Van Amsterdam naar Parijs.

Van Amsterdam naar Parijs.Van iemand, die voor het eerst van zijn leven Parijs bezocht heeft en daar dan slechts ééne maand heeft doorgebracht, kan men niet verwachten dat hij het publiek op de hoogte zal stellen van den toestand dier wereldstad, van het leven aldaar en van alles wat de belangstelling wekken kan. Het zou vermetel zijn om stoutweg te laken of te prijzen, zonder zelf de overtuiging te bezitten of men wel goed gezien en goed begrepen heeft. Wie een volk naar waarheid beoordeelen wil, moet er jaren onder geleefd hebben en den tijd hebben gehad om de vooroordeelen af te schudden door opvoeding, vooringenomenheid of betrekkingen, bij hem ingeworteld; maar wie, na een verblijf van slechts ééne of enkele maanden, het wagen durft een volk in zijne gebruiken te beoordeelen, kan slechts uiterst oppervlakkig werk leveren.Om een verslag te geven van mijne ontmoetingen met beroemde en beruchte personen; te vertellen hoe zij mij ontvangen en wat zij met mij gesproken hebben; te schetsen hun aard en wandel en den indruk, dien zij bij mij achtergelaten hebben: men wachte dit niet van mij. Die menschen hebben mij beleefd ontvangen, mij een leunstoel en een kopje thee, ja somwijlen een goed middagmaal aangeboden, zich zelfs, wanneer de aard van het gesprek zulks toeliet, met openhartigheid jegens mij uitgelaten en zou ik nu tot belooning hen daarvoor in druk tentoonstellen? Dit zou ik als een misbruik van goede trouw beschouwen. Wacht alleen mijn wedervaren op mijne reis zonder sieraden of bijontmoetingen en zoo mijn verhaal niets belangrijks bevat, zal het ten minste deze zonderlinge eigenschap bezitten, dat het van het begin tot het eindeletterlijke waarheidzal behelzen.I.Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen, die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toiletiets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is, terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht, met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie aanwandelen, zonder dat het geroep van: „komaan, Mijnheer! wij moeten voort!” eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld vanzelfte laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder op den 29stenApril klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval te krijgen. Ik had—ik weet niet waarom—eene plaats genomen op den wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig, dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen, dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende, dat ik toch te laat zou komen; in ’t kort, ik was gedurende dien tijd ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik ook demessageriesen kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat, waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.II.O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29stenApril, de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem enDen Haag. Nimmer, neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het voor een tijd verlaten ging.Overal stonden de boomgaarden in vollen bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid, terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen, juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen tijd daarovereer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot, die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot; namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok, stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen, waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog in hunne dagelijksche plunje te steken.Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand gaan vragen, die ze in zijnCamera obscurazoo geestig en tevens zoo naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn, eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote kajuit eener stoomboot bij nacht, hetinhebbend gezelschap(zooals sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw, voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak, alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit enmonopoliseertal de kussens, die onder zijn bereikzijn; vergeefsch is het dat men hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten, van den witten slaapmuts af tot den zijdenfoulardtoe. En dan, tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die, omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel aardig vinden, ter dezer gelegenheid op temoetenblijven; kinderen, die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht, geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken, een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde.1Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft en wat mij ook op den 30stenApril 1841 niet ontbrak. Daar al mijn reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij tegen de kast van het raderwerkaan, waar ik tegen den wind beschut was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. Deprima donna, een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept stond in de beschouwing dermachinerieen in beraad scheen of hij zijn beroep niet tegen dat vaningenieurzou verwisselen. Niet lang duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook boven: men zag er een eerstenTenormet een geweldigen zwarten baard en een grootenNew-foundlander, eenBassomet een taankleurig gelaat en een vleermuismantel om het lijf; eenLaruettemet een zeer deftig voorkomen, eenSeconde amoureusevan 50 jaren met haar man en twee dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve dezeartistis dramatiquesbevond zich nog een oude Franschman aan boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen denNew-foundlanderdien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden, welke de middelmatige wezens in ’t algemeen tegen de meer verhevene bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk met elkander had, om zich met de rest van ’t gezelschap te bemoeien, en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een zeer aangenaam onderhoud had. Er was (’t geen op zoodanig eene reis zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende, waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet zich echter zóó dapper van zijne taak als onzeNew-Foundlander. Wel had onzeTenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was, en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltjezou bereiden; maar de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat, welke duidelijk aantoonde, dat hij ’t alleen uit beleefdheid deed om den goeden man niet te bedroeven.Intusschenwaren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men, zoude de Belgischedouaneaan boord komen. „Dedouaniersterwijl wij aan tafel zitten,” riep ik, „dat is een ongeluk”!—„O, dat is niets,” zeide de Tenor, „ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat zal wel losloopen” en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden wij ook wel aan hem, althans aan zijnNew-Foundlanderverdiend.Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk, ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te halen en drukte in ’t voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. „O wee!” dacht ik nu zullen mijhet Dorp aan de grenzenen alle dergelijke aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!”Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij, het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek, die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan, vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat, toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die, zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.—Och, Mijnheer! vrees niets!—zeide de juffer—mijn poedel zal u niet bijten!„Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt.”III.Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in plaats van de Nederlandsche benamingwagende daarvan afgeleide vanwaggongeven, ’t geen omtrent even zot is als omfichevoorvischjete zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren, zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in rooken (’t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap is er meer gemengd enamusanteren bij al die voorrechten komt nog dit dat men er beterkoop in zit.Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de kermiskramen op een markt;—daaromheen—in stede van paleizen of publieke gebouwen—fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen, ontzettend van getal en omvang, en—in stede van torens—schoorsteenen, hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik een paar uren in het prachtige hotelde l’Universuitrustte en mijn gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming, die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij, ter viering onzer kennismaking, mij opLa Fitteonthaalde, dien ik allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van deMessagiers La Fitte et Caillard,waar zich reeds een heer met zijn vrouw in bevond. Ik sprak hem in ’t Fransch aan: het accent, waarin het antwoord gegeven werd,wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:—Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.—Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn hoekje probeeren wil?...Beiden berstten in een schaterend gelach uit.—’t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken, vervolgde ik, mede lachende.Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin: want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen: want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer, maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken, of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals de oude Maerland zegt,niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen over ’t algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen, welke onze Hollandsche reizigers aanonzewisselplaatsen zoo gretig verorberen. In het gebied derMessageriesmag niemand denken om eten, drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes weder inpakten.Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen, en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld, en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke gelegenheden zoo statig over onze straten golft.Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den schouwburg, inhoudende dat de heer N. N.Professeur de Magnétismete dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven staven, terwijl de heer Auguste***Premier Somnambule, zoude antwoorden op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Vanpremier funambulehad ik gehoord, maarpremier somnambulewas iets nieuws.Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was, en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, ’t geen ons geene kleine ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een barsch: „Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!” hoorde toeduwen. Versuft en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen, zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde, alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan, ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden, welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd laat. Een uur later waren wij op het binnenplein derMessageries.Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld, bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan deMessageriesheerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken, nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in eenfiacregepakt en op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in hetquartier latinen niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had verlangd, zal ik hier niet ontvouwen,daar het mijn verhaal nutteloos rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen, maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden en ik had eerst nog teondervinden, welke teleurstelling hem wacht, die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen.Verbaasd, bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus2zag ik reeds met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open, den nacht op straat door te brengen en hetcorps de gardetot eenig toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande, bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde, vloekte:—geen antwoord. Eindelijk kwammadame laconciergeuit haar slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt niet beloven kon, in ’t vervolg beter op mijn tijd of liever ophaartijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open, en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.„Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?”„Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal ze mij zeker dadelijk brengen.”„Ah zoo!” zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en ik stond weer in ’t donker.Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.„Dat is hier niet pluis,” dacht ik, „hoe zal dat afloopen?” Eindelijkkwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:„Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed te gaan?”„Och, Mijnheer!” antwoordde hij: „het is niet om mee te lachen; de onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht.”Het was werkelijk de deur vanmijnekamer, waar ik voor stond en waar die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij moest vertrekken.„Hij vermoedde reeds iets,” zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en stoelen verspreid.Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare verontschuldigingen aanbieden.1De lezer bedenke dat de hier geschetste toestand op eene stoomboot was zooals ruim 40 jaren geleden.2Huijdecoper, Achilles IIe bedrijf.De Omroeper.Oudtijds, en voor het bestaan der nieuwsbladen, was de omroeper zeker een der onontbeerlijkste stadsbeambten, en zijne verschijning op ’s heeren straten bracht bij het publiek geen minderen indruk te weeg, dan die van den befaamden Jan Claaszen of den liedjeszanger met het nieuw beschilderd bord, ja, de klank, dien hij deed hooren, lokte meer nieuwsgierigen dan de muziek van den wandelenden orgelman. O! het was schoon, hem te zien, zooals hij, in zijn deftig gewaad, waar het stadswapen op prijkte, met het koperen bekken achteloos aan den linkerarm gehangen, het bekken, dat door vorm en glans den beroemden helm van Mambruno in het geheugen terug riep, en met den metalen stok, hem meerder waard dan een veldheersstaf, in de rechterhand, de straten afliep, altijd vergezeld van een bont en talrijk gevolg, dat wel is waar, niet door achtbaarheid en kleederpracht uitblonk, maar welks gewone straatjongensbaldadigheid verdween en zich oploste in eerbied en bewondering voor den achtbaren man, wiens voetstappen het drukte. Op elken kruisweg, bij elke sluis of dwarsgracht, stond het gewichtige personage stil; hij liet den ernsthaftigen blik om zich heen weiden, langzaam hief hij het koperen armschild op, en het metaal, op het metaal herklinkende, verkondigde zijne tegenwoordigheid en riep de aandacht der vrome burgers in op de woorden, die hij spreken zoude.Dan stroomde van alle zijden de goede gemeente toe, en zelfs de bewoners der naastbijstaande huizen vergaten hun beroep en bedrijf, om te hooren wat er gaande was. De kuiper, die zijn winkel in de nabuurschap had, nam de pijp uit den mond en bleef met opgeheven hamer staan; de rijknecht, die het paard naar de smidse had gebracht, en de smid, die het beslaan zoude, traden toe op dat geluid, zonder zich te bekreunen over de ongemakkelijke houding, waarin de arme viervoet hun terugkomst stond af te wachten; de winkelierster, die achter de toonbank bezig was een lood snuif af te wegen, en de oude keukenmeid, die voor de toonbank in haar knipje frommelde om het vereischte getal duiten te zoeken, braken, als bij wederzijdsch akkoord, haar handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals staan luisteren:—de sleeper, die voor het wijnhuis aan den hoek zijn halfje kocht, toefde met den roemer aan de lippen te brengen, uit vrees dat het klokken van den jeneverhem een woord zou doen missen;—overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn; terwijl in diepe stilte en gespannen verwachting, elk de ooren spitste om de orakeltaal des gewichtigen mans te vernemen.Eindelijk, wanneer deze den kring, waarvan hij het middelpunt vormde, genoegzaam zag aangegroeid, opende hij den mond: en met een langzame, slepende, eentonige, maar toch luide en verstaanbare stem, ontvouwde hij het doel zijner zending.Soms was het een publicatie der achtbare Magistraat;—en dan, helaas! was het niet zelden bedroevend om te aanschouwen, hoe de meesten der toehoorders, die het toeval hier verzameld had, het hoofd weer omwendden, hun bedrijf en bezigheden hervatteden, en even weinig oplettendheid aan het gesprokene schonken, als de hedendaagsche dagbladlezers toewijden aan de eerste kolom der officieele couranten.Soms was het de aankondiging eener te houdene verkooping, een oproeping van werkvolk, een bericht, den handel, de zeevaart, de visscherij, de nijverheid betreffende:—en, ofschoon dan de massa meer belangstelling toonde, teleurstelling of onverschilligheid waren op menig gelaat te lezen.Maar, wanneer de aanhef luidde: er is verloren! en wanneer het slot: al wie dezelve terug brengt bij den stads-omroeper, wonende enz., met de belofte eener ruime belooning sloot, dan was en bleef de aandacht gespannen, dan ging men vergenoegd uit elkander, dan vertelde men rond wat men gehoord had: en menigeen streelde zich reeds met de gedachte, dat het ook hem zoude kunnen gebeuren, de gelukkige vinder te zijn.Soms ook wekte de eenvoudige voordracht des omroepers meer levendige aandoeningen in de gemoederen der omstanders op: wanneer hij sprak van vermiste kinderen, door bedroefde ouders vergeefs gezocht: van uit het water opgehaalde lijken, waaromtrent men naricht verlangde; van jongelingen of jonge dochters, die het ouderlijk huis heimelijk verlaten hadden: van voortvluchtige boosdoeners of deserteurs, wier signalement hij opgaf: in ’t kort, wanneer het een dier onderwerpen gold, geschikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen, tot gissingen aanleiding te geven en voor veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.En, wanneer nu de redenaar zijn mededeeling had ten einde gebracht, dan, zonder zich te bekommeren over den indruk, dien zij had achtergelaten, liet hij den linkerarm zakken, stapte met groote schreden dwars door den terugwijkenden en zich verspreidenden volkshoop heen, en begaf zich, van een nieuwen zwerm omstuwd, weder verder, om op een volgenden viersprong zijn litanie te herhalen.Die aankondigingen, op last des Bestuurs, der Admiraliteiten, der Compagniên, der Gilden enz. gedaan, die bestendigeberichtenvan bijzondere personen, welke hij te vermelden had, leverden aan den omroeper een ruim en deftig bestaan op: en meer dan een onderde beambten, die sedert eeuwen het woord op pleinen en straten voerden, vond zich bij zijn dood in staat een aanzienlijk kapitaal aan zijn erven na te laten. Maar wat is op aarde bestendig? De invallen der Barbaren hebben den Romeinschen adelaar de wieken geknot, en de nieuwerwetsche beschaving heeft den luister van het bekken des omroepers doen tanen. De drukpers, die door het verspreiden van liedeboekjes en zedespreuken, den minnezanger en spreukspreker deed zwijgen, die, door het vermenigvuldigen van caricaturen en kleine journalen, den hofnar deed verdwijnen, de drukpers met haar duizend stemmen heeft den met slechts éénen mond voorzienen omroeper overschreeuwd. Welk nut zoude het in hebben, hem op alle hoeken kennisgevingen en aankondigingen te doen uitkraaien, welke, op gebouwen en wachthuisjes aangeplakt, dank zij de hoogte van het hedendaagsche onderwijs, door den minsten ambachtsman kunnen gelezen worden? Wie zoude hem voortaan belasten met het vermelden van geleden verliezen, die hij slechts ter kennisse van enkelen brengen kan, nu talrijke en overal verspreide nieuwsbladen de gelegenheid verschaffen, die aan duizenden gelijktijdig te berichten?Schaars wordt dan ook meer het ministerie des eenmaal zoo onmisbaren mans ingeroepen: zelden meer lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster: en de menigte ziet hem met onverschilligheid aan, wanneer hij nog enkele malen, van zijn vroegeren luister beroofd, en zonder gevolg, zich aan haar vertoont als een verschijnsel uit den verledenen tijd, als een herinnering aan die vroegere dagen, toen de kappers met pruikedoozen op den rug liepen, en de slagersknechts driekante hoeden droegen.Het Wafelmeisje.Wie kent het wafelmeisje niet, het nette, het zindelijke, het minzame wafelmeisje, met haar Frieschen kap, haar zilveren oorijzer, haar glanzend jakje, haar helder boezelaar, haar groene muiltjes en het bord in haar hand, waarover een blank servet is gespreid, dat deWafels diep gheruyt,Wel ghesuyckert, wel ghecruyt,Wel met boter overdroopt,tegen den invloed der lucht en de snoepzucht der vliegen beveiligt?—Als de ooievaar of, wilt gij ’t liever, als de zwaluw, die in het voorjaar terug komt en ons tot een voorbode strekt der lentevreugd, zoo ook keert het wafelmeisje jaarlijks in hetzelfde seizoen, op dezelfde plaats terug om er haar woning te bouwen en aan een ieder te verkondigen, dat de kermis-vermakelijkheden een aanvang hebben genomen. Alles op deze wereld is voor verandering en veroudering vatbaar; maar, wat ook de tijd doe wisselen of vervallen, of te niet gaan, naar het wafelmeisje heeft hij zijn hand nooit uitgestrekt: nimmer heeft hij de leliën op hare wangen doen verwelken, noch rimpels op haar glinsterend voorhoofd doen rijzen, noch de luchtigheid van haren tred veranderd, noch haar vlekkelooze kleeding bezoedeld. Met iederen jaarkring treedt zij even vroolijk en bevallig weer te voorschijn, blozend als de bloemen op het veld, maar niet vatbaar, gelijk deze, om te verwelken. Al wat op kermis en jaarmarkt onze aandacht trekt, wordt afgesleten, verouderd, vernieuwd of vervangen; de Saqui’s, de Opré’s, de Baptistes, de Martins, en zoo veel meerderen, zijn afgetreden en hebben voor anderen plaats gemaakt; maar het wafelmeisje blijft, altijd jeugdig, altijd hare gaven ronddeelende, onveranderlijk en onvergankelijk als het noodlot.En niet zij alleen, maar al wat zich om en nevens haar beweegt en bevindt in de tent, waar binnen haar zwervend bedrijf wordt uitgeoefend, is even onwankelbaar, even onsterfelijk als zij zelve. Ondervraagt slechts uw geheugen, kermisbezoekers! Heeft niet die wafelkraam altijd uit dezelfde planken bestaan, van buiten grijs, van binnen kanariegeel geschilderd? Treedt gij den houten vloerop, gij ziet tegenover u de, u sinds jaren bekende, glad gewreven commode of chiffonnière, rechts en links geflankeerd door een prent in gele lijst, de ramp van Leiden, den watervloed, de historie van den verloren zoon of die der schoone Genoveva voorstellende: op de commode herkent gij de witte kopjes met gouden randen en den ruiker van papieren bloemen: daarvoor, de stoelen met matten zittingen; in den hoek, het sijsje in zijn kooi; rechts, het eikenhouten beschot, van twee boogsgewijze ingerichte toegangen voorzien, op de Oostersche manier met gordijnen afgesloten en tot twee kamertjes geleidende, als de roef eener trekschuit geheel ingenomen door een smalle tafel en een rondloopende bank. Links, door toonbank en fornuis van de straat gescheiden, zit de bakster bij het vuur, de bakster, die er altijd gezeten heeft en nooit hare plaats verlaat: en nevens haar, het wafelmeisje. Wanneer ik zeg, het wafelmeisje, dan meen ik: de drie wafelmeisjes; want, even als er drie Gratiën, drie Parken, drie Furiën, drie Cyklopen zijn, zoo zijn er ook altijd drie wafelmeisjes, die de voorschreven bakster moeder noemen. Wat een vader betreft, dien ziet men niet en die is er waarschijnlijk nooit geweest: en hoe de baksters het aanleggen, om juist altijd drie dochters, nooit meer noch minder te hebben, zal wel altijd een raadsel blijven. Bewijs genoeg, dat zij en haar maagden en haar kraam, alles, als de Myrmidonen van ouds, gelijktijdig zijn ontstaan.Van de drie wafelmeisjes zal ik er slechts ééne beschrijven; want, wie er eene ziet, heeft ze allen gezien: en de bloemen des velds en de wafelen, die zij rondbrengen, kunnen onderling niet meer gelijkenis hebben dan zij.Het wafelmeisje is welgevormd van leden, regelmatig van gestalte, schoon eenigszins overhellende tot gezetheid, en haar bewegingen hebben een bevalligen zwier; haar vel is blank en doorschijnend; malsch als zijde, maar niet zeer veerkrachtig; haar lichtblauwe oogen hebben een kalme, zachtzinnige uitdrukking, die getuigt, dat in het hartje, ’t welk achter dien donzigen boezem klopt, geene driften noch stormen gewoed hebben. Van het haar zal ik niet spreken; want daar het bestendig onder den nijdigen kap verborgen blijft, kan men alleen bij gissingen besluiten, of het zwart dan blond van kleur is. Uit de donkere tint der wenkbrauwen zoude ik het eerste opmaken; maar ik onderwerp mij gaarne aan de beslissing van al wie beter onderricht is.Het karakter van het wafelmeisje is geheel lijdelijk; zij gehoorzaamt aan de bevelen en wenken der bakster, en brengt de wafelen naar de plaats van haar bestemming: zij dekt de tafeltjes in de vertrekjes, zij bedient de bezoekers, en wanneer zij niets te bezorgen of niemand te bedienen heeft, dan gaat zij zitten voor de meergenoemde chiffonnière, dus vlak over den ingang. Maar gaande of staande, loopende of rustende, bezig of ledig, nooit raakt haar gelaat uit zijn plooi, en niets is in staat de rustige kalmte van haar gemoed een oogenblik te verstoren. Zij hoort met denzelfden glimlach de bestellingen der gasten, de zoutelooze kwinkslagen der jolige dienstmeiden, de ruwe scheldwoorden des dronkaards, desuikerzoete vleierijen van den ouden vrijer en de meer duidelijke voorstellen des opgewassen schoolknaaps aan. Met denzelfden onverschilligen blik ziet zij de liefkozingen van een vrijend paar, en den strijd van twee pakkendragers om een nieuwe Helena. Nog meer! Een dartele jongeling, niet te vreden, van haar zijn liefdebrand met woorden te hebben geschilderd, zal, om aan zijn betuigingen meerdere kracht bij te zetten, haar poezel handje vatten; zij zal het niet terugtrekken; maar ook den handdruk niet beantwoorden; de vermetele zal zich nog meer verstouten; haar mond, haar wangen met gloeiende kussen bedekken; zij zal hem stil laten begaan; maar op eens bespeurt hij met verbazing en teleurstelling, hoe weinig hij haar zinnen of zelfs haar aandacht boeide, en hoe zij, hem als een schim ontweken, bezig is een glaasje anijs over te reiken aan een naaistertje, dat met een kantoorknecht in een der vertrekjes een tweede dozijn wafels zit te verorberen.Uit dit alles blijkt overvloedig, dat het wafelmeisje een afzonderlijk, op zich zelf staand wezen is, aan de gewone zwakheden der menschelijke natuur niet onderhevig, en met de dochters van Eva alleen in gedaante overeenkomende. Intusschen, er zijn sceptici, die hebben durven beweren, dat zij, ’s middags ongeveer te half een uur, een wafelkraam voorbij gaande, de bakster en haar maagden hebben zien aanzitten rondom een schotel van groen aardewerk, aardappelen etende als gewone stervelingen. Zoolang echter dit feit niet door stellige, onwraakbare getuigenissen bewezen is, meen ik het er voor te moeten houden, dat de verhalers, of schaamteloos jokken, of door hun oogen misleid zijn geworden.De Aanspreker.Droevig en ernstig is de gedachte aan den dood: en waarom dan is de bode, die ons het overlijden van een onzer natuurgenooten komt verkondigen, bestemd, om onzen onwillekeurigen lachlust op te wekken? Waarom vinden wij, bij alle volkeren en in alle tijden, bestendig, in het sterfhuis, naast de lijkbaar en op de rustplaats der afgestorvenen, die verschijning terug van onverschillige, belachelijke medevertooners, wier tegenwoordigheid de aandoenlijkste plechtigheid in een bittere parodie herschept?In gindsche woning heeft een geliefde vader, een teederbeminde echtgenoote, een bloeiende dochter, den laatsten tol aan de natuur betaald. De huisgenooten zijn vereenigd: de stille smart wordt slechts nu en dan afgebroken door een uitboezeming des harten, door een lofspraak op den overledene, door snikken en schreien. Maar op eens, evenals deClownin het Engelsche drama op het meest pathetisch oogenblik te voorschijn treedt, daar vertoont zich de Aanspreker: zijne verschijning brengt bij al de aanwezigen ongeveer dezelfde gewaarwording te weeg, welke een valsche noot in de muziek bij den kenner doet ontstaan: alles bij hem is in wederspraak met het aanwezige gezelschap: zijn kostuum; want hij draagt den rouw aan ’t lijf, dien de huisgenooten nog maar alleen in ’t hart dragen:—zijn gelaat; want het staat alleen koud en onbewogen tusschen al die nat bekreten wangen:—zijne redenen: want, terwijl de overigen alleen wenschen te spreken over de deugden des ontslapenen en de grootte van hun verlies, spreekt hij van ceêlen, van zwart lak, van timmerlui, van rouwpapier, van koetsiers en van begrafenis-boete:—zijne innerlijke gemoedsbewegingen; want, terwijl leed en droefheid den boezem zijner lastgevers vervullen, loopen zijne gedachten over het vermoedelijk bedrag van het loon, dat hem wacht, en berekent hij, uit hetgeen hem van den staat des boedels bekend mag zijn, of de fooien min of meer aanzienlijk zullen wezen.Het noodige is afgehandeld: de Aanspreker is vertrokken: hij heeft zijn kameraden ontboden, die kohort, waarin het bevel nu bij dezen, dan bij genen berust: niet volgens onderlinge keuze of schikking: niet naar vaste beurten: neen: hij, die het eerst aan het sterfhuis ontboden was, is de hopman, aan wiens bestier zich de overigen, zonder morren, zonder tegenspraak, onderwerpen.De lijsten zijn gemaakt: de ure is gekomen, waarop het rondzeggen beginnen zal. Zie op gindsche brug den besturenden Aanspreker zijn bevelen ronddeelen en aan elk zijn taak aanwijzen. Welke ernst op ’s mans gelaat! welke wichtigheid in zijn gebarenspel! ’t Is Agamemnon, die den aanval tegen Troje gebiedt: en, op zijn wenk, verspreidt zich het gevolg van snelvoetige Achillessen en draaft langs burgwal en straten, en doet overal de schellen klingelen. De deuren gaan open: de Aanspreker (mits het een deftig huis zij, waar hij voorstaat) legt de rechterhand aan den punthoed, doet hem een hoek van 46 graden beschrijven en heft, met een hoogdravende stem, in dezer voege aan:—„Maak bekend, dat overleden is, de Hoogwelgeboren Vrouwe Sara Catharina Augusta Wilhelmina van Hevelen tot Heffenberg, Douairière den Hoogwelgeboren Heer Jonkheer Willem Hendrik Lodewijk Baron van Hoogenlinde.”Hij doet zijn hoed nogmaals een boog beschrijven, dekt zich weder en voegt er, als ter bevestiging, in een platten Amsterdamschen tongval bij:—„De ouwe Mevrouw van Hoogenlinde, schoins hierover in ’t hoekhois: zelje ’t niet vergeten, vrijster?”—„Herrejee!” roept de vrijster: „is die dood: nou kijk! mensch! ’t Is wat te zeggen! ja, er sterft al heel wat rijkdom tegenwoordig.”Maar reeds is de Aanspreker, zonder zich den tijd te gunnen om het oor te leenen aan de wijsgeerige aanmerkingen der dienstmaagd, een paar huizen verder zijn plechtigeformulegaan herhalen.De dag der begrafenis is daar: het is een deftig lijk: en zoodanige worden nooit ter aarde besteld, zonder dat het een boete kost aan den erfgenaam:—een boete, vermeerderende naar evenredigheid van het vroegere ochtenduur, waarin de plechtigheid voorvalt, en nog hooger stijgende, wanneer die ’s avonds plaats heeft: een speculatie, gegrond op de ijdelheid onzer menschelijke natuur, die zich in zulke oogenblikken minst verloochent;—maar het is niet over de ijdelheid der naastbestaanden, het is over den Aanspreker, dat ik u onderhouden moet. Zie hem en zijn gevolg aan weerszijden op de trappen van die stoep geschaard, terwijl de dragers, in verschillende groepen verdeeld, op straat staan, en de lijkkoets een paar huizen verder vertoeft. Elke bloedverwant, die het sterfhuis binnengaat, moet de gelederen der zwarte bende door: de punthoeden vliegen af bij zijn naderen, maar beschrijven nu den halven cirkelboog vol uit, terwijl het aangehechte krip met bevalligheid golft, en het bovenlijf zich eerbiedig nederbuigt. Alles is gereed: de kist wordt uitgedragen: de lijkkoets ontvangt haar vracht, en weldra neemt de optocht een aanvang.Voorheen zag de Aanspreker, wanneer hij aan ’t hoofd der lijkstaatsie optrok, met welgevallen rond op de talrijke schaar, die aan alle kanten kwam samengevloeid, om met gretige belangstelling de prachtige livreien, de fraaie paarden en de glinsterende koetsen te bewonderen: of wier nieuwsgierige blik, op het gelaat der achteraan volgende erfgenamen, de mate van hun rouw zocht tebeoordeelen: maar och! en tot zijn groote ergernis, de Aanspreker heeft die tijden overleefd, en beklaagt er zich bitter over, hoe men tegenwoordig zich den nauwelijks gestorven bloedverwant reeds schijnt te schamen, en, in stede van het lijk te volgen, langs een anderen weg op snellen draf de plaats der bestemming bereikt! Dit is voorzeker treurig: maar kan men ook niet van den Aanspreker zelven zeggen:Quantum mutatus ab illo?’t Is waar, nog bestaan de punthoed, de lamfer, de korte broek; maar waar is de majestueuse, de eerbiedwekkende, de in talrijke batterijen verdeelde, de wit gepoederde pruik gebleven? Waar is zij?—De echo antwoordt: Waar?In de kerk, op den Godsakker, wordt de optocht herhaald; maar nu wordt de baar op de schouders der dragers rondgevoerd, en de bloedverwanten sluiten den omgang. De kist wordt nedergelaten in ’t graf: de Aansprekeren chefdeelt aan de, langs hem defileerendeAansprekers, Dragers, Dienders en Dekkers de verzegelde pakjes uit, welke hun loon bevatten: elk hunner, na zijn gift ontvangen te hebben, gaat de bloedverwanten voorbij en maakt een meer of minder zwierige buiging: en alles gaat uiteen; de Aansprekers, om nieuwe sterfgevallen te gaan verkondigen; de bloedverwanten, om de te huis gebleven familie te gaan vermelden, dat alles volbracht is: de dragers, om naar de kroeg te loopen. Wat de dienders doen, weet ik niet: en al wist ik het, ik zoude het niet durven zeggen.

Van Amsterdam naar Parijs.Van iemand, die voor het eerst van zijn leven Parijs bezocht heeft en daar dan slechts ééne maand heeft doorgebracht, kan men niet verwachten dat hij het publiek op de hoogte zal stellen van den toestand dier wereldstad, van het leven aldaar en van alles wat de belangstelling wekken kan. Het zou vermetel zijn om stoutweg te laken of te prijzen, zonder zelf de overtuiging te bezitten of men wel goed gezien en goed begrepen heeft. Wie een volk naar waarheid beoordeelen wil, moet er jaren onder geleefd hebben en den tijd hebben gehad om de vooroordeelen af te schudden door opvoeding, vooringenomenheid of betrekkingen, bij hem ingeworteld; maar wie, na een verblijf van slechts ééne of enkele maanden, het wagen durft een volk in zijne gebruiken te beoordeelen, kan slechts uiterst oppervlakkig werk leveren.Om een verslag te geven van mijne ontmoetingen met beroemde en beruchte personen; te vertellen hoe zij mij ontvangen en wat zij met mij gesproken hebben; te schetsen hun aard en wandel en den indruk, dien zij bij mij achtergelaten hebben: men wachte dit niet van mij. Die menschen hebben mij beleefd ontvangen, mij een leunstoel en een kopje thee, ja somwijlen een goed middagmaal aangeboden, zich zelfs, wanneer de aard van het gesprek zulks toeliet, met openhartigheid jegens mij uitgelaten en zou ik nu tot belooning hen daarvoor in druk tentoonstellen? Dit zou ik als een misbruik van goede trouw beschouwen. Wacht alleen mijn wedervaren op mijne reis zonder sieraden of bijontmoetingen en zoo mijn verhaal niets belangrijks bevat, zal het ten minste deze zonderlinge eigenschap bezitten, dat het van het begin tot het eindeletterlijke waarheidzal behelzen.I.Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen, die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toiletiets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is, terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht, met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie aanwandelen, zonder dat het geroep van: „komaan, Mijnheer! wij moeten voort!” eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld vanzelfte laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder op den 29stenApril klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval te krijgen. Ik had—ik weet niet waarom—eene plaats genomen op den wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig, dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen, dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende, dat ik toch te laat zou komen; in ’t kort, ik was gedurende dien tijd ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik ook demessageriesen kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat, waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.II.O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29stenApril, de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem enDen Haag. Nimmer, neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het voor een tijd verlaten ging.Overal stonden de boomgaarden in vollen bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid, terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen, juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen tijd daarovereer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot, die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot; namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok, stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen, waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog in hunne dagelijksche plunje te steken.Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand gaan vragen, die ze in zijnCamera obscurazoo geestig en tevens zoo naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn, eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote kajuit eener stoomboot bij nacht, hetinhebbend gezelschap(zooals sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw, voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak, alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit enmonopoliseertal de kussens, die onder zijn bereikzijn; vergeefsch is het dat men hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten, van den witten slaapmuts af tot den zijdenfoulardtoe. En dan, tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die, omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel aardig vinden, ter dezer gelegenheid op temoetenblijven; kinderen, die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht, geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken, een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde.1Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft en wat mij ook op den 30stenApril 1841 niet ontbrak. Daar al mijn reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij tegen de kast van het raderwerkaan, waar ik tegen den wind beschut was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. Deprima donna, een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept stond in de beschouwing dermachinerieen in beraad scheen of hij zijn beroep niet tegen dat vaningenieurzou verwisselen. Niet lang duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook boven: men zag er een eerstenTenormet een geweldigen zwarten baard en een grootenNew-foundlander, eenBassomet een taankleurig gelaat en een vleermuismantel om het lijf; eenLaruettemet een zeer deftig voorkomen, eenSeconde amoureusevan 50 jaren met haar man en twee dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve dezeartistis dramatiquesbevond zich nog een oude Franschman aan boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen denNew-foundlanderdien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden, welke de middelmatige wezens in ’t algemeen tegen de meer verhevene bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk met elkander had, om zich met de rest van ’t gezelschap te bemoeien, en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een zeer aangenaam onderhoud had. Er was (’t geen op zoodanig eene reis zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende, waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet zich echter zóó dapper van zijne taak als onzeNew-Foundlander. Wel had onzeTenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was, en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltjezou bereiden; maar de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat, welke duidelijk aantoonde, dat hij ’t alleen uit beleefdheid deed om den goeden man niet te bedroeven.Intusschenwaren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men, zoude de Belgischedouaneaan boord komen. „Dedouaniersterwijl wij aan tafel zitten,” riep ik, „dat is een ongeluk”!—„O, dat is niets,” zeide de Tenor, „ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat zal wel losloopen” en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden wij ook wel aan hem, althans aan zijnNew-Foundlanderverdiend.Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk, ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te halen en drukte in ’t voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. „O wee!” dacht ik nu zullen mijhet Dorp aan de grenzenen alle dergelijke aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!”Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij, het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek, die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan, vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat, toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die, zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.—Och, Mijnheer! vrees niets!—zeide de juffer—mijn poedel zal u niet bijten!„Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt.”III.Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in plaats van de Nederlandsche benamingwagende daarvan afgeleide vanwaggongeven, ’t geen omtrent even zot is als omfichevoorvischjete zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren, zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in rooken (’t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap is er meer gemengd enamusanteren bij al die voorrechten komt nog dit dat men er beterkoop in zit.Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de kermiskramen op een markt;—daaromheen—in stede van paleizen of publieke gebouwen—fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen, ontzettend van getal en omvang, en—in stede van torens—schoorsteenen, hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik een paar uren in het prachtige hotelde l’Universuitrustte en mijn gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming, die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij, ter viering onzer kennismaking, mij opLa Fitteonthaalde, dien ik allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van deMessagiers La Fitte et Caillard,waar zich reeds een heer met zijn vrouw in bevond. Ik sprak hem in ’t Fransch aan: het accent, waarin het antwoord gegeven werd,wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:—Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.—Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn hoekje probeeren wil?...Beiden berstten in een schaterend gelach uit.—’t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken, vervolgde ik, mede lachende.Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin: want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen: want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer, maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken, of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals de oude Maerland zegt,niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen over ’t algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen, welke onze Hollandsche reizigers aanonzewisselplaatsen zoo gretig verorberen. In het gebied derMessageriesmag niemand denken om eten, drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes weder inpakten.Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen, en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld, en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke gelegenheden zoo statig over onze straten golft.Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den schouwburg, inhoudende dat de heer N. N.Professeur de Magnétismete dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven staven, terwijl de heer Auguste***Premier Somnambule, zoude antwoorden op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Vanpremier funambulehad ik gehoord, maarpremier somnambulewas iets nieuws.Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was, en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, ’t geen ons geene kleine ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een barsch: „Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!” hoorde toeduwen. Versuft en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen, zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde, alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan, ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden, welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd laat. Een uur later waren wij op het binnenplein derMessageries.Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld, bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan deMessageriesheerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken, nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in eenfiacregepakt en op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in hetquartier latinen niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had verlangd, zal ik hier niet ontvouwen,daar het mijn verhaal nutteloos rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen, maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden en ik had eerst nog teondervinden, welke teleurstelling hem wacht, die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen.Verbaasd, bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus2zag ik reeds met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open, den nacht op straat door te brengen en hetcorps de gardetot eenig toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande, bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde, vloekte:—geen antwoord. Eindelijk kwammadame laconciergeuit haar slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt niet beloven kon, in ’t vervolg beter op mijn tijd of liever ophaartijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open, en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.„Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?”„Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal ze mij zeker dadelijk brengen.”„Ah zoo!” zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en ik stond weer in ’t donker.Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.„Dat is hier niet pluis,” dacht ik, „hoe zal dat afloopen?” Eindelijkkwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:„Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed te gaan?”„Och, Mijnheer!” antwoordde hij: „het is niet om mee te lachen; de onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht.”Het was werkelijk de deur vanmijnekamer, waar ik voor stond en waar die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij moest vertrekken.„Hij vermoedde reeds iets,” zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en stoelen verspreid.Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare verontschuldigingen aanbieden.1De lezer bedenke dat de hier geschetste toestand op eene stoomboot was zooals ruim 40 jaren geleden.2Huijdecoper, Achilles IIe bedrijf.

Van iemand, die voor het eerst van zijn leven Parijs bezocht heeft en daar dan slechts ééne maand heeft doorgebracht, kan men niet verwachten dat hij het publiek op de hoogte zal stellen van den toestand dier wereldstad, van het leven aldaar en van alles wat de belangstelling wekken kan. Het zou vermetel zijn om stoutweg te laken of te prijzen, zonder zelf de overtuiging te bezitten of men wel goed gezien en goed begrepen heeft. Wie een volk naar waarheid beoordeelen wil, moet er jaren onder geleefd hebben en den tijd hebben gehad om de vooroordeelen af te schudden door opvoeding, vooringenomenheid of betrekkingen, bij hem ingeworteld; maar wie, na een verblijf van slechts ééne of enkele maanden, het wagen durft een volk in zijne gebruiken te beoordeelen, kan slechts uiterst oppervlakkig werk leveren.

Om een verslag te geven van mijne ontmoetingen met beroemde en beruchte personen; te vertellen hoe zij mij ontvangen en wat zij met mij gesproken hebben; te schetsen hun aard en wandel en den indruk, dien zij bij mij achtergelaten hebben: men wachte dit niet van mij. Die menschen hebben mij beleefd ontvangen, mij een leunstoel en een kopje thee, ja somwijlen een goed middagmaal aangeboden, zich zelfs, wanneer de aard van het gesprek zulks toeliet, met openhartigheid jegens mij uitgelaten en zou ik nu tot belooning hen daarvoor in druk tentoonstellen? Dit zou ik als een misbruik van goede trouw beschouwen. Wacht alleen mijn wedervaren op mijne reis zonder sieraden of bijontmoetingen en zoo mijn verhaal niets belangrijks bevat, zal het ten minste deze zonderlinge eigenschap bezitten, dat het van het begin tot het eindeletterlijke waarheidzal behelzen.

I.Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen, die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toiletiets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is, terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht, met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie aanwandelen, zonder dat het geroep van: „komaan, Mijnheer! wij moeten voort!” eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld vanzelfte laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder op den 29stenApril klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval te krijgen. Ik had—ik weet niet waarom—eene plaats genomen op den wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig, dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen, dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende, dat ik toch te laat zou komen; in ’t kort, ik was gedurende dien tijd ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik ook demessageriesen kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat, waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.

Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen, die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toiletiets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is, terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht, met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie aanwandelen, zonder dat het geroep van: „komaan, Mijnheer! wij moeten voort!” eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld vanzelfte laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder op den 29stenApril klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval te krijgen. Ik had—ik weet niet waarom—eene plaats genomen op den wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig, dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen, dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende, dat ik toch te laat zou komen; in ’t kort, ik was gedurende dien tijd ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.

Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik ook demessageriesen kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.

Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat, waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.

II.O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29stenApril, de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem enDen Haag. Nimmer, neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het voor een tijd verlaten ging.Overal stonden de boomgaarden in vollen bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid, terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen, juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen tijd daarovereer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot, die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot; namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok, stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen, waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog in hunne dagelijksche plunje te steken.Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand gaan vragen, die ze in zijnCamera obscurazoo geestig en tevens zoo naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn, eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote kajuit eener stoomboot bij nacht, hetinhebbend gezelschap(zooals sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw, voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak, alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit enmonopoliseertal de kussens, die onder zijn bereikzijn; vergeefsch is het dat men hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten, van den witten slaapmuts af tot den zijdenfoulardtoe. En dan, tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die, omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel aardig vinden, ter dezer gelegenheid op temoetenblijven; kinderen, die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht, geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken, een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde.1Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft en wat mij ook op den 30stenApril 1841 niet ontbrak. Daar al mijn reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij tegen de kast van het raderwerkaan, waar ik tegen den wind beschut was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. Deprima donna, een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept stond in de beschouwing dermachinerieen in beraad scheen of hij zijn beroep niet tegen dat vaningenieurzou verwisselen. Niet lang duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook boven: men zag er een eerstenTenormet een geweldigen zwarten baard en een grootenNew-foundlander, eenBassomet een taankleurig gelaat en een vleermuismantel om het lijf; eenLaruettemet een zeer deftig voorkomen, eenSeconde amoureusevan 50 jaren met haar man en twee dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve dezeartistis dramatiquesbevond zich nog een oude Franschman aan boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen denNew-foundlanderdien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden, welke de middelmatige wezens in ’t algemeen tegen de meer verhevene bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk met elkander had, om zich met de rest van ’t gezelschap te bemoeien, en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een zeer aangenaam onderhoud had. Er was (’t geen op zoodanig eene reis zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende, waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet zich echter zóó dapper van zijne taak als onzeNew-Foundlander. Wel had onzeTenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was, en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltjezou bereiden; maar de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat, welke duidelijk aantoonde, dat hij ’t alleen uit beleefdheid deed om den goeden man niet te bedroeven.Intusschenwaren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men, zoude de Belgischedouaneaan boord komen. „Dedouaniersterwijl wij aan tafel zitten,” riep ik, „dat is een ongeluk”!—„O, dat is niets,” zeide de Tenor, „ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat zal wel losloopen” en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden wij ook wel aan hem, althans aan zijnNew-Foundlanderverdiend.Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk, ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te halen en drukte in ’t voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. „O wee!” dacht ik nu zullen mijhet Dorp aan de grenzenen alle dergelijke aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!”Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij, het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek, die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan, vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat, toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die, zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.—Och, Mijnheer! vrees niets!—zeide de juffer—mijn poedel zal u niet bijten!„Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt.”

O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29stenApril, de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem enDen Haag. Nimmer, neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het voor een tijd verlaten ging.Overal stonden de boomgaarden in vollen bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid, terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen, juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.

Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen tijd daarovereer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot, die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot; namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok, stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen, waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog in hunne dagelijksche plunje te steken.

Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand gaan vragen, die ze in zijnCamera obscurazoo geestig en tevens zoo naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn, eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote kajuit eener stoomboot bij nacht, hetinhebbend gezelschap(zooals sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw, voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak, alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit enmonopoliseertal de kussens, die onder zijn bereikzijn; vergeefsch is het dat men hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten, van den witten slaapmuts af tot den zijdenfoulardtoe. En dan, tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die, omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel aardig vinden, ter dezer gelegenheid op temoetenblijven; kinderen, die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht, geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken, een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde.1

Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft en wat mij ook op den 30stenApril 1841 niet ontbrak. Daar al mijn reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij tegen de kast van het raderwerkaan, waar ik tegen den wind beschut was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. Deprima donna, een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept stond in de beschouwing dermachinerieen in beraad scheen of hij zijn beroep niet tegen dat vaningenieurzou verwisselen. Niet lang duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook boven: men zag er een eerstenTenormet een geweldigen zwarten baard en een grootenNew-foundlander, eenBassomet een taankleurig gelaat en een vleermuismantel om het lijf; eenLaruettemet een zeer deftig voorkomen, eenSeconde amoureusevan 50 jaren met haar man en twee dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve dezeartistis dramatiquesbevond zich nog een oude Franschman aan boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen denNew-foundlanderdien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden, welke de middelmatige wezens in ’t algemeen tegen de meer verhevene bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk met elkander had, om zich met de rest van ’t gezelschap te bemoeien, en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een zeer aangenaam onderhoud had. Er was (’t geen op zoodanig eene reis zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende, waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.

Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet zich echter zóó dapper van zijne taak als onzeNew-Foundlander. Wel had onzeTenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was, en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltjezou bereiden; maar de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat, welke duidelijk aantoonde, dat hij ’t alleen uit beleefdheid deed om den goeden man niet te bedroeven.

Intusschenwaren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men, zoude de Belgischedouaneaan boord komen. „Dedouaniersterwijl wij aan tafel zitten,” riep ik, „dat is een ongeluk”!—„O, dat is niets,” zeide de Tenor, „ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat zal wel losloopen” en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden wij ook wel aan hem, althans aan zijnNew-Foundlanderverdiend.

Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk, ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te halen en drukte in ’t voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. „O wee!” dacht ik nu zullen mijhet Dorp aan de grenzenen alle dergelijke aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!”

Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij, het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek, die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan, vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat, toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.

Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die, zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.

—Och, Mijnheer! vrees niets!—zeide de juffer—mijn poedel zal u niet bijten!

„Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt.”

III.Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in plaats van de Nederlandsche benamingwagende daarvan afgeleide vanwaggongeven, ’t geen omtrent even zot is als omfichevoorvischjete zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren, zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in rooken (’t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap is er meer gemengd enamusanteren bij al die voorrechten komt nog dit dat men er beterkoop in zit.Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de kermiskramen op een markt;—daaromheen—in stede van paleizen of publieke gebouwen—fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen, ontzettend van getal en omvang, en—in stede van torens—schoorsteenen, hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik een paar uren in het prachtige hotelde l’Universuitrustte en mijn gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming, die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij, ter viering onzer kennismaking, mij opLa Fitteonthaalde, dien ik allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van deMessagiers La Fitte et Caillard,waar zich reeds een heer met zijn vrouw in bevond. Ik sprak hem in ’t Fransch aan: het accent, waarin het antwoord gegeven werd,wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:—Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.—Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn hoekje probeeren wil?...Beiden berstten in een schaterend gelach uit.—’t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken, vervolgde ik, mede lachende.Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin: want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen: want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer, maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken, of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals de oude Maerland zegt,niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen over ’t algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen, welke onze Hollandsche reizigers aanonzewisselplaatsen zoo gretig verorberen. In het gebied derMessageriesmag niemand denken om eten, drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes weder inpakten.Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen, en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld, en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke gelegenheden zoo statig over onze straten golft.Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den schouwburg, inhoudende dat de heer N. N.Professeur de Magnétismete dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven staven, terwijl de heer Auguste***Premier Somnambule, zoude antwoorden op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Vanpremier funambulehad ik gehoord, maarpremier somnambulewas iets nieuws.Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was, en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, ’t geen ons geene kleine ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een barsch: „Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!” hoorde toeduwen. Versuft en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen, zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde, alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan, ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden, welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd laat. Een uur later waren wij op het binnenplein derMessageries.Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld, bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan deMessageriesheerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken, nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in eenfiacregepakt en op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in hetquartier latinen niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had verlangd, zal ik hier niet ontvouwen,daar het mijn verhaal nutteloos rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen, maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden en ik had eerst nog teondervinden, welke teleurstelling hem wacht, die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen.Verbaasd, bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus2zag ik reeds met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open, den nacht op straat door te brengen en hetcorps de gardetot eenig toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande, bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde, vloekte:—geen antwoord. Eindelijk kwammadame laconciergeuit haar slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt niet beloven kon, in ’t vervolg beter op mijn tijd of liever ophaartijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open, en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.„Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?”„Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal ze mij zeker dadelijk brengen.”„Ah zoo!” zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en ik stond weer in ’t donker.Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.„Dat is hier niet pluis,” dacht ik, „hoe zal dat afloopen?” Eindelijkkwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:„Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed te gaan?”„Och, Mijnheer!” antwoordde hij: „het is niet om mee te lachen; de onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht.”Het was werkelijk de deur vanmijnekamer, waar ik voor stond en waar die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij moest vertrekken.„Hij vermoedde reeds iets,” zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en stoelen verspreid.Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare verontschuldigingen aanbieden.

Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in plaats van de Nederlandsche benamingwagende daarvan afgeleide vanwaggongeven, ’t geen omtrent even zot is als omfichevoorvischjete zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren, zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in rooken (’t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap is er meer gemengd enamusanteren bij al die voorrechten komt nog dit dat men er beterkoop in zit.

Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de kermiskramen op een markt;—daaromheen—in stede van paleizen of publieke gebouwen—fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen, ontzettend van getal en omvang, en—in stede van torens—schoorsteenen, hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.

Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik een paar uren in het prachtige hotelde l’Universuitrustte en mijn gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming, die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij, ter viering onzer kennismaking, mij opLa Fitteonthaalde, dien ik allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van deMessagiers La Fitte et Caillard,waar zich reeds een heer met zijn vrouw in bevond. Ik sprak hem in ’t Fransch aan: het accent, waarin het antwoord gegeven werd,wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:

—Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.

—Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn hoekje probeeren wil?...

Beiden berstten in een schaterend gelach uit.

—’t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken, vervolgde ik, mede lachende.

Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin: want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen: want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.

Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer, maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken, of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals de oude Maerland zegt,niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen over ’t algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen, welke onze Hollandsche reizigers aanonzewisselplaatsen zoo gretig verorberen. In het gebied derMessageriesmag niemand denken om eten, drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.

Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.

Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes weder inpakten.

Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen, en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld, en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke gelegenheden zoo statig over onze straten golft.

Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den schouwburg, inhoudende dat de heer N. N.Professeur de Magnétismete dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven staven, terwijl de heer Auguste***Premier Somnambule, zoude antwoorden op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Vanpremier funambulehad ik gehoord, maarpremier somnambulewas iets nieuws.

Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was, en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, ’t geen ons geene kleine ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.

Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een barsch: „Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!” hoorde toeduwen. Versuft en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen, zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde, alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan, ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden, welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd laat. Een uur later waren wij op het binnenplein derMessageries.

Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld, bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan deMessageriesheerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken, nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in eenfiacregepakt en op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in hetquartier latinen niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had verlangd, zal ik hier niet ontvouwen,daar het mijn verhaal nutteloos rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.

Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen, maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden en ik had eerst nog teondervinden, welke teleurstelling hem wacht, die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.

Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen.Verbaasd, bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus2zag ik reeds met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open, den nacht op straat door te brengen en hetcorps de gardetot eenig toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande, bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde, vloekte:—geen antwoord. Eindelijk kwammadame laconciergeuit haar slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt niet beloven kon, in ’t vervolg beter op mijn tijd of liever ophaartijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open, en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.

„Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?”

„Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal ze mij zeker dadelijk brengen.”

„Ah zoo!” zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en ik stond weer in ’t donker.

Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.

„Dat is hier niet pluis,” dacht ik, „hoe zal dat afloopen?” Eindelijkkwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:

„Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed te gaan?”

„Och, Mijnheer!” antwoordde hij: „het is niet om mee te lachen; de onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht.”

Het was werkelijk de deur vanmijnekamer, waar ik voor stond en waar die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij moest vertrekken.

„Hij vermoedde reeds iets,” zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en stoelen verspreid.

Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare verontschuldigingen aanbieden.

1De lezer bedenke dat de hier geschetste toestand op eene stoomboot was zooals ruim 40 jaren geleden.2Huijdecoper, Achilles IIe bedrijf.

1De lezer bedenke dat de hier geschetste toestand op eene stoomboot was zooals ruim 40 jaren geleden.

2Huijdecoper, Achilles IIe bedrijf.

De Omroeper.Oudtijds, en voor het bestaan der nieuwsbladen, was de omroeper zeker een der onontbeerlijkste stadsbeambten, en zijne verschijning op ’s heeren straten bracht bij het publiek geen minderen indruk te weeg, dan die van den befaamden Jan Claaszen of den liedjeszanger met het nieuw beschilderd bord, ja, de klank, dien hij deed hooren, lokte meer nieuwsgierigen dan de muziek van den wandelenden orgelman. O! het was schoon, hem te zien, zooals hij, in zijn deftig gewaad, waar het stadswapen op prijkte, met het koperen bekken achteloos aan den linkerarm gehangen, het bekken, dat door vorm en glans den beroemden helm van Mambruno in het geheugen terug riep, en met den metalen stok, hem meerder waard dan een veldheersstaf, in de rechterhand, de straten afliep, altijd vergezeld van een bont en talrijk gevolg, dat wel is waar, niet door achtbaarheid en kleederpracht uitblonk, maar welks gewone straatjongensbaldadigheid verdween en zich oploste in eerbied en bewondering voor den achtbaren man, wiens voetstappen het drukte. Op elken kruisweg, bij elke sluis of dwarsgracht, stond het gewichtige personage stil; hij liet den ernsthaftigen blik om zich heen weiden, langzaam hief hij het koperen armschild op, en het metaal, op het metaal herklinkende, verkondigde zijne tegenwoordigheid en riep de aandacht der vrome burgers in op de woorden, die hij spreken zoude.Dan stroomde van alle zijden de goede gemeente toe, en zelfs de bewoners der naastbijstaande huizen vergaten hun beroep en bedrijf, om te hooren wat er gaande was. De kuiper, die zijn winkel in de nabuurschap had, nam de pijp uit den mond en bleef met opgeheven hamer staan; de rijknecht, die het paard naar de smidse had gebracht, en de smid, die het beslaan zoude, traden toe op dat geluid, zonder zich te bekreunen over de ongemakkelijke houding, waarin de arme viervoet hun terugkomst stond af te wachten; de winkelierster, die achter de toonbank bezig was een lood snuif af te wegen, en de oude keukenmeid, die voor de toonbank in haar knipje frommelde om het vereischte getal duiten te zoeken, braken, als bij wederzijdsch akkoord, haar handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals staan luisteren:—de sleeper, die voor het wijnhuis aan den hoek zijn halfje kocht, toefde met den roemer aan de lippen te brengen, uit vrees dat het klokken van den jeneverhem een woord zou doen missen;—overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn; terwijl in diepe stilte en gespannen verwachting, elk de ooren spitste om de orakeltaal des gewichtigen mans te vernemen.Eindelijk, wanneer deze den kring, waarvan hij het middelpunt vormde, genoegzaam zag aangegroeid, opende hij den mond: en met een langzame, slepende, eentonige, maar toch luide en verstaanbare stem, ontvouwde hij het doel zijner zending.Soms was het een publicatie der achtbare Magistraat;—en dan, helaas! was het niet zelden bedroevend om te aanschouwen, hoe de meesten der toehoorders, die het toeval hier verzameld had, het hoofd weer omwendden, hun bedrijf en bezigheden hervatteden, en even weinig oplettendheid aan het gesprokene schonken, als de hedendaagsche dagbladlezers toewijden aan de eerste kolom der officieele couranten.Soms was het de aankondiging eener te houdene verkooping, een oproeping van werkvolk, een bericht, den handel, de zeevaart, de visscherij, de nijverheid betreffende:—en, ofschoon dan de massa meer belangstelling toonde, teleurstelling of onverschilligheid waren op menig gelaat te lezen.Maar, wanneer de aanhef luidde: er is verloren! en wanneer het slot: al wie dezelve terug brengt bij den stads-omroeper, wonende enz., met de belofte eener ruime belooning sloot, dan was en bleef de aandacht gespannen, dan ging men vergenoegd uit elkander, dan vertelde men rond wat men gehoord had: en menigeen streelde zich reeds met de gedachte, dat het ook hem zoude kunnen gebeuren, de gelukkige vinder te zijn.Soms ook wekte de eenvoudige voordracht des omroepers meer levendige aandoeningen in de gemoederen der omstanders op: wanneer hij sprak van vermiste kinderen, door bedroefde ouders vergeefs gezocht: van uit het water opgehaalde lijken, waaromtrent men naricht verlangde; van jongelingen of jonge dochters, die het ouderlijk huis heimelijk verlaten hadden: van voortvluchtige boosdoeners of deserteurs, wier signalement hij opgaf: in ’t kort, wanneer het een dier onderwerpen gold, geschikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen, tot gissingen aanleiding te geven en voor veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.En, wanneer nu de redenaar zijn mededeeling had ten einde gebracht, dan, zonder zich te bekommeren over den indruk, dien zij had achtergelaten, liet hij den linkerarm zakken, stapte met groote schreden dwars door den terugwijkenden en zich verspreidenden volkshoop heen, en begaf zich, van een nieuwen zwerm omstuwd, weder verder, om op een volgenden viersprong zijn litanie te herhalen.Die aankondigingen, op last des Bestuurs, der Admiraliteiten, der Compagniên, der Gilden enz. gedaan, die bestendigeberichtenvan bijzondere personen, welke hij te vermelden had, leverden aan den omroeper een ruim en deftig bestaan op: en meer dan een onderde beambten, die sedert eeuwen het woord op pleinen en straten voerden, vond zich bij zijn dood in staat een aanzienlijk kapitaal aan zijn erven na te laten. Maar wat is op aarde bestendig? De invallen der Barbaren hebben den Romeinschen adelaar de wieken geknot, en de nieuwerwetsche beschaving heeft den luister van het bekken des omroepers doen tanen. De drukpers, die door het verspreiden van liedeboekjes en zedespreuken, den minnezanger en spreukspreker deed zwijgen, die, door het vermenigvuldigen van caricaturen en kleine journalen, den hofnar deed verdwijnen, de drukpers met haar duizend stemmen heeft den met slechts éénen mond voorzienen omroeper overschreeuwd. Welk nut zoude het in hebben, hem op alle hoeken kennisgevingen en aankondigingen te doen uitkraaien, welke, op gebouwen en wachthuisjes aangeplakt, dank zij de hoogte van het hedendaagsche onderwijs, door den minsten ambachtsman kunnen gelezen worden? Wie zoude hem voortaan belasten met het vermelden van geleden verliezen, die hij slechts ter kennisse van enkelen brengen kan, nu talrijke en overal verspreide nieuwsbladen de gelegenheid verschaffen, die aan duizenden gelijktijdig te berichten?Schaars wordt dan ook meer het ministerie des eenmaal zoo onmisbaren mans ingeroepen: zelden meer lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster: en de menigte ziet hem met onverschilligheid aan, wanneer hij nog enkele malen, van zijn vroegeren luister beroofd, en zonder gevolg, zich aan haar vertoont als een verschijnsel uit den verledenen tijd, als een herinnering aan die vroegere dagen, toen de kappers met pruikedoozen op den rug liepen, en de slagersknechts driekante hoeden droegen.

Oudtijds, en voor het bestaan der nieuwsbladen, was de omroeper zeker een der onontbeerlijkste stadsbeambten, en zijne verschijning op ’s heeren straten bracht bij het publiek geen minderen indruk te weeg, dan die van den befaamden Jan Claaszen of den liedjeszanger met het nieuw beschilderd bord, ja, de klank, dien hij deed hooren, lokte meer nieuwsgierigen dan de muziek van den wandelenden orgelman. O! het was schoon, hem te zien, zooals hij, in zijn deftig gewaad, waar het stadswapen op prijkte, met het koperen bekken achteloos aan den linkerarm gehangen, het bekken, dat door vorm en glans den beroemden helm van Mambruno in het geheugen terug riep, en met den metalen stok, hem meerder waard dan een veldheersstaf, in de rechterhand, de straten afliep, altijd vergezeld van een bont en talrijk gevolg, dat wel is waar, niet door achtbaarheid en kleederpracht uitblonk, maar welks gewone straatjongensbaldadigheid verdween en zich oploste in eerbied en bewondering voor den achtbaren man, wiens voetstappen het drukte. Op elken kruisweg, bij elke sluis of dwarsgracht, stond het gewichtige personage stil; hij liet den ernsthaftigen blik om zich heen weiden, langzaam hief hij het koperen armschild op, en het metaal, op het metaal herklinkende, verkondigde zijne tegenwoordigheid en riep de aandacht der vrome burgers in op de woorden, die hij spreken zoude.

Dan stroomde van alle zijden de goede gemeente toe, en zelfs de bewoners der naastbijstaande huizen vergaten hun beroep en bedrijf, om te hooren wat er gaande was. De kuiper, die zijn winkel in de nabuurschap had, nam de pijp uit den mond en bleef met opgeheven hamer staan; de rijknecht, die het paard naar de smidse had gebracht, en de smid, die het beslaan zoude, traden toe op dat geluid, zonder zich te bekreunen over de ongemakkelijke houding, waarin de arme viervoet hun terugkomst stond af te wachten; de winkelierster, die achter de toonbank bezig was een lood snuif af te wegen, en de oude keukenmeid, die voor de toonbank in haar knipje frommelde om het vereischte getal duiten te zoeken, braken, als bij wederzijdsch akkoord, haar handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals staan luisteren:—de sleeper, die voor het wijnhuis aan den hoek zijn halfje kocht, toefde met den roemer aan de lippen te brengen, uit vrees dat het klokken van den jeneverhem een woord zou doen missen;—overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn; terwijl in diepe stilte en gespannen verwachting, elk de ooren spitste om de orakeltaal des gewichtigen mans te vernemen.

Eindelijk, wanneer deze den kring, waarvan hij het middelpunt vormde, genoegzaam zag aangegroeid, opende hij den mond: en met een langzame, slepende, eentonige, maar toch luide en verstaanbare stem, ontvouwde hij het doel zijner zending.

Soms was het een publicatie der achtbare Magistraat;—en dan, helaas! was het niet zelden bedroevend om te aanschouwen, hoe de meesten der toehoorders, die het toeval hier verzameld had, het hoofd weer omwendden, hun bedrijf en bezigheden hervatteden, en even weinig oplettendheid aan het gesprokene schonken, als de hedendaagsche dagbladlezers toewijden aan de eerste kolom der officieele couranten.

Soms was het de aankondiging eener te houdene verkooping, een oproeping van werkvolk, een bericht, den handel, de zeevaart, de visscherij, de nijverheid betreffende:—en, ofschoon dan de massa meer belangstelling toonde, teleurstelling of onverschilligheid waren op menig gelaat te lezen.

Maar, wanneer de aanhef luidde: er is verloren! en wanneer het slot: al wie dezelve terug brengt bij den stads-omroeper, wonende enz., met de belofte eener ruime belooning sloot, dan was en bleef de aandacht gespannen, dan ging men vergenoegd uit elkander, dan vertelde men rond wat men gehoord had: en menigeen streelde zich reeds met de gedachte, dat het ook hem zoude kunnen gebeuren, de gelukkige vinder te zijn.

Soms ook wekte de eenvoudige voordracht des omroepers meer levendige aandoeningen in de gemoederen der omstanders op: wanneer hij sprak van vermiste kinderen, door bedroefde ouders vergeefs gezocht: van uit het water opgehaalde lijken, waaromtrent men naricht verlangde; van jongelingen of jonge dochters, die het ouderlijk huis heimelijk verlaten hadden: van voortvluchtige boosdoeners of deserteurs, wier signalement hij opgaf: in ’t kort, wanneer het een dier onderwerpen gold, geschikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen, tot gissingen aanleiding te geven en voor veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.

En, wanneer nu de redenaar zijn mededeeling had ten einde gebracht, dan, zonder zich te bekommeren over den indruk, dien zij had achtergelaten, liet hij den linkerarm zakken, stapte met groote schreden dwars door den terugwijkenden en zich verspreidenden volkshoop heen, en begaf zich, van een nieuwen zwerm omstuwd, weder verder, om op een volgenden viersprong zijn litanie te herhalen.

Die aankondigingen, op last des Bestuurs, der Admiraliteiten, der Compagniên, der Gilden enz. gedaan, die bestendigeberichtenvan bijzondere personen, welke hij te vermelden had, leverden aan den omroeper een ruim en deftig bestaan op: en meer dan een onderde beambten, die sedert eeuwen het woord op pleinen en straten voerden, vond zich bij zijn dood in staat een aanzienlijk kapitaal aan zijn erven na te laten. Maar wat is op aarde bestendig? De invallen der Barbaren hebben den Romeinschen adelaar de wieken geknot, en de nieuwerwetsche beschaving heeft den luister van het bekken des omroepers doen tanen. De drukpers, die door het verspreiden van liedeboekjes en zedespreuken, den minnezanger en spreukspreker deed zwijgen, die, door het vermenigvuldigen van caricaturen en kleine journalen, den hofnar deed verdwijnen, de drukpers met haar duizend stemmen heeft den met slechts éénen mond voorzienen omroeper overschreeuwd. Welk nut zoude het in hebben, hem op alle hoeken kennisgevingen en aankondigingen te doen uitkraaien, welke, op gebouwen en wachthuisjes aangeplakt, dank zij de hoogte van het hedendaagsche onderwijs, door den minsten ambachtsman kunnen gelezen worden? Wie zoude hem voortaan belasten met het vermelden van geleden verliezen, die hij slechts ter kennisse van enkelen brengen kan, nu talrijke en overal verspreide nieuwsbladen de gelegenheid verschaffen, die aan duizenden gelijktijdig te berichten?

Schaars wordt dan ook meer het ministerie des eenmaal zoo onmisbaren mans ingeroepen: zelden meer lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster: en de menigte ziet hem met onverschilligheid aan, wanneer hij nog enkele malen, van zijn vroegeren luister beroofd, en zonder gevolg, zich aan haar vertoont als een verschijnsel uit den verledenen tijd, als een herinnering aan die vroegere dagen, toen de kappers met pruikedoozen op den rug liepen, en de slagersknechts driekante hoeden droegen.

Het Wafelmeisje.Wie kent het wafelmeisje niet, het nette, het zindelijke, het minzame wafelmeisje, met haar Frieschen kap, haar zilveren oorijzer, haar glanzend jakje, haar helder boezelaar, haar groene muiltjes en het bord in haar hand, waarover een blank servet is gespreid, dat deWafels diep gheruyt,Wel ghesuyckert, wel ghecruyt,Wel met boter overdroopt,tegen den invloed der lucht en de snoepzucht der vliegen beveiligt?—Als de ooievaar of, wilt gij ’t liever, als de zwaluw, die in het voorjaar terug komt en ons tot een voorbode strekt der lentevreugd, zoo ook keert het wafelmeisje jaarlijks in hetzelfde seizoen, op dezelfde plaats terug om er haar woning te bouwen en aan een ieder te verkondigen, dat de kermis-vermakelijkheden een aanvang hebben genomen. Alles op deze wereld is voor verandering en veroudering vatbaar; maar, wat ook de tijd doe wisselen of vervallen, of te niet gaan, naar het wafelmeisje heeft hij zijn hand nooit uitgestrekt: nimmer heeft hij de leliën op hare wangen doen verwelken, noch rimpels op haar glinsterend voorhoofd doen rijzen, noch de luchtigheid van haren tred veranderd, noch haar vlekkelooze kleeding bezoedeld. Met iederen jaarkring treedt zij even vroolijk en bevallig weer te voorschijn, blozend als de bloemen op het veld, maar niet vatbaar, gelijk deze, om te verwelken. Al wat op kermis en jaarmarkt onze aandacht trekt, wordt afgesleten, verouderd, vernieuwd of vervangen; de Saqui’s, de Opré’s, de Baptistes, de Martins, en zoo veel meerderen, zijn afgetreden en hebben voor anderen plaats gemaakt; maar het wafelmeisje blijft, altijd jeugdig, altijd hare gaven ronddeelende, onveranderlijk en onvergankelijk als het noodlot.En niet zij alleen, maar al wat zich om en nevens haar beweegt en bevindt in de tent, waar binnen haar zwervend bedrijf wordt uitgeoefend, is even onwankelbaar, even onsterfelijk als zij zelve. Ondervraagt slechts uw geheugen, kermisbezoekers! Heeft niet die wafelkraam altijd uit dezelfde planken bestaan, van buiten grijs, van binnen kanariegeel geschilderd? Treedt gij den houten vloerop, gij ziet tegenover u de, u sinds jaren bekende, glad gewreven commode of chiffonnière, rechts en links geflankeerd door een prent in gele lijst, de ramp van Leiden, den watervloed, de historie van den verloren zoon of die der schoone Genoveva voorstellende: op de commode herkent gij de witte kopjes met gouden randen en den ruiker van papieren bloemen: daarvoor, de stoelen met matten zittingen; in den hoek, het sijsje in zijn kooi; rechts, het eikenhouten beschot, van twee boogsgewijze ingerichte toegangen voorzien, op de Oostersche manier met gordijnen afgesloten en tot twee kamertjes geleidende, als de roef eener trekschuit geheel ingenomen door een smalle tafel en een rondloopende bank. Links, door toonbank en fornuis van de straat gescheiden, zit de bakster bij het vuur, de bakster, die er altijd gezeten heeft en nooit hare plaats verlaat: en nevens haar, het wafelmeisje. Wanneer ik zeg, het wafelmeisje, dan meen ik: de drie wafelmeisjes; want, even als er drie Gratiën, drie Parken, drie Furiën, drie Cyklopen zijn, zoo zijn er ook altijd drie wafelmeisjes, die de voorschreven bakster moeder noemen. Wat een vader betreft, dien ziet men niet en die is er waarschijnlijk nooit geweest: en hoe de baksters het aanleggen, om juist altijd drie dochters, nooit meer noch minder te hebben, zal wel altijd een raadsel blijven. Bewijs genoeg, dat zij en haar maagden en haar kraam, alles, als de Myrmidonen van ouds, gelijktijdig zijn ontstaan.Van de drie wafelmeisjes zal ik er slechts ééne beschrijven; want, wie er eene ziet, heeft ze allen gezien: en de bloemen des velds en de wafelen, die zij rondbrengen, kunnen onderling niet meer gelijkenis hebben dan zij.Het wafelmeisje is welgevormd van leden, regelmatig van gestalte, schoon eenigszins overhellende tot gezetheid, en haar bewegingen hebben een bevalligen zwier; haar vel is blank en doorschijnend; malsch als zijde, maar niet zeer veerkrachtig; haar lichtblauwe oogen hebben een kalme, zachtzinnige uitdrukking, die getuigt, dat in het hartje, ’t welk achter dien donzigen boezem klopt, geene driften noch stormen gewoed hebben. Van het haar zal ik niet spreken; want daar het bestendig onder den nijdigen kap verborgen blijft, kan men alleen bij gissingen besluiten, of het zwart dan blond van kleur is. Uit de donkere tint der wenkbrauwen zoude ik het eerste opmaken; maar ik onderwerp mij gaarne aan de beslissing van al wie beter onderricht is.Het karakter van het wafelmeisje is geheel lijdelijk; zij gehoorzaamt aan de bevelen en wenken der bakster, en brengt de wafelen naar de plaats van haar bestemming: zij dekt de tafeltjes in de vertrekjes, zij bedient de bezoekers, en wanneer zij niets te bezorgen of niemand te bedienen heeft, dan gaat zij zitten voor de meergenoemde chiffonnière, dus vlak over den ingang. Maar gaande of staande, loopende of rustende, bezig of ledig, nooit raakt haar gelaat uit zijn plooi, en niets is in staat de rustige kalmte van haar gemoed een oogenblik te verstoren. Zij hoort met denzelfden glimlach de bestellingen der gasten, de zoutelooze kwinkslagen der jolige dienstmeiden, de ruwe scheldwoorden des dronkaards, desuikerzoete vleierijen van den ouden vrijer en de meer duidelijke voorstellen des opgewassen schoolknaaps aan. Met denzelfden onverschilligen blik ziet zij de liefkozingen van een vrijend paar, en den strijd van twee pakkendragers om een nieuwe Helena. Nog meer! Een dartele jongeling, niet te vreden, van haar zijn liefdebrand met woorden te hebben geschilderd, zal, om aan zijn betuigingen meerdere kracht bij te zetten, haar poezel handje vatten; zij zal het niet terugtrekken; maar ook den handdruk niet beantwoorden; de vermetele zal zich nog meer verstouten; haar mond, haar wangen met gloeiende kussen bedekken; zij zal hem stil laten begaan; maar op eens bespeurt hij met verbazing en teleurstelling, hoe weinig hij haar zinnen of zelfs haar aandacht boeide, en hoe zij, hem als een schim ontweken, bezig is een glaasje anijs over te reiken aan een naaistertje, dat met een kantoorknecht in een der vertrekjes een tweede dozijn wafels zit te verorberen.Uit dit alles blijkt overvloedig, dat het wafelmeisje een afzonderlijk, op zich zelf staand wezen is, aan de gewone zwakheden der menschelijke natuur niet onderhevig, en met de dochters van Eva alleen in gedaante overeenkomende. Intusschen, er zijn sceptici, die hebben durven beweren, dat zij, ’s middags ongeveer te half een uur, een wafelkraam voorbij gaande, de bakster en haar maagden hebben zien aanzitten rondom een schotel van groen aardewerk, aardappelen etende als gewone stervelingen. Zoolang echter dit feit niet door stellige, onwraakbare getuigenissen bewezen is, meen ik het er voor te moeten houden, dat de verhalers, of schaamteloos jokken, of door hun oogen misleid zijn geworden.

Wie kent het wafelmeisje niet, het nette, het zindelijke, het minzame wafelmeisje, met haar Frieschen kap, haar zilveren oorijzer, haar glanzend jakje, haar helder boezelaar, haar groene muiltjes en het bord in haar hand, waarover een blank servet is gespreid, dat de

Wafels diep gheruyt,Wel ghesuyckert, wel ghecruyt,Wel met boter overdroopt,

Wafels diep gheruyt,

Wel ghesuyckert, wel ghecruyt,

Wel met boter overdroopt,

tegen den invloed der lucht en de snoepzucht der vliegen beveiligt?—Als de ooievaar of, wilt gij ’t liever, als de zwaluw, die in het voorjaar terug komt en ons tot een voorbode strekt der lentevreugd, zoo ook keert het wafelmeisje jaarlijks in hetzelfde seizoen, op dezelfde plaats terug om er haar woning te bouwen en aan een ieder te verkondigen, dat de kermis-vermakelijkheden een aanvang hebben genomen. Alles op deze wereld is voor verandering en veroudering vatbaar; maar, wat ook de tijd doe wisselen of vervallen, of te niet gaan, naar het wafelmeisje heeft hij zijn hand nooit uitgestrekt: nimmer heeft hij de leliën op hare wangen doen verwelken, noch rimpels op haar glinsterend voorhoofd doen rijzen, noch de luchtigheid van haren tred veranderd, noch haar vlekkelooze kleeding bezoedeld. Met iederen jaarkring treedt zij even vroolijk en bevallig weer te voorschijn, blozend als de bloemen op het veld, maar niet vatbaar, gelijk deze, om te verwelken. Al wat op kermis en jaarmarkt onze aandacht trekt, wordt afgesleten, verouderd, vernieuwd of vervangen; de Saqui’s, de Opré’s, de Baptistes, de Martins, en zoo veel meerderen, zijn afgetreden en hebben voor anderen plaats gemaakt; maar het wafelmeisje blijft, altijd jeugdig, altijd hare gaven ronddeelende, onveranderlijk en onvergankelijk als het noodlot.

En niet zij alleen, maar al wat zich om en nevens haar beweegt en bevindt in de tent, waar binnen haar zwervend bedrijf wordt uitgeoefend, is even onwankelbaar, even onsterfelijk als zij zelve. Ondervraagt slechts uw geheugen, kermisbezoekers! Heeft niet die wafelkraam altijd uit dezelfde planken bestaan, van buiten grijs, van binnen kanariegeel geschilderd? Treedt gij den houten vloerop, gij ziet tegenover u de, u sinds jaren bekende, glad gewreven commode of chiffonnière, rechts en links geflankeerd door een prent in gele lijst, de ramp van Leiden, den watervloed, de historie van den verloren zoon of die der schoone Genoveva voorstellende: op de commode herkent gij de witte kopjes met gouden randen en den ruiker van papieren bloemen: daarvoor, de stoelen met matten zittingen; in den hoek, het sijsje in zijn kooi; rechts, het eikenhouten beschot, van twee boogsgewijze ingerichte toegangen voorzien, op de Oostersche manier met gordijnen afgesloten en tot twee kamertjes geleidende, als de roef eener trekschuit geheel ingenomen door een smalle tafel en een rondloopende bank. Links, door toonbank en fornuis van de straat gescheiden, zit de bakster bij het vuur, de bakster, die er altijd gezeten heeft en nooit hare plaats verlaat: en nevens haar, het wafelmeisje. Wanneer ik zeg, het wafelmeisje, dan meen ik: de drie wafelmeisjes; want, even als er drie Gratiën, drie Parken, drie Furiën, drie Cyklopen zijn, zoo zijn er ook altijd drie wafelmeisjes, die de voorschreven bakster moeder noemen. Wat een vader betreft, dien ziet men niet en die is er waarschijnlijk nooit geweest: en hoe de baksters het aanleggen, om juist altijd drie dochters, nooit meer noch minder te hebben, zal wel altijd een raadsel blijven. Bewijs genoeg, dat zij en haar maagden en haar kraam, alles, als de Myrmidonen van ouds, gelijktijdig zijn ontstaan.

Van de drie wafelmeisjes zal ik er slechts ééne beschrijven; want, wie er eene ziet, heeft ze allen gezien: en de bloemen des velds en de wafelen, die zij rondbrengen, kunnen onderling niet meer gelijkenis hebben dan zij.

Het wafelmeisje is welgevormd van leden, regelmatig van gestalte, schoon eenigszins overhellende tot gezetheid, en haar bewegingen hebben een bevalligen zwier; haar vel is blank en doorschijnend; malsch als zijde, maar niet zeer veerkrachtig; haar lichtblauwe oogen hebben een kalme, zachtzinnige uitdrukking, die getuigt, dat in het hartje, ’t welk achter dien donzigen boezem klopt, geene driften noch stormen gewoed hebben. Van het haar zal ik niet spreken; want daar het bestendig onder den nijdigen kap verborgen blijft, kan men alleen bij gissingen besluiten, of het zwart dan blond van kleur is. Uit de donkere tint der wenkbrauwen zoude ik het eerste opmaken; maar ik onderwerp mij gaarne aan de beslissing van al wie beter onderricht is.

Het karakter van het wafelmeisje is geheel lijdelijk; zij gehoorzaamt aan de bevelen en wenken der bakster, en brengt de wafelen naar de plaats van haar bestemming: zij dekt de tafeltjes in de vertrekjes, zij bedient de bezoekers, en wanneer zij niets te bezorgen of niemand te bedienen heeft, dan gaat zij zitten voor de meergenoemde chiffonnière, dus vlak over den ingang. Maar gaande of staande, loopende of rustende, bezig of ledig, nooit raakt haar gelaat uit zijn plooi, en niets is in staat de rustige kalmte van haar gemoed een oogenblik te verstoren. Zij hoort met denzelfden glimlach de bestellingen der gasten, de zoutelooze kwinkslagen der jolige dienstmeiden, de ruwe scheldwoorden des dronkaards, desuikerzoete vleierijen van den ouden vrijer en de meer duidelijke voorstellen des opgewassen schoolknaaps aan. Met denzelfden onverschilligen blik ziet zij de liefkozingen van een vrijend paar, en den strijd van twee pakkendragers om een nieuwe Helena. Nog meer! Een dartele jongeling, niet te vreden, van haar zijn liefdebrand met woorden te hebben geschilderd, zal, om aan zijn betuigingen meerdere kracht bij te zetten, haar poezel handje vatten; zij zal het niet terugtrekken; maar ook den handdruk niet beantwoorden; de vermetele zal zich nog meer verstouten; haar mond, haar wangen met gloeiende kussen bedekken; zij zal hem stil laten begaan; maar op eens bespeurt hij met verbazing en teleurstelling, hoe weinig hij haar zinnen of zelfs haar aandacht boeide, en hoe zij, hem als een schim ontweken, bezig is een glaasje anijs over te reiken aan een naaistertje, dat met een kantoorknecht in een der vertrekjes een tweede dozijn wafels zit te verorberen.

Uit dit alles blijkt overvloedig, dat het wafelmeisje een afzonderlijk, op zich zelf staand wezen is, aan de gewone zwakheden der menschelijke natuur niet onderhevig, en met de dochters van Eva alleen in gedaante overeenkomende. Intusschen, er zijn sceptici, die hebben durven beweren, dat zij, ’s middags ongeveer te half een uur, een wafelkraam voorbij gaande, de bakster en haar maagden hebben zien aanzitten rondom een schotel van groen aardewerk, aardappelen etende als gewone stervelingen. Zoolang echter dit feit niet door stellige, onwraakbare getuigenissen bewezen is, meen ik het er voor te moeten houden, dat de verhalers, of schaamteloos jokken, of door hun oogen misleid zijn geworden.

De Aanspreker.Droevig en ernstig is de gedachte aan den dood: en waarom dan is de bode, die ons het overlijden van een onzer natuurgenooten komt verkondigen, bestemd, om onzen onwillekeurigen lachlust op te wekken? Waarom vinden wij, bij alle volkeren en in alle tijden, bestendig, in het sterfhuis, naast de lijkbaar en op de rustplaats der afgestorvenen, die verschijning terug van onverschillige, belachelijke medevertooners, wier tegenwoordigheid de aandoenlijkste plechtigheid in een bittere parodie herschept?In gindsche woning heeft een geliefde vader, een teederbeminde echtgenoote, een bloeiende dochter, den laatsten tol aan de natuur betaald. De huisgenooten zijn vereenigd: de stille smart wordt slechts nu en dan afgebroken door een uitboezeming des harten, door een lofspraak op den overledene, door snikken en schreien. Maar op eens, evenals deClownin het Engelsche drama op het meest pathetisch oogenblik te voorschijn treedt, daar vertoont zich de Aanspreker: zijne verschijning brengt bij al de aanwezigen ongeveer dezelfde gewaarwording te weeg, welke een valsche noot in de muziek bij den kenner doet ontstaan: alles bij hem is in wederspraak met het aanwezige gezelschap: zijn kostuum; want hij draagt den rouw aan ’t lijf, dien de huisgenooten nog maar alleen in ’t hart dragen:—zijn gelaat; want het staat alleen koud en onbewogen tusschen al die nat bekreten wangen:—zijne redenen: want, terwijl de overigen alleen wenschen te spreken over de deugden des ontslapenen en de grootte van hun verlies, spreekt hij van ceêlen, van zwart lak, van timmerlui, van rouwpapier, van koetsiers en van begrafenis-boete:—zijne innerlijke gemoedsbewegingen; want, terwijl leed en droefheid den boezem zijner lastgevers vervullen, loopen zijne gedachten over het vermoedelijk bedrag van het loon, dat hem wacht, en berekent hij, uit hetgeen hem van den staat des boedels bekend mag zijn, of de fooien min of meer aanzienlijk zullen wezen.Het noodige is afgehandeld: de Aanspreker is vertrokken: hij heeft zijn kameraden ontboden, die kohort, waarin het bevel nu bij dezen, dan bij genen berust: niet volgens onderlinge keuze of schikking: niet naar vaste beurten: neen: hij, die het eerst aan het sterfhuis ontboden was, is de hopman, aan wiens bestier zich de overigen, zonder morren, zonder tegenspraak, onderwerpen.De lijsten zijn gemaakt: de ure is gekomen, waarop het rondzeggen beginnen zal. Zie op gindsche brug den besturenden Aanspreker zijn bevelen ronddeelen en aan elk zijn taak aanwijzen. Welke ernst op ’s mans gelaat! welke wichtigheid in zijn gebarenspel! ’t Is Agamemnon, die den aanval tegen Troje gebiedt: en, op zijn wenk, verspreidt zich het gevolg van snelvoetige Achillessen en draaft langs burgwal en straten, en doet overal de schellen klingelen. De deuren gaan open: de Aanspreker (mits het een deftig huis zij, waar hij voorstaat) legt de rechterhand aan den punthoed, doet hem een hoek van 46 graden beschrijven en heft, met een hoogdravende stem, in dezer voege aan:—„Maak bekend, dat overleden is, de Hoogwelgeboren Vrouwe Sara Catharina Augusta Wilhelmina van Hevelen tot Heffenberg, Douairière den Hoogwelgeboren Heer Jonkheer Willem Hendrik Lodewijk Baron van Hoogenlinde.”Hij doet zijn hoed nogmaals een boog beschrijven, dekt zich weder en voegt er, als ter bevestiging, in een platten Amsterdamschen tongval bij:—„De ouwe Mevrouw van Hoogenlinde, schoins hierover in ’t hoekhois: zelje ’t niet vergeten, vrijster?”—„Herrejee!” roept de vrijster: „is die dood: nou kijk! mensch! ’t Is wat te zeggen! ja, er sterft al heel wat rijkdom tegenwoordig.”Maar reeds is de Aanspreker, zonder zich den tijd te gunnen om het oor te leenen aan de wijsgeerige aanmerkingen der dienstmaagd, een paar huizen verder zijn plechtigeformulegaan herhalen.De dag der begrafenis is daar: het is een deftig lijk: en zoodanige worden nooit ter aarde besteld, zonder dat het een boete kost aan den erfgenaam:—een boete, vermeerderende naar evenredigheid van het vroegere ochtenduur, waarin de plechtigheid voorvalt, en nog hooger stijgende, wanneer die ’s avonds plaats heeft: een speculatie, gegrond op de ijdelheid onzer menschelijke natuur, die zich in zulke oogenblikken minst verloochent;—maar het is niet over de ijdelheid der naastbestaanden, het is over den Aanspreker, dat ik u onderhouden moet. Zie hem en zijn gevolg aan weerszijden op de trappen van die stoep geschaard, terwijl de dragers, in verschillende groepen verdeeld, op straat staan, en de lijkkoets een paar huizen verder vertoeft. Elke bloedverwant, die het sterfhuis binnengaat, moet de gelederen der zwarte bende door: de punthoeden vliegen af bij zijn naderen, maar beschrijven nu den halven cirkelboog vol uit, terwijl het aangehechte krip met bevalligheid golft, en het bovenlijf zich eerbiedig nederbuigt. Alles is gereed: de kist wordt uitgedragen: de lijkkoets ontvangt haar vracht, en weldra neemt de optocht een aanvang.Voorheen zag de Aanspreker, wanneer hij aan ’t hoofd der lijkstaatsie optrok, met welgevallen rond op de talrijke schaar, die aan alle kanten kwam samengevloeid, om met gretige belangstelling de prachtige livreien, de fraaie paarden en de glinsterende koetsen te bewonderen: of wier nieuwsgierige blik, op het gelaat der achteraan volgende erfgenamen, de mate van hun rouw zocht tebeoordeelen: maar och! en tot zijn groote ergernis, de Aanspreker heeft die tijden overleefd, en beklaagt er zich bitter over, hoe men tegenwoordig zich den nauwelijks gestorven bloedverwant reeds schijnt te schamen, en, in stede van het lijk te volgen, langs een anderen weg op snellen draf de plaats der bestemming bereikt! Dit is voorzeker treurig: maar kan men ook niet van den Aanspreker zelven zeggen:Quantum mutatus ab illo?’t Is waar, nog bestaan de punthoed, de lamfer, de korte broek; maar waar is de majestueuse, de eerbiedwekkende, de in talrijke batterijen verdeelde, de wit gepoederde pruik gebleven? Waar is zij?—De echo antwoordt: Waar?In de kerk, op den Godsakker, wordt de optocht herhaald; maar nu wordt de baar op de schouders der dragers rondgevoerd, en de bloedverwanten sluiten den omgang. De kist wordt nedergelaten in ’t graf: de Aansprekeren chefdeelt aan de, langs hem defileerendeAansprekers, Dragers, Dienders en Dekkers de verzegelde pakjes uit, welke hun loon bevatten: elk hunner, na zijn gift ontvangen te hebben, gaat de bloedverwanten voorbij en maakt een meer of minder zwierige buiging: en alles gaat uiteen; de Aansprekers, om nieuwe sterfgevallen te gaan verkondigen; de bloedverwanten, om de te huis gebleven familie te gaan vermelden, dat alles volbracht is: de dragers, om naar de kroeg te loopen. Wat de dienders doen, weet ik niet: en al wist ik het, ik zoude het niet durven zeggen.

Droevig en ernstig is de gedachte aan den dood: en waarom dan is de bode, die ons het overlijden van een onzer natuurgenooten komt verkondigen, bestemd, om onzen onwillekeurigen lachlust op te wekken? Waarom vinden wij, bij alle volkeren en in alle tijden, bestendig, in het sterfhuis, naast de lijkbaar en op de rustplaats der afgestorvenen, die verschijning terug van onverschillige, belachelijke medevertooners, wier tegenwoordigheid de aandoenlijkste plechtigheid in een bittere parodie herschept?

In gindsche woning heeft een geliefde vader, een teederbeminde echtgenoote, een bloeiende dochter, den laatsten tol aan de natuur betaald. De huisgenooten zijn vereenigd: de stille smart wordt slechts nu en dan afgebroken door een uitboezeming des harten, door een lofspraak op den overledene, door snikken en schreien. Maar op eens, evenals deClownin het Engelsche drama op het meest pathetisch oogenblik te voorschijn treedt, daar vertoont zich de Aanspreker: zijne verschijning brengt bij al de aanwezigen ongeveer dezelfde gewaarwording te weeg, welke een valsche noot in de muziek bij den kenner doet ontstaan: alles bij hem is in wederspraak met het aanwezige gezelschap: zijn kostuum; want hij draagt den rouw aan ’t lijf, dien de huisgenooten nog maar alleen in ’t hart dragen:—zijn gelaat; want het staat alleen koud en onbewogen tusschen al die nat bekreten wangen:—zijne redenen: want, terwijl de overigen alleen wenschen te spreken over de deugden des ontslapenen en de grootte van hun verlies, spreekt hij van ceêlen, van zwart lak, van timmerlui, van rouwpapier, van koetsiers en van begrafenis-boete:—zijne innerlijke gemoedsbewegingen; want, terwijl leed en droefheid den boezem zijner lastgevers vervullen, loopen zijne gedachten over het vermoedelijk bedrag van het loon, dat hem wacht, en berekent hij, uit hetgeen hem van den staat des boedels bekend mag zijn, of de fooien min of meer aanzienlijk zullen wezen.

Het noodige is afgehandeld: de Aanspreker is vertrokken: hij heeft zijn kameraden ontboden, die kohort, waarin het bevel nu bij dezen, dan bij genen berust: niet volgens onderlinge keuze of schikking: niet naar vaste beurten: neen: hij, die het eerst aan het sterfhuis ontboden was, is de hopman, aan wiens bestier zich de overigen, zonder morren, zonder tegenspraak, onderwerpen.

De lijsten zijn gemaakt: de ure is gekomen, waarop het rondzeggen beginnen zal. Zie op gindsche brug den besturenden Aanspreker zijn bevelen ronddeelen en aan elk zijn taak aanwijzen. Welke ernst op ’s mans gelaat! welke wichtigheid in zijn gebarenspel! ’t Is Agamemnon, die den aanval tegen Troje gebiedt: en, op zijn wenk, verspreidt zich het gevolg van snelvoetige Achillessen en draaft langs burgwal en straten, en doet overal de schellen klingelen. De deuren gaan open: de Aanspreker (mits het een deftig huis zij, waar hij voorstaat) legt de rechterhand aan den punthoed, doet hem een hoek van 46 graden beschrijven en heft, met een hoogdravende stem, in dezer voege aan:

—„Maak bekend, dat overleden is, de Hoogwelgeboren Vrouwe Sara Catharina Augusta Wilhelmina van Hevelen tot Heffenberg, Douairière den Hoogwelgeboren Heer Jonkheer Willem Hendrik Lodewijk Baron van Hoogenlinde.”

Hij doet zijn hoed nogmaals een boog beschrijven, dekt zich weder en voegt er, als ter bevestiging, in een platten Amsterdamschen tongval bij:

—„De ouwe Mevrouw van Hoogenlinde, schoins hierover in ’t hoekhois: zelje ’t niet vergeten, vrijster?”

—„Herrejee!” roept de vrijster: „is die dood: nou kijk! mensch! ’t Is wat te zeggen! ja, er sterft al heel wat rijkdom tegenwoordig.”

Maar reeds is de Aanspreker, zonder zich den tijd te gunnen om het oor te leenen aan de wijsgeerige aanmerkingen der dienstmaagd, een paar huizen verder zijn plechtigeformulegaan herhalen.

De dag der begrafenis is daar: het is een deftig lijk: en zoodanige worden nooit ter aarde besteld, zonder dat het een boete kost aan den erfgenaam:—een boete, vermeerderende naar evenredigheid van het vroegere ochtenduur, waarin de plechtigheid voorvalt, en nog hooger stijgende, wanneer die ’s avonds plaats heeft: een speculatie, gegrond op de ijdelheid onzer menschelijke natuur, die zich in zulke oogenblikken minst verloochent;—maar het is niet over de ijdelheid der naastbestaanden, het is over den Aanspreker, dat ik u onderhouden moet. Zie hem en zijn gevolg aan weerszijden op de trappen van die stoep geschaard, terwijl de dragers, in verschillende groepen verdeeld, op straat staan, en de lijkkoets een paar huizen verder vertoeft. Elke bloedverwant, die het sterfhuis binnengaat, moet de gelederen der zwarte bende door: de punthoeden vliegen af bij zijn naderen, maar beschrijven nu den halven cirkelboog vol uit, terwijl het aangehechte krip met bevalligheid golft, en het bovenlijf zich eerbiedig nederbuigt. Alles is gereed: de kist wordt uitgedragen: de lijkkoets ontvangt haar vracht, en weldra neemt de optocht een aanvang.

Voorheen zag de Aanspreker, wanneer hij aan ’t hoofd der lijkstaatsie optrok, met welgevallen rond op de talrijke schaar, die aan alle kanten kwam samengevloeid, om met gretige belangstelling de prachtige livreien, de fraaie paarden en de glinsterende koetsen te bewonderen: of wier nieuwsgierige blik, op het gelaat der achteraan volgende erfgenamen, de mate van hun rouw zocht tebeoordeelen: maar och! en tot zijn groote ergernis, de Aanspreker heeft die tijden overleefd, en beklaagt er zich bitter over, hoe men tegenwoordig zich den nauwelijks gestorven bloedverwant reeds schijnt te schamen, en, in stede van het lijk te volgen, langs een anderen weg op snellen draf de plaats der bestemming bereikt! Dit is voorzeker treurig: maar kan men ook niet van den Aanspreker zelven zeggen:

Quantum mutatus ab illo?

Quantum mutatus ab illo?

’t Is waar, nog bestaan de punthoed, de lamfer, de korte broek; maar waar is de majestueuse, de eerbiedwekkende, de in talrijke batterijen verdeelde, de wit gepoederde pruik gebleven? Waar is zij?—De echo antwoordt: Waar?

In de kerk, op den Godsakker, wordt de optocht herhaald; maar nu wordt de baar op de schouders der dragers rondgevoerd, en de bloedverwanten sluiten den omgang. De kist wordt nedergelaten in ’t graf: de Aansprekeren chefdeelt aan de, langs hem defileerendeAansprekers, Dragers, Dienders en Dekkers de verzegelde pakjes uit, welke hun loon bevatten: elk hunner, na zijn gift ontvangen te hebben, gaat de bloedverwanten voorbij en maakt een meer of minder zwierige buiging: en alles gaat uiteen; de Aansprekers, om nieuwe sterfgevallen te gaan verkondigen; de bloedverwanten, om de te huis gebleven familie te gaan vermelden, dat alles volbracht is: de dragers, om naar de kroeg te loopen. Wat de dienders doen, weet ik niet: en al wist ik het, ik zoude het niet durven zeggen.


Back to IndexNext