1Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders; maar—maar als vanzelf spreekt—natuurlijk altijd even sierlijk.2Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.3Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van zijn geslacht.4Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne Legende getiteld: „Jacoba en Bertha”.5Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long is overgenomen. Maar voor 200 jaren vergiste zich Izaak Commelin in ’t overschrijven en liet de hier cursief geplaatste woorden weg, waardoorEggerten nietde Kapelgedoyteertwerd. Dapper, Van Domselaar, C. Commelin, Van Nidek, Wagenaar zelf, schreven de fout trouwhartig na, en wat vreemder is, bij ’t overschilderen der letters volgde men niet den oorspronkelijken tekst van ’t grafschrift, maar de verminkte kopie.6De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.7„Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, doorJoannes Aurelius.” Amst. Gebr. Kraay, 1859.8Ik voor mij heb althans, ’t zij in 1831 België, ’t zij later de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën nergens beter dan op de kaarten van Blaeu kunnen volgen.9Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn de uitdrukkingen, waarvankokin zijnVaderl. Woordenb.op ’t artikelBlaeu (Joan)zich bedient: „Al ware ’t ook, datde aanzienlijke rang van een der zes en dertig Raadenvan ’t machtig Amsterdam te zijn, zijnen naam nietvereeuwigde, zijn uitgegeven Atlas en Stedeboeken zouden dien voor den roest des tijds genoeg beveiligd hebben.”10Zie deze meer omstandig vermeld in mijnIets over D. P. Pers en zijne werken, geplaatst in het tijdschriftNederland. Jaargang 1853, bl. 249–298.11Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.12D. i.: „huwelijksmaker” en nietheiligmakerzooals velen zeggen—eene zeer bekende koeksoort.13„Kameraadjes, vriendinnetjes,” vancara: „dierbare, lieve.”14Betuttelenis: „critisch nazien,” ’t Fransche:mettre les points sur les i.15Baerenis hier „bruisen.”16„Blijf ik.”17Nochis: „neen.”18Versteen ick: „word ik onbeweeglijk en ga niet.”19De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen, was toen over ’t Haarlemmermeer.20Versta: „laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen kruipen om zich te warmen.”21Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in denDoelofDoelenplaats.22„Amsterdam, rijk aan ponden” (geld).23Deoorenvan den Winter namelijk. Zie vers 1.24Hij wil zeggen: „indien het te slecht weer is, dan zal ik over ’t Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam met rijtuig gaan.”25Adelaeris Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door den zang van Tesselschade uit het „kerkgewelf” tot haar gelokt was.26Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.27Lees: „sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar), vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen.”28Dat is: „zonder huif of kaper op ’t hoofd.” Dehuifwas bepaald de dracht der getrouwde vrouwen.29Anna en Tesselschade:—diertje wordt hier voor „meisje” gezegd, evenals dikwijls bij Cats.30Het eersteonlangsstaat hier in den zin van: „niet lang geleden,” het ander in dien van „sedert kort.”31De toortsen van Cupido.32Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.33Naam, dien hij aan degelaurierdeschoone geeft.34Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen volstrekt niets om de spelling van voor- of geslachtsnamen.35Bij letterkeer voorKampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan had, den naam verbloemen.36Vastertofvasthartis eene overzetting van den naamConstantijn.37„Cupido, de Minnegod.”38„Om menschen in zwijnen te veranderen,” als Circe deed.39„Aangewaaid.”40Darrenis „durven,” ’t Eng.To dare.41„Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?”—Het slaat op ’t verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33 en volgg.42„Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan.”43„Daar liefdebrand in woont.”44Zoo althans schijntBrandt(Leven van De Ruyter, bl. 77) er over te denken,waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter in staat werd gesteld, „tot de hoogste ambten van Stadsregeeringe te komen.Men vergete niet, dat in de hiërarchie van die dagen een Regeeringslid, al was hij maar Commissaris, nog altijd een hooger personage werd geacht, dan eendienaarder Regeering, al was hij ook Veldmaarschalk of Admiraal.45Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld:de Twee Admiralen.46Leven van de Ruyter, blz. 741.47Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat Engel, op wien die bij zijns vaders dood overging, uit besef van de wangunst en opspraak, die zoo geheel ongewoon eene benaming hier te lande verwekken zou, den Koningverzocht, die te verwisselen tegen die van Baron, als ten onzent meer gebruikelijk:—welk verzoek dan ook door den Koning werd toegestaan.48De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling der „Veertig roovers, door eene slavin verdelgd,” brengt mij onwillekeurig de voorstelling te binnen, welke ik eens in den schouwburg bijwoonde van een drama—natuurlijk uit het Fransch overgezet—hetwelk uit die vertelling getrokken was. Toen nu het tooneel de spelonk verbeeldde, waarin de schatten der bandieten verborgen waren, en hun hoofdman zich aan den ingang vertoonde, riep hij met luider stemme:„Sesamé, open u!”De vertaler had gewis het Fransche woordSésamevoor een onvertaalbaar tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite niet genomen, een woordenboek in te zien, wanneer hij zou gevonden hebben, datSésame(zeezaad) eene soort van oliezaad is, bij den Levantschen handel zeer bekend. Maar hadden dan noch hij, noch de tooneeldirecteur, noch de regisseur, nochde acteur, die de rol vervulde, of vroeger, of althans ter dezer gelegenheid, de Arabische Nachtvertellingen nageslagen?49Woolwich.50HierUilenburg, in ’t vorige vers, reg. 3,Uylenburgh, en toch zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk kwamen zij bij verschillende boekverkoopers uit, die verschillende correctors bezigden; en in allen gevalle stoorde zich toen niemand aan de wijze waarop een eigen naam, ’t zij voor- of toenaam, gespeld werd.51In zijnAmsterdam, VI Deel, III Boek.52Thebe.53Tesselschade:—hare vertaling is nimmer in druk verschenen en het handschrift zoekgeraakt.54Nagelbloem,giroflé.55Nagelpoêrstaat voornagelpoeder, „fijngestampte kruidnagel.”56Maria van Medicis.57Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.58Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.59De tocht naar Chattam, onder ’t beleid (zoo ’t heette) van Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.60„Die veler lieden zeden zag en steden.”61En nietten vier ure, zooals door een abuis bij ’t overschrijven, drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van ’t IIIe deel mijner uitgave van Vondel staat: tegen welke wanspelling vanurevoorurenachter ’t getal, die eerst in de laatste jaren is opgekomen, de Heer Te Winkel met recht zijne stem verheven heeft.62Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.63Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar hundeelof belooning kregen bij den keer, voor ’tspelenderrol, hun toegedeeld.64’t Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter reeds eenigszins vroeger, door middel van zekeren Jan van Hilten, had gedaan, en waarbij hij later de hulp had van Cornelis Jansz. Swoll. Hij zelf bleef echter, door de uitgebreide correspondentie, die hij zich had weten te verzekeren, voortdurend de ziel van de onderneming.65Zie VondelsLeven en Werken, II. 224.66Aldaar, II. 223.67Aldaar, II. 223.68Gij schrijft voor deeeuwigheid.69Zie mijne vertelling,Cornelia Vossius, geplaatst in de Romant. Werken, Dl. XIV.70Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij den dood zijns vaders uitlandig.71Zie Wagenaar,Amst., IV. 416.72Zie Wagenaar,Amst.(op ’t jaar 1628).73Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende in een exemplaar van „de Gebroeders,” dat in mijn bezit is, komen alléénmannenvoor: en toch vermeldt de plaat, waar de platte grond van den toenmaligen Schouwburg op is afgebeeld, eenePersonenkamer voorvrouwen.74Bij den kastelein Punt werd al ’t zilver weggeroofd, en de waarde der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna een millioen gulden begroot.75Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het voorbeeldvan zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden leermeester Prof. H. C. Cras. Deze was mede in den Schouwburg en had zijn lijf niet dan met moeite gered, toen hij op het voorplein werd aangehouden door een welgekleed heer, die volstrekt zijne medehulp wenschte te hebben, om te zoeken naar zijn .... hoed.76Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van de Regenten geheel niet van het vuur.77De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel, gezien werd.78Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan achttien, zijnde gevonden lijken van:1.J. de Neufville Van Lennep.Allen Dinsdag voormiddag.2.Cornelia Bierens, zijne vrouw.3.Louis André.4.Mw. Lubs, geb. Feitama.5.Hare dochter.6.De jonge François Van Oostveen.7.De dochter van den waagdrager Wijland.8.Abraham de Haes.9.De kleêrmaker van den troep Van Neyts.Donderdag.10.De tooneelmeester Brinkman.Vrijdag nam.11.Mw. Teixeira de Mattos.Zat. morgen.12.De machinist Teffers.Zondag morgen.13.P. van Eik.14.De knecht van Verhamme.Zondag morgen.15.De Directeur Rauws.16.Js. de Wolff.Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:17.Johannes Roos.en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:18.Gerrit Kuik, een pijpgast.79Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de schuld daarvan gegeven werd, zal niemand verwonderen, evenmin als dat er een heftige pennestrijd in proza en in rijmelarij ontstond tusschen hen, die in den brand een Godsoordeel wilden zien en hunne tegenstanders. Het getal der prulschriften in rijm en onrijm bij die gelegenheid uitgegeven, is niet te bepalen: ik bezit er voor ’t minst 150. Hooger verdiensten hebben daarentegen sommige der menigvuldige platen, waarop de brand, zoo binnen als buiten het gebouw, de ruïne daarvan, enz. enz., zijn voorgesteld.
1Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders; maar—maar als vanzelf spreekt—natuurlijk altijd even sierlijk.2Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.3Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van zijn geslacht.4Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne Legende getiteld: „Jacoba en Bertha”.5Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long is overgenomen. Maar voor 200 jaren vergiste zich Izaak Commelin in ’t overschrijven en liet de hier cursief geplaatste woorden weg, waardoorEggerten nietde Kapelgedoyteertwerd. Dapper, Van Domselaar, C. Commelin, Van Nidek, Wagenaar zelf, schreven de fout trouwhartig na, en wat vreemder is, bij ’t overschilderen der letters volgde men niet den oorspronkelijken tekst van ’t grafschrift, maar de verminkte kopie.6De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.7„Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, doorJoannes Aurelius.” Amst. Gebr. Kraay, 1859.8Ik voor mij heb althans, ’t zij in 1831 België, ’t zij later de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën nergens beter dan op de kaarten van Blaeu kunnen volgen.9Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn de uitdrukkingen, waarvankokin zijnVaderl. Woordenb.op ’t artikelBlaeu (Joan)zich bedient: „Al ware ’t ook, datde aanzienlijke rang van een der zes en dertig Raadenvan ’t machtig Amsterdam te zijn, zijnen naam nietvereeuwigde, zijn uitgegeven Atlas en Stedeboeken zouden dien voor den roest des tijds genoeg beveiligd hebben.”10Zie deze meer omstandig vermeld in mijnIets over D. P. Pers en zijne werken, geplaatst in het tijdschriftNederland. Jaargang 1853, bl. 249–298.11Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.12D. i.: „huwelijksmaker” en nietheiligmakerzooals velen zeggen—eene zeer bekende koeksoort.13„Kameraadjes, vriendinnetjes,” vancara: „dierbare, lieve.”14Betuttelenis: „critisch nazien,” ’t Fransche:mettre les points sur les i.15Baerenis hier „bruisen.”16„Blijf ik.”17Nochis: „neen.”18Versteen ick: „word ik onbeweeglijk en ga niet.”19De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen, was toen over ’t Haarlemmermeer.20Versta: „laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen kruipen om zich te warmen.”21Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in denDoelofDoelenplaats.22„Amsterdam, rijk aan ponden” (geld).23Deoorenvan den Winter namelijk. Zie vers 1.24Hij wil zeggen: „indien het te slecht weer is, dan zal ik over ’t Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam met rijtuig gaan.”25Adelaeris Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door den zang van Tesselschade uit het „kerkgewelf” tot haar gelokt was.26Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.27Lees: „sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar), vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen.”28Dat is: „zonder huif of kaper op ’t hoofd.” Dehuifwas bepaald de dracht der getrouwde vrouwen.29Anna en Tesselschade:—diertje wordt hier voor „meisje” gezegd, evenals dikwijls bij Cats.30Het eersteonlangsstaat hier in den zin van: „niet lang geleden,” het ander in dien van „sedert kort.”31De toortsen van Cupido.32Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.33Naam, dien hij aan degelaurierdeschoone geeft.34Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen volstrekt niets om de spelling van voor- of geslachtsnamen.35Bij letterkeer voorKampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan had, den naam verbloemen.36Vastertofvasthartis eene overzetting van den naamConstantijn.37„Cupido, de Minnegod.”38„Om menschen in zwijnen te veranderen,” als Circe deed.39„Aangewaaid.”40Darrenis „durven,” ’t Eng.To dare.41„Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?”—Het slaat op ’t verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33 en volgg.42„Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan.”43„Daar liefdebrand in woont.”44Zoo althans schijntBrandt(Leven van De Ruyter, bl. 77) er over te denken,waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter in staat werd gesteld, „tot de hoogste ambten van Stadsregeeringe te komen.Men vergete niet, dat in de hiërarchie van die dagen een Regeeringslid, al was hij maar Commissaris, nog altijd een hooger personage werd geacht, dan eendienaarder Regeering, al was hij ook Veldmaarschalk of Admiraal.45Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld:de Twee Admiralen.46Leven van de Ruyter, blz. 741.47Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat Engel, op wien die bij zijns vaders dood overging, uit besef van de wangunst en opspraak, die zoo geheel ongewoon eene benaming hier te lande verwekken zou, den Koningverzocht, die te verwisselen tegen die van Baron, als ten onzent meer gebruikelijk:—welk verzoek dan ook door den Koning werd toegestaan.48De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling der „Veertig roovers, door eene slavin verdelgd,” brengt mij onwillekeurig de voorstelling te binnen, welke ik eens in den schouwburg bijwoonde van een drama—natuurlijk uit het Fransch overgezet—hetwelk uit die vertelling getrokken was. Toen nu het tooneel de spelonk verbeeldde, waarin de schatten der bandieten verborgen waren, en hun hoofdman zich aan den ingang vertoonde, riep hij met luider stemme:„Sesamé, open u!”De vertaler had gewis het Fransche woordSésamevoor een onvertaalbaar tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite niet genomen, een woordenboek in te zien, wanneer hij zou gevonden hebben, datSésame(zeezaad) eene soort van oliezaad is, bij den Levantschen handel zeer bekend. Maar hadden dan noch hij, noch de tooneeldirecteur, noch de regisseur, nochde acteur, die de rol vervulde, of vroeger, of althans ter dezer gelegenheid, de Arabische Nachtvertellingen nageslagen?49Woolwich.50HierUilenburg, in ’t vorige vers, reg. 3,Uylenburgh, en toch zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk kwamen zij bij verschillende boekverkoopers uit, die verschillende correctors bezigden; en in allen gevalle stoorde zich toen niemand aan de wijze waarop een eigen naam, ’t zij voor- of toenaam, gespeld werd.51In zijnAmsterdam, VI Deel, III Boek.52Thebe.53Tesselschade:—hare vertaling is nimmer in druk verschenen en het handschrift zoekgeraakt.54Nagelbloem,giroflé.55Nagelpoêrstaat voornagelpoeder, „fijngestampte kruidnagel.”56Maria van Medicis.57Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.58Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.59De tocht naar Chattam, onder ’t beleid (zoo ’t heette) van Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.60„Die veler lieden zeden zag en steden.”61En nietten vier ure, zooals door een abuis bij ’t overschrijven, drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van ’t IIIe deel mijner uitgave van Vondel staat: tegen welke wanspelling vanurevoorurenachter ’t getal, die eerst in de laatste jaren is opgekomen, de Heer Te Winkel met recht zijne stem verheven heeft.62Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.63Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar hundeelof belooning kregen bij den keer, voor ’tspelenderrol, hun toegedeeld.64’t Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter reeds eenigszins vroeger, door middel van zekeren Jan van Hilten, had gedaan, en waarbij hij later de hulp had van Cornelis Jansz. Swoll. Hij zelf bleef echter, door de uitgebreide correspondentie, die hij zich had weten te verzekeren, voortdurend de ziel van de onderneming.65Zie VondelsLeven en Werken, II. 224.66Aldaar, II. 223.67Aldaar, II. 223.68Gij schrijft voor deeeuwigheid.69Zie mijne vertelling,Cornelia Vossius, geplaatst in de Romant. Werken, Dl. XIV.70Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij den dood zijns vaders uitlandig.71Zie Wagenaar,Amst., IV. 416.72Zie Wagenaar,Amst.(op ’t jaar 1628).73Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende in een exemplaar van „de Gebroeders,” dat in mijn bezit is, komen alléénmannenvoor: en toch vermeldt de plaat, waar de platte grond van den toenmaligen Schouwburg op is afgebeeld, eenePersonenkamer voorvrouwen.74Bij den kastelein Punt werd al ’t zilver weggeroofd, en de waarde der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna een millioen gulden begroot.75Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het voorbeeldvan zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden leermeester Prof. H. C. Cras. Deze was mede in den Schouwburg en had zijn lijf niet dan met moeite gered, toen hij op het voorplein werd aangehouden door een welgekleed heer, die volstrekt zijne medehulp wenschte te hebben, om te zoeken naar zijn .... hoed.76Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van de Regenten geheel niet van het vuur.77De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel, gezien werd.78Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan achttien, zijnde gevonden lijken van:1.J. de Neufville Van Lennep.Allen Dinsdag voormiddag.2.Cornelia Bierens, zijne vrouw.3.Louis André.4.Mw. Lubs, geb. Feitama.5.Hare dochter.6.De jonge François Van Oostveen.7.De dochter van den waagdrager Wijland.8.Abraham de Haes.9.De kleêrmaker van den troep Van Neyts.Donderdag.10.De tooneelmeester Brinkman.Vrijdag nam.11.Mw. Teixeira de Mattos.Zat. morgen.12.De machinist Teffers.Zondag morgen.13.P. van Eik.14.De knecht van Verhamme.Zondag morgen.15.De Directeur Rauws.16.Js. de Wolff.Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:17.Johannes Roos.en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:18.Gerrit Kuik, een pijpgast.79Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de schuld daarvan gegeven werd, zal niemand verwonderen, evenmin als dat er een heftige pennestrijd in proza en in rijmelarij ontstond tusschen hen, die in den brand een Godsoordeel wilden zien en hunne tegenstanders. Het getal der prulschriften in rijm en onrijm bij die gelegenheid uitgegeven, is niet te bepalen: ik bezit er voor ’t minst 150. Hooger verdiensten hebben daarentegen sommige der menigvuldige platen, waarop de brand, zoo binnen als buiten het gebouw, de ruïne daarvan, enz. enz., zijn voorgesteld.
1Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders; maar—maar als vanzelf spreekt—natuurlijk altijd even sierlijk.2Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.3Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van zijn geslacht.4Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne Legende getiteld: „Jacoba en Bertha”.5Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long is overgenomen. Maar voor 200 jaren vergiste zich Izaak Commelin in ’t overschrijven en liet de hier cursief geplaatste woorden weg, waardoorEggerten nietde Kapelgedoyteertwerd. Dapper, Van Domselaar, C. Commelin, Van Nidek, Wagenaar zelf, schreven de fout trouwhartig na, en wat vreemder is, bij ’t overschilderen der letters volgde men niet den oorspronkelijken tekst van ’t grafschrift, maar de verminkte kopie.6De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.7„Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, doorJoannes Aurelius.” Amst. Gebr. Kraay, 1859.8Ik voor mij heb althans, ’t zij in 1831 België, ’t zij later de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën nergens beter dan op de kaarten van Blaeu kunnen volgen.9Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn de uitdrukkingen, waarvankokin zijnVaderl. Woordenb.op ’t artikelBlaeu (Joan)zich bedient: „Al ware ’t ook, datde aanzienlijke rang van een der zes en dertig Raadenvan ’t machtig Amsterdam te zijn, zijnen naam nietvereeuwigde, zijn uitgegeven Atlas en Stedeboeken zouden dien voor den roest des tijds genoeg beveiligd hebben.”10Zie deze meer omstandig vermeld in mijnIets over D. P. Pers en zijne werken, geplaatst in het tijdschriftNederland. Jaargang 1853, bl. 249–298.11Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.12D. i.: „huwelijksmaker” en nietheiligmakerzooals velen zeggen—eene zeer bekende koeksoort.13„Kameraadjes, vriendinnetjes,” vancara: „dierbare, lieve.”14Betuttelenis: „critisch nazien,” ’t Fransche:mettre les points sur les i.15Baerenis hier „bruisen.”16„Blijf ik.”17Nochis: „neen.”18Versteen ick: „word ik onbeweeglijk en ga niet.”19De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen, was toen over ’t Haarlemmermeer.20Versta: „laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen kruipen om zich te warmen.”21Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in denDoelofDoelenplaats.22„Amsterdam, rijk aan ponden” (geld).23Deoorenvan den Winter namelijk. Zie vers 1.24Hij wil zeggen: „indien het te slecht weer is, dan zal ik over ’t Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam met rijtuig gaan.”25Adelaeris Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door den zang van Tesselschade uit het „kerkgewelf” tot haar gelokt was.26Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.27Lees: „sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar), vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen.”28Dat is: „zonder huif of kaper op ’t hoofd.” Dehuifwas bepaald de dracht der getrouwde vrouwen.29Anna en Tesselschade:—diertje wordt hier voor „meisje” gezegd, evenals dikwijls bij Cats.30Het eersteonlangsstaat hier in den zin van: „niet lang geleden,” het ander in dien van „sedert kort.”31De toortsen van Cupido.32Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.33Naam, dien hij aan degelaurierdeschoone geeft.34Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen volstrekt niets om de spelling van voor- of geslachtsnamen.35Bij letterkeer voorKampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan had, den naam verbloemen.36Vastertofvasthartis eene overzetting van den naamConstantijn.37„Cupido, de Minnegod.”38„Om menschen in zwijnen te veranderen,” als Circe deed.39„Aangewaaid.”40Darrenis „durven,” ’t Eng.To dare.41„Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?”—Het slaat op ’t verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33 en volgg.42„Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan.”43„Daar liefdebrand in woont.”44Zoo althans schijntBrandt(Leven van De Ruyter, bl. 77) er over te denken,waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter in staat werd gesteld, „tot de hoogste ambten van Stadsregeeringe te komen.Men vergete niet, dat in de hiërarchie van die dagen een Regeeringslid, al was hij maar Commissaris, nog altijd een hooger personage werd geacht, dan eendienaarder Regeering, al was hij ook Veldmaarschalk of Admiraal.45Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld:de Twee Admiralen.46Leven van de Ruyter, blz. 741.47Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat Engel, op wien die bij zijns vaders dood overging, uit besef van de wangunst en opspraak, die zoo geheel ongewoon eene benaming hier te lande verwekken zou, den Koningverzocht, die te verwisselen tegen die van Baron, als ten onzent meer gebruikelijk:—welk verzoek dan ook door den Koning werd toegestaan.48De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling der „Veertig roovers, door eene slavin verdelgd,” brengt mij onwillekeurig de voorstelling te binnen, welke ik eens in den schouwburg bijwoonde van een drama—natuurlijk uit het Fransch overgezet—hetwelk uit die vertelling getrokken was. Toen nu het tooneel de spelonk verbeeldde, waarin de schatten der bandieten verborgen waren, en hun hoofdman zich aan den ingang vertoonde, riep hij met luider stemme:„Sesamé, open u!”De vertaler had gewis het Fransche woordSésamevoor een onvertaalbaar tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite niet genomen, een woordenboek in te zien, wanneer hij zou gevonden hebben, datSésame(zeezaad) eene soort van oliezaad is, bij den Levantschen handel zeer bekend. Maar hadden dan noch hij, noch de tooneeldirecteur, noch de regisseur, nochde acteur, die de rol vervulde, of vroeger, of althans ter dezer gelegenheid, de Arabische Nachtvertellingen nageslagen?49Woolwich.50HierUilenburg, in ’t vorige vers, reg. 3,Uylenburgh, en toch zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk kwamen zij bij verschillende boekverkoopers uit, die verschillende correctors bezigden; en in allen gevalle stoorde zich toen niemand aan de wijze waarop een eigen naam, ’t zij voor- of toenaam, gespeld werd.51In zijnAmsterdam, VI Deel, III Boek.52Thebe.53Tesselschade:—hare vertaling is nimmer in druk verschenen en het handschrift zoekgeraakt.54Nagelbloem,giroflé.55Nagelpoêrstaat voornagelpoeder, „fijngestampte kruidnagel.”56Maria van Medicis.57Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.58Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.59De tocht naar Chattam, onder ’t beleid (zoo ’t heette) van Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.60„Die veler lieden zeden zag en steden.”61En nietten vier ure, zooals door een abuis bij ’t overschrijven, drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van ’t IIIe deel mijner uitgave van Vondel staat: tegen welke wanspelling vanurevoorurenachter ’t getal, die eerst in de laatste jaren is opgekomen, de Heer Te Winkel met recht zijne stem verheven heeft.62Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.63Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar hundeelof belooning kregen bij den keer, voor ’tspelenderrol, hun toegedeeld.64’t Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter reeds eenigszins vroeger, door middel van zekeren Jan van Hilten, had gedaan, en waarbij hij later de hulp had van Cornelis Jansz. Swoll. Hij zelf bleef echter, door de uitgebreide correspondentie, die hij zich had weten te verzekeren, voortdurend de ziel van de onderneming.65Zie VondelsLeven en Werken, II. 224.66Aldaar, II. 223.67Aldaar, II. 223.68Gij schrijft voor deeeuwigheid.69Zie mijne vertelling,Cornelia Vossius, geplaatst in de Romant. Werken, Dl. XIV.70Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij den dood zijns vaders uitlandig.71Zie Wagenaar,Amst., IV. 416.72Zie Wagenaar,Amst.(op ’t jaar 1628).73Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende in een exemplaar van „de Gebroeders,” dat in mijn bezit is, komen alléénmannenvoor: en toch vermeldt de plaat, waar de platte grond van den toenmaligen Schouwburg op is afgebeeld, eenePersonenkamer voorvrouwen.74Bij den kastelein Punt werd al ’t zilver weggeroofd, en de waarde der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna een millioen gulden begroot.75Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het voorbeeldvan zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden leermeester Prof. H. C. Cras. Deze was mede in den Schouwburg en had zijn lijf niet dan met moeite gered, toen hij op het voorplein werd aangehouden door een welgekleed heer, die volstrekt zijne medehulp wenschte te hebben, om te zoeken naar zijn .... hoed.76Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van de Regenten geheel niet van het vuur.77De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel, gezien werd.78Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan achttien, zijnde gevonden lijken van:1.J. de Neufville Van Lennep.Allen Dinsdag voormiddag.2.Cornelia Bierens, zijne vrouw.3.Louis André.4.Mw. Lubs, geb. Feitama.5.Hare dochter.6.De jonge François Van Oostveen.7.De dochter van den waagdrager Wijland.8.Abraham de Haes.9.De kleêrmaker van den troep Van Neyts.Donderdag.10.De tooneelmeester Brinkman.Vrijdag nam.11.Mw. Teixeira de Mattos.Zat. morgen.12.De machinist Teffers.Zondag morgen.13.P. van Eik.14.De knecht van Verhamme.Zondag morgen.15.De Directeur Rauws.16.Js. de Wolff.Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:17.Johannes Roos.en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:18.Gerrit Kuik, een pijpgast.79Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de schuld daarvan gegeven werd, zal niemand verwonderen, evenmin als dat er een heftige pennestrijd in proza en in rijmelarij ontstond tusschen hen, die in den brand een Godsoordeel wilden zien en hunne tegenstanders. Het getal der prulschriften in rijm en onrijm bij die gelegenheid uitgegeven, is niet te bepalen: ik bezit er voor ’t minst 150. Hooger verdiensten hebben daarentegen sommige der menigvuldige platen, waarop de brand, zoo binnen als buiten het gebouw, de ruïne daarvan, enz. enz., zijn voorgesteld.
1Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders; maar—maar als vanzelf spreekt—natuurlijk altijd even sierlijk.
2Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.
3Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van zijn geslacht.
4Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne Legende getiteld: „Jacoba en Bertha”.
5Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long is overgenomen. Maar voor 200 jaren vergiste zich Izaak Commelin in ’t overschrijven en liet de hier cursief geplaatste woorden weg, waardoorEggerten nietde Kapelgedoyteertwerd. Dapper, Van Domselaar, C. Commelin, Van Nidek, Wagenaar zelf, schreven de fout trouwhartig na, en wat vreemder is, bij ’t overschilderen der letters volgde men niet den oorspronkelijken tekst van ’t grafschrift, maar de verminkte kopie.
6De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.
7„Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, doorJoannes Aurelius.” Amst. Gebr. Kraay, 1859.
8Ik voor mij heb althans, ’t zij in 1831 België, ’t zij later de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën nergens beter dan op de kaarten van Blaeu kunnen volgen.
9Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn de uitdrukkingen, waarvankokin zijnVaderl. Woordenb.op ’t artikelBlaeu (Joan)zich bedient: „Al ware ’t ook, datde aanzienlijke rang van een der zes en dertig Raadenvan ’t machtig Amsterdam te zijn, zijnen naam nietvereeuwigde, zijn uitgegeven Atlas en Stedeboeken zouden dien voor den roest des tijds genoeg beveiligd hebben.”
10Zie deze meer omstandig vermeld in mijnIets over D. P. Pers en zijne werken, geplaatst in het tijdschriftNederland. Jaargang 1853, bl. 249–298.
11Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:
De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.
De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.
De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.
De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhandTot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.
De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhand
Tot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,
Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.
Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.
12D. i.: „huwelijksmaker” en nietheiligmakerzooals velen zeggen—eene zeer bekende koeksoort.
13„Kameraadjes, vriendinnetjes,” vancara: „dierbare, lieve.”
14Betuttelenis: „critisch nazien,” ’t Fransche:mettre les points sur les i.
15Baerenis hier „bruisen.”
16„Blijf ik.”
17Nochis: „neen.”
18Versteen ick: „word ik onbeweeglijk en ga niet.”
19De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen, was toen over ’t Haarlemmermeer.
20Versta: „laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen kruipen om zich te warmen.”
21Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in denDoelofDoelenplaats.
22„Amsterdam, rijk aan ponden” (geld).
23Deoorenvan den Winter namelijk. Zie vers 1.
24Hij wil zeggen: „indien het te slecht weer is, dan zal ik over ’t Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam met rijtuig gaan.”
25Adelaeris Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door den zang van Tesselschade uit het „kerkgewelf” tot haar gelokt was.
26Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.
27Lees: „sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar), vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen.”
28Dat is: „zonder huif of kaper op ’t hoofd.” Dehuifwas bepaald de dracht der getrouwde vrouwen.
29Anna en Tesselschade:—diertje wordt hier voor „meisje” gezegd, evenals dikwijls bij Cats.
30Het eersteonlangsstaat hier in den zin van: „niet lang geleden,” het ander in dien van „sedert kort.”
31De toortsen van Cupido.
32Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.
33Naam, dien hij aan degelaurierdeschoone geeft.
34Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen volstrekt niets om de spelling van voor- of geslachtsnamen.
35Bij letterkeer voorKampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan had, den naam verbloemen.
36Vastertofvasthartis eene overzetting van den naamConstantijn.
37„Cupido, de Minnegod.”
38„Om menschen in zwijnen te veranderen,” als Circe deed.
39„Aangewaaid.”
40Darrenis „durven,” ’t Eng.To dare.
41„Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?”—Het slaat op ’t verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33 en volgg.
42„Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan.”
43„Daar liefdebrand in woont.”
44Zoo althans schijntBrandt(Leven van De Ruyter, bl. 77) er over te denken,waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter in staat werd gesteld, „tot de hoogste ambten van Stadsregeeringe te komen.Men vergete niet, dat in de hiërarchie van die dagen een Regeeringslid, al was hij maar Commissaris, nog altijd een hooger personage werd geacht, dan eendienaarder Regeering, al was hij ook Veldmaarschalk of Admiraal.
45Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld:de Twee Admiralen.
46Leven van de Ruyter, blz. 741.
47Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat Engel, op wien die bij zijns vaders dood overging, uit besef van de wangunst en opspraak, die zoo geheel ongewoon eene benaming hier te lande verwekken zou, den Koningverzocht, die te verwisselen tegen die van Baron, als ten onzent meer gebruikelijk:—welk verzoek dan ook door den Koning werd toegestaan.
48De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling der „Veertig roovers, door eene slavin verdelgd,” brengt mij onwillekeurig de voorstelling te binnen, welke ik eens in den schouwburg bijwoonde van een drama—natuurlijk uit het Fransch overgezet—hetwelk uit die vertelling getrokken was. Toen nu het tooneel de spelonk verbeeldde, waarin de schatten der bandieten verborgen waren, en hun hoofdman zich aan den ingang vertoonde, riep hij met luider stemme:
„Sesamé, open u!”
„Sesamé, open u!”
„Sesamé, open u!”
„Sesamé, open u!”
„Sesamé, open u!”
De vertaler had gewis het Fransche woordSésamevoor een onvertaalbaar tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite niet genomen, een woordenboek in te zien, wanneer hij zou gevonden hebben, datSésame(zeezaad) eene soort van oliezaad is, bij den Levantschen handel zeer bekend. Maar hadden dan noch hij, noch de tooneeldirecteur, noch de regisseur, nochde acteur, die de rol vervulde, of vroeger, of althans ter dezer gelegenheid, de Arabische Nachtvertellingen nageslagen?
49Woolwich.
50HierUilenburg, in ’t vorige vers, reg. 3,Uylenburgh, en toch zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk kwamen zij bij verschillende boekverkoopers uit, die verschillende correctors bezigden; en in allen gevalle stoorde zich toen niemand aan de wijze waarop een eigen naam, ’t zij voor- of toenaam, gespeld werd.
51In zijnAmsterdam, VI Deel, III Boek.
52Thebe.
53Tesselschade:—hare vertaling is nimmer in druk verschenen en het handschrift zoekgeraakt.
54Nagelbloem,giroflé.
55Nagelpoêrstaat voornagelpoeder, „fijngestampte kruidnagel.”
56Maria van Medicis.
57Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.
58Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.
59De tocht naar Chattam, onder ’t beleid (zoo ’t heette) van Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.
60„Die veler lieden zeden zag en steden.”
61En nietten vier ure, zooals door een abuis bij ’t overschrijven, drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van ’t IIIe deel mijner uitgave van Vondel staat: tegen welke wanspelling vanurevoorurenachter ’t getal, die eerst in de laatste jaren is opgekomen, de Heer Te Winkel met recht zijne stem verheven heeft.
62Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.
63Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar hundeelof belooning kregen bij den keer, voor ’tspelenderrol, hun toegedeeld.
64’t Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter reeds eenigszins vroeger, door middel van zekeren Jan van Hilten, had gedaan, en waarbij hij later de hulp had van Cornelis Jansz. Swoll. Hij zelf bleef echter, door de uitgebreide correspondentie, die hij zich had weten te verzekeren, voortdurend de ziel van de onderneming.
65Zie VondelsLeven en Werken, II. 224.
66Aldaar, II. 223.
67Aldaar, II. 223.
68Gij schrijft voor deeeuwigheid.
69Zie mijne vertelling,Cornelia Vossius, geplaatst in de Romant. Werken, Dl. XIV.
70Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij den dood zijns vaders uitlandig.
71Zie Wagenaar,Amst., IV. 416.
72Zie Wagenaar,Amst.(op ’t jaar 1628).
73Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende in een exemplaar van „de Gebroeders,” dat in mijn bezit is, komen alléénmannenvoor: en toch vermeldt de plaat, waar de platte grond van den toenmaligen Schouwburg op is afgebeeld, eenePersonenkamer voorvrouwen.
74Bij den kastelein Punt werd al ’t zilver weggeroofd, en de waarde der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna een millioen gulden begroot.
75Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het voorbeeldvan zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden leermeester Prof. H. C. Cras. Deze was mede in den Schouwburg en had zijn lijf niet dan met moeite gered, toen hij op het voorplein werd aangehouden door een welgekleed heer, die volstrekt zijne medehulp wenschte te hebben, om te zoeken naar zijn .... hoed.
76Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van de Regenten geheel niet van het vuur.
77De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel, gezien werd.
78Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan achttien, zijnde gevonden lijken van:
1.J. de Neufville Van Lennep.Allen Dinsdag voormiddag.2.Cornelia Bierens, zijne vrouw.3.Louis André.4.Mw. Lubs, geb. Feitama.5.Hare dochter.6.De jonge François Van Oostveen.7.De dochter van den waagdrager Wijland.8.Abraham de Haes.9.De kleêrmaker van den troep Van Neyts.Donderdag.10.De tooneelmeester Brinkman.Vrijdag nam.11.Mw. Teixeira de Mattos.Zat. morgen.12.De machinist Teffers.Zondag morgen.13.P. van Eik.14.De knecht van Verhamme.Zondag morgen.15.De Directeur Rauws.16.Js. de Wolff.
Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:
17.Johannes Roos.
en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:
18.Gerrit Kuik, een pijpgast.
79Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de schuld daarvan gegeven werd, zal niemand verwonderen, evenmin als dat er een heftige pennestrijd in proza en in rijmelarij ontstond tusschen hen, die in den brand een Godsoordeel wilden zien en hunne tegenstanders. Het getal der prulschriften in rijm en onrijm bij die gelegenheid uitgegeven, is niet te bepalen: ik bezit er voor ’t minst 150. Hooger verdiensten hebben daarentegen sommige der menigvuldige platen, waarop de brand, zoo binnen als buiten het gebouw, de ruïne daarvan, enz. enz., zijn voorgesteld.