XII. OP EN OM EEN RINGOVEN.

Het schijnt over me besloten te zijn: een specialiteit in steenbakkerijen móét ik worden. Daar is geen ontkomen aan.

Nauwelijks heb ik op den laatsten dag vóór de vacantie achter het laatste woord van mijn laatste artikel over de kleitegeltjes een dikke punt gezet, denkende: ziezoo, van dien kleirommel ben ik voorloopig af; nauwelijks zijn we naar Brabant gestoomd, om daar te genieten van de zonnige en zalige rust bij heiden en bosschen en boeren; nauwelijks hebben we den omtrek van het logies een beetje verkend, en zijn onze oogen weer wat verkwikt door het groen van 't woud en het paars der vlakte, of daar rol ik midden tusschen de bouwakkers weer met mijn neus in de grijze klei, in een heusche steenbakkerij, en wel in een van de nieuwste inrichtingen, in een steenfabriek met eenringoven. Zoo móét een mensch immers wel een specialiteit worden in dit knederige vak onzer binnenlandsche nijverheid? En hoe zou ik daarna over deze nieuwe kennismaking in S. en L. kunnen zwijgen?

Waar de omstandigheden, gansch onvoorzien, me aldus tot deskundige bekwamen, moeten de lezers van S. en L. er ook aan gelooven. Dat heb je bij deskundigenaltijd. Die zijn zóó vol van hun speciale kennis en bekwaamheid, dat ze er bij tijd en ontijd ook anderen mee lastig vallen. Alle heil verwachten ze voor zich en hun tijdgenooten, zelfs voor hun nageslacht, van hun speciaal gebied. Pas daarom op met die heeren. Ze zien zóó nauwkeurig de fijnheden van hun terrein, dat ze álle andere dingen in de groote wereld onopgemerkt en buiten rekening laten. Zelfs al is iemand een specialiteit in steenbakkerijen, wees voorzichtig met den man. Straks zal hij u nog willen overtuigen, dat ons heele onderwijs zich om het vormen en bakken en toedienen van steenen kan concentreeren, dat onze gansche opvoeding in den grond der zaak een kleiknederij is, en dat men zich tot onderwijzer en opvoeder dus niet beter prepareeren kan dan op een steenfabriek. Wees op uw hoede. Specialiteiten zijn de eenzijdigste domkoppen van alle knappe menschen. En nu ik zelf gevaar loop, in een totaal nieuw soort van specialiteit te ontaarden, acht ik me verplicht, u tegen de kwade gevolgen van dat dreigend kwaad te waarschuwen. Om bovendien mezelf te bewaren voor alle mogelike onheilen, die de kleideskundigheid me kan bezorgen, ga ik in dit opstel, dat toch eigenlijk alleen voor denringovengeschreven wordt, tevens over allerlei andere dingen praten. En dan eerst over een versje van Heye.

Die dichters toch, je kunt ze maar nooit vertrouwen. Wat heb ik niet dikwijls, in den huiselijken kring ofin het schoollokaal, dat mooie liedje gezongen van: „Wie rusten wil in 't groene woud”.Dan stelde ik me alles zoo levendig voor,een peluwtje van mollig mos, een kussentje van varen, en een gordijn van blaren. Heerlijk, heerlijk! Vooral op warme zomernamiddagen, wanneer mijn leerlingen het zangerige wijsje zoo snoezig konden zingen, zoo'n beetje smachtend, heb ik vaak leerlingen en leerlokaal weggedacht en zelfs weggewenscht, om „een plekje te kunnen opzoeken van het dichte woud”, en me daar „ter ruste te kunnen vlijen”. Heye verzekerde het zoo nadrukkelijk: dat peluwtje van mollig mos, dat kussentje van varen en dat gordijn van blaren„schenkt zoeten middagslaap in 't bosch”.

Doch luister nu eens. Nu heb ik deze vacantie weer doorgebracht in de nabijheid van een uitgestrekt bosch. Terwijl ik deze regels schrijf, ben ik zelfs nog omringd door eeuwenheugende eiken en beuken. Laag hout zie ik in overvloed om me heen. Gordijnen van blaren zijn er dus overal in de rondte. Aan mos en varens ontbreekt het al evenmin. Het mos is zoo dik, dat je voet er in wegzakt, het mollige mostapijt veert onder den tred. En de varens vormen als een nieuw woud tusschen de stammen. Maar—zoo dikwerf als ik beproefd heb, me hier „ter ruste te vlijen” en de door Heye voorgespiegelde zaligheden te genieten, liep het op teleurstelling uit. Alles wat de dichter—oneerbiedig gesproken—opgesomd had, was present, maar er waren nog tal van andere dingen bovendien, en daar had Heye maar van gezwegen.

Daar had je allereerst de mieren. Je kon nergens gaan liggen, of die „ijverige” dieren herinnerden je aan Salomo's wijze spreuk. Als gezanten van den wijzen koning kwamen ze aanstonds den luiaard plagen en opschrikken. Over je kleeren, over je handen, over je gezicht, door je haren kropen ze. Vlij je bij zulk een gezelschap maar eens ter ruste.

En dan de vliegen, waarvan sommige soorten zoo gemeen steken konden. Onafgebroken gonsden ze om je hoofd heen, juist om je hoofd, en nu zou je in een versje van dat gegons wel een mooi slaapliedje kunnen maken, zoo iets van:

En vlijt ge u op het mollig donsVan 't mos, dan zingt een zacht gegonsU dra in zaalge droomen,

En vlijt ge u op het mollig donsVan 't mos, dan zingt een zacht gegonsU dra in zaalge droomen,

maar in werkelijkheid gaat het zoo heel anders dan in een versje. Daar komt zoo'n gonzende sinjeur vlak bij je oor, of hij erin wou kruipen, en daar gaat hij telkens op je voorhoofd of op je neus of op je lippen zitten, en dan sla je hem onophoudelijk met je zakdoek weg, zoodat je warm wordt van het zwaaien. Neen, die gonzende slaapaanbrengers zijn haast nog lastiger dan de mieren.

En dan die kleine spinnetjes, nog gezwegen van de groote, die even griezelig als kriewelig zijn.

Zou Heye zelf wel eens zoo'n „middagslaapje in 't bosch” genoten hebben? Ik geloof er niets van. Zoo'n dichter is eigenlijk ook al een specialiteit, een specialiteitin 't bijeenbrengen—op papier!—van precies de mooie en prettige dingen. En als je nu op zijn schoone compositiën af gaat, dan kom je bedrogen uit. Een dichter is een gevaarlijk man. Niet wanneer je hem neemt voor wat hij waard is. Maar als je hem beschouwt als een streng waarnemend en waarheidlievend mensch. Hij liegt niet, maar hij phantaseert. En nu zijn phantasieën nog gevaarlijker dan leugens. Want ze zijn zoo bekoorlijk, en de maker gelooft er zelf in.

Kom, ik laat mijn kinderen voortaan zingen:

Wie rusten wil in 't groene bosch,Moet maar niet veel verwachten;De mieren duiken uit het mos,Bij kleine legermachten;De spinnen drentlen in je nek,Bloedgierige vliegen steken,En om zich fiks te wreken,Maakt u hun gonzen bijna gek.

Wie rusten wil in 't groene bosch,Moet maar niet veel verwachten;De mieren duiken uit het mos,Bij kleine legermachten;De spinnen drentlen in je nek,Bloedgierige vliegen steken,En om zich fiks te wreken,Maakt u hun gonzen bijna gek.

Weet je,wiein 't woud kunnen slapen? De varenplukkers. En wie dat zijn? Dat zal ik je vertellen. Of nu eerst over den ringoven? Neen, eerst over de varenplukkers. Dan blijven we nog wat in 't bosch.

Al meermalen hadden we opgemerkt, dat op sommige plekken de varens toch zoo schandelijk gehavend waren. Moedwillige handen hadden blijkbaar de mooiegevederde bladeren van de stengels gerist, en nu staken die lange, dunne dingen als spichtige sprieten boven 't omringende groen uit. In plaats van het sierlijke gedein en gewapper der volle en toch ranke planten, zagen we alleen zoo'n beetje gezwiep van de kale nerven. Welke baldadige kinderen—of menschen?—konden er nu genot in gevonden hebben, het bosch derwijze te ontsieren? En waarom had de boschwachter niet beter gewaakt tegen zulk een schending van het aan zijn zorgen toevertrouwd woud? 't Was toch niet op één plek, maar op verscheidene terreinen had men het lage groen zoo geruïneerd. Eén ding bevreemdde ons echter, en die bevreemding temperde de verontwaardiging door nieuwsgierigheid: nergens zagen we de varenvederen liggen. Waar kon al dat goed gebleven zijn?

Op een goeien dag werd die vraag beantwoord door hetgeen we voor onze oogen zagen geschieden. In een breede laan stonden een drietal lage karren, elk bespannen door twee of drie armoedige honden, die in hun span lagen te rusten, en—zeldzaam verschijnsel—niet eens plezier schenen te hebben, om ons woedend aan te blaffen. De beesten waren zichtbaar moe. En in de nabijheid bemerkten we al spoedig de eigenaars, of tenminste de beheerders van die karren. Daar scharrelden namelijk eenige knapen door 't bosch. In gebogen houding slopen ze verder, alsof ze ons trachtten te ontduiken, doch toen we dichterbij kwamen, zagen we wat ze uitvoerden. Zij waren de varenschenders. Maar ze waren toch zeker niet met hunhondenkarren hierheen gekomen alleen om 't genoegen te smaken, hier vrijelijk planten te mogen vernielen? En voor zulk een twijfelachtig plezier zouden ze toch stellig zich niet barrevoets tusschen de braamstruiken begeven hebben, waarvan de nijdige stekels ons zelfs door dubbele beenbekleeding in de huid prikten?

We maakten een praatje, en vernamen toen, dat dejongensreeds 's morgens om vijf uur op 't pad waren gegaan. Ze woonden in een gehuchtje twee uren ten zuiden van het bosch, en hadden in de vroegte dien langen weg afgelegd, om hier varens te plukken. En wat moesten ze daarmee doen? Verkoopen. De massa groen persten ze in groote juten zakken en die zouden ze vervoeren naar... België, nog een uur of drie rijdens per hondenkar voorbij hun gehucht. De drogist aldaar betaalde drie centen per pond, dat gaf dus voor de ongeveer zestig pond, die ze met hun drieën verzameld hadden, ongeveer één-gulden-tachtig, of zestig cent den man. Voor die zestig cent hadden ze een langen en vermoeienden dag moeten maken. De drogist zou de varens drogen, en ze daarna verkoopen aan ieder, die er een kinderbedje mee wilde opvullen, een bedje en ook een kussentje, een „kussentje van varen”. Daarop kan een kindje rustig en gezond slapen.

We vroegen de jongens, of ze den heelen dag zoo aan de gang bleven, of dat ze er een uurtje afnamen, om te rusten. O ja, ze hadden al een uurtje heerlijk geslapen. Zoo maar midden in het bosch? Ja zeker. En had je dan geen last van de mieren en de vliegenen de spinnen? Wel neen. Je slaapt hier maar wat lekker.

Zou Heye dan toch gelijk hebben? Ongetwijfeld. Maar één ding had hij vergeten, één belangrijk ding:

Zoo'n middagslaapje in 't groene woudKan u perfect gelukken,Mits ge u van 's morgens vijf uur afVermoeit met varens plukken.

Zoo'n middagslaapje in 't groene woudKan u perfect gelukken,Mits ge u van 's morgens vijf uur afVermoeit met varens plukken.

En nu gaan we naar den ringoven. Of zijt ge met dien ouden boer van meening, dat de menschen teugenswoordig veul te veul weten? En stoort ge u liever aan zijn waarschuwing: „Pas op, pas op, mieneer, je kunt uut alles zooveul kwaod zuigen”?

Twee keer waren we zijn boerderij voorbij gekomen, en beide keeren had hij ons aan de praat gehouden. Hij was al over de zeuventig, twee en zeuventig, maar nog sterk hoor, en gezond. De Brabantsche lucht is best, meneer! Zijn vrouw had het leven niet mogen houden. Al dertien jaar geleden was ze gestorven, aan het water. Nou, daar kon de lucht niks aan doen. En kinderen had hij nooit gehad. Een tweede vrouw? Neen, neen, met paarden en vrouwen moet je voorzichtig zijn. En met vrouwen nog meer als met paarden. Want als je een paard hebt gekocht, en het bevalt je niet, dan verkoop je het weer. Maar as je nou een kwaoie vrouw hebt getrouwd? Hé? Dan zit je er mee, je leven lang, of onze lieve heer most jevan d'r verlossen. Maar daar wou hij 't maar liever niet op wagen. Nu dreef hij de boerderij met een paar neven en een zuster, en dat ging wat best.

En wat denkt meneer nou vanPort Arthur? Zouen de Japanners 't al hebben? Onze twee en zeventig jarige zat wel verre buiten de bewoonde wereld, een half uur van den straatweg af, midden tusschen zijn bouwakkers, dennebosschen en heide, maar hij was toch drommels goed op de hoogte van alles. Dat dankte hij aan zijn krant, dien dagelijkschen nieuwsbode, die tot in de afgelegenste hoekjes van 't land de wereldgebeurtenissen vertelt, en aan zijn schoolmeester, die hem had leeren lezen. En hij had over alles ook zoo zijn eigen opinie. Denk oe, dat de Russen en de Japanners vechten om een stukje land? Wel neen, de groote meneeren moeten een opruiming houden onder het arme volk, en nou beginnen ze maar een oorlog, en laten ze de jonge mannen bij duuzenden doodschieten. Ja meneer, 't is een kwaoie tijd, dat zie je aan Frankrijk. Wat daar nog r's van terecht moet komen? 't Is allemaal tegen de godsdienst, en dat doen de loge en de socialen. En dat zou hier ook 't geval worden, als meneer Troelstra de baas werd. Maar gelukkig, meneer Kuyper houdt de boel goed in orde. De loge en de socialen, meneer, dat zijn de kwaoien in onzen tijd, en die jagen de geestelijken weg. 't Is treurig.

Wat ik daar voor een plantje in de hand hield? Ja, dat was nu eigenlijk een plantje, dat van vleesch moet leven. Zie je die ronde, roodbruine blaadjes? En die haartjes langs de randen? Nu, aan de punten van diehaartjes zit een kleverig vocht, en daarmee worden kleine dieren vastgehouden. En dan buigen de blaadjes om, en klemmen ze zoo'n diertje stevig vast, en dan zuigen ze het uit. Daar moeten ze van leven. Zie je wel, dat die blaadjes een vlindertje te pakken hebben? Dat vreten ze nou finaal op. Niet met tanden natuurlijk, maar ze verteren het toch.

De oude man keek met schuwe blikken eerst naar het plantje en toen naar mij. Hij vertrouwde de zaak niet. Waar ik dat plantje dan vandaan had? Wel hier vlak bij vandaan, daar van de hei. Waar al die plaggen gestoken zijn, zit het nu vol met die plantjes. Doch nu werd het nog erger. Hier vlak bij vandaan? Van de heide bijzijnboerderij? En zou ik, die heel uit Den Haag kwam, dat weten, en zou hij, die toch al meer dan vijftig jaar daar woonde, het niet weten? Dat was den oude waarschijnlijk wat al te kras. Onderzoekend keek hij mij nog eens aan, en vroeg toen: „Hoe weet oe dat?” Wel, uit de boeken. „Mieneer, mieneer, pas op, je kant wel te veul weten. En uit alles zuigen ze teugenswoordig kwaod.” Toen gunde hij mijn zonnedauw geen blik meer. Een plantje, dat een diertje opat, neen, al zag je het vlindertje nu ook voor eigen oogen vastgegrepen door de omgebogen blaadjes, 't was al te onnatuurlijk. En we praatten nog een beetje over den roggeoogst, die juist in hoog opgestapelde wagens werd binnengehaald.

Tenslotte vroeg de oude, met zoo'n ondeugend knipoogje: „Oe is toch ook niet van de loge of van de socialen?”

„O neen, ik ben maar een simpele schoolmeester.”

„Nou mineer, pas dan op, dat oe niet te geleerd wordt.”

„Daarvoor kom ik nu juist in de vacantie hier een beetje uitrusten. 't Is hier zoo vredig en zoo mooi.” En ik dacht aan mijn varenplukkers. Wel had ik geen dagtaak van zonsopgang af achter den rug, maar als een mensch een vol jaar hard gewerkt heeft, dan mag hij toch ook wel eens uitrusten, en dan kán hij ook wel eens uitrusten. Dan zal de geleerdheid hem niet plagen, dan zal de weetgierigheid hem niet in actie houden. Dan slentert hij zorgeloos, schier gedachteloos door de heerlijke natuur, ligt te luieren in het heidekruid of in de schaduw van een denneboschje, en weet van niets meer, allerminst van steenbakkerijen met ringovens.... wanneer nu maar niet zoo'n akelig ding hem in zijn rustoord opwachtte, om zijn belangstelling te wekken en daarmee zijn rust te storen!

Hoe is het, zullen we onzen ringoven nog bezoeken? Of meent ge met den ouden boer, dat een schoolmeester niet te geleerd moet worden? Helaas, de ringoven zit al in mijn hoofd, en nu heb ik geen rust, eer ik u mijn kennis ervan heb meegedeeld. Dat heb je van die specialiteiten.

We wandelden op een mooien, breeden straatweg van Prinsenhagen naar Rozendaal. Eerst een klein halfuur tusschen de bouwlanden door, waar de rogge reeds gemaaid was, de haver nog te veld stond, het aardappelloof al dorde, de dikke bieten met hun zware bladeren zich boven den grond trachtten te werken, of de klaver zoo'n beetje de heide ging imiteeren: een paarse tint over een onderlaag van groen. Toen een goed kwartier langs het Liesbosch, dat bij iedere van zijn vier of vijf lanen den blik vergunt in zijn diepte door te dringen, bijna tot aan het andere einde: de lengte- zoowel als de breedtelanen van dit ongeveer rechthoekige bosch doen denken aan de reepen uit een dambord. Daarna nog een minuut of tien tusschen akkers en enkele weiden—en daar stonden we ineens, nog steeds op denzelfden straatweg, midden in een steenplaats. De weg was niets veranderd: hij was dezelfde bestrate eikenlaan, die hij aldoor geweest was. En toch stonden we hier midden in een steenbakkerij, want rechts waren eenige mannen bezig met kleigraven, echte, vette, grijze klei, die daar onder een laag zand met heide verborgen had gezeten, en links was de steenfabricatie in vollen gang: kleimalen, vormen, drogen en bakken.

Hoe die klei daar kwam, moeten de heeren en dames aardrijkskundigen maar vertellen, ik weet alleen, dat ze daar lag als een eiland in den zandgrond, en dat er meer zulke eilanden in Brabant zijn. Heeft een steenfabrikant zoo'n eiland behoorlijk afgegraven en verwerkt, dan verkoopt hij den grond weer voor weiland of bouwland, laat in andere streken van de provincie boren, of er klei onder den bovenlaag zit—natuurlijkalleen, waar hij er eenig vermoeden op heeft, en trekt dan met zijn heele gedoe naar die plek toe, d.w.z. hij laat zijn oven afbreken, alles vervoeren naar het nieuwe terrein, en daar zijn oven weer optrekken. Dat is geen kleinigheid, want zoo'n oven is een massief bouwwerk, zooals straks blijken zal, doch 't schijnt toch de moeite waard te zijn. Wat zou een steenbakker ook met zijn oven en zijn droogschuren moeten doen, als de klei was opgebruikt? Men vertelde mij van een steenbakker, die op die wijze al zijn vijfde plaats had.

Nadat we ons al gauw zat gekeken hadden aan het kleigraven in de kleilanden rechts en het kleikruien van rechts naar links, dwars over den weg heen, stapten we het terrein op. Er was geen schutting, er was geen hek, alles lag zoo maar open en bloot, en op onze vraag of we eens mochten kijken, luidde het antwoord zonder eenig voorbehoud bevestigend.

Het malen van de grijze grondstof in den ijzeren, cilindervormigen kleimolen was geen nieuws meer voor ons; het natten, zanden en vullen der vormen evenmin; ook niet het omkeeren der vormen op de droogvelden, of het opstapelen der gedroogde en daardoor al wat harderauwesteenen in de lange drooghagen. Maar in alle opzichten nieuw was voor ons de oven, en daarvan wil ik nu dan ook een beschrijving trachten te geven. Als het me lukt. Want ik ontveins me de moeilijkheid niet, om zonder illustratie, enkel en alleen door woorden, u een juiste voorstelling te doen vormen van het uit- en inwendige. Probeeren echter.

Men weet, dat bij een gewonen steenoven de vuurkanalenlangs den grondliggen. Ze loopenhorizontaallangs den bodem en zijn ongeveer een meter hoog. Het gevolg daarvan is, dat de steenen der hoogere lagen niet zoo verhit worden, niet zoo doorbákken, als die der onderste, en we tenslotte uit één baksel steenen wel 20 tot 30 soorten, sorteeringen, krijgen. De beste steenen zijn steeds die, welke dicht (nietalte dicht) bij 't vuur gezeten hebben. Zij zijn het hardst, ze klinken prachtig als je ze tegen elkaar slaat, en worden het duurst betaald. 't Zijn de klinkers.

Nu zou het natuurlijk in 't voordeel van den steenbakker zijn, als hij allemaal steenen van prima kwaliteit bakte. Voor de grondstof hoeft hij daarbij niet meer te betalen, want alle kwaliteiten komen van dezelfde klei. Hij moet er alleen meer brandstof aan geven. Doch hoe zal hij de hoogere lagen beter verhitten, zonder doortegroote warmte de onderste weer te bederven? Dat gaat niet. Wanneer de warmte de bovenste lagen pas bereiken kan, als ze door de onderste lagen is heengetrokken, kunnen de bovenste nooit op voldoende temperatuur worden gebracht, tenzij ten koste van eentehooge temperatuur der benedenste. Er zou alleen op te vinden zijn, dat men de ovens niet zoo hoog opstapelde, en dan in plaats van één oven er twee opbouwde van de halve hoogte.

Ik zeg: ditzouer op te vinden zijn. Doch menheefter al iets anders op gevonden. In plaats vanhorizontaleheeft men bij het opstapelen der ovensvertikalevuurkanalen uitgespaard. Die loopen dus van boventot beneden door alle steenlagen heen, en men kan er zooveel aanleggen als men wil, zoodat de afstand tusschen twee vuurkanalen (noem ze nu mijnentwege vuurpijpen) nooit zoo groot behoeft te zijn, dat de tusschenliggende steenen niet voldoende verwarmd worden.

Doch hoe moeten die vuurpijpen gestookt worden? Natuurlijk van boven. Hun vuurmonden komen alle in de bovenste laag uit, en daar dient dus een mannetje over die bovenste laag te wandelen, om op tijd brandstof in die monden te gieten. Maar dat mannetje zou op die manier zelf al gauw in een klinker veranderen, want natuurlijk is het daarboven gloeiend heet. Daarom is de massa opgestapelde steen geheel overdekt met een dikken laag gemetselde steenen, waarin, op bepaalde plaatsen, juist boven de vuurpijpen, vertikale gaten zijn opengelaten, welke dus in 't verlengde van de vuurpijpen liggen. Die gaten zijn van boven afgesloten met ijzeren deksels. Wil de stoker zijn vuren voeden, dan licht hij de deksels op en werpt van boven brandstof—kleine stukken steenkool!—bij scheppen in de open monden. Onmiddellijk daarna sluit hij de monden weer dicht.

Doch nu heeft de lezer nog geen goede voorstelling van 't geheel. Hij ziet alleen opgestapelde rauwe steenen vóór zich, en daarboven eenige lagen gemetselde steen. En die voorstelling is glad mis. Dit is wel de zaak, waar het eigenlijk op aan komt, het essentiëele van deze bakkerij, maar daar zie je voorloopig niets van. Je ziet nòch rauwe steenen, nòch gemetseldelagen daarboven. En dat spreekt nog al vanzelf. Denk nu eens aan die gemetselde steenlagen—waar moeten die op rusten? Zoo maar op de rauwe steenen? Moet men dus eerst een dikken vloer van baksteenen metselen, met op bepaalde afstanden gaten erin, en daarna dien vloer ophijschen, zoodat hij boven de rauwe steenen komt te liggen? En moeten die opgestapelde rauwe steenen verder maar aan de vier zijkanten ongedekt blijven, zoodat al de warmte naar alle richtingen kan uitstralen, de buitenlucht in? Dat zou al een heel onvoordeelige stokerij zijn. De groote kunst in alle fabrieken is immers altijd, de ontwikkelde warmte zoo goed mogelijk te gebruiken en zoo weinig mogelijk, liefst in 't geheel niet te laten vervliegen? Neen, dat gaat niet. Aan alle kanten zijn de rauwe steenen dan ook door dikke muren afgesloten, muren van 1 à 1½ meter dik. En de gemetselde lagen daarboven vormen met die muren één bouwwerk. Ziezoo, nu zijt ge er al een beetje beter achter. We denken ons dus een gemetselden tunnel, met muren van 7 tot 12 steen dik, en waarvan de zoldering op gelijkmatige afstanden gaten vertoont, zeg schoorsteengaten. Maar 't zijn geen schoorsteengaten, 't zijn vuurmonden, want niet de rook moet eruit naar boven, maar de brandstof moet erin naar beneden. En in dien tunnel zijn de rauwe steenen zóó opgestapeld, dat onder de vuurmonden—telkens drie in de breedte—de vuurkanalen aansluiten. Nu zijn we er. Laat nu de stoker maar vrij boven zijn bakkerij wandelen. Hij zal niet tot een klinker versteenen. De vloer onder zijn voeten is misschien weleen kleinen meter dik en bovendien heeft hij er nog een laag zand op gelegd. Tusschen dat zand zie je overal de ijzeren kapjes uitsteken, net schoorsteenkappen, waarmee de vuurmonden zijn afgesloten. Toen wij met den stoker op zijn oven rondscharrelden, voelden we niets van de hitte onder onze voeten. En toch brandde daar een geducht vuur, zooals we konden zien, toen de stoker van eenige monden de deksels aflichtte en ons een blik deed werpen in de diepte. 't Was alles één en al gloed, waarbij het eigenlijke vuur haast niet te onderscheiden was van de gloeiende steenen. Toch zagen we die als lichte, 't leek wel doorschijnende blokjes opgestapeld liggen.

Wanneer de lezer zich nu dezen tunnel denkt in den vorm van een ring, of liever, van een lang ovaal, dan begint zijn voorstelling misschien al iets op de werkelijkheid te lijken, vooral wanneer hij nog weet, dat de hoogte ± 5 Meter en de lengte van het heele bouwwerk ± 50 Meter is.

We zien dus een steenen bouwwerk, in den vorm van een langgestrekt ovaal met een lengte-as van ongeveer 50 Meter en ongeveer vijf Meter hoog. Niet oneigenaardig vergeleek een onzer het met een puddingvorm, die met de open zijde op de tafel staat. En die vergelijking was te juister, omdat ook hier de buitenzijde schuin naar beneden liep. Die buitenmuur groeide, van boven naar beneden, van 7 tot wel 12 steenen dikte aan, en wel aan den buitenkant, diedaardoor een vrij schuine helling vertoonde. Wil men die vergelijking met den puddingvorm nog nauwkeuriger hebben, dan moet men denken aan een vorm, die in 't midden een ovale opening heeft, en die dus eigenlijk bestaat uit een ovalen ring of tunnel.5)Die opening werd bij den steenoven ingenomen door het gemetselde rookkanaal, dat naar den hoogen schoorsteen voerde, die aan het eene uiteinde van den oven stond. In rechte lijnen was de plattegrond van den geheelen oven dus ongeveer aldus:

plattegrond oven

In plaats van een rechthoek denke men zich nu een ovaal.

En hoe moest die ringoven nu gevuld en geleegd worden?

Daartoe bevinden zich in den buitenmuur zestien poortjes, van wat minder dan een manshoogte, zoodat een man er gebogen door kan gaan, aan elke zijde acht, en op 4 à 5 Meter afstand van elkaar. In die poortjes konden we de dikte van den muur goed zien, en ook, dat zijn doorsnede op een rechthoekig trapezium leek met de schuine zijde naar buiten. Bij het vullen werden de kruiwagens met rauwe steenendoor een der poortjes naar binnen gereden, en daar, nu en dan met uitsparing der drie loodrechte vuurkanalen, opgestapeld tot aan de geweldige zoldering.

We woonden het vullen en leegen bij, en dat is geen wonder, want deze werkzaamheden gaan hier dag aan dag door. 't Is hier niet, zooals bij een gewonen steenoven: eerst denheelenoven vullen, dan denheelenoven vier tot zes weken laten branden, daarna denheelenoven laten afkoelen, om tenslotte denheelenoven te leegen. Hier ging het leegen en vullen onafgebroken voort, al maar door in de rondte van den oven.

Om dit te kunnen begrijpen, zullen we den geheelen ovalen tunnel eens in 16 vakken verdeelen, elk vak tusschen twee poortjes. Men lette er echter vooral op, dat het een verdeeling iszonder tusschenschotten. De opeenvolgende vakken zullen we benoemen met de getallen van 1 tot 16, en we spreken dus van vak 1, vak 2, vak 3, enz. Elk vak is dus de inwendige ruimte van den tunnel, van een poortje tot het naastvolgende. In de zoldering van één vak zien we drie maal drie stookgaten—drie rijen van drie—zoodat we meteen kunnen uitrekenen, dat deze oven 16×9 stookgaten heeft.

Wanneer de stoker nu b.v. vak 9 aan het stoken is, blijft de daar ontwikkelde hitte niet beperkt tot dat vak, maar verspreidt zich ook door vak 10, 11, 12 enz.—steeds in één richting, en zoo ver mogelijk, dus tot in het laatste vak, dat pas met rauwe steenen is gevuld.—Verder niet, want de zijde van dit laatste vak, (laten we zeggen vak 16) waar de overgangnaar het volgende vak 1 is, heeft men met grauw papier beplakt. Vak 1 is of wordt dus juist geleegd.

En gaat de warmte uit vak 9 dan nietterug, naar de vakken 8, 7, 6, enz. tot 1? Neen, want de luchtstrooming, de trek, is altijd in dezelfde richting. De versche buitenlucht treedt binnen, in het vak dat men aan 't leegen is, thans dus in vak 1. Naar het vorige vak 16 kan ze niet, want dit is met grauw papier beplakt.Ze dringt nu tusschen de steenen door in vak 2, 3, 4, enz., tot in vak 9, waar gestookt wordt, daar onderhoudt ze de verbranding, waarna de ontstane heete gassen verder trekken door vak 10, 11, 12, enz. tot 16 en hier, tegengehouden door den papieren wand, in het rookkanaal verdwijnen. Alle frissche lucht, trekt dus steeds denheelenoven door, eerst afkoelend de reeds gebakken steenen (b.v. vak 2–8), daarna de verbranding onderhoudend (vak 9), vervolgens de nog rauwe steenen alvast—doch nu als heete gassen—verwarmend en drogend (vak 10–16), eindelijk verdwijnend door het rookkanaal (vak 16) en den schoorsteen.

Is vak 1 geleegd, dan volgt vak 2. Tegelijkertijd wordt vak 1 weer gevuld. Nu komt de versche lucht in het open vak 2 binnen, en krijgt vak 3 dus de afkoeling der directe buitenlucht. Deze buitenlucht trekt weer door de vakken 4, 5, 6, 7 en 8, doch bereikt nu ook 9, want de stoker is nu bezig met 10 te verhitten. De heete verbrandingsgassen trekken door vak 11, 12, 13, 14, 15 en 16, doch nu ook door het pas gevulde vak 1, waar de rauwe steenen aanstondseen beetje van de ontwikkelde warmte profiteeren. Verder dan 1 gaat de warmte niet, want het grensvlak tusschen het pasgevulde vak 1 en het pas geleegde vak 2 is alweer met grauw papier beplakt. De gasvormige verbrandingsproducten verdwijnen uit vak 1 in het rookkanaal.

Wie deze uiteenzetting heeft kunnen volgen, zal nu begrijpen, dat de oven onafgebroken door aan 't branden blijft. Elken dag laat de stoker een rij van drie vuurmonden schieten, en neemt hij drie nieuwe onder zijn schep. Ieder vak wordt dus, daar het immers 3×3 vuurmonden heeft, juist drie dagengestookt. Ik onderstreep dit woordgestookt. Wantverwarmd,verhit, is zoo'n vak reeds al den tijd, waarin de vorige 14 vakken gestookt werden. Langzamerhand is de warmte het genaderd, al dichter en dichter. Geleidelijk nam ze toe. Grooter en grooter werd de hitte. Reeds kwam ze uit de eerste hand, van het naburige vak. Doch ze moest nog toenemen. Daar wierp een onzichtbare hand, van boven, zwarte steenkool naar beneden, en de vlammen, die reeds lang tusschen de steenen doorspeelden, verslonden met gretigheid dit nieuwe voedsel, voerden de hitte tot haar grootste hoogte op, en bakten daarmee de rauwe steenen volkomen gaar. Even geleidelijk als de verwarming gekomen was, volgde haar de afkoeling, totdat het baksel koud genoeg was, om op kruiwagens te worden geladen en naar buiten gereden.

Voor den belangstellenden lezer zijn er onder het nagaan der voorafgaande beschrijvingen en mededeelingen natuurlijk allerlei vragen gerezen. Dat spreekt vanzelf. Juist als je iets van een nieuwe zaak begint te weten, vertoonen zich aan alle kanten de leemten in je kennis, en die wil je graag aanvullen. We hebben altijd zoo graag een goed in elkaar geslotengeheel. Doch, ofschoon ik de vragen niet slechts voorzie, maar ze zelfs best zou kunnen formuleeren, ik zal er niet aan beginnen, want dat zou niet alleen op nieuwe mededeelingen maar daardoor weer op nieuwe vragen uitloopen. We zijn in een zaak, in wèlke dan ook, eigenlijknooituitgevraagd. Steeds kunnen we er dieper in doordringen.

Ik zwijg dus nu over onzen ringoven, doch wil alleen nog eens in het bizonder de aandacht vestigen op zijn voordeelen. Die zijn dan in hoofdzaak:

1º.Enorme besparing van brandstof.Bij degewonesteenovens gaat van de ontwikkelde warmte verreweg 't grootste deel nutteloos verloren; volgens genomen proeven zeker meer dan 80 pct.; daarenboven is de verbranding in de vuurgangen onvolkomen, omdat de lucht niet vrij toe treden kan en er zich in plaats van koolzuur (CO2) zeer veel kooloxyde (CO) vormt, waarbij de vrij geworden warmte slechts een vijfde is van die, welke men bij doelmatig aangelegde ovens zou kunnen verkrijgen. De besparing aan brandstof is bij den ringoven nu niet minder dan 66, soms 80 pct. van het gebruik in de gewone steenovens.

2º.Winst aan tijd.Door 't vullen, afkoelen, enledigen van den gewonen oven gaat heel veel tijd verloren. Bij den ringoven gaan alle werkzaamheden onafgebroken door. 't Is steeds op denzelfden tijd: vullen, branden, bakken, afkoelen, leegen. Het eene onderdeel geeft niet het minste oponthoud voor het andere.

3º.Beter kwaliteit van steenen.Terwijl bij de ongeveer 30 sorteeringen uit een gewonen oven veel mindere kwaliteiten zijn, geeft de ringoven—tenminste was dit het geval bij den door ons bezichtigde—maar vijf soorten, doch alle van de beste kwaliteit.

Bevreemding mag het dus wekken, dat er in ons land nog zooveel met gewone ovens gewerkt wordt, waar deze zulke groote nadeelen hebben.

Na het bezichtigen van den ringoven bleven we nog een poos staan kijken bij een ploeg van vier mannen en een jongen, die „handwerk” verrichtten. Twee mannen kneedden de klei op een stuk land, de derde reed ze per kruiwagen naar den vormer, en deze, de vierde, vulde er met de hand telkens een vorm voor vier steenen mee, die dan door den jongen op het droogveld geleegd werd.

't Was alles zwáár werk. Dat kneden van de vettige klei met de handen, waarbij de armen soms tot de ellebogen in de massa geduwd werden,—en dat een heelen dag door, een dag van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met 2 urenschafttijd; dat vullen en omhoog rijden van de volle kruiwagens, altijd maar omhoog, en diedan weer met de handen leegen op de tafel van den vormer,—en dat een heelen dag achtereen van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met 2 maal een uur schafttijd; vooral dat vormen, dat vullen van de vier bakjes in één vorm, met de hand, zonder een seconde oponthoud, seconde aan seconde, minuut aan minuut, uur aan uur, den ganschen langen dag van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met slechts tweemaal een uur, om gauw naar huis te loopen, te eten, en terug te rennen; maar toch ook dat opnemen, leegen en terugbrengen van de vormen, het werk van den jongen, en ook van 's morgens 5 tot 's avonds 7,—'t was alles zwáár werk.

't Is waar, er werd niet veel kennis voor dezen arbeid vereischt, maar wie zou zich niet liever wat bekwamen in zijn jeugd om dan later niet alleen loonender maar ook aangenamer arbeid te kunnen verrichten, arbeid die in zichzelf wat voldoening meebrengt?

Onze oude boer mocht waarschuwend zeggen: „Pas op mieneer, een mensch kan wel eens te veul weten,” wat we hier voor ons zagen sprak in de taal der feiten de waarschuwing uit, om toch vooral onze kinderen ook niet te weinig te leeren.

5)Zoo ongeveer als een ovalen rijstrand.

5)Zoo ongeveer als een ovalen rijstrand.

Men zegt: Wie de Jeugd heeft, heeft de toekomst. En men vecht om de Jeugd, om deze zekere zedelike beginselen in te prenten, zekere godsdienstige geloofswaarheden in te praten, zekere goede gewoonten eigen te maken. Zoo meent men dan de toekomst der Jeugd en in haar de toekomst der Mensheid het best te verzekeren.

Maar als die Jeugd gaandeweg volwassen wordt, bemerkt ze, dat die beginselen onder de mensen wel beleden, die geloofswaarheden daar wel gepredikt, die gewoonten daar wel vormelik geëerd, maar geen van deze tot werkelikheid, tot leven gemaakt worden.

Het kind, dat „altijd de waarheid moest spreken”, raakt verdwaald in de politiek der wereldwijsheid, eerst al in zijn eigen huis, waar het oordeel over anderen zoo gans verschillend is, naarmate die anderen afwezig of aanwezig zijn; daarna in 't maatschappelik leven, waar „zaken” en „carrière” haar eigen zedelike eisen stellen; eindelik in de staatkunde en de oorlogskunst, waar het succes vaak alleen gekocht wordt door sluwe misleiding der tegenpartij.

Het kind, dat God leerde liefhebben boven alles, ook boven Mammon, ervaart al spoedig, dat zijnopvoeders dit niet zo letterlik bedoeld hebben. Wanneer het zijn geld aan God wil geven, maakt dit zijn vrome opvoeders eerst onrustig, dan vertoornd, eindelik hard. Mammon kan beter zorgen voor kleren en voedsel en woning en menseneer—dan God. Eer God met den mond, Mammon met de daad.

En het kind, dat reeds verder was dan 't opzeggen, het napraten van woordenbraafheid en woordenvroomheid, dat zich reeds enige goede gewoonten had eigen gemaakt, de gewoonte b.v. om de minste te zijn, wordt later door baatzucht en heerszucht kalmpjes geëxploiteerd. De wereld der volwassenen, ook die der kerkeliken, blijkt hem een wedstrijd om de meeste te worden.

Nog erger is het, wanneer de zedelike opvoeding niet bestaan heeft in het inpraten en inprenten van verstandelike formuleringen als levenseisen, ook niet in het aanwennen van practiese deugden, maar in het heiligen en sterken van de wil; wanneer de opvoeding het zó ver mocht brengen, dat het kind zijn enig heil vond in een leven vol liefde en waarheid, wanneer oprechtheid en gerechtigheid en toewijding zijn wezen werden.

Hoe zou het met die geaardheid zich in de maatschappij kunnen bewegen? Gerechtigheid? Neen, dienen van personen en partijen. Het recht opgeofferd aan de naam, de positie, het belang. Toewijding? Mits die toewijding niet de persoonlike en maatschappelike zonden aantast. Het is, alsof men een vogel, aangelegd en grootgebracht voor een reine atmosfeer, liet rondstrompelendoor vunzige moddersteegjes. Het is, alsof men een vis de zandwoestijn in stuurde, en zei: zwem.

Men brengt het kind groot voor de wereld, die er niet is. Men rust het toe met neigingen, die—áls ze zich ontwikkelen—zijn leven tot een moordende worsteling maken. Men maakt het klaar voor een samenleving, die het zal uitstoten of verteren.

Wie de Jeugd heeft, heeft de toekomst? Eer deze jeugd toekomst is, zal ze, bij de langzame vergroeiing tot de wereld der volwassenen, geleidelik vervormd zijn en tenslotte geassimileerd worden met het oude milieu.

We moeten het omkeren: Wie de toekomst heeft, heeft de Jeugd. Wanneer het kind, ouder wordend, telkens komt in een kring en een dampkring, waarin met de zedelike eisen ernst wordt gemaakt, steeds méér ernst wordt gemaakt, zal het door de invloed zijner omgeving voortdurend en bij toeneming vertrouwd worden met een morele levenspractijk. Bij de kunstmatige visteelt ziet men zoo aardig de kleine visjes bij 't groeien telkens van basin veranderen, maar ieder nieuw basin biedt meer ruimte, water, licht en lucht, alles naar de behoeften der dieren. De vlugge zwemmers worden niet in telkens onreiner water gebracht. Ze krijgen telkens opnieuw levensvoorwaarden, waarin hun materieel welzijn het best wordt bevorderd. Niet anders mag het bij de opvoeding der mensenkinderen zijn. Schep hun een moreel milieu.

Hiertoe is echter nodig, dat de ouderen, aan wie de zedelike opvoeding der jongeren is toevertrouwd, beginnen met aan zichzelf te werken. Maak eerst de groten goed en dan, door hen, de kleinen. Want die ouderen zijn de vormers van dit morele milieu.

De kinderen moeten, niet uit huiskamer-preekjes, maar uit het levensgedrag van Vader en Moeder leren wat waarheidsliefde, verdraagzaamheid, welwillendheid is. Door het dageliks verkeer met die deugden moeten zij zich die eigen maken, als een vanzelfsheid. Wanneer er bovendien over die deugden gesproken wordt, diene dit alleen om bij de jongeren helderder bewust te maken, wat ook van hen geëist wordt. Maar hoofdzaak is, dat de ouders zelf geven, wat ze van hun kinderen vorderen, opdat de gezinsatmosfeer de kinderen niet belemmere in het handelen naar de etiese eisen, en die eisen aan het kind gebracht worden door een levende leer.

Zo moet het ook in de School de kinderen niet onmogelik gemaakt worden, waarheidlievend en naastenlievend te zijn en dient daar van de persoonlikheid des onderwijzers, van zijn houding tegenover volwassenen en kleinen, een aanhoudende, doordringende prediking uit te gaan. Waar blijft de morele invloed, wanneer de onderwijzer, zijn leerlingen b.v. het twisten verbiedend, zelf in onmin leeft met zijn collega's, zelf twist met klagende, verwijtende ouders, ja zelfs, onder de les, op ruwe, kijvende toon zijn leerlingen te lijf gaat. Dan schept hij niet alleen een immoreel milieu door zijn eigen gedrag, maar verergertdit nog door het huichelend onderscheid tussen woord en daad. Eerst zij de onderwijzer goed, dan groeie, door hem, de schooljeugd.

En dit geldt niet slechts de onderwijzer der lagere school. Ook die der kweekschool, der middelbare school, der universiteit. Welke kracht kan uitgaan van een paedagogiekles, die in de practijk der les zelve reeds de verkondigde theorie weerspreekt? Men leert de leerlingen theoretiseren over waarheden in plaats van hen te oefenen in het verwerkeliken van waarheden. Men leert ze aldus de hand lichten met de ernst der dingen, zo niet spotten met het heilige. Een hoogleraar, die liefde voor de wetenschap zegt te hebben en overtuigd heet van de gezegende invloed der wetenschappelike beschaving, grijpt toch ieder college aan, om die liefde te tonen, over te dragen, om die overtuiging te planten in de hoofden en harten der studenten? Of zal hij zijn toehoorders door dorre dictaten, door memoriseerwerk, van de wetenschap vervreemden, en zodoende 't geloof in haar aantrekkelikheid en heilzame invloed ondermijnen? Dan moet de verbetering bij hem beginnen.

En dit is in de allereerste plaats waar voor hen, die zich in 't bizonder met de zedelike en godsdienstige vorming van jong en oud zien belast. Van de Kerk, in al haar openbaringen, gaat zedelike kracht uit. Maar dan moet de Kerk niet beschouwd worden als een Priesterschap, wakende voor een leer, maar als een Gemeenschap van Godzoekenden, van heiligmaking waarachtig begerenden, werkende voor het zedelik heilder mensheid. Hoe echter, wanneer de dienaars dier Kerk niet levende bewijzen zijn voor de kracht en de zaligheid van hun prediking? En als ook de leken, die zich om hen scharen, geen levende berichtgevers zijn van het heil der waarheid, „levende brieven van Christus”? Dan is het zout smakeloos. En waarmee moet dit dan gezouten worden?

Men bekommert zich altijd zo over het heil der jeugd. Terecht. Maar wie zich daar waarachtig over bekommert, beginne dan met van zichzelf in zedelike zin het beste te maken, wat hij kan. Dan heeft hij alvast aan één factor der zedelike opvoeding, aan de voornaamste, met ernst gearbeid. Dan heeft hij geholpen aan het scheppen ener reine sfeer, waarin de jonge vogels het vliegen moeten leren.

Beginnen met de volwassenen, beginnen met ons zelf.

Als Jezus Christus niet begonnen was met Zichzelf, zou de zegen van het christendom nooit ons deel zijn geworden. En wanneer die zegen nog niet véél groter is, het is, omdat wij verzuimen, door Hem gekrachtigd, Zijn voorbeeld hierin na te leven en te beginnen met onszelf.

Dit stukje schreef ik op verzoek van het Bureau voor het „Congres voor Zedelijke Opvoeding”. Onze lezers zullen er geen nieuws in zien. Doch het leek mij nuttig, ons, volwassenen, eraan te herinneren, dat de ernst van ons streven blijken moet uit onze daden. Een kind mag geen mug inslikken, en wij, volwassenen, zwelgen kemels.

Daar is mijn geliefde Frits Reuter weer. Wanneer een mens zo eens een opwekking nodig heeft,—en wie heeft dat niet?—dan staan hem allerlei middelen ten dienste: een sigaar, een glas wijn en meer zulke zinnelike prikkels. Maar die brengen hem in den regel verder van de wijs. Beter helpt gewoonlik een boek. Niet een boek, dat in opwindende tonelen en spannende verhoudingen afleiding brengt door onrust, maar een boek, dat ons in een vriendelike, liefdevolle atmosfeer leidt, dat ons geestelik doet ademen in reine dampkring, dat ons aan eigen moeiten ontvoert door ons deelgenoot te maken van andrer moeiten en strijd en overwinning. Zulk een boek is mij „Het leven op het land” van Frits Reuter.

De mensen willen, dat een „beschaafd mens” op de hoogte zij van de hedendaagse literatuur. Dat wil dus zeggen, dat je ter wille van je beschaving ook tal van dikke boeken doorworstelt, die je van de ene narigheid in de andere duwen. Deze soort „beschaving” lacht me niet toe. Al kunnen we dan niet over tal van schrijvers en werken meespreken, in vredesnaam. Men maakt tegenwoordig veel te veel van alle heerlikheden onaangename plichten. We lezen echter niet terwille van een beschavingsvernis. We lezen voor onsgenot, voor ons geluk. En liever één geliefd boek telkens en telkens weer gelezen, dan dat we een hele bibliotheek in ons hoofd krijgen, zonder dat ons hart daar noemenswaardige winst bij heeft. We tellen onze vrienden toch immers ook niet bij hele regimenten? Goede boeken zijn goede vrienden, en de eerste zijn al net zo dun gezaaid als de laatste, al willen we dankbaar erkennen, dat we ook veel verplicht zijn aan hen, die onder de boeken en de mensen alleen tot de goede kennissen gerekend kunnen worden.

Frits Reuter is een vriend, een echte, en een vriend van duizenden. Je zoekt hem telkens weer op, en—wat meer zegt—je zoekt hem op in nood. Hoe vaak heb ik al mensen gesproken, die me dat volmondig beaamden. Op het ziekbed, bij een langzame herstelling, onder zorgen, bij spanningen die maar niet tot ontspanning konden komen, bij hoofdbrekende vragen—naar hem werd gegrepen, en als hij er was, bracht hij geduld, verlichting, hoop, vertrouwen, kalmte, vrede. Een smartelike trek wist hij om te plooien tot een glimlach. Hij liet de zon door de wolken breken. En daarom is hij velen zo lief, in zekere zin onmisbaar. Bij voorspoed, in blijde stemmingen, dan hebben we geen hulp van buiten nodig. Dan braniën we door 't leven, of we ik weet niet hoe zelfstandig zijn. Dan hebben we wijsheid voor tien en kracht voor honderd. Dan kunnen we niet begrijpen, hoe je nog zwakkelingen hebt, die niet in zichzelf, uitsluitend in zichzelf, de vermogens bezitten, om zich door alles heen te slaan. Dan dragen we dewereld op onze schouders en gruwen van elke steun, die men ons mocht willen aanbieden. Maar de Schepper heeft het aldus ingesteld, dat we niet altijd voorspoedig en verblijd zijn, dat we niet altijd braniën kúnnen, dat we ook wel eens steun behoeven, en die dan heel gaarne aanvaarden. En in zulke zwakke momenten, uren, dagen—zegenen we de helpers in de nood, de toevluchten in 't lijden. De psalmdichters zingen van God als hun hoogvertrek, waarin ze zich veilig kunnen terugtrekken. Zulk een hoogvertrek is ons ook in menige mens gegeven. God werkt door mensen.

Niet alleen troost en verlichting in de zin van drukvermindering vinden we bij zulke mensen, maar ook kracht en verlichting in de zin van verheldering. Ik ben de eerste niet in het kamp der min of meer officiële paedagogen, die ter wille der opvoedkundige vorming naar de grote schrijvers verwijs. De heer Zernike, de bekende en zeer bekwame samensteller van het „Paedagogisch Woordenboek”, iemand die de paedagogische wetenschap wel onder de knie heeft, sprak het meermalen uit, dat we in goede romans heel wat voortreffelike opvoedkundige waarheden vinden. En wanneer ik dit onderschrijf, ben ik dus in goed gezelschap. 'k Heb eens beproefd, uit een roman van Thackeray een bloemlezing te verzamelen van paedagogische uitspraken en beschouwingen, maar er kwam geen eind aan. Al wat we nu nog prediken en als de nieuwste opvoedkundige wijsheid op de marktbrengen, vond ik daar slag op slag verkondigd, o.a. ook de noodzakelikheid van waarheid in de opvoeding waar het sexuele voorlichting betreft. En we kunnen nog heel wat verder teruggaan, dan tot die Engelsche schrijver. Goede lectuur is van oudsher opbouwend, opvoedend, voorlichtend in haar wezen.

Zou Frits Reuter 't niet zijn? Men leeft zijn leven op 't land niet mee, zonder altans de kans te hebben dat men er iets beter door wordt. Zwaarder kan een mens al moeielik getroffen worden dan Karel Haverman. Na tien jaar hard zwoegens is hij eindelik gelukkig getrouwd. Maar de tegenspoed achtervolgt hem—zijn inboedel wordt voor schuld verkocht, zijn vrouw sterft, en er blijft hem niets anders over dan een nog jong kind. Hier was reden om in moedeloosheid weg te zinken, in radeloosheid te bezwijken. Maar Haverman—we weten het immers allen—blijft niet in de ellende zitten. Wanneer zijn meubelen en de werktuigen der boerderij, wanneer zijn vee verkocht is, begraaft hij zijn vrouw, en trekt met zijn kind op de arm de wereld in. Niet treuren bij het graf van zijn liefde, maar aanpakken. Aanpakken het leven en daarbij vertrouwen.

Ik vind Haverman een heerlike figuur en zegen Reuter voor de uitbeelding van deze man. Vrolikt de humor van de nobele Oom Bräsig ons op, verkwikt ons de liefde van de Dominé, worden door het onbezorgde zorgen van het Domineeske en van Madam Nüszler ook ons de zorgen afgenomen, we houden ons vast aan de ernstige, stille, trouwe Karel Haverman.Hij richt zich op te midden van alles wat hem neer wil drukken. Hij staat en blijft staan, ook waar krachtige stromen hem dreigen omver te werpen en weg te voeren. En geen ogenblik verheerlikt hij zichzelf of koestert hij ook maar zichzelf. Hij kent alleen zijn plicht en handelt daarnaar. En dan had hij nog iets.

Toen hij, de laatste dag op zijn pachthoeve, met zijn kind nog eens door de tuin ging, „kwam hij bij een jongen boom, dien hij zelf geplant had. Het strooien touw, waarmee deze aan zijn stut was vastgebonden geweest, had losgelaten, en de jonge boom liet zijn kroon neerhangen. Haverman richtte hem weer in de hoogte en bond hem vast, zonder er verder iets bij te denken, want zijn gedachten waren verre weg, en „zorgen en helpen lag in zijn natuur.””

Zorgen en helpen lag in zijn natuur. De jonge boom was zijn eigendom niet meer, erger, behoorde nu aan den man, die hem in 't ongeluk had doen storten. Maar daar dacht Haverman niet aan. Hij hielp, omdat helpen in zijn natuur lag.

Wanneer zorgen en helpen in onze natuur ligt, dan behoeven we voor geen enkele toekomst bevreesd te zijn. Dan zijn we overal bruikbaar en overal welkom. Alleen eigen machteloosheid kan ons dan nog maar verontrusten, een machteloosheid die ons het helpen en zorgen onmogelik maakt. Maar dit „onmogelik” is dan ook slechts een fictie. Zulke naturen zijn zelfsvermogend in hun machteloosheid. Waar zorgen een natuurdrang is, helpen een gemoedseigenschap, daar blijven ze in werking tot zelfs op het sterfbed. Zulke stervenden zijn sterker dan de levenden die hen omringen. Menigmaal gaat er van een sterfbed groter kracht uit, en meerder hulp, dan van hen die helpen moesten. Het is de vraag, wie daar sterft, of het iemand is die geleefd heeft. Wie geleefd heeft voor anderen, zal ook sterven voor anderen. En van machteloosheid kan dan nooit sprake zijn.

Zoals Haverman zorgde voor de boom, die hem niet meer toebehoorde, zorgde hij ook voor het kind, dat zijn zorgen behoefde en er recht op had. En in dat zorgen hielp hij meteen zichzelf. De mensen staan bij dergelike smartelike verliezen zo gauw gereed, met iemand afleiding aan te bevelen. Alsof een waarlik liefhebbend hart ooit van zijn geliefde gestorvenen wil worden afgeleid. En alsof men de smarten niet in zich meedraagt, de hele wereld door, ook te midden der afleiding. Afleiding betekent wegdoen. En men kan de feiten niet wegdoen. Men moet ze verwerken, en aldus aanwenden tot zijn wezenlike vorming. Maar dat verwerken kan niet zijn een herhaald overpeinzen, een wroeten met tobbende ziel in de wreedheid der smart. Dat zou worden een fijnmalen van bittere zaden, waarbij de bitterheid uit ieder korreltje geproefd en aldus verduizendvoudigd werd. Verwerken, dat is opnemen in ons leven als feiten, als machten die ons een bepaalde kant uit dwingen, als factoren van onze levensarbeid. Verwerken, dat is aanvaardenals krachten en plichten ten leven. De beste afleiding is de aanneming.

Zo voelde Haverman het, al kwam het niet in hem op, het aldus te beredeneren en voor zichzelf helder te maken. Hij deed zo, omdat het in zijn natuur lag, omdat hij niet anders kon. Geen handeling op grond van een welgemotiveerd besluit, maar uit spontane drang des harten. En omdat hij zo voelde en deed, daarom hielp hij ook zichzelf. Hij dacht niet aan eigen moeiten, hij zocht niet naar ontheffing van lasten. Hij zocht alleen het heil van zijn kind. Dat kind nam hij als willige last op de armen, zelfs ondanks het liefdevolle aanbod van medelijdende harten, die 't voor hem dragen wilden, en hij droeg het mee op de stille weg. Maar die last was daardoor zijn steun. Die plicht was zijn kracht. En al besefte de eenzame man het niet, de wijze waarop hij de verwoesting van zijn levensgeluk omzette in zorg voor het heil van dat hulpeloze wezentje, die was zijn redding uit de schipbreuk.

Er is geen ondergang voor hen, die het zorgen en helpen in hun natuur hebben. Ook al is iemand nog minder bedeeld dan Karel Haverman, al blijft hem zelfs geen kind over, al staat hij gans alleen op de wereld, hij heeft de toewijding in zich, en voor dezulken is er altijd een taak, een arbeid, een roeping, en daarin een levensvreugde. Er zijn altijd boompjes die vastgebonden moeten worden. Het grootste bezit is daarom—de zorg voor anderen. De blijvendste rijkdom—een hulpvaardige natuur. Hiermee kande mens in een hulpbehoevende wereld nooit ten ondergaan.

Deze opvoedkundige waarheid predikt Fritz Reuter ons zo als onopzettelik. Hij laat ze ons daarna in het leven zien. Doch het is geen kwaad, datwijvoor die waarheid eens opzettelik de ogen openen en er met volle bewustheid naar luisteren. Bij het „opvoeden” van ons zelf en onze kinderen is het gewoonlik veel meer de vraag, ons en hen te oefenen in het aanwenden van de rijke bronnen van welvaart tot heil van onszelf, dan dat we denken aan het heil van anderen. De kinderen moeten sterk gemaakt worden voor de levensstrijd. Dat betekent, ze moeten knap, handig en slim worden om het met hun arbeid of hun zaken anderen af te snoepen. Ze moeten liefst die anderen overtreffen, om het er zelf materiëel beter door te krijgen. Ze moeten onafhankelik worden, zodat geen Samuel Pomuchelskop hen van hun boerderij kan afzetten. Alle krachten van lichaam en geest moeten in hen worden ontwikkeld, om hen te doen opgroeien tot krachtige individuen. En er wordt bijna of in 't geheel niet aan gedacht, dat hun zorg voor zichzelf ook en wel voor een groot deel gevonden kan worden in de zorg voor anderen. Neen, met alle inspanning leren we hen volmaakte zelfverzorgers te worden en zelden zijn de ouders gelukkiger dan wanneer hun kinderen zó goed hun eigen belangen behartigen, dat de ouders er geen omkijken naar hebben.Als die kinderen trouwe en nauwgezette wachters zijn bij hun eigen bezit, prijzen de ouders hen als braaf en gemakkelik.

Nu spreekt het vanzelf, dat niemand bezwaar mag maken tegen een vorming der kinderen tot krachtige, praktiese, veelzijdig bruikbare, zelfstandige mensen. Maar het gaat hier om de zedelike zijde van de zaak, waarbij de vraag op den voorgrond treedt: voor wie het kind al die eigenschappen moet bezitten. En dan zal men mij wel niet de opvatting betwisten, dat daarbij meestal te veel, zo niet uitsluitend het eigenbelang van het kind de spil is, waar alles om draait. We zijn zo bang, dat onze kinderen maatschappelik mislukken, dat we hen liever in fatsoenlik egoïsme zedelik zien ten onder gaan. Natuurlik, het egoïsme moet fatsoenlik wezen, moet hen kunnen voeren naar de hoogste plaatsen in de samenleving, maken tot leiders in kerk en staat, maar—als het fatsoen gered is en daarmee een der onmisbare faktoren voor maatschappelike vooruitgang, kan ons dat egoïsme minder schelen. De opvoeding wordt zozeer beheerst door de vrees, dat een kind later zichzelf niet zal kunnen redden, dat aan redden van anderen niet kan gedacht worden. En hierdoor mislukt die opvoeding, ook al heeft het kind nu en later ook als volwassene sukses op sukses. Het zal nooit onder alle omstandigheden, ook onder de treurigste—die hem natuurlik evenmin bespaard blijven als ieder ander—de rustige kracht ontwikkelen van een Karel Haverman. Als hem zijn sukses ontgaat, ontzinkt hem ook alles.

Daarom, en in het wezenlik belang der kinderen, moeten we ons verheugen, als we zien dat helpen en zorgen in hun natuur ligt. Ook al veronachtzamen ze daarbij wat, in het oog der baatzucht, hun voordeel schijnt en zulks ook heet. Al worden ze zelfs geëxploiteerd door sluwe berekening van anders aangelegden, beklaag ze daarom niet. Prijs ze liever gelukkig, dat ze hieronder absoluut niet lijden. Het komt ons zo voor, dat de inhaligste het meeste wint, omdat hij het meeste verzamelt. Maar het is zo innig waar: die zijn leven verliezen wil voor anderen, die zal het behouden, en die het behouden wil, die zal het verliezen. Wie verliest, wint—mits hij verliest om der liefde wil.

De vraag, ook voor hen, die deze overtuiging delen, is echter, hoe we dat zorgen en helpen in de natuur der kinderen moeten brengen. De onervaren onrijpheid denkt daar zo gemakkelik over. Die meent, dat men met zeggen, redeneren, met overtuigen klaar komt.

Maar men redeneert geen elementen in de zedelike natuur. Over 't algemeen redeneert men geen levende krachten aan. Hoogstens kan men ze redenerende opwekken, bewust maken, en daardoor versterken. Maar nooit lijdt die opvoeding meer fiasco, dan wanneer ze haar uitsluitende kracht zoekt in de redenering. En dit fiasco is te ontnuchterender, omdat de redeneerder al pratende zozeer zichzelf heeft overtuigd, dat hij—ook zijn toehoorders overtuigd waande. Neen, door redenering komen we er niet. Zelfs al vermogen wedaarmee instemming voor onze mening te verwerven, dan nog betekent die instemming maar een verstandelike erkenning. Maar daarmee heeft men het erkende nog niet in zijn natuur opgenomen. Er is zo veel principieels, dat op de markt van 't zedelike leven geen waarde heeft. Principiële moed is geen moed. Hij laat ons bij 't gevaar in de steek. Principiëel vertrouwen is geen vertrouwen. Het vernevelt in den nood. En zo is principiële liefde ook geen liefde. Ze redeneert in zalen en salons, maar lost op bij de ellende. Principiële dingen zijn hersenspinsels, maar geen levende krachten. En alleen deze werken iets uit. Voor anderen, en voor ons zelf.

Hoe zullen we nu die zorgende liefdein de natuuronzer kinderen brengen? Ik vrees, dat van brengen geen sprake kan zijn. Als ze er niet is, kunnen wij ze er niet in zaaien. Maar, in normale gevallen, mogen we vertrouwen, dat ze er is, zij het soms ook in gering gehalte. En dan is het de, nog wel moeilike, maar niet onmogelike opgave, hoe de aanwezige kracht te ontwikkelen. De enorme kultuur in de wereld van planten en dieren levert ons tal van hoopgevende voorbeelden, hoe door bizondere behandeling speciale eigenschappen kunnen worden versterkt. Waarom zou dat in de zedelike natuur niet kunnen? Op de zekerheid hiervan steunt onze gehele zedelike opvoeding. En in die zekerheid wenden we onze middelen aan.

Het eerste middel—zijn wij zelf. Niet ons beginsel, maar onze daad. Niet ons leren, maar ons leven. Waar wij dag aan dag reddend en helpend met anderenmedeleven, ook in kleinigheden, daar nemen de kinderen dat onwillekeurig van ons over. En waar ze het niet doen, daar is een woordje van opwekking al gauw vruchtdragend, mits het door onze levenspraktijk niet weersproken wordt. Woordjes, die daarmee niet in overeenstemming zijn, werken het tegendeel uit. Ze vestigen de aandacht op onze tekortkomingen en stellen die in 't licht. Hoe zullen de kinderen zich daaraan sterken? Met een brandend hout kan men alleen ander hout doen ontvlammen, hoorde ik op een Bijbellezing een predikant zeggen. Alleen een levend christendom kan christenen wekken. En zo kan ook alleen een levende liefde de liefde in onze kinderen doen aanwakkeren.

Voorgaan is reeds opvoeden. En dan, door het voorschrijven en opleggen van kleine en grotere plichten, gewennen aan het zorgen en helpen van anderen. Ook al gaat dat niet altijd met hooggestemde gevoelens, die simpele practijk is zulk een machtige gemoedsvormer. Moeders die alles voor hun kinderen doen en alles voor hun lievelingen over hebben, moeten ook eens voor die lievelingen over hebben, dat zij iets voor Moeder mogen doen. Voorbeelden, die niet tot navolging leiden, hebben een problematieke waarde. Ze kúnnen de zelfzucht in de hand werken. En daarom moeten de moeders net zo goed opoffering vragen als geven. Bijna zou ik zeggen, dat het eerste nóg practischer opvoedingsmiddel was, als ik een woordje ten ongunste van opofferende moeders zou kunnen zeggen. Maar daartoe zijn ze een te grote zegen voor haarkring, en verre daar buiten. Ze mogen echter bij al haar toewijding, de aanvaarding niet vergeten. Zelfs moeten ze haar opofferende liefde zo ver drijven, dat ze zich eens niet opofferen. Wat een gezegende naturen, voor wie dat de grootste opoffering is!

Maar niet alleen voor Moeder, ook voor de andere huisgenoten, ook voor de vriendjes en vriendinnetjes, ook voor armen en zieken, ook voor vreemden, van dichtbij en verre, moet het kind zich allerlei offers gewennen. De onnozele cent in het negertje voor „de arme heidenwereld” kan aldus een dubbele zending der liefde vervullen, en de gezegendste van die twee komt dan nog niet eens die arme heidenwereld ten goede. Elke gave verrijkt het meest de gever. En een snoepcent, die aan het negertje wordt afgestaan, werkt allicht meer uit dan de hele predikatie. Dat verstaat het „Leger des Heils” zo goed, waar het zijn soldaten aan het werk zet, aan het werk in de dienst der liefde. Wilt ge liefde winnen, nu niet van anderen, maar in uzelf, begin dan maar met liefde te betonen. Ook op dit gebied geldt de wet der zelfwerkzaamheid, het leren en groeien door doen. Niet alleen in klei, karton en hout, ook in liefde moeten de kinderen leren werken. Ook hier is de daad het machtigste opvoedingsmiddel. En zo ontwikkeld mag de methodiek der leervakken nooit worden, dat ze ook in de school geen plaats meer laat voor deze nodigste van alle oefeningen.

En eindelik het verhaal. Vaak, waar het voorbeeld wel wordt bijgewoond, maar toch niet gezien, omdatniet iedereen daartoe de ogen heeft. En waar de daad wel wordt gevolgd, maar toch het harte koud laat, omdat de gewoonte ook tot de verstening kan leiden. Daar werkt het bezielde verhaal, het verhaal, dat zich meester maakt van de verbeelding, en zo van het hart, en zo van het leven. De Negerhut van Oom Tom heeft heel Amerika, heel de wereld in een brand van liefde ontstoken en de negers uit hun slavernij verlost. Dat is de geweldige macht van het verhaal. En wanneer we het in de laatste plaats noemen, is het niet, omdat het de geringste waarde zou hebben, maar alleen omdat de daad als bereikte werkelikheid, als vervuld woord, voor ons de hoogste plaats inneemt. Het is echter bekend genoeg, dat één woord soms meer heeft uitgewerkt dan een reeks van daden. Eén woord, dat uit een brandend hart kwam.

Er zijn dus middelen, waarmee men de kinderen het zorgen en redden tot een belangrijk deel van hun natuur kan maken. Laten we ze niet verwaarlozen, maar aanwenden, niet eens nog het meest in het belang van anderen, maar in hun eigen belang. Wie anderen redt, redt zichzelf. Dat is de gezegende baatzucht van de liefde.


Back to IndexNext