In den Put.

In den Put.Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een sprong doende—deze reis van ruim eene halve eeuw—bevinden wij ons voor eene andere burgerwoning, die eenputin den gevel voert. Vrees echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe met dien op „’t Nieu en Vermakelijk Gansebort”, en dat ik er u in zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; dezeput—of liever het huis, dat er zijn naam naar draagt—wordt wel druk bezocht, maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig heeft. Dieputis een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan ook, evenals het huis, met eenputop hun voorgevel of titelblad. Die werken—althans vele van hen—hebben het huis overleefd en ook heden ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd, en die daarin geen „putjes-edities” heeft staan.... doch ik zou bijna vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden, maar in de zeventiende, en dat wij de boeken,waar ik van sprak, niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man, wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver, gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van ’t drukken loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou: of liever—want men heeft allerlei slag van koopers—niets, dat lieden van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen, is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. „Niet iedereen mag het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken,” zegt het oude Latijnsche spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht, dat de voortbrengselen van zijnen geest—of liever van zijne pen—op de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten, die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren kinderen ter markt brengen;—bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter, wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan, dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die ’t bekomt, al dadelijk—op goed geloof af—bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.Heden—ik mag hier in ’t voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat wij ’t jaar 1646 schrijven—heeft De Wees juist uitgeleide gedaan aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest staat aangeschreven. ’t Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, ’t is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij ’t naslaan der moeite waardig acht, in „Johanna Vossius” vinden, waar ik den man een tiental jaren jonger—of in „Een bedrukte vader,” waarin ik hem een tiental jaren ouder—dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift, dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich, tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer en zegt met een blijmoedig gelaat:„Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om te drukken.”„Ei zoo, vader!” zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk opslaande: „en wat is de titel?”„Maria Stuart,” antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft doen verkrijgen.„Maria Stuart!” herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet zonder bezorgdheid is.„Ja,—en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier bij haalt:—luister maar eens”—en den vinger brengende aan eene der plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had, leest hij overluid:„Ontfangt dees bron der marteladerenGhy Engelen, nu treetHaar tegen: zij vergeetHaar volck en vaders huis,Gesproten uit Ferguis,Dien ouden stam, en hondert vaderen;Al koningen, van Godt geschapenTen scepter, ingewijtIn ’t aenzicht van den Nijt,Gezalft van eeuw tot eeuw.O roode koningsleeuwIn ’t gouden velt van ’t Schotsche wapen,Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,Hoe ziet men haar zoo tamVeranderen in een lam,Sneeuwit van vacht en vloek,Verscheuren door den wrockDer Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.„Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!” vervolgt De Wees, in verrukking: „en hoe weet de man voor elke rei telkens eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk hij verdiende.”„Heel mooi, heel mooi,” zegt Maaike, wier gelaat intusschen zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: „maar die „Luipaerdinne,” daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee bedoeld worden?”„Ja, gewis, en zie eens—hier noemt hij haar voluit, zonder eenige toespeling:”—en wederom leest hij:„Marie, uit Jesses stam geboren,En tot een rijcker kroon gekoren,Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,Marie in ootmoet hoogh verheven,Van vreught en blyschap aengedreven,Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.Elizabeth, tot Godt genegen,Schiet op en vlieght Marie tegen,Omhelst en kust die groote Nicht,Aenschouw dit hartelijck verlangen,Hoe ze in elkanders armen hangen,Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.Marie, uit Stuarts stam geboren,En tot een rijcker kroon gekorenDan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,Marie, in rampspoet hoogh verheven,In druck en ballingschap gedreven,Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.Elizabeth, tot wraeck genegen,Blijft pratten, zent heur wachters tegen,En vangt en spant die groote Nicht;Zy laetse twintigh jaer verlangenEn tusschen hoop en doodschrick hangen:Want staetzucht past op bloet noch plicht.”Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich op de tafel leggende: „En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven, vader?” vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.„Wel zeker zal ik,” antwoordt deze: „en waarom zou ik niet?”„Wel!” herneemt zij: „mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren Staten is geweest?”„Nu, nu!” merkt De Wees aan, met een glimlach: „Maria was de grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot.”„Ik kan er niet mee schertsen,” herneemt Maaike: „je weet beter dan ik, dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en zijne Puriteinen te vriend te houden:—wat schande genoeg is.”„Welnu,” zegt De Wees: „is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij neme van het verdrukte Koningschap en van ’t ware geloof, en is het mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?”Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort, waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat, terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.„Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden,” hervat Maaike: „en al zet hij geen pen meer op ’t papier, niemand zal hem ten laste leggen, dat hij traag geweest is in ’t vervullen van zijne taak;—maar ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot meer kwaad dan goed aan de zaak:—hij loopt waarlijk al genoeg in den kijker: en ’t zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water, totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in.”„Nu!” zegt De Wees: „ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb zelfs zijn „Grotius Testament” niet willen drukken. ’t Boek ziet er dan ook nu netjes uit!” voegt hij er bij, met een glimlach van verachtend medelijden.„Och kom!” zegt Maaike: „vertel mij daar niets van: zoo je ’t nietgedrukthebt, vadertje! ’t is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.—Ik kan maar niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege gegeven voor ’t drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt, dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven.”„Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend Joost wel niet verleenen;—maar we zullen er ook niet om vragen. De Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt „te Keulen, in de nieuwe Druckerye,” en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken; maar, voor de verandering „in d’ oude Druckerye.” Ik heb dat al met hem beklonken.”„Alsof het er iets toe deed,” hervat zijne vrouw, „of je naam al dan niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten: en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam bij u gedrukt wordt. Doch ’t helpt niet of ik er verder over spreek: ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft, en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, ’t zou me hard verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk.”„Van den Vondel heeft mijn woord,” zegt De Wees, die wel beseft, dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden dooddoener, die voor ’t overige het punt van geschil in ’t midden, en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het, dat in soortgelijke—ja ik durf zeggen in alle—omstandigheden van gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles heen dringenden blik, die den man ontbreekt.—En ook deze reis bleek het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria Stuart kwam in ’t licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter werd voor ’t gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig gulden verwezen.—Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze, niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed te keuren, en zelfs—wat sterker is—hem niet te herinneren, „dat zij toch gelijk had gehad.” Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans, diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig als hij ’t geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en, door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, ’s dichters naam en die van De Wees aan elkander verknocht.In den Zonnewijzer.—In de vierighe Colom.—In de witte Persse.Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve; vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling gemaakt en beschreven heeft7. Hij heeft alles goed gezien en niet minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg, ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbrachtheeft, de mijne niet begonnen zijn. ’t Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en, ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in ’t algemeen, als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant, vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar ruischen ons de welluidende tonen in ’t oor dertaal van lust en weelde,Die ’t stug latijn in dartele ontucht teelde,Die als de kus op malsche lippen smeltEn harten boeit met liefdes algeweld:ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;—daar, aan den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden, die bij elk der vier volken ’t zelfde gespeld worden, bij elk van hen op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu, de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben, en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche klanken, die daar in ’t voorbijgaan onze ooren treffen. Is ’t Arabisch,Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? ’t Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees—met zijne groote, koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid—den in ’t bont gedosten Muscoviet—met zijn stompen neus en wegschuilende oogjes—tegen ’t lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in ’t habijt van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen, maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum—voor zooverre het geen militairen betreft—te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander, woon te Archangel of te Sevilië, rijd door hetBois de Boulognenaast de eleganteloretteof zwierigstecoupéof voer op een kruiwagen een kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op ’t hoofd, een effen lakensch pak met lapellen en slippen aan ’t lijf, een strop om den hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:—op straffe van, zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.—En dan zal men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.Dan ’t wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie—’t moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in ’t belang van handel en zeevaart is aangelegd; maar ’t krielt hier van boekwinkels:—wel een sprekend bewijs, dat hier,—bij stoffelijke welvaart—ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel, boven welks top eenzonnewijzerprijkt. In ’t benedenhuis kunt gij u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen; maar toch zijn ’t werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen,die dat vak beoefenen, al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en beroemd, en de waar, die men er verkoopt—al is zij meestal vrij duur—onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven, waar hij ’t op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen, wellicht op bank of rif te stranden, door ’t gemis van een zee-atlas van Blaeu?Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den zonnewijzer boven ’t huis vindt gij op de titelbladen der werken, die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden „aen Schepensbank zitten;” want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen, ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest, vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en heeft, in één woord, de zorg over ’t dagelijksch beheer. Joan is het hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam, of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen aanleg en liefhebberij.Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in ’t jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet, deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in ’t licht te geven: zijne voornaamste werken, het „Graadboek” en het „Licht der Zeevaart,” beide aan de toenmalige eischen der wetenschap beantwoordende, moesten wel meterkentelijkheid ontvangen worden in een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te danken had. Die werken werdenpopulairen hun maker niet minder. Geen schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door ’s Lands Staten genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich ’s mans naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien persoonlijke verplichting. Zijne „Begroetenis aan Frederik Hendrik,” zijne „Geboorteklock voor Willem van Nassau,” zijn „Zegesang op den Bosch,” zijn „Gysbreght van Aemstel” zijn op de keurige pers van Blaeu gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige, soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis Blaeu loopt eenblauwescheen: de dichter is straks in de weer, om hem, met boertend rijm en met de belofte van eenblauwekous uit zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het beroep van den vrijer, als op dat van ’s vrijsters vader. Joan Blaeu trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk en zinrijk grafschrift:Hier leght Maria, snel verdort.De tijt der schoonste bloem is kort.Thans—men herinnere zich, dat wij ’t jaar 1664 schrijven—zijn er achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft, is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en, eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar zijne firma ’t Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier aan ’t werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken: de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan deGrieksche letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem, grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk—en het ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden—wordt gebezigd tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding, geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te leeren kennen, zal immer deAtlas Blavianaeen welkome wegwijzer zijn8. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen, wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken, de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt: geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen, en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in ’t eerst een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk, dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut, ’t welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is, verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het voorrecht, den dichters wel verleend, of—wil men—van het gebrek, dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven, toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:De waereld is wel schoon, en waerdigh om t’ aenschouwen:Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:De mylen recken staegh: de landen strecken veer.Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,Die staen in ’t harrenas en trecken hun geweer;De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nestEn brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,Op ’t ongebaende padt: dan is ’t vergeefs te wenschenNaar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêrenSoo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen9.Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem, dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op dien dag kon aanwijzen.Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den 22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en platen verteerde, en de schade op niet minder dan ƒ 382,000 begroot werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden, niet gering was het aantal derzulken, die—tot het slag van lieden behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt—in dat ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode misbruik, ’t welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en Misboeken voor de Roomschen te drukken!Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij stierf op den 28sten December 1673.—De zes-en-tachtigjarige Vondel herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn ent?De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel der Blaeuen aan den voorbijganger in ’t geheugen terugriep, nog altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs, een steen in den gevel met het opschrift: „de vierighe colom,” het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in ’t vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels treurspelen tellen: „Hierusalem verwoest,” „de Amsterdamsche Hecuba” en „Palamedes” benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes, door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver, was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in ’t laatst der zestiende eeuw geboren, had hij zich in ’t begin der volgende als boekdrukker te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water, daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eenewitte persin den gevel prijkte. Van dit werktuig, ’t welk niet alleen van buiten tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en, als zinspreuk, den letterkeer van dien naam,ick strii op sno eerde, welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen ’t welk de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het titelblad dit zinnebeeld, ’t welk in de vroegere in een eenvoudig ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd, en twee genieën tottenantsheeft, met het onderschrift:Durate.Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder dien van Pers, in ’t licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz.10Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt, door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voorte stellen. Hij is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen, die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men ’t niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan detemperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever, of—juister uitgedrukt—korenbrandewijn, te buiten gaan).Men ziet, dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.Wij tellen ’t jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor, op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al is noch hij noch zijn gezin in ’t Zondagspak gedost, hunne plunje is toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder: zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de „Gulde Winckel” en de „Warande der Dieren,” met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts, waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding laten maken. Hij wil die in ’t koper doen brengen; maar nu moet er een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten, ’s mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel, Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,Al ’t oov’rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal de bode een weigerend antwoord brengen?—Neen, de poëet was altijd in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven, dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:—het antwoord is ongetwijfeld gunstig.—„De gebiedenis van Sinjeur Vondel,” zegt de jongen, terwijl hij, voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt: „en UEd. had maar te kiezen.”—„Hij zendt mij keuze, Brecht!” roept Pers verheugd uit, terwijlde knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het achterhuis te geraken.Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: „Twee bijschriften in plaats van een!”—En terwijl vrouw en kinderen de hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet te machtig zij, begint hij te lezen:Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....—„Ik ben nieuwsgierig wat hij opwinckelszal doen rijmen,” zegt Anna, de oudste dochter.—„Wel:kinckels,” zegt haar broeder Pieter.—„Stil kinderen! valt vader niet in de rede,” zegt hunne moeder, en Pers hervat:Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckelsEn kleed in ’t parkament de beenen noch de schinckelsMaer ’t breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....—„Hij alleen kan toch zoo iets vinden!” roept Pers uit, met lezen ophoudende.—„Ik versta ’t niet recht,” zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.—„Wel Moeder! ’t is dunkt mij vrij duidelijk,” hervat Pieter: „met hetvernuftigh volckbedoelt de dichter de drukkers, die hunne winkels volproppen met boeken, en die niet debeenenenschinckels, dat is hetlichaam—maar wel hetbrein, d. i. de denkbeelden, van hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)kleedenmetparkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven.”—„Ei! ei!” zegt Moeder.Pers vervolgt:Komt en sietPerssiusuw glori, hoogh geseten,Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld, dat Vondel hem nog steeds denroemder boekverkoopers achtte:Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat Vondel hem in het koor, en nog welmiddenin het koor der dichters plaatsen zou.Met ’t drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur gezicht. „Hm!” zegt Pers, „wat gaat het den lieden aan, of ik geld verdiene of niet?”—„Wel!” merkt zijn oudste dochter aan: „’t is toch altijd iets vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot het debiet van vaders werken is.”—„Nu ja!” hervat Pers: „dat kan wel zijn; maar toch.... datgeld samen hoopenen dat nog wel metmijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij moet aanmerken.—„En nu het andere bijschrift?” zegt Pieter.Pers leest:Ghy burgers en ghy vremden,Dit ’sPerssiusvan Embden.Sijn beeld naPhebusswijmt,’t Sij dat hij dicht of rijmt,Die sijn boecken, en prentenOp ’t dierste weet te venten.Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.—„Joost heeft mij beet gehad,” zegt eindelijk de boekverkooper, terwijl hij het papier bij zich steekt, „en het mij ingepeperd, dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk.”Het portret kwam—zonder bijschrift—in ’t licht.In de gouden Reael.Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai verguldenreaalzien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in ’t voorbijgaan een blik in de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel, midden in ’t vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten, bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens, doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft, hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde, een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn de oogen des beeldschoonenjongelings, die aan zijne linkerzijde is gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit was onder anderen gebleken uit zijne weigering om ’t verbond der Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden, door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich, in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens spijker of pakhuis „’t Nieuw Jeruzalem.” op de Oude-Zijdskolk, de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in ’t Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert hij naar ’t uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem ’t haar sluik op ’t hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus, een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig gelaat, strekken niet, om ’s mans schoonheid te verhoogen; maar toch kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt, maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke trekken iets bevalligs bijzet.Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde eene som van omtrent ƒ 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur, reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn, om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch ishij het voorstaan daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de Vlaming Pieter Gabriël, die ’t eerst, en wel in de Engelsche steeg den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant, Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon, den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond, door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in ’t open veld gehouden: inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan, door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven, gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden, den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte, pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak te komen verlichten en had hun in ’t Leprozen kerkje doen prediken, ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken, en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst stuitte: ja hij was bijna ’t slachtoffer geweest van zijne zucht, om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de plundering van ’t Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde „Orde”), op 30 September 1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij Prins Willem te ’s-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen en die de uitwijking, nietalleen van Brederode, maar zelfs van Oranje hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen, die, om ’t geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen, die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.—„Wat nieuws?” vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon Kromhout: „zeker weinig, dat voordeel geeft.”—„Bevestigt het zich?” vraagt Roodenburg, „dat de Prins van Oranje het land voorgoed verlaten heeft?”—„Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,” antwoordt Reael met een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate men die minder van hem gewoon is.—„En”—herneemt Kromhout, „dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan ’t hoofd?”—„Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van Valencijn!” roept Frank De Wael uit.—„Noircarmes, den beul van Valencijn,” zegt Reael, bevestigend.—„De tijding is zeker,” voegt Pauw er bij: „mijn vader, en”—hier wijst hij op Roodenburg, „ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij de stad van bezetting verschoone.”—„Uw beider vaders!” roept Kromhout: „maar dat is immers blijkbaar een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?”—„En niet zonder reden gewis,” zegt Reael, „heeft Buick hen tot zijne medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund worden.—Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen gemoeid is geweest.—Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg, namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den weg te maken, tot de bui ware overgewaaid.”—„En wat was uw antwoord?” vragen allen als uit éénen mond.—„Ik heb,” herneemt Reael, „mij willen vergewissen, in hoeverre die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.—Ik heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel, verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde, dat Burgemeesteren thans te veel overkroptwaren met bezigheden, om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men ’t stuk mij zou nazenden, indien ik de plaats mijner bestemming opgaf.”—„En wat is thans uw voornemen?” vraagt Kromhout.—„Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal staan,—achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen.”—„Ik denk er over als gij,” zegt Kromhout: „en uw gedrag zal het mijne bepalen.”—„Met mij,” zegt Pauw: „is het een bijzonder geval, en, wat er gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:—ik mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst verbeiden.”—„Ik,” zegt Harmansz., „zie evenmin kans, mij te verwijderen, en mijne zaken in den steek te laten.—Wat mijn leven betreft, het is in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier.”——„Wat mij betreft,” zegt De Wael, „ik volg Laurens Jakobsz.: blijft hij, zoo blijf ik ook: acht hij ’t raadzaam te vertrekken, zoo pak ik mijn boeltje.”——„En Reinier Kant?” vraagt Kromhout: „hij zou immers hier komen. Laat hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling en elken voorslag?”—„Ook mij ontrust zijn uitblijven,” antwoordt Reael: „wat brengt Stijntje?”Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.—„Wordt er antwoord gewacht?” vraagt Reael.—„Neen meester! de jongen, die ’t bracht, heeft zich terstond weer verwijderd,” antwoordt Stijntje.—”’t Is wel! laat ons alleen,” herneemt Reael, „van Kant!” vervolgt hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: „zou hij verhinderd zijn?—Maar wat is dat?”—„Is hem iets overkomen?” vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur op ’t gelaat van zijn vriend, nu deze ’t briefje geopend heeft, onder ’t lezen verschiet.—„Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.—Kant.—Ziedaar den geheelen inhoud van ’t briefje,” zegt Reael.—„Heeft Kant gevaar geroken?” roept Kromhout: „is Kant heengegaan, zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij alle hoop wel opgeven.”—„Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,” zegt Reael: „het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften, in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of minaanzienlijke der bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of te verwachten hebben.”Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift heeft gebracht.—„Het is de weduwe, die haar penninksken offert!”—fluistert Reael Kromhout in. „God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven hebben, gelijk zij van hare armoede.”Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van ’t hoofd nemen, en haar eerbiedig groeten.—„En nu,” zegt Reael: „de kist onderzocht. De vrienden hebben, zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?”Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag, Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist worden geopend en het deksel afgelicht.—Bij den eersten blik, daar binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een trek van teleurstelling.—„Er is niet veel goud bij,” zegt Roodenburg.—„De benoodigde ƒ 11,000 zijn er althans niet,” merkt Harmansz. aan.Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is ƒ 747–8 stuivers en 6 penningen.—„En nu,” zegt Reael,„hebikalthans geen verder bewijs noodig, dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze uittarting van ’t gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des Heeren?—Met dezulken is niets voor ’t oogenblik aan te vangen: en wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.—Vrienden! mijn boeier ligt aan de kaai.—Ik ga heden avond onder zeil naar Medemblik. Wie vergezelt mij?”—„Gaat uwe vrouw mee?” vraagt Kromhout.—„Zij zal bij hare moeder blijven,” antwoordt Reael, „die devoot Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij zal kunnen voegen.”—„Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken,” zegt Kromhout: „al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op aarde hebben.”—„Zij zal mij welkom zijn,” zegt Reael.—„En nu de gelden?” vraagt Pauw.—„Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon,” antwoordt Reael, „die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor bekomen heeft.—Of weet iemand er een beter gebruik voor?—Niet?—Wel, dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t’ avond?”—„Ik zal er zijn,” zegt De Wael.En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen: bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken, om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen, toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam, om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood eene deugd makende,vondenzij eene oude krabbeschuit, die wel een halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas waren zij in ’t gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd en overweldigd door een oorlogsvaartuig, ’t welk de Stadhouder van Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar ’t Wad, den Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren, en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20stenMei behouden te Embden aankwamen.Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde, hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door dien omkeer aan ’t hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog verdonkerd werd door dien van zijndoorluchtigen zoon, dat alles is te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.

In den Put.Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een sprong doende—deze reis van ruim eene halve eeuw—bevinden wij ons voor eene andere burgerwoning, die eenputin den gevel voert. Vrees echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe met dien op „’t Nieu en Vermakelijk Gansebort”, en dat ik er u in zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; dezeput—of liever het huis, dat er zijn naam naar draagt—wordt wel druk bezocht, maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig heeft. Dieputis een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan ook, evenals het huis, met eenputop hun voorgevel of titelblad. Die werken—althans vele van hen—hebben het huis overleefd en ook heden ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd, en die daarin geen „putjes-edities” heeft staan.... doch ik zou bijna vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden, maar in de zeventiende, en dat wij de boeken,waar ik van sprak, niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man, wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver, gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van ’t drukken loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou: of liever—want men heeft allerlei slag van koopers—niets, dat lieden van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen, is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. „Niet iedereen mag het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken,” zegt het oude Latijnsche spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht, dat de voortbrengselen van zijnen geest—of liever van zijne pen—op de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten, die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren kinderen ter markt brengen;—bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter, wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan, dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die ’t bekomt, al dadelijk—op goed geloof af—bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.Heden—ik mag hier in ’t voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat wij ’t jaar 1646 schrijven—heeft De Wees juist uitgeleide gedaan aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest staat aangeschreven. ’t Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, ’t is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij ’t naslaan der moeite waardig acht, in „Johanna Vossius” vinden, waar ik den man een tiental jaren jonger—of in „Een bedrukte vader,” waarin ik hem een tiental jaren ouder—dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift, dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich, tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer en zegt met een blijmoedig gelaat:„Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om te drukken.”„Ei zoo, vader!” zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk opslaande: „en wat is de titel?”„Maria Stuart,” antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft doen verkrijgen.„Maria Stuart!” herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet zonder bezorgdheid is.„Ja,—en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier bij haalt:—luister maar eens”—en den vinger brengende aan eene der plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had, leest hij overluid:„Ontfangt dees bron der marteladerenGhy Engelen, nu treetHaar tegen: zij vergeetHaar volck en vaders huis,Gesproten uit Ferguis,Dien ouden stam, en hondert vaderen;Al koningen, van Godt geschapenTen scepter, ingewijtIn ’t aenzicht van den Nijt,Gezalft van eeuw tot eeuw.O roode koningsleeuwIn ’t gouden velt van ’t Schotsche wapen,Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,Hoe ziet men haar zoo tamVeranderen in een lam,Sneeuwit van vacht en vloek,Verscheuren door den wrockDer Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.„Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!” vervolgt De Wees, in verrukking: „en hoe weet de man voor elke rei telkens eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk hij verdiende.”„Heel mooi, heel mooi,” zegt Maaike, wier gelaat intusschen zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: „maar die „Luipaerdinne,” daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee bedoeld worden?”„Ja, gewis, en zie eens—hier noemt hij haar voluit, zonder eenige toespeling:”—en wederom leest hij:„Marie, uit Jesses stam geboren,En tot een rijcker kroon gekoren,Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,Marie in ootmoet hoogh verheven,Van vreught en blyschap aengedreven,Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.Elizabeth, tot Godt genegen,Schiet op en vlieght Marie tegen,Omhelst en kust die groote Nicht,Aenschouw dit hartelijck verlangen,Hoe ze in elkanders armen hangen,Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.Marie, uit Stuarts stam geboren,En tot een rijcker kroon gekorenDan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,Marie, in rampspoet hoogh verheven,In druck en ballingschap gedreven,Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.Elizabeth, tot wraeck genegen,Blijft pratten, zent heur wachters tegen,En vangt en spant die groote Nicht;Zy laetse twintigh jaer verlangenEn tusschen hoop en doodschrick hangen:Want staetzucht past op bloet noch plicht.”Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich op de tafel leggende: „En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven, vader?” vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.„Wel zeker zal ik,” antwoordt deze: „en waarom zou ik niet?”„Wel!” herneemt zij: „mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren Staten is geweest?”„Nu, nu!” merkt De Wees aan, met een glimlach: „Maria was de grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot.”„Ik kan er niet mee schertsen,” herneemt Maaike: „je weet beter dan ik, dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en zijne Puriteinen te vriend te houden:—wat schande genoeg is.”„Welnu,” zegt De Wees: „is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij neme van het verdrukte Koningschap en van ’t ware geloof, en is het mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?”Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort, waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat, terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.„Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden,” hervat Maaike: „en al zet hij geen pen meer op ’t papier, niemand zal hem ten laste leggen, dat hij traag geweest is in ’t vervullen van zijne taak;—maar ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot meer kwaad dan goed aan de zaak:—hij loopt waarlijk al genoeg in den kijker: en ’t zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water, totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in.”„Nu!” zegt De Wees: „ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb zelfs zijn „Grotius Testament” niet willen drukken. ’t Boek ziet er dan ook nu netjes uit!” voegt hij er bij, met een glimlach van verachtend medelijden.„Och kom!” zegt Maaike: „vertel mij daar niets van: zoo je ’t nietgedrukthebt, vadertje! ’t is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.—Ik kan maar niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege gegeven voor ’t drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt, dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven.”„Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend Joost wel niet verleenen;—maar we zullen er ook niet om vragen. De Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt „te Keulen, in de nieuwe Druckerye,” en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken; maar, voor de verandering „in d’ oude Druckerye.” Ik heb dat al met hem beklonken.”„Alsof het er iets toe deed,” hervat zijne vrouw, „of je naam al dan niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten: en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam bij u gedrukt wordt. Doch ’t helpt niet of ik er verder over spreek: ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft, en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, ’t zou me hard verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk.”„Van den Vondel heeft mijn woord,” zegt De Wees, die wel beseft, dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden dooddoener, die voor ’t overige het punt van geschil in ’t midden, en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het, dat in soortgelijke—ja ik durf zeggen in alle—omstandigheden van gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles heen dringenden blik, die den man ontbreekt.—En ook deze reis bleek het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria Stuart kwam in ’t licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter werd voor ’t gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig gulden verwezen.—Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze, niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed te keuren, en zelfs—wat sterker is—hem niet te herinneren, „dat zij toch gelijk had gehad.” Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans, diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig als hij ’t geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en, door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, ’s dichters naam en die van De Wees aan elkander verknocht.In den Zonnewijzer.—In de vierighe Colom.—In de witte Persse.Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve; vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling gemaakt en beschreven heeft7. Hij heeft alles goed gezien en niet minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg, ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbrachtheeft, de mijne niet begonnen zijn. ’t Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en, ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in ’t algemeen, als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant, vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar ruischen ons de welluidende tonen in ’t oor dertaal van lust en weelde,Die ’t stug latijn in dartele ontucht teelde,Die als de kus op malsche lippen smeltEn harten boeit met liefdes algeweld:ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;—daar, aan den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden, die bij elk der vier volken ’t zelfde gespeld worden, bij elk van hen op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu, de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben, en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche klanken, die daar in ’t voorbijgaan onze ooren treffen. Is ’t Arabisch,Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? ’t Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees—met zijne groote, koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid—den in ’t bont gedosten Muscoviet—met zijn stompen neus en wegschuilende oogjes—tegen ’t lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in ’t habijt van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen, maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum—voor zooverre het geen militairen betreft—te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander, woon te Archangel of te Sevilië, rijd door hetBois de Boulognenaast de eleganteloretteof zwierigstecoupéof voer op een kruiwagen een kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op ’t hoofd, een effen lakensch pak met lapellen en slippen aan ’t lijf, een strop om den hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:—op straffe van, zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.—En dan zal men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.Dan ’t wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie—’t moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in ’t belang van handel en zeevaart is aangelegd; maar ’t krielt hier van boekwinkels:—wel een sprekend bewijs, dat hier,—bij stoffelijke welvaart—ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel, boven welks top eenzonnewijzerprijkt. In ’t benedenhuis kunt gij u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen; maar toch zijn ’t werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen,die dat vak beoefenen, al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en beroemd, en de waar, die men er verkoopt—al is zij meestal vrij duur—onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven, waar hij ’t op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen, wellicht op bank of rif te stranden, door ’t gemis van een zee-atlas van Blaeu?Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den zonnewijzer boven ’t huis vindt gij op de titelbladen der werken, die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden „aen Schepensbank zitten;” want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen, ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest, vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en heeft, in één woord, de zorg over ’t dagelijksch beheer. Joan is het hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam, of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen aanleg en liefhebberij.Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in ’t jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet, deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in ’t licht te geven: zijne voornaamste werken, het „Graadboek” en het „Licht der Zeevaart,” beide aan de toenmalige eischen der wetenschap beantwoordende, moesten wel meterkentelijkheid ontvangen worden in een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te danken had. Die werken werdenpopulairen hun maker niet minder. Geen schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door ’s Lands Staten genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich ’s mans naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien persoonlijke verplichting. Zijne „Begroetenis aan Frederik Hendrik,” zijne „Geboorteklock voor Willem van Nassau,” zijn „Zegesang op den Bosch,” zijn „Gysbreght van Aemstel” zijn op de keurige pers van Blaeu gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige, soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis Blaeu loopt eenblauwescheen: de dichter is straks in de weer, om hem, met boertend rijm en met de belofte van eenblauwekous uit zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het beroep van den vrijer, als op dat van ’s vrijsters vader. Joan Blaeu trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk en zinrijk grafschrift:Hier leght Maria, snel verdort.De tijt der schoonste bloem is kort.Thans—men herinnere zich, dat wij ’t jaar 1664 schrijven—zijn er achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft, is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en, eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar zijne firma ’t Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier aan ’t werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken: de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan deGrieksche letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem, grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk—en het ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden—wordt gebezigd tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding, geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te leeren kennen, zal immer deAtlas Blavianaeen welkome wegwijzer zijn8. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen, wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken, de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt: geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen, en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in ’t eerst een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk, dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut, ’t welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is, verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het voorrecht, den dichters wel verleend, of—wil men—van het gebrek, dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven, toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:De waereld is wel schoon, en waerdigh om t’ aenschouwen:Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:De mylen recken staegh: de landen strecken veer.Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,Die staen in ’t harrenas en trecken hun geweer;De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nestEn brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,Op ’t ongebaende padt: dan is ’t vergeefs te wenschenNaar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêrenSoo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen9.Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem, dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op dien dag kon aanwijzen.Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den 22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en platen verteerde, en de schade op niet minder dan ƒ 382,000 begroot werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden, niet gering was het aantal derzulken, die—tot het slag van lieden behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt—in dat ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode misbruik, ’t welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en Misboeken voor de Roomschen te drukken!Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij stierf op den 28sten December 1673.—De zes-en-tachtigjarige Vondel herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn ent?De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel der Blaeuen aan den voorbijganger in ’t geheugen terugriep, nog altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs, een steen in den gevel met het opschrift: „de vierighe colom,” het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in ’t vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels treurspelen tellen: „Hierusalem verwoest,” „de Amsterdamsche Hecuba” en „Palamedes” benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes, door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver, was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in ’t laatst der zestiende eeuw geboren, had hij zich in ’t begin der volgende als boekdrukker te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water, daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eenewitte persin den gevel prijkte. Van dit werktuig, ’t welk niet alleen van buiten tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en, als zinspreuk, den letterkeer van dien naam,ick strii op sno eerde, welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen ’t welk de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het titelblad dit zinnebeeld, ’t welk in de vroegere in een eenvoudig ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd, en twee genieën tottenantsheeft, met het onderschrift:Durate.Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder dien van Pers, in ’t licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz.10Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt, door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voorte stellen. Hij is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen, die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men ’t niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan detemperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever, of—juister uitgedrukt—korenbrandewijn, te buiten gaan).Men ziet, dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.Wij tellen ’t jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor, op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al is noch hij noch zijn gezin in ’t Zondagspak gedost, hunne plunje is toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder: zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de „Gulde Winckel” en de „Warande der Dieren,” met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts, waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding laten maken. Hij wil die in ’t koper doen brengen; maar nu moet er een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten, ’s mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel, Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,Al ’t oov’rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal de bode een weigerend antwoord brengen?—Neen, de poëet was altijd in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven, dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:—het antwoord is ongetwijfeld gunstig.—„De gebiedenis van Sinjeur Vondel,” zegt de jongen, terwijl hij, voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt: „en UEd. had maar te kiezen.”—„Hij zendt mij keuze, Brecht!” roept Pers verheugd uit, terwijlde knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het achterhuis te geraken.Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: „Twee bijschriften in plaats van een!”—En terwijl vrouw en kinderen de hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet te machtig zij, begint hij te lezen:Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....—„Ik ben nieuwsgierig wat hij opwinckelszal doen rijmen,” zegt Anna, de oudste dochter.—„Wel:kinckels,” zegt haar broeder Pieter.—„Stil kinderen! valt vader niet in de rede,” zegt hunne moeder, en Pers hervat:Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckelsEn kleed in ’t parkament de beenen noch de schinckelsMaer ’t breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....—„Hij alleen kan toch zoo iets vinden!” roept Pers uit, met lezen ophoudende.—„Ik versta ’t niet recht,” zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.—„Wel Moeder! ’t is dunkt mij vrij duidelijk,” hervat Pieter: „met hetvernuftigh volckbedoelt de dichter de drukkers, die hunne winkels volproppen met boeken, en die niet debeenenenschinckels, dat is hetlichaam—maar wel hetbrein, d. i. de denkbeelden, van hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)kleedenmetparkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven.”—„Ei! ei!” zegt Moeder.Pers vervolgt:Komt en sietPerssiusuw glori, hoogh geseten,Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld, dat Vondel hem nog steeds denroemder boekverkoopers achtte:Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat Vondel hem in het koor, en nog welmiddenin het koor der dichters plaatsen zou.Met ’t drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur gezicht. „Hm!” zegt Pers, „wat gaat het den lieden aan, of ik geld verdiene of niet?”—„Wel!” merkt zijn oudste dochter aan: „’t is toch altijd iets vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot het debiet van vaders werken is.”—„Nu ja!” hervat Pers: „dat kan wel zijn; maar toch.... datgeld samen hoopenen dat nog wel metmijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij moet aanmerken.—„En nu het andere bijschrift?” zegt Pieter.Pers leest:Ghy burgers en ghy vremden,Dit ’sPerssiusvan Embden.Sijn beeld naPhebusswijmt,’t Sij dat hij dicht of rijmt,Die sijn boecken, en prentenOp ’t dierste weet te venten.Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.—„Joost heeft mij beet gehad,” zegt eindelijk de boekverkooper, terwijl hij het papier bij zich steekt, „en het mij ingepeperd, dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk.”Het portret kwam—zonder bijschrift—in ’t licht.In de gouden Reael.Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai verguldenreaalzien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in ’t voorbijgaan een blik in de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel, midden in ’t vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten, bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens, doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft, hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde, een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn de oogen des beeldschoonenjongelings, die aan zijne linkerzijde is gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit was onder anderen gebleken uit zijne weigering om ’t verbond der Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden, door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich, in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens spijker of pakhuis „’t Nieuw Jeruzalem.” op de Oude-Zijdskolk, de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in ’t Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert hij naar ’t uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem ’t haar sluik op ’t hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus, een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig gelaat, strekken niet, om ’s mans schoonheid te verhoogen; maar toch kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt, maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke trekken iets bevalligs bijzet.Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde eene som van omtrent ƒ 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur, reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn, om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch ishij het voorstaan daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de Vlaming Pieter Gabriël, die ’t eerst, en wel in de Engelsche steeg den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant, Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon, den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond, door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in ’t open veld gehouden: inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan, door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven, gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden, den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte, pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak te komen verlichten en had hun in ’t Leprozen kerkje doen prediken, ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken, en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst stuitte: ja hij was bijna ’t slachtoffer geweest van zijne zucht, om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de plundering van ’t Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde „Orde”), op 30 September 1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij Prins Willem te ’s-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen en die de uitwijking, nietalleen van Brederode, maar zelfs van Oranje hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen, die, om ’t geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen, die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.—„Wat nieuws?” vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon Kromhout: „zeker weinig, dat voordeel geeft.”—„Bevestigt het zich?” vraagt Roodenburg, „dat de Prins van Oranje het land voorgoed verlaten heeft?”—„Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,” antwoordt Reael met een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate men die minder van hem gewoon is.—„En”—herneemt Kromhout, „dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan ’t hoofd?”—„Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van Valencijn!” roept Frank De Wael uit.—„Noircarmes, den beul van Valencijn,” zegt Reael, bevestigend.—„De tijding is zeker,” voegt Pauw er bij: „mijn vader, en”—hier wijst hij op Roodenburg, „ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij de stad van bezetting verschoone.”—„Uw beider vaders!” roept Kromhout: „maar dat is immers blijkbaar een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?”—„En niet zonder reden gewis,” zegt Reael, „heeft Buick hen tot zijne medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund worden.—Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen gemoeid is geweest.—Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg, namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den weg te maken, tot de bui ware overgewaaid.”—„En wat was uw antwoord?” vragen allen als uit éénen mond.—„Ik heb,” herneemt Reael, „mij willen vergewissen, in hoeverre die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.—Ik heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel, verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde, dat Burgemeesteren thans te veel overkroptwaren met bezigheden, om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men ’t stuk mij zou nazenden, indien ik de plaats mijner bestemming opgaf.”—„En wat is thans uw voornemen?” vraagt Kromhout.—„Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal staan,—achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen.”—„Ik denk er over als gij,” zegt Kromhout: „en uw gedrag zal het mijne bepalen.”—„Met mij,” zegt Pauw: „is het een bijzonder geval, en, wat er gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:—ik mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst verbeiden.”—„Ik,” zegt Harmansz., „zie evenmin kans, mij te verwijderen, en mijne zaken in den steek te laten.—Wat mijn leven betreft, het is in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier.”——„Wat mij betreft,” zegt De Wael, „ik volg Laurens Jakobsz.: blijft hij, zoo blijf ik ook: acht hij ’t raadzaam te vertrekken, zoo pak ik mijn boeltje.”——„En Reinier Kant?” vraagt Kromhout: „hij zou immers hier komen. Laat hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling en elken voorslag?”—„Ook mij ontrust zijn uitblijven,” antwoordt Reael: „wat brengt Stijntje?”Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.—„Wordt er antwoord gewacht?” vraagt Reael.—„Neen meester! de jongen, die ’t bracht, heeft zich terstond weer verwijderd,” antwoordt Stijntje.—”’t Is wel! laat ons alleen,” herneemt Reael, „van Kant!” vervolgt hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: „zou hij verhinderd zijn?—Maar wat is dat?”—„Is hem iets overkomen?” vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur op ’t gelaat van zijn vriend, nu deze ’t briefje geopend heeft, onder ’t lezen verschiet.—„Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.—Kant.—Ziedaar den geheelen inhoud van ’t briefje,” zegt Reael.—„Heeft Kant gevaar geroken?” roept Kromhout: „is Kant heengegaan, zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij alle hoop wel opgeven.”—„Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,” zegt Reael: „het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften, in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of minaanzienlijke der bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of te verwachten hebben.”Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift heeft gebracht.—„Het is de weduwe, die haar penninksken offert!”—fluistert Reael Kromhout in. „God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven hebben, gelijk zij van hare armoede.”Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van ’t hoofd nemen, en haar eerbiedig groeten.—„En nu,” zegt Reael: „de kist onderzocht. De vrienden hebben, zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?”Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag, Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist worden geopend en het deksel afgelicht.—Bij den eersten blik, daar binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een trek van teleurstelling.—„Er is niet veel goud bij,” zegt Roodenburg.—„De benoodigde ƒ 11,000 zijn er althans niet,” merkt Harmansz. aan.Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is ƒ 747–8 stuivers en 6 penningen.—„En nu,” zegt Reael,„hebikalthans geen verder bewijs noodig, dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze uittarting van ’t gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des Heeren?—Met dezulken is niets voor ’t oogenblik aan te vangen: en wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.—Vrienden! mijn boeier ligt aan de kaai.—Ik ga heden avond onder zeil naar Medemblik. Wie vergezelt mij?”—„Gaat uwe vrouw mee?” vraagt Kromhout.—„Zij zal bij hare moeder blijven,” antwoordt Reael, „die devoot Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij zal kunnen voegen.”—„Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken,” zegt Kromhout: „al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op aarde hebben.”—„Zij zal mij welkom zijn,” zegt Reael.—„En nu de gelden?” vraagt Pauw.—„Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon,” antwoordt Reael, „die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor bekomen heeft.—Of weet iemand er een beter gebruik voor?—Niet?—Wel, dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t’ avond?”—„Ik zal er zijn,” zegt De Wael.En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen: bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken, om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen, toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam, om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood eene deugd makende,vondenzij eene oude krabbeschuit, die wel een halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas waren zij in ’t gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd en overweldigd door een oorlogsvaartuig, ’t welk de Stadhouder van Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar ’t Wad, den Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren, en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20stenMei behouden te Embden aankwamen.Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde, hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door dien omkeer aan ’t hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog verdonkerd werd door dien van zijndoorluchtigen zoon, dat alles is te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.

In den Put.Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een sprong doende—deze reis van ruim eene halve eeuw—bevinden wij ons voor eene andere burgerwoning, die eenputin den gevel voert. Vrees echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe met dien op „’t Nieu en Vermakelijk Gansebort”, en dat ik er u in zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; dezeput—of liever het huis, dat er zijn naam naar draagt—wordt wel druk bezocht, maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig heeft. Dieputis een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan ook, evenals het huis, met eenputop hun voorgevel of titelblad. Die werken—althans vele van hen—hebben het huis overleefd en ook heden ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd, en die daarin geen „putjes-edities” heeft staan.... doch ik zou bijna vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden, maar in de zeventiende, en dat wij de boeken,waar ik van sprak, niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man, wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver, gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van ’t drukken loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou: of liever—want men heeft allerlei slag van koopers—niets, dat lieden van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen, is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. „Niet iedereen mag het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken,” zegt het oude Latijnsche spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht, dat de voortbrengselen van zijnen geest—of liever van zijne pen—op de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten, die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren kinderen ter markt brengen;—bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter, wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan, dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die ’t bekomt, al dadelijk—op goed geloof af—bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.Heden—ik mag hier in ’t voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat wij ’t jaar 1646 schrijven—heeft De Wees juist uitgeleide gedaan aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest staat aangeschreven. ’t Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, ’t is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij ’t naslaan der moeite waardig acht, in „Johanna Vossius” vinden, waar ik den man een tiental jaren jonger—of in „Een bedrukte vader,” waarin ik hem een tiental jaren ouder—dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift, dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich, tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer en zegt met een blijmoedig gelaat:„Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om te drukken.”„Ei zoo, vader!” zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk opslaande: „en wat is de titel?”„Maria Stuart,” antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft doen verkrijgen.„Maria Stuart!” herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet zonder bezorgdheid is.„Ja,—en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier bij haalt:—luister maar eens”—en den vinger brengende aan eene der plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had, leest hij overluid:„Ontfangt dees bron der marteladerenGhy Engelen, nu treetHaar tegen: zij vergeetHaar volck en vaders huis,Gesproten uit Ferguis,Dien ouden stam, en hondert vaderen;Al koningen, van Godt geschapenTen scepter, ingewijtIn ’t aenzicht van den Nijt,Gezalft van eeuw tot eeuw.O roode koningsleeuwIn ’t gouden velt van ’t Schotsche wapen,Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,Hoe ziet men haar zoo tamVeranderen in een lam,Sneeuwit van vacht en vloek,Verscheuren door den wrockDer Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.„Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!” vervolgt De Wees, in verrukking: „en hoe weet de man voor elke rei telkens eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk hij verdiende.”„Heel mooi, heel mooi,” zegt Maaike, wier gelaat intusschen zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: „maar die „Luipaerdinne,” daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee bedoeld worden?”„Ja, gewis, en zie eens—hier noemt hij haar voluit, zonder eenige toespeling:”—en wederom leest hij:„Marie, uit Jesses stam geboren,En tot een rijcker kroon gekoren,Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,Marie in ootmoet hoogh verheven,Van vreught en blyschap aengedreven,Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.Elizabeth, tot Godt genegen,Schiet op en vlieght Marie tegen,Omhelst en kust die groote Nicht,Aenschouw dit hartelijck verlangen,Hoe ze in elkanders armen hangen,Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.Marie, uit Stuarts stam geboren,En tot een rijcker kroon gekorenDan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,Marie, in rampspoet hoogh verheven,In druck en ballingschap gedreven,Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.Elizabeth, tot wraeck genegen,Blijft pratten, zent heur wachters tegen,En vangt en spant die groote Nicht;Zy laetse twintigh jaer verlangenEn tusschen hoop en doodschrick hangen:Want staetzucht past op bloet noch plicht.”Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich op de tafel leggende: „En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven, vader?” vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.„Wel zeker zal ik,” antwoordt deze: „en waarom zou ik niet?”„Wel!” herneemt zij: „mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren Staten is geweest?”„Nu, nu!” merkt De Wees aan, met een glimlach: „Maria was de grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot.”„Ik kan er niet mee schertsen,” herneemt Maaike: „je weet beter dan ik, dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en zijne Puriteinen te vriend te houden:—wat schande genoeg is.”„Welnu,” zegt De Wees: „is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij neme van het verdrukte Koningschap en van ’t ware geloof, en is het mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?”Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort, waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat, terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.„Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden,” hervat Maaike: „en al zet hij geen pen meer op ’t papier, niemand zal hem ten laste leggen, dat hij traag geweest is in ’t vervullen van zijne taak;—maar ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot meer kwaad dan goed aan de zaak:—hij loopt waarlijk al genoeg in den kijker: en ’t zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water, totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in.”„Nu!” zegt De Wees: „ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb zelfs zijn „Grotius Testament” niet willen drukken. ’t Boek ziet er dan ook nu netjes uit!” voegt hij er bij, met een glimlach van verachtend medelijden.„Och kom!” zegt Maaike: „vertel mij daar niets van: zoo je ’t nietgedrukthebt, vadertje! ’t is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.—Ik kan maar niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege gegeven voor ’t drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt, dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven.”„Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend Joost wel niet verleenen;—maar we zullen er ook niet om vragen. De Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt „te Keulen, in de nieuwe Druckerye,” en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken; maar, voor de verandering „in d’ oude Druckerye.” Ik heb dat al met hem beklonken.”„Alsof het er iets toe deed,” hervat zijne vrouw, „of je naam al dan niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten: en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam bij u gedrukt wordt. Doch ’t helpt niet of ik er verder over spreek: ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft, en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, ’t zou me hard verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk.”„Van den Vondel heeft mijn woord,” zegt De Wees, die wel beseft, dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden dooddoener, die voor ’t overige het punt van geschil in ’t midden, en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het, dat in soortgelijke—ja ik durf zeggen in alle—omstandigheden van gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles heen dringenden blik, die den man ontbreekt.—En ook deze reis bleek het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria Stuart kwam in ’t licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter werd voor ’t gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig gulden verwezen.—Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze, niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed te keuren, en zelfs—wat sterker is—hem niet te herinneren, „dat zij toch gelijk had gehad.” Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans, diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig als hij ’t geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en, door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, ’s dichters naam en die van De Wees aan elkander verknocht.In den Zonnewijzer.—In de vierighe Colom.—In de witte Persse.Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve; vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling gemaakt en beschreven heeft7. Hij heeft alles goed gezien en niet minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg, ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbrachtheeft, de mijne niet begonnen zijn. ’t Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en, ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in ’t algemeen, als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant, vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar ruischen ons de welluidende tonen in ’t oor dertaal van lust en weelde,Die ’t stug latijn in dartele ontucht teelde,Die als de kus op malsche lippen smeltEn harten boeit met liefdes algeweld:ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;—daar, aan den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden, die bij elk der vier volken ’t zelfde gespeld worden, bij elk van hen op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu, de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben, en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche klanken, die daar in ’t voorbijgaan onze ooren treffen. Is ’t Arabisch,Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? ’t Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees—met zijne groote, koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid—den in ’t bont gedosten Muscoviet—met zijn stompen neus en wegschuilende oogjes—tegen ’t lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in ’t habijt van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen, maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum—voor zooverre het geen militairen betreft—te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander, woon te Archangel of te Sevilië, rijd door hetBois de Boulognenaast de eleganteloretteof zwierigstecoupéof voer op een kruiwagen een kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op ’t hoofd, een effen lakensch pak met lapellen en slippen aan ’t lijf, een strop om den hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:—op straffe van, zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.—En dan zal men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.Dan ’t wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie—’t moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in ’t belang van handel en zeevaart is aangelegd; maar ’t krielt hier van boekwinkels:—wel een sprekend bewijs, dat hier,—bij stoffelijke welvaart—ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel, boven welks top eenzonnewijzerprijkt. In ’t benedenhuis kunt gij u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen; maar toch zijn ’t werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen,die dat vak beoefenen, al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en beroemd, en de waar, die men er verkoopt—al is zij meestal vrij duur—onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven, waar hij ’t op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen, wellicht op bank of rif te stranden, door ’t gemis van een zee-atlas van Blaeu?Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den zonnewijzer boven ’t huis vindt gij op de titelbladen der werken, die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden „aen Schepensbank zitten;” want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen, ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest, vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en heeft, in één woord, de zorg over ’t dagelijksch beheer. Joan is het hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam, of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen aanleg en liefhebberij.Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in ’t jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet, deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in ’t licht te geven: zijne voornaamste werken, het „Graadboek” en het „Licht der Zeevaart,” beide aan de toenmalige eischen der wetenschap beantwoordende, moesten wel meterkentelijkheid ontvangen worden in een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te danken had. Die werken werdenpopulairen hun maker niet minder. Geen schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door ’s Lands Staten genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich ’s mans naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien persoonlijke verplichting. Zijne „Begroetenis aan Frederik Hendrik,” zijne „Geboorteklock voor Willem van Nassau,” zijn „Zegesang op den Bosch,” zijn „Gysbreght van Aemstel” zijn op de keurige pers van Blaeu gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige, soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis Blaeu loopt eenblauwescheen: de dichter is straks in de weer, om hem, met boertend rijm en met de belofte van eenblauwekous uit zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het beroep van den vrijer, als op dat van ’s vrijsters vader. Joan Blaeu trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk en zinrijk grafschrift:Hier leght Maria, snel verdort.De tijt der schoonste bloem is kort.Thans—men herinnere zich, dat wij ’t jaar 1664 schrijven—zijn er achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft, is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en, eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar zijne firma ’t Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier aan ’t werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken: de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan deGrieksche letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem, grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk—en het ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden—wordt gebezigd tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding, geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te leeren kennen, zal immer deAtlas Blavianaeen welkome wegwijzer zijn8. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen, wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken, de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt: geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen, en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in ’t eerst een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk, dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut, ’t welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is, verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het voorrecht, den dichters wel verleend, of—wil men—van het gebrek, dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven, toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:De waereld is wel schoon, en waerdigh om t’ aenschouwen:Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:De mylen recken staegh: de landen strecken veer.Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,Die staen in ’t harrenas en trecken hun geweer;De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nestEn brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,Op ’t ongebaende padt: dan is ’t vergeefs te wenschenNaar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêrenSoo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen9.Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem, dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op dien dag kon aanwijzen.Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den 22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en platen verteerde, en de schade op niet minder dan ƒ 382,000 begroot werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden, niet gering was het aantal derzulken, die—tot het slag van lieden behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt—in dat ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode misbruik, ’t welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en Misboeken voor de Roomschen te drukken!Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij stierf op den 28sten December 1673.—De zes-en-tachtigjarige Vondel herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn ent?De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel der Blaeuen aan den voorbijganger in ’t geheugen terugriep, nog altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs, een steen in den gevel met het opschrift: „de vierighe colom,” het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in ’t vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels treurspelen tellen: „Hierusalem verwoest,” „de Amsterdamsche Hecuba” en „Palamedes” benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes, door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver, was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in ’t laatst der zestiende eeuw geboren, had hij zich in ’t begin der volgende als boekdrukker te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water, daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eenewitte persin den gevel prijkte. Van dit werktuig, ’t welk niet alleen van buiten tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en, als zinspreuk, den letterkeer van dien naam,ick strii op sno eerde, welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen ’t welk de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het titelblad dit zinnebeeld, ’t welk in de vroegere in een eenvoudig ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd, en twee genieën tottenantsheeft, met het onderschrift:Durate.Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder dien van Pers, in ’t licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz.10Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt, door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voorte stellen. Hij is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen, die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men ’t niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan detemperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever, of—juister uitgedrukt—korenbrandewijn, te buiten gaan).Men ziet, dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.Wij tellen ’t jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor, op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al is noch hij noch zijn gezin in ’t Zondagspak gedost, hunne plunje is toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder: zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de „Gulde Winckel” en de „Warande der Dieren,” met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts, waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding laten maken. Hij wil die in ’t koper doen brengen; maar nu moet er een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten, ’s mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel, Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,Al ’t oov’rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal de bode een weigerend antwoord brengen?—Neen, de poëet was altijd in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven, dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:—het antwoord is ongetwijfeld gunstig.—„De gebiedenis van Sinjeur Vondel,” zegt de jongen, terwijl hij, voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt: „en UEd. had maar te kiezen.”—„Hij zendt mij keuze, Brecht!” roept Pers verheugd uit, terwijlde knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het achterhuis te geraken.Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: „Twee bijschriften in plaats van een!”—En terwijl vrouw en kinderen de hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet te machtig zij, begint hij te lezen:Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....—„Ik ben nieuwsgierig wat hij opwinckelszal doen rijmen,” zegt Anna, de oudste dochter.—„Wel:kinckels,” zegt haar broeder Pieter.—„Stil kinderen! valt vader niet in de rede,” zegt hunne moeder, en Pers hervat:Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckelsEn kleed in ’t parkament de beenen noch de schinckelsMaer ’t breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....—„Hij alleen kan toch zoo iets vinden!” roept Pers uit, met lezen ophoudende.—„Ik versta ’t niet recht,” zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.—„Wel Moeder! ’t is dunkt mij vrij duidelijk,” hervat Pieter: „met hetvernuftigh volckbedoelt de dichter de drukkers, die hunne winkels volproppen met boeken, en die niet debeenenenschinckels, dat is hetlichaam—maar wel hetbrein, d. i. de denkbeelden, van hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)kleedenmetparkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven.”—„Ei! ei!” zegt Moeder.Pers vervolgt:Komt en sietPerssiusuw glori, hoogh geseten,Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld, dat Vondel hem nog steeds denroemder boekverkoopers achtte:Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat Vondel hem in het koor, en nog welmiddenin het koor der dichters plaatsen zou.Met ’t drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur gezicht. „Hm!” zegt Pers, „wat gaat het den lieden aan, of ik geld verdiene of niet?”—„Wel!” merkt zijn oudste dochter aan: „’t is toch altijd iets vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot het debiet van vaders werken is.”—„Nu ja!” hervat Pers: „dat kan wel zijn; maar toch.... datgeld samen hoopenen dat nog wel metmijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij moet aanmerken.—„En nu het andere bijschrift?” zegt Pieter.Pers leest:Ghy burgers en ghy vremden,Dit ’sPerssiusvan Embden.Sijn beeld naPhebusswijmt,’t Sij dat hij dicht of rijmt,Die sijn boecken, en prentenOp ’t dierste weet te venten.Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.—„Joost heeft mij beet gehad,” zegt eindelijk de boekverkooper, terwijl hij het papier bij zich steekt, „en het mij ingepeperd, dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk.”Het portret kwam—zonder bijschrift—in ’t licht.

Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een sprong doende—deze reis van ruim eene halve eeuw—bevinden wij ons voor eene andere burgerwoning, die eenputin den gevel voert. Vrees echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe met dien op „’t Nieu en Vermakelijk Gansebort”, en dat ik er u in zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; dezeput—of liever het huis, dat er zijn naam naar draagt—wordt wel druk bezocht, maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig heeft. Dieputis een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan ook, evenals het huis, met eenputop hun voorgevel of titelblad. Die werken—althans vele van hen—hebben het huis overleefd en ook heden ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd, en die daarin geen „putjes-edities” heeft staan.... doch ik zou bijna vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden, maar in de zeventiende, en dat wij de boeken,waar ik van sprak, niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.

Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man, wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver, gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van ’t drukken loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou: of liever—want men heeft allerlei slag van koopers—niets, dat lieden van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen, is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. „Niet iedereen mag het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken,” zegt het oude Latijnsche spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht, dat de voortbrengselen van zijnen geest—of liever van zijne pen—op de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten, die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren kinderen ter markt brengen;—bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter, wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan, dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die ’t bekomt, al dadelijk—op goed geloof af—bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.

Heden—ik mag hier in ’t voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat wij ’t jaar 1646 schrijven—heeft De Wees juist uitgeleide gedaan aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest staat aangeschreven. ’t Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, ’t is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij ’t naslaan der moeite waardig acht, in „Johanna Vossius” vinden, waar ik den man een tiental jaren jonger—of in „Een bedrukte vader,” waarin ik hem een tiental jaren ouder—dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift, dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich, tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer en zegt met een blijmoedig gelaat:

„Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om te drukken.”

„Ei zoo, vader!” zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk opslaande: „en wat is de titel?”

„Maria Stuart,” antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft doen verkrijgen.

„Maria Stuart!” herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet zonder bezorgdheid is.

„Ja,—en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier bij haalt:—luister maar eens”—en den vinger brengende aan eene der plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had, leest hij overluid:

„Ontfangt dees bron der marteladerenGhy Engelen, nu treetHaar tegen: zij vergeetHaar volck en vaders huis,Gesproten uit Ferguis,Dien ouden stam, en hondert vaderen;Al koningen, van Godt geschapenTen scepter, ingewijtIn ’t aenzicht van den Nijt,Gezalft van eeuw tot eeuw.O roode koningsleeuwIn ’t gouden velt van ’t Schotsche wapen,Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,Hoe ziet men haar zoo tamVeranderen in een lam,Sneeuwit van vacht en vloek,Verscheuren door den wrockDer Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.

„Ontfangt dees bron der marteladeren

Ghy Engelen, nu treet

Haar tegen: zij vergeet

Haar volck en vaders huis,

Gesproten uit Ferguis,

Dien ouden stam, en hondert vaderen;

Al koningen, van Godt geschapen

Ten scepter, ingewijt

In ’t aenzicht van den Nijt,

Gezalft van eeuw tot eeuw.

O roode koningsleeuw

In ’t gouden velt van ’t Schotsche wapen,

Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,

Hoe ziet men haar zoo tam

Veranderen in een lam,

Sneeuwit van vacht en vloek,

Verscheuren door den wrock

Der Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.

„Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!” vervolgt De Wees, in verrukking: „en hoe weet de man voor elke rei telkens eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk hij verdiende.”

„Heel mooi, heel mooi,” zegt Maaike, wier gelaat intusschen zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: „maar die „Luipaerdinne,” daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee bedoeld worden?”

„Ja, gewis, en zie eens—hier noemt hij haar voluit, zonder eenige toespeling:”—en wederom leest hij:

„Marie, uit Jesses stam geboren,En tot een rijcker kroon gekoren,Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,Marie in ootmoet hoogh verheven,Van vreught en blyschap aengedreven,Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.Elizabeth, tot Godt genegen,Schiet op en vlieght Marie tegen,Omhelst en kust die groote Nicht,Aenschouw dit hartelijck verlangen,Hoe ze in elkanders armen hangen,Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.Marie, uit Stuarts stam geboren,En tot een rijcker kroon gekorenDan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,Marie, in rampspoet hoogh verheven,In druck en ballingschap gedreven,Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.Elizabeth, tot wraeck genegen,Blijft pratten, zent heur wachters tegen,En vangt en spant die groote Nicht;Zy laetse twintigh jaer verlangenEn tusschen hoop en doodschrick hangen:Want staetzucht past op bloet noch plicht.”

„Marie, uit Jesses stam geboren,En tot een rijcker kroon gekoren,Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,Marie in ootmoet hoogh verheven,Van vreught en blyschap aengedreven,Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.Elizabeth, tot Godt genegen,Schiet op en vlieght Marie tegen,Omhelst en kust die groote Nicht,Aenschouw dit hartelijck verlangen,Hoe ze in elkanders armen hangen,Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.

„Marie, uit Jesses stam geboren,

En tot een rijcker kroon gekoren,

Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,

Marie in ootmoet hoogh verheven,

Van vreught en blyschap aengedreven,

Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.

Elizabeth, tot Godt genegen,

Schiet op en vlieght Marie tegen,

Omhelst en kust die groote Nicht,

Aenschouw dit hartelijck verlangen,

Hoe ze in elkanders armen hangen,

Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.

Marie, uit Stuarts stam geboren,En tot een rijcker kroon gekorenDan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,Marie, in rampspoet hoogh verheven,In druck en ballingschap gedreven,Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.Elizabeth, tot wraeck genegen,Blijft pratten, zent heur wachters tegen,En vangt en spant die groote Nicht;Zy laetse twintigh jaer verlangenEn tusschen hoop en doodschrick hangen:Want staetzucht past op bloet noch plicht.”

Marie, uit Stuarts stam geboren,

En tot een rijcker kroon gekoren

Dan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,

Marie, in rampspoet hoogh verheven,

In druck en ballingschap gedreven,

Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.

Elizabeth, tot wraeck genegen,

Blijft pratten, zent heur wachters tegen,

En vangt en spant die groote Nicht;

Zy laetse twintigh jaer verlangen

En tusschen hoop en doodschrick hangen:

Want staetzucht past op bloet noch plicht.”

Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich op de tafel leggende: „En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven, vader?” vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.

„Wel zeker zal ik,” antwoordt deze: „en waarom zou ik niet?”

„Wel!” herneemt zij: „mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren Staten is geweest?”

„Nu, nu!” merkt De Wees aan, met een glimlach: „Maria was de grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot.”

„Ik kan er niet mee schertsen,” herneemt Maaike: „je weet beter dan ik, dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en zijne Puriteinen te vriend te houden:—wat schande genoeg is.”

„Welnu,” zegt De Wees: „is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij neme van het verdrukte Koningschap en van ’t ware geloof, en is het mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?”

Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort, waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat, terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.

„Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden,” hervat Maaike: „en al zet hij geen pen meer op ’t papier, niemand zal hem ten laste leggen, dat hij traag geweest is in ’t vervullen van zijne taak;—maar ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot meer kwaad dan goed aan de zaak:—hij loopt waarlijk al genoeg in den kijker: en ’t zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water, totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in.”

„Nu!” zegt De Wees: „ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb zelfs zijn „Grotius Testament” niet willen drukken. ’t Boek ziet er dan ook nu netjes uit!” voegt hij er bij, met een glimlach van verachtend medelijden.

„Och kom!” zegt Maaike: „vertel mij daar niets van: zoo je ’t nietgedrukthebt, vadertje! ’t is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.—Ik kan maar niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege gegeven voor ’t drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt, dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven.”

„Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend Joost wel niet verleenen;—maar we zullen er ook niet om vragen. De Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt „te Keulen, in de nieuwe Druckerye,” en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken; maar, voor de verandering „in d’ oude Druckerye.” Ik heb dat al met hem beklonken.”

„Alsof het er iets toe deed,” hervat zijne vrouw, „of je naam al dan niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten: en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam bij u gedrukt wordt. Doch ’t helpt niet of ik er verder over spreek: ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft, en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, ’t zou me hard verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk.”

„Van den Vondel heeft mijn woord,” zegt De Wees, die wel beseft, dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden dooddoener, die voor ’t overige het punt van geschil in ’t midden, en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.

Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het, dat in soortgelijke—ja ik durf zeggen in alle—omstandigheden van gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles heen dringenden blik, die den man ontbreekt.—En ook deze reis bleek het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria Stuart kwam in ’t licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter werd voor ’t gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig gulden verwezen.—Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze, niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed te keuren, en zelfs—wat sterker is—hem niet te herinneren, „dat zij toch gelijk had gehad.” Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans, diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig als hij ’t geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en, door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, ’s dichters naam en die van De Wees aan elkander verknocht.

In den Zonnewijzer.—In de vierighe Colom.—In de witte Persse.

Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve; vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling gemaakt en beschreven heeft7. Hij heeft alles goed gezien en niet minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg, ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbrachtheeft, de mijne niet begonnen zijn. ’t Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en, ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in ’t algemeen, als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant, vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.

Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar ruischen ons de welluidende tonen in ’t oor der

taal van lust en weelde,Die ’t stug latijn in dartele ontucht teelde,Die als de kus op malsche lippen smeltEn harten boeit met liefdes algeweld:

taal van lust en weelde,

Die ’t stug latijn in dartele ontucht teelde,

Die als de kus op malsche lippen smelt

En harten boeit met liefdes algeweld:

ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;—daar, aan den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden, die bij elk der vier volken ’t zelfde gespeld worden, bij elk van hen op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu, de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben, en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche klanken, die daar in ’t voorbijgaan onze ooren treffen. Is ’t Arabisch,Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? ’t Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees—met zijne groote, koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid—den in ’t bont gedosten Muscoviet—met zijn stompen neus en wegschuilende oogjes—tegen ’t lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in ’t habijt van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen, maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum—voor zooverre het geen militairen betreft—te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander, woon te Archangel of te Sevilië, rijd door hetBois de Boulognenaast de eleganteloretteof zwierigstecoupéof voer op een kruiwagen een kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op ’t hoofd, een effen lakensch pak met lapellen en slippen aan ’t lijf, een strop om den hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:—op straffe van, zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.—En dan zal men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.

Dan ’t wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie—’t moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in ’t belang van handel en zeevaart is aangelegd; maar ’t krielt hier van boekwinkels:—wel een sprekend bewijs, dat hier,—bij stoffelijke welvaart—ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel, boven welks top eenzonnewijzerprijkt. In ’t benedenhuis kunt gij u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen; maar toch zijn ’t werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen,die dat vak beoefenen, al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en beroemd, en de waar, die men er verkoopt—al is zij meestal vrij duur—onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven, waar hij ’t op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen, wellicht op bank of rif te stranden, door ’t gemis van een zee-atlas van Blaeu?

Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den zonnewijzer boven ’t huis vindt gij op de titelbladen der werken, die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden „aen Schepensbank zitten;” want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen, ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest, vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en heeft, in één woord, de zorg over ’t dagelijksch beheer. Joan is het hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam, of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen aanleg en liefhebberij.

Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in ’t jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet, deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in ’t licht te geven: zijne voornaamste werken, het „Graadboek” en het „Licht der Zeevaart,” beide aan de toenmalige eischen der wetenschap beantwoordende, moesten wel meterkentelijkheid ontvangen worden in een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te danken had. Die werken werdenpopulairen hun maker niet minder. Geen schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door ’s Lands Staten genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich ’s mans naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien persoonlijke verplichting. Zijne „Begroetenis aan Frederik Hendrik,” zijne „Geboorteklock voor Willem van Nassau,” zijn „Zegesang op den Bosch,” zijn „Gysbreght van Aemstel” zijn op de keurige pers van Blaeu gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige, soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis Blaeu loopt eenblauwescheen: de dichter is straks in de weer, om hem, met boertend rijm en met de belofte van eenblauwekous uit zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het beroep van den vrijer, als op dat van ’s vrijsters vader. Joan Blaeu trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk en zinrijk grafschrift:

Hier leght Maria, snel verdort.De tijt der schoonste bloem is kort.

Hier leght Maria, snel verdort.

De tijt der schoonste bloem is kort.

Thans—men herinnere zich, dat wij ’t jaar 1664 schrijven—zijn er achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft, is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en, eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar zijne firma ’t Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier aan ’t werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken: de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan deGrieksche letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem, grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk—en het ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden—wordt gebezigd tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.

Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding, geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te leeren kennen, zal immer deAtlas Blavianaeen welkome wegwijzer zijn8. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen, wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken, de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt: geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen, en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in ’t eerst een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk, dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut, ’t welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is, verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het voorrecht, den dichters wel verleend, of—wil men—van het gebrek, dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven, toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:

De waereld is wel schoon, en waerdigh om t’ aenschouwen:Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:De mylen recken staegh: de landen strecken veer.Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,Die staen in ’t harrenas en trecken hun geweer;De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nestEn brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,Op ’t ongebaende padt: dan is ’t vergeefs te wenschenNaar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêrenSoo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen9.

De waereld is wel schoon, en waerdigh om t’ aenschouwen:

Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:

Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:

De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:

De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:

De mylen recken staegh: de landen strecken veer.

Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,

Die staen in ’t harrenas en trecken hun geweer;

De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:

De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:

Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,

Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nest

En brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:

Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,

Op ’t ongebaende padt: dan is ’t vergeefs te wenschen

Naar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.

O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,

En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,

Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêren

Soo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen9.

Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem, dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op dien dag kon aanwijzen.

Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den 22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en platen verteerde, en de schade op niet minder dan ƒ 382,000 begroot werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden, niet gering was het aantal derzulken, die—tot het slag van lieden behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt—in dat ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode misbruik, ’t welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en Misboeken voor de Roomschen te drukken!

Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij stierf op den 28sten December 1673.—De zes-en-tachtigjarige Vondel herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn ent?De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,

Al ’t aertrijk door bekent,

Hoe quam hy aan zijn ent?

De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.

Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel der Blaeuen aan den voorbijganger in ’t geheugen terugriep, nog altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs, een steen in den gevel met het opschrift: „de vierighe colom,” het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in ’t vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels treurspelen tellen: „Hierusalem verwoest,” „de Amsterdamsche Hecuba” en „Palamedes” benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes, door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.

Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver, was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in ’t laatst der zestiende eeuw geboren, had hij zich in ’t begin der volgende als boekdrukker te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water, daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eenewitte persin den gevel prijkte. Van dit werktuig, ’t welk niet alleen van buiten tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en, als zinspreuk, den letterkeer van dien naam,ick strii op sno eerde, welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen ’t welk de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het titelblad dit zinnebeeld, ’t welk in de vroegere in een eenvoudig ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd, en twee genieën tottenantsheeft, met het onderschrift:Durate.

Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder dien van Pers, in ’t licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz.10Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt, door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voorte stellen. Hij is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen, die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men ’t niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan detemperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever, of—juister uitgedrukt—korenbrandewijn, te buiten gaan).Men ziet, dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.

Wij tellen ’t jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor, op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al is noch hij noch zijn gezin in ’t Zondagspak gedost, hunne plunje is toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder: zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de „Gulde Winckel” en de „Warande der Dieren,” met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts, waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding laten maken. Hij wil die in ’t koper doen brengen; maar nu moet er een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten, ’s mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel, Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,

Al ’t oov’rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.

Al ’t oov’rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.

Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal de bode een weigerend antwoord brengen?—Neen, de poëet was altijd in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven, dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:—het antwoord is ongetwijfeld gunstig.

—„De gebiedenis van Sinjeur Vondel,” zegt de jongen, terwijl hij, voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt: „en UEd. had maar te kiezen.”

—„Hij zendt mij keuze, Brecht!” roept Pers verheugd uit, terwijlde knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het achterhuis te geraken.

Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: „Twee bijschriften in plaats van een!”—En terwijl vrouw en kinderen de hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet te machtig zij, begint hij te lezen:

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....

—„Ik ben nieuwsgierig wat hij opwinckelszal doen rijmen,” zegt Anna, de oudste dochter.

—„Wel:kinckels,” zegt haar broeder Pieter.

—„Stil kinderen! valt vader niet in de rede,” zegt hunne moeder, en Pers hervat:

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckelsEn kleed in ’t parkament de beenen noch de schinckelsMaer ’t breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels

En kleed in ’t parkament de beenen noch de schinckels

Maer ’t breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....

—„Hij alleen kan toch zoo iets vinden!” roept Pers uit, met lezen ophoudende.

—„Ik versta ’t niet recht,” zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.

—„Wel Moeder! ’t is dunkt mij vrij duidelijk,” hervat Pieter: „met hetvernuftigh volckbedoelt de dichter de drukkers, die hunne winkels volproppen met boeken, en die niet debeenenenschinckels, dat is hetlichaam—maar wel hetbrein, d. i. de denkbeelden, van hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)kleedenmetparkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven.”

—„Ei! ei!” zegt Moeder.

Pers vervolgt:

Komt en sietPerssiusuw glori, hoogh geseten,

Komt en sietPerssiusuw glori, hoogh geseten,

Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld, dat Vondel hem nog steeds denroemder boekverkoopers achtte:

Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....

Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....

Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat Vondel hem in het koor, en nog welmiddenin het koor der dichters plaatsen zou.

Met ’t drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.

Met ’t drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.

Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur gezicht. „Hm!” zegt Pers, „wat gaat het den lieden aan, of ik geld verdiene of niet?”

—„Wel!” merkt zijn oudste dochter aan: „’t is toch altijd iets vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot het debiet van vaders werken is.”

—„Nu ja!” hervat Pers: „dat kan wel zijn; maar toch.... datgeld samen hoopenen dat nog wel metmijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij moet aanmerken.

—„En nu het andere bijschrift?” zegt Pieter.

Pers leest:

Ghy burgers en ghy vremden,Dit ’sPerssiusvan Embden.Sijn beeld naPhebusswijmt,’t Sij dat hij dicht of rijmt,Die sijn boecken, en prentenOp ’t dierste weet te venten.

Ghy burgers en ghy vremden,

Dit ’sPerssiusvan Embden.

Sijn beeld naPhebusswijmt,

’t Sij dat hij dicht of rijmt,

Die sijn boecken, en prenten

Op ’t dierste weet te venten.

Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.

—„Joost heeft mij beet gehad,” zegt eindelijk de boekverkooper, terwijl hij het papier bij zich steekt, „en het mij ingepeperd, dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk.”

Het portret kwam—zonder bijschrift—in ’t licht.

In de gouden Reael.Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai verguldenreaalzien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in ’t voorbijgaan een blik in de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel, midden in ’t vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten, bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens, doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft, hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde, een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn de oogen des beeldschoonenjongelings, die aan zijne linkerzijde is gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit was onder anderen gebleken uit zijne weigering om ’t verbond der Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden, door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich, in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens spijker of pakhuis „’t Nieuw Jeruzalem.” op de Oude-Zijdskolk, de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in ’t Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert hij naar ’t uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem ’t haar sluik op ’t hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus, een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig gelaat, strekken niet, om ’s mans schoonheid te verhoogen; maar toch kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt, maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke trekken iets bevalligs bijzet.Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde eene som van omtrent ƒ 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur, reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn, om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch ishij het voorstaan daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de Vlaming Pieter Gabriël, die ’t eerst, en wel in de Engelsche steeg den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant, Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon, den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond, door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in ’t open veld gehouden: inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan, door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven, gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden, den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte, pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak te komen verlichten en had hun in ’t Leprozen kerkje doen prediken, ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken, en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst stuitte: ja hij was bijna ’t slachtoffer geweest van zijne zucht, om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de plundering van ’t Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde „Orde”), op 30 September 1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij Prins Willem te ’s-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen en die de uitwijking, nietalleen van Brederode, maar zelfs van Oranje hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen, die, om ’t geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen, die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.—„Wat nieuws?” vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon Kromhout: „zeker weinig, dat voordeel geeft.”—„Bevestigt het zich?” vraagt Roodenburg, „dat de Prins van Oranje het land voorgoed verlaten heeft?”—„Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,” antwoordt Reael met een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate men die minder van hem gewoon is.—„En”—herneemt Kromhout, „dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan ’t hoofd?”—„Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van Valencijn!” roept Frank De Wael uit.—„Noircarmes, den beul van Valencijn,” zegt Reael, bevestigend.—„De tijding is zeker,” voegt Pauw er bij: „mijn vader, en”—hier wijst hij op Roodenburg, „ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij de stad van bezetting verschoone.”—„Uw beider vaders!” roept Kromhout: „maar dat is immers blijkbaar een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?”—„En niet zonder reden gewis,” zegt Reael, „heeft Buick hen tot zijne medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund worden.—Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen gemoeid is geweest.—Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg, namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den weg te maken, tot de bui ware overgewaaid.”—„En wat was uw antwoord?” vragen allen als uit éénen mond.—„Ik heb,” herneemt Reael, „mij willen vergewissen, in hoeverre die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.—Ik heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel, verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde, dat Burgemeesteren thans te veel overkroptwaren met bezigheden, om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men ’t stuk mij zou nazenden, indien ik de plaats mijner bestemming opgaf.”—„En wat is thans uw voornemen?” vraagt Kromhout.—„Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal staan,—achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen.”—„Ik denk er over als gij,” zegt Kromhout: „en uw gedrag zal het mijne bepalen.”—„Met mij,” zegt Pauw: „is het een bijzonder geval, en, wat er gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:—ik mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst verbeiden.”—„Ik,” zegt Harmansz., „zie evenmin kans, mij te verwijderen, en mijne zaken in den steek te laten.—Wat mijn leven betreft, het is in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier.”——„Wat mij betreft,” zegt De Wael, „ik volg Laurens Jakobsz.: blijft hij, zoo blijf ik ook: acht hij ’t raadzaam te vertrekken, zoo pak ik mijn boeltje.”——„En Reinier Kant?” vraagt Kromhout: „hij zou immers hier komen. Laat hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling en elken voorslag?”—„Ook mij ontrust zijn uitblijven,” antwoordt Reael: „wat brengt Stijntje?”Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.—„Wordt er antwoord gewacht?” vraagt Reael.—„Neen meester! de jongen, die ’t bracht, heeft zich terstond weer verwijderd,” antwoordt Stijntje.—”’t Is wel! laat ons alleen,” herneemt Reael, „van Kant!” vervolgt hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: „zou hij verhinderd zijn?—Maar wat is dat?”—„Is hem iets overkomen?” vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur op ’t gelaat van zijn vriend, nu deze ’t briefje geopend heeft, onder ’t lezen verschiet.—„Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.—Kant.—Ziedaar den geheelen inhoud van ’t briefje,” zegt Reael.—„Heeft Kant gevaar geroken?” roept Kromhout: „is Kant heengegaan, zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij alle hoop wel opgeven.”—„Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,” zegt Reael: „het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften, in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of minaanzienlijke der bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of te verwachten hebben.”Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift heeft gebracht.—„Het is de weduwe, die haar penninksken offert!”—fluistert Reael Kromhout in. „God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven hebben, gelijk zij van hare armoede.”Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van ’t hoofd nemen, en haar eerbiedig groeten.—„En nu,” zegt Reael: „de kist onderzocht. De vrienden hebben, zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?”Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag, Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist worden geopend en het deksel afgelicht.—Bij den eersten blik, daar binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een trek van teleurstelling.—„Er is niet veel goud bij,” zegt Roodenburg.—„De benoodigde ƒ 11,000 zijn er althans niet,” merkt Harmansz. aan.Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is ƒ 747–8 stuivers en 6 penningen.—„En nu,” zegt Reael,„hebikalthans geen verder bewijs noodig, dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze uittarting van ’t gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des Heeren?—Met dezulken is niets voor ’t oogenblik aan te vangen: en wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.—Vrienden! mijn boeier ligt aan de kaai.—Ik ga heden avond onder zeil naar Medemblik. Wie vergezelt mij?”—„Gaat uwe vrouw mee?” vraagt Kromhout.—„Zij zal bij hare moeder blijven,” antwoordt Reael, „die devoot Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij zal kunnen voegen.”—„Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken,” zegt Kromhout: „al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op aarde hebben.”—„Zij zal mij welkom zijn,” zegt Reael.—„En nu de gelden?” vraagt Pauw.—„Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon,” antwoordt Reael, „die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor bekomen heeft.—Of weet iemand er een beter gebruik voor?—Niet?—Wel, dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t’ avond?”—„Ik zal er zijn,” zegt De Wael.En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen: bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken, om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen, toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam, om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood eene deugd makende,vondenzij eene oude krabbeschuit, die wel een halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas waren zij in ’t gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd en overweldigd door een oorlogsvaartuig, ’t welk de Stadhouder van Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar ’t Wad, den Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren, en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20stenMei behouden te Embden aankwamen.Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde, hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door dien omkeer aan ’t hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog verdonkerd werd door dien van zijndoorluchtigen zoon, dat alles is te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.

Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai verguldenreaalzien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in ’t voorbijgaan een blik in de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel, midden in ’t vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten, bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens, doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft, hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde, een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn de oogen des beeldschoonenjongelings, die aan zijne linkerzijde is gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit was onder anderen gebleken uit zijne weigering om ’t verbond der Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden, door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich, in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens spijker of pakhuis „’t Nieuw Jeruzalem.” op de Oude-Zijdskolk, de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in ’t Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert hij naar ’t uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem ’t haar sluik op ’t hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus, een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig gelaat, strekken niet, om ’s mans schoonheid te verhoogen; maar toch kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt, maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke trekken iets bevalligs bijzet.

Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde eene som van omtrent ƒ 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur, reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.

Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn, om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch ishij het voorstaan daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de Vlaming Pieter Gabriël, die ’t eerst, en wel in de Engelsche steeg den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant, Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon, den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond, door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in ’t open veld gehouden: inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan, door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.

Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven, gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden, den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte, pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak te komen verlichten en had hun in ’t Leprozen kerkje doen prediken, ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken, en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst stuitte: ja hij was bijna ’t slachtoffer geweest van zijne zucht, om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de plundering van ’t Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde „Orde”), op 30 September 1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij Prins Willem te ’s-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen en die de uitwijking, nietalleen van Brederode, maar zelfs van Oranje hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen, die, om ’t geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen, die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.

—„Wat nieuws?” vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon Kromhout: „zeker weinig, dat voordeel geeft.”

—„Bevestigt het zich?” vraagt Roodenburg, „dat de Prins van Oranje het land voorgoed verlaten heeft?”

—„Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,” antwoordt Reael met een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate men die minder van hem gewoon is.

—„En”—herneemt Kromhout, „dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan ’t hoofd?”

—„Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van Valencijn!” roept Frank De Wael uit.

—„Noircarmes, den beul van Valencijn,” zegt Reael, bevestigend.

—„De tijding is zeker,” voegt Pauw er bij: „mijn vader, en”—hier wijst hij op Roodenburg, „ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij de stad van bezetting verschoone.”

—„Uw beider vaders!” roept Kromhout: „maar dat is immers blijkbaar een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?”

—„En niet zonder reden gewis,” zegt Reael, „heeft Buick hen tot zijne medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund worden.—Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen gemoeid is geweest.—Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg, namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den weg te maken, tot de bui ware overgewaaid.”

—„En wat was uw antwoord?” vragen allen als uit éénen mond.

—„Ik heb,” herneemt Reael, „mij willen vergewissen, in hoeverre die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.—Ik heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel, verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde, dat Burgemeesteren thans te veel overkroptwaren met bezigheden, om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men ’t stuk mij zou nazenden, indien ik de plaats mijner bestemming opgaf.”

—„En wat is thans uw voornemen?” vraagt Kromhout.

—„Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal staan,—achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen.”

—„Ik denk er over als gij,” zegt Kromhout: „en uw gedrag zal het mijne bepalen.”

—„Met mij,” zegt Pauw: „is het een bijzonder geval, en, wat er gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:—ik mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst verbeiden.”

—„Ik,” zegt Harmansz., „zie evenmin kans, mij te verwijderen, en mijne zaken in den steek te laten.—Wat mijn leven betreft, het is in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier.”—

—„Wat mij betreft,” zegt De Wael, „ik volg Laurens Jakobsz.: blijft hij, zoo blijf ik ook: acht hij ’t raadzaam te vertrekken, zoo pak ik mijn boeltje.”—

—„En Reinier Kant?” vraagt Kromhout: „hij zou immers hier komen. Laat hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling en elken voorslag?”

—„Ook mij ontrust zijn uitblijven,” antwoordt Reael: „wat brengt Stijntje?”

Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.

—„Wordt er antwoord gewacht?” vraagt Reael.

—„Neen meester! de jongen, die ’t bracht, heeft zich terstond weer verwijderd,” antwoordt Stijntje.

—”’t Is wel! laat ons alleen,” herneemt Reael, „van Kant!” vervolgt hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: „zou hij verhinderd zijn?—Maar wat is dat?”

—„Is hem iets overkomen?” vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur op ’t gelaat van zijn vriend, nu deze ’t briefje geopend heeft, onder ’t lezen verschiet.

—„Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.—Kant.—Ziedaar den geheelen inhoud van ’t briefje,” zegt Reael.

—„Heeft Kant gevaar geroken?” roept Kromhout: „is Kant heengegaan, zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij alle hoop wel opgeven.”

—„Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,” zegt Reael: „het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften, in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of minaanzienlijke der bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of te verwachten hebben.”

Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift heeft gebracht.

—„Het is de weduwe, die haar penninksken offert!”—fluistert Reael Kromhout in. „God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven hebben, gelijk zij van hare armoede.”

Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van ’t hoofd nemen, en haar eerbiedig groeten.

—„En nu,” zegt Reael: „de kist onderzocht. De vrienden hebben, zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?”

Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag, Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist worden geopend en het deksel afgelicht.—Bij den eersten blik, daar binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een trek van teleurstelling.

—„Er is niet veel goud bij,” zegt Roodenburg.

—„De benoodigde ƒ 11,000 zijn er althans niet,” merkt Harmansz. aan.

Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is ƒ 747–8 stuivers en 6 penningen.

—„En nu,” zegt Reael,„hebikalthans geen verder bewijs noodig, dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze uittarting van ’t gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des Heeren?—Met dezulken is niets voor ’t oogenblik aan te vangen: en wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.—Vrienden! mijn boeier ligt aan de kaai.—Ik ga heden avond onder zeil naar Medemblik. Wie vergezelt mij?”

—„Gaat uwe vrouw mee?” vraagt Kromhout.

—„Zij zal bij hare moeder blijven,” antwoordt Reael, „die devoot Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij zal kunnen voegen.”

—„Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken,” zegt Kromhout: „al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op aarde hebben.”

—„Zij zal mij welkom zijn,” zegt Reael.

—„En nu de gelden?” vraagt Pauw.

—„Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon,” antwoordt Reael, „die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor bekomen heeft.—Of weet iemand er een beter gebruik voor?—Niet?—Wel, dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t’ avond?”

—„Ik zal er zijn,” zegt De Wael.

En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen: bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken, om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen, toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam, om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood eene deugd makende,vondenzij eene oude krabbeschuit, die wel een halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas waren zij in ’t gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd en overweldigd door een oorlogsvaartuig, ’t welk de Stadhouder van Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar ’t Wad, den Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren, en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20stenMei behouden te Embden aankwamen.

Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde, hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door dien omkeer aan ’t hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog verdonkerd werd door dien van zijndoorluchtigen zoon, dat alles is te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.


Back to IndexNext