtdadig optreden, om daarna pas van houding te veranderen? Hoe zouden ze nu met elkaar over 't geval spreken? Ik was ervan overtuigd, dat ze wel degelik een, zij het flauw, bewustzijn hadden, me te hebben overrompeld. En hiervan was ik te zekerder, omdat zulke kinderen zich niet een volwassen mens konden indenken, die zo maar een troep vreemde jongens op zijn speelplaats toelaat. Ze zijn van ouderen een andere behandeling gewoon.Doch, dit stond voor me vast, de volgende dag zouden ze geen voet op de speelplaats zetten, al moest het op een openlike oorlog uitlopen.
En nu komt de ervaring, die het opschrift boven dit artikel rechtvaardigt.
De volgende dag, vier uur, kom ik nauweliks met mijn rij uit de school, of daar word ik weer door de schavuiten bestormd. Als vliegen kringelen ze om me heen. Gelukkig schijnen ze te beseffen, dat tenminste de schoolkinderen eerst moeten vertrekken, maar pas verlaat het staartje van de rij onze schoolpoort, of de heren dringen op mij aan en werken zich de poort in.
„Neen,” zeg ik, „jelui mag vandaag niet op de plaats, je hebt gisteren veel te hard geschreeuwd.” En ik wil de poort sluiten. Maar daar had je 't lieve leven gaande. „Hè meneer, magge we nou, magge we nou,” tjengelden ze, met een volmaakt gemis aan respekt voor mijn rang en macht, „toe late me nou.” En ze persten zich naar binnen, zetten hun been over de dorpel, zodat ik de deur niet kon sluiten, zonder ze te verbrijzelen. Iets dergeliks had mijn vrouw wel eens van aanbellende straatventers ondervonden, maar ik nog nooit van kinderen. En dan kinderen van acht jaar!
Wat te doen?
Dit was nu het moeilike ogenblik. Mijn handen jeukten, om een paar van de brutaalsten in de nek te nemen en met kracht de straat op te slingeren. Dathad er natuurlik aanstonds de schrik onder gejaagd. Ze zouden allen op hol zijn gegaan. Maar ten eerste zou, bij een ongelukkig gevolg van deze slingermetode, ik niet verantwoord zijn tegenover rechtzoekende ouders. Die zouden me, niet zonder grond, kunnen verwijten: „Waarom haal je dan eerst die kinderen in je school. Begin dan niet met ze.” Maar ten andere, en dit woog me nog zwaarder, zou ik precies niet bereiken, wat ik had beoogd: de jongens zouden me gaan vrezen, haten, vijanden worden in plaats van vrinden. Ik luisterde daarom niet naar dat gejeuk in mijn handen, schoof, beslist, maar voorzichtig, de op- en indringers terug, en wist de deur toe te krijgen, echter niet vóórdat een der deugnieten de pet van een makker had gegrepen en naar binnen gesmeten. Zulke opgewonden standjes ontzien net zo min malkaar als de volwassenen.
Toen de deur toe was—de pet was al weer buiten—begon het spektakel. Trekken aan de bel, trappen tegen de deur, rammelen aan de knop, en jouwen. Jouwen, schreeuwen, krijsen, als van een troep ontvlamde roofdieren, wie een prooi ontsnapt is. Maar hun razende machteloosheid aan gene zijde was niet zo erg als mijn kalmte aan deze zijde. Zij losten hun teleurstelling op in dolle uitgelatenheid. En ik....
'k Wil 't wel weten: mismoedig en terneergeslagen zakte ik over de speelplaats mijn tuin in. Daar bleef ik rustig op een bank zitten. 'k Had het verloren, totaal verloren. Een handvol kleine schavuiten had me verslagen. En daar zat ik nu met mijn pedagogieken met mijn mooie sinaasappel-metode. 't Had er nog maar aan ontbroken, dat ik ze werkelik sinaasappelen had gegeven en ze mij de schillen in 't gezicht hadden gesmeten.
Een heerlike herfstgeur zweefde door de bladeren der heesters en bomen om mij heen. Een paar merels, die van 't jaar bij de school genesteld hadden, schoven met vlugge gangetjes door 't gevallen lover op de paden en tussen de heesters. Blauwe hemel omhoog, waartegen het mooie acaciagroen prachtig afstak. O, die verrukkelike herfst. Maar hij kon me nu niet opwekken. Tegen de achtergrond van die mooie Septembernatuur sprongen de kleine, helse kannibalen, juichend over de nederlaag der christelike zoetsappigheid.
Die geloven, haasten niet.
Dit is een heel oud woord.
En mijn moeder zei altijd:Je kunt geen ijzer met handen breken.
Dat is ook al oude wijsheid.
En toch willen we altijd direkt succes hebben en weten van geen geduld.
De aanhouder wint.
Weer zo'n korte waarheid.
Wat wás het voorgeslacht toch wijs!
Ik zat daar dan op mijn tuinbank, twijfelend. Hoe zou ik de volgende dag de heren ontvangen? Buitensluiten? Of toelaten?
Nu heb ik al zo dikwels 's nachts op mijn bed besluiten genomen, die ik bij wakende dag toch niet uitvoerde, dat ik me maar niet in overwegen verdiepte en alles zou laten afhangen van de omstandigheden. Eén ding stond echter bij me vast: Ikwildewinnen. Niet uit een heerszuchtig instinkt. Maar ik wilde winnen—nu ja, laat ik mezelf maar eens opkammen—omdat ik die kinderen niet los kon laten, eer ik hun betere natuur in werking had gebracht. Ik wilde winnen, zoals de dokter, worstelend tegen heirlegers bacteriën. Zoals de heilsoldaat, die met zijn krant en zijn liefde de dronkaards opzoekt in de kroegen. Ik móést ook winnen, omdat deze kleine strijd de grote wereldstrijd vertegenwoordigde: het ging hier om goedwillende vriendelikheid of kwaadwillende baldadigheid. Het was hier de kamp tussen goed en kwaad in miniatuur. Op mijn manier was ik hier een zendeling onder de heidenen. En nu konden die heidenen me misschien kopsnellen enverorberen, maar dat gaf mij toch geen recht ze maar heidenen te laten. Dan zou het heidendom het winnen. En daarvoor behoort een mens nu toch niet tot het opvoedersgilde. Ik zou, gezel in dit gild, mij hebben te schamen voor de meesters.
Ik sprak daar van het opvoedersgilde en van de meesters daarin. En zie, het toeval wilde, dat ik juist onder de invloed van een dier meesters werd gebracht. Het was nietStanley Hall, de Amerikaanse, of Prof. Rein, de Duitse autoriteit. Het was nietFörsterofClaparèdeof zelfsMontessori.. Het was nietPestalozziof Fröbel....
Het was Michiel Adriaanszoon de Ruyter.
Vermoedelik zou onze grote admiraal er zelf bezwaar tegen gehad hebben, onder de pedagogen te worden ingelijfd, en dan nog wel tot meester, tot grootmeester van 't gild te worden verheven. Maar 't gaat met pedagogen gelijk met dichters en schilders. Niet de academies maken Rembrandts en Vondels, zulke heerschappen groeien zonderling op in kousenwinkels en zo. Waarom zou een opvoeder niet, ver van de hogeschool, op een oorlogsschip zich kunnen ontplooien? En waarom zouden wij niet bij zulk een begenadigde in de leer gaan?
Lezende, genietende in een voortreffelik boekje van onze A. Weruméus Buning (De Ruyter's Afrikaanse reis. Een vergeten bladzijde uit het leven van onzen grooten zeeheld. Aan het volk verteld door A. W.-B. Rotterdam, D. Bolle), was ik genaderd tot bladzijde 124–126, en daar werd ik door De Ruyter opgevoed. De zeeheld was bezig, op last van de „Heeren Staten”, in 1665, de door Engeland veroverde koloniën op de Westkust van Afrika stuk voor stuk terug te nemen, en bij die gelegenheid gebeurde er iets, dat we ons door W. B. eens zullen laten vertellen.
„Drie matrozen—verhaalt Brandt—, aan land zijnde, raakten op een avond, door den drank bevangen, met elkander in geschil, en met messen aan het vechten. Ja, hunne baldadigheid ging zo ver, dat ze het licht uitbliezen en in het donker als dolle menschen elkander sneden en staken. De waard van den huize,daarop onvoorzichtelijk toeloopende, om hen te scheiden, liet er het leven.„De vechters werden gevangen, doch zij ontkenden den doodslag.—Ook is het onzeker, of de schuldige van zijn misdaad, in het duister, en smoordronken, begaan, bij zichzelven overtuigd was....”Dit was dus, toen de zaak voor den krijgsraad kwam, voor de heeren rechters een moeielijk geval. Zij losten echter dit vraagstuk in dezen zin op, dat zij hen alle drie voor „schuldig” verklaarden, hen alle drie „nominaal” ter dood veroordeelden en hun dus opdroegen, „zich ter dood voor te bereiden”, maar er tevens bij voegende, dat er „effectief” maareenopgehangen zou worden, en wie die ééne zou zijn, moest door het lot worden uitgemaakt. De heeren werden dus verzocht, hun hand in een zakje met drie briefjes te steken en die er het galgje uithaalde, zou dan voor alle drie moeten boeten....Het gebeurde ook werkelijk aldus en een van de drie werd behoorlijk volgens de regelen van de kunst opgehangen, doch ziet, toen men, zooals Brandt vertelt, „meende, dat hij den geest had gegeven en men hem afsneed, om hem ten grave te brengen, begon men aan 't bewegen van een zijner leden eenig leven te merken en kwam de gehangene allengs weer tot zich zelven....”Daar zat dus nu de krijgsraad opnieuw met de handen in het haar en er werd „beraadslaagd, wat men met hem zou doen”.... Moest het vonnis nu andermaal worden voltrokken? De Gouverneur-GeneraalValkenburg, aan wiens oordeel deze zaak nu ook werd onderworpen, gaf het juridisch-juiste advies, dat hij „moest sterven, aangezien hij verweezen was, om zoodanig met de koorde te worden gestraft, dat er de dood na zou volgen.”Generaal Valkenburg was een volbloed Afrikaansch hoofdambtenaar ter kuste, die niet alleen nu, maar ook bij andere gelegenheden zeer geneigd was tot een „korte afdoening van zaken”, bestaande in ophangen of andere afdoende maatregelen.Geheel anders echter was het advies van onzen besten Admiraal de Ruyter, die zeker een minder goed „jurist” of logisch rechtsgeleerde, maar zeer zeker een aangenamer en meer „goedig denkend” menschenkind was....„De Heer de Ruyter dreef het tegendeel, zeggende,„dat men, geen klare blijken hebbende, dat hij de rechte doodslager was, hem wel door het lot had veroordeeld, maar dat zulks geen vast bewijs van zijn schuld medebracht, dat het lot zoowel de ongelukkigen als de schuldigen kon treffen; dat deze man, nu door Gods bestiering nog in het leven bewaard, onschuldig kon zijn, of min schuldig dan een der twee anderen, en derhalve behoorde gespaard of begenadigd te worden....„Dat ook hetgeen hij al reeds had geleden, te weten, de smart en het gevaar des doods, hem tot een straf verstrekte en anderen ten spiegel kon dienen....”Zoo waren de eigen woorden en het welsprekend pleidooi van onzen Admiraal, die de voldoening had,dat de arme matroos werd vrijgesproken en „begenadigd”, en van nu af den Admiraal zijn „tweeden vader” noemde, aangezien deze hem „van den dood had verlost”. „Hij placht te verhalen, hoe hem de schrik des doods te dier tijd zoo had bemachtigd, dat hij weinig geheugenis of gevoelen had gehad van 't geen hem op dien dag overkwam, dat hij na het hooren van het vonnis bijna nergens van wist, en, van de ladder gestooten wordende, in een diepen put scheen te vallen, zonder eenige smart of benauwdheid te voelen....”Het is wel merkwaardig, hier tevens, in den ouderwetschen zeventiende-eeuwschen stijl, de gemoedsaandoeningen te lezen en te vernemen van iemand, die dit verschrikkelijk oogenblik heeft doorleefd. En—onze Admiraal had hier een menschenleven gered, dat, na deze gebeurtenis „anders” werd; deze matroos toch werd een ander mensch; hij was niet alleen lichamelijk, maar ook „geestelijk” behouden; in zijn volgend leven „wist hij zich zelven te redden” en werd „een braaf en eerlijk zeeman.”Wanneer wij dit en zoo vele andere kleine, weinig bekende bijzonderheden uit het leven van onzen Admiraal lezen, verwondert het ons niet, dat Janmaat en officieren, iedereen, hoog en laag, zooveel van onzen Michiel Adriaanszoon hield.”
„Drie matrozen—verhaalt Brandt—, aan land zijnde, raakten op een avond, door den drank bevangen, met elkander in geschil, en met messen aan het vechten. Ja, hunne baldadigheid ging zo ver, dat ze het licht uitbliezen en in het donker als dolle menschen elkander sneden en staken. De waard van den huize,daarop onvoorzichtelijk toeloopende, om hen te scheiden, liet er het leven.
„De vechters werden gevangen, doch zij ontkenden den doodslag.—Ook is het onzeker, of de schuldige van zijn misdaad, in het duister, en smoordronken, begaan, bij zichzelven overtuigd was....”
Dit was dus, toen de zaak voor den krijgsraad kwam, voor de heeren rechters een moeielijk geval. Zij losten echter dit vraagstuk in dezen zin op, dat zij hen alle drie voor „schuldig” verklaarden, hen alle drie „nominaal” ter dood veroordeelden en hun dus opdroegen, „zich ter dood voor te bereiden”, maar er tevens bij voegende, dat er „effectief” maareenopgehangen zou worden, en wie die ééne zou zijn, moest door het lot worden uitgemaakt. De heeren werden dus verzocht, hun hand in een zakje met drie briefjes te steken en die er het galgje uithaalde, zou dan voor alle drie moeten boeten....
Het gebeurde ook werkelijk aldus en een van de drie werd behoorlijk volgens de regelen van de kunst opgehangen, doch ziet, toen men, zooals Brandt vertelt, „meende, dat hij den geest had gegeven en men hem afsneed, om hem ten grave te brengen, begon men aan 't bewegen van een zijner leden eenig leven te merken en kwam de gehangene allengs weer tot zich zelven....”
Daar zat dus nu de krijgsraad opnieuw met de handen in het haar en er werd „beraadslaagd, wat men met hem zou doen”.... Moest het vonnis nu andermaal worden voltrokken? De Gouverneur-GeneraalValkenburg, aan wiens oordeel deze zaak nu ook werd onderworpen, gaf het juridisch-juiste advies, dat hij „moest sterven, aangezien hij verweezen was, om zoodanig met de koorde te worden gestraft, dat er de dood na zou volgen.”
Generaal Valkenburg was een volbloed Afrikaansch hoofdambtenaar ter kuste, die niet alleen nu, maar ook bij andere gelegenheden zeer geneigd was tot een „korte afdoening van zaken”, bestaande in ophangen of andere afdoende maatregelen.
Geheel anders echter was het advies van onzen besten Admiraal de Ruyter, die zeker een minder goed „jurist” of logisch rechtsgeleerde, maar zeer zeker een aangenamer en meer „goedig denkend” menschenkind was....
„De Heer de Ruyter dreef het tegendeel, zeggende,„dat men, geen klare blijken hebbende, dat hij de rechte doodslager was, hem wel door het lot had veroordeeld, maar dat zulks geen vast bewijs van zijn schuld medebracht, dat het lot zoowel de ongelukkigen als de schuldigen kon treffen; dat deze man, nu door Gods bestiering nog in het leven bewaard, onschuldig kon zijn, of min schuldig dan een der twee anderen, en derhalve behoorde gespaard of begenadigd te worden....
„Dat ook hetgeen hij al reeds had geleden, te weten, de smart en het gevaar des doods, hem tot een straf verstrekte en anderen ten spiegel kon dienen....”
Zoo waren de eigen woorden en het welsprekend pleidooi van onzen Admiraal, die de voldoening had,dat de arme matroos werd vrijgesproken en „begenadigd”, en van nu af den Admiraal zijn „tweeden vader” noemde, aangezien deze hem „van den dood had verlost”. „Hij placht te verhalen, hoe hem de schrik des doods te dier tijd zoo had bemachtigd, dat hij weinig geheugenis of gevoelen had gehad van 't geen hem op dien dag overkwam, dat hij na het hooren van het vonnis bijna nergens van wist, en, van de ladder gestooten wordende, in een diepen put scheen te vallen, zonder eenige smart of benauwdheid te voelen....”
Het is wel merkwaardig, hier tevens, in den ouderwetschen zeventiende-eeuwschen stijl, de gemoedsaandoeningen te lezen en te vernemen van iemand, die dit verschrikkelijk oogenblik heeft doorleefd. En—onze Admiraal had hier een menschenleven gered, dat, na deze gebeurtenis „anders” werd; deze matroos toch werd een ander mensch; hij was niet alleen lichamelijk, maar ook „geestelijk” behouden; in zijn volgend leven „wist hij zich zelven te redden” en werd „een braaf en eerlijk zeeman.”
Wanneer wij dit en zoo vele andere kleine, weinig bekende bijzonderheden uit het leven van onzen Admiraal lezen, verwondert het ons niet, dat Janmaat en officieren, iedereen, hoog en laag, zooveel van onzen Michiel Adriaanszoon hield.”
En, voeg ik erbij, dat zelfs de pedagogenwereld van hem de kunst gaat afkijken.
Horen we hiertoe nog eenmaal naar de schrijver van„De Rooie”, „Mottige Janus”, „Ouwe Jan Hallema” en andere zeebonken, naar onze Weruméus Buning.
Een dag of drie achtereen zijn de matrozen met de negervrienden aan 't plunderen, drinken en krakeelen geweest. Het was aan de kust een en al verwarring en bandeloosheid. Toen wist De Ruyter „de bende van blanke en zwarte plunderaars weer te kalmeeren, hen onder den disciplinairen tucht te brengen.”
En hoe?
„Het is merkwaardig, als wij nu lezen en zien, hoe bij deze gelegenheid onze Admiraal door zijn groote rust en kalmte, en goedmoedigheid, de woeste troep in zijn onstuimigheid weet te stuiten en met goed gepaste woorden en grooterechtvaardigheideindelijk alles en allen tot rust en orde brengt... Zoo ooit, dan ziet men ook weer hier, wat de kalme macht van depersoonlijkheidvermag en hoe groot in dergelijke omstandigheden het moreel overwicht is van een opperhoofd en chef, die bij zijn minderen bekend staat als iemand, die altoos hetgoedewil,zonder aanzien des persoons;iemand,van wie ze veel houden.... Toen ze hun ouden, goeden Admiraal aan den wal zagen verschijnen, kwamen ze tot zichzelf enschaamden zich. Zelfs de negers kwamen onder den indruk van den klank van zijn stem en de goedige, maar toch zoo flinke trekken van zijn door weer, en wind, en zon, gebruind oud zeemansgelaat....”
„Het is merkwaardig, als wij nu lezen en zien, hoe bij deze gelegenheid onze Admiraal door zijn groote rust en kalmte, en goedmoedigheid, de woeste troep in zijn onstuimigheid weet te stuiten en met goed gepaste woorden en grooterechtvaardigheideindelijk alles en allen tot rust en orde brengt... Zoo ooit, dan ziet men ook weer hier, wat de kalme macht van depersoonlijkheidvermag en hoe groot in dergelijke omstandigheden het moreel overwicht is van een opperhoofd en chef, die bij zijn minderen bekend staat als iemand, die altoos hetgoedewil,zonder aanzien des persoons;iemand,van wie ze veel houden.... Toen ze hun ouden, goeden Admiraal aan den wal zagen verschijnen, kwamen ze tot zichzelf enschaamden zich. Zelfs de negers kwamen onder den indruk van den klank van zijn stem en de goedige, maar toch zoo flinke trekken van zijn door weer, en wind, en zon, gebruind oud zeemansgelaat....”
En hoe staat het nu metmijnkleine, bandeloze nikkertjes?
O, dat zullen we aanstonds zien. Maar eerst moesten we ons eenssterkenbij onze grootste vlootvoogd en nationale held. Dat zulk een man de matrozen van die tijd—welk een uitschot!—niet door „vloeken en schelden of dreigen”, niet door „opgewonden vechtlust en schitterende vertooningen”, maar „eenvoudig en gewoon, door altoos kalm te blijven, in-goed, en..... rechtvaardig te zijn”—„werkelijk wist tebeheerschen”, dat zij „dol veel van hem hielden, hem vereerden”, dat is toch voor een officieel opvoeder der jeugd wel de moeite waard, om er een ogenblik bij stil te staan.
„In-goed.”
De hoogste man der vloot, de welhaast wereldberoemde, achtte zich niet te hoog, om naar land te gaan, en daar vriendelik met dat uitschot der maatschappij te redeneren, om ze tot kalmte te brengen. Alleen door zijn zedelik overwicht te heersen, over zulk ruw volk, en onder zulke omstandigheden—dat was toch wel ware kracht. En die kracht had als een van haar bronnen:in-goedheid.
Wanneer ik zulke dingen lees, ga ik de wereld heel anders zien. Al die bulderaars, al die tierders, al die ranselpedagogen, het zijn de zwakke naturen, heus, het zijn de zwakke. Ze hebben geen kracht genoeg in hun persoonlikheid en zoeken nu hulp bij harde woorden, luid geschreeuw, ruwe handtastelikheden. De kinderen en de ouders noemen ze: strenge meesters.Maar dat is onjuist. Misschien is menige zachte natuur veel strenger in de zin van veeleisender. En dikwels ook heten ze: sterke, krachtige optreders. Maar dat is ook onjuist. Wie met een zachte, rustige stem, met een beweging van zijn vinger, met een blik van zijn oog, wie bijna onmerkbaar heerschappij voert, die is krachtig. En wie hiertoe schreeuwen en trappen enbliksemendeogen nodig heeft, die moet werken met krachtvertóón en is eigenlik—te zwak om zacht te kunnen zijn.
De opvoederswereld—gelijk deze in ouders en meesters, van mijn kinderjaren af, mijn oog is voorbijgegaan—ziende onder het licht van De Ruyter's leven, bevestigt deze opvatting. Afgescheiden van verschil in levendigheid van temperament, zag ik sterke naturen in hun gezagsmiddelen altijd rustig, en kon van de andere meestal gelden, dat ook hier het geschreeuw in omgekeerde reden stond tot de wol en de hardheid van 't geluid de leegheid van 't vat meldde.
Gesterkt door een pedagoog als onze De Ruyter, dorst ik het aan, mijn afgedwaalde schavuitjes nog een paar kansen te geven, om het goede en handelbare in hun aard te doen uitkomen, en het stond bij me vast, dat ik de snaken niet aan hun lot zou overlaten, gelijk ook zij mij zeker nog niet hadden opgegeven.
Ze kwamen dan weer, mijn kleine indringers, en ik duwde ze niet de deur voor de neus dicht. Ik herinnerdeze ook niet aan hun onhebbelikheden. Ik stak de beide handen naar hen uit, alsof ze me van ganser harte welkom waren—dat wáren ze eigenlik ook—en zei met de opgewektste vriendelikheid: „Zo jongens, kom jelui weer eens kijken?”
„Ja, meester, magge we?”
„Zeker mag je. Maar nou moet ik jelui eerst één ding zeggen. Dat wist jelui gisteren nog niet, maar de kinderen schreeuwen hier nooit zo op de plaats. Zal je daaraan denken?”
„Ja meester, magge we nou? En magge zullie ook?”
„Zullie” waren twee oudere jongens van ongeveer 12 jaar met heel verstandige gezichten.
„Natuurlik magge zullie. Ik vind het juist zo leuk, dat jullie alles graag ziet. En nou mag jullie ook mee in school, dan zal ik je ook de platen en de kasten laten kijken.”
Ze waren wel een beetje opgewonden, maar bleven bij me, en toen we de school in gingen, werden ze stil en zetten er een paar de petjes af.
„Dat zijn nette jongens,” zei ik. En toen deden de anderen het ook.
Met mijn kleine karavaan trok ik nu alle lokalen door, en ik volgde daarbij de raad van wijlen Mr. A. Kerdijk. Toen deze in Den Haag de „Toynbee-vereeniging” oprichtte, wilde hij voor „het volk” alleen maar prima-krachten doen optreden: de eerste geleerden en kunstenaars. Het „volk” mocht niet afgescheept worden met het middelmatige, omdat het maar het volkwas. Integendeel: het moest door het allerbeste worden opgevoed en ook ervaren, dat men het allerbeste pas goed voor hen achtte. Het moest voelen, dat het gerespecteerd werd.
Die houding neem ik ook altijd aan tegenover kinderen, bizonderlik tegenover ietwat proletariese. Ik gaf me daarom ook nu alle moeite voor mijn gasten, niet minder dan of een keurbende van buitenlandse pedagogen mijn school bezocht. En dat kostte me geen zelfoverwinning, maar ik vond het heerlik en werd er rijkelik voor beloond.
O, ik wou dat menigeen die gezichtjes gezien had. Als er een kast openging, aten ze de inhoud haast met hun ogen op. En ze begrepen alles zo best. Het was—een triomf.... lieve hemel, ook voor mijn zaakonderwijs. Die steentjes van klei, die rood-gebakken steentjes, die steenoven, die kalkoven, die ploeg, die eg, die molenstenen, dat weefstoeltje, die houtzaagmolen, van alles wilden ze weten, en dan kwam er zo'n heerlik: „o ja!” als ik de uitlegging had gegeven. Ik liet de handenarbeidvoorwerpen zien, die de leerlingen vervaardigd hadden, legde uit hoe die in verband stonden met de tuintjes en de platen en de huizen in de straat, gaf een complete les in... practiese pedagogiek, in didactiek, in onderwijskunst. „Zie je,” zei ik, „als de kinderen die dingen maken,begrijpenze het beter.”
„Nog al natuurlik,” zei een der ouderen.
Het was een verrukkelik halfuurtje. De tijd vloog om. Van vrijpostigheden of ongemanierdheden wasin de verste verte geen sprake meer. Met ons allen waren we één club, verloren in belangstelling.
Eindelijk zei een: „Hoe laat is 't al, meester?”
Ik keek op mijn horloge: „Tien minuten over half vijf.”
„O, dan moet ik gauw naar huis. Mijn moeder wacht.”
En ze gingen, allen. Ik liet ze uit, vroeg van ieder de voornaam, gaf ze de hand, en zei: „Tot weerziens.”
„Dank u wel,” zei er een.
Nu bedankten de anderen ook. Zelfs kwam er een nog terug, gaf me de hand en zei: „Dank u wel, meester!” Toen holde hij zijn makkers na..
En zo heeft de zoetsappigheid het tóch gewonnen.
Een ogenblik had het geschenen, alsof alles verloren was. En was het zo gebleven, ik had het eerlik verteld. Waarheid bovenal.
Maar nu—Michiel Adriaanszoon, wat zeg je ervan?
Men kan met zijn schepen de Theems dwingen, men kan vierdaagse zeeslagen winnen, en tevens met „in-goedheid” ruwe harten veroveren. Het een sluit het ander niet uit. En 't was maar goed, dat onze Admiraal me dat nog net bijtijds herinnerde.
En om 't nu maar ineens af te vertellen, de vriendjes zijn blijven komen. Ik noem ze nu bij hun voornaam. Er zijn twee Jannen bij. „Ik heet ook Jan,” zei ik. Maar ze schelden me niet uit, schreeuwen me niet na. Vertrouw je maar aan dat volk toe, maar—gehéél. Geen halfheid, geen liefdoenerij. Ze vóélen je echtheid.
„Meester, magge we morgen weer”?
„Neen, morgen heb ik geen tijd, wel Vrijdag.”
Rustig-vrolik gaan ze weg.
Vrijdag brengen ze weer een bezoek.
Maar dan de volgende Maandag:
„Meester, magge we morgen?”
„Laat eens kijken. Dinsdag, dan kan ik niet. Kom maar Woensdag.”
„Neen Meester,” roept er een, „dan hebt u immers geen tijd? Weet u wel? U kan op een Vrijdag.”
Is dat niet allerliefst?
Er is in onzen tijd een jammerlijk tekort aan geloof in den zin van vertrouwen. Aan 't geloof dat zich uitdrukt in deze woorden: God helpt degenen, die zichzelf helpen.
En toch dit geloof, dit vertrouwen, deze innerlijke verzekerdheid is een sterke waarborg voor ons welslagen. Vat maar aan uw taak, hoe moeielijk ze u ook schijnen moge, vat maar aan met vasten hand en blijden moed, en met vol vertrouwen op dien onzichtbaren bijstand, die het leeuwendeel van uw arbeid verricht, en bemoedigend als beschamend zal vaak de uitkomst zijn.