The Project Gutenberg eBook ofVerspreide Opstellen, I

The Project Gutenberg eBook ofVerspreide Opstellen, IThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Verspreide Opstellen, IAuthor: Jan LigthartRelease date: December 24, 2011 [eBook #38396]Most recently updated: September 3, 2020Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, I ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Verspreide Opstellen, IAuthor: Jan LigthartRelease date: December 24, 2011 [eBook #38396]Most recently updated: September 3, 2020Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

Title: Verspreide Opstellen, I

Author: Jan Ligthart

Author: Jan Ligthart

Release date: December 24, 2011 [eBook #38396]Most recently updated: September 3, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, I ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met of zonder trema of koppelteken) zijn behouden.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Het tweede deel van Verspreide Opstellen is beschikbaar viaProject Gutenberg (e-boek no. 38397).Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met of zonder trema of koppelteken) zijn behouden.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Het tweede deel van Verspreide Opstellen is beschikbaar viaProject Gutenberg (e-boek no. 38397).

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

VERSPREIDE OPSTELLEN.I.

VERSPREIDE OPSTELLENVANJAN LIGTHART.I.TWEEDE DRUK.UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOORJ. B. WOLTERS' U.M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.

VAN

JAN LIGTHART.

I.

TWEEDE DRUK.

UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOORJ. B. WOLTERS' U.M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.

In deze serie zijn verschenen:JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, I2e dr.ƒ 0,70JAN LIGTHART,Verspreide Opstellen, II- 0,70JAN LIGTHART, In Zweden2e dr.- 0,95en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:JAN LIGTHART, Over Opvoeding, I.JAN LIGTHART, Over Opvoeding, II.JAN LIGTHART,Jeugdherinneringen.

In deze serie zijn verschenen:

en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:

TER INLEIDING.Op verzoek van den uitgever J. B. Wolters belastte Jan Ligthart zich in het jaar 1899 met de redactie van een nieuw opvoedkundig weekblad. Dat blad noemde hij School en Leven.Dat was niet een toevallige titel, noch minder een mooie leuze. Voor leuzen, mooie woorden, die niet staan voor een inhoud, een zaak, was Ligthart zoo bang, zoo bang, en aan het toeval liet hij niet graag iets over bij zijn werk. Wat hij deed, deed hij goed, tot in de uiterste puntjes verzorgd. Een titel of een opschrift vond hij niet iets, dat zijn aandacht onwaardig was.Die naam drukte een beginsel uit. Ook dat is nog onvolkomen gezegd. Een beginsel is een algemeene grondstelling, van waaruit gevolgtrekkingen worden gemaakt, die dan gelden of gelden moeten voor een bijzonder geval. En juist die manier van handelen had in Ligtharts oogen zoo groote gevaren. Hij vreesde, dat het levende, het persoonlijke, het eigen-aard-ige, d.i. dat, wat zijn eigen aard en natuur heeft in zijn aard en natuur miskend zou worden door het te brengen onder algemeene regels.Die naam School en Leven was een openbaring van zijn wezen. Ik zeg niet van zijn opvoedkundig denken. Want opvoedkunde was voor Ligthart niet alleen product van denken: opvoeden was voor hem liefhebben, begrijpen,meevoelen. Het was zich zelf opvoeden en zich zelf verloochenen, het was géven. Geven in blijmoedigheid, in dankbare overgave.Zoo vloeide al zijn opvoedkunde voort uit zijn opvoeden. Hij begon niet te redeneeren, hij zette vooraf geen zwaarwichtige theorieën op. Hij ving niet aan met een stelsel te ontwerpen, dat hij opgebouwd had op grond van beschouwingen en overwegingen.Neen, hij vond een taak voor zich, kinderen, die hij moest opvoeden, die hij kennis moest bijbrengen, die hij moest helpen, hun slechte neigingen te overwinnen. Hij begon maar met die taak, want opvoeden kan immers geen uitstel lijden. Hij begon door zich aan het kind te geven. En al werkende, leerde hij het kind in 't algemeen, het kind in het bizonder kennen. Wat men zoo innig liefheeft, leert men spoedig kennen, verstaat men dus. En zoo deelde hij, uit de schatten van zijn ervaring, lessen uit, zoo trachtte hij ons het kind te leeren zien, als zijn eigen, snel indringende blik het ontdekt had. Omdat hij zich gaf, was zijn opvoeden zooals zijn leven, en zijn opvoedkunde was zooals zijn opvoeden, omdat hij zoo door en door echt was en de klove tusschen zijn en uiting niet kon verdragen.—Zoo werd de naam School en Leven een openbaring vanLigthartswezen.De school.Ligthart was met geheel zijn hart schoolmeester. Hij leefde in en voor de school.Wie hem bezocht, werd aldra uit zijn tuin meegenomen naar het schoolgebouw, dat er naast lag. En hij toonde hem den schooltuin, de schoolplaten, de nieuwe leermiddelen, de nieuwe modellen, die de kinderen hadden gemaakt.Hij heeft nooit iets anders willen zijn en worden, dan schoolmeester. Voor hem zijn er—zoo werd na zijn dood opgemerkt—schoolmeesters geweest, die ook beroemd werden en tot de verstandelijk oppersten van ons land gerekend werden. Maar dan waren zij schoolmeester af geworden, en werden dan bekend als staatsman, geleerde, of iets anders. Doch Ligthart verstond het voor het eerst, tot het keurkorps onzer leidende geesten gerekend te worden alsschoolmeester.Voor de school werkte hij. Hij begreep dat de menschelijke kracht klein, de tijd van leven en arbeiden kort is, en dat men dus, om iets tot stand te brengen, zijn krachten niet over een te groot gebied moest verdeelen, maar op beperkte ruimte samentrekken. Toen hij mij na den derden jaargang opnam in de redactie van School en Leven schreef hij mij: zoo zullen we samen probeeren iets aan de opvoeding en in de school te verbeteren, aan Hooger Macht overlatende de geheele maatschappij te vervormen.Ten opzichte der opvoeding en van het onderwijs stelde hij den schoolman als allereerste eisch, dat die zorgen moest, dat de kinderen in de school met opgewektheid in een vredige, vriendelijke atmosfeer rustig en degelijk leerden werken.—Zeker, de onderwijzer mocht zijn belangstelling wijder uitstrekken, zijn bemoeiingen uitbreiden, in de breedte en de diepte, maar zijn eerste werk lag in de school!Het leven.Daar zal Ligthart allereerst mee bedoeld hebben het practische leven. Hij wilde een innig verband tusschen de school en het leven. Welke taak heeft het leven voor ons? Die vraag moeten wij beantwoorden, als wij gaan onderwijzen. Welke kennis, welke vaardigheden zullenlater van een kind geëischt worden? Geef het die in de school, op de kortst mogelijke, op de duidelijkste wijze.Raadpleeg dus de levenspractijk. Voer het kind de wereld in, en breng de wereld bij het kind. Hoe rijk is onze omgeving aan stof voor onderwijs, voor nadenken.1)Hij wil geen schijnwetten, noch boekengeleerdheid. Hij wil kennis, die een deel geworden is van ons zelf. Ons voedsel wordt omgezet in spier en been en zenuw en bloed; zoo ook moet het geestelijk voedsel opgenomen worden, een deel van ons zelf, dat wij er mee kunnen denken, voelen en handelen.Toch denkt Ligthart nog aan iets diepers en meer omvattends, wanneer hij van leven spreekt. Men kan er geene nauwkeurige bepaling van geven. In het woord sterft de werkelijkheid. Onze verstandelijke begrippen zijn al ontoereikend, om het inwendige, onmiddellijk ons zelf bewuste zijn, te omlijnen. En het woord, dat die begrippen dan aanduidt, wordt vaag en hard tegelijk, het is nòch nauwkeurig, nòch wisselend met het leven mee. Léven—dat is voor Ligthart beweging, wisseling en stage verglijding, maar tevens kracht, werking. Het levende staat geen oogenblik stil: het is elk volgend oogenblik iets anders, dan het was in het voorafgaand moment. Het oefent invloed uit, doet iets van zich uitgaan, om op zijn beurt ook wijzigenden invloed te ondergaan van wat het omringt. Leven is een geheel: het is met ontelbare draden doorweven, die deverschillende levensuitingen samenhouden, die ons voeren van de eene openbaring tot de andere. Zet het mes in dat leven, om er een stuk uit te halen, teneinde dit als afzonderlijk geheel te beschouwen, dan snijdt ge de vezels door, waarmee dat deel vastzat aan het andere en krijgt ge iets, dat anders is.Het levende is het schoone, het boeiende, het bekoorlijke. Want het heeft zijn frischheid en doelmatigheid, die niet alleen een lust voor de stille beschouwing zijn, maar ook onze aandacht tot zich trekken, onze sympathie wakker maken.Tegenover dit leven staat de dood, die niet meer werkt, die geen hooger ontwikkeling meer toelaat. Overal speurt Ligthart die tegenstelling. Is een geloof niet dood, als het zich niet uit in daden van geloovende en vertrouwende menschenliefde? Is het anders met den oudernaam, dien gij U toeëigent, maar die U niet toekomt, wanneer er vaderzorg noch moederliefde is? Welke winst weet uw paedagogiek U op te leveren, als zij u alleen regels geeft, die ge werktuigelijk kunt toepassen, maar die onrecht doen aan het kind, waarop ge uw regel toepast. Dood is uw naam, dood uw paedagogiek.Dood en leven, altijd blijvende tegenstelling. Het leven is er, om voor het leven te strijden. Elk oogenblik dreigt ons het leven te ontzinken, drijven we naar de stilstaande wateren des doods, waar rotting is en afsterving.Prediker en verkondiger van het leven is Ligthart geweest. Hij kon dat zijn, omdat hij het zoo innig liefhad. De kleine levensvreugden zelfs versmaadde hij niet, maar wist hij dankbaar te genieten: een gesprek met een vriend,bij de warme kachel onder een kopje thee was hem een genot. De natuur wist hem groot en gelukkig te stemmen De wijde heide, het breede water, het ruischende bosch, het golvende korenveld; de hemel, waar blauw brak door lichte wolk of een goud-rand een donkere wolk omzoomde, dat alles kon hij genieten met een intense vreugde. Het spel der golven, glijdend en wisselend, van tint veranderend, een bewogen oneindigheid, boeide oog en mijmerenden geest. Het vlugge spel der nest bouwende en voedsel zoekende vogels volgde hij, ook in zieke dagen, met gespannen aandacht. Had de kunst niet eveneens diepe ontroeringen voor hem? Hij leefde in een zin- en zangrijke uitdrukking, hij laafde zich, als hij dorstig was naar verkwikking, aan Vondel en Huyghens, aan Staring en Van Eeden. De menschenwereld, om wier zonde en slechtheid, om wier leed en ellende zijn teere ziel schreide, beurtelings met felle smart en neergebogen leed, had toch nog zooveel aantrekkelijks voor hem. Hij genoot van kinderlach en kinderspel en kinderarbeid: kortom kinderleven, dat is kindergroei. Hij kon ontroerd zijn over de weldadige hulpvaardigheid van een arme hofjes-bewoonster, en dankbaar voor de edele daad van een goed man. Het was een vreugd in zijn leven, als hij vertellen kon van een onderwijzer, die zich aan zijn klas, een moeder, die zich aan haar gezin, een predikant, die zich aan zijn gemeente wijdde. Hij wist verborgen krachten, voor hem vreugden en schoonheden, in anderen te ontdekken, en hij verblijdde zich, wanneer hij die zag ontluiken en groeien, zich nauwelijks of niet bewust, dat ze ontloken onder en door zijn lichtende liefde. Zijn tintelende geest, vol van vonken-spattende humor, vonken, dielichtten, maar niet kwetsten—wist ook overal het guitige te ontdekken, en anderen aan te wijzen.Zoo had hij het leven, het volle leven in zijn verscheiden eenheid lief met een groote, machtige liefde.En toch was het leven hem niet gemakkelijk geweest. Het gaf hem mee een zwak gestel, dat hem kwelde, van zijn jonge kinderjaren tot het uur van zijn sterven. Een zwak hart, met al de benauwdheden en kwellingen, die er mee kunnen samengaan, was zijn deel. Hij had een wonderbaar fijn besnaard gemoed, zoodat hij onrecht, anderen aangedaan, als zijn eigen leed voelde. Zijn hart bloedde van deernis met al de arme kinderen, die onder dwaasheid,onverschilligheid en booze harteloosheid leden. Heel zijn sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel kwam in opstand tegen het onrecht, dat Frankrijk pleegde in zijn Dreyfuszaak, Engeland beging met zijn concentratiekampen en dat Duitschland met België's behandeling op zijn geweten laadde.—De dood ontnam hem een zijner liefsten: zijn eenigst zoontje stierf, toen het kind negen jaar was. Ook spaarden de menschen hem niet. Hij moest ervaren, dat zijn woorden verdraaid en zijn edelste bedoelingen verdacht werden gemaakt. De vale nijd zat uit te kijken, of hij niet iets vinden kon, dat hem aangetijgd kon worden, of waarmee zijn werk beklad kon worden. In zich zelf eerlijke bekrompenheid riep hem voor haar rechterstoel, woog hem en vond hem te licht. Maar de grootste moeilijkheid gaf het leven Ligthart in zijn altoos doorgaande worsteling om God. Hij had het absolute, het eenig vaste willen grijpen, in deze voorbijgaande en zondige wereld. Boven de vergankelijke vluchtigheid en de zich zelfzoekende eigenbaat der menschen,voelde hij den Eeuwige, in zijn onveranderlijke trouw en Heiligheid. Hij wilde Hem kennen, niet door een stelsel, een geloofsleer, maar door geloofsleven. Hij wilde God in zijn leven ervaren en openbaren. Hem ervaren en openbaren dan vooral, als „onspoeds felle slagen” hem deerden. Dan wilde hij zijn lijden opvatten als een zegenende, wijl louterende gerechtigheid. God moest voor hem zijn hoogste leven, het Leven zelf zijn, waarin hij eigen leven veilig geborgen wist. De aardsche openbaring van dat Leven wilde hij in Christus' gestalte zien, wiens rood-gouden liefde hem alle aardsche liefde kleurloos liet schijnen. Tegenover deze zielsneiging streed dan weer het scherpe ontledend verstand, dat dit geloof redelijk wilde begrijpen, botste ook de lichaamszwakte en de benauwdheid, die soms bijna tot smartelijke vertwijfeling werd.Neen waarlijk, aan moeite, aan levensleed ontbrak het Ligthart niet. Toch was hij de bezielde profeet van het leven, omdat hij het liefhad met een innige liefde, omdat hij er meer en meer in leerde zien, Gods taak en Gods geschenk, ons opgelegd en toebedeeld.School en Leven.Ligthart zou het zelf niet zoo uitgelegd hebben, als men hem vroeg, waarom het zoo heette. Hij was een intuïtief, een spontaan man, een aan de kunstenaars verwant gemoed. Niet uit het beredeneerde overleg, maar uit de diepere onbewustheid ontsprongen zijn gedachten, zijn opmerkingen. Zoo werden zijn woordspelingen plotseling geboren als lichtflitsen. Zoo ontdekte hij ineens een beeld, een gelijkenis, bracht een boekweitveld hem op een paedagogische gedachte, kon een bezoek aan een ringovenhem een opvoedkundig artikel in de pen geven. Een voorval dat hij beleefde, zette hem aan 't denken en zette zich om tot een studie. Het leven treft hem en hij reageert er op met zijn geheele zijn, met al zijn weten, ervaren en voelen,—hij antwoordt op het leven met zijn leven.Zoo zijn in de woorden, School en Leven, de grondtrekken gegeven van Ligtharts paedagogiek.Het blad had een ondertitel. Het was een bladvoor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. Ook in dezen titel kwam Ligtharts neiging tot geheelen weer uit. Hij zag met vreugde de samenwerking van school en huisgezin. Hij wilde geen scheiding. Maar het gezin moest ook onderwijzen. Het kind moest dit niet alleen van de school, maar ook in het huisgezin leeren. De moeder kan, onopzettelijk, de kinderen rondleiden in de natuur, inleiden in de boeken, plaatjes met de kinderen bezien, aldus de ontwakende belangstelling der kinderen bevredigend en tegelijk hun weetlust opwekkend. En herhaaldelijk heeft Ligthart voorbeelden, practische voorbeelden gegeven, hoe men in huis kan onderwijzen. En de school is niet alleen een leerinstelling: zij moet ook opvoeden, zij moet de karaktervorming van het kind niet verwaarloozen. Trouwens, onderwijst men goed, dan voedt men ook op; wie de krachten van het kind in het werk stelt, zóó, dat het met vreugde arbeidt, onderwerpt de booze neigingen.Ligthart heeft School en Leven geredigeerd tot zijn dood, al moest hij de redactie ook overlaten, als uitlandigheid of ziekte hier toe noopten. Maar dan werd het zooveel mogelijk in zijn geest en naar zijn opvattingen geleid.Hij was in dit blad de beminnelijke gastheer, nooit de starre betweter. Wie lust had, kon het uitspreken, als hij 't goed meende—ook al verschilde hij van den redacteur.En hij zelf gaf zich ook in zijn blad, geheel en onvoorwaardelijk. Hij was er als in een familiekring, zei hij zelf.Hij wilde steeds zoo schrijven, dat de menschen hem lazen. Hij kwam tot de lezers. Hij stelde zich voor, dat ze, moe van hun dagtaak, afgetobd door werk, verzonken in zorg, gekweld door leed dikwijls, hun krant openden. Dan moesten ze als 't ware aan 't lezen gebracht worden. Ze moesten door den vorm geboeid, door den inhoud gelokt worden, om zoo, ontheven aan zich zelf, in eens op te gaan in denken over 't kind. Ligthart ging tot de lezers, om ze mee te nemen naar zijn eigen, lichte hoogten; niet, om bij hen te blijven.Omdat hij zoo sprak tot de lezers, zette hij ze aan 't werk. Hij prikkelde hun denken, daarmee ook hun tegenspraak. En (als dat geen vervelend betweterig geschrijf was, alleen een genoegen voor den man, die het gaf, maar een last voor den redacteur en een ergernis voor den lezer), dan gunde hij graag ruimte aan die tegenspraak, verduidelijkte zijn meening, verklaarde zich nader en eindigde dikwijls met het gemeenschappelijke in de overtuiging der verschillende auteurs aan te wijzen.Sommige zijner opstellen in School en Leven zijn bijeengebracht in de twee bundels, Over Opvoeding, die nu reeds in vierden druk verschenen zijn.Maar nog altijd rustten in de verschillende jaargangen van School en Leven stukken, die bewaard moesten blijven.Van die stukken verschijnt hier thans een eerste bundel. Hij is, met eenige zeer geringe medewerking van mijn zijde, bijeengelezen door Mevrouw Ligthart, die er hier en daar een enkele noot aan heeft toegevoegd. Voor het overige is de bundel, in afwisseling en opeenvolging der stukken, zoo samengesteld als Mevrouw Ligthart vermoedde, dat de auteur het zelf zou hebben gedaan.Ligthart schreef in het laatst van zijn leven vereenvoudigde spelling. De artikelen, in die spelling geschreven, hebben wij niet gewijzigd: al moest daardoor deze bundel ook in twee spellingen verschijnen. Maar wij wenschten niet te kort te doen aan de overtuiging van den auteur, die welbewust de vereenvoudigde was gaan gebruiken, toen de regeering dwong, deze spelling uit de school verwijderd te houden.Deze uitgave, die niet veel minder copie bevat dan de bundels Over Opvoeding, die f 2.50 kosten, is veel goedkooper. Mevrouw Ligthart heeft gaarne de copie voor deze uitgave afgestaan, de uitgever heeft alleen zijn oorspronkelijke kosten, geenerlei winst berekend, en deze berekening, ondanks de sterk verhoogde papierprijzen, gestand gedaan.Ten slotte had het Ligthart-comité de gelegenheid, om deze uitgave geldelijk te steunen.Deze bundel is de eerste, die met hulp van dat comité verschijnt. Het werd spoedig na Ligtharts dood in Februari, opgericht, op aanstichting der heeren De Jong en Eigenhuis, schoolhoofden te 's-Gravenhage. Tal van mannen en vrouwen—uitde meest verscheidene kringen der gemeenschap en van onderscheidene levensrichting—vereenigden zich, om gelden te verzamelen, teneinde een goedkoope uitgave zijner geschriften mogelijk te maken. Steun ondervond dit comité in ruime mate. Zoo kon deze bundel verschijnen, die weldra gevolgd zal worden door het boeiende reisverhaal In Zweden. Wij kunnen daarna nog doorgaan, al zou het ook een poos moeten duren, voor wij ook de Jeugdherinneringen goedkooper verkrijgbaar kunnen stellen.Het ligt in de bedoeling, dat bij elk deel een korte inleiding van mijn hand komt, om het in zijn aard te karakteriseeren, en één zijde van Ligtharts rijke persoonlijkheid te belichten. Zij, die reeds nu meer en vollediger omtrent den mensch ingelicht wenschen te worden, zullen hun weetlust kunnen voldoen door de lezing van het gedenkboek: Jan Ligthart herdacht, dat in October 1916 bij Ploegsma is verschenen. De uitgever heeft het comité een aantal exemplaren afgestaan, en zoo is het in verschillende leeszalen zeker te krijgen.En zoo moge dan deze bundel de wereld ingaan en licht en zegen verspreiden. De zon is onder voor onze oogen, maar nog is haar glans en warmte op de aarde.R. Casimir.1)Zie omtrent de bijzondere wijze, waarop Ligthart dat heeft gedaan, het tweede deel dezer uitgave: „In Zweden”.

Op verzoek van den uitgever J. B. Wolters belastte Jan Ligthart zich in het jaar 1899 met de redactie van een nieuw opvoedkundig weekblad. Dat blad noemde hij School en Leven.

Dat was niet een toevallige titel, noch minder een mooie leuze. Voor leuzen, mooie woorden, die niet staan voor een inhoud, een zaak, was Ligthart zoo bang, zoo bang, en aan het toeval liet hij niet graag iets over bij zijn werk. Wat hij deed, deed hij goed, tot in de uiterste puntjes verzorgd. Een titel of een opschrift vond hij niet iets, dat zijn aandacht onwaardig was.

Die naam drukte een beginsel uit. Ook dat is nog onvolkomen gezegd. Een beginsel is een algemeene grondstelling, van waaruit gevolgtrekkingen worden gemaakt, die dan gelden of gelden moeten voor een bijzonder geval. En juist die manier van handelen had in Ligtharts oogen zoo groote gevaren. Hij vreesde, dat het levende, het persoonlijke, het eigen-aard-ige, d.i. dat, wat zijn eigen aard en natuur heeft in zijn aard en natuur miskend zou worden door het te brengen onder algemeene regels.

Die naam School en Leven was een openbaring van zijn wezen. Ik zeg niet van zijn opvoedkundig denken. Want opvoedkunde was voor Ligthart niet alleen product van denken: opvoeden was voor hem liefhebben, begrijpen,meevoelen. Het was zich zelf opvoeden en zich zelf verloochenen, het was géven. Geven in blijmoedigheid, in dankbare overgave.

Zoo vloeide al zijn opvoedkunde voort uit zijn opvoeden. Hij begon niet te redeneeren, hij zette vooraf geen zwaarwichtige theorieën op. Hij ving niet aan met een stelsel te ontwerpen, dat hij opgebouwd had op grond van beschouwingen en overwegingen.

Neen, hij vond een taak voor zich, kinderen, die hij moest opvoeden, die hij kennis moest bijbrengen, die hij moest helpen, hun slechte neigingen te overwinnen. Hij begon maar met die taak, want opvoeden kan immers geen uitstel lijden. Hij begon door zich aan het kind te geven. En al werkende, leerde hij het kind in 't algemeen, het kind in het bizonder kennen. Wat men zoo innig liefheeft, leert men spoedig kennen, verstaat men dus. En zoo deelde hij, uit de schatten van zijn ervaring, lessen uit, zoo trachtte hij ons het kind te leeren zien, als zijn eigen, snel indringende blik het ontdekt had. Omdat hij zich gaf, was zijn opvoeden zooals zijn leven, en zijn opvoedkunde was zooals zijn opvoeden, omdat hij zoo door en door echt was en de klove tusschen zijn en uiting niet kon verdragen.—Zoo werd de naam School en Leven een openbaring vanLigthartswezen.

De school.Ligthart was met geheel zijn hart schoolmeester. Hij leefde in en voor de school.

Wie hem bezocht, werd aldra uit zijn tuin meegenomen naar het schoolgebouw, dat er naast lag. En hij toonde hem den schooltuin, de schoolplaten, de nieuwe leermiddelen, de nieuwe modellen, die de kinderen hadden gemaakt.

Hij heeft nooit iets anders willen zijn en worden, dan schoolmeester. Voor hem zijn er—zoo werd na zijn dood opgemerkt—schoolmeesters geweest, die ook beroemd werden en tot de verstandelijk oppersten van ons land gerekend werden. Maar dan waren zij schoolmeester af geworden, en werden dan bekend als staatsman, geleerde, of iets anders. Doch Ligthart verstond het voor het eerst, tot het keurkorps onzer leidende geesten gerekend te worden alsschoolmeester.

Voor de school werkte hij. Hij begreep dat de menschelijke kracht klein, de tijd van leven en arbeiden kort is, en dat men dus, om iets tot stand te brengen, zijn krachten niet over een te groot gebied moest verdeelen, maar op beperkte ruimte samentrekken. Toen hij mij na den derden jaargang opnam in de redactie van School en Leven schreef hij mij: zoo zullen we samen probeeren iets aan de opvoeding en in de school te verbeteren, aan Hooger Macht overlatende de geheele maatschappij te vervormen.

Ten opzichte der opvoeding en van het onderwijs stelde hij den schoolman als allereerste eisch, dat die zorgen moest, dat de kinderen in de school met opgewektheid in een vredige, vriendelijke atmosfeer rustig en degelijk leerden werken.—Zeker, de onderwijzer mocht zijn belangstelling wijder uitstrekken, zijn bemoeiingen uitbreiden, in de breedte en de diepte, maar zijn eerste werk lag in de school!

Het leven.Daar zal Ligthart allereerst mee bedoeld hebben het practische leven. Hij wilde een innig verband tusschen de school en het leven. Welke taak heeft het leven voor ons? Die vraag moeten wij beantwoorden, als wij gaan onderwijzen. Welke kennis, welke vaardigheden zullenlater van een kind geëischt worden? Geef het die in de school, op de kortst mogelijke, op de duidelijkste wijze.

Raadpleeg dus de levenspractijk. Voer het kind de wereld in, en breng de wereld bij het kind. Hoe rijk is onze omgeving aan stof voor onderwijs, voor nadenken.1)

Hij wil geen schijnwetten, noch boekengeleerdheid. Hij wil kennis, die een deel geworden is van ons zelf. Ons voedsel wordt omgezet in spier en been en zenuw en bloed; zoo ook moet het geestelijk voedsel opgenomen worden, een deel van ons zelf, dat wij er mee kunnen denken, voelen en handelen.

Toch denkt Ligthart nog aan iets diepers en meer omvattends, wanneer hij van leven spreekt. Men kan er geene nauwkeurige bepaling van geven. In het woord sterft de werkelijkheid. Onze verstandelijke begrippen zijn al ontoereikend, om het inwendige, onmiddellijk ons zelf bewuste zijn, te omlijnen. En het woord, dat die begrippen dan aanduidt, wordt vaag en hard tegelijk, het is nòch nauwkeurig, nòch wisselend met het leven mee. Léven—dat is voor Ligthart beweging, wisseling en stage verglijding, maar tevens kracht, werking. Het levende staat geen oogenblik stil: het is elk volgend oogenblik iets anders, dan het was in het voorafgaand moment. Het oefent invloed uit, doet iets van zich uitgaan, om op zijn beurt ook wijzigenden invloed te ondergaan van wat het omringt. Leven is een geheel: het is met ontelbare draden doorweven, die deverschillende levensuitingen samenhouden, die ons voeren van de eene openbaring tot de andere. Zet het mes in dat leven, om er een stuk uit te halen, teneinde dit als afzonderlijk geheel te beschouwen, dan snijdt ge de vezels door, waarmee dat deel vastzat aan het andere en krijgt ge iets, dat anders is.

Het levende is het schoone, het boeiende, het bekoorlijke. Want het heeft zijn frischheid en doelmatigheid, die niet alleen een lust voor de stille beschouwing zijn, maar ook onze aandacht tot zich trekken, onze sympathie wakker maken.

Tegenover dit leven staat de dood, die niet meer werkt, die geen hooger ontwikkeling meer toelaat. Overal speurt Ligthart die tegenstelling. Is een geloof niet dood, als het zich niet uit in daden van geloovende en vertrouwende menschenliefde? Is het anders met den oudernaam, dien gij U toeëigent, maar die U niet toekomt, wanneer er vaderzorg noch moederliefde is? Welke winst weet uw paedagogiek U op te leveren, als zij u alleen regels geeft, die ge werktuigelijk kunt toepassen, maar die onrecht doen aan het kind, waarop ge uw regel toepast. Dood is uw naam, dood uw paedagogiek.

Dood en leven, altijd blijvende tegenstelling. Het leven is er, om voor het leven te strijden. Elk oogenblik dreigt ons het leven te ontzinken, drijven we naar de stilstaande wateren des doods, waar rotting is en afsterving.

Prediker en verkondiger van het leven is Ligthart geweest. Hij kon dat zijn, omdat hij het zoo innig liefhad. De kleine levensvreugden zelfs versmaadde hij niet, maar wist hij dankbaar te genieten: een gesprek met een vriend,bij de warme kachel onder een kopje thee was hem een genot. De natuur wist hem groot en gelukkig te stemmen De wijde heide, het breede water, het ruischende bosch, het golvende korenveld; de hemel, waar blauw brak door lichte wolk of een goud-rand een donkere wolk omzoomde, dat alles kon hij genieten met een intense vreugde. Het spel der golven, glijdend en wisselend, van tint veranderend, een bewogen oneindigheid, boeide oog en mijmerenden geest. Het vlugge spel der nest bouwende en voedsel zoekende vogels volgde hij, ook in zieke dagen, met gespannen aandacht. Had de kunst niet eveneens diepe ontroeringen voor hem? Hij leefde in een zin- en zangrijke uitdrukking, hij laafde zich, als hij dorstig was naar verkwikking, aan Vondel en Huyghens, aan Staring en Van Eeden. De menschenwereld, om wier zonde en slechtheid, om wier leed en ellende zijn teere ziel schreide, beurtelings met felle smart en neergebogen leed, had toch nog zooveel aantrekkelijks voor hem. Hij genoot van kinderlach en kinderspel en kinderarbeid: kortom kinderleven, dat is kindergroei. Hij kon ontroerd zijn over de weldadige hulpvaardigheid van een arme hofjes-bewoonster, en dankbaar voor de edele daad van een goed man. Het was een vreugd in zijn leven, als hij vertellen kon van een onderwijzer, die zich aan zijn klas, een moeder, die zich aan haar gezin, een predikant, die zich aan zijn gemeente wijdde. Hij wist verborgen krachten, voor hem vreugden en schoonheden, in anderen te ontdekken, en hij verblijdde zich, wanneer hij die zag ontluiken en groeien, zich nauwelijks of niet bewust, dat ze ontloken onder en door zijn lichtende liefde. Zijn tintelende geest, vol van vonken-spattende humor, vonken, dielichtten, maar niet kwetsten—wist ook overal het guitige te ontdekken, en anderen aan te wijzen.

Zoo had hij het leven, het volle leven in zijn verscheiden eenheid lief met een groote, machtige liefde.

En toch was het leven hem niet gemakkelijk geweest. Het gaf hem mee een zwak gestel, dat hem kwelde, van zijn jonge kinderjaren tot het uur van zijn sterven. Een zwak hart, met al de benauwdheden en kwellingen, die er mee kunnen samengaan, was zijn deel. Hij had een wonderbaar fijn besnaard gemoed, zoodat hij onrecht, anderen aangedaan, als zijn eigen leed voelde. Zijn hart bloedde van deernis met al de arme kinderen, die onder dwaasheid,onverschilligheid en booze harteloosheid leden. Heel zijn sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel kwam in opstand tegen het onrecht, dat Frankrijk pleegde in zijn Dreyfuszaak, Engeland beging met zijn concentratiekampen en dat Duitschland met België's behandeling op zijn geweten laadde.—De dood ontnam hem een zijner liefsten: zijn eenigst zoontje stierf, toen het kind negen jaar was. Ook spaarden de menschen hem niet. Hij moest ervaren, dat zijn woorden verdraaid en zijn edelste bedoelingen verdacht werden gemaakt. De vale nijd zat uit te kijken, of hij niet iets vinden kon, dat hem aangetijgd kon worden, of waarmee zijn werk beklad kon worden. In zich zelf eerlijke bekrompenheid riep hem voor haar rechterstoel, woog hem en vond hem te licht. Maar de grootste moeilijkheid gaf het leven Ligthart in zijn altoos doorgaande worsteling om God. Hij had het absolute, het eenig vaste willen grijpen, in deze voorbijgaande en zondige wereld. Boven de vergankelijke vluchtigheid en de zich zelfzoekende eigenbaat der menschen,voelde hij den Eeuwige, in zijn onveranderlijke trouw en Heiligheid. Hij wilde Hem kennen, niet door een stelsel, een geloofsleer, maar door geloofsleven. Hij wilde God in zijn leven ervaren en openbaren. Hem ervaren en openbaren dan vooral, als „onspoeds felle slagen” hem deerden. Dan wilde hij zijn lijden opvatten als een zegenende, wijl louterende gerechtigheid. God moest voor hem zijn hoogste leven, het Leven zelf zijn, waarin hij eigen leven veilig geborgen wist. De aardsche openbaring van dat Leven wilde hij in Christus' gestalte zien, wiens rood-gouden liefde hem alle aardsche liefde kleurloos liet schijnen. Tegenover deze zielsneiging streed dan weer het scherpe ontledend verstand, dat dit geloof redelijk wilde begrijpen, botste ook de lichaamszwakte en de benauwdheid, die soms bijna tot smartelijke vertwijfeling werd.

Neen waarlijk, aan moeite, aan levensleed ontbrak het Ligthart niet. Toch was hij de bezielde profeet van het leven, omdat hij het liefhad met een innige liefde, omdat hij er meer en meer in leerde zien, Gods taak en Gods geschenk, ons opgelegd en toebedeeld.

School en Leven.Ligthart zou het zelf niet zoo uitgelegd hebben, als men hem vroeg, waarom het zoo heette. Hij was een intuïtief, een spontaan man, een aan de kunstenaars verwant gemoed. Niet uit het beredeneerde overleg, maar uit de diepere onbewustheid ontsprongen zijn gedachten, zijn opmerkingen. Zoo werden zijn woordspelingen plotseling geboren als lichtflitsen. Zoo ontdekte hij ineens een beeld, een gelijkenis, bracht een boekweitveld hem op een paedagogische gedachte, kon een bezoek aan een ringovenhem een opvoedkundig artikel in de pen geven. Een voorval dat hij beleefde, zette hem aan 't denken en zette zich om tot een studie. Het leven treft hem en hij reageert er op met zijn geheele zijn, met al zijn weten, ervaren en voelen,—hij antwoordt op het leven met zijn leven.

Zoo zijn in de woorden, School en Leven, de grondtrekken gegeven van Ligtharts paedagogiek.

Het blad had een ondertitel. Het was een bladvoor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. Ook in dezen titel kwam Ligtharts neiging tot geheelen weer uit. Hij zag met vreugde de samenwerking van school en huisgezin. Hij wilde geen scheiding. Maar het gezin moest ook onderwijzen. Het kind moest dit niet alleen van de school, maar ook in het huisgezin leeren. De moeder kan, onopzettelijk, de kinderen rondleiden in de natuur, inleiden in de boeken, plaatjes met de kinderen bezien, aldus de ontwakende belangstelling der kinderen bevredigend en tegelijk hun weetlust opwekkend. En herhaaldelijk heeft Ligthart voorbeelden, practische voorbeelden gegeven, hoe men in huis kan onderwijzen. En de school is niet alleen een leerinstelling: zij moet ook opvoeden, zij moet de karaktervorming van het kind niet verwaarloozen. Trouwens, onderwijst men goed, dan voedt men ook op; wie de krachten van het kind in het werk stelt, zóó, dat het met vreugde arbeidt, onderwerpt de booze neigingen.

Ligthart heeft School en Leven geredigeerd tot zijn dood, al moest hij de redactie ook overlaten, als uitlandigheid of ziekte hier toe noopten. Maar dan werd het zooveel mogelijk in zijn geest en naar zijn opvattingen geleid.

Hij was in dit blad de beminnelijke gastheer, nooit de starre betweter. Wie lust had, kon het uitspreken, als hij 't goed meende—ook al verschilde hij van den redacteur.

En hij zelf gaf zich ook in zijn blad, geheel en onvoorwaardelijk. Hij was er als in een familiekring, zei hij zelf.

Hij wilde steeds zoo schrijven, dat de menschen hem lazen. Hij kwam tot de lezers. Hij stelde zich voor, dat ze, moe van hun dagtaak, afgetobd door werk, verzonken in zorg, gekweld door leed dikwijls, hun krant openden. Dan moesten ze als 't ware aan 't lezen gebracht worden. Ze moesten door den vorm geboeid, door den inhoud gelokt worden, om zoo, ontheven aan zich zelf, in eens op te gaan in denken over 't kind. Ligthart ging tot de lezers, om ze mee te nemen naar zijn eigen, lichte hoogten; niet, om bij hen te blijven.

Omdat hij zoo sprak tot de lezers, zette hij ze aan 't werk. Hij prikkelde hun denken, daarmee ook hun tegenspraak. En (als dat geen vervelend betweterig geschrijf was, alleen een genoegen voor den man, die het gaf, maar een last voor den redacteur en een ergernis voor den lezer), dan gunde hij graag ruimte aan die tegenspraak, verduidelijkte zijn meening, verklaarde zich nader en eindigde dikwijls met het gemeenschappelijke in de overtuiging der verschillende auteurs aan te wijzen.

Sommige zijner opstellen in School en Leven zijn bijeengebracht in de twee bundels, Over Opvoeding, die nu reeds in vierden druk verschenen zijn.

Maar nog altijd rustten in de verschillende jaargangen van School en Leven stukken, die bewaard moesten blijven.

Van die stukken verschijnt hier thans een eerste bundel. Hij is, met eenige zeer geringe medewerking van mijn zijde, bijeengelezen door Mevrouw Ligthart, die er hier en daar een enkele noot aan heeft toegevoegd. Voor het overige is de bundel, in afwisseling en opeenvolging der stukken, zoo samengesteld als Mevrouw Ligthart vermoedde, dat de auteur het zelf zou hebben gedaan.

Ligthart schreef in het laatst van zijn leven vereenvoudigde spelling. De artikelen, in die spelling geschreven, hebben wij niet gewijzigd: al moest daardoor deze bundel ook in twee spellingen verschijnen. Maar wij wenschten niet te kort te doen aan de overtuiging van den auteur, die welbewust de vereenvoudigde was gaan gebruiken, toen de regeering dwong, deze spelling uit de school verwijderd te houden.

Deze uitgave, die niet veel minder copie bevat dan de bundels Over Opvoeding, die f 2.50 kosten, is veel goedkooper. Mevrouw Ligthart heeft gaarne de copie voor deze uitgave afgestaan, de uitgever heeft alleen zijn oorspronkelijke kosten, geenerlei winst berekend, en deze berekening, ondanks de sterk verhoogde papierprijzen, gestand gedaan.

Ten slotte had het Ligthart-comité de gelegenheid, om deze uitgave geldelijk te steunen.

Deze bundel is de eerste, die met hulp van dat comité verschijnt. Het werd spoedig na Ligtharts dood in Februari, opgericht, op aanstichting der heeren De Jong en Eigenhuis, schoolhoofden te 's-Gravenhage. Tal van mannen en vrouwen—uitde meest verscheidene kringen der gemeenschap en van onderscheidene levensrichting—vereenigden zich, om gelden te verzamelen, teneinde een goedkoope uitgave zijner geschriften mogelijk te maken. Steun ondervond dit comité in ruime mate. Zoo kon deze bundel verschijnen, die weldra gevolgd zal worden door het boeiende reisverhaal In Zweden. Wij kunnen daarna nog doorgaan, al zou het ook een poos moeten duren, voor wij ook de Jeugdherinneringen goedkooper verkrijgbaar kunnen stellen.

Het ligt in de bedoeling, dat bij elk deel een korte inleiding van mijn hand komt, om het in zijn aard te karakteriseeren, en één zijde van Ligtharts rijke persoonlijkheid te belichten. Zij, die reeds nu meer en vollediger omtrent den mensch ingelicht wenschen te worden, zullen hun weetlust kunnen voldoen door de lezing van het gedenkboek: Jan Ligthart herdacht, dat in October 1916 bij Ploegsma is verschenen. De uitgever heeft het comité een aantal exemplaren afgestaan, en zoo is het in verschillende leeszalen zeker te krijgen.

En zoo moge dan deze bundel de wereld ingaan en licht en zegen verspreiden. De zon is onder voor onze oogen, maar nog is haar glans en warmte op de aarde.

R. Casimir.

1)Zie omtrent de bijzondere wijze, waarop Ligthart dat heeft gedaan, het tweede deel dezer uitgave: „In Zweden”.

1)Zie omtrent de bijzondere wijze, waarop Ligthart dat heeft gedaan, het tweede deel dezer uitgave: „In Zweden”.

Een kind is Godlik van natuur. Aan 't eeuw'geOntstegen brengt het in zijn ziele kennisVan 't Godlike en ook herkennen mee.Het Hoogste, Heerlikste is hem nabij.Zich bang, bedrukt en klein te voelen, daarvoorIs gelegenheid en tijd op aarde!Eèr het al vroeg! Behoud het als een engel!Vertrapt het ene van z'n schone bloemen—Bestraf het—als men kindren straft—om moord;Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,De arme moeder van veel arme kindren,—Weiger dan hem zijn koele waterdronk;Heeft het vernield een nest van jonge vogels—Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes ver—

Een kind is Godlik van natuur. Aan 't eeuw'geOntstegen brengt het in zijn ziele kennisVan 't Godlike en ook herkennen mee.Het Hoogste, Heerlikste is hem nabij.Zich bang, bedrukt en klein te voelen, daarvoorIs gelegenheid en tijd op aarde!Eèr het al vroeg! Behoud het als een engel!Vertrapt het ene van z'n schone bloemen—Bestraf het—als men kindren straft—om moord;Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,De arme moeder van veel arme kindren,—Weiger dan hem zijn koele waterdronk;Heeft het vernield een nest van jonge vogels—Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes ver—

Menigeen zal deze dichtregelen uit Schefer's „Laienbrevier”, zo innig-ernstig door Buist vertaald, met bizondere instemming gelezen hebben. „Een kind is Godlik van natuur. Eér het al vroeg! Behoud het als een engel!”—dat wil er bij velen graag in. Er zijn heel wat volwassenen, die dwepen met de onschuld der kinderen. Tegenover de onreinheid en ongerechtigheid der volwassenen stellen ze dan de ongereptheid der jeugd. Volwassenen zijn berekenend, huichelachtig, schijnheilig, en wat niet meer! De wereld heeft ze bedorven. Als kinderen waren ze naïef, oprecht, openhartig, mededeelzaam, welwillend, rein, zonder naijver, wangunst, zelfzucht. Maar de wereld, o die wereld. Die heeft de zuivere vruchten aangestoken, die heeftze met allerlei leliks besmet. En nu is er weinig of niets meer van het oorspronkelik reine over.

Deze beschouwing kan ik niet delen. Wanneer kinderen rein schijnen, zonder de vele ondeugden, welke de volwassenen in zichzelf en hun medemensen veroordelen, het is niet door wezenlike reinheid, maar door onrijpheid. Hun reinheid moet nog blijken in de strijd des levens. Bezaten ze wezenlik de deugden, welke kortzichtige dweperij hun toeschrijft, en misten ze inderdaad de ondeugden, welke men niet in hen ziet, dan zouden ze, al ontwikkelend, die deugden ook in steeds rijker mate moeten tonen, aan die ondeugden bij voortduring vreemd blijven. Maar het goede en het kwade is bij hen evenzeer aanwezig als bij de ouderen, anders zou het nooit te voorschijn kunnen komen. In kiem is het er voorhanden. En nu gaat het niet aan van een reiner natuur te spreken, omdat de onreinheid nog niet is kunnen uitgroeien. Eerst als het leven met al zijn verleidingen tot zinnelikheid, hebzucht, eerzucht, heerszucht, wangunst, de ziel onaantastbaar heeft bevonden, eerst dan kan men spreken van wezenlike onschuld en reinheid. Maar hoe velen zijn er, die deze proef des levens doorstaan? Prijs niemand gelukkig vóór zijn dood, zei de wijze Solon. Evenzeer kan men zeggen: Noem niemand rein, eer hij het leven heeft doorgemaakt.

Het leven is enerzijds een toetssteen, die 't zuivere goud in zijn volle zuiverheid doet uitkomen. Maar anderzijds, en nog véél meer, kan men het een smeltkroes noemen, waarin het goud van al zijn onzuiverebijmengselen bevrijd wordt. Door levensstrijd, door levensleed worden we gelouterd. Hierbij blijkt, hoe weinig echts en reins en goddeliks in ons is, ondanks de schone waan uit onze jongelingsjaren. We boeten heel wat zelfwaardering—altemaal zelfoverschatting—in, wanneer we in de omgang met de wereld ervaren, niet hoe slecht de wereld, maar hoe slechtwij zelfzijn. En gelukkig, als we tot dat inzicht komen. Dan is er altans enige hoop, dat we door de ervaring, toenemend in zelfkennis, gaandeweg verbeteren, en de wereld eenweinigjebeter verlaten dan we er ingetreden zijn.

't Klinkt sommigen misschien ongerijmd, maar voor mij is de grijsheid licht onschuldiger dan de jonkheid, onschuldiger in de zin van reiner. De jeugd is onwetend, onwetend ook van haar eigen kwaad, maar ze moet nog een heel reinigingsproces doormaken, aleer ze ook onschuldig mag heten. Dan pas mag ze rein worden genoemd, als ze bestand is tegen de verzoeking, als ze door zedelike zuiverheid onvatbaar is voor 't kwade, hoewel haar menselike natuur zich in volle kracht ontplooid heeft. Maar zijn er zo velen? Neen, niet de wereldmaaktons slecht, maar de wereld doet uitkomen, hoeveel slechts er in onsaanwezigis. Door een kind buiten de wereld te houden, bewaren we het niet in reinheid, maar in onrijpheid. Geen zedelike grootheid zonder strijd. En daarom mag het niet wezen: „Behoudhet als een engel!”, maar moet het veeleer luiden: „Indien mogelijk,maakhet tot een engel.”

Ik zou deze waan van kinderlike onschuld niet met zoveel nadruk bestrijden, als hij niet zo veelvuldig werd aangetroffen en tot zoveel misvatting en ontgocheling leidde. Daardoor toch zijn vele ouders onnadenkend, zelfs onvoorzichtig en roekeloos in de opvoeding van hun hele kleintjes, die lieve onschuldige wezentjes, terwijl ze onbillik zijn tegenover de ouderen. Ze menen heus, dat die lieve onschuldige wezentjes lief en onschuldigzijnen dat ze ook heel best zo kunnen blijven. En wanneer dan die liefheid en onschuld verdwijnen en de kinderen ondeugend en nog erger worden, nemen ze dat die kinderen kwalijk. Dan trekken ze gauw aan 't werk, om de verloren liefheid en onschuld in hun kroost te herwinnen—met straf.

Zo wil ook de dichter van „Vroege Tucht”:

Vertrapt het ene van z'n schone bloemen,Bestraf het—als men kindren straft—om moord;Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,De arme moeder van veel arme kindren,Weiger dan hem zijn koele waterdronk;Heeft het vernield een nest van jonge vogels,Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes, ver...

Vertrapt het ene van z'n schone bloemen,Bestraf het—als men kindren straft—om moord;Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,De arme moeder van veel arme kindren,Weiger dan hem zijn koele waterdronk;Heeft het vernield een nest van jonge vogels,Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes, ver...

Zie nu toch eens aan. Eerst hebben we de kortzichtigheid begaan, het kind een engel te achten, en nu het ons hierin teleurstelt, nu er gewoon-menselike fouten voor den dag komen—onnadenkendheid, onmeedogendheid, hardheid—nu moet het kind op dezelfde wijze behandeld worden als waarop hij anderen behandeldheeft, opdat toch maar vooral de engel in hem gehandhaafd blijve, met andere woorden, opdat de volwassenen om hem heen in hun engelenwaan kunnen blijven voortdromen.

Wat heb ik het dikwijls gezien, dat ouders, ontnuchterd in hun dom gedroom, boos werden op de gevallen engeltjes en hun teleurstelling met straffen wreekten op de kleine, onwetende schavuiten. Dan werden die onnozele zondaars voor hun vergrijpen bij de arm gegrepen, door elkaar geschud, geslagen, de kamer uitgestuurd, van voorrechten beroofd of op andere wijze gekastijd, alleen omdat ze geen engeltjes hadden kunnen blijven, wat ze in de wieg zo plechtig beloofd hadden. Vroeger—zo heette het dan—waren ze toch zo lief. En nu—

De drift der ouders was onbillik, maar begrijpelik. De mensen hadden zichzelf niet tot volmaaktheid kunnen brengen, nu wilden ze tenminste hun kinderen, die zo lief volmaaktwaren, ook volmaakthouden. En laten we aannemen, dat ze zulks niet wilden uit eigen gemakzucht, maar uitsluitend in het belang der kinderen. Maar dom was het, en jegens de kinderen schandelik onbillik, dat is niet tegen te spreken. Ze hadden de fouten moeten voorzien, ze hadden de overtredingen moeten voorkomen, ze hadden, wetende wat er te wachten was, daarop hun opvoeding moeten inrichten. Ze hadden door nu en dan een enkel woord, door een doeltreffend verhaaltje, maar bovenal door hun voorbeeld, door hun omgang met de kleintjes, de gebreken reeds moeten bestrijden, aleer deze zich openbaarden,de deugden moeten aankweken, die in de omgang met mensen, dieren, planten en dingen, zo gauw gevaar lopen in de zeer zelfzuchtige kinderhartjes, zelfzuchtign'en déplaisedie engelennatuur. Ze hadden de invloed van hun rijper zedelikheid moeten doen gelden en inwerken bij die onschuldige, ach neen onrijpe en dus onzedelike beginnertjes in 't mensbestaan. En dat hadden ze al vroeg moeten doen, al heel vroeg, zoodat de kindertjesgeleerdhadden—versta me wel:geleerd—bloemen te ontzien, dorstige rozenstruiken te begieten en vogelnestjes te sparen, en liever alles te verzorgen dan te vernielen. Dan waren die harde straffen onnodig geweest.

Nu—worden de kinderen gestraft voor de achteloosheid en domheid der ouders. En, dit maakt de zaak nog erger, met die straffen begaan de ouders een twede fout. Als ze, straffende, de kinderen nog maar in 't rechte spoor brachten. Maar ze brengen hen nog verder van 't pad. 't Kind heeft gezondigd jegens bloemen, struiken, vogels. Nu begaan de ouders dezelfde zonde jegens de kinderen. Jij hebt die bloem vertrapt, nu zal ik 't jou doen. Jij hebt die struik dorst laten lijden, nu zal ik jou naar water laten smachten. Jij hebt de jonge vogels hun slaaphoekje verstoord, nu zal ik jou op de harde grond laten overnachten. Dan zul je wel voelen, wat voor ellende je die arme wezentjes hebt aangedaan, en voortaan zachter gestemd zijn en teerder handelen.

Dat lijkt er veel op, of men de duivelen wil verdrijven door Beëlzebub, de overste der duivelen. Dat is het kwaad met het kwaad bestrijden. Ik weet wel, dat het niet hetzelfde is, daar het kind hard was uit lust of gevoelloosheid, terwijl de opvoeders hard waren uit plicht en juist uit zorg voor hun kroost, dat er alzo een groot onderscheid was in de bedoeling der daden en daardoor ook in de geest dier daden, maar het feit is toch, dat men het kind hetzelfdeaandoet, wat men in hem veroordeelt.

De opvoedkundige redenering, waarop deze houding gegrond is, heeft een kern van waarheid. Door ervaring moet een kind leren, hoe pijnlik sommige dingen zijn, opdat hij er zich voor wachte jegens anderen. Maar er is verschil tussen ervaring en ervaring. Het wezenlike kenmerk van ervaring is het onontkoombare, het leven doet het u aan en niemand kan er u dan voor behoeden. Ervaring brengt de gevolgen van uw daden. Gij gaat door 't leven, en wat ge al gaande opdoet, dat is uw ervaring. 't Is uw reactie op 't leven, 't is de reactie van 't leven op u. Maar de gedragingen van zulke straffende opvoeders hebben niet het noodlottige en daarmee de donkere ernst van de levenskastijding. Ze hebben iets zeer opzetteliks, iets kunstmatigs en dus onnatuurliks en vaak zeer onrechtvaardigs. De ervaring, die ze 't kind doen ondergaan, staat tot wezenlike ervaring, als een kunstplant tegenover de natuur. En dit voelt het kind ook wel, al maakt het zich dit onderscheid niet bewust. Het voelt wel, dat het van al deze bestraffingen zeer wel verschoondhad kunnen blijven, als vader of moeder ze zich niet tot een paedagogiese plicht hadden gerekend. Juist het opzettelike, gewilde, plichtmatige ontneemt aan deze komedie-ervaring haar opvoedend karakter. Vaak ziet men dan ook, dat het kind zijn oude zonden voortzet, doch er goed op past, dat de ouders er niets van merken. Het vreest de straffende hand en ontvlucht die. Dat kan het de echte ervaring nooit. Die ontvlucht niemand, ook het kind niet. Een kind, dat zich eenmaal aan de brandnetels geprikt heeft, is voortaan wel voorzichtiger. Maar hoe dikwijls wordt een kunstmatige straf ontdoken of zelfs getrotseerd?

Daar komt nog iets bij. Niet ieder wordt door harde ervaring vertederd. Ervaring kan een opwekking van meegevoel worden, maar 't kan ook omgekeerd uitlopen. Door de ervaring kan men verhard worden. En door de ervaring kan men ook tot de overtuiging komen, dat een toestand lang zo treurig en meelijwaardig niet is, als wij eerst hadden gedacht. Een teergevoelig, rijk kind, dat met medelijdend hartje naar sommige arme kinderen ziet, zou misschien dat medelijden gans verliezen, als het eens volkomen met die arme kinderen meeleefde. Wellicht zou het dan die armoede nog niet zo'n erge ellende vinden, ja, de onbekommerdheid van een woonwagenbestaan aantrekkeliker achten dan de weeldebekommernissen van het paleisleven.

Zodat ik maar zeggen wil: dat we in de opvoeding wel ervaringswijsheid moeten helpen aanbrengen, maar dat we ons wachten moeten voor een averechtse toepassingvan dit goede beginsel. En zulk een averechtse toepassing acht ik aanwezig in de voorbeelden van onze dichter en overal, waar men daarnaar handelt.

In het onderhavige geval haperde het bij 't kind aan tederheid. Welnu, wat ligt dan meer voor de hand, dan dat men het kind tot tederheid opvoedt, dat men tedere stemmingen en gezindheden in hem wekt, dat men hem het goeddoende en koesterende van de tederheid bij ervaring lere kennen. Hem daartoe met dorstlijden, harde slaapvloeren en andere kwellingen een denkbeeld te geven van tederheid in 't algemeen en bizonderlijk van de tederheid zijner opvoeders, dit lijkt mij wel wat zonderlinge manier. De opvoeders moeten tonen te bezitten, wat ze hun kinderen willen aanbrengen, zij moeten in rijke mate hebben, wat ze bij hun kroost uit zwakke kiemen wensen te ontwikkelen. En daartoe moeten ze hier een voorbeeld geven van tederheid, zowel in de behandeling van hun kroost als in de zorg voor alle andere levende wezens, die hen omringen. En ik mag er wel bijvoegen: ook in de zorg voor alle voorwerpen. Want wie met stoelen kan smijten en boeken kan verwaarloozen, mist een sentiment van zorg, dat zich straks ook kan doen gevoelen in de omgang met natuurgenoten.

Bij sommige kinderen is de tederheid zo groot, dat ze eer getemperd dan gesterkt moet worden. Maar daar gaat het nu niet om. 't Gaat om de minder gevoelige natuurtjes. En nu is de vraag: hoe zullen we in dezede tederheid wekken of versterken. Naar mijn mening, door tederheid te geven, tederheid, niet als een slappe, sentimentele, ziekelike overgevoeligheid, maar als een zachte, zorgende, verkwikkende, sterkende kracht.

Deze laatste onderscheiding mag nog wel even in 't licht worden gesteld. Er zijn mensen, die bij al zulke woorden als tederheid, zachtheid, liefde, denken aan iets zwaks, iets zoeteliks, iets kwijnends, iets ziekeliks. Maar ze denken glad mis. Wie de juiste betekenis van deze woorden wil leren kennen, moet zien, hoe b.v. de zusters van 't Roode Kruis het slagveld rondgaan, de gewonden opnemen, verdragen, laven, wassen, verbinden, hoe ze met troostende stem, met sterkende blik, met zalvende hand even vaardig als voorzichtig hun reddingswerk verrichten te midden van een afgrijselike ellende, waarin de sentimentaliteit zou flauw vallen. Wie tederheid, zachtheid, liefde wil zien, moet de middernachtzendelingen volgen in hun gevaarvolle toewijding, waar ze zich te midden der ruwste zedeloosheid wagen, om door een enkel zacht waarschuwend woord, een enkele liefdevolle aanraking, de verdoolden voor een dreigend en reeds dicht naderend bezwijken te behoeden. Wie tederheid, zachtheid, liefde wil zien, moet op Zaterdagavond met een vrouwelike heilsoldaat, de kroegen ingaan, om bij jeneverdamp tabaksrook, onder gevloek en gezwets, een Strijdkreet te verkoopen, een Heilskreet te slaken. Wat is het toch, dat sommige mensen zo schamper over tederheid en liefde doet spreken? Willen ze misschien zelf niet, wanneer ze in ellende zitten, met zulk een tederheiden liefde bejegend worden? 't Is voor hen te hopen, dat ze er nooit smekend naar uit hoeven te zien. Maar indien 't zover mocht komen, dan zullen ze tot hun blijdschap ervaren, dat die gesmade tederheid eenkrachtis, een heilbrengende, een heilwerkende kracht, die vaak meer inspanning en zelfverlochening vergt, dan die zo hooggeroemde hardheid, waar deze eigenlik liefdeloze genadeloosheid is.

Nu, zulk een tederheid wordt alleen aangekweektdoortederheid. Ouders en opvoeders behoeven niet bang te zijn, dat er in de opvoeding van hun kroost geen hardheid zal werken. Ik beloof u, voor die hardheid zullen vrienden en vreemden wel zorgen. Daar zijn de mensen, ook de heel jonge, gul genoeg mee. Maar een vertedering des harten, die dit hart rijp maakt voorkrachtvolle toewijding, kan alleen bewerkt worden door de tederheid als een heilrijke kracht te doen ervaren. Waag het daar veilig op. Dit is ook vroege tucht, maar tucht in de heerlike betekenis vanoptrekking.

Door nobele drift tot het goede gedrongen,Van edelen ijver voor 't ware vervuldWordt toch slechts de lofzang der zege gezongen,Wanneer ge u omgordt met geloof en geduld.

Door nobele drift tot het goede gedrongen,Van edelen ijver voor 't ware vervuldWordt toch slechts de lofzang der zege gezongen,Wanneer ge u omgordt met geloof en geduld.

We wandelden langs een bloeiend boekweitveld en zeiden: „Wat geeft dat gewas toch een mooien akker!”

De glanzende purperen stengels waren zoo duidelijk zichtbaar, en daar tusschen in het heldere zand. Geen enkel onkruidje. Geen enkel.

En wat was dat gemakkelijk voor den boer. Hij had geen omkijken naar zijn land. De boekweit hield zeker zelf alle indringers buiten zijn gebied. En nu golfde het zachte groen met de geurende witte bloesems heel rustigjes heen en weer, overzoemd en doorgonsd door tal van zwevende bijtjes.

We zetten ons op een heirand vlak bij 't boekweitveld neer en genoten van al die fijnheid en reinheid. We keken door het woud van stengels heen en namen ons voor, later, later, later, als we ons zoo stil buiten konden vestigen, in zoo'n heiige streek, een stukje van ons landbezit met boekweit te beplanten. Dat gaf geur en kleur, gegons en gezoem, eindelijk misschien nog een voedzamen disch. En alles zoo gemakkelijk. Je zaait de boekweit maar, en—hebt er geen omkijken meer aan.

Doch zie, we wandelden een eind verder, en wat zagen we daar? Ook een boekweitveld, maar tusschen de ranke stengels door kroop overal een grassoort—'tleek tenminste wel gras—die hier en daar zelfs de boekweit verdrongen had, zoodat er midden tusschen 't waaiend gehalm open plekken lagen, zelfs gróóte open plekken, bedekt met platliggend gras. „Kweek” noemden ze het.

Was het boekweitveld dan tóch toegankelijk voor onkruid? Lag het niet alleen open voor indringers, maar liet het er zich zelfs doorverdringen? En daarginds dan?

Och, 't geheim werd spoedig ontsluierd. Daar op die eerste akker was in 't voorjaar onafgebroken en voorzichtig gewied. Ook dáár had het „kweek” zich willen vestigen, maar 't was door een rustig volhardende hand dag aan dag teruggedrongen, uitgetrokken en verwijderd. 't Geheim van het zuivere veld zat enkel in 't wieden, in het tijdig, voorzichtig en volhardend wieden.

Ik ken een huisgezin, waar de kinderen zoo heel gewoon gehoorzaam en ordelijk en vriendelijk zijn. De menschen zeggen, dat die kinderen zoo'n lieven aanleg mee ter wereld hebben gebracht. 't Kan waar zijn, maar zou het ook een klein beetje kunnen komen, doordat een rustige hand tijdig in die hartjes gewied had?

Maar beste Marie, nu moet ik toch zeggen, dat je je ongerust maakt voor niets. Je klaagt me, dat je jongen, je vijfjarige, absoluut geen plezier heeft om met zijn bouwdoos te spelen, als hij de monumenten van de bouwplaten moet optrekken, en dat hij altijd maar vrij bouwen wil, naar zijn eigen idee.

Dat vind je niet goed. Die bouwdozen zijn juist zo paedagogies ingericht. Bij het volgen der modellen leert een kind die modellen begrijpen, het krijgt gevoel voor constructie, het vindt bij de grotere bouwwerken veel van de kleinere op nieuw gebruikt, en bovenal—het kind leert gehoorzamen, leert een taak afmaken, leert zich concentreren. Je hebt vaak gehoord, hoe goed het is, dat een kind zich oefent in aandachts-concentratie, en hier heeft het een kostelike oefening. Maar daar wil nu ongelukkig jouw jongen niets van weten.

Ik kan begrijpen, dat je een beetje hierover aan het tobben bent. Jonge moeders, die haar taak ernstig opvatten, zijn meestal zeer beginselvast in haar opvoedingspractijk. En daarbij volgen ze vooral graag de paedagogiese principes, die met heel gewichtige, degelike, bindende wetenschappelikheid haar worden voorgehouden.Aandachts-concentratie—juist, daar moet het dartele, speelzieke, verandergrage kind toe gebracht worden. En dat moet geschieden door een spel, nu ja, maar door eenopvoedkundigspel, een spel, dat door ernstige paedagogen is uitgedacht, beginseltrouw in elkaar gezet, en volgens die beginselen door fabrikanten aan de markt gebracht. En daar ga je nu je jongen met bouwdozen aan 't bepaedagogen. Maar hij bedankt ervoor.

Dat is voor een ernstig willende moeder geen prettige ervaring. Doch—je maakt je ongerust voor niets. Ik wil van die bouwdozen geen kwaad zeggen. En wanneer kinderen die platen kunnen leren verstaan en naar die platen werken, is dat voor die kinderen zeker een aanbeveling. Hun belangstelling, hun nauwkeurigheid, hun volharding zijn prijzenswaarde deugden. Het rustig waarnemen en navolgen kan in hen een zin voor wetenschappelikheid ontwikkelen. Dat is alles waar. Doch hierom is 't nog niet waar, dat jouw jongen, die van dat nabouwen niets weten wil, daarom minderwaardig zou zijn of daardoor in zijn ontwikkeling achterblijven.

Er was eens een kleine jongen—ik heb hem heel goed gekend—die ook geen plezier had in het opzetten naar de voorgetekende modellen. Maar diezelfde jongen kon tijden lang met domineersteenen spelen, die niet voor hem gemaakt waren. Dan zette hij ze achter elkaar in een slingerende rij en probeerde, hoe groot de slingers wel konden zijn, wanneer toch alle stenen moesten omvallen als de achtersteeen tikje had gekregen. Dat was een voortdurend proberen, een telkens uitmeten en weer verschuiven en weer beproeven. En daarbij was het kind bezig met een belangstelling, een nauwgezetheid, een volharding, die niet onderdeden voor die van echte bouwers naar model.

En dan kon diezelfde kleine jongen ook zo leuk van Vaders dominésteenen torens bouwen, torens met de stenen twee aan twee op elkaar, of drie aan drie, of vier aan vier, of vijf aan vijf, en dan probeerde hij, bij welke toren hij de meeste stenen uit het verband kon wegnemen, zonder dat de toren instortte. Opmerkenswaard was de belangstelling, waarmee hij telkens weer de proeven herhaalde en op steeds andere en kleiner bizonderheden lette.

Soms maakte de „bouwmeester-naar-eigen-lust” ook torens, die niet evenwijdig naar boven gingen, maar piramidaal, en dan was zijn opgave: de toren zoo in te richten, dat de inwendige ruimte boven met één deksteen gesloten kon worden. Maar dan moest de toren een put verbeelden. En een ander keer maakte hij vestingen, dorpen, en wat niet al meer.

Al deze bouwwerken waren niet zo mooi als die der reusachtige bouwdozen, doch waren ze er minder om? En hadden ze minder vormende waarde voor de kleine bouwer? En getuigden ze bij dit ventje van geringer verstandelike en zedelike gaven?

Je moet je niet zo gauw bezorgd maken, wanneereen kind in zulke gevallen liever zijn eigen zin volgt dan te gehoorzamen aan het voorschrift. In de schoolmoetenwe hem een bepaalde leerstof en bepaalde vaardigheden aanbrengen, daarmoetenwe hem dus leiden of dwingen. Maar dat is toch niet het geval bij zijn spel in de huiskamer? Daar heeft geen wet of maatschappelike eis iets in te brengen. Daar kan men uitsluitend met het belang van het kind rekening houden. En dit belang wordt in den regel het best behartigd, als men het kind laat leven in zijn eigen wereldje, naar zijn eigen lusten, naar zijn eigen phantasieën. Daar gaat hij met zijn hele hart in op, en daar heb je dus de beste voorwaarde tot een krachtige ontwikkeling van al zijn gaven. Natuurlik wordt hiermee niet bepleit, dat een kind maar liefst ieder ogenblik wat anders moet doen, dat hij de moeilikheden, ook die van zijn spel, maar mag laten liggen. Doch juist worden die moeilikheden het krachtigst aangegrepen, wanneer het kind er met zijn volle lust op lostrekt. En die volle lust is het eerst te verwachten, waar het spel een schepping van het kind zelf is.

Er is verschil tussen kinderen en kinderen, net zo goed als tussen mensen en mensen. Om nu maar eens bij ons vak te blijven—jij bent toch ook onderwijzeres geweest—je hebt onderwijzers, die een bizondere aanleg hebben voor methodenstudie. Let wel, ik zeg niet studie van methode, maar van methoden. Studie van methodemaakt ieder ernstig werker. Ook die kleine dominé-speler op zijn eigen houtje zocht naar methode, volgde methode bij zijn spel. Maar studie van methoden,tien, twintig, dertig methoden, maaksels van anderer brein, te ontleden, te vergelijken, voor zulk een arbeid moet je geschapen zijn. Alsook voor het punctueel na-methoden van hetgeen een ander ons heeft voorgemethodet. Is er in de schoolwereld niet heel veel bouwen naar model? De methode geeft steentje voor steentje, met de aanwijzing hoe ze gelegd moeten worden, en de bouwer pakt ze aan en legt ze neer, dikwijls zonder dat hij het hele gebouw in zijn hoofdlijnen en zijn constructieve samenhang overziet.

Dit bouwen naar model is volstrekt niet afkeurenswaardig. Integendeel, beter te werken naar een goed model, dan naar een grillige lust. Maar de onderwijzers, die liever wat vrij zijn in hun bewegingen, zijn daarom evenmin te veroordelen. Ze hebben in zich een scheppingsdrang, ze zien en maken nieuwe paden, ze leven niet in het model, maar de stof leeft in hen, en vormt zich daar tot nieuwe gestalten, ze geven het aanzijn aan een eigen methode, en ook die volgen ze niet slaafs, jaar in jaar uit, maar daar brengen ze telkens weer wat verandering in naar de opgedane ervaringen, naar de verhelderde inzichten, en zo genieten ze onafgebroken en telkens opnieuw van het telkens herhaalde, omdat dit telkens weer nieuw voor hen wordt. Nu stel ik me voor, dat jouw jongen, als hij onderwijzer mocht worden, tot de laatste soort zou behoren. Zou hij daar ongelukkiger om zijn? Of ondegeliker?

Neen, klaag niet, dat je jongen de modellen van zijn bouwdoos stil laat liggen. Dat behoeft nog volstrektgeen kwaad teken te zijn. Maar klaag, als hij bij zijn eigen bouwerij niet volhardt, als hij zich door de minste tegenspoed laat terneerslaan, als hij van het een naar het ander gaat en zich nooit in zijn spel verliest, als hij even snel zich losmaakt als hij zich hechtte, als hij zich eigenlik helemaal niet hecht, als hij—maar 't beeld is onjuist—gelijk een vlinder van bloem tot bloem zweeft—ik zeg, 't beeld is onjuist, want een vlinder volhardt in 't honingzoeken en móét dus van bloem tot bloem zweven, ja, klaag niet, als hij de vrijheid van eigen wil, maar als hij de vrijheid van eigen niet-willen begeert. Klaag dan, of, nog liever, klaag dan niet, maarleerje jongen zich te bepalen, bij zijn spel, zich te verliezen in zijn genot. Léér hem volharden. Of dit mogelik is?

Hoe weinig wordt dit echter op de juiste manier geprobeerd. 't Gaat meestal met kommando's, standjes, verwijten. Men maakt zijn jongen dan 't volharden tot een onaangename plicht, en vergeet, dat men 't kind juist het noodzakelike en het vreugdevolle van de volharding moet leren kennen. Men laat dan het kind vol tegenzin tobben aan een voor hem moeilike, te moeilike taak, en vergeet alweer, dat een klein beetje hulp te gelijk de moeilikheid en de tegenzin overwint.

Het is over 't algemeen niet goed, dat we ons te veel met het spel of het werk der kinderen bemoeien. Als ze met hun volle hart bezig zijn, laat ze dan maar scharrelen. Doch heel iets anders is het, als we henmoetenleren, bezig te zijn. Dan moet de volwassene, wanneer de kleine zijn moed of lust dreigt te verliezen, op het juiste ogenblik ingrijpen en met zijn meerdere kracht en zelfbeheersing de zwakke beginner wat zekerheid en stabiliteit geven. Daardoor helpt hij hem over het dode punt heen, voorkomt het opgeven, het wegzinken, bevordert het voortgaan en opklimmen.

Sommige moeders hebben er zo verbazend aardig de slag van, om midden in hun bezigheden hun werkende kleinen een handje te helpen. Je hebt ook onderwijzers, die dat zo leuk kunnen. 't Lijkt, of ze met de kinderen meeleven, of ze in hun hartjes kunnen lezen. Ze voelen als instinctief, waar en wanneer een steuntje nodig is, en brengen dat op 't goede moment aan. En zodra ze dan de kleine zoekers en worstelaars over de moeilikheden hebben heengebracht, laten ze hen weer met frisse moed verder gaan.

Dit is de goede manier, om kinderen te leren volhouden. Zodra de lust of de kracht dreigen te gaan falen, speel je, werk je een poosje mee. Dan zwellen de slappe zeilen weer aanstonds en vaart het scheepje lustig verder. Kleine kinderen, en ook grotere, hebben wel eens een gangmaker nodig. En zijn het alleen kinderen, die zo nu en dan wat hulp van buitenaf behoeven?

Je ziet dus, dat je niet bezorgd hoeft te wezen over het gemis aan nabootsings- en nabouwingslust bij je jongen, mits hij in zijn vrije bouwerijen maar volharding betoont. En mocht hem hierbij die volharding ontbreken, dan weet je, hoe jij hem daarin te oefenenhebt. Niet door standjes en verwijten, zelfs niet door preken en zedelessen, maar door hemaan jouw handte leren volharden. Ik voel er altijd heel veel voor, dat de meerdere braafheid en wijsheid en kracht der ouderen verbeterend, verlichtend,versterkend werken op de jongeren, doormedestrijden,medezoeken,medewerken, in één woord, door medeleven. En die algemene regel zou ik ook in dit geval toegepast willen zien.

Niet, dat ik daarvan alle heil verwacht en afdoende verbetering.Afdoendeverbetering zien we niet zo dikwijls in ons leven, zelfs niet bij de bestrijding van onzeeigeneuvelen. Maar indien er door opzettelike opvoeding, door ingrijpen van volwassenen iets zal worden bereikt, dan is het m. i. nodig, dat die volwassenen zich één voelen, één maken met de jongeren en ze zo meevoeren.

Aan Moeders hand. En ook aan Vaders hand.

Ik vind er altijd zo iets aandoenliks in, wanneer ik op Zondagnamiddag vaders en moeders met hun kinderen van de wandeling zie thuis komen, en de kleinen hangen half aan vaders of moeders hand. Toen het gezinnetje uitging, waren de kinderen nog fris, liepen ze los en speelden onderweg. Maar nu de wandeling achter de rug is, zijn de kleintjes moe. Ze beginnen te drentelen, lopen steeds langzamer, slepen zich voort. Ze mogen echter niet achterblijven, ze moeten mee, ook zij moeten naar huis. Nu neemt Vader zo'n klein, warm handje in zijn grote hand, en zie, het kind loopt aanstonds gemakkeliker. Desnoods draagthij het moede kind zelfs een eindje. Maar dan zet hij het weer neer, houdt het bij de hand, en verlicht zo de laatste loodjes, die 't zwaarst wegen. Aan Vaders hand komt het kind over de moeilikheden heen en veilig thuis.

Waarom zou die hand echter alleen mogen aangeboden worden bij lichamelike vermoeidheid? Er is toch ook vaak een tekort aan geestelike en aan zedelike kracht? Ook hier kan Vaders en Moeders hand worden uitgestoken. En aangegrepen.

Je kent de plaat, waarop een drenkeling een rots (de rots der eeuwen) heeft beklommen en nu de hand reddend uitsteekt naar een andere drenkeling, die nog worstelt in de schuimende golven. „Helpt elkaar!” staat er onder. 't Is de plicht van de geredde christen, op de rots der eeuwen gered uit de branding van de zee der wereld, om nu ook andere strijders te helpen. Helpt elkaar!

Wanneer deze plicht geldt voor volwassenen onder elkander, hoeveel te meer geldt hij dan in de verhouding van opvoeder tot kind. Helpt elkaar. Maar helpt dan ook, helpt dan toch in de eerste plaats het kind. Niet, als 'tnietnodig is. Ook niet,meerdan nodig is. Maar toch wel,zoveelals nodig is.

Hoe menigeen is op de weg bezweken, die, als hij een poosje aan Vaders hand had mogen gaan, wellicht veilig was thuisgekomen.

Nooit is de invloed van de opvoeder groter, dan wanneer hij zich met zijn volle persoonlikheid aan de jongeren en de zwakkeren geeft.

Denk hier eens aan, ook bij de simpele kwestie, of je jongen zijn gebouwen afmaakt of in de steek laat. En lees dan eens Romeinen 15 vers 1.

En nu heb je nog een twede klacht, een klacht van geheel andere aard. Je kleine vent heeft er plezier in, „vieze woordjes” te zeggen. Dit vind je nu wel niet zoverschrikkelikerg, maar het hindert je toch. Jij en je man hebt beide een natuurlike afkeer van al wat in woord of daad een beetje onvoegzaam is, en daar komt je enige jongen nu en zegt woorden, die jullie nooit gebruikt, en zegt ze met opzet, met plezier, wetende dat hij daarmee iets onbehoorliks doet. Hoe komt het kind er aan!

Op die laatste verzuchting ligt het antwoord gereed. Natuurlik heeft hij 't van andere kinderen geleerd. Hoe zou hij er anders aan komen? Al ben je nog zo kieskeurig op de speelkameraadjes, voor de kennismaking met dit kwaad bewaar je je kinderen niet. Het komt voor onder de jeugd van alle standen, volstrekt niet uitsluitend en misschien zelfs niet in de ergste mate bij het plebs, het komt voor onder de bevolking van wel iedere school, onder jongens en meisjes, en je zoudt je kinderen een goeverneur moeten geven, nooit ze uit spelen of logeren laten gaan, wilde je ze voor de aanraking met dit kwaad behoeden. En dus is er niets aan te doen?

Dat beweer ik niet. Al hebben de ouders hier nietrechtstreeks schuld in zoverre ze hun kinderen niet met een plezier-hebben in onbehoorlike taal zijn voorgegaan—wat ook voorkomt—toch hebben ze schuld. Zij hadden het kwaad kunnen voorkomen. Niet de kennismaking, maar de besmetting er mee. En dat hadden ze kunnen doen, door hun kinderen tijdig ongevoelig, immuun te maken voor dit euvel. Dit was, naar mijn innige overtuiging mogelik, en dus was dit plicht geweest.

En hoe dan?

Zie eens, je jongen heeftplezierin 't zeggen van die verboden woordjes. Dit plezier is onnatuurlik, en toch ook natuurlik.

Onnatuurlik—want wat voor heerlikheid is er aan? Dat een kind graag lekkere dingen lust, dat het graag fijne geuren ruikt, dat het graag mooie dingen ziet, dat het graag allerlei aangename, strelende zinnelike ervaringen opdoet, dit alles is natuurlik. Niemand zal uit bloot zinnelike neiging walgelike spijzen eten, vieze stanken opsnuiven, vuile dingen bekijken. Alle gezonde, normale individuen hebben een instinctmatige afkeer van hetgeen in een of ander opzicht walgelik is. Zo is er ook een natuurlike afkeer van het zeggen van vuiligheden.

En toch is dat plezier van je jongen ook natuurlik. Hij weet, dat hij die dingen niet zeggen mag. Hij weet, dat het verboden waar is. Hij weet, dat de fatsoenlike wereld voor zekere terreinen gordijntjes hangt. En nu is het zijn plezier, die gordijntjes even weg te schuiven en er achter te kijken, even hetverbodene in contact te brengen met het geoorloofde. En dit genot is heel nátuurlik.

Zeg eens tegen een kind, en zelfs tegen een mens, dat hij ergens niet naar moet kijken. Honderd tegen een, dat hij dan juist wél kijkt. Niet uit lust tot ongehoorzaamheid, maar als een noodwendige reactie op uw zeggen. Door dat verbod is in sterke mate zijn belangstelling, zijn nieuwsgierigheid opgewekt, en, eer hij 't zelf weet, kijkt hij. Huygens zegt in Hofwyck, in dit ook opvoedkundig zo rijke gedicht:


Back to IndexNext