Laurens Reael.

Laurens Reael.Gij zult zeker wel eens gehoord hebben, mijne Lezers! of misschien zelven wel hebben opgemerkt, dat de geschiedenis van meest alle beroemde natiën een bijzonder tijdvak oplevert, van al de overige onderscheiden door de ontwikkeling van volkswelvaart, door den bloei van kunsten en wetenschappen, door het opkomen van groote en beroemde mannen; een tijdvak, bij hetwelk men, onder het lezen of bestudeeren der geschiedenis, met welgevallen vertoeft, en ’t welk men zich te gemakkelijker herinnert, omdat het doorgaans den naam draagt van het doorluchtigste personage, dat er in leefde. Zoodanig tijdvak was, voor Griekenland, de eeuw van Perikles: voor het oude Rome, de eeuw van Augustus: voor het latere Italië, de eeuw der Medicissen: voor Frankrijk; de eeuw van Lodewijk XIV: voor ons vaderland, de eeuw van Frederik Hendrik.Ik onderstel, dat het u niet onbekend zal zijn tot welk een hoogen trap van welvaart, roem en macht ons jeugdig en krachtvol Gemeenebest zich gedurende het leven van Frederik Hendrik verheven had, en welke uitstekende mannen het had voortgebracht. Gij zult u inderdaad geen vak van kunst of wetenschap voor den geest kunnen brengen, waarvan Nederland in die dagen niet een vertegenwoordiger opleverde, wiens roem voor of na hem schaars geëvenaard, veel min overtroffen werd. Denkt maar aan Oldenbarneveldt, aan De Groot, aan Maarten Harpertszoon Tromp, aan Hooft, aan Vondel, aan Rembrandt, aan zoovele anderen, die in verschillende opzichten medewerkten tot het bevorderen van den luister van ons vaderland. Van de mannen, die ik u daar noemde, hebt gij zeker meermalen hooren spreken, hun levensgeschiedenis, hun werken, hunne verrichtingen zullen u niet geheel onbekend zijn;—maar buiten hen leverde die eeuw van Frederik Hendrik nog zoo menigen staatsman, krijgsman, dichter, geleerde of kunstenaar op, wien gij nooit of niet dan terloops hebt hooren vermelden, en die toch evenzeer verdient, dat gij met hem bekend raakt. Welnu! ik wil u een kort overzicht geven van het leven en bedrijf van een man uit dat tijdvak, die tevens staatsman, krijgsman, dichter en geleerde was, en die zich in elkedier zoo uiteenloopende hoedanigheden de bewondering en de achting zijner tijdgenooten verwierf. Die merkwaardige man was Laurens Reael.De vader van Reael was een rijke graanhandelaar, van Hollandsche afkomst. Hij had eerst kantoor te Dantzig gehad, doch zich omtrent de helft der zestiende eeuw nedergezet te Amsterdam. In dien tijd en nog lang naderhand hadden de meeste menschen nog geene familienamen: de een onderscheidde zich van den ander, òf door het aannemen van zekeren bij- of toenaam, aan de plaats zijner geboorte, aan zijn beroep of aan andere bijzondere omstandigheden ontleend; òf en dit in de meeste gevallen, door eenvoudig den naam zijns vaders achter den zijnen te plaatsen. Zoo noemde de een zich Jan Pieterszoon, de ander Klaas Dirkszoon, een derde Harmen Tijmenszoon en zoo heette ook onze graanhandelaar, toen hij te Amsterdam kwam wonen, Laurens Jakobszoon. Dan, sedert hij een huis had betrokken op het Water over de Papenbrugsteeg, in den gevel van welks huis eengouden reaelwas afgebeeld, gaf men hem, ten einde hem niet te verwarren met andere Jakobszonen, den toenaam van Reael.—Gij weet, hoop ik, wat een reaal was en hoevele oude duiten, zulk een geldstuk gold.Laurens Jakobszoon Reael had niet lang te Amsterdam gewoond, toen de onlusten ter zake van den godsdienst een aanvang namen. Gij weet ongetwijfeld, hoe onder Karel V en vooral onder Pilips II de Inquisitie alle pogingen in ’t werk stelde, om de Hervorming, die hier te lande vele aanhangers telde, te onderdrukken. Reael behoorde ook onder hen, die de leer der Hervormden omhelsd hadden, en hij wist zelfs, met vier andere vermogende burgers te bewerken, dat het aan hunne geloofsgenooten werd toegestaan, openbare godsdienstoefeningen binnen Amsterdam te houden. In weerwil daarvan bleef hij zeer gezien bij de toen nog Roomschgezinde Overheid der Stad, en niet zonder reden. Het was gedeeltelijk aan zijne bemoeiingen te danken, dat de beeldenstorm, die elders zoo hevig woedde, te Amsterdam geen plaats had: en hij wist op verzoek der Regeering, zelfs met levensgevaar, een oproer te stillen. Ook blonken zijn beleid en voorzichtigheid uit in het bevorderen der rust ten tijde van Brederodes kortstondig verblijf te Amsterdam. Prins Willem I had aan hem groote verplichting; onder andere leende Reael hem eens ƒ 10,000—in die dagen, toen het geld vrij wat meer waarde had dan tegenwoordig, een aanzienlijke som. Toen Amsterdam in 1578 tot ’s Prinsen partij overging en een nieuwe Magistraat koos, behoorde Reael tot de leden der nieuwe vroedschap en handhaafde, in 1587, als kolonel der Burgerij, krachtdadig het gezag der Stad tegen den Graaf van Leicester.Reael had bij zijne vrouw, Grietje Nieuwes Pietersdochter, verscheidene kinderen gekregen, waarvan Laurens, die op den 22sten October 1583 geboren werd, de jongste was. Zijn aanzienlijk vermogen stelde hem in staat, aan die kinderen een goede opvoeding te geven en hij spaarde daartoe ook geene kosten. Zoo leerde onze Laurens, behalve de Latijnsche en Grieksche talen, wier kennis in die dagenhoog noodig was, ook de Fransche, Engelsche en Italiaansche. Wel had hij het ongeluk reeds in 1600 zijn vader te verliezen; doch hij vond vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders Jakob en Pieter, en vooral ook in den man van zijn zuster Lijsbestjen. Deze laatste was getrouwd met den Hoogleeraar Jakobus Arminius, denzelfden, die zich zoo bekend maakte door zijn godgeleerde twisten met Gomarus, en naar wien de Remonstranten wel eens Arminianen genoemd worden. Ik moet u echter in ’t voorbijgaan waarschuwen, dat, ofschoon men wel de benaming „Lutherschen” of „Mennisten” bezigen kan zonder aanstoot te geven, die van „Arminiaan” voor een scheldnaam gehouden wordt, en gij u dus moet wachten, dien te gebruiken.—Arminius nu trok zich zijn jongen zwager bijzonder aan, er boezemde hem een groote zucht in voor de wiskunst, waarin de jonge Laurens dan ook bijzondere vorderingen maakte, welke hem later uitmuntend te stade kwamen. Hij studeerde bovendien te Leiden in de rechtsgeleerdheid.Maar bij dit alles toonde Reael, reeds van jongs af, veel aanleg voor de poëzie, en vervaardigde al vroeg, zoowel in zijn moedertaal als in ’t Latijn, verdienstelijke gedichten. Zoo vereerde hij onder anderen, toen Arminius in 1606 overleed, diens afbeelding met een Latijnsch bijschrift, ’t welk evenzeer van zijn bekwaamheid als van zijn dankbaarheid getuigde.De vader van Reael was zelf een niet ongelukkig beoefenaar der dichtkunst geweest, en had omgang gehad met vele lieden van smaak, met wie nu ook de zoon in kennis kwam. Onder de zoodanigen behoorde Roemer Visscher, wiens woning een verzamelplaats was van schrandere vernuften. Roemer Visscher had twee dochters, beiden nog beroemder dan hij zelf. De oudste, Anna, was van de jaren van Reael, de andere, Tesselschade, vrij wat jonger: beiden waren dichteressen, in verscheidene talen bedreven, zongen en speelden verrukkelijk, wisten fraai te borduren, letters en figuren in ’t glas te snijden, in ’t was te boetseeren: in ’t kort, zij hadden allerlei begaafdheden: doch waren tevens, wat nog meer zegt, hoogst beschaafd van manieren, braaf van karakter en alleraangenaamst in den omgang. Geen wonder alzoo, dat men haar gezelschap zocht, en dit ook van den gunstigsten invloed was op Reael. Er is niets, dat voor jonge lieden zoo heilzaam en nuttig is als de omgang met welopgevoede, verstandige en deugdzame vrouwen; en zoo Reael naderhand een goed figuur gemaakt heeft aan de Hoven van Vorsten en Grooten, hij heeft dit gewis daaraan voornamelijk dank mogen wijten, dat hij van jongs af in zoo goed gezelschap had verkeerd.Ten huize van Roemer Visscher ontmoette Reael den grooten dichter en geschiedschrijver Pieter Corneliszoon Hooft, die van zijne jaren was, en met wien hij een vriendschap sloot, die hun leven lang voortduurde.De betrekking, die tusschen Arminius en Reael bestond, had dezen al vroeg in kennis gebracht met aanzienlijke Remonstrantsgezinden, als De Groot, Uyttenbogaert, en anderen, en hierdoor ookmet den beroemden advocaat van Holland, Mr. Joan Van Oldenbarneveldt. Deze, die spoedig zag, wat er in iemand school, begreep van de bekwaamheid des jongen Reaels partij te moeten trekken en bezorgde hem een ambt bij de geldmiddelen, ten gevolge waarvan Reael zijn woonplaats naar ’s Gravenhage overbracht, waar hij tot in 1611 vertoefde om een nieuwe en nog luisterrijker loopbaan in te treden. Ik zal u verhalen wat daartoe aanleiding gaf.Onder andere belangrijke diensten, welke Oldenbarneveldt aan het vaderland bewezen had, was ook deze, dat hij een der voornaamste bevorderaars was geweest van de stichting der Oost-Indische Maatschappij. Onze macht in de Oost was toen nog niet wat zij later werd, noch waren onze bezittingen zoo uitgebreid: de inrichting was nog in haar beginselen en het vestigen van het gezag der Hollanders in die verwijderde gewesten was alles behalve een gemakkelijke taak. Men had in de Oost te kampen niet alleen tegen de doorgaande vijandige Mahomedaansche, Indische of Chineesche ingezetenen, maar ook tegen de Spanjaards en Portugeezen, die mede in die streken bezittingen hadden, welke zij begeerden te behouden, ja uit te breiden. Zelfs toen het twaalfjarig Bestand in 1609 met Spanje gesloten, en alzoo in Europa de strijd tusschen de oorlogvoerende partijen gestaakt werd, bleef die in de Koloniën voortduren. De middelen van gemeenschap tusschen Holland en de Oost waren nog traag, ongeregeld en onzeker, en er moest veel worden overgelaten aan hen, die zich ginds aan ’t bestuur der zaken bevonden. Ongelukkig waren velen onder de bevelvoerders louter gelukzoekers, die meer hun eigen belangen dan die der Maatschappij voor oogen hielden, die de bevelen van den Gouverneur-Generaal niet nakwamen of zelfs tegenwerkten, en die door hun onbehoorlijke handelingen de Hollanders bij de Oosterlingen in een kwaden naam brachten. Dit kon naar het oordeel der Bewindhebbers zoo niet blijven voortduren. Er moest eenheid in het bestuur komen, en het bevel over de volkplantingen niet worden toevertrouwd dan aan mannen, die aan moed en bekwaamheid ook eerlijkheid en braafheid paarden, in één woord, op wie men vertrouwen kon. Zoodanig een man meende Oldenbarneveldt in Reael gevonden te hebben, en hij beval hem daarom den Bewindhebbers aan, die eerlang besloten, hem het bevel over een onderneming, naar de Oost bestemd, toe te vertrouwen. Zeker was het geen geringe eer voor iemand van nog zoo jeugdigen leeftijd, met een zoo gewichtige zending te worden belast; maar tevens behoorde er moed en zelfvertrouwen toe bij iemand, die tot nog toe de stille, rustige betrekking van ambtenaar aan een landsbureau bekleed had, zoo op eenmaal de taak van krijgshoofd te aanvaarden. Reael zag hier echter te minder tegen op, omdat zijn wiskunstige studiën hem er als van zelven toe gebracht hadden om zich ook in de zeevaart- en krijgskunde te oefenen. Hij nam dus het hem opgedragen bevel aan, en stak, in 1611, als Commandeur over vier schepen in zee. Overeenkomstig de bevelen, welke hij van de Bewindhebbers ontvangen had, stevende hij naar de Molukken, die gedeeltelijk in handen der Spanjaardswaren en welke het hem was opgedragen, geheel onder het gezag der Maatschappij te brengen. Zich in Ternate gevestigd hebbende, gaf hij aldra blijken van kloekheid en beleid. Het eene fort voor, het andere na, wist hij op de Spanjaards te veroveren; verscheidene kleine eilanden werden door hem bezet; met de meeste Inlandsche Vorsten ging hij overeenkomsten aan in ’t belang der Maatschappij, en hij vestigde den handel in landen, waar vroeger de Hollandsche naam nauwelijks bekend was geweest.—Wel rustten de Spanjaards een vloot in Manilla uit, bestemd om de onzen te verdrijven uit hunne bezittingen; doch Reael had al de plaatsen onder zijn gebied in zulk een goeden staat van verdediging gesteld, dat de onderneming geen gevolg had.Geen wonder was het, na zulk een voordeeligen uitslag, dat het Gouvernement over de Molukken, hetwelk Reael eerst maar voorloopig gevoerd had, hem door de Bewindhebbers bepaald werd opgedragen; geen wonder, dat, toen in 1616 de Gouverneur-Generaal Reynst overleed, Reael met eenparige stemmen tot zijn opvolger gekozen werd. Deze keuze werd algemeen gebillijkt: alleen waren er, die het gevaarlijk vonden, juist voor zijn groote bekwaamheid, dat hem zulk een groot gezag werd toevertrouwd: immers, beweerden zij, men waagde, dat hij zich van alles meester zou maken, en zich tot onafhankelijk hoofd der Koloniën verheffen. Die vrees bleek echter door de uitkomst ijdel en onnut te zijn: want Reael was niet alleen bekwaam maar ook vroom en getrouw.—Hij rechtvaardigde volkomen de goede verwachtingen, welke zijn lastgevers van hem hadden opgevat. Zoolang hij in de Oost het bewind voerde, wist hij het gezag der Maatschappij te doen eerbiedigen. Met zijn bondgenooten leefde hij in vrede en aan zijn vijanden boezemde hij zulk een ontzag in, dat zij het niet waagden de rust te verstoren. Dit een en ander was iets geheel nieuws in de geschiedenis onzer volkplanting, waar, tot dien tijd, voortdurend strijd was gevoerd geweest.—Maar Reael deed nog meer; hij wist het vertrouwen der Inlandsche vorsten en volkeren te winnen, in de eerste plaats door zorg te dragen dat hetgeen men hun verkocht van goede hoedanigheid was, en al wat men kocht prompt betaald werd:—in de tweede plaats, door de ambtenaren binnen de grenzen van hun plicht te houden en elk vergrijp streng te straffen. „Dat heet eerst regeeren!” zeide Hooft van hem. De wijsheid en rechtvaardigheid, door Reael aan den dag gelegd, droegen spoedig goede vruchten: het krediet der Hollanders rees boven dat der Engelschen en Portugeezen, en het beloop der retouren—of terugvrachten—gedurende zijn bewind naar het Moederland gezonden, bedroeg bijna het dubbel van dat van vorige jaren.Reael was echter niet gezind, zijn leven in de Oost te slijten. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag en droeg in Juni 1618 het gezag op aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pietersz. Koen. Echter verliet hij de Oost niet, voor dat hij dezen behoorlijk in ’t bestuur gevestigd zag. Hij ging daarom met hem over Amboina naar Jacatra, bleef bij hem, tot dat deze plaats veroverd was, en beraamde met hem de noodige maatregelen tegen de vijandelijkeJavanen en tegen de Engelschen, die hen opstookten. Zoo legden zij samen de grondvesten van Batavia, met welks stichting eigenlijk de vastheid der Maatschappij haar aanvang nam.—In Augustus 1619 zette Reael weder koers naar het vaderland, waar hij in ’t begin des volgenden jaars behouden aankwam.Allerluisterrijkst was de ontvangst, die hem te Amsterdam te beurt viel: alles liep uit om hem te zien en te verwelkomen. Dan, hoezeer de bewijzen van achting en genegenheid, welke hij van zijn stadgenooten ondervond, hem bijzonder streelden, hij moest van een anderen kant vrij wat smart en teleurstelling ondervinden, bij ’t zien, hoe de staat van zaken intusschen veranderd was. Zijn beschermer Oldenbarneveldt was veroordeeld en ter dood gebracht: velen onder zijne vrienden, als De Groot, Uyttenbogaert en anderen, ten lande uitgeweken: en er was weinig kans, dat de partij, die thans aan ’t hoofd was, hem vooreerst tot staatsbedieningen roepen zou. Hij zelf kon niet verlangen een Regeering te dienen, met welker inzichten hij niet overeenstemde.Voor iemand, die alleen staats- of krijgsman ware geweest, zou het leiden van een ambteloos leven op zijn zeven en dertigste jaar allervervelendst zijn geweest: maar niet voor Reael, die in zijn uitlandigheid de zucht voor de fraaie letteren niet verleerd had, en in hare beoefening bezigheid en troost kon zoeken. Hij begaf zich op zijn hofstede in de Beverwijk, waar hij, onder andere genoegens van het buitenleven, de nabuurschap genoot van den geleerden Amsterdamschen koopman Laurens Baeck en diens kinderen, allen groote minnaars van poëzie en letterkunde. Vondel was bij Baeck een welkome gast; hij had vroeger Reael bij Roemer Visscher ontmoet, hernieuwde thans zijn betrekking met hem en droeg hem, onder andere bewijzen van vriendschap en hoogachting, zijn meesterlijk dichtstuk: „het lof der zeevaart” op. Met Vondel en den gewezen Pensionaris van Zeeland Antonis De Huybert, legde Reael geregelde bijeenkomsten aan, waar hij zich gewoonlijk toelegde op het stellen van regels, betreffende de taalschikking, de woordvoeging, de bepaling der geslachten en de spelling, alle zaken, waarover men tot dien tijd nog weinig gedacht, veel min geschreven had; ook hielp hij Vondel aan de vertaling van het treurspel de Troas, uit het Latijn van Seneca.Doch al wist Reael zijn ledigen tijd dus op een aangename en nuttige wijze met letteroefeningen te korten, hij bleef daarom niet onverschillig omtrent de algemeene belangen, en, kon hij den Staat niet dienen, hij deed in verschillende opzichten dienst aan zijn geboortestad Amsterdam. Deze moest, vanwege den toenemenden aanwas der bevolking, gedurig vergroot en uitgelegd worden: en hoe Reael daartoe medewerkte blijkt uit het in zijnen tijd met huizen volgebouwde en naar hem genoemde Reaelen-eiland.Zoolang Prins Maurits leefde, en nog een wijl na zijnen dood, bleef Reael een ambteloos leven leiden. Niet alleen stelde Hooft vruchtelooze pogingen in ’t werk om hem in 1623 tot Gezant te Venetië te doen benoemen, maar zelfs, toen in hetzelfde jaar onderhandelingenwaren aangevangen tot vereffening der geschillen tusschen de Engelsche en Hollandsche Oost-Indische Maatschappijen, werd hij, de gewezen Gouverneur-Generaal, die meer dan iemand hier te lande ondervinding en kennis van het onderwerp bezat, niet bij de onderhandelaars gesteld. Het duurde echter niet lang meer, of men begon het onbillijke en verkeerde in te zien om iemand van zijne bekwaamheden buiten betrekking te laten. Het gebeurde, dat de Staten-Generaal noodig keurden een vloot in zee te zenden, die, gezamenlijk met een Engelsche vloot, de Spanjaards op hun eigen kusten bestoken zou. Willem Van Nassau, zoon van Prins Maurits, was destijds Admiraal van Holland; de Staten achtten het noodig, hem een Vice-Admiraal toe te voegen, die kunde paaide aan moed en beleid—en zij droegen die betrekking op aan Reael. De zeetocht had plaats, doch had niet die uitkomsten, welke men gehoopt en verwacht had, en de vloten keerden terug zonder iets bijzonders te hebben uitgericht. Dit was niet de schuld van Reael, die zich op lofwaardige wijze van zijne taak gekweten had, maar van verschil van meeningen tusschen de bevelhebbers der beide vloten; en in ’t algemeen ziet men zelden iets goeds komen van ondernemingen, waarbij legers of vloten van verschillende natiën moeten samenwerken. Nationale zoo wel als persoonlijke jaloezie en wangunst brengen dan meestal teweeg, dat die gewenschte samenwerking in tegenwerking verandert.Hoe men de verdiensten van Reael nu erkende, bleek daaruit, dat hij, schier onmiddellijk na zijn terugkomst, tot Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie werd aangesteld, in welke betrekking hij—gelijk men zegt—in zijn element was en de belangrijkste diensten bewees. In 1626 werd hem een nieuwe eerepost opgedragen, namelijk om Koning Karel I van Engeland, bij diens kroning te begroeten. Dit was, zult gij zeggen, nog al geen moeielijke zending; het is toch een zoodanige, welke men niet opdraagt, dan aan menschen, die zich zekeren naam hebben verworven en zich door het gemakkelijk spreken van onderscheidene talen, door goede manieren en fijnen smaak, onderscheiden. Maar bovendien had Reael, behalve deze openbare zending, nog een geheimen last, namelijk om de belangen zijns vaderlands bij de Engelsche Oost-Indische Maatschappij voor te staan en hij kweet zich daarvan op loffelijke wijze. Koning Karel I erkende zijn verdiensten door hem tot Ridder te slaan en in den adelstand te verheffen.Twee jaren later werd aan Reael een nieuwe zending opgedragen, die van min gemakkelijken aard was. De Keizer van Duitschland, toen in oorlog met de Protestantsche vorsten, had verscheidene plaatsen aan de Oostzee bezet, en dreigde zelfs zich meester te maken van de Sond. De Staten besloten Reael naar Denemarken te zenden, ten einde den staat van zaken te onderzoeken, en de noodige betrekking aan te knoopen om zich tegen de aanslagen van den Keizer te verzetten. Hij ging scheep naar Kopenhagen, ter welker gelegenheid Vondel dit gedicht onder zijn afbeelding vervaardigde.Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael.Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael,Voorzien met breijn in ’t hoofd, met heldenmoed in ’t harte,’t Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte.Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee,En brengh voor ’t vaderland ontelbre kranssen mee.De wensch van den dichter werd niet vervuld. Wel genoot Reael aan ’t Deensche Hof een beleefd onthaal, maar het gelukte hem niet, den Koning van Denemarken tot een gemeenschappelijken oorlog tegen den Keizer te bewegen. Het was al spijtig genoeg voor hem, dat hij het doel zijner zending miste, maar de tocht was bestemd om op alle manieren noodlottig voor hem af te loopen. Op de terugreis van Kopenhagen had hij met schipbreuk te kampen. Het vaartuig, waar hij zich op bevond, strandde op de kust van Jutland, en te nauwernood kwam hij levend aan wal. Hier vervolgde hem zijn ongeluksster; want dat gedeelte der kust was met Keizerlijke troepen bezet, die hem gevangen namen en, als een prijs van aanbelang, opzonden naar Weenen.Wel wendden de Staten-Generaal ernstige pogingen aan, om zijn ontslag te bevorderen; doch de Keizer wilde in den aanvang van niets hooren. Groot was de bekommernis der talrijke vrienden van Reael en ook zij lieten ’t niet aan aanzoeken ten zijnen voordeele bij invloedrijke lieden aan ’t Duitsche Hof ontbreken. De gevangenschap van Reael was intusschen zeer dragelijk: niet alleen genoot hij vrijheid zich te Weenen ongehinderd te bewegen, maar ook werd hij aldaar met de meeste achting en voorkomendheid behandeld: ja ieder stelde er eer in, beleefdheden te bewijzen aan een man, die zich op zoo veelsoortige wijzen roem verworven had, en zijne vriendschap te winnen. Men vindt zulks bevestigd door een schrijver van dien tijd, die onder anderen van Reael vertelt, dat hij te Weenen gekomen als een gevangene, er vandaan ging als een vorst. Zijn ontslag had plaats in 1629, wanneer hij, in ’t Vaderland teruggekeerd, aan de Staten-Generaal verslag deed van zijn verrichtingen, en deswege op eervolle wijze werd bedankt.Het schijnt dat Reael nu echter genoeg had van zendingen buiten ’s lands en liever tot een rustig burgerleven wenschte terug te keeren. Althans hij trouwde nog in datzelfde jaar met zekere juffer, Suzanna De Moor geheeten, en weduwe van H. De Pikker; terwijl hij zich in het volgende liet welgevallen tot lid van den Raad der stad Amsterdam benoemd te worden. Acht jaren lang leefde hij nu stil en ongestoord voor zijn huiselijke en burgerlijke betrekkingen, weinig uitgaande dan om zijn ambtsplichten te vervullen, zoodat zelfs zijn nauwste vrienden, als Hooft en anderen, klaagden, dat zij niets meer aan hem hadden. In ’t jaar 1637 echter scheen zich voor hem weder een nieuwe en glorierijke loopbaan te zullen ontsluiten. De betrekking van Luitenant Admiraal van Holland was opengevallen en er moest een nieuwe keuze door den Prins worden gedaan. Te dien einde werd hem een lijst van zes personen aangeboden,aan wier hoofd zich Reael bevond. De Staten van Holland bevolen hem zeer bijzonder aan, en gewis ware hij tot die luistervolle bediening geroepen geworden, indien de Voorzienigheid het niet anders beschikt had. Een besmettelijke ziekte, die op dat tijdstip Amsterdam teisterde, trof ook zijn huis. Zijn beide zoontjes, Laurens en Bartholomeus, werden hem ontrukt, en hun dood schokte hem zoozeer, dat hij tot volslagen lusteloosheid verviel. Bij die ongesteldheid voegde zich een heete koorts, die hem op den 10den October 1637, ten grave sleepte. Zeker was zijn dood te bejammeren en toch, kan men daaruit wederom leeren, hoe wijs de wegen der Voorzienigheid zijn. Immers nu werd tot Admiraal benoemd Maarten Harpertszoon Tromp, die na Reael op de lijst stond, en die, zoo hij al in andere opzichten voor Reael moest onderdoen, hem in ondervinding en praktische kennis van ’t zeewezen en den zeeoorlog ver overtrof, ja een zeevoogd was, wiens gelijke de wereld nauwelijks opgeleverd heeft.Met dat al, de dood van Reael was een bittere slag voor het vaderland, voor de Oost-Indische Maatschappij, voor de stad Amsterdam, voor ’s mans gezin en ook voor de wetenschap. Wel is waar, hij had deze laatste meer bevorderd door haar overal ijverig voor te staan, dan door iets in het licht te geven, want hij verzuimde nooit de werkzaamheden, welke zijn plicht of zijn betrekking hem oplegden, voor enkel liefhebberijwerk. Vandaar liet hij maar weinige lettervruchten na, van welke er nog vele verloren zijn gegaan, en onder deze laatste eene latijnsche elegie of klaagzangover de rampen van zijn tijd, na zijn terugkomst uit de Oost vervaardigd, een werkje, getiteldRaad voor hen, die zich naar Indië willen begeven; eenigeObservatiën over den Magneetsteen, of de magnetische kracht der aarde, en een briefwisseling met den beroemden Galileï:Over het vinden van de lengte op zee. Wij bezitten nog van hem allerliefste minnedichtjes, door hem in zijn jeugd vervaardigd, en het grafschrift op den zeekapitein Cornelis Jansz., bijgenaamd hetHaantje, dat nog in de Oude Kerk te Amsterdam op diens graf te lezen staat en aldus luidt:Hier rust de helt, die van zijns vijants schepenIn sevenmaal quam seven vlagghen sleepen,En gaf voor ’t laatst op twee so dapper vonckDat ’t eene vloot en ’t ander bij hem sonck.De Nieuwekerk te Amsterdam.Nog steeds wordt Amsterdam bij den vreemdeling aangemerkt als vertegenwoordigende het land, waarvan het de Hoofdstad heet; minder echter om die reden, dan wel uithoofde der herinneringen, die zich aan de stad verbinden, als voortdurend de voorgangster en leidsvrouw, niet zelden de gebiedster der voormalige Republiek. Datzelfde type, ’t welk Amsterdam als zoodanig biedt op uitgebreide schaal, biedt ons, meer dan eenig ander gebouw, binnen zijn muren, de Nieuwekerk op een verkleinde schaal aan. Worden in de hoofdkerken van andere Rijken veelal de herinneringen bewaard van Vorsten, die er gezalfd werden, of wier gebeente er onder marmeren gedenksteenen rust, wekt haar beschouwing bij den bezoeker de gedachte op aan monarchieën, die te niet zijn gegaan, aan koninklijken luister en bisschoppelijke praal, bij hem, die de Nieuwekerk te Amsterdam binnentreedt, rijzen, ’t zij hij hare stichting en lotgevallen overdenke, ’t zij hij de oogen om zich heen sla, geene andere denkbeelden voor den geest, dan die in verband staan met de ontwikkeling van vrije en krachtvolle burgers. Hoeverre die kerk dan ook in de oogen van oppervlakkige of onkundige toeschouwers schijne achter te staan in belangrijkheid bij gebouwen als de Abdijen van Westminster en St.-Denis, zij mag, vooral wie zich door uiterlijke pracht noch hoogklinkende namen laat bedwelmen, een gelijken rang innemen met beide; immers zij ook bewaart de overleveringen van vroegere grootheid en macht; en rusten onder haar zerken geen Koningen of Vorsten, zij bevat het stoffelijk overschot van hen, die Koningen en Vorsten ontzag inboezemden; zij is het Westminster en St.-Denis van den Derden Stand.Verlangt men bewijzen dat ik hier niet overdrijf, dat geene dwaze ingenomenheid met een der weinige praalgestichten, die Amsterdam nog aanbiedt, mij doet spreken, ik hoop mijne gezegden te handhaven en aan te toonen dat het geene ijdele machtspreuk was, die ik mij heb veroorloofd.Beschouwen wij daarom in de eerste plaats de stichting der Kerk, eene stichting, die reeds als eene profetie kan aangemerkt worden van hare latere bestemming.Het was in den aanvang der 15de eeuw: nog in die dagen, toen de geschiedenis der volkeren niet veel meer scheen te zijn dan degeschiedenis hunner regeerders en de krijg niet gevoerd, noch de vrede gesloten werd om de belangen eener natie maar om die van den Souverein of van het regeerende stamhuis te dienen. Men had toch in de Nederlanden, bij de uitbreiding van handel en nijverheid, reeds sedert meer dan een eeuw de stem der burgerijen, en reeds dikwijls luid en krachtig doen hooren en ook in Holland was de invloed der groote steden begonnen tegen dien van den adel op te wegen. De Vorsten hadden leeren inzien hoe hun waar belang het medebracht om zich van de toegenegenheid der poorters te verzekeren en de jammerlijke moord door verbitterde edellieden aan Floris V gepleegd, had zijne nazaten op den gravenzetel niet afgeschrikt om zijn voorbeeld te volgen. Het bloed der martelaren is altijd vruchtbaar.Met dat al, indien de Graven van Holland, die voor Willem VI kwamen, het niet beneden zich geacht mogen hebben, nu en dan bij iemand van onedele geboorte te rade te gaan, niet één hunner had het nog gewaagd, een zoodanige te bekleeden met een dier eerambten of hooge staatsbedieningen, die bij uitsluiting voor den adel schenen weggelegd. Groot was derhalve de verbazing, de verontwaardiging, de verbolgenheid der Hollandsche Edelen, toen in 1410 de Gentenaar Willem Eggert, die zich te Amsterdam had nedergezet en er handel dreef, door den genoemden Vorst tot Trezorier van de Grafelijkheid werd benoemd. Wel had de Amsterdamsche koopman, zoogoed als zij, mannen van wapenen uitgerust om den Graaf in den Arkelschen krijg te dienen: wel had hij bovendien door aanzienlijke voorschotten in geld, den Graaf in de mogelijkheid gesteld dien krijg te voeren, maar die gedachte zelve, dat een eenvoudige poorter meer doen kon en ook meer deed dan zij, moest reeds strekken om hen tegen Eggert te verbitteren, en de overweging dat iemand, die aan finantiëele kennis een helder doorzicht in zaken en een onkreukbare eerlijkheid paarde, beter dan een van hen geschikt was om de orde in de verwarde geldmiddelen te herstellen, gold weinig bij lieden, die tot dien tijd juist die betrekking van Trezorier hadden aangemerkt als een middel om hem, die haar bekleedde,—en niet het Land—te verrijken. De gift, van de Ambachtsheerlijkheid van Purmer en Purmerend, waardoor de Trezorier het recht kreeg een adellijken titel te voeren, was niet geschikt om de afgunst van ’s Graven evenknieën te verminderen: ja er was, om de uitbarsting van hun wrevel tegen Eggert te voorkomen, eene uitdrukkelijke verklaring van Willems zijde noodig, „dat hij ’t op hen verhalen zou, indien zijn vriend een tegel van het dak op ’t hoofd viel.”Maar zoo Willem Eggert, ’t zij als gedeeltelijke en billijke voldoening zijner schuldvordering, ’t zij om zijn doorluchtigen beschermer niet voor ’t hoofd te stooten, de giften, hem gedaan, in dank had aangenomen, niet voor zich zelven alleen had hij partij getrokken van ’s Graven dankbaarheid; ’t was voornamelijk Amsterdam, dat er de vruchten van genieten moest. Verknocht aan de stad, waarin hij gastvrij ontvangen was, en zijne rijkdommen verworven had, was het voor haar meer dan voor zichzelven dat hij de goede gezindheid zijns meesters inriep, en werkelijk gelukte het hem zulketreffelijke privileges voor haar te verwerven, dat naar de uitdrukking eens kroniekschrijvers nooit eenig burger dezer stad „profytelijcker ofte aengenaemer” is geweest dan hij.—Doch dit was hem niet genoeg. Oordeelende dat zijne kinderen na zijn dood genoeg zouden vinden om onbekrompen te leven, besloot hij, al wat zijn ambt hem bezorgde, en een aanzienlijk deel zijner overwinsten uit den handel bovendien, te besteden aan eene stichting, waar Amsterdam, bij den toenemenden aanwas van bevolking, behoefte aan begon te gevoelen. Hij liet ten dien einde een boomgaard rooien, die niet verre van zijne woning te Amsterdam, aan den Nieuwendijk gelegen was en op dien grond was het dat in 1414 met den opbouw eener kerk aangevangen en ’t werk met krachtigen spoed werd doorgezet. Drie jaren verliepen er en nu barstte boven ’t hoofd van Willem Eggert het onweer los, dat zoolang had gedreigd. Op 31 Mei 1417 overleed zijn Vorstelijke beschermheer en nauwelijks had deze de oogen gesloten of de lang bedwongen gramschap gaf zich lucht, en uit alle adellijke sloten stroomden ontzeg-enuitdaagbrieven den Heer van Purmerende tegen. Bij de smart over het verlies van zijn weldoener paarde zich nu in Eggerts hart de angst, dat hij nergens meer veilig wezen zou en reeds op 15 Juli 1417 bezweek hij onder ’t gewicht dier dubbele gemoedsaandoeningen. Maar vóór zijn dood had hij voor ’t minst zijn stichting voltrokken gezien, en was hij op het Purmerslot gestorven, het was in zijn geliefd Amsterdam, binnen de gewijde muren van de Kerk, door hem gebouwd, dat hij zich een graf bereid had. Nog rust daar zijn gebeente, ter zijde van het koor, waar zijn grafschrift luidt:„Anno MCCCC ende XVII den XV dagh in Julio sterft den eerbaeren Heer Willem Eggaert, fundateur van dese Kapelle, gedoyteert met twee Vicariën, medefondateur van dese Kerck, die begraven is onder deze blauwe serck.”Zoo had dan de Nieuwekerk het aanzijn te danken aan den vromen zoon des volks, die niet alleen als koopman, den bloei der jeugdige stad tot eene vroeger ongekende hoogte had gebracht, maar die ook, als bekwaam en eerlijk raadsman zijns Vorsten, den deerlijk vervallen toestand der schatkist had weten te verbeteren, daarbij de eerste der handelaren, die in Holland heerlijke rechten bekwam en uitoefende. Met hem mag men alzoo die lange reeks doen beginnen van regenten uit den handelsstand, die, twee eeuwen na hem, zich koningen gelijk stelden.En wie waren ’t die, toen Eggerts ontijdige dood belette dat de Nieuwekerk zoo treffelijk volbouwd en voltooid werd als in het oorspronkelijke plan des Stichters gelegen was, wie waren het, die verder tot haar opluistering bijdroegen? ’t Waren, behalve de gilden, die er de koren en altaren stichtten, naar hen genoemd—meest poorters en poorteressen als Eggert, begeerig als hij, om aan den openbaren Godsdienst een voornaam deel te wijden van hetgeen handel en nijverheid hun hadden doen verkrijgen. ’t Waren, om hen ’t eerst te noemen, zijn zoon Jan, die reeds in 1418 twee eeuwige kapellerijen, en zijn nazaat Willem, die in 1509 tweevicariaten in Willem Eggerts kapelle stichtte; ’t waren ten tijde van de eerste vestiging der Kerk, de kooplieden Jan Dirksz. Sill Jacob Meeuwszoon en Jacob Aemsz. Verburg, ’t waren zoo ter dier gelegenheid als bij twee latere, leden uit het burgemeesterlijke geslacht van Loen en uit dat van Boel, welks bloed door de aderen van al de toekomstige Amsterdamsche Patriciërs stroomen zou; ’t waren in de 15dede regeeringsleden Bartel Doos Dirksz., Jan De Waal, Jacob Van Berck of Berge, Meeuw Gerbrantsz. en Arent Barendsz., en de Apotheker Huygen Jansz. en Geert Jacob Bickersdochter zijn huisvrouw; de Priesters Willem Bruynincx en Pieter Bije Jacobsz. en Katharina Bicker, Weduwe Meeuw Gerbrantsz; in de 16dede Priesters Willem Cloes en Vechter Dirksz., de Weduwe van Jan Duijn, Anna Bruning, Niclaes Steyn Niclaesz., man en voogd van Wendelmoet, dochter van Heijman Van IJlp; ’t waren op min bekende tijdstippen Gerijt Paeuw, Grebber Dircksz.,Albert Gerritsz., Jacob Florisz.,Steven Reijersz. en zoovele anderen meer; maar onder al die namen, min of meer bekend, ja, waarvan sommigen later beroemd werden, geen, die niet aan nederige poorters of ingezetenen behoorde—geen enkele naam van eenig, ’t zij wereldlijk, ’t zij kerkelijk Vorst of Heer—wat zelfs te Amsterdam met opzicht tot een paar andere kerken het geval is—verbindt zich aan de stichting of voltooiing der Nieuwekerk, maar, even gelijk de Burgerstand, aan wien zij haar opkomst te danken had, den Adel boven ’t hoofd wies, evenzoo verhief zich haar roem boven dien van menige andere kerk, die op aanzienlijker stichters bogen mocht.En thans, de nederige zerk van Willem Eggert, bij welke wij de geschiedenis der stichting herdacht hebben, verlatende en meteen die kapellen om het hoofdkoor, sedert bijna drie eeuwen aan haar oorspronkelijke bestemming onttrokken, willen wij verder de Kerk intreden en, ons midden in het kruis stellende, ons oog in ’t rond laten weiden.Gewis, al moge de oorspronkelijke vorm bewaard zijn gebleven, geheel anders doet ook hier het gebouw zich aan ons voor, dan toen het voor ’t eerst aan den dienst van God geheiligd werd. Niet alleen had, reeds vier jaren na Eggerts dood, een hevige brand het gebouw aangetast, waaruit het met herboren glans te voorschijn kwam, maar ook herkennen wij niets meer van de innerlijke pracht, die het in de 16deeeuw nog vertoonde. Toen bevatte de kerk, behalve vier en dertig keurig gebeeldhouwde altaren, de kostbaarste kerksieraden: een verguld kruis, dat 26 mark zilver woog, een verguld zilveren sacramentshuis van 38 en een zilveren Lieve Vrouwenbeeld van 32 mark. Toen stonden in ’t midden der kerk en in ’t midden van het hoofdkoor de prachtige beelden van de beide Patronessen, aan wie de kerk was toegewijd, Maria en Katharina: toen versierden standbeelden de pilaren en schilderijen de muren. Dat alles had op den 2denSeptember 1578 een doldriftige hoop ijveraars, die met geweld de kerk waren binnengedrongen, vernield en vergruisd, verscheurd en aan flarden gereten. Doch volvoerde de moedwil hier, wat in de Oudekerk, op last der Regeering—dochordelijk en bedaard—bereids geschied was, een noodlottig toeval deed, ruim vijf en zestig later, gewichtiger schade. Op den 11denJanuari 1645 op vollen middag, begingen loodgieters, die in de goot gearbeid hadden, en aan ’t schaften waren gegaan, eene dier onvoorzichtigheden, die telkens bezuurd en betreurd, telkens weder plaats hebben; het achterlaten namelijk van een pot met vuur voor een open dakvenster.De tocht deed de vlam opflikkeren, die door een fellen wind aangeblazen, eerst in ’t droge houten dak sloeg, en spoedig zoo geweldig om zich heen woedde, dat in een halfuur tijds, het geheele gebouw in lichterlaaie stond. Vergeefsch waren alle pogingen om den brand te stuiten, vooral aan gebrek aan die middelen tot blussching, welke sedert werden uitgevonden. Ten drie uren stortten dak, gewelf, torentjes, orgels en schoorbalken, met wat er aan vast was, van boven in de Kerk, den kunstig bewerkten predikstoel, de banken en gestoelten en al wat zich verder daarbinnen bevond, onder hun wicht verpletterende.In weinige jaren echter werd de Kerk—thans op kosten der stad—weder opgebouwd. Het was toen een geheel andere tijd als dien wij thans beleven; men zocht niet, óf hetgeen vervallen was, zoogoed mogelijk op te lappen, óf bestaande gebouwenzoo goeden zoo kwaad mogelijk in te richten tot een doel, waartoe een bouwheer ze oorspronkelijk nooit had denken te bestemmen; men brak af en bouwde op, ’t zij het een poort, een raadhuis of een kerk gold, en wat men bouwde was hecht en stevig en geschikt den knagenden tand des tijds te wederstaan, en toch, men was toen nog altijd oorlogvoerende, terwijl men thans de zegeningen des vredes geniet. Maar toen ook waren de stadsregeeringen onafhankelijk in hare bewegingen en de grootsche gedachten, die bij haar oprezen, konden, bij ruim voorziene kassen, ook in haar volledigen omvang worden verwezenlijkt, daar noch het belemmerend—zij het ook nuttig—toezicht van hooger gezag, noch de bemoei- en bedilzucht van medebestuurders de zuivere ontwikkeling van die gedachten onmogelijk maakten.Niet alleen bouwde men de Kerk weder op met zulk een wakkeren spoed dat er op den 10denMei 1648 weder in kon gepredikt worden, maar zelfs besloot de Vroedschap een hardsteenen toren aan de westzijde op te richten, hooger en zwaarder als er eene hier te lande gevonden werd, een toren, die de Nieuwekerk werkelijk tot een Dom- of Hoofdkerk maken zou. Met het graven der grondslagen werd in Mei 1646 een aanvang gemaakt, met het leggen van ’t roosterwerk en met het heien der palen in Augustus begonnen en tot in Juni 1647 voortgegaan, op den zesden van welke maand de laatste der 4593 zware masten in den grond geslagen werd. Behalve deze waren er nog 1715 stopmasten gebezigd. Op den 20stenJuli daaraanvolgende werd door Cornelis Backer, zoon van den burgemeester Willem Backer, de eerste steen van ’t gebouw gelegd, zuidwaarts naar ’t Stadhuis toe en daaronder een geschenk in goud van ƒ 200.—Nog eenige jaren zette men den arbeid voort, en reeds was de toren op de helft van de hoogte der Kerk opgetrokken, toen men den arbeidliet staken. De reden daarvan is nimmer aan den dag gekomen. Aan geld faalde het niet; sommigen beweren dat de grondslagen te zwak waren, anderen dat, nu men begonnen was het nieuwe Raadhuis te bouwen, men niet begeerde, dit gebouw, ’t welk het pronkstuk der stad moest worden, door een zoo reusachtigen toren in zijne onmiddellijke nabijheid te laten overschreeuwen. Zonder ons te verdiepen in het opsporen van de redenen, die de leden der Vroedschap geleid kunnen hebben om hun oorspronkelijk plan te verlaten, willen wij liever aannemen dat een hooger invloed dan waarvan zij zelven bewust waren, hen er toe geleid heeft af te zien van een voornemen, waardoor aan de kerk een meer feodaal en middeleeuwsch karakter zou zijn geschonken en zij niet meer de vertegenwoordigster der vrije burgerij zou geweest zijn.Ééne zaak echter had met reden stof tot gisping kunnen geven; dat namelijk de Kerk, bij elken herbouw, haar oude en oorspronkelijke gedaante behield. Zonderling is het, maar zij, die hier te lande de leer en den eeredienst hervormd hadden, dachten nimmer aan eene hervorming der kerkgebouwen. Zij kwamen nimmer tot het besef dat, waar men den hoogsten prijs stelde op de prediking van het Woord, dat daar de plaats waar dit geschieden moest, ook zoodanig behoorde te worden ingericht, dat men er overal goed en gemakkelijk die prediking kon hooren. Men bleef hechten aan het woord „Kerk”: men kon zich de Kerk niet anders voorstellen dan als een gebouw met een toren, dat schrikkelijk groot, ruim en tochtig wezen en waar een buitengewone galm in heerschen moest. Gelukkig in zeker opzicht waren zij, die niet tot de Gereformeerde of Hervormde kerk behoorden. Aan hen was het niet vergund kerken te hebben maar alleen bedehuizen; hiervan was het gevolg dat zij wel genoodzaakt waren, in plaats van getorende, gewelfde, gemarmerde tempels met koren en zijgangen, waarin niet alleen overal de koude wind den toehoorders om de ooren woei, maar ook de overtollige ruimte het aan de meesten onder hen onmogelijk maakte den spreker te verstaan—zich beknopte en toch ruime, goed verlichte, voor verwarming geschikte, tegen den tocht beschutte lokalen in te richten.Met dat al, aan ons, die de Nieuwekerk zijn binnengetreden, terwijl er geen dienst gedaan wordt en die nu onze oogen om ons heen slaan, doet zij zich nog altijd plechtig, grootsch en indrukwekkend voor. Wij blijven eene poos onder dien indruk staan, om langzamerhand aan de merkwaardigheden, die de Kerk bevat, meer in ’t bijzonder onze aandacht te wijden. En dan vestigen wij van zelf ’t eerst onze opmerkzaamheid op den predikstoel, het werk van Albert Vinkebrinck en een dier wonderen van snijwerk, waar de 17de eeuw zoo hoogen prijs op stelde. Onderaan zijn, in vier vakken, voor en ter zijde, de vier Evangelisten afgebeeld. Nevens die historische staan allegorische figuren: de Sterkte, ’t Geloof, de Liefde, de Hoop, de Gerechtigheid en de Voorzichtigheid. Hooger vertoonen zich de Zeven werken van Barmhartigheid, geestig vertoond met kleine aardige beeldjes, in diepe verschieten geplaatst. De leuning is met wingerdbladendoorwerkt, waarover een dik en bochtig touw is heengeworpen, op ’t bedriegelijkst uit hout gesneden. Het klankbord boven den stoel is met fraai lofwerk versierd en draagt een toren met verscheidene omgangen, waarop kleine beeldjes zich als wandelende vertoonen. Dat alles draagt den stempel van het tijdvak, waarin het vervaardigd werd; uit het geheele kunststuk spreekt, wat uit alles sprak, dat in die dagen verricht werd: vlijt, netheid, zorg en taai geduld. Wel heeft het niets dat het hart aandoet, niets dat een edele, laat staan een geestverheffende gedachte inboezemt; men moge ’t zelfs poppig heeten—doch ’t vertoont in ’t groot, wat de pronkvertrekken en kunstladen der deftige burgers uit die eeuw in ’t klein vertoonden, en daarom is het in harmonie met de hoofdgedachte, die naar ons gevoel het beschouwen van de Nieuwekerk moet doen oprijzen. Geen marmeren gestoelte voegt bij den eenvoud van den Hervormden Godsdienst, maar evenmin zou het voegen in een kerk, door een koopman gesticht, in een kerk, waar zelfs de banken der Regenten bijna alleen bezeten werden door de zoodanigen, die aan handel, nering of ambachten, door hen of door hun voorouders gedreven, het voorrecht verschuldigd waren, die plaatsen der eere te bekleeden.Ook die plaatsen der eere, onveranderd gebleven zooals zij oorspronkelijk waren, spreken van dien tijd, toen Kerk en Staat nog één waren, toen de Overheidspersoon, niet slechts als Christen, als lidmaat, maar ook dikwijls vooral als Overheidspersoon ter kerke verscheen; toen van den hoogen kansel herhaaldelijk vermaningen en bestraffingen klonken, die niet den broeder, niet den medechristen, golden, maar den Regent, en toen wederkeerig uit de ronde bank daartegenover de Regent niet zelden met gefronst gelaat, met toorn in ’t oog en een krampachtig bijten op de lippen, zat te luisteren naar de verwijtingen, aan de Wethouderschap gedaan en hij bij zich zelven den Leeraar een berisping op Burgemeesterskamer, misschien wel eene schorsing of uitzetting beloofde, ten einde ’t hem af te leeren zich met de politiek van den dag te bemoeien of althans daaromtrent andere gedachten te durven hebben dan de „Heeren”.—In onze dagen, nu Kerk en Staat gescheiden zijn, nu de leden der Wethouderschap meermalen niet tot de vroeger heerschende Kerk behooren, nu de Predikanten geen staatkunde meer op den kansel brengen, nu, zoo al geen zuiver plichtsbesef, dan toch stellig geen politiek doel de lieden ter kerke drijft, nu geen maatschappelijke rang of stand in de bedehuizen meer in aanmerking komt, zijn de Hooge-, Overheids-, Raden-, Commissaris-, Krijgsraadsbanken enz. een ongerijmdheid geworden en zoo men ze nog behoudt, het is alleen om door te werken op de ijdelheid van hen, wien men er eene zitplaats in verkoopt, de kerkelijke kassen te stijven. Maar zoo men op vele plaatsen hun oorspronkelijken vorm aanmerkelijk gewijzigd heeft, in die kerken, waarin men, gelijk hier in de Nieuwe, ze nog in hunne oude gedaante gelaten heeft, blijven zij dan ook voor ons een luid sprekende overlevering uit die dagen, toen de man, die uit het midden van die Burgemeestersbank het ruim beneden hem beheerschte met zijn blik, de oogen der saamgevloeide schare vooralniet minder trok dan de man, die tegenover hem het woord Gods stond te verkondigen.Wij wenden den blik thans van de banken af, zoowel als van het orgel, ’t welk op alle groote orgels gelijkt, en vestigen nu onze aandacht een wijl op het groote glasraam in ’t Noorderkruispand. Daar voor ’t minst komt een geschilderd tafereel op voor, dat ons vorstelijke praal en pracht herinnert; daar zien wij Graaf Willem den Vierden, de stad met haar driekruisig wapenschild beschenkende. Maar alleen schijnbaar is hieruit af te leiden, dat de schilderij den algemeenen indruk, dien de Kerk op ons maakt, zou bederven. Behalve dat het voorgestelde feit, historisch onwaar zijnde, alleen een oppervlakkige beschouwing verdient, die geen blijvenden indruk achterlaat, zoo kan het tafereel, als allegorie aangemerkt, eer getuigen van een hulde door den Landsheer gebracht aan de Burgerij, die hier bevoorrecht wordt, dan van een hulde aan den Vorst, die ’t voorrecht schenkt. Eene gelijke gedachte moest de glasschilderij doen ontstaan, die voorheen boven den ingang van ’t Zuiderkruispand prijkte en den Aartshertog Maximiliaan voorstelde, aan de stad vergunnende boven haar wapen de Roomsch-Koninklijke kroon te voeren. Wij leeren het uit de woorden van het privilege zelf, dat de Vorst op 11 Februari 1488 (1489) aan Amsterdam schonk. Zoowel die schenking als eene andere, vijf dagen vroeger gedaan en waarbij de rechtsban der Stad werd uitgebreid—geschiedde, „overmits die menickvoudige getrouwe diensten, die de Coopstede en waer vele en diversche Coopluijden woonden” den Vorst „gedaen had, in diversche manieren daghelycx deed” en omdat de Stad nog met geen behoorlijk wapen „geciert” was, terwijl intusschen haar „Poorteren ende inghesetenen dagelijck, met haren scepen ende goeden, te water ende te lande, in vele verre ende vreemde Rijcke ende Landen converserende waren in Coopmanschappen.”—Wie ziet hier niet de majesteit des Vorsten, die afhaalde, die zich—wil men—vernederde tot de machtige poorters en koopluiden, wier bijstand hij ondervonden had en nog voortdurend behoefde. Het was op beide glasramen alzoo de Amsterdamsche handelaar, die den toeschouwer scheen toe te roepen: „zoover hebben wij ’t door zeevaart en nijverheid gebracht, dat wij de Landsheeren genoodzaakt hebben onze hulp en ondersteuning door schitterende voorrechten te koopen.”Maar liever dan naar die glasramen keeren wij ons nu Oostwaarts, naar het hooge koor. Door het prachtige hek van gegoten koper, dat op eene marmeren borstwering rust en welks zware lijst met het Stadswapen is versierd, valt het oog op een aanzienlijk praalgraf, hoedanig weinige Vorsten, ja Koningen, bezitten, en dat de geheele ruimte beslaat, die in Roomsche kerkkoren, het outer des kerkheiligen met zijn toebehooren inneemt. ’t Is waar, de man, die hier begraven ligt, was gerechtigd geweest een Hertogskroon te voeren; ’t is waar zijn deugden hadden hem, indien hij in de eerste Christeneeuwen geleefd had, misschien heilig doen verklaren—en toch, wie aan Michiel AdriaanszoonDe Ruijter denkt, dien zweeft geen beeld voor den geest, dat óf de gouden kroon eens Hertogs, óf de stralenkroon eens martelaars draagt; maar veeleer dat van den wakkeren knaap, den zoon van behoeftige ouders, die, de lijnbaan verlatende om de baan der eere te betreden, als zeeman alle rangen doorliep en geen anderen roem kende dan dien van God en de Heeren Staten te dienen; het beeld van den meest nederige, den meest eenvoudige, meest burgerlijke onder de groote helden van alle tijden, en tevens, als toonbeeld van moed, van beleid, van volharding, van vertrouwen op hoogeren bijstand, mede een type der deugden van de oude Republiek.—Schonken drie Koningen van Europa hem adellijke wapenen, ridderlijke eeretitels en een vorstenrang, meer gewicht hechtte hij, hechtten zijne landgenooten aan het Groot-Poorterschap van Amsterdam, hem door de Wethouderschap verleend. Men raadplege Brandt, die in dezen eenvoudig uitdrukte, wat een ieder hier te lande dacht en gevoelde. Dat De Ruijter Vice-Admiraal, Luitenant-Admiraal, Opper-Admiraal werd, dat hij brieven van adeldom en een Hertogstitel ontving, dat was zeker veel; maar het waren verhoogingen, die in den gewonen loop der dingen elkander wel moesten opvolgen;—doch dat De Ruyter ’t Groot-Burgerschap van Amsterdam bekwam, dat zei in de oogen van zijn levensbeschrijver vrij wat meer,—want, vervolgt hij na ’t vermelden van het feit—„de Admiraal werd daardoor in staat gestelt dat hij in tijt en wijle tot de hoogste ampten van stadsregeeringe kon worden gekozen.”Een ampt van Stadtsregeeringe!dat beteekende in de oogen der Amsterdammers nog heel wat anders dan een Vlootvoogds-staf of een Hertogskroon! En toch, zooverre mocht De Ruijter het niet brengen, dat hij ooit in Amsterdam zoodanig ambt, zelfs geen Commissariaat van Kleine Zaken verwierf! Hij verwierf er meer: Hij verwierf er een graf, en was het wel niet de Stad, waren het de Staten, die aan De Ruijter dat marmeren gedenkteeken stichtten, het was toch uit aanmerking van het Burgerschap, door De Ruijter te Amsterdam bekleed dat Hunne Edelmogenden besloten het lichaam des Helds aldaar ter aarde te doen bestellen en niet in Rotterdam, dat op die eere had aanspraak gemaakt.In dat zelfde koor, waar thans door landgenoot en vreemdeling de graftombe van De Ruyter met eerbied beschouwd wordt, zien wij ook aan een der zijwanden een ander gedenkteeken ophangen ter nagedachtenis van Wolter Jan Baron Bentinck, een der helden van de Doggersbank en aan de gevolgen eener daar bekomen wond op 24 Augustus 1781 overleden; ook hij in een strijd, meer bijzonder door ’t belang van den handel uitgelokt en tot bescherming van dat belang gevoerd.En nabij dat koor, aan de Zuidzijde, vinden wij tusschen twee pilaren, de grafstede van David Sweers, den wakkeren kapitein ter Zee bij de Admiraliteit van Amsterdam, te vroeg voor het Vaderland, maar tijdig reeds voor zijn roem, gesneuveld in dien merkwaardigen slag voor Solebaai, die op 21 Augustus 1673 tegen de Konings-vloten van Frankrijk en Engeland geleverd werd; gesneuveld,evenals de beiden vroeger genoemden, op ’t bed van eer in de armen der overwinning.Wenden wij ons van ’t koor Noordwaarts af: schuins achter den predikstoel zien wij het marmeren praalgraf van den Commandeur Jan Van Galen, den ontembaren schrik der zeeën, den held, wiens reuzenarm daden verrichtte, die ons de fabelachtige wapenfeiten der Paladijnen uit de oude ridderromans in ’t geheugen roepen, en wiens kloek beleid als Scheeps- en Vlootvoogd de zege won, waar zijn vlag zich vertoonde. Ook hij kocht zijn laatste overwinning met zijn bloed, in den zeeslag bij Livorno, 14 Maart 1653 gestreden. Maar met zwijgend hoofdschudden gaan wij de volgende graftombe, die van den Admiraal Van Kinsbergen, aan de Noordwestzijde der Kerk, voorbij; want geene herinneringen, die den indruk van ’t geheel levendig houden, wekt zij, zooals de gedenkteekenen, die wij straks bezochten, bij ons op. Immers welken roem zich Van Kinsbergen op zee verworven, welke achting hij als mensch, als staatsdienaar, als voorstander van letteren, wetenschappen en kunsten, moge verdiend hebben, op een praalgraf in de Nieuwekerk had hij geen recht, want op zijne tombe kan niet, als op elke andere, hier ter eere eens helds gesticht, hetdulce et decorum est pro patria morigelezen worden. Alleen aan de dapperen, die in dienst van den Staat en aan de wonden, in diens dienst ontvangen, het leven verloren, kende ’s Lands Regeering eene graftombe toe onder de gewelven harer kerken:—en welke aanspraak kon hij, de man, die ’t grootste deel zijns levens in vreemden dienst doorbracht en rustig op zijn bed den adem uitblies, dan maken op een eer, welke aan geen Meppel, aan geen Aert Van Nes, aan geen Kornelis Tromp te beurt was moge vallen! Al mogen wij onderstellen, dat Van Kinsbergen te veel vreemdeling in de geschiedenis zijns eigen Lands geworden was om zich dat alles te herinneren, toch mogen wij het voor ’s mans eer betreuren, dat hij een lofwaardige, ja in vele opzichten glansrijke loopbaan besloot met eene daad van ijdelheid, door zich zelven na zijn dood een gedenkteeken te doen stichten en dat op eene plaats, waar hij niet behoorde.Maar—daar tegenover het zijne, aan de Zuidwestzijde, daar willen wij een poos verwijlen bij het eenvoudiger, maar voor ’t minst verdiend gedenkteeken, aan de nagedachtenis van den Amsterdamschen burgerwees gewijd en zoo wel passend in de Burger-kerk. Kort was de loopbaan van Van Speyk en zij werd maar door een buitengewoon feit gekenmerkt en tevens besloten, maar dat feit had, toen het voorviel, eenen gewichtigen invloed. Het leerde aan den vreemdeling dat de aloude heldenaard, dien men in de Hollandsche harten waande uitgedoofd, zich nog krachtvol openbaren kon, ja, den dood boven de schande deed verkiezen;—en het deed bij den ontmoedigden landgenoot de hoop en ’t vertrouwen herleven. De vlag, die op 5 Februari 1831 ten hemel vloog, was het voorteeken van de glorie, in de tien Augustusdagen van dat zelfde jaar verworven.Van Galen, Sweers, De Ruijter, Bentinck, Van Speyk, ’t was inverschillende tijdperken dat zij den dood trotseerden, maar ’t was voor eene zaak: voor de onafhankelijkheid van den Staat, aan welken zij trouw gezworen hadden en waarvan de vlag hun ten zinnebeeld verstrekte.De Zuidzijde langs gegaan, komen wij terug naar de plaats, door ons verlaten, in het kruis der kerk; wij laten eene bank, hier in de nabijheid, ter zijde schuiven en vestigen de oogen op de zerk No. 231, die voor ons ligt; die zerk draagt een versleten, nauwelijks leesbaar opschrift, dat aldus luidt:Hic Jacet VondelusPhoeboe et musis amicus.dat is al; ’t is of het Kerkbestuur zich geschaamd heeft, dat geen aanzienlijker gedenkteeken de plaats aanwijst, waar het gebeente van Neerlands hoofddichter rust en dat het daarom zorg heeft willen dragen, die zerk aan de oogen der bezoekers te onttrekken. Maar, al hadden wij ook die zerk niet gezien, en al riep ons van gindsche pilaar, van onder de lijkbus, door ’t GenootschapDiligentia Omniaaldaar geplaatst, de naam van „Vondel” het ons niet toe, wij wisten het, in de Nieuwekerk slaapt de onovertrefbare Bard, die haar verwoesting door den brand op zoo treffende wijze had bezongen. En wie meer dan hij was een graf waardig in die Kerk, door de Aristocratie van den handel gesticht, en de Aristocratie, die uit den handel was, vertegenwoordigende? Wie meer dan hij, de zoon des volks, de eenvoudige winkelier, die zijn genie bij zijne geboorte ontvangen, maar zijn roem aan nauwgezette studie, aan onverpoosd streven naar kennis, aan gestadige volharding, te danken had? De Keulenaar, die tevens, ondanks zijne artistieke, Zuid-Nederlandsche richting, zijne onderworpenheid aan Rome en zijn eerbied voor ’t goddelijk gezag der Vorsten, toch, steeds Hollander in ’t hart en Amsterdammer bovenal, nimmer zweeg, waar het de eer van Holland en die van de Stad zijner inwoning gold, toch voor de Amsterdamsche Patriciërs schier gelijken eerbied koesterde als voor den Paus, toch zelfs den Koning uit het hem zoo dierbare Huis der Stuarts, toen die zich aan de Republiek vergreep, den krachtigen banvloek des Dichters naar ’t hoofd durfde slingeren? Ja gewis, de Kerk, die waardig was het stoffelijk overschot te ontvangen van Neerlands beroemdsten zeeheld, was het ook om het gebeente te bewaren van Neerlands beroemdsten dichter. En even als De Ruyter, indien hier de dooden hunne zerken verlieten, door wakkere zeehelden, zoo ook zou Vondel zich omringd zien door wakkere letterhelden. Immers in die Nieuwekerk rusten, verstrooid en verspreid, zoo velen, die met Vondel sieraden waren onzer letterkunde, de meesten evenwel zijn vrienden en geestverwanten. DaarSluimert Baerle neffens Hooft.Van Baerle, de geleerde, de smaakvolle Latijnsche en Nederduitsche Zanger, en daarbij jaren lang Vondels medestrijder tegen de Contra-Remonstrantschepartij; Hooft, de Tacitus van Nederland, de beste geschiedschrijver zijner eeuw, de beschaafde, fijne, vernuftige, schrandere Aristocraat, die in den tijd der hevigste staatsgeschillen elke klip wist te vermijden en, geheel zijn leven door, zijn invloed wist te bewaren, zoo bij den Prins, wiens gezag hij vertegenwoordigde en handhaafde, schoon zijn voorliefde niet zoo bij de Prinsenpartij was, als bij de Amsterdamsche Magistraten, schoon hij nimmer onder hun getal werd opgenomen. Nog zoo velen, vrienden, vereerders en beschermers van Vondel vonden daar in de Nieuwekerk eene laatste rustplaats, en zoo aan hem, aan die allen een gedenksteen ware opgericht, die Kerk zou aan Westminster of aan het Pantheon niets te benijden hebben.En al die groote mannen, wat waren zij? schier zonder uitzondering zonen van die eeuw, waarin zich de burgers van ’t vrijgevochten Vaderland, den weg ter eere wisten te banen. Geen vorst noch koningszoon rust hier; de boekdrukker ligt er naast den geneesheer, de winkelier naast de Stadsregenten, maar die boekdrukker, die geneesheer, die winkelier hebben zich een roem verworven, die menigen vorstenroem verdonkert, en die Regenten zelven, zij mogen met luidklinkende titels van aangekochte of aangeërfde Heerlijkheden pralen, zich met vreemde ridderteekens omhangen of zelfs geslachtslijsten ontrollen, om een ware of vermeende adellijke afkomst te bewijzen, de oorsprong van hun aanzien en gezag ligt alleen in hun poortrecht, als burgers van Amsterdam, dat hun de bevoegdheid gegeven heeft om op te treden als handhavers der vrijheden, als verdedigers der onafhankelijkheid, als bevorderaars van den bloei en de macht der stad hunner inwoning. Dat poortrecht, gevoegd bij de schatten, die zij of hunne vaderen in den handel hebben verworven, bracht hen in de Regeering, die Regeering weder in ’t Staatsbestuur en zoo breidde zich hun invloed al verder en verder uit om overwegend te gelden in al de deelen der wereld.Zoo hebben wij onze beschouwing volbracht en zoo wij ons vleien het bewijs geleverd dat de Nieuwekerk als een type van Amsterdam kan beschouwd worden.’t Is waar, drie malen heeft de Nieuwekerk eene plechtigheid binnen hare muren zien vieren, oogenschijnlijk bestemd om een anderen indruk te verwekken, dan die tot nog toe ontvangen werd.—Drie Koningen zijn er achtereenvolgens gehuldigd met de praal en den luister, onafscheidelijk van dergelijke plechtigheid. Dan zag men boven den opgerichten koningstroon het koningswapen blinken van onder het fluweelen verhemelte: dan zag men de Vertegenwoordigers der Mogendheden van Europa, in de luistervolle kleeding, passende aan hun rang, met breede ordelinten, vlammende sterren en schitterend borduursel overdekt, vereenigd, om getuigen te zijn hoe nu een nieuwe Regeerder op zou treden in de Vorstenrij, dan zag men de hooge Staatsambtenaren, de leden der Wetgevende Vergadering, de Hooge Colleges van Staat, de Staatslichamen, aan wier zorg de belangen van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid en wat niet al meer, waren opgedragen, in plechtgewaadopgekomen, dan flonkerde het goud en zilver van de prachtige monteeringen der krijgsoversten en van de zwierige pronklivreien der hoogere en lagere hofbeambten; dan werd het oog verblind bovenal door al dat ruischende satijn, door al die wolken van gaas en zwanendons, door al die festoenen van kostbaar kant en gebloemte, die pluimen en zijde, door al die puikgesteenten en paarlen, waarmede het schoon verhoogd werd dier aanzienlijke vrouwen, met Neerlands nieuwe Koningin aan ’t hoofd alhier verschenen, opdat aan den luister der plechtigheid niets ontbreken zou; dan kondigde de stem des Wapenkonings van de trappen des troonzetels den volke aan dat Nederland een nieuwen Koning had verkregen.Maar wanneer wij, niet tevreden met de beschouwing van de oppervlakte der dingen, tot de zaak zelve doordringen, wanneer wij die plechtigheid op zichzelve nemen, in haar zin en strekking, ontdaan van dien feestelijken tooi, van al wat bloot uiterlijk vertoon en alleen bestemd is om de zinnen te bedwelmen, wat is dan die beteekenis, welke die driewerf herhaalde huldiging met zich bracht? Het gold hier het sluiten van een verbond tusschen den Koning en de Natie, waar wederkeerig eeden van trouw werden gegeven en ontvangen, en hier zweeft ons voor den geest het denkbeeld aan een maatschappelijk verdrag, aan instellingen, verkregen door de toepassing van die begrippen van vrijheid, verdraagzaamheid en verlichting, die in Nederland het eerst gepredikt, voorgestaan, verdedigd en gehandhaafd, allengs ook elders overgeplant en door tijdsverloop ontwikkeld werden. Inderdaad heeft alzoo die plechtigheid der huldiging zoomin iets, dat ons de majesteit van het souverein gezag voor oogen roept, als de straks besproken schenking van het Stadswapen door Graaf Willem IV, of die van de koningskroon boven dat wapen door Maximiliaan, integendeel is zij eene erkentenis, door den Vorst gedaan, dat hij voor en met de Natie regeeren moet, en niet van zijne geboorte alleen, maar ook van haar, zijn recht tot het opperbestuur ontleenen wil: eene hulde dus wederom aan dien geest voor onafhankelijkheid, waarvan Amsterdam aan de Oude Republiek zoo krachtig het voorbeeld had gegeven.

Laurens Reael.Gij zult zeker wel eens gehoord hebben, mijne Lezers! of misschien zelven wel hebben opgemerkt, dat de geschiedenis van meest alle beroemde natiën een bijzonder tijdvak oplevert, van al de overige onderscheiden door de ontwikkeling van volkswelvaart, door den bloei van kunsten en wetenschappen, door het opkomen van groote en beroemde mannen; een tijdvak, bij hetwelk men, onder het lezen of bestudeeren der geschiedenis, met welgevallen vertoeft, en ’t welk men zich te gemakkelijker herinnert, omdat het doorgaans den naam draagt van het doorluchtigste personage, dat er in leefde. Zoodanig tijdvak was, voor Griekenland, de eeuw van Perikles: voor het oude Rome, de eeuw van Augustus: voor het latere Italië, de eeuw der Medicissen: voor Frankrijk; de eeuw van Lodewijk XIV: voor ons vaderland, de eeuw van Frederik Hendrik.Ik onderstel, dat het u niet onbekend zal zijn tot welk een hoogen trap van welvaart, roem en macht ons jeugdig en krachtvol Gemeenebest zich gedurende het leven van Frederik Hendrik verheven had, en welke uitstekende mannen het had voortgebracht. Gij zult u inderdaad geen vak van kunst of wetenschap voor den geest kunnen brengen, waarvan Nederland in die dagen niet een vertegenwoordiger opleverde, wiens roem voor of na hem schaars geëvenaard, veel min overtroffen werd. Denkt maar aan Oldenbarneveldt, aan De Groot, aan Maarten Harpertszoon Tromp, aan Hooft, aan Vondel, aan Rembrandt, aan zoovele anderen, die in verschillende opzichten medewerkten tot het bevorderen van den luister van ons vaderland. Van de mannen, die ik u daar noemde, hebt gij zeker meermalen hooren spreken, hun levensgeschiedenis, hun werken, hunne verrichtingen zullen u niet geheel onbekend zijn;—maar buiten hen leverde die eeuw van Frederik Hendrik nog zoo menigen staatsman, krijgsman, dichter, geleerde of kunstenaar op, wien gij nooit of niet dan terloops hebt hooren vermelden, en die toch evenzeer verdient, dat gij met hem bekend raakt. Welnu! ik wil u een kort overzicht geven van het leven en bedrijf van een man uit dat tijdvak, die tevens staatsman, krijgsman, dichter en geleerde was, en die zich in elkedier zoo uiteenloopende hoedanigheden de bewondering en de achting zijner tijdgenooten verwierf. Die merkwaardige man was Laurens Reael.De vader van Reael was een rijke graanhandelaar, van Hollandsche afkomst. Hij had eerst kantoor te Dantzig gehad, doch zich omtrent de helft der zestiende eeuw nedergezet te Amsterdam. In dien tijd en nog lang naderhand hadden de meeste menschen nog geene familienamen: de een onderscheidde zich van den ander, òf door het aannemen van zekeren bij- of toenaam, aan de plaats zijner geboorte, aan zijn beroep of aan andere bijzondere omstandigheden ontleend; òf en dit in de meeste gevallen, door eenvoudig den naam zijns vaders achter den zijnen te plaatsen. Zoo noemde de een zich Jan Pieterszoon, de ander Klaas Dirkszoon, een derde Harmen Tijmenszoon en zoo heette ook onze graanhandelaar, toen hij te Amsterdam kwam wonen, Laurens Jakobszoon. Dan, sedert hij een huis had betrokken op het Water over de Papenbrugsteeg, in den gevel van welks huis eengouden reaelwas afgebeeld, gaf men hem, ten einde hem niet te verwarren met andere Jakobszonen, den toenaam van Reael.—Gij weet, hoop ik, wat een reaal was en hoevele oude duiten, zulk een geldstuk gold.Laurens Jakobszoon Reael had niet lang te Amsterdam gewoond, toen de onlusten ter zake van den godsdienst een aanvang namen. Gij weet ongetwijfeld, hoe onder Karel V en vooral onder Pilips II de Inquisitie alle pogingen in ’t werk stelde, om de Hervorming, die hier te lande vele aanhangers telde, te onderdrukken. Reael behoorde ook onder hen, die de leer der Hervormden omhelsd hadden, en hij wist zelfs, met vier andere vermogende burgers te bewerken, dat het aan hunne geloofsgenooten werd toegestaan, openbare godsdienstoefeningen binnen Amsterdam te houden. In weerwil daarvan bleef hij zeer gezien bij de toen nog Roomschgezinde Overheid der Stad, en niet zonder reden. Het was gedeeltelijk aan zijne bemoeiingen te danken, dat de beeldenstorm, die elders zoo hevig woedde, te Amsterdam geen plaats had: en hij wist op verzoek der Regeering, zelfs met levensgevaar, een oproer te stillen. Ook blonken zijn beleid en voorzichtigheid uit in het bevorderen der rust ten tijde van Brederodes kortstondig verblijf te Amsterdam. Prins Willem I had aan hem groote verplichting; onder andere leende Reael hem eens ƒ 10,000—in die dagen, toen het geld vrij wat meer waarde had dan tegenwoordig, een aanzienlijke som. Toen Amsterdam in 1578 tot ’s Prinsen partij overging en een nieuwe Magistraat koos, behoorde Reael tot de leden der nieuwe vroedschap en handhaafde, in 1587, als kolonel der Burgerij, krachtdadig het gezag der Stad tegen den Graaf van Leicester.Reael had bij zijne vrouw, Grietje Nieuwes Pietersdochter, verscheidene kinderen gekregen, waarvan Laurens, die op den 22sten October 1583 geboren werd, de jongste was. Zijn aanzienlijk vermogen stelde hem in staat, aan die kinderen een goede opvoeding te geven en hij spaarde daartoe ook geene kosten. Zoo leerde onze Laurens, behalve de Latijnsche en Grieksche talen, wier kennis in die dagenhoog noodig was, ook de Fransche, Engelsche en Italiaansche. Wel had hij het ongeluk reeds in 1600 zijn vader te verliezen; doch hij vond vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders Jakob en Pieter, en vooral ook in den man van zijn zuster Lijsbestjen. Deze laatste was getrouwd met den Hoogleeraar Jakobus Arminius, denzelfden, die zich zoo bekend maakte door zijn godgeleerde twisten met Gomarus, en naar wien de Remonstranten wel eens Arminianen genoemd worden. Ik moet u echter in ’t voorbijgaan waarschuwen, dat, ofschoon men wel de benaming „Lutherschen” of „Mennisten” bezigen kan zonder aanstoot te geven, die van „Arminiaan” voor een scheldnaam gehouden wordt, en gij u dus moet wachten, dien te gebruiken.—Arminius nu trok zich zijn jongen zwager bijzonder aan, er boezemde hem een groote zucht in voor de wiskunst, waarin de jonge Laurens dan ook bijzondere vorderingen maakte, welke hem later uitmuntend te stade kwamen. Hij studeerde bovendien te Leiden in de rechtsgeleerdheid.Maar bij dit alles toonde Reael, reeds van jongs af, veel aanleg voor de poëzie, en vervaardigde al vroeg, zoowel in zijn moedertaal als in ’t Latijn, verdienstelijke gedichten. Zoo vereerde hij onder anderen, toen Arminius in 1606 overleed, diens afbeelding met een Latijnsch bijschrift, ’t welk evenzeer van zijn bekwaamheid als van zijn dankbaarheid getuigde.De vader van Reael was zelf een niet ongelukkig beoefenaar der dichtkunst geweest, en had omgang gehad met vele lieden van smaak, met wie nu ook de zoon in kennis kwam. Onder de zoodanigen behoorde Roemer Visscher, wiens woning een verzamelplaats was van schrandere vernuften. Roemer Visscher had twee dochters, beiden nog beroemder dan hij zelf. De oudste, Anna, was van de jaren van Reael, de andere, Tesselschade, vrij wat jonger: beiden waren dichteressen, in verscheidene talen bedreven, zongen en speelden verrukkelijk, wisten fraai te borduren, letters en figuren in ’t glas te snijden, in ’t was te boetseeren: in ’t kort, zij hadden allerlei begaafdheden: doch waren tevens, wat nog meer zegt, hoogst beschaafd van manieren, braaf van karakter en alleraangenaamst in den omgang. Geen wonder alzoo, dat men haar gezelschap zocht, en dit ook van den gunstigsten invloed was op Reael. Er is niets, dat voor jonge lieden zoo heilzaam en nuttig is als de omgang met welopgevoede, verstandige en deugdzame vrouwen; en zoo Reael naderhand een goed figuur gemaakt heeft aan de Hoven van Vorsten en Grooten, hij heeft dit gewis daaraan voornamelijk dank mogen wijten, dat hij van jongs af in zoo goed gezelschap had verkeerd.Ten huize van Roemer Visscher ontmoette Reael den grooten dichter en geschiedschrijver Pieter Corneliszoon Hooft, die van zijne jaren was, en met wien hij een vriendschap sloot, die hun leven lang voortduurde.De betrekking, die tusschen Arminius en Reael bestond, had dezen al vroeg in kennis gebracht met aanzienlijke Remonstrantsgezinden, als De Groot, Uyttenbogaert, en anderen, en hierdoor ookmet den beroemden advocaat van Holland, Mr. Joan Van Oldenbarneveldt. Deze, die spoedig zag, wat er in iemand school, begreep van de bekwaamheid des jongen Reaels partij te moeten trekken en bezorgde hem een ambt bij de geldmiddelen, ten gevolge waarvan Reael zijn woonplaats naar ’s Gravenhage overbracht, waar hij tot in 1611 vertoefde om een nieuwe en nog luisterrijker loopbaan in te treden. Ik zal u verhalen wat daartoe aanleiding gaf.Onder andere belangrijke diensten, welke Oldenbarneveldt aan het vaderland bewezen had, was ook deze, dat hij een der voornaamste bevorderaars was geweest van de stichting der Oost-Indische Maatschappij. Onze macht in de Oost was toen nog niet wat zij later werd, noch waren onze bezittingen zoo uitgebreid: de inrichting was nog in haar beginselen en het vestigen van het gezag der Hollanders in die verwijderde gewesten was alles behalve een gemakkelijke taak. Men had in de Oost te kampen niet alleen tegen de doorgaande vijandige Mahomedaansche, Indische of Chineesche ingezetenen, maar ook tegen de Spanjaards en Portugeezen, die mede in die streken bezittingen hadden, welke zij begeerden te behouden, ja uit te breiden. Zelfs toen het twaalfjarig Bestand in 1609 met Spanje gesloten, en alzoo in Europa de strijd tusschen de oorlogvoerende partijen gestaakt werd, bleef die in de Koloniën voortduren. De middelen van gemeenschap tusschen Holland en de Oost waren nog traag, ongeregeld en onzeker, en er moest veel worden overgelaten aan hen, die zich ginds aan ’t bestuur der zaken bevonden. Ongelukkig waren velen onder de bevelvoerders louter gelukzoekers, die meer hun eigen belangen dan die der Maatschappij voor oogen hielden, die de bevelen van den Gouverneur-Generaal niet nakwamen of zelfs tegenwerkten, en die door hun onbehoorlijke handelingen de Hollanders bij de Oosterlingen in een kwaden naam brachten. Dit kon naar het oordeel der Bewindhebbers zoo niet blijven voortduren. Er moest eenheid in het bestuur komen, en het bevel over de volkplantingen niet worden toevertrouwd dan aan mannen, die aan moed en bekwaamheid ook eerlijkheid en braafheid paarden, in één woord, op wie men vertrouwen kon. Zoodanig een man meende Oldenbarneveldt in Reael gevonden te hebben, en hij beval hem daarom den Bewindhebbers aan, die eerlang besloten, hem het bevel over een onderneming, naar de Oost bestemd, toe te vertrouwen. Zeker was het geen geringe eer voor iemand van nog zoo jeugdigen leeftijd, met een zoo gewichtige zending te worden belast; maar tevens behoorde er moed en zelfvertrouwen toe bij iemand, die tot nog toe de stille, rustige betrekking van ambtenaar aan een landsbureau bekleed had, zoo op eenmaal de taak van krijgshoofd te aanvaarden. Reael zag hier echter te minder tegen op, omdat zijn wiskunstige studiën hem er als van zelven toe gebracht hadden om zich ook in de zeevaart- en krijgskunde te oefenen. Hij nam dus het hem opgedragen bevel aan, en stak, in 1611, als Commandeur over vier schepen in zee. Overeenkomstig de bevelen, welke hij van de Bewindhebbers ontvangen had, stevende hij naar de Molukken, die gedeeltelijk in handen der Spanjaardswaren en welke het hem was opgedragen, geheel onder het gezag der Maatschappij te brengen. Zich in Ternate gevestigd hebbende, gaf hij aldra blijken van kloekheid en beleid. Het eene fort voor, het andere na, wist hij op de Spanjaards te veroveren; verscheidene kleine eilanden werden door hem bezet; met de meeste Inlandsche Vorsten ging hij overeenkomsten aan in ’t belang der Maatschappij, en hij vestigde den handel in landen, waar vroeger de Hollandsche naam nauwelijks bekend was geweest.—Wel rustten de Spanjaards een vloot in Manilla uit, bestemd om de onzen te verdrijven uit hunne bezittingen; doch Reael had al de plaatsen onder zijn gebied in zulk een goeden staat van verdediging gesteld, dat de onderneming geen gevolg had.Geen wonder was het, na zulk een voordeeligen uitslag, dat het Gouvernement over de Molukken, hetwelk Reael eerst maar voorloopig gevoerd had, hem door de Bewindhebbers bepaald werd opgedragen; geen wonder, dat, toen in 1616 de Gouverneur-Generaal Reynst overleed, Reael met eenparige stemmen tot zijn opvolger gekozen werd. Deze keuze werd algemeen gebillijkt: alleen waren er, die het gevaarlijk vonden, juist voor zijn groote bekwaamheid, dat hem zulk een groot gezag werd toevertrouwd: immers, beweerden zij, men waagde, dat hij zich van alles meester zou maken, en zich tot onafhankelijk hoofd der Koloniën verheffen. Die vrees bleek echter door de uitkomst ijdel en onnut te zijn: want Reael was niet alleen bekwaam maar ook vroom en getrouw.—Hij rechtvaardigde volkomen de goede verwachtingen, welke zijn lastgevers van hem hadden opgevat. Zoolang hij in de Oost het bewind voerde, wist hij het gezag der Maatschappij te doen eerbiedigen. Met zijn bondgenooten leefde hij in vrede en aan zijn vijanden boezemde hij zulk een ontzag in, dat zij het niet waagden de rust te verstoren. Dit een en ander was iets geheel nieuws in de geschiedenis onzer volkplanting, waar, tot dien tijd, voortdurend strijd was gevoerd geweest.—Maar Reael deed nog meer; hij wist het vertrouwen der Inlandsche vorsten en volkeren te winnen, in de eerste plaats door zorg te dragen dat hetgeen men hun verkocht van goede hoedanigheid was, en al wat men kocht prompt betaald werd:—in de tweede plaats, door de ambtenaren binnen de grenzen van hun plicht te houden en elk vergrijp streng te straffen. „Dat heet eerst regeeren!” zeide Hooft van hem. De wijsheid en rechtvaardigheid, door Reael aan den dag gelegd, droegen spoedig goede vruchten: het krediet der Hollanders rees boven dat der Engelschen en Portugeezen, en het beloop der retouren—of terugvrachten—gedurende zijn bewind naar het Moederland gezonden, bedroeg bijna het dubbel van dat van vorige jaren.Reael was echter niet gezind, zijn leven in de Oost te slijten. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag en droeg in Juni 1618 het gezag op aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pietersz. Koen. Echter verliet hij de Oost niet, voor dat hij dezen behoorlijk in ’t bestuur gevestigd zag. Hij ging daarom met hem over Amboina naar Jacatra, bleef bij hem, tot dat deze plaats veroverd was, en beraamde met hem de noodige maatregelen tegen de vijandelijkeJavanen en tegen de Engelschen, die hen opstookten. Zoo legden zij samen de grondvesten van Batavia, met welks stichting eigenlijk de vastheid der Maatschappij haar aanvang nam.—In Augustus 1619 zette Reael weder koers naar het vaderland, waar hij in ’t begin des volgenden jaars behouden aankwam.Allerluisterrijkst was de ontvangst, die hem te Amsterdam te beurt viel: alles liep uit om hem te zien en te verwelkomen. Dan, hoezeer de bewijzen van achting en genegenheid, welke hij van zijn stadgenooten ondervond, hem bijzonder streelden, hij moest van een anderen kant vrij wat smart en teleurstelling ondervinden, bij ’t zien, hoe de staat van zaken intusschen veranderd was. Zijn beschermer Oldenbarneveldt was veroordeeld en ter dood gebracht: velen onder zijne vrienden, als De Groot, Uyttenbogaert en anderen, ten lande uitgeweken: en er was weinig kans, dat de partij, die thans aan ’t hoofd was, hem vooreerst tot staatsbedieningen roepen zou. Hij zelf kon niet verlangen een Regeering te dienen, met welker inzichten hij niet overeenstemde.Voor iemand, die alleen staats- of krijgsman ware geweest, zou het leiden van een ambteloos leven op zijn zeven en dertigste jaar allervervelendst zijn geweest: maar niet voor Reael, die in zijn uitlandigheid de zucht voor de fraaie letteren niet verleerd had, en in hare beoefening bezigheid en troost kon zoeken. Hij begaf zich op zijn hofstede in de Beverwijk, waar hij, onder andere genoegens van het buitenleven, de nabuurschap genoot van den geleerden Amsterdamschen koopman Laurens Baeck en diens kinderen, allen groote minnaars van poëzie en letterkunde. Vondel was bij Baeck een welkome gast; hij had vroeger Reael bij Roemer Visscher ontmoet, hernieuwde thans zijn betrekking met hem en droeg hem, onder andere bewijzen van vriendschap en hoogachting, zijn meesterlijk dichtstuk: „het lof der zeevaart” op. Met Vondel en den gewezen Pensionaris van Zeeland Antonis De Huybert, legde Reael geregelde bijeenkomsten aan, waar hij zich gewoonlijk toelegde op het stellen van regels, betreffende de taalschikking, de woordvoeging, de bepaling der geslachten en de spelling, alle zaken, waarover men tot dien tijd nog weinig gedacht, veel min geschreven had; ook hielp hij Vondel aan de vertaling van het treurspel de Troas, uit het Latijn van Seneca.Doch al wist Reael zijn ledigen tijd dus op een aangename en nuttige wijze met letteroefeningen te korten, hij bleef daarom niet onverschillig omtrent de algemeene belangen, en, kon hij den Staat niet dienen, hij deed in verschillende opzichten dienst aan zijn geboortestad Amsterdam. Deze moest, vanwege den toenemenden aanwas der bevolking, gedurig vergroot en uitgelegd worden: en hoe Reael daartoe medewerkte blijkt uit het in zijnen tijd met huizen volgebouwde en naar hem genoemde Reaelen-eiland.Zoolang Prins Maurits leefde, en nog een wijl na zijnen dood, bleef Reael een ambteloos leven leiden. Niet alleen stelde Hooft vruchtelooze pogingen in ’t werk om hem in 1623 tot Gezant te Venetië te doen benoemen, maar zelfs, toen in hetzelfde jaar onderhandelingenwaren aangevangen tot vereffening der geschillen tusschen de Engelsche en Hollandsche Oost-Indische Maatschappijen, werd hij, de gewezen Gouverneur-Generaal, die meer dan iemand hier te lande ondervinding en kennis van het onderwerp bezat, niet bij de onderhandelaars gesteld. Het duurde echter niet lang meer, of men begon het onbillijke en verkeerde in te zien om iemand van zijne bekwaamheden buiten betrekking te laten. Het gebeurde, dat de Staten-Generaal noodig keurden een vloot in zee te zenden, die, gezamenlijk met een Engelsche vloot, de Spanjaards op hun eigen kusten bestoken zou. Willem Van Nassau, zoon van Prins Maurits, was destijds Admiraal van Holland; de Staten achtten het noodig, hem een Vice-Admiraal toe te voegen, die kunde paaide aan moed en beleid—en zij droegen die betrekking op aan Reael. De zeetocht had plaats, doch had niet die uitkomsten, welke men gehoopt en verwacht had, en de vloten keerden terug zonder iets bijzonders te hebben uitgericht. Dit was niet de schuld van Reael, die zich op lofwaardige wijze van zijne taak gekweten had, maar van verschil van meeningen tusschen de bevelhebbers der beide vloten; en in ’t algemeen ziet men zelden iets goeds komen van ondernemingen, waarbij legers of vloten van verschillende natiën moeten samenwerken. Nationale zoo wel als persoonlijke jaloezie en wangunst brengen dan meestal teweeg, dat die gewenschte samenwerking in tegenwerking verandert.Hoe men de verdiensten van Reael nu erkende, bleek daaruit, dat hij, schier onmiddellijk na zijn terugkomst, tot Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie werd aangesteld, in welke betrekking hij—gelijk men zegt—in zijn element was en de belangrijkste diensten bewees. In 1626 werd hem een nieuwe eerepost opgedragen, namelijk om Koning Karel I van Engeland, bij diens kroning te begroeten. Dit was, zult gij zeggen, nog al geen moeielijke zending; het is toch een zoodanige, welke men niet opdraagt, dan aan menschen, die zich zekeren naam hebben verworven en zich door het gemakkelijk spreken van onderscheidene talen, door goede manieren en fijnen smaak, onderscheiden. Maar bovendien had Reael, behalve deze openbare zending, nog een geheimen last, namelijk om de belangen zijns vaderlands bij de Engelsche Oost-Indische Maatschappij voor te staan en hij kweet zich daarvan op loffelijke wijze. Koning Karel I erkende zijn verdiensten door hem tot Ridder te slaan en in den adelstand te verheffen.Twee jaren later werd aan Reael een nieuwe zending opgedragen, die van min gemakkelijken aard was. De Keizer van Duitschland, toen in oorlog met de Protestantsche vorsten, had verscheidene plaatsen aan de Oostzee bezet, en dreigde zelfs zich meester te maken van de Sond. De Staten besloten Reael naar Denemarken te zenden, ten einde den staat van zaken te onderzoeken, en de noodige betrekking aan te knoopen om zich tegen de aanslagen van den Keizer te verzetten. Hij ging scheep naar Kopenhagen, ter welker gelegenheid Vondel dit gedicht onder zijn afbeelding vervaardigde.Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael.Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael,Voorzien met breijn in ’t hoofd, met heldenmoed in ’t harte,’t Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte.Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee,En brengh voor ’t vaderland ontelbre kranssen mee.De wensch van den dichter werd niet vervuld. Wel genoot Reael aan ’t Deensche Hof een beleefd onthaal, maar het gelukte hem niet, den Koning van Denemarken tot een gemeenschappelijken oorlog tegen den Keizer te bewegen. Het was al spijtig genoeg voor hem, dat hij het doel zijner zending miste, maar de tocht was bestemd om op alle manieren noodlottig voor hem af te loopen. Op de terugreis van Kopenhagen had hij met schipbreuk te kampen. Het vaartuig, waar hij zich op bevond, strandde op de kust van Jutland, en te nauwernood kwam hij levend aan wal. Hier vervolgde hem zijn ongeluksster; want dat gedeelte der kust was met Keizerlijke troepen bezet, die hem gevangen namen en, als een prijs van aanbelang, opzonden naar Weenen.Wel wendden de Staten-Generaal ernstige pogingen aan, om zijn ontslag te bevorderen; doch de Keizer wilde in den aanvang van niets hooren. Groot was de bekommernis der talrijke vrienden van Reael en ook zij lieten ’t niet aan aanzoeken ten zijnen voordeele bij invloedrijke lieden aan ’t Duitsche Hof ontbreken. De gevangenschap van Reael was intusschen zeer dragelijk: niet alleen genoot hij vrijheid zich te Weenen ongehinderd te bewegen, maar ook werd hij aldaar met de meeste achting en voorkomendheid behandeld: ja ieder stelde er eer in, beleefdheden te bewijzen aan een man, die zich op zoo veelsoortige wijzen roem verworven had, en zijne vriendschap te winnen. Men vindt zulks bevestigd door een schrijver van dien tijd, die onder anderen van Reael vertelt, dat hij te Weenen gekomen als een gevangene, er vandaan ging als een vorst. Zijn ontslag had plaats in 1629, wanneer hij, in ’t Vaderland teruggekeerd, aan de Staten-Generaal verslag deed van zijn verrichtingen, en deswege op eervolle wijze werd bedankt.Het schijnt dat Reael nu echter genoeg had van zendingen buiten ’s lands en liever tot een rustig burgerleven wenschte terug te keeren. Althans hij trouwde nog in datzelfde jaar met zekere juffer, Suzanna De Moor geheeten, en weduwe van H. De Pikker; terwijl hij zich in het volgende liet welgevallen tot lid van den Raad der stad Amsterdam benoemd te worden. Acht jaren lang leefde hij nu stil en ongestoord voor zijn huiselijke en burgerlijke betrekkingen, weinig uitgaande dan om zijn ambtsplichten te vervullen, zoodat zelfs zijn nauwste vrienden, als Hooft en anderen, klaagden, dat zij niets meer aan hem hadden. In ’t jaar 1637 echter scheen zich voor hem weder een nieuwe en glorierijke loopbaan te zullen ontsluiten. De betrekking van Luitenant Admiraal van Holland was opengevallen en er moest een nieuwe keuze door den Prins worden gedaan. Te dien einde werd hem een lijst van zes personen aangeboden,aan wier hoofd zich Reael bevond. De Staten van Holland bevolen hem zeer bijzonder aan, en gewis ware hij tot die luistervolle bediening geroepen geworden, indien de Voorzienigheid het niet anders beschikt had. Een besmettelijke ziekte, die op dat tijdstip Amsterdam teisterde, trof ook zijn huis. Zijn beide zoontjes, Laurens en Bartholomeus, werden hem ontrukt, en hun dood schokte hem zoozeer, dat hij tot volslagen lusteloosheid verviel. Bij die ongesteldheid voegde zich een heete koorts, die hem op den 10den October 1637, ten grave sleepte. Zeker was zijn dood te bejammeren en toch, kan men daaruit wederom leeren, hoe wijs de wegen der Voorzienigheid zijn. Immers nu werd tot Admiraal benoemd Maarten Harpertszoon Tromp, die na Reael op de lijst stond, en die, zoo hij al in andere opzichten voor Reael moest onderdoen, hem in ondervinding en praktische kennis van ’t zeewezen en den zeeoorlog ver overtrof, ja een zeevoogd was, wiens gelijke de wereld nauwelijks opgeleverd heeft.Met dat al, de dood van Reael was een bittere slag voor het vaderland, voor de Oost-Indische Maatschappij, voor de stad Amsterdam, voor ’s mans gezin en ook voor de wetenschap. Wel is waar, hij had deze laatste meer bevorderd door haar overal ijverig voor te staan, dan door iets in het licht te geven, want hij verzuimde nooit de werkzaamheden, welke zijn plicht of zijn betrekking hem oplegden, voor enkel liefhebberijwerk. Vandaar liet hij maar weinige lettervruchten na, van welke er nog vele verloren zijn gegaan, en onder deze laatste eene latijnsche elegie of klaagzangover de rampen van zijn tijd, na zijn terugkomst uit de Oost vervaardigd, een werkje, getiteldRaad voor hen, die zich naar Indië willen begeven; eenigeObservatiën over den Magneetsteen, of de magnetische kracht der aarde, en een briefwisseling met den beroemden Galileï:Over het vinden van de lengte op zee. Wij bezitten nog van hem allerliefste minnedichtjes, door hem in zijn jeugd vervaardigd, en het grafschrift op den zeekapitein Cornelis Jansz., bijgenaamd hetHaantje, dat nog in de Oude Kerk te Amsterdam op diens graf te lezen staat en aldus luidt:Hier rust de helt, die van zijns vijants schepenIn sevenmaal quam seven vlagghen sleepen,En gaf voor ’t laatst op twee so dapper vonckDat ’t eene vloot en ’t ander bij hem sonck.

Gij zult zeker wel eens gehoord hebben, mijne Lezers! of misschien zelven wel hebben opgemerkt, dat de geschiedenis van meest alle beroemde natiën een bijzonder tijdvak oplevert, van al de overige onderscheiden door de ontwikkeling van volkswelvaart, door den bloei van kunsten en wetenschappen, door het opkomen van groote en beroemde mannen; een tijdvak, bij hetwelk men, onder het lezen of bestudeeren der geschiedenis, met welgevallen vertoeft, en ’t welk men zich te gemakkelijker herinnert, omdat het doorgaans den naam draagt van het doorluchtigste personage, dat er in leefde. Zoodanig tijdvak was, voor Griekenland, de eeuw van Perikles: voor het oude Rome, de eeuw van Augustus: voor het latere Italië, de eeuw der Medicissen: voor Frankrijk; de eeuw van Lodewijk XIV: voor ons vaderland, de eeuw van Frederik Hendrik.

Ik onderstel, dat het u niet onbekend zal zijn tot welk een hoogen trap van welvaart, roem en macht ons jeugdig en krachtvol Gemeenebest zich gedurende het leven van Frederik Hendrik verheven had, en welke uitstekende mannen het had voortgebracht. Gij zult u inderdaad geen vak van kunst of wetenschap voor den geest kunnen brengen, waarvan Nederland in die dagen niet een vertegenwoordiger opleverde, wiens roem voor of na hem schaars geëvenaard, veel min overtroffen werd. Denkt maar aan Oldenbarneveldt, aan De Groot, aan Maarten Harpertszoon Tromp, aan Hooft, aan Vondel, aan Rembrandt, aan zoovele anderen, die in verschillende opzichten medewerkten tot het bevorderen van den luister van ons vaderland. Van de mannen, die ik u daar noemde, hebt gij zeker meermalen hooren spreken, hun levensgeschiedenis, hun werken, hunne verrichtingen zullen u niet geheel onbekend zijn;—maar buiten hen leverde die eeuw van Frederik Hendrik nog zoo menigen staatsman, krijgsman, dichter, geleerde of kunstenaar op, wien gij nooit of niet dan terloops hebt hooren vermelden, en die toch evenzeer verdient, dat gij met hem bekend raakt. Welnu! ik wil u een kort overzicht geven van het leven en bedrijf van een man uit dat tijdvak, die tevens staatsman, krijgsman, dichter en geleerde was, en die zich in elkedier zoo uiteenloopende hoedanigheden de bewondering en de achting zijner tijdgenooten verwierf. Die merkwaardige man was Laurens Reael.

De vader van Reael was een rijke graanhandelaar, van Hollandsche afkomst. Hij had eerst kantoor te Dantzig gehad, doch zich omtrent de helft der zestiende eeuw nedergezet te Amsterdam. In dien tijd en nog lang naderhand hadden de meeste menschen nog geene familienamen: de een onderscheidde zich van den ander, òf door het aannemen van zekeren bij- of toenaam, aan de plaats zijner geboorte, aan zijn beroep of aan andere bijzondere omstandigheden ontleend; òf en dit in de meeste gevallen, door eenvoudig den naam zijns vaders achter den zijnen te plaatsen. Zoo noemde de een zich Jan Pieterszoon, de ander Klaas Dirkszoon, een derde Harmen Tijmenszoon en zoo heette ook onze graanhandelaar, toen hij te Amsterdam kwam wonen, Laurens Jakobszoon. Dan, sedert hij een huis had betrokken op het Water over de Papenbrugsteeg, in den gevel van welks huis eengouden reaelwas afgebeeld, gaf men hem, ten einde hem niet te verwarren met andere Jakobszonen, den toenaam van Reael.—Gij weet, hoop ik, wat een reaal was en hoevele oude duiten, zulk een geldstuk gold.

Laurens Jakobszoon Reael had niet lang te Amsterdam gewoond, toen de onlusten ter zake van den godsdienst een aanvang namen. Gij weet ongetwijfeld, hoe onder Karel V en vooral onder Pilips II de Inquisitie alle pogingen in ’t werk stelde, om de Hervorming, die hier te lande vele aanhangers telde, te onderdrukken. Reael behoorde ook onder hen, die de leer der Hervormden omhelsd hadden, en hij wist zelfs, met vier andere vermogende burgers te bewerken, dat het aan hunne geloofsgenooten werd toegestaan, openbare godsdienstoefeningen binnen Amsterdam te houden. In weerwil daarvan bleef hij zeer gezien bij de toen nog Roomschgezinde Overheid der Stad, en niet zonder reden. Het was gedeeltelijk aan zijne bemoeiingen te danken, dat de beeldenstorm, die elders zoo hevig woedde, te Amsterdam geen plaats had: en hij wist op verzoek der Regeering, zelfs met levensgevaar, een oproer te stillen. Ook blonken zijn beleid en voorzichtigheid uit in het bevorderen der rust ten tijde van Brederodes kortstondig verblijf te Amsterdam. Prins Willem I had aan hem groote verplichting; onder andere leende Reael hem eens ƒ 10,000—in die dagen, toen het geld vrij wat meer waarde had dan tegenwoordig, een aanzienlijke som. Toen Amsterdam in 1578 tot ’s Prinsen partij overging en een nieuwe Magistraat koos, behoorde Reael tot de leden der nieuwe vroedschap en handhaafde, in 1587, als kolonel der Burgerij, krachtdadig het gezag der Stad tegen den Graaf van Leicester.

Reael had bij zijne vrouw, Grietje Nieuwes Pietersdochter, verscheidene kinderen gekregen, waarvan Laurens, die op den 22sten October 1583 geboren werd, de jongste was. Zijn aanzienlijk vermogen stelde hem in staat, aan die kinderen een goede opvoeding te geven en hij spaarde daartoe ook geene kosten. Zoo leerde onze Laurens, behalve de Latijnsche en Grieksche talen, wier kennis in die dagenhoog noodig was, ook de Fransche, Engelsche en Italiaansche. Wel had hij het ongeluk reeds in 1600 zijn vader te verliezen; doch hij vond vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders Jakob en Pieter, en vooral ook in den man van zijn zuster Lijsbestjen. Deze laatste was getrouwd met den Hoogleeraar Jakobus Arminius, denzelfden, die zich zoo bekend maakte door zijn godgeleerde twisten met Gomarus, en naar wien de Remonstranten wel eens Arminianen genoemd worden. Ik moet u echter in ’t voorbijgaan waarschuwen, dat, ofschoon men wel de benaming „Lutherschen” of „Mennisten” bezigen kan zonder aanstoot te geven, die van „Arminiaan” voor een scheldnaam gehouden wordt, en gij u dus moet wachten, dien te gebruiken.—Arminius nu trok zich zijn jongen zwager bijzonder aan, er boezemde hem een groote zucht in voor de wiskunst, waarin de jonge Laurens dan ook bijzondere vorderingen maakte, welke hem later uitmuntend te stade kwamen. Hij studeerde bovendien te Leiden in de rechtsgeleerdheid.

Maar bij dit alles toonde Reael, reeds van jongs af, veel aanleg voor de poëzie, en vervaardigde al vroeg, zoowel in zijn moedertaal als in ’t Latijn, verdienstelijke gedichten. Zoo vereerde hij onder anderen, toen Arminius in 1606 overleed, diens afbeelding met een Latijnsch bijschrift, ’t welk evenzeer van zijn bekwaamheid als van zijn dankbaarheid getuigde.

De vader van Reael was zelf een niet ongelukkig beoefenaar der dichtkunst geweest, en had omgang gehad met vele lieden van smaak, met wie nu ook de zoon in kennis kwam. Onder de zoodanigen behoorde Roemer Visscher, wiens woning een verzamelplaats was van schrandere vernuften. Roemer Visscher had twee dochters, beiden nog beroemder dan hij zelf. De oudste, Anna, was van de jaren van Reael, de andere, Tesselschade, vrij wat jonger: beiden waren dichteressen, in verscheidene talen bedreven, zongen en speelden verrukkelijk, wisten fraai te borduren, letters en figuren in ’t glas te snijden, in ’t was te boetseeren: in ’t kort, zij hadden allerlei begaafdheden: doch waren tevens, wat nog meer zegt, hoogst beschaafd van manieren, braaf van karakter en alleraangenaamst in den omgang. Geen wonder alzoo, dat men haar gezelschap zocht, en dit ook van den gunstigsten invloed was op Reael. Er is niets, dat voor jonge lieden zoo heilzaam en nuttig is als de omgang met welopgevoede, verstandige en deugdzame vrouwen; en zoo Reael naderhand een goed figuur gemaakt heeft aan de Hoven van Vorsten en Grooten, hij heeft dit gewis daaraan voornamelijk dank mogen wijten, dat hij van jongs af in zoo goed gezelschap had verkeerd.

Ten huize van Roemer Visscher ontmoette Reael den grooten dichter en geschiedschrijver Pieter Corneliszoon Hooft, die van zijne jaren was, en met wien hij een vriendschap sloot, die hun leven lang voortduurde.

De betrekking, die tusschen Arminius en Reael bestond, had dezen al vroeg in kennis gebracht met aanzienlijke Remonstrantsgezinden, als De Groot, Uyttenbogaert, en anderen, en hierdoor ookmet den beroemden advocaat van Holland, Mr. Joan Van Oldenbarneveldt. Deze, die spoedig zag, wat er in iemand school, begreep van de bekwaamheid des jongen Reaels partij te moeten trekken en bezorgde hem een ambt bij de geldmiddelen, ten gevolge waarvan Reael zijn woonplaats naar ’s Gravenhage overbracht, waar hij tot in 1611 vertoefde om een nieuwe en nog luisterrijker loopbaan in te treden. Ik zal u verhalen wat daartoe aanleiding gaf.

Onder andere belangrijke diensten, welke Oldenbarneveldt aan het vaderland bewezen had, was ook deze, dat hij een der voornaamste bevorderaars was geweest van de stichting der Oost-Indische Maatschappij. Onze macht in de Oost was toen nog niet wat zij later werd, noch waren onze bezittingen zoo uitgebreid: de inrichting was nog in haar beginselen en het vestigen van het gezag der Hollanders in die verwijderde gewesten was alles behalve een gemakkelijke taak. Men had in de Oost te kampen niet alleen tegen de doorgaande vijandige Mahomedaansche, Indische of Chineesche ingezetenen, maar ook tegen de Spanjaards en Portugeezen, die mede in die streken bezittingen hadden, welke zij begeerden te behouden, ja uit te breiden. Zelfs toen het twaalfjarig Bestand in 1609 met Spanje gesloten, en alzoo in Europa de strijd tusschen de oorlogvoerende partijen gestaakt werd, bleef die in de Koloniën voortduren. De middelen van gemeenschap tusschen Holland en de Oost waren nog traag, ongeregeld en onzeker, en er moest veel worden overgelaten aan hen, die zich ginds aan ’t bestuur der zaken bevonden. Ongelukkig waren velen onder de bevelvoerders louter gelukzoekers, die meer hun eigen belangen dan die der Maatschappij voor oogen hielden, die de bevelen van den Gouverneur-Generaal niet nakwamen of zelfs tegenwerkten, en die door hun onbehoorlijke handelingen de Hollanders bij de Oosterlingen in een kwaden naam brachten. Dit kon naar het oordeel der Bewindhebbers zoo niet blijven voortduren. Er moest eenheid in het bestuur komen, en het bevel over de volkplantingen niet worden toevertrouwd dan aan mannen, die aan moed en bekwaamheid ook eerlijkheid en braafheid paarden, in één woord, op wie men vertrouwen kon. Zoodanig een man meende Oldenbarneveldt in Reael gevonden te hebben, en hij beval hem daarom den Bewindhebbers aan, die eerlang besloten, hem het bevel over een onderneming, naar de Oost bestemd, toe te vertrouwen. Zeker was het geen geringe eer voor iemand van nog zoo jeugdigen leeftijd, met een zoo gewichtige zending te worden belast; maar tevens behoorde er moed en zelfvertrouwen toe bij iemand, die tot nog toe de stille, rustige betrekking van ambtenaar aan een landsbureau bekleed had, zoo op eenmaal de taak van krijgshoofd te aanvaarden. Reael zag hier echter te minder tegen op, omdat zijn wiskunstige studiën hem er als van zelven toe gebracht hadden om zich ook in de zeevaart- en krijgskunde te oefenen. Hij nam dus het hem opgedragen bevel aan, en stak, in 1611, als Commandeur over vier schepen in zee. Overeenkomstig de bevelen, welke hij van de Bewindhebbers ontvangen had, stevende hij naar de Molukken, die gedeeltelijk in handen der Spanjaardswaren en welke het hem was opgedragen, geheel onder het gezag der Maatschappij te brengen. Zich in Ternate gevestigd hebbende, gaf hij aldra blijken van kloekheid en beleid. Het eene fort voor, het andere na, wist hij op de Spanjaards te veroveren; verscheidene kleine eilanden werden door hem bezet; met de meeste Inlandsche Vorsten ging hij overeenkomsten aan in ’t belang der Maatschappij, en hij vestigde den handel in landen, waar vroeger de Hollandsche naam nauwelijks bekend was geweest.—Wel rustten de Spanjaards een vloot in Manilla uit, bestemd om de onzen te verdrijven uit hunne bezittingen; doch Reael had al de plaatsen onder zijn gebied in zulk een goeden staat van verdediging gesteld, dat de onderneming geen gevolg had.

Geen wonder was het, na zulk een voordeeligen uitslag, dat het Gouvernement over de Molukken, hetwelk Reael eerst maar voorloopig gevoerd had, hem door de Bewindhebbers bepaald werd opgedragen; geen wonder, dat, toen in 1616 de Gouverneur-Generaal Reynst overleed, Reael met eenparige stemmen tot zijn opvolger gekozen werd. Deze keuze werd algemeen gebillijkt: alleen waren er, die het gevaarlijk vonden, juist voor zijn groote bekwaamheid, dat hem zulk een groot gezag werd toevertrouwd: immers, beweerden zij, men waagde, dat hij zich van alles meester zou maken, en zich tot onafhankelijk hoofd der Koloniën verheffen. Die vrees bleek echter door de uitkomst ijdel en onnut te zijn: want Reael was niet alleen bekwaam maar ook vroom en getrouw.—Hij rechtvaardigde volkomen de goede verwachtingen, welke zijn lastgevers van hem hadden opgevat. Zoolang hij in de Oost het bewind voerde, wist hij het gezag der Maatschappij te doen eerbiedigen. Met zijn bondgenooten leefde hij in vrede en aan zijn vijanden boezemde hij zulk een ontzag in, dat zij het niet waagden de rust te verstoren. Dit een en ander was iets geheel nieuws in de geschiedenis onzer volkplanting, waar, tot dien tijd, voortdurend strijd was gevoerd geweest.—Maar Reael deed nog meer; hij wist het vertrouwen der Inlandsche vorsten en volkeren te winnen, in de eerste plaats door zorg te dragen dat hetgeen men hun verkocht van goede hoedanigheid was, en al wat men kocht prompt betaald werd:—in de tweede plaats, door de ambtenaren binnen de grenzen van hun plicht te houden en elk vergrijp streng te straffen. „Dat heet eerst regeeren!” zeide Hooft van hem. De wijsheid en rechtvaardigheid, door Reael aan den dag gelegd, droegen spoedig goede vruchten: het krediet der Hollanders rees boven dat der Engelschen en Portugeezen, en het beloop der retouren—of terugvrachten—gedurende zijn bewind naar het Moederland gezonden, bedroeg bijna het dubbel van dat van vorige jaren.

Reael was echter niet gezind, zijn leven in de Oost te slijten. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag en droeg in Juni 1618 het gezag op aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pietersz. Koen. Echter verliet hij de Oost niet, voor dat hij dezen behoorlijk in ’t bestuur gevestigd zag. Hij ging daarom met hem over Amboina naar Jacatra, bleef bij hem, tot dat deze plaats veroverd was, en beraamde met hem de noodige maatregelen tegen de vijandelijkeJavanen en tegen de Engelschen, die hen opstookten. Zoo legden zij samen de grondvesten van Batavia, met welks stichting eigenlijk de vastheid der Maatschappij haar aanvang nam.—In Augustus 1619 zette Reael weder koers naar het vaderland, waar hij in ’t begin des volgenden jaars behouden aankwam.

Allerluisterrijkst was de ontvangst, die hem te Amsterdam te beurt viel: alles liep uit om hem te zien en te verwelkomen. Dan, hoezeer de bewijzen van achting en genegenheid, welke hij van zijn stadgenooten ondervond, hem bijzonder streelden, hij moest van een anderen kant vrij wat smart en teleurstelling ondervinden, bij ’t zien, hoe de staat van zaken intusschen veranderd was. Zijn beschermer Oldenbarneveldt was veroordeeld en ter dood gebracht: velen onder zijne vrienden, als De Groot, Uyttenbogaert en anderen, ten lande uitgeweken: en er was weinig kans, dat de partij, die thans aan ’t hoofd was, hem vooreerst tot staatsbedieningen roepen zou. Hij zelf kon niet verlangen een Regeering te dienen, met welker inzichten hij niet overeenstemde.

Voor iemand, die alleen staats- of krijgsman ware geweest, zou het leiden van een ambteloos leven op zijn zeven en dertigste jaar allervervelendst zijn geweest: maar niet voor Reael, die in zijn uitlandigheid de zucht voor de fraaie letteren niet verleerd had, en in hare beoefening bezigheid en troost kon zoeken. Hij begaf zich op zijn hofstede in de Beverwijk, waar hij, onder andere genoegens van het buitenleven, de nabuurschap genoot van den geleerden Amsterdamschen koopman Laurens Baeck en diens kinderen, allen groote minnaars van poëzie en letterkunde. Vondel was bij Baeck een welkome gast; hij had vroeger Reael bij Roemer Visscher ontmoet, hernieuwde thans zijn betrekking met hem en droeg hem, onder andere bewijzen van vriendschap en hoogachting, zijn meesterlijk dichtstuk: „het lof der zeevaart” op. Met Vondel en den gewezen Pensionaris van Zeeland Antonis De Huybert, legde Reael geregelde bijeenkomsten aan, waar hij zich gewoonlijk toelegde op het stellen van regels, betreffende de taalschikking, de woordvoeging, de bepaling der geslachten en de spelling, alle zaken, waarover men tot dien tijd nog weinig gedacht, veel min geschreven had; ook hielp hij Vondel aan de vertaling van het treurspel de Troas, uit het Latijn van Seneca.

Doch al wist Reael zijn ledigen tijd dus op een aangename en nuttige wijze met letteroefeningen te korten, hij bleef daarom niet onverschillig omtrent de algemeene belangen, en, kon hij den Staat niet dienen, hij deed in verschillende opzichten dienst aan zijn geboortestad Amsterdam. Deze moest, vanwege den toenemenden aanwas der bevolking, gedurig vergroot en uitgelegd worden: en hoe Reael daartoe medewerkte blijkt uit het in zijnen tijd met huizen volgebouwde en naar hem genoemde Reaelen-eiland.

Zoolang Prins Maurits leefde, en nog een wijl na zijnen dood, bleef Reael een ambteloos leven leiden. Niet alleen stelde Hooft vruchtelooze pogingen in ’t werk om hem in 1623 tot Gezant te Venetië te doen benoemen, maar zelfs, toen in hetzelfde jaar onderhandelingenwaren aangevangen tot vereffening der geschillen tusschen de Engelsche en Hollandsche Oost-Indische Maatschappijen, werd hij, de gewezen Gouverneur-Generaal, die meer dan iemand hier te lande ondervinding en kennis van het onderwerp bezat, niet bij de onderhandelaars gesteld. Het duurde echter niet lang meer, of men begon het onbillijke en verkeerde in te zien om iemand van zijne bekwaamheden buiten betrekking te laten. Het gebeurde, dat de Staten-Generaal noodig keurden een vloot in zee te zenden, die, gezamenlijk met een Engelsche vloot, de Spanjaards op hun eigen kusten bestoken zou. Willem Van Nassau, zoon van Prins Maurits, was destijds Admiraal van Holland; de Staten achtten het noodig, hem een Vice-Admiraal toe te voegen, die kunde paaide aan moed en beleid—en zij droegen die betrekking op aan Reael. De zeetocht had plaats, doch had niet die uitkomsten, welke men gehoopt en verwacht had, en de vloten keerden terug zonder iets bijzonders te hebben uitgericht. Dit was niet de schuld van Reael, die zich op lofwaardige wijze van zijne taak gekweten had, maar van verschil van meeningen tusschen de bevelhebbers der beide vloten; en in ’t algemeen ziet men zelden iets goeds komen van ondernemingen, waarbij legers of vloten van verschillende natiën moeten samenwerken. Nationale zoo wel als persoonlijke jaloezie en wangunst brengen dan meestal teweeg, dat die gewenschte samenwerking in tegenwerking verandert.

Hoe men de verdiensten van Reael nu erkende, bleek daaruit, dat hij, schier onmiddellijk na zijn terugkomst, tot Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie werd aangesteld, in welke betrekking hij—gelijk men zegt—in zijn element was en de belangrijkste diensten bewees. In 1626 werd hem een nieuwe eerepost opgedragen, namelijk om Koning Karel I van Engeland, bij diens kroning te begroeten. Dit was, zult gij zeggen, nog al geen moeielijke zending; het is toch een zoodanige, welke men niet opdraagt, dan aan menschen, die zich zekeren naam hebben verworven en zich door het gemakkelijk spreken van onderscheidene talen, door goede manieren en fijnen smaak, onderscheiden. Maar bovendien had Reael, behalve deze openbare zending, nog een geheimen last, namelijk om de belangen zijns vaderlands bij de Engelsche Oost-Indische Maatschappij voor te staan en hij kweet zich daarvan op loffelijke wijze. Koning Karel I erkende zijn verdiensten door hem tot Ridder te slaan en in den adelstand te verheffen.

Twee jaren later werd aan Reael een nieuwe zending opgedragen, die van min gemakkelijken aard was. De Keizer van Duitschland, toen in oorlog met de Protestantsche vorsten, had verscheidene plaatsen aan de Oostzee bezet, en dreigde zelfs zich meester te maken van de Sond. De Staten besloten Reael naar Denemarken te zenden, ten einde den staat van zaken te onderzoeken, en de noodige betrekking aan te knoopen om zich tegen de aanslagen van den Keizer te verzetten. Hij ging scheep naar Kopenhagen, ter welker gelegenheid Vondel dit gedicht onder zijn afbeelding vervaardigde.

Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael.Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael,Voorzien met breijn in ’t hoofd, met heldenmoed in ’t harte,’t Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte.Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee,En brengh voor ’t vaderland ontelbre kranssen mee.

Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael.

Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael,

Voorzien met breijn in ’t hoofd, met heldenmoed in ’t harte,

’t Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte.

Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee,

En brengh voor ’t vaderland ontelbre kranssen mee.

De wensch van den dichter werd niet vervuld. Wel genoot Reael aan ’t Deensche Hof een beleefd onthaal, maar het gelukte hem niet, den Koning van Denemarken tot een gemeenschappelijken oorlog tegen den Keizer te bewegen. Het was al spijtig genoeg voor hem, dat hij het doel zijner zending miste, maar de tocht was bestemd om op alle manieren noodlottig voor hem af te loopen. Op de terugreis van Kopenhagen had hij met schipbreuk te kampen. Het vaartuig, waar hij zich op bevond, strandde op de kust van Jutland, en te nauwernood kwam hij levend aan wal. Hier vervolgde hem zijn ongeluksster; want dat gedeelte der kust was met Keizerlijke troepen bezet, die hem gevangen namen en, als een prijs van aanbelang, opzonden naar Weenen.

Wel wendden de Staten-Generaal ernstige pogingen aan, om zijn ontslag te bevorderen; doch de Keizer wilde in den aanvang van niets hooren. Groot was de bekommernis der talrijke vrienden van Reael en ook zij lieten ’t niet aan aanzoeken ten zijnen voordeele bij invloedrijke lieden aan ’t Duitsche Hof ontbreken. De gevangenschap van Reael was intusschen zeer dragelijk: niet alleen genoot hij vrijheid zich te Weenen ongehinderd te bewegen, maar ook werd hij aldaar met de meeste achting en voorkomendheid behandeld: ja ieder stelde er eer in, beleefdheden te bewijzen aan een man, die zich op zoo veelsoortige wijzen roem verworven had, en zijne vriendschap te winnen. Men vindt zulks bevestigd door een schrijver van dien tijd, die onder anderen van Reael vertelt, dat hij te Weenen gekomen als een gevangene, er vandaan ging als een vorst. Zijn ontslag had plaats in 1629, wanneer hij, in ’t Vaderland teruggekeerd, aan de Staten-Generaal verslag deed van zijn verrichtingen, en deswege op eervolle wijze werd bedankt.

Het schijnt dat Reael nu echter genoeg had van zendingen buiten ’s lands en liever tot een rustig burgerleven wenschte terug te keeren. Althans hij trouwde nog in datzelfde jaar met zekere juffer, Suzanna De Moor geheeten, en weduwe van H. De Pikker; terwijl hij zich in het volgende liet welgevallen tot lid van den Raad der stad Amsterdam benoemd te worden. Acht jaren lang leefde hij nu stil en ongestoord voor zijn huiselijke en burgerlijke betrekkingen, weinig uitgaande dan om zijn ambtsplichten te vervullen, zoodat zelfs zijn nauwste vrienden, als Hooft en anderen, klaagden, dat zij niets meer aan hem hadden. In ’t jaar 1637 echter scheen zich voor hem weder een nieuwe en glorierijke loopbaan te zullen ontsluiten. De betrekking van Luitenant Admiraal van Holland was opengevallen en er moest een nieuwe keuze door den Prins worden gedaan. Te dien einde werd hem een lijst van zes personen aangeboden,aan wier hoofd zich Reael bevond. De Staten van Holland bevolen hem zeer bijzonder aan, en gewis ware hij tot die luistervolle bediening geroepen geworden, indien de Voorzienigheid het niet anders beschikt had. Een besmettelijke ziekte, die op dat tijdstip Amsterdam teisterde, trof ook zijn huis. Zijn beide zoontjes, Laurens en Bartholomeus, werden hem ontrukt, en hun dood schokte hem zoozeer, dat hij tot volslagen lusteloosheid verviel. Bij die ongesteldheid voegde zich een heete koorts, die hem op den 10den October 1637, ten grave sleepte. Zeker was zijn dood te bejammeren en toch, kan men daaruit wederom leeren, hoe wijs de wegen der Voorzienigheid zijn. Immers nu werd tot Admiraal benoemd Maarten Harpertszoon Tromp, die na Reael op de lijst stond, en die, zoo hij al in andere opzichten voor Reael moest onderdoen, hem in ondervinding en praktische kennis van ’t zeewezen en den zeeoorlog ver overtrof, ja een zeevoogd was, wiens gelijke de wereld nauwelijks opgeleverd heeft.

Met dat al, de dood van Reael was een bittere slag voor het vaderland, voor de Oost-Indische Maatschappij, voor de stad Amsterdam, voor ’s mans gezin en ook voor de wetenschap. Wel is waar, hij had deze laatste meer bevorderd door haar overal ijverig voor te staan, dan door iets in het licht te geven, want hij verzuimde nooit de werkzaamheden, welke zijn plicht of zijn betrekking hem oplegden, voor enkel liefhebberijwerk. Vandaar liet hij maar weinige lettervruchten na, van welke er nog vele verloren zijn gegaan, en onder deze laatste eene latijnsche elegie of klaagzangover de rampen van zijn tijd, na zijn terugkomst uit de Oost vervaardigd, een werkje, getiteldRaad voor hen, die zich naar Indië willen begeven; eenigeObservatiën over den Magneetsteen, of de magnetische kracht der aarde, en een briefwisseling met den beroemden Galileï:Over het vinden van de lengte op zee. Wij bezitten nog van hem allerliefste minnedichtjes, door hem in zijn jeugd vervaardigd, en het grafschrift op den zeekapitein Cornelis Jansz., bijgenaamd hetHaantje, dat nog in de Oude Kerk te Amsterdam op diens graf te lezen staat en aldus luidt:

Hier rust de helt, die van zijns vijants schepenIn sevenmaal quam seven vlagghen sleepen,En gaf voor ’t laatst op twee so dapper vonckDat ’t eene vloot en ’t ander bij hem sonck.

Hier rust de helt, die van zijns vijants schepen

In sevenmaal quam seven vlagghen sleepen,

En gaf voor ’t laatst op twee so dapper vonck

Dat ’t eene vloot en ’t ander bij hem sonck.

De Nieuwekerk te Amsterdam.Nog steeds wordt Amsterdam bij den vreemdeling aangemerkt als vertegenwoordigende het land, waarvan het de Hoofdstad heet; minder echter om die reden, dan wel uithoofde der herinneringen, die zich aan de stad verbinden, als voortdurend de voorgangster en leidsvrouw, niet zelden de gebiedster der voormalige Republiek. Datzelfde type, ’t welk Amsterdam als zoodanig biedt op uitgebreide schaal, biedt ons, meer dan eenig ander gebouw, binnen zijn muren, de Nieuwekerk op een verkleinde schaal aan. Worden in de hoofdkerken van andere Rijken veelal de herinneringen bewaard van Vorsten, die er gezalfd werden, of wier gebeente er onder marmeren gedenksteenen rust, wekt haar beschouwing bij den bezoeker de gedachte op aan monarchieën, die te niet zijn gegaan, aan koninklijken luister en bisschoppelijke praal, bij hem, die de Nieuwekerk te Amsterdam binnentreedt, rijzen, ’t zij hij hare stichting en lotgevallen overdenke, ’t zij hij de oogen om zich heen sla, geene andere denkbeelden voor den geest, dan die in verband staan met de ontwikkeling van vrije en krachtvolle burgers. Hoeverre die kerk dan ook in de oogen van oppervlakkige of onkundige toeschouwers schijne achter te staan in belangrijkheid bij gebouwen als de Abdijen van Westminster en St.-Denis, zij mag, vooral wie zich door uiterlijke pracht noch hoogklinkende namen laat bedwelmen, een gelijken rang innemen met beide; immers zij ook bewaart de overleveringen van vroegere grootheid en macht; en rusten onder haar zerken geen Koningen of Vorsten, zij bevat het stoffelijk overschot van hen, die Koningen en Vorsten ontzag inboezemden; zij is het Westminster en St.-Denis van den Derden Stand.Verlangt men bewijzen dat ik hier niet overdrijf, dat geene dwaze ingenomenheid met een der weinige praalgestichten, die Amsterdam nog aanbiedt, mij doet spreken, ik hoop mijne gezegden te handhaven en aan te toonen dat het geene ijdele machtspreuk was, die ik mij heb veroorloofd.Beschouwen wij daarom in de eerste plaats de stichting der Kerk, eene stichting, die reeds als eene profetie kan aangemerkt worden van hare latere bestemming.Het was in den aanvang der 15de eeuw: nog in die dagen, toen de geschiedenis der volkeren niet veel meer scheen te zijn dan degeschiedenis hunner regeerders en de krijg niet gevoerd, noch de vrede gesloten werd om de belangen eener natie maar om die van den Souverein of van het regeerende stamhuis te dienen. Men had toch in de Nederlanden, bij de uitbreiding van handel en nijverheid, reeds sedert meer dan een eeuw de stem der burgerijen, en reeds dikwijls luid en krachtig doen hooren en ook in Holland was de invloed der groote steden begonnen tegen dien van den adel op te wegen. De Vorsten hadden leeren inzien hoe hun waar belang het medebracht om zich van de toegenegenheid der poorters te verzekeren en de jammerlijke moord door verbitterde edellieden aan Floris V gepleegd, had zijne nazaten op den gravenzetel niet afgeschrikt om zijn voorbeeld te volgen. Het bloed der martelaren is altijd vruchtbaar.Met dat al, indien de Graven van Holland, die voor Willem VI kwamen, het niet beneden zich geacht mogen hebben, nu en dan bij iemand van onedele geboorte te rade te gaan, niet één hunner had het nog gewaagd, een zoodanige te bekleeden met een dier eerambten of hooge staatsbedieningen, die bij uitsluiting voor den adel schenen weggelegd. Groot was derhalve de verbazing, de verontwaardiging, de verbolgenheid der Hollandsche Edelen, toen in 1410 de Gentenaar Willem Eggert, die zich te Amsterdam had nedergezet en er handel dreef, door den genoemden Vorst tot Trezorier van de Grafelijkheid werd benoemd. Wel had de Amsterdamsche koopman, zoogoed als zij, mannen van wapenen uitgerust om den Graaf in den Arkelschen krijg te dienen: wel had hij bovendien door aanzienlijke voorschotten in geld, den Graaf in de mogelijkheid gesteld dien krijg te voeren, maar die gedachte zelve, dat een eenvoudige poorter meer doen kon en ook meer deed dan zij, moest reeds strekken om hen tegen Eggert te verbitteren, en de overweging dat iemand, die aan finantiëele kennis een helder doorzicht in zaken en een onkreukbare eerlijkheid paarde, beter dan een van hen geschikt was om de orde in de verwarde geldmiddelen te herstellen, gold weinig bij lieden, die tot dien tijd juist die betrekking van Trezorier hadden aangemerkt als een middel om hem, die haar bekleedde,—en niet het Land—te verrijken. De gift, van de Ambachtsheerlijkheid van Purmer en Purmerend, waardoor de Trezorier het recht kreeg een adellijken titel te voeren, was niet geschikt om de afgunst van ’s Graven evenknieën te verminderen: ja er was, om de uitbarsting van hun wrevel tegen Eggert te voorkomen, eene uitdrukkelijke verklaring van Willems zijde noodig, „dat hij ’t op hen verhalen zou, indien zijn vriend een tegel van het dak op ’t hoofd viel.”Maar zoo Willem Eggert, ’t zij als gedeeltelijke en billijke voldoening zijner schuldvordering, ’t zij om zijn doorluchtigen beschermer niet voor ’t hoofd te stooten, de giften, hem gedaan, in dank had aangenomen, niet voor zich zelven alleen had hij partij getrokken van ’s Graven dankbaarheid; ’t was voornamelijk Amsterdam, dat er de vruchten van genieten moest. Verknocht aan de stad, waarin hij gastvrij ontvangen was, en zijne rijkdommen verworven had, was het voor haar meer dan voor zichzelven dat hij de goede gezindheid zijns meesters inriep, en werkelijk gelukte het hem zulketreffelijke privileges voor haar te verwerven, dat naar de uitdrukking eens kroniekschrijvers nooit eenig burger dezer stad „profytelijcker ofte aengenaemer” is geweest dan hij.—Doch dit was hem niet genoeg. Oordeelende dat zijne kinderen na zijn dood genoeg zouden vinden om onbekrompen te leven, besloot hij, al wat zijn ambt hem bezorgde, en een aanzienlijk deel zijner overwinsten uit den handel bovendien, te besteden aan eene stichting, waar Amsterdam, bij den toenemenden aanwas van bevolking, behoefte aan begon te gevoelen. Hij liet ten dien einde een boomgaard rooien, die niet verre van zijne woning te Amsterdam, aan den Nieuwendijk gelegen was en op dien grond was het dat in 1414 met den opbouw eener kerk aangevangen en ’t werk met krachtigen spoed werd doorgezet. Drie jaren verliepen er en nu barstte boven ’t hoofd van Willem Eggert het onweer los, dat zoolang had gedreigd. Op 31 Mei 1417 overleed zijn Vorstelijke beschermheer en nauwelijks had deze de oogen gesloten of de lang bedwongen gramschap gaf zich lucht, en uit alle adellijke sloten stroomden ontzeg-enuitdaagbrieven den Heer van Purmerende tegen. Bij de smart over het verlies van zijn weldoener paarde zich nu in Eggerts hart de angst, dat hij nergens meer veilig wezen zou en reeds op 15 Juli 1417 bezweek hij onder ’t gewicht dier dubbele gemoedsaandoeningen. Maar vóór zijn dood had hij voor ’t minst zijn stichting voltrokken gezien, en was hij op het Purmerslot gestorven, het was in zijn geliefd Amsterdam, binnen de gewijde muren van de Kerk, door hem gebouwd, dat hij zich een graf bereid had. Nog rust daar zijn gebeente, ter zijde van het koor, waar zijn grafschrift luidt:„Anno MCCCC ende XVII den XV dagh in Julio sterft den eerbaeren Heer Willem Eggaert, fundateur van dese Kapelle, gedoyteert met twee Vicariën, medefondateur van dese Kerck, die begraven is onder deze blauwe serck.”Zoo had dan de Nieuwekerk het aanzijn te danken aan den vromen zoon des volks, die niet alleen als koopman, den bloei der jeugdige stad tot eene vroeger ongekende hoogte had gebracht, maar die ook, als bekwaam en eerlijk raadsman zijns Vorsten, den deerlijk vervallen toestand der schatkist had weten te verbeteren, daarbij de eerste der handelaren, die in Holland heerlijke rechten bekwam en uitoefende. Met hem mag men alzoo die lange reeks doen beginnen van regenten uit den handelsstand, die, twee eeuwen na hem, zich koningen gelijk stelden.En wie waren ’t die, toen Eggerts ontijdige dood belette dat de Nieuwekerk zoo treffelijk volbouwd en voltooid werd als in het oorspronkelijke plan des Stichters gelegen was, wie waren het, die verder tot haar opluistering bijdroegen? ’t Waren, behalve de gilden, die er de koren en altaren stichtten, naar hen genoemd—meest poorters en poorteressen als Eggert, begeerig als hij, om aan den openbaren Godsdienst een voornaam deel te wijden van hetgeen handel en nijverheid hun hadden doen verkrijgen. ’t Waren, om hen ’t eerst te noemen, zijn zoon Jan, die reeds in 1418 twee eeuwige kapellerijen, en zijn nazaat Willem, die in 1509 tweevicariaten in Willem Eggerts kapelle stichtte; ’t waren ten tijde van de eerste vestiging der Kerk, de kooplieden Jan Dirksz. Sill Jacob Meeuwszoon en Jacob Aemsz. Verburg, ’t waren zoo ter dier gelegenheid als bij twee latere, leden uit het burgemeesterlijke geslacht van Loen en uit dat van Boel, welks bloed door de aderen van al de toekomstige Amsterdamsche Patriciërs stroomen zou; ’t waren in de 15dede regeeringsleden Bartel Doos Dirksz., Jan De Waal, Jacob Van Berck of Berge, Meeuw Gerbrantsz. en Arent Barendsz., en de Apotheker Huygen Jansz. en Geert Jacob Bickersdochter zijn huisvrouw; de Priesters Willem Bruynincx en Pieter Bije Jacobsz. en Katharina Bicker, Weduwe Meeuw Gerbrantsz; in de 16dede Priesters Willem Cloes en Vechter Dirksz., de Weduwe van Jan Duijn, Anna Bruning, Niclaes Steyn Niclaesz., man en voogd van Wendelmoet, dochter van Heijman Van IJlp; ’t waren op min bekende tijdstippen Gerijt Paeuw, Grebber Dircksz.,Albert Gerritsz., Jacob Florisz.,Steven Reijersz. en zoovele anderen meer; maar onder al die namen, min of meer bekend, ja, waarvan sommigen later beroemd werden, geen, die niet aan nederige poorters of ingezetenen behoorde—geen enkele naam van eenig, ’t zij wereldlijk, ’t zij kerkelijk Vorst of Heer—wat zelfs te Amsterdam met opzicht tot een paar andere kerken het geval is—verbindt zich aan de stichting of voltooiing der Nieuwekerk, maar, even gelijk de Burgerstand, aan wien zij haar opkomst te danken had, den Adel boven ’t hoofd wies, evenzoo verhief zich haar roem boven dien van menige andere kerk, die op aanzienlijker stichters bogen mocht.En thans, de nederige zerk van Willem Eggert, bij welke wij de geschiedenis der stichting herdacht hebben, verlatende en meteen die kapellen om het hoofdkoor, sedert bijna drie eeuwen aan haar oorspronkelijke bestemming onttrokken, willen wij verder de Kerk intreden en, ons midden in het kruis stellende, ons oog in ’t rond laten weiden.Gewis, al moge de oorspronkelijke vorm bewaard zijn gebleven, geheel anders doet ook hier het gebouw zich aan ons voor, dan toen het voor ’t eerst aan den dienst van God geheiligd werd. Niet alleen had, reeds vier jaren na Eggerts dood, een hevige brand het gebouw aangetast, waaruit het met herboren glans te voorschijn kwam, maar ook herkennen wij niets meer van de innerlijke pracht, die het in de 16deeeuw nog vertoonde. Toen bevatte de kerk, behalve vier en dertig keurig gebeeldhouwde altaren, de kostbaarste kerksieraden: een verguld kruis, dat 26 mark zilver woog, een verguld zilveren sacramentshuis van 38 en een zilveren Lieve Vrouwenbeeld van 32 mark. Toen stonden in ’t midden der kerk en in ’t midden van het hoofdkoor de prachtige beelden van de beide Patronessen, aan wie de kerk was toegewijd, Maria en Katharina: toen versierden standbeelden de pilaren en schilderijen de muren. Dat alles had op den 2denSeptember 1578 een doldriftige hoop ijveraars, die met geweld de kerk waren binnengedrongen, vernield en vergruisd, verscheurd en aan flarden gereten. Doch volvoerde de moedwil hier, wat in de Oudekerk, op last der Regeering—dochordelijk en bedaard—bereids geschied was, een noodlottig toeval deed, ruim vijf en zestig later, gewichtiger schade. Op den 11denJanuari 1645 op vollen middag, begingen loodgieters, die in de goot gearbeid hadden, en aan ’t schaften waren gegaan, eene dier onvoorzichtigheden, die telkens bezuurd en betreurd, telkens weder plaats hebben; het achterlaten namelijk van een pot met vuur voor een open dakvenster.De tocht deed de vlam opflikkeren, die door een fellen wind aangeblazen, eerst in ’t droge houten dak sloeg, en spoedig zoo geweldig om zich heen woedde, dat in een halfuur tijds, het geheele gebouw in lichterlaaie stond. Vergeefsch waren alle pogingen om den brand te stuiten, vooral aan gebrek aan die middelen tot blussching, welke sedert werden uitgevonden. Ten drie uren stortten dak, gewelf, torentjes, orgels en schoorbalken, met wat er aan vast was, van boven in de Kerk, den kunstig bewerkten predikstoel, de banken en gestoelten en al wat zich verder daarbinnen bevond, onder hun wicht verpletterende.In weinige jaren echter werd de Kerk—thans op kosten der stad—weder opgebouwd. Het was toen een geheel andere tijd als dien wij thans beleven; men zocht niet, óf hetgeen vervallen was, zoogoed mogelijk op te lappen, óf bestaande gebouwenzoo goeden zoo kwaad mogelijk in te richten tot een doel, waartoe een bouwheer ze oorspronkelijk nooit had denken te bestemmen; men brak af en bouwde op, ’t zij het een poort, een raadhuis of een kerk gold, en wat men bouwde was hecht en stevig en geschikt den knagenden tand des tijds te wederstaan, en toch, men was toen nog altijd oorlogvoerende, terwijl men thans de zegeningen des vredes geniet. Maar toen ook waren de stadsregeeringen onafhankelijk in hare bewegingen en de grootsche gedachten, die bij haar oprezen, konden, bij ruim voorziene kassen, ook in haar volledigen omvang worden verwezenlijkt, daar noch het belemmerend—zij het ook nuttig—toezicht van hooger gezag, noch de bemoei- en bedilzucht van medebestuurders de zuivere ontwikkeling van die gedachten onmogelijk maakten.Niet alleen bouwde men de Kerk weder op met zulk een wakkeren spoed dat er op den 10denMei 1648 weder in kon gepredikt worden, maar zelfs besloot de Vroedschap een hardsteenen toren aan de westzijde op te richten, hooger en zwaarder als er eene hier te lande gevonden werd, een toren, die de Nieuwekerk werkelijk tot een Dom- of Hoofdkerk maken zou. Met het graven der grondslagen werd in Mei 1646 een aanvang gemaakt, met het leggen van ’t roosterwerk en met het heien der palen in Augustus begonnen en tot in Juni 1647 voortgegaan, op den zesden van welke maand de laatste der 4593 zware masten in den grond geslagen werd. Behalve deze waren er nog 1715 stopmasten gebezigd. Op den 20stenJuli daaraanvolgende werd door Cornelis Backer, zoon van den burgemeester Willem Backer, de eerste steen van ’t gebouw gelegd, zuidwaarts naar ’t Stadhuis toe en daaronder een geschenk in goud van ƒ 200.—Nog eenige jaren zette men den arbeid voort, en reeds was de toren op de helft van de hoogte der Kerk opgetrokken, toen men den arbeidliet staken. De reden daarvan is nimmer aan den dag gekomen. Aan geld faalde het niet; sommigen beweren dat de grondslagen te zwak waren, anderen dat, nu men begonnen was het nieuwe Raadhuis te bouwen, men niet begeerde, dit gebouw, ’t welk het pronkstuk der stad moest worden, door een zoo reusachtigen toren in zijne onmiddellijke nabijheid te laten overschreeuwen. Zonder ons te verdiepen in het opsporen van de redenen, die de leden der Vroedschap geleid kunnen hebben om hun oorspronkelijk plan te verlaten, willen wij liever aannemen dat een hooger invloed dan waarvan zij zelven bewust waren, hen er toe geleid heeft af te zien van een voornemen, waardoor aan de kerk een meer feodaal en middeleeuwsch karakter zou zijn geschonken en zij niet meer de vertegenwoordigster der vrije burgerij zou geweest zijn.Ééne zaak echter had met reden stof tot gisping kunnen geven; dat namelijk de Kerk, bij elken herbouw, haar oude en oorspronkelijke gedaante behield. Zonderling is het, maar zij, die hier te lande de leer en den eeredienst hervormd hadden, dachten nimmer aan eene hervorming der kerkgebouwen. Zij kwamen nimmer tot het besef dat, waar men den hoogsten prijs stelde op de prediking van het Woord, dat daar de plaats waar dit geschieden moest, ook zoodanig behoorde te worden ingericht, dat men er overal goed en gemakkelijk die prediking kon hooren. Men bleef hechten aan het woord „Kerk”: men kon zich de Kerk niet anders voorstellen dan als een gebouw met een toren, dat schrikkelijk groot, ruim en tochtig wezen en waar een buitengewone galm in heerschen moest. Gelukkig in zeker opzicht waren zij, die niet tot de Gereformeerde of Hervormde kerk behoorden. Aan hen was het niet vergund kerken te hebben maar alleen bedehuizen; hiervan was het gevolg dat zij wel genoodzaakt waren, in plaats van getorende, gewelfde, gemarmerde tempels met koren en zijgangen, waarin niet alleen overal de koude wind den toehoorders om de ooren woei, maar ook de overtollige ruimte het aan de meesten onder hen onmogelijk maakte den spreker te verstaan—zich beknopte en toch ruime, goed verlichte, voor verwarming geschikte, tegen den tocht beschutte lokalen in te richten.Met dat al, aan ons, die de Nieuwekerk zijn binnengetreden, terwijl er geen dienst gedaan wordt en die nu onze oogen om ons heen slaan, doet zij zich nog altijd plechtig, grootsch en indrukwekkend voor. Wij blijven eene poos onder dien indruk staan, om langzamerhand aan de merkwaardigheden, die de Kerk bevat, meer in ’t bijzonder onze aandacht te wijden. En dan vestigen wij van zelf ’t eerst onze opmerkzaamheid op den predikstoel, het werk van Albert Vinkebrinck en een dier wonderen van snijwerk, waar de 17de eeuw zoo hoogen prijs op stelde. Onderaan zijn, in vier vakken, voor en ter zijde, de vier Evangelisten afgebeeld. Nevens die historische staan allegorische figuren: de Sterkte, ’t Geloof, de Liefde, de Hoop, de Gerechtigheid en de Voorzichtigheid. Hooger vertoonen zich de Zeven werken van Barmhartigheid, geestig vertoond met kleine aardige beeldjes, in diepe verschieten geplaatst. De leuning is met wingerdbladendoorwerkt, waarover een dik en bochtig touw is heengeworpen, op ’t bedriegelijkst uit hout gesneden. Het klankbord boven den stoel is met fraai lofwerk versierd en draagt een toren met verscheidene omgangen, waarop kleine beeldjes zich als wandelende vertoonen. Dat alles draagt den stempel van het tijdvak, waarin het vervaardigd werd; uit het geheele kunststuk spreekt, wat uit alles sprak, dat in die dagen verricht werd: vlijt, netheid, zorg en taai geduld. Wel heeft het niets dat het hart aandoet, niets dat een edele, laat staan een geestverheffende gedachte inboezemt; men moge ’t zelfs poppig heeten—doch ’t vertoont in ’t groot, wat de pronkvertrekken en kunstladen der deftige burgers uit die eeuw in ’t klein vertoonden, en daarom is het in harmonie met de hoofdgedachte, die naar ons gevoel het beschouwen van de Nieuwekerk moet doen oprijzen. Geen marmeren gestoelte voegt bij den eenvoud van den Hervormden Godsdienst, maar evenmin zou het voegen in een kerk, door een koopman gesticht, in een kerk, waar zelfs de banken der Regenten bijna alleen bezeten werden door de zoodanigen, die aan handel, nering of ambachten, door hen of door hun voorouders gedreven, het voorrecht verschuldigd waren, die plaatsen der eere te bekleeden.Ook die plaatsen der eere, onveranderd gebleven zooals zij oorspronkelijk waren, spreken van dien tijd, toen Kerk en Staat nog één waren, toen de Overheidspersoon, niet slechts als Christen, als lidmaat, maar ook dikwijls vooral als Overheidspersoon ter kerke verscheen; toen van den hoogen kansel herhaaldelijk vermaningen en bestraffingen klonken, die niet den broeder, niet den medechristen, golden, maar den Regent, en toen wederkeerig uit de ronde bank daartegenover de Regent niet zelden met gefronst gelaat, met toorn in ’t oog en een krampachtig bijten op de lippen, zat te luisteren naar de verwijtingen, aan de Wethouderschap gedaan en hij bij zich zelven den Leeraar een berisping op Burgemeesterskamer, misschien wel eene schorsing of uitzetting beloofde, ten einde ’t hem af te leeren zich met de politiek van den dag te bemoeien of althans daaromtrent andere gedachten te durven hebben dan de „Heeren”.—In onze dagen, nu Kerk en Staat gescheiden zijn, nu de leden der Wethouderschap meermalen niet tot de vroeger heerschende Kerk behooren, nu de Predikanten geen staatkunde meer op den kansel brengen, nu, zoo al geen zuiver plichtsbesef, dan toch stellig geen politiek doel de lieden ter kerke drijft, nu geen maatschappelijke rang of stand in de bedehuizen meer in aanmerking komt, zijn de Hooge-, Overheids-, Raden-, Commissaris-, Krijgsraadsbanken enz. een ongerijmdheid geworden en zoo men ze nog behoudt, het is alleen om door te werken op de ijdelheid van hen, wien men er eene zitplaats in verkoopt, de kerkelijke kassen te stijven. Maar zoo men op vele plaatsen hun oorspronkelijken vorm aanmerkelijk gewijzigd heeft, in die kerken, waarin men, gelijk hier in de Nieuwe, ze nog in hunne oude gedaante gelaten heeft, blijven zij dan ook voor ons een luid sprekende overlevering uit die dagen, toen de man, die uit het midden van die Burgemeestersbank het ruim beneden hem beheerschte met zijn blik, de oogen der saamgevloeide schare vooralniet minder trok dan de man, die tegenover hem het woord Gods stond te verkondigen.Wij wenden den blik thans van de banken af, zoowel als van het orgel, ’t welk op alle groote orgels gelijkt, en vestigen nu onze aandacht een wijl op het groote glasraam in ’t Noorderkruispand. Daar voor ’t minst komt een geschilderd tafereel op voor, dat ons vorstelijke praal en pracht herinnert; daar zien wij Graaf Willem den Vierden, de stad met haar driekruisig wapenschild beschenkende. Maar alleen schijnbaar is hieruit af te leiden, dat de schilderij den algemeenen indruk, dien de Kerk op ons maakt, zou bederven. Behalve dat het voorgestelde feit, historisch onwaar zijnde, alleen een oppervlakkige beschouwing verdient, die geen blijvenden indruk achterlaat, zoo kan het tafereel, als allegorie aangemerkt, eer getuigen van een hulde door den Landsheer gebracht aan de Burgerij, die hier bevoorrecht wordt, dan van een hulde aan den Vorst, die ’t voorrecht schenkt. Eene gelijke gedachte moest de glasschilderij doen ontstaan, die voorheen boven den ingang van ’t Zuiderkruispand prijkte en den Aartshertog Maximiliaan voorstelde, aan de stad vergunnende boven haar wapen de Roomsch-Koninklijke kroon te voeren. Wij leeren het uit de woorden van het privilege zelf, dat de Vorst op 11 Februari 1488 (1489) aan Amsterdam schonk. Zoowel die schenking als eene andere, vijf dagen vroeger gedaan en waarbij de rechtsban der Stad werd uitgebreid—geschiedde, „overmits die menickvoudige getrouwe diensten, die de Coopstede en waer vele en diversche Coopluijden woonden” den Vorst „gedaen had, in diversche manieren daghelycx deed” en omdat de Stad nog met geen behoorlijk wapen „geciert” was, terwijl intusschen haar „Poorteren ende inghesetenen dagelijck, met haren scepen ende goeden, te water ende te lande, in vele verre ende vreemde Rijcke ende Landen converserende waren in Coopmanschappen.”—Wie ziet hier niet de majesteit des Vorsten, die afhaalde, die zich—wil men—vernederde tot de machtige poorters en koopluiden, wier bijstand hij ondervonden had en nog voortdurend behoefde. Het was op beide glasramen alzoo de Amsterdamsche handelaar, die den toeschouwer scheen toe te roepen: „zoover hebben wij ’t door zeevaart en nijverheid gebracht, dat wij de Landsheeren genoodzaakt hebben onze hulp en ondersteuning door schitterende voorrechten te koopen.”Maar liever dan naar die glasramen keeren wij ons nu Oostwaarts, naar het hooge koor. Door het prachtige hek van gegoten koper, dat op eene marmeren borstwering rust en welks zware lijst met het Stadswapen is versierd, valt het oog op een aanzienlijk praalgraf, hoedanig weinige Vorsten, ja Koningen, bezitten, en dat de geheele ruimte beslaat, die in Roomsche kerkkoren, het outer des kerkheiligen met zijn toebehooren inneemt. ’t Is waar, de man, die hier begraven ligt, was gerechtigd geweest een Hertogskroon te voeren; ’t is waar zijn deugden hadden hem, indien hij in de eerste Christeneeuwen geleefd had, misschien heilig doen verklaren—en toch, wie aan Michiel AdriaanszoonDe Ruijter denkt, dien zweeft geen beeld voor den geest, dat óf de gouden kroon eens Hertogs, óf de stralenkroon eens martelaars draagt; maar veeleer dat van den wakkeren knaap, den zoon van behoeftige ouders, die, de lijnbaan verlatende om de baan der eere te betreden, als zeeman alle rangen doorliep en geen anderen roem kende dan dien van God en de Heeren Staten te dienen; het beeld van den meest nederige, den meest eenvoudige, meest burgerlijke onder de groote helden van alle tijden, en tevens, als toonbeeld van moed, van beleid, van volharding, van vertrouwen op hoogeren bijstand, mede een type der deugden van de oude Republiek.—Schonken drie Koningen van Europa hem adellijke wapenen, ridderlijke eeretitels en een vorstenrang, meer gewicht hechtte hij, hechtten zijne landgenooten aan het Groot-Poorterschap van Amsterdam, hem door de Wethouderschap verleend. Men raadplege Brandt, die in dezen eenvoudig uitdrukte, wat een ieder hier te lande dacht en gevoelde. Dat De Ruijter Vice-Admiraal, Luitenant-Admiraal, Opper-Admiraal werd, dat hij brieven van adeldom en een Hertogstitel ontving, dat was zeker veel; maar het waren verhoogingen, die in den gewonen loop der dingen elkander wel moesten opvolgen;—doch dat De Ruyter ’t Groot-Burgerschap van Amsterdam bekwam, dat zei in de oogen van zijn levensbeschrijver vrij wat meer,—want, vervolgt hij na ’t vermelden van het feit—„de Admiraal werd daardoor in staat gestelt dat hij in tijt en wijle tot de hoogste ampten van stadsregeeringe kon worden gekozen.”Een ampt van Stadtsregeeringe!dat beteekende in de oogen der Amsterdammers nog heel wat anders dan een Vlootvoogds-staf of een Hertogskroon! En toch, zooverre mocht De Ruijter het niet brengen, dat hij ooit in Amsterdam zoodanig ambt, zelfs geen Commissariaat van Kleine Zaken verwierf! Hij verwierf er meer: Hij verwierf er een graf, en was het wel niet de Stad, waren het de Staten, die aan De Ruijter dat marmeren gedenkteeken stichtten, het was toch uit aanmerking van het Burgerschap, door De Ruijter te Amsterdam bekleed dat Hunne Edelmogenden besloten het lichaam des Helds aldaar ter aarde te doen bestellen en niet in Rotterdam, dat op die eere had aanspraak gemaakt.In dat zelfde koor, waar thans door landgenoot en vreemdeling de graftombe van De Ruyter met eerbied beschouwd wordt, zien wij ook aan een der zijwanden een ander gedenkteeken ophangen ter nagedachtenis van Wolter Jan Baron Bentinck, een der helden van de Doggersbank en aan de gevolgen eener daar bekomen wond op 24 Augustus 1781 overleden; ook hij in een strijd, meer bijzonder door ’t belang van den handel uitgelokt en tot bescherming van dat belang gevoerd.En nabij dat koor, aan de Zuidzijde, vinden wij tusschen twee pilaren, de grafstede van David Sweers, den wakkeren kapitein ter Zee bij de Admiraliteit van Amsterdam, te vroeg voor het Vaderland, maar tijdig reeds voor zijn roem, gesneuveld in dien merkwaardigen slag voor Solebaai, die op 21 Augustus 1673 tegen de Konings-vloten van Frankrijk en Engeland geleverd werd; gesneuveld,evenals de beiden vroeger genoemden, op ’t bed van eer in de armen der overwinning.Wenden wij ons van ’t koor Noordwaarts af: schuins achter den predikstoel zien wij het marmeren praalgraf van den Commandeur Jan Van Galen, den ontembaren schrik der zeeën, den held, wiens reuzenarm daden verrichtte, die ons de fabelachtige wapenfeiten der Paladijnen uit de oude ridderromans in ’t geheugen roepen, en wiens kloek beleid als Scheeps- en Vlootvoogd de zege won, waar zijn vlag zich vertoonde. Ook hij kocht zijn laatste overwinning met zijn bloed, in den zeeslag bij Livorno, 14 Maart 1653 gestreden. Maar met zwijgend hoofdschudden gaan wij de volgende graftombe, die van den Admiraal Van Kinsbergen, aan de Noordwestzijde der Kerk, voorbij; want geene herinneringen, die den indruk van ’t geheel levendig houden, wekt zij, zooals de gedenkteekenen, die wij straks bezochten, bij ons op. Immers welken roem zich Van Kinsbergen op zee verworven, welke achting hij als mensch, als staatsdienaar, als voorstander van letteren, wetenschappen en kunsten, moge verdiend hebben, op een praalgraf in de Nieuwekerk had hij geen recht, want op zijne tombe kan niet, als op elke andere, hier ter eere eens helds gesticht, hetdulce et decorum est pro patria morigelezen worden. Alleen aan de dapperen, die in dienst van den Staat en aan de wonden, in diens dienst ontvangen, het leven verloren, kende ’s Lands Regeering eene graftombe toe onder de gewelven harer kerken:—en welke aanspraak kon hij, de man, die ’t grootste deel zijns levens in vreemden dienst doorbracht en rustig op zijn bed den adem uitblies, dan maken op een eer, welke aan geen Meppel, aan geen Aert Van Nes, aan geen Kornelis Tromp te beurt was moge vallen! Al mogen wij onderstellen, dat Van Kinsbergen te veel vreemdeling in de geschiedenis zijns eigen Lands geworden was om zich dat alles te herinneren, toch mogen wij het voor ’s mans eer betreuren, dat hij een lofwaardige, ja in vele opzichten glansrijke loopbaan besloot met eene daad van ijdelheid, door zich zelven na zijn dood een gedenkteeken te doen stichten en dat op eene plaats, waar hij niet behoorde.Maar—daar tegenover het zijne, aan de Zuidwestzijde, daar willen wij een poos verwijlen bij het eenvoudiger, maar voor ’t minst verdiend gedenkteeken, aan de nagedachtenis van den Amsterdamschen burgerwees gewijd en zoo wel passend in de Burger-kerk. Kort was de loopbaan van Van Speyk en zij werd maar door een buitengewoon feit gekenmerkt en tevens besloten, maar dat feit had, toen het voorviel, eenen gewichtigen invloed. Het leerde aan den vreemdeling dat de aloude heldenaard, dien men in de Hollandsche harten waande uitgedoofd, zich nog krachtvol openbaren kon, ja, den dood boven de schande deed verkiezen;—en het deed bij den ontmoedigden landgenoot de hoop en ’t vertrouwen herleven. De vlag, die op 5 Februari 1831 ten hemel vloog, was het voorteeken van de glorie, in de tien Augustusdagen van dat zelfde jaar verworven.Van Galen, Sweers, De Ruijter, Bentinck, Van Speyk, ’t was inverschillende tijdperken dat zij den dood trotseerden, maar ’t was voor eene zaak: voor de onafhankelijkheid van den Staat, aan welken zij trouw gezworen hadden en waarvan de vlag hun ten zinnebeeld verstrekte.De Zuidzijde langs gegaan, komen wij terug naar de plaats, door ons verlaten, in het kruis der kerk; wij laten eene bank, hier in de nabijheid, ter zijde schuiven en vestigen de oogen op de zerk No. 231, die voor ons ligt; die zerk draagt een versleten, nauwelijks leesbaar opschrift, dat aldus luidt:Hic Jacet VondelusPhoeboe et musis amicus.dat is al; ’t is of het Kerkbestuur zich geschaamd heeft, dat geen aanzienlijker gedenkteeken de plaats aanwijst, waar het gebeente van Neerlands hoofddichter rust en dat het daarom zorg heeft willen dragen, die zerk aan de oogen der bezoekers te onttrekken. Maar, al hadden wij ook die zerk niet gezien, en al riep ons van gindsche pilaar, van onder de lijkbus, door ’t GenootschapDiligentia Omniaaldaar geplaatst, de naam van „Vondel” het ons niet toe, wij wisten het, in de Nieuwekerk slaapt de onovertrefbare Bard, die haar verwoesting door den brand op zoo treffende wijze had bezongen. En wie meer dan hij was een graf waardig in die Kerk, door de Aristocratie van den handel gesticht, en de Aristocratie, die uit den handel was, vertegenwoordigende? Wie meer dan hij, de zoon des volks, de eenvoudige winkelier, die zijn genie bij zijne geboorte ontvangen, maar zijn roem aan nauwgezette studie, aan onverpoosd streven naar kennis, aan gestadige volharding, te danken had? De Keulenaar, die tevens, ondanks zijne artistieke, Zuid-Nederlandsche richting, zijne onderworpenheid aan Rome en zijn eerbied voor ’t goddelijk gezag der Vorsten, toch, steeds Hollander in ’t hart en Amsterdammer bovenal, nimmer zweeg, waar het de eer van Holland en die van de Stad zijner inwoning gold, toch voor de Amsterdamsche Patriciërs schier gelijken eerbied koesterde als voor den Paus, toch zelfs den Koning uit het hem zoo dierbare Huis der Stuarts, toen die zich aan de Republiek vergreep, den krachtigen banvloek des Dichters naar ’t hoofd durfde slingeren? Ja gewis, de Kerk, die waardig was het stoffelijk overschot te ontvangen van Neerlands beroemdsten zeeheld, was het ook om het gebeente te bewaren van Neerlands beroemdsten dichter. En even als De Ruyter, indien hier de dooden hunne zerken verlieten, door wakkere zeehelden, zoo ook zou Vondel zich omringd zien door wakkere letterhelden. Immers in die Nieuwekerk rusten, verstrooid en verspreid, zoo velen, die met Vondel sieraden waren onzer letterkunde, de meesten evenwel zijn vrienden en geestverwanten. DaarSluimert Baerle neffens Hooft.Van Baerle, de geleerde, de smaakvolle Latijnsche en Nederduitsche Zanger, en daarbij jaren lang Vondels medestrijder tegen de Contra-Remonstrantschepartij; Hooft, de Tacitus van Nederland, de beste geschiedschrijver zijner eeuw, de beschaafde, fijne, vernuftige, schrandere Aristocraat, die in den tijd der hevigste staatsgeschillen elke klip wist te vermijden en, geheel zijn leven door, zijn invloed wist te bewaren, zoo bij den Prins, wiens gezag hij vertegenwoordigde en handhaafde, schoon zijn voorliefde niet zoo bij de Prinsenpartij was, als bij de Amsterdamsche Magistraten, schoon hij nimmer onder hun getal werd opgenomen. Nog zoo velen, vrienden, vereerders en beschermers van Vondel vonden daar in de Nieuwekerk eene laatste rustplaats, en zoo aan hem, aan die allen een gedenksteen ware opgericht, die Kerk zou aan Westminster of aan het Pantheon niets te benijden hebben.En al die groote mannen, wat waren zij? schier zonder uitzondering zonen van die eeuw, waarin zich de burgers van ’t vrijgevochten Vaderland, den weg ter eere wisten te banen. Geen vorst noch koningszoon rust hier; de boekdrukker ligt er naast den geneesheer, de winkelier naast de Stadsregenten, maar die boekdrukker, die geneesheer, die winkelier hebben zich een roem verworven, die menigen vorstenroem verdonkert, en die Regenten zelven, zij mogen met luidklinkende titels van aangekochte of aangeërfde Heerlijkheden pralen, zich met vreemde ridderteekens omhangen of zelfs geslachtslijsten ontrollen, om een ware of vermeende adellijke afkomst te bewijzen, de oorsprong van hun aanzien en gezag ligt alleen in hun poortrecht, als burgers van Amsterdam, dat hun de bevoegdheid gegeven heeft om op te treden als handhavers der vrijheden, als verdedigers der onafhankelijkheid, als bevorderaars van den bloei en de macht der stad hunner inwoning. Dat poortrecht, gevoegd bij de schatten, die zij of hunne vaderen in den handel hebben verworven, bracht hen in de Regeering, die Regeering weder in ’t Staatsbestuur en zoo breidde zich hun invloed al verder en verder uit om overwegend te gelden in al de deelen der wereld.Zoo hebben wij onze beschouwing volbracht en zoo wij ons vleien het bewijs geleverd dat de Nieuwekerk als een type van Amsterdam kan beschouwd worden.’t Is waar, drie malen heeft de Nieuwekerk eene plechtigheid binnen hare muren zien vieren, oogenschijnlijk bestemd om een anderen indruk te verwekken, dan die tot nog toe ontvangen werd.—Drie Koningen zijn er achtereenvolgens gehuldigd met de praal en den luister, onafscheidelijk van dergelijke plechtigheid. Dan zag men boven den opgerichten koningstroon het koningswapen blinken van onder het fluweelen verhemelte: dan zag men de Vertegenwoordigers der Mogendheden van Europa, in de luistervolle kleeding, passende aan hun rang, met breede ordelinten, vlammende sterren en schitterend borduursel overdekt, vereenigd, om getuigen te zijn hoe nu een nieuwe Regeerder op zou treden in de Vorstenrij, dan zag men de hooge Staatsambtenaren, de leden der Wetgevende Vergadering, de Hooge Colleges van Staat, de Staatslichamen, aan wier zorg de belangen van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid en wat niet al meer, waren opgedragen, in plechtgewaadopgekomen, dan flonkerde het goud en zilver van de prachtige monteeringen der krijgsoversten en van de zwierige pronklivreien der hoogere en lagere hofbeambten; dan werd het oog verblind bovenal door al dat ruischende satijn, door al die wolken van gaas en zwanendons, door al die festoenen van kostbaar kant en gebloemte, die pluimen en zijde, door al die puikgesteenten en paarlen, waarmede het schoon verhoogd werd dier aanzienlijke vrouwen, met Neerlands nieuwe Koningin aan ’t hoofd alhier verschenen, opdat aan den luister der plechtigheid niets ontbreken zou; dan kondigde de stem des Wapenkonings van de trappen des troonzetels den volke aan dat Nederland een nieuwen Koning had verkregen.Maar wanneer wij, niet tevreden met de beschouwing van de oppervlakte der dingen, tot de zaak zelve doordringen, wanneer wij die plechtigheid op zichzelve nemen, in haar zin en strekking, ontdaan van dien feestelijken tooi, van al wat bloot uiterlijk vertoon en alleen bestemd is om de zinnen te bedwelmen, wat is dan die beteekenis, welke die driewerf herhaalde huldiging met zich bracht? Het gold hier het sluiten van een verbond tusschen den Koning en de Natie, waar wederkeerig eeden van trouw werden gegeven en ontvangen, en hier zweeft ons voor den geest het denkbeeld aan een maatschappelijk verdrag, aan instellingen, verkregen door de toepassing van die begrippen van vrijheid, verdraagzaamheid en verlichting, die in Nederland het eerst gepredikt, voorgestaan, verdedigd en gehandhaafd, allengs ook elders overgeplant en door tijdsverloop ontwikkeld werden. Inderdaad heeft alzoo die plechtigheid der huldiging zoomin iets, dat ons de majesteit van het souverein gezag voor oogen roept, als de straks besproken schenking van het Stadswapen door Graaf Willem IV, of die van de koningskroon boven dat wapen door Maximiliaan, integendeel is zij eene erkentenis, door den Vorst gedaan, dat hij voor en met de Natie regeeren moet, en niet van zijne geboorte alleen, maar ook van haar, zijn recht tot het opperbestuur ontleenen wil: eene hulde dus wederom aan dien geest voor onafhankelijkheid, waarvan Amsterdam aan de Oude Republiek zoo krachtig het voorbeeld had gegeven.

Nog steeds wordt Amsterdam bij den vreemdeling aangemerkt als vertegenwoordigende het land, waarvan het de Hoofdstad heet; minder echter om die reden, dan wel uithoofde der herinneringen, die zich aan de stad verbinden, als voortdurend de voorgangster en leidsvrouw, niet zelden de gebiedster der voormalige Republiek. Datzelfde type, ’t welk Amsterdam als zoodanig biedt op uitgebreide schaal, biedt ons, meer dan eenig ander gebouw, binnen zijn muren, de Nieuwekerk op een verkleinde schaal aan. Worden in de hoofdkerken van andere Rijken veelal de herinneringen bewaard van Vorsten, die er gezalfd werden, of wier gebeente er onder marmeren gedenksteenen rust, wekt haar beschouwing bij den bezoeker de gedachte op aan monarchieën, die te niet zijn gegaan, aan koninklijken luister en bisschoppelijke praal, bij hem, die de Nieuwekerk te Amsterdam binnentreedt, rijzen, ’t zij hij hare stichting en lotgevallen overdenke, ’t zij hij de oogen om zich heen sla, geene andere denkbeelden voor den geest, dan die in verband staan met de ontwikkeling van vrije en krachtvolle burgers. Hoeverre die kerk dan ook in de oogen van oppervlakkige of onkundige toeschouwers schijne achter te staan in belangrijkheid bij gebouwen als de Abdijen van Westminster en St.-Denis, zij mag, vooral wie zich door uiterlijke pracht noch hoogklinkende namen laat bedwelmen, een gelijken rang innemen met beide; immers zij ook bewaart de overleveringen van vroegere grootheid en macht; en rusten onder haar zerken geen Koningen of Vorsten, zij bevat het stoffelijk overschot van hen, die Koningen en Vorsten ontzag inboezemden; zij is het Westminster en St.-Denis van den Derden Stand.

Verlangt men bewijzen dat ik hier niet overdrijf, dat geene dwaze ingenomenheid met een der weinige praalgestichten, die Amsterdam nog aanbiedt, mij doet spreken, ik hoop mijne gezegden te handhaven en aan te toonen dat het geene ijdele machtspreuk was, die ik mij heb veroorloofd.

Beschouwen wij daarom in de eerste plaats de stichting der Kerk, eene stichting, die reeds als eene profetie kan aangemerkt worden van hare latere bestemming.

Het was in den aanvang der 15de eeuw: nog in die dagen, toen de geschiedenis der volkeren niet veel meer scheen te zijn dan degeschiedenis hunner regeerders en de krijg niet gevoerd, noch de vrede gesloten werd om de belangen eener natie maar om die van den Souverein of van het regeerende stamhuis te dienen. Men had toch in de Nederlanden, bij de uitbreiding van handel en nijverheid, reeds sedert meer dan een eeuw de stem der burgerijen, en reeds dikwijls luid en krachtig doen hooren en ook in Holland was de invloed der groote steden begonnen tegen dien van den adel op te wegen. De Vorsten hadden leeren inzien hoe hun waar belang het medebracht om zich van de toegenegenheid der poorters te verzekeren en de jammerlijke moord door verbitterde edellieden aan Floris V gepleegd, had zijne nazaten op den gravenzetel niet afgeschrikt om zijn voorbeeld te volgen. Het bloed der martelaren is altijd vruchtbaar.

Met dat al, indien de Graven van Holland, die voor Willem VI kwamen, het niet beneden zich geacht mogen hebben, nu en dan bij iemand van onedele geboorte te rade te gaan, niet één hunner had het nog gewaagd, een zoodanige te bekleeden met een dier eerambten of hooge staatsbedieningen, die bij uitsluiting voor den adel schenen weggelegd. Groot was derhalve de verbazing, de verontwaardiging, de verbolgenheid der Hollandsche Edelen, toen in 1410 de Gentenaar Willem Eggert, die zich te Amsterdam had nedergezet en er handel dreef, door den genoemden Vorst tot Trezorier van de Grafelijkheid werd benoemd. Wel had de Amsterdamsche koopman, zoogoed als zij, mannen van wapenen uitgerust om den Graaf in den Arkelschen krijg te dienen: wel had hij bovendien door aanzienlijke voorschotten in geld, den Graaf in de mogelijkheid gesteld dien krijg te voeren, maar die gedachte zelve, dat een eenvoudige poorter meer doen kon en ook meer deed dan zij, moest reeds strekken om hen tegen Eggert te verbitteren, en de overweging dat iemand, die aan finantiëele kennis een helder doorzicht in zaken en een onkreukbare eerlijkheid paarde, beter dan een van hen geschikt was om de orde in de verwarde geldmiddelen te herstellen, gold weinig bij lieden, die tot dien tijd juist die betrekking van Trezorier hadden aangemerkt als een middel om hem, die haar bekleedde,—en niet het Land—te verrijken. De gift, van de Ambachtsheerlijkheid van Purmer en Purmerend, waardoor de Trezorier het recht kreeg een adellijken titel te voeren, was niet geschikt om de afgunst van ’s Graven evenknieën te verminderen: ja er was, om de uitbarsting van hun wrevel tegen Eggert te voorkomen, eene uitdrukkelijke verklaring van Willems zijde noodig, „dat hij ’t op hen verhalen zou, indien zijn vriend een tegel van het dak op ’t hoofd viel.”

Maar zoo Willem Eggert, ’t zij als gedeeltelijke en billijke voldoening zijner schuldvordering, ’t zij om zijn doorluchtigen beschermer niet voor ’t hoofd te stooten, de giften, hem gedaan, in dank had aangenomen, niet voor zich zelven alleen had hij partij getrokken van ’s Graven dankbaarheid; ’t was voornamelijk Amsterdam, dat er de vruchten van genieten moest. Verknocht aan de stad, waarin hij gastvrij ontvangen was, en zijne rijkdommen verworven had, was het voor haar meer dan voor zichzelven dat hij de goede gezindheid zijns meesters inriep, en werkelijk gelukte het hem zulketreffelijke privileges voor haar te verwerven, dat naar de uitdrukking eens kroniekschrijvers nooit eenig burger dezer stad „profytelijcker ofte aengenaemer” is geweest dan hij.—Doch dit was hem niet genoeg. Oordeelende dat zijne kinderen na zijn dood genoeg zouden vinden om onbekrompen te leven, besloot hij, al wat zijn ambt hem bezorgde, en een aanzienlijk deel zijner overwinsten uit den handel bovendien, te besteden aan eene stichting, waar Amsterdam, bij den toenemenden aanwas van bevolking, behoefte aan begon te gevoelen. Hij liet ten dien einde een boomgaard rooien, die niet verre van zijne woning te Amsterdam, aan den Nieuwendijk gelegen was en op dien grond was het dat in 1414 met den opbouw eener kerk aangevangen en ’t werk met krachtigen spoed werd doorgezet. Drie jaren verliepen er en nu barstte boven ’t hoofd van Willem Eggert het onweer los, dat zoolang had gedreigd. Op 31 Mei 1417 overleed zijn Vorstelijke beschermheer en nauwelijks had deze de oogen gesloten of de lang bedwongen gramschap gaf zich lucht, en uit alle adellijke sloten stroomden ontzeg-enuitdaagbrieven den Heer van Purmerende tegen. Bij de smart over het verlies van zijn weldoener paarde zich nu in Eggerts hart de angst, dat hij nergens meer veilig wezen zou en reeds op 15 Juli 1417 bezweek hij onder ’t gewicht dier dubbele gemoedsaandoeningen. Maar vóór zijn dood had hij voor ’t minst zijn stichting voltrokken gezien, en was hij op het Purmerslot gestorven, het was in zijn geliefd Amsterdam, binnen de gewijde muren van de Kerk, door hem gebouwd, dat hij zich een graf bereid had. Nog rust daar zijn gebeente, ter zijde van het koor, waar zijn grafschrift luidt:

„Anno MCCCC ende XVII den XV dagh in Julio sterft den eerbaeren Heer Willem Eggaert, fundateur van dese Kapelle, gedoyteert met twee Vicariën, medefondateur van dese Kerck, die begraven is onder deze blauwe serck.”

Zoo had dan de Nieuwekerk het aanzijn te danken aan den vromen zoon des volks, die niet alleen als koopman, den bloei der jeugdige stad tot eene vroeger ongekende hoogte had gebracht, maar die ook, als bekwaam en eerlijk raadsman zijns Vorsten, den deerlijk vervallen toestand der schatkist had weten te verbeteren, daarbij de eerste der handelaren, die in Holland heerlijke rechten bekwam en uitoefende. Met hem mag men alzoo die lange reeks doen beginnen van regenten uit den handelsstand, die, twee eeuwen na hem, zich koningen gelijk stelden.

En wie waren ’t die, toen Eggerts ontijdige dood belette dat de Nieuwekerk zoo treffelijk volbouwd en voltooid werd als in het oorspronkelijke plan des Stichters gelegen was, wie waren het, die verder tot haar opluistering bijdroegen? ’t Waren, behalve de gilden, die er de koren en altaren stichtten, naar hen genoemd—meest poorters en poorteressen als Eggert, begeerig als hij, om aan den openbaren Godsdienst een voornaam deel te wijden van hetgeen handel en nijverheid hun hadden doen verkrijgen. ’t Waren, om hen ’t eerst te noemen, zijn zoon Jan, die reeds in 1418 twee eeuwige kapellerijen, en zijn nazaat Willem, die in 1509 tweevicariaten in Willem Eggerts kapelle stichtte; ’t waren ten tijde van de eerste vestiging der Kerk, de kooplieden Jan Dirksz. Sill Jacob Meeuwszoon en Jacob Aemsz. Verburg, ’t waren zoo ter dier gelegenheid als bij twee latere, leden uit het burgemeesterlijke geslacht van Loen en uit dat van Boel, welks bloed door de aderen van al de toekomstige Amsterdamsche Patriciërs stroomen zou; ’t waren in de 15dede regeeringsleden Bartel Doos Dirksz., Jan De Waal, Jacob Van Berck of Berge, Meeuw Gerbrantsz. en Arent Barendsz., en de Apotheker Huygen Jansz. en Geert Jacob Bickersdochter zijn huisvrouw; de Priesters Willem Bruynincx en Pieter Bije Jacobsz. en Katharina Bicker, Weduwe Meeuw Gerbrantsz; in de 16dede Priesters Willem Cloes en Vechter Dirksz., de Weduwe van Jan Duijn, Anna Bruning, Niclaes Steyn Niclaesz., man en voogd van Wendelmoet, dochter van Heijman Van IJlp; ’t waren op min bekende tijdstippen Gerijt Paeuw, Grebber Dircksz.,Albert Gerritsz., Jacob Florisz.,Steven Reijersz. en zoovele anderen meer; maar onder al die namen, min of meer bekend, ja, waarvan sommigen later beroemd werden, geen, die niet aan nederige poorters of ingezetenen behoorde—geen enkele naam van eenig, ’t zij wereldlijk, ’t zij kerkelijk Vorst of Heer—wat zelfs te Amsterdam met opzicht tot een paar andere kerken het geval is—verbindt zich aan de stichting of voltooiing der Nieuwekerk, maar, even gelijk de Burgerstand, aan wien zij haar opkomst te danken had, den Adel boven ’t hoofd wies, evenzoo verhief zich haar roem boven dien van menige andere kerk, die op aanzienlijker stichters bogen mocht.

En thans, de nederige zerk van Willem Eggert, bij welke wij de geschiedenis der stichting herdacht hebben, verlatende en meteen die kapellen om het hoofdkoor, sedert bijna drie eeuwen aan haar oorspronkelijke bestemming onttrokken, willen wij verder de Kerk intreden en, ons midden in het kruis stellende, ons oog in ’t rond laten weiden.

Gewis, al moge de oorspronkelijke vorm bewaard zijn gebleven, geheel anders doet ook hier het gebouw zich aan ons voor, dan toen het voor ’t eerst aan den dienst van God geheiligd werd. Niet alleen had, reeds vier jaren na Eggerts dood, een hevige brand het gebouw aangetast, waaruit het met herboren glans te voorschijn kwam, maar ook herkennen wij niets meer van de innerlijke pracht, die het in de 16deeeuw nog vertoonde. Toen bevatte de kerk, behalve vier en dertig keurig gebeeldhouwde altaren, de kostbaarste kerksieraden: een verguld kruis, dat 26 mark zilver woog, een verguld zilveren sacramentshuis van 38 en een zilveren Lieve Vrouwenbeeld van 32 mark. Toen stonden in ’t midden der kerk en in ’t midden van het hoofdkoor de prachtige beelden van de beide Patronessen, aan wie de kerk was toegewijd, Maria en Katharina: toen versierden standbeelden de pilaren en schilderijen de muren. Dat alles had op den 2denSeptember 1578 een doldriftige hoop ijveraars, die met geweld de kerk waren binnengedrongen, vernield en vergruisd, verscheurd en aan flarden gereten. Doch volvoerde de moedwil hier, wat in de Oudekerk, op last der Regeering—dochordelijk en bedaard—bereids geschied was, een noodlottig toeval deed, ruim vijf en zestig later, gewichtiger schade. Op den 11denJanuari 1645 op vollen middag, begingen loodgieters, die in de goot gearbeid hadden, en aan ’t schaften waren gegaan, eene dier onvoorzichtigheden, die telkens bezuurd en betreurd, telkens weder plaats hebben; het achterlaten namelijk van een pot met vuur voor een open dakvenster.De tocht deed de vlam opflikkeren, die door een fellen wind aangeblazen, eerst in ’t droge houten dak sloeg, en spoedig zoo geweldig om zich heen woedde, dat in een halfuur tijds, het geheele gebouw in lichterlaaie stond. Vergeefsch waren alle pogingen om den brand te stuiten, vooral aan gebrek aan die middelen tot blussching, welke sedert werden uitgevonden. Ten drie uren stortten dak, gewelf, torentjes, orgels en schoorbalken, met wat er aan vast was, van boven in de Kerk, den kunstig bewerkten predikstoel, de banken en gestoelten en al wat zich verder daarbinnen bevond, onder hun wicht verpletterende.

In weinige jaren echter werd de Kerk—thans op kosten der stad—weder opgebouwd. Het was toen een geheel andere tijd als dien wij thans beleven; men zocht niet, óf hetgeen vervallen was, zoogoed mogelijk op te lappen, óf bestaande gebouwenzoo goeden zoo kwaad mogelijk in te richten tot een doel, waartoe een bouwheer ze oorspronkelijk nooit had denken te bestemmen; men brak af en bouwde op, ’t zij het een poort, een raadhuis of een kerk gold, en wat men bouwde was hecht en stevig en geschikt den knagenden tand des tijds te wederstaan, en toch, men was toen nog altijd oorlogvoerende, terwijl men thans de zegeningen des vredes geniet. Maar toen ook waren de stadsregeeringen onafhankelijk in hare bewegingen en de grootsche gedachten, die bij haar oprezen, konden, bij ruim voorziene kassen, ook in haar volledigen omvang worden verwezenlijkt, daar noch het belemmerend—zij het ook nuttig—toezicht van hooger gezag, noch de bemoei- en bedilzucht van medebestuurders de zuivere ontwikkeling van die gedachten onmogelijk maakten.

Niet alleen bouwde men de Kerk weder op met zulk een wakkeren spoed dat er op den 10denMei 1648 weder in kon gepredikt worden, maar zelfs besloot de Vroedschap een hardsteenen toren aan de westzijde op te richten, hooger en zwaarder als er eene hier te lande gevonden werd, een toren, die de Nieuwekerk werkelijk tot een Dom- of Hoofdkerk maken zou. Met het graven der grondslagen werd in Mei 1646 een aanvang gemaakt, met het leggen van ’t roosterwerk en met het heien der palen in Augustus begonnen en tot in Juni 1647 voortgegaan, op den zesden van welke maand de laatste der 4593 zware masten in den grond geslagen werd. Behalve deze waren er nog 1715 stopmasten gebezigd. Op den 20stenJuli daaraanvolgende werd door Cornelis Backer, zoon van den burgemeester Willem Backer, de eerste steen van ’t gebouw gelegd, zuidwaarts naar ’t Stadhuis toe en daaronder een geschenk in goud van ƒ 200.—Nog eenige jaren zette men den arbeid voort, en reeds was de toren op de helft van de hoogte der Kerk opgetrokken, toen men den arbeidliet staken. De reden daarvan is nimmer aan den dag gekomen. Aan geld faalde het niet; sommigen beweren dat de grondslagen te zwak waren, anderen dat, nu men begonnen was het nieuwe Raadhuis te bouwen, men niet begeerde, dit gebouw, ’t welk het pronkstuk der stad moest worden, door een zoo reusachtigen toren in zijne onmiddellijke nabijheid te laten overschreeuwen. Zonder ons te verdiepen in het opsporen van de redenen, die de leden der Vroedschap geleid kunnen hebben om hun oorspronkelijk plan te verlaten, willen wij liever aannemen dat een hooger invloed dan waarvan zij zelven bewust waren, hen er toe geleid heeft af te zien van een voornemen, waardoor aan de kerk een meer feodaal en middeleeuwsch karakter zou zijn geschonken en zij niet meer de vertegenwoordigster der vrije burgerij zou geweest zijn.

Ééne zaak echter had met reden stof tot gisping kunnen geven; dat namelijk de Kerk, bij elken herbouw, haar oude en oorspronkelijke gedaante behield. Zonderling is het, maar zij, die hier te lande de leer en den eeredienst hervormd hadden, dachten nimmer aan eene hervorming der kerkgebouwen. Zij kwamen nimmer tot het besef dat, waar men den hoogsten prijs stelde op de prediking van het Woord, dat daar de plaats waar dit geschieden moest, ook zoodanig behoorde te worden ingericht, dat men er overal goed en gemakkelijk die prediking kon hooren. Men bleef hechten aan het woord „Kerk”: men kon zich de Kerk niet anders voorstellen dan als een gebouw met een toren, dat schrikkelijk groot, ruim en tochtig wezen en waar een buitengewone galm in heerschen moest. Gelukkig in zeker opzicht waren zij, die niet tot de Gereformeerde of Hervormde kerk behoorden. Aan hen was het niet vergund kerken te hebben maar alleen bedehuizen; hiervan was het gevolg dat zij wel genoodzaakt waren, in plaats van getorende, gewelfde, gemarmerde tempels met koren en zijgangen, waarin niet alleen overal de koude wind den toehoorders om de ooren woei, maar ook de overtollige ruimte het aan de meesten onder hen onmogelijk maakte den spreker te verstaan—zich beknopte en toch ruime, goed verlichte, voor verwarming geschikte, tegen den tocht beschutte lokalen in te richten.

Met dat al, aan ons, die de Nieuwekerk zijn binnengetreden, terwijl er geen dienst gedaan wordt en die nu onze oogen om ons heen slaan, doet zij zich nog altijd plechtig, grootsch en indrukwekkend voor. Wij blijven eene poos onder dien indruk staan, om langzamerhand aan de merkwaardigheden, die de Kerk bevat, meer in ’t bijzonder onze aandacht te wijden. En dan vestigen wij van zelf ’t eerst onze opmerkzaamheid op den predikstoel, het werk van Albert Vinkebrinck en een dier wonderen van snijwerk, waar de 17de eeuw zoo hoogen prijs op stelde. Onderaan zijn, in vier vakken, voor en ter zijde, de vier Evangelisten afgebeeld. Nevens die historische staan allegorische figuren: de Sterkte, ’t Geloof, de Liefde, de Hoop, de Gerechtigheid en de Voorzichtigheid. Hooger vertoonen zich de Zeven werken van Barmhartigheid, geestig vertoond met kleine aardige beeldjes, in diepe verschieten geplaatst. De leuning is met wingerdbladendoorwerkt, waarover een dik en bochtig touw is heengeworpen, op ’t bedriegelijkst uit hout gesneden. Het klankbord boven den stoel is met fraai lofwerk versierd en draagt een toren met verscheidene omgangen, waarop kleine beeldjes zich als wandelende vertoonen. Dat alles draagt den stempel van het tijdvak, waarin het vervaardigd werd; uit het geheele kunststuk spreekt, wat uit alles sprak, dat in die dagen verricht werd: vlijt, netheid, zorg en taai geduld. Wel heeft het niets dat het hart aandoet, niets dat een edele, laat staan een geestverheffende gedachte inboezemt; men moge ’t zelfs poppig heeten—doch ’t vertoont in ’t groot, wat de pronkvertrekken en kunstladen der deftige burgers uit die eeuw in ’t klein vertoonden, en daarom is het in harmonie met de hoofdgedachte, die naar ons gevoel het beschouwen van de Nieuwekerk moet doen oprijzen. Geen marmeren gestoelte voegt bij den eenvoud van den Hervormden Godsdienst, maar evenmin zou het voegen in een kerk, door een koopman gesticht, in een kerk, waar zelfs de banken der Regenten bijna alleen bezeten werden door de zoodanigen, die aan handel, nering of ambachten, door hen of door hun voorouders gedreven, het voorrecht verschuldigd waren, die plaatsen der eere te bekleeden.

Ook die plaatsen der eere, onveranderd gebleven zooals zij oorspronkelijk waren, spreken van dien tijd, toen Kerk en Staat nog één waren, toen de Overheidspersoon, niet slechts als Christen, als lidmaat, maar ook dikwijls vooral als Overheidspersoon ter kerke verscheen; toen van den hoogen kansel herhaaldelijk vermaningen en bestraffingen klonken, die niet den broeder, niet den medechristen, golden, maar den Regent, en toen wederkeerig uit de ronde bank daartegenover de Regent niet zelden met gefronst gelaat, met toorn in ’t oog en een krampachtig bijten op de lippen, zat te luisteren naar de verwijtingen, aan de Wethouderschap gedaan en hij bij zich zelven den Leeraar een berisping op Burgemeesterskamer, misschien wel eene schorsing of uitzetting beloofde, ten einde ’t hem af te leeren zich met de politiek van den dag te bemoeien of althans daaromtrent andere gedachten te durven hebben dan de „Heeren”.—In onze dagen, nu Kerk en Staat gescheiden zijn, nu de leden der Wethouderschap meermalen niet tot de vroeger heerschende Kerk behooren, nu de Predikanten geen staatkunde meer op den kansel brengen, nu, zoo al geen zuiver plichtsbesef, dan toch stellig geen politiek doel de lieden ter kerke drijft, nu geen maatschappelijke rang of stand in de bedehuizen meer in aanmerking komt, zijn de Hooge-, Overheids-, Raden-, Commissaris-, Krijgsraadsbanken enz. een ongerijmdheid geworden en zoo men ze nog behoudt, het is alleen om door te werken op de ijdelheid van hen, wien men er eene zitplaats in verkoopt, de kerkelijke kassen te stijven. Maar zoo men op vele plaatsen hun oorspronkelijken vorm aanmerkelijk gewijzigd heeft, in die kerken, waarin men, gelijk hier in de Nieuwe, ze nog in hunne oude gedaante gelaten heeft, blijven zij dan ook voor ons een luid sprekende overlevering uit die dagen, toen de man, die uit het midden van die Burgemeestersbank het ruim beneden hem beheerschte met zijn blik, de oogen der saamgevloeide schare vooralniet minder trok dan de man, die tegenover hem het woord Gods stond te verkondigen.

Wij wenden den blik thans van de banken af, zoowel als van het orgel, ’t welk op alle groote orgels gelijkt, en vestigen nu onze aandacht een wijl op het groote glasraam in ’t Noorderkruispand. Daar voor ’t minst komt een geschilderd tafereel op voor, dat ons vorstelijke praal en pracht herinnert; daar zien wij Graaf Willem den Vierden, de stad met haar driekruisig wapenschild beschenkende. Maar alleen schijnbaar is hieruit af te leiden, dat de schilderij den algemeenen indruk, dien de Kerk op ons maakt, zou bederven. Behalve dat het voorgestelde feit, historisch onwaar zijnde, alleen een oppervlakkige beschouwing verdient, die geen blijvenden indruk achterlaat, zoo kan het tafereel, als allegorie aangemerkt, eer getuigen van een hulde door den Landsheer gebracht aan de Burgerij, die hier bevoorrecht wordt, dan van een hulde aan den Vorst, die ’t voorrecht schenkt. Eene gelijke gedachte moest de glasschilderij doen ontstaan, die voorheen boven den ingang van ’t Zuiderkruispand prijkte en den Aartshertog Maximiliaan voorstelde, aan de stad vergunnende boven haar wapen de Roomsch-Koninklijke kroon te voeren. Wij leeren het uit de woorden van het privilege zelf, dat de Vorst op 11 Februari 1488 (1489) aan Amsterdam schonk. Zoowel die schenking als eene andere, vijf dagen vroeger gedaan en waarbij de rechtsban der Stad werd uitgebreid—geschiedde, „overmits die menickvoudige getrouwe diensten, die de Coopstede en waer vele en diversche Coopluijden woonden” den Vorst „gedaen had, in diversche manieren daghelycx deed” en omdat de Stad nog met geen behoorlijk wapen „geciert” was, terwijl intusschen haar „Poorteren ende inghesetenen dagelijck, met haren scepen ende goeden, te water ende te lande, in vele verre ende vreemde Rijcke ende Landen converserende waren in Coopmanschappen.”—Wie ziet hier niet de majesteit des Vorsten, die afhaalde, die zich—wil men—vernederde tot de machtige poorters en koopluiden, wier bijstand hij ondervonden had en nog voortdurend behoefde. Het was op beide glasramen alzoo de Amsterdamsche handelaar, die den toeschouwer scheen toe te roepen: „zoover hebben wij ’t door zeevaart en nijverheid gebracht, dat wij de Landsheeren genoodzaakt hebben onze hulp en ondersteuning door schitterende voorrechten te koopen.”

Maar liever dan naar die glasramen keeren wij ons nu Oostwaarts, naar het hooge koor. Door het prachtige hek van gegoten koper, dat op eene marmeren borstwering rust en welks zware lijst met het Stadswapen is versierd, valt het oog op een aanzienlijk praalgraf, hoedanig weinige Vorsten, ja Koningen, bezitten, en dat de geheele ruimte beslaat, die in Roomsche kerkkoren, het outer des kerkheiligen met zijn toebehooren inneemt. ’t Is waar, de man, die hier begraven ligt, was gerechtigd geweest een Hertogskroon te voeren; ’t is waar zijn deugden hadden hem, indien hij in de eerste Christeneeuwen geleefd had, misschien heilig doen verklaren—en toch, wie aan Michiel AdriaanszoonDe Ruijter denkt, dien zweeft geen beeld voor den geest, dat óf de gouden kroon eens Hertogs, óf de stralenkroon eens martelaars draagt; maar veeleer dat van den wakkeren knaap, den zoon van behoeftige ouders, die, de lijnbaan verlatende om de baan der eere te betreden, als zeeman alle rangen doorliep en geen anderen roem kende dan dien van God en de Heeren Staten te dienen; het beeld van den meest nederige, den meest eenvoudige, meest burgerlijke onder de groote helden van alle tijden, en tevens, als toonbeeld van moed, van beleid, van volharding, van vertrouwen op hoogeren bijstand, mede een type der deugden van de oude Republiek.—Schonken drie Koningen van Europa hem adellijke wapenen, ridderlijke eeretitels en een vorstenrang, meer gewicht hechtte hij, hechtten zijne landgenooten aan het Groot-Poorterschap van Amsterdam, hem door de Wethouderschap verleend. Men raadplege Brandt, die in dezen eenvoudig uitdrukte, wat een ieder hier te lande dacht en gevoelde. Dat De Ruijter Vice-Admiraal, Luitenant-Admiraal, Opper-Admiraal werd, dat hij brieven van adeldom en een Hertogstitel ontving, dat was zeker veel; maar het waren verhoogingen, die in den gewonen loop der dingen elkander wel moesten opvolgen;—doch dat De Ruyter ’t Groot-Burgerschap van Amsterdam bekwam, dat zei in de oogen van zijn levensbeschrijver vrij wat meer,—want, vervolgt hij na ’t vermelden van het feit—„de Admiraal werd daardoor in staat gestelt dat hij in tijt en wijle tot de hoogste ampten van stadsregeeringe kon worden gekozen.”Een ampt van Stadtsregeeringe!dat beteekende in de oogen der Amsterdammers nog heel wat anders dan een Vlootvoogds-staf of een Hertogskroon! En toch, zooverre mocht De Ruijter het niet brengen, dat hij ooit in Amsterdam zoodanig ambt, zelfs geen Commissariaat van Kleine Zaken verwierf! Hij verwierf er meer: Hij verwierf er een graf, en was het wel niet de Stad, waren het de Staten, die aan De Ruijter dat marmeren gedenkteeken stichtten, het was toch uit aanmerking van het Burgerschap, door De Ruijter te Amsterdam bekleed dat Hunne Edelmogenden besloten het lichaam des Helds aldaar ter aarde te doen bestellen en niet in Rotterdam, dat op die eere had aanspraak gemaakt.

In dat zelfde koor, waar thans door landgenoot en vreemdeling de graftombe van De Ruyter met eerbied beschouwd wordt, zien wij ook aan een der zijwanden een ander gedenkteeken ophangen ter nagedachtenis van Wolter Jan Baron Bentinck, een der helden van de Doggersbank en aan de gevolgen eener daar bekomen wond op 24 Augustus 1781 overleden; ook hij in een strijd, meer bijzonder door ’t belang van den handel uitgelokt en tot bescherming van dat belang gevoerd.

En nabij dat koor, aan de Zuidzijde, vinden wij tusschen twee pilaren, de grafstede van David Sweers, den wakkeren kapitein ter Zee bij de Admiraliteit van Amsterdam, te vroeg voor het Vaderland, maar tijdig reeds voor zijn roem, gesneuveld in dien merkwaardigen slag voor Solebaai, die op 21 Augustus 1673 tegen de Konings-vloten van Frankrijk en Engeland geleverd werd; gesneuveld,evenals de beiden vroeger genoemden, op ’t bed van eer in de armen der overwinning.

Wenden wij ons van ’t koor Noordwaarts af: schuins achter den predikstoel zien wij het marmeren praalgraf van den Commandeur Jan Van Galen, den ontembaren schrik der zeeën, den held, wiens reuzenarm daden verrichtte, die ons de fabelachtige wapenfeiten der Paladijnen uit de oude ridderromans in ’t geheugen roepen, en wiens kloek beleid als Scheeps- en Vlootvoogd de zege won, waar zijn vlag zich vertoonde. Ook hij kocht zijn laatste overwinning met zijn bloed, in den zeeslag bij Livorno, 14 Maart 1653 gestreden. Maar met zwijgend hoofdschudden gaan wij de volgende graftombe, die van den Admiraal Van Kinsbergen, aan de Noordwestzijde der Kerk, voorbij; want geene herinneringen, die den indruk van ’t geheel levendig houden, wekt zij, zooals de gedenkteekenen, die wij straks bezochten, bij ons op. Immers welken roem zich Van Kinsbergen op zee verworven, welke achting hij als mensch, als staatsdienaar, als voorstander van letteren, wetenschappen en kunsten, moge verdiend hebben, op een praalgraf in de Nieuwekerk had hij geen recht, want op zijne tombe kan niet, als op elke andere, hier ter eere eens helds gesticht, hetdulce et decorum est pro patria morigelezen worden. Alleen aan de dapperen, die in dienst van den Staat en aan de wonden, in diens dienst ontvangen, het leven verloren, kende ’s Lands Regeering eene graftombe toe onder de gewelven harer kerken:—en welke aanspraak kon hij, de man, die ’t grootste deel zijns levens in vreemden dienst doorbracht en rustig op zijn bed den adem uitblies, dan maken op een eer, welke aan geen Meppel, aan geen Aert Van Nes, aan geen Kornelis Tromp te beurt was moge vallen! Al mogen wij onderstellen, dat Van Kinsbergen te veel vreemdeling in de geschiedenis zijns eigen Lands geworden was om zich dat alles te herinneren, toch mogen wij het voor ’s mans eer betreuren, dat hij een lofwaardige, ja in vele opzichten glansrijke loopbaan besloot met eene daad van ijdelheid, door zich zelven na zijn dood een gedenkteeken te doen stichten en dat op eene plaats, waar hij niet behoorde.

Maar—daar tegenover het zijne, aan de Zuidwestzijde, daar willen wij een poos verwijlen bij het eenvoudiger, maar voor ’t minst verdiend gedenkteeken, aan de nagedachtenis van den Amsterdamschen burgerwees gewijd en zoo wel passend in de Burger-kerk. Kort was de loopbaan van Van Speyk en zij werd maar door een buitengewoon feit gekenmerkt en tevens besloten, maar dat feit had, toen het voorviel, eenen gewichtigen invloed. Het leerde aan den vreemdeling dat de aloude heldenaard, dien men in de Hollandsche harten waande uitgedoofd, zich nog krachtvol openbaren kon, ja, den dood boven de schande deed verkiezen;—en het deed bij den ontmoedigden landgenoot de hoop en ’t vertrouwen herleven. De vlag, die op 5 Februari 1831 ten hemel vloog, was het voorteeken van de glorie, in de tien Augustusdagen van dat zelfde jaar verworven.

Van Galen, Sweers, De Ruijter, Bentinck, Van Speyk, ’t was inverschillende tijdperken dat zij den dood trotseerden, maar ’t was voor eene zaak: voor de onafhankelijkheid van den Staat, aan welken zij trouw gezworen hadden en waarvan de vlag hun ten zinnebeeld verstrekte.

De Zuidzijde langs gegaan, komen wij terug naar de plaats, door ons verlaten, in het kruis der kerk; wij laten eene bank, hier in de nabijheid, ter zijde schuiven en vestigen de oogen op de zerk No. 231, die voor ons ligt; die zerk draagt een versleten, nauwelijks leesbaar opschrift, dat aldus luidt:

Hic Jacet VondelusPhoeboe et musis amicus.

Hic Jacet Vondelus

Phoeboe et musis amicus.

dat is al; ’t is of het Kerkbestuur zich geschaamd heeft, dat geen aanzienlijker gedenkteeken de plaats aanwijst, waar het gebeente van Neerlands hoofddichter rust en dat het daarom zorg heeft willen dragen, die zerk aan de oogen der bezoekers te onttrekken. Maar, al hadden wij ook die zerk niet gezien, en al riep ons van gindsche pilaar, van onder de lijkbus, door ’t GenootschapDiligentia Omniaaldaar geplaatst, de naam van „Vondel” het ons niet toe, wij wisten het, in de Nieuwekerk slaapt de onovertrefbare Bard, die haar verwoesting door den brand op zoo treffende wijze had bezongen. En wie meer dan hij was een graf waardig in die Kerk, door de Aristocratie van den handel gesticht, en de Aristocratie, die uit den handel was, vertegenwoordigende? Wie meer dan hij, de zoon des volks, de eenvoudige winkelier, die zijn genie bij zijne geboorte ontvangen, maar zijn roem aan nauwgezette studie, aan onverpoosd streven naar kennis, aan gestadige volharding, te danken had? De Keulenaar, die tevens, ondanks zijne artistieke, Zuid-Nederlandsche richting, zijne onderworpenheid aan Rome en zijn eerbied voor ’t goddelijk gezag der Vorsten, toch, steeds Hollander in ’t hart en Amsterdammer bovenal, nimmer zweeg, waar het de eer van Holland en die van de Stad zijner inwoning gold, toch voor de Amsterdamsche Patriciërs schier gelijken eerbied koesterde als voor den Paus, toch zelfs den Koning uit het hem zoo dierbare Huis der Stuarts, toen die zich aan de Republiek vergreep, den krachtigen banvloek des Dichters naar ’t hoofd durfde slingeren? Ja gewis, de Kerk, die waardig was het stoffelijk overschot te ontvangen van Neerlands beroemdsten zeeheld, was het ook om het gebeente te bewaren van Neerlands beroemdsten dichter. En even als De Ruyter, indien hier de dooden hunne zerken verlieten, door wakkere zeehelden, zoo ook zou Vondel zich omringd zien door wakkere letterhelden. Immers in die Nieuwekerk rusten, verstrooid en verspreid, zoo velen, die met Vondel sieraden waren onzer letterkunde, de meesten evenwel zijn vrienden en geestverwanten. Daar

Sluimert Baerle neffens Hooft.

Sluimert Baerle neffens Hooft.

Van Baerle, de geleerde, de smaakvolle Latijnsche en Nederduitsche Zanger, en daarbij jaren lang Vondels medestrijder tegen de Contra-Remonstrantschepartij; Hooft, de Tacitus van Nederland, de beste geschiedschrijver zijner eeuw, de beschaafde, fijne, vernuftige, schrandere Aristocraat, die in den tijd der hevigste staatsgeschillen elke klip wist te vermijden en, geheel zijn leven door, zijn invloed wist te bewaren, zoo bij den Prins, wiens gezag hij vertegenwoordigde en handhaafde, schoon zijn voorliefde niet zoo bij de Prinsenpartij was, als bij de Amsterdamsche Magistraten, schoon hij nimmer onder hun getal werd opgenomen. Nog zoo velen, vrienden, vereerders en beschermers van Vondel vonden daar in de Nieuwekerk eene laatste rustplaats, en zoo aan hem, aan die allen een gedenksteen ware opgericht, die Kerk zou aan Westminster of aan het Pantheon niets te benijden hebben.

En al die groote mannen, wat waren zij? schier zonder uitzondering zonen van die eeuw, waarin zich de burgers van ’t vrijgevochten Vaderland, den weg ter eere wisten te banen. Geen vorst noch koningszoon rust hier; de boekdrukker ligt er naast den geneesheer, de winkelier naast de Stadsregenten, maar die boekdrukker, die geneesheer, die winkelier hebben zich een roem verworven, die menigen vorstenroem verdonkert, en die Regenten zelven, zij mogen met luidklinkende titels van aangekochte of aangeërfde Heerlijkheden pralen, zich met vreemde ridderteekens omhangen of zelfs geslachtslijsten ontrollen, om een ware of vermeende adellijke afkomst te bewijzen, de oorsprong van hun aanzien en gezag ligt alleen in hun poortrecht, als burgers van Amsterdam, dat hun de bevoegdheid gegeven heeft om op te treden als handhavers der vrijheden, als verdedigers der onafhankelijkheid, als bevorderaars van den bloei en de macht der stad hunner inwoning. Dat poortrecht, gevoegd bij de schatten, die zij of hunne vaderen in den handel hebben verworven, bracht hen in de Regeering, die Regeering weder in ’t Staatsbestuur en zoo breidde zich hun invloed al verder en verder uit om overwegend te gelden in al de deelen der wereld.

Zoo hebben wij onze beschouwing volbracht en zoo wij ons vleien het bewijs geleverd dat de Nieuwekerk als een type van Amsterdam kan beschouwd worden.

’t Is waar, drie malen heeft de Nieuwekerk eene plechtigheid binnen hare muren zien vieren, oogenschijnlijk bestemd om een anderen indruk te verwekken, dan die tot nog toe ontvangen werd.—Drie Koningen zijn er achtereenvolgens gehuldigd met de praal en den luister, onafscheidelijk van dergelijke plechtigheid. Dan zag men boven den opgerichten koningstroon het koningswapen blinken van onder het fluweelen verhemelte: dan zag men de Vertegenwoordigers der Mogendheden van Europa, in de luistervolle kleeding, passende aan hun rang, met breede ordelinten, vlammende sterren en schitterend borduursel overdekt, vereenigd, om getuigen te zijn hoe nu een nieuwe Regeerder op zou treden in de Vorstenrij, dan zag men de hooge Staatsambtenaren, de leden der Wetgevende Vergadering, de Hooge Colleges van Staat, de Staatslichamen, aan wier zorg de belangen van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid en wat niet al meer, waren opgedragen, in plechtgewaadopgekomen, dan flonkerde het goud en zilver van de prachtige monteeringen der krijgsoversten en van de zwierige pronklivreien der hoogere en lagere hofbeambten; dan werd het oog verblind bovenal door al dat ruischende satijn, door al die wolken van gaas en zwanendons, door al die festoenen van kostbaar kant en gebloemte, die pluimen en zijde, door al die puikgesteenten en paarlen, waarmede het schoon verhoogd werd dier aanzienlijke vrouwen, met Neerlands nieuwe Koningin aan ’t hoofd alhier verschenen, opdat aan den luister der plechtigheid niets ontbreken zou; dan kondigde de stem des Wapenkonings van de trappen des troonzetels den volke aan dat Nederland een nieuwen Koning had verkregen.

Maar wanneer wij, niet tevreden met de beschouwing van de oppervlakte der dingen, tot de zaak zelve doordringen, wanneer wij die plechtigheid op zichzelve nemen, in haar zin en strekking, ontdaan van dien feestelijken tooi, van al wat bloot uiterlijk vertoon en alleen bestemd is om de zinnen te bedwelmen, wat is dan die beteekenis, welke die driewerf herhaalde huldiging met zich bracht? Het gold hier het sluiten van een verbond tusschen den Koning en de Natie, waar wederkeerig eeden van trouw werden gegeven en ontvangen, en hier zweeft ons voor den geest het denkbeeld aan een maatschappelijk verdrag, aan instellingen, verkregen door de toepassing van die begrippen van vrijheid, verdraagzaamheid en verlichting, die in Nederland het eerst gepredikt, voorgestaan, verdedigd en gehandhaafd, allengs ook elders overgeplant en door tijdsverloop ontwikkeld werden. Inderdaad heeft alzoo die plechtigheid der huldiging zoomin iets, dat ons de majesteit van het souverein gezag voor oogen roept, als de straks besproken schenking van het Stadswapen door Graaf Willem IV, of die van de koningskroon boven dat wapen door Maximiliaan, integendeel is zij eene erkentenis, door den Vorst gedaan, dat hij voor en met de Natie regeeren moet, en niet van zijne geboorte alleen, maar ook van haar, zijn recht tot het opperbestuur ontleenen wil: eene hulde dus wederom aan dien geest voor onafhankelijkheid, waarvan Amsterdam aan de Oude Republiek zoo krachtig het voorbeeld had gegeven.


Back to IndexNext