DE KERSEN.

DE KERSEN.„Zoo’n doe-niet, zoo’n sta in den weg,” zei oude Baas Hendrik, terwijl hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. „Ja, ’t is nu voor ’t laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst moet je er uit. ’k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren, maar nooit kersen! Waarom heb ’k dán een kerseboom, als ik er nooit kersen van plukken kan?”Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden gymnastische toeren aande takken of zaten er schrijlings op bij het paardje spelen.—Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en probeerden ’t zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzienzonderden kerseboom.En schudde zijn verweerde vuist.En schudde zijn verweerde vuist.„Zeker erg raar,” dachten ze.„Neen, Hendrik moet hem laten staan,” zei Greet op beslisten toon als slotsom van haar overdenking.„Dat doet hij niet,” sprak nu Trientje droevig voor zich heen, „o neen, dat doet hij niet. Hendrik heeft ’t zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij er uit ook—och heden—de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als zoo’n kereltje!”— En ze wees met haar taankleurige, rimpelige handeen hoogte van een paar turven aan.„Dirk, die al zoo lang in Amerika is?” vroeg Greet.„Ja!”—Trientje zuchtte.—„Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik altijd aan Dirk, maar de baas—” ze wees op Hendrik—„de baas zegt: je mag geen menschen en planten vergelijken—maar, ik kan ’t toch niet laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En nu zal hij er uit moeten.”„Als we nu ’s met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven staan!” zoo stelde Klaar hoopvol voor.Trientje schudde ’t hoofd.„Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad en nu is ’t uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk, heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!”„Maar als er nu van ’t jaar toch nog ’s kersen aankwamen,” opperde Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; „er zitten toch bloesems aan! Kijk maar!”„Zoo’n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad,” sprak Trientje mistroostig. „Neen, ’t is wel waar zooals de baas ’t uitdrukt: ’t is eendoe-niet, maar—ik kan hem toch zoo slecht missen!”Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig ging hij naast zijn vrouw zitten.„Mag hij niet blijven staan?” vroeg Greet, terwijl ze naar den boom wees.„Toe—alsjeblieft,” zei Klaar smeekend.„Mag hij niet blijven staan?”„Mag hij niet blijven staan?”„Neen, neen,” sprak Hendrik plechtig, „hij is mij lang genoeg tot ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo’n doe-niet nog in zijn kwaad te stijven.”„Maar—als er nu van ’t jaar nog ’s tien pond lekkere kersen aankwamen,” zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.„Dán kan hij blijven,” klonk ’t op denzelfden plechtigen toon.De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.„En als er nu maar ’s twee pond aankwamen....?”„Of één—of—een half,” waagde Greetje te veronderstellen.Klaar hield haar adem in. Wat zou nu ’t antwoord wel wezen?Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: „Dán kan hij blijven.”Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch maar niet weg redeneeren.Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder ’t verhaaltje in geuren en kleuren te hooren.„Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?” vroeg Greet.„Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman,” lachte Moeder. „Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe ’t met de bloesems staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter, de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en—”„Dán zijn de kersen er!” riep Klaartje vroolijk uit. „Ik ga vast elken dag uit school kijken, hoor!”„Ik ook,” zei Greet.De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik’s bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling ondervonden. ’t Scheen heusch, dat hij ’t op prijs stelde en zijn best deed z’n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in te ruilen.Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen, zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes terneergeslagen thuis. ’t Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.„Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan,” jammerde Greetje; „zou dat wel een half pond wezen?”„Hendrik zei, dat hij ’t wel gedacht had, want dat deed die kerseboom altijd! Maar Moeder, ’t kwam toch door den storm; de kerseboom kon ’t niet helpen,” riep Klaartje onder tranen.Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er zouden een paar vroolijke neven komen—Vader was al naar den trein om hen te halen—wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar er straks nog zoo bedrukt uitzagen!—De neven kwamen. De neven hoorden ’t verhaal over den kerseboom aan en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen, beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren, zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog raad op wisten.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel vertrouwen in de knapheid der groote neven.„Als er maar een half pond aan komt,” zei Greetje, „dan mag hij blijven staan van ouden Hendrik.”Toen zij ’s middags uit school kwamen hollen, verlangend ’t oordeel der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten zij ook precies doen wat de neven zeiden.Dit beloofden Greet en Klaar grif.Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken, zei Neef Karel, want daar kon hij op ’t oogenblik niet goed tegen. De kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad, wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een heel ernstig gezicht.Nu, dit was natuurlijk maar een grapje—dat begreep Greet best; Klaartje was eerst nog in twijfel of ’t niet waar zou zijn;—maar, grapje of niet, dat deed er niet toe—de neven, die er verstand van hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan en dááraan zouden ze zich houden.„Hé—over veertien dagen”—Greet was aan ’t uitrekenen—„dan ben ik jarig! Wat leuk!”„Zijn jullie er dan nog?” vroeg Klaar.„Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen naar den kerseboom te zien.”Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een grap was, maar neen, ’t scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!Zoo triestig als de zusjes ’s ochtends waren geweest, toen de neven kwamen, zoo vroolijk waren ze bij ’t afscheid.Als je ’t niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren met hun vertrek.„Tot over veertien dagen,” riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze al bij ’t hek waren. En: „tot over veertien dagen,” riepen de neven terug. „Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan voor de kersen!”—Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te kruipen. ’t Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden, de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren er toch zóó benieuwd naar hoe ’t wel met den kerseboom zou wezen en nu mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden in ’t dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was ’t nu immers verboden toegang!Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen op tafel zagen staan, werd ’t nog moeilijker ’t vol te houden. Erwarendus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik’s boom ook al rood en zacht zouden geworden zijn?„Nog vier dagen geduld,” zei Moeder, die er medelijden mee kreeg, „dan gaan we met ons allen kijken hoe ’t met den kerseboom staat.”„Daarmee beginnen we den jaardag dan,” stelde Vader voor: „allen in optocht naar ouden Hendrik’s kerseboom!”En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste was aangebroken.Dadelijk, na ’t ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de jarige Greet, Klaartje en de neven. WatHendrik en Trientje voor oogen opzetten, toen ze ’t gezelschap regelrecht op hun huisje zagen aankomen!Trientje deed de deur al open.Een schaal vol rijpe kersen.Een schaal vol rijpe kersen.„Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek,” riep ze, ’t hoofd van verbazing schuddend.„Trientje, ik ben jarig!” zei Greet vroolijk; „ik ben vandaag jarig!”„En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit,” juichte Klaar.„Kersen? Och lieve tijd,” zei ’t oudje meewarig, „als ze er aan waren, zou ’k ze graag geven, maar—”„Kersen,” zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit de achterhoede hooren, „kersen?Diemoet je bijmijniet zoeken. Mijn boom is een doe-niet, hij moet er uit, in ’t najaar, Burgemeester, maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen.”„Ja Burgemeester,” zei Trientje nu erg beverig, „ja, als ’k hem aanzie, dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water is.”—Greet en Klaartje waren onderwijl al om ’t huisjeheen geloopen en hadden de neven meegetrokken.„Er zit niets aan,” riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de bank was.„Hè,” zei Klaartje, „hoe saai!”Maar toen kwamen ze dichterbij en ja—daar schemerde wat roods!—Nog wat dichter er bij—vlak er bij.—„O, o,” juichten de meisjes en sprongen vroolijk in ’t rond, „er zijn wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond—neen, stellig wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár—en ginds—o, kom toch gauw kijken!”—Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de groote menschen!Om den ouden kerseboom.Om den ouden kerseboom.Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der meisjes.—Trientje schudde ’t hoofd en was sprakeloos van verwondering, maar Baas Hendrikkeek wat wantrouwend naar zijn „ouden doe-niet”, terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.„Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?” vroeg Moeder toen gauw, en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.„’t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste takken zitten,” zei Vader; „kijk ’s wat aardig, telkens bij trosjes van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik ’t nog nooit gezien!”Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo in den boom klimmen.Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek, bracht ook een weegschaal aan.„Ik moet ’s kijken of ik mijn gewicht wel krijg,” meesmuilde hij.„Wel heb ik van mijn leven,” lachte oude Trientje, die nu de toedracht begon te begrijpen, „die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd wat nieuws te verzinnen;”—en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de bank moest brengen om wat te bekomen.„Er zittendradenaan, zwarte draden,” riep Klaartje, die de eerste kersen gegrepen had, verbaasd uit.Greet keek naar de neven. „O, nu begrijp ik ’t al! Wat eenig bedacht,” juichte ze. „Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een slimmerds! Maar ’t geldt nietwaar, Baas Hendrik, ’t geldt toch! De afspraak was:als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd:er aan gegroeid zijn.”„Dat weet ik nog niet,” begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende, „ik moet ze eerst op de schaal hebben; ’t konden wel eens geen echte kersen wezen en—ik moet mijn gewicht ook hebben—tienpond, hebben we gezegd!”„Neen, neen, een half pond was ook al genoeg,” riepen de kinderen, „is ’t niet Trientje?”’t Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.„Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet, wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren ze er nog niet aan.”„Vanmorgen in de vroegte hebben ze ’t wis en zeker gedaan,” zei Hendrik; „ik dacht ook al, dat ’k zoo wat hoorde op ’t pad.”„De jongens waren wel erg vroeg op,” zei Greetje nadenkend, „Jans vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam.”Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste kersen plukken, die wat hoog zaten.—Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.Hendrik hield zich eerst nog, alsof ’t volstrekt tien pond zouden moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al tevreden zou zijn.’t Bleek, dat ’t er drie waren!Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?—„Een man, een man—een woord, een woord, Hendrik,” sprak Vader bij ’t afscheidnemen met krachtige stem,toen de oude man ’t alles maar op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.Dat ’t er drie waren.Dat ’t er drie waren.Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hijhadzijn woord gegeven, als je ’t zóó wou opvatten!—„Ja,” zoo kwam ’t er eindelijk langzaam uit, „ja, als de burgemeester dat meent, ja, dan moet ’t ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!”Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die „heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water” was.—En, als ’t nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen, dat de kerseboom er met den herfst uit moet?—Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet betert—je kunt ’t nooit weten—en anders—ik heb er zoo wat van hooren mompelen, dat Dirkvan plan is over te komen om zijn oudjes nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een handje zullen meehelpen!—

DE KERSEN.„Zoo’n doe-niet, zoo’n sta in den weg,” zei oude Baas Hendrik, terwijl hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. „Ja, ’t is nu voor ’t laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst moet je er uit. ’k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren, maar nooit kersen! Waarom heb ’k dán een kerseboom, als ik er nooit kersen van plukken kan?”Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden gymnastische toeren aande takken of zaten er schrijlings op bij het paardje spelen.—Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en probeerden ’t zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzienzonderden kerseboom.En schudde zijn verweerde vuist.En schudde zijn verweerde vuist.„Zeker erg raar,” dachten ze.„Neen, Hendrik moet hem laten staan,” zei Greet op beslisten toon als slotsom van haar overdenking.„Dat doet hij niet,” sprak nu Trientje droevig voor zich heen, „o neen, dat doet hij niet. Hendrik heeft ’t zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij er uit ook—och heden—de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als zoo’n kereltje!”— En ze wees met haar taankleurige, rimpelige handeen hoogte van een paar turven aan.„Dirk, die al zoo lang in Amerika is?” vroeg Greet.„Ja!”—Trientje zuchtte.—„Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik altijd aan Dirk, maar de baas—” ze wees op Hendrik—„de baas zegt: je mag geen menschen en planten vergelijken—maar, ik kan ’t toch niet laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En nu zal hij er uit moeten.”„Als we nu ’s met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven staan!” zoo stelde Klaar hoopvol voor.Trientje schudde ’t hoofd.„Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad en nu is ’t uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk, heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!”„Maar als er nu van ’t jaar toch nog ’s kersen aankwamen,” opperde Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; „er zitten toch bloesems aan! Kijk maar!”„Zoo’n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad,” sprak Trientje mistroostig. „Neen, ’t is wel waar zooals de baas ’t uitdrukt: ’t is eendoe-niet, maar—ik kan hem toch zoo slecht missen!”Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig ging hij naast zijn vrouw zitten.„Mag hij niet blijven staan?” vroeg Greet, terwijl ze naar den boom wees.„Toe—alsjeblieft,” zei Klaar smeekend.„Mag hij niet blijven staan?”„Mag hij niet blijven staan?”„Neen, neen,” sprak Hendrik plechtig, „hij is mij lang genoeg tot ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo’n doe-niet nog in zijn kwaad te stijven.”„Maar—als er nu van ’t jaar nog ’s tien pond lekkere kersen aankwamen,” zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.„Dán kan hij blijven,” klonk ’t op denzelfden plechtigen toon.De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.„En als er nu maar ’s twee pond aankwamen....?”„Of één—of—een half,” waagde Greetje te veronderstellen.Klaar hield haar adem in. Wat zou nu ’t antwoord wel wezen?Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: „Dán kan hij blijven.”Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch maar niet weg redeneeren.Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder ’t verhaaltje in geuren en kleuren te hooren.„Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?” vroeg Greet.„Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman,” lachte Moeder. „Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe ’t met de bloesems staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter, de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en—”„Dán zijn de kersen er!” riep Klaartje vroolijk uit. „Ik ga vast elken dag uit school kijken, hoor!”„Ik ook,” zei Greet.De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik’s bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling ondervonden. ’t Scheen heusch, dat hij ’t op prijs stelde en zijn best deed z’n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in te ruilen.Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen, zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes terneergeslagen thuis. ’t Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.„Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan,” jammerde Greetje; „zou dat wel een half pond wezen?”„Hendrik zei, dat hij ’t wel gedacht had, want dat deed die kerseboom altijd! Maar Moeder, ’t kwam toch door den storm; de kerseboom kon ’t niet helpen,” riep Klaartje onder tranen.Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er zouden een paar vroolijke neven komen—Vader was al naar den trein om hen te halen—wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar er straks nog zoo bedrukt uitzagen!—De neven kwamen. De neven hoorden ’t verhaal over den kerseboom aan en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen, beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren, zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog raad op wisten.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel vertrouwen in de knapheid der groote neven.„Als er maar een half pond aan komt,” zei Greetje, „dan mag hij blijven staan van ouden Hendrik.”Toen zij ’s middags uit school kwamen hollen, verlangend ’t oordeel der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten zij ook precies doen wat de neven zeiden.Dit beloofden Greet en Klaar grif.Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken, zei Neef Karel, want daar kon hij op ’t oogenblik niet goed tegen. De kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad, wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een heel ernstig gezicht.Nu, dit was natuurlijk maar een grapje—dat begreep Greet best; Klaartje was eerst nog in twijfel of ’t niet waar zou zijn;—maar, grapje of niet, dat deed er niet toe—de neven, die er verstand van hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan en dááraan zouden ze zich houden.„Hé—over veertien dagen”—Greet was aan ’t uitrekenen—„dan ben ik jarig! Wat leuk!”„Zijn jullie er dan nog?” vroeg Klaar.„Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen naar den kerseboom te zien.”Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een grap was, maar neen, ’t scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!Zoo triestig als de zusjes ’s ochtends waren geweest, toen de neven kwamen, zoo vroolijk waren ze bij ’t afscheid.Als je ’t niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren met hun vertrek.„Tot over veertien dagen,” riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze al bij ’t hek waren. En: „tot over veertien dagen,” riepen de neven terug. „Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan voor de kersen!”—Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te kruipen. ’t Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden, de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren er toch zóó benieuwd naar hoe ’t wel met den kerseboom zou wezen en nu mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden in ’t dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was ’t nu immers verboden toegang!Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen op tafel zagen staan, werd ’t nog moeilijker ’t vol te houden. Erwarendus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik’s boom ook al rood en zacht zouden geworden zijn?„Nog vier dagen geduld,” zei Moeder, die er medelijden mee kreeg, „dan gaan we met ons allen kijken hoe ’t met den kerseboom staat.”„Daarmee beginnen we den jaardag dan,” stelde Vader voor: „allen in optocht naar ouden Hendrik’s kerseboom!”En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste was aangebroken.Dadelijk, na ’t ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de jarige Greet, Klaartje en de neven. WatHendrik en Trientje voor oogen opzetten, toen ze ’t gezelschap regelrecht op hun huisje zagen aankomen!Trientje deed de deur al open.Een schaal vol rijpe kersen.Een schaal vol rijpe kersen.„Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek,” riep ze, ’t hoofd van verbazing schuddend.„Trientje, ik ben jarig!” zei Greet vroolijk; „ik ben vandaag jarig!”„En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit,” juichte Klaar.„Kersen? Och lieve tijd,” zei ’t oudje meewarig, „als ze er aan waren, zou ’k ze graag geven, maar—”„Kersen,” zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit de achterhoede hooren, „kersen?Diemoet je bijmijniet zoeken. Mijn boom is een doe-niet, hij moet er uit, in ’t najaar, Burgemeester, maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen.”„Ja Burgemeester,” zei Trientje nu erg beverig, „ja, als ’k hem aanzie, dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water is.”—Greet en Klaartje waren onderwijl al om ’t huisjeheen geloopen en hadden de neven meegetrokken.„Er zit niets aan,” riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de bank was.„Hè,” zei Klaartje, „hoe saai!”Maar toen kwamen ze dichterbij en ja—daar schemerde wat roods!—Nog wat dichter er bij—vlak er bij.—„O, o,” juichten de meisjes en sprongen vroolijk in ’t rond, „er zijn wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond—neen, stellig wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár—en ginds—o, kom toch gauw kijken!”—Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de groote menschen!Om den ouden kerseboom.Om den ouden kerseboom.Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der meisjes.—Trientje schudde ’t hoofd en was sprakeloos van verwondering, maar Baas Hendrikkeek wat wantrouwend naar zijn „ouden doe-niet”, terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.„Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?” vroeg Moeder toen gauw, en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.„’t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste takken zitten,” zei Vader; „kijk ’s wat aardig, telkens bij trosjes van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik ’t nog nooit gezien!”Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo in den boom klimmen.Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek, bracht ook een weegschaal aan.„Ik moet ’s kijken of ik mijn gewicht wel krijg,” meesmuilde hij.„Wel heb ik van mijn leven,” lachte oude Trientje, die nu de toedracht begon te begrijpen, „die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd wat nieuws te verzinnen;”—en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de bank moest brengen om wat te bekomen.„Er zittendradenaan, zwarte draden,” riep Klaartje, die de eerste kersen gegrepen had, verbaasd uit.Greet keek naar de neven. „O, nu begrijp ik ’t al! Wat eenig bedacht,” juichte ze. „Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een slimmerds! Maar ’t geldt nietwaar, Baas Hendrik, ’t geldt toch! De afspraak was:als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd:er aan gegroeid zijn.”„Dat weet ik nog niet,” begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende, „ik moet ze eerst op de schaal hebben; ’t konden wel eens geen echte kersen wezen en—ik moet mijn gewicht ook hebben—tienpond, hebben we gezegd!”„Neen, neen, een half pond was ook al genoeg,” riepen de kinderen, „is ’t niet Trientje?”’t Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.„Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet, wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren ze er nog niet aan.”„Vanmorgen in de vroegte hebben ze ’t wis en zeker gedaan,” zei Hendrik; „ik dacht ook al, dat ’k zoo wat hoorde op ’t pad.”„De jongens waren wel erg vroeg op,” zei Greetje nadenkend, „Jans vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam.”Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste kersen plukken, die wat hoog zaten.—Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.Hendrik hield zich eerst nog, alsof ’t volstrekt tien pond zouden moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al tevreden zou zijn.’t Bleek, dat ’t er drie waren!Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?—„Een man, een man—een woord, een woord, Hendrik,” sprak Vader bij ’t afscheidnemen met krachtige stem,toen de oude man ’t alles maar op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.Dat ’t er drie waren.Dat ’t er drie waren.Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hijhadzijn woord gegeven, als je ’t zóó wou opvatten!—„Ja,” zoo kwam ’t er eindelijk langzaam uit, „ja, als de burgemeester dat meent, ja, dan moet ’t ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!”Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die „heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water” was.—En, als ’t nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen, dat de kerseboom er met den herfst uit moet?—Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet betert—je kunt ’t nooit weten—en anders—ik heb er zoo wat van hooren mompelen, dat Dirkvan plan is over te komen om zijn oudjes nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een handje zullen meehelpen!—

DE KERSEN.

„Zoo’n doe-niet, zoo’n sta in den weg,” zei oude Baas Hendrik, terwijl hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. „Ja, ’t is nu voor ’t laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst moet je er uit. ’k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren, maar nooit kersen! Waarom heb ’k dán een kerseboom, als ik er nooit kersen van plukken kan?”Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden gymnastische toeren aande takken of zaten er schrijlings op bij het paardje spelen.—Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en probeerden ’t zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzienzonderden kerseboom.En schudde zijn verweerde vuist.En schudde zijn verweerde vuist.„Zeker erg raar,” dachten ze.„Neen, Hendrik moet hem laten staan,” zei Greet op beslisten toon als slotsom van haar overdenking.„Dat doet hij niet,” sprak nu Trientje droevig voor zich heen, „o neen, dat doet hij niet. Hendrik heeft ’t zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij er uit ook—och heden—de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als zoo’n kereltje!”— En ze wees met haar taankleurige, rimpelige handeen hoogte van een paar turven aan.„Dirk, die al zoo lang in Amerika is?” vroeg Greet.„Ja!”—Trientje zuchtte.—„Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik altijd aan Dirk, maar de baas—” ze wees op Hendrik—„de baas zegt: je mag geen menschen en planten vergelijken—maar, ik kan ’t toch niet laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En nu zal hij er uit moeten.”„Als we nu ’s met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven staan!” zoo stelde Klaar hoopvol voor.Trientje schudde ’t hoofd.„Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad en nu is ’t uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk, heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!”„Maar als er nu van ’t jaar toch nog ’s kersen aankwamen,” opperde Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; „er zitten toch bloesems aan! Kijk maar!”„Zoo’n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad,” sprak Trientje mistroostig. „Neen, ’t is wel waar zooals de baas ’t uitdrukt: ’t is eendoe-niet, maar—ik kan hem toch zoo slecht missen!”Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig ging hij naast zijn vrouw zitten.„Mag hij niet blijven staan?” vroeg Greet, terwijl ze naar den boom wees.„Toe—alsjeblieft,” zei Klaar smeekend.„Mag hij niet blijven staan?”„Mag hij niet blijven staan?”„Neen, neen,” sprak Hendrik plechtig, „hij is mij lang genoeg tot ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo’n doe-niet nog in zijn kwaad te stijven.”„Maar—als er nu van ’t jaar nog ’s tien pond lekkere kersen aankwamen,” zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.„Dán kan hij blijven,” klonk ’t op denzelfden plechtigen toon.De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.„En als er nu maar ’s twee pond aankwamen....?”„Of één—of—een half,” waagde Greetje te veronderstellen.Klaar hield haar adem in. Wat zou nu ’t antwoord wel wezen?Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: „Dán kan hij blijven.”Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch maar niet weg redeneeren.Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder ’t verhaaltje in geuren en kleuren te hooren.„Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?” vroeg Greet.„Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman,” lachte Moeder. „Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe ’t met de bloesems staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter, de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en—”„Dán zijn de kersen er!” riep Klaartje vroolijk uit. „Ik ga vast elken dag uit school kijken, hoor!”„Ik ook,” zei Greet.De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik’s bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling ondervonden. ’t Scheen heusch, dat hij ’t op prijs stelde en zijn best deed z’n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in te ruilen.Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen, zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes terneergeslagen thuis. ’t Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.„Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan,” jammerde Greetje; „zou dat wel een half pond wezen?”„Hendrik zei, dat hij ’t wel gedacht had, want dat deed die kerseboom altijd! Maar Moeder, ’t kwam toch door den storm; de kerseboom kon ’t niet helpen,” riep Klaartje onder tranen.Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er zouden een paar vroolijke neven komen—Vader was al naar den trein om hen te halen—wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar er straks nog zoo bedrukt uitzagen!—De neven kwamen. De neven hoorden ’t verhaal over den kerseboom aan en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen, beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren, zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog raad op wisten.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel vertrouwen in de knapheid der groote neven.„Als er maar een half pond aan komt,” zei Greetje, „dan mag hij blijven staan van ouden Hendrik.”Toen zij ’s middags uit school kwamen hollen, verlangend ’t oordeel der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten zij ook precies doen wat de neven zeiden.Dit beloofden Greet en Klaar grif.Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken, zei Neef Karel, want daar kon hij op ’t oogenblik niet goed tegen. De kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad, wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een heel ernstig gezicht.Nu, dit was natuurlijk maar een grapje—dat begreep Greet best; Klaartje was eerst nog in twijfel of ’t niet waar zou zijn;—maar, grapje of niet, dat deed er niet toe—de neven, die er verstand van hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan en dááraan zouden ze zich houden.„Hé—over veertien dagen”—Greet was aan ’t uitrekenen—„dan ben ik jarig! Wat leuk!”„Zijn jullie er dan nog?” vroeg Klaar.„Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen naar den kerseboom te zien.”Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een grap was, maar neen, ’t scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!Zoo triestig als de zusjes ’s ochtends waren geweest, toen de neven kwamen, zoo vroolijk waren ze bij ’t afscheid.Als je ’t niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren met hun vertrek.„Tot over veertien dagen,” riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze al bij ’t hek waren. En: „tot over veertien dagen,” riepen de neven terug. „Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan voor de kersen!”—Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te kruipen. ’t Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden, de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren er toch zóó benieuwd naar hoe ’t wel met den kerseboom zou wezen en nu mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden in ’t dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was ’t nu immers verboden toegang!Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen op tafel zagen staan, werd ’t nog moeilijker ’t vol te houden. Erwarendus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik’s boom ook al rood en zacht zouden geworden zijn?„Nog vier dagen geduld,” zei Moeder, die er medelijden mee kreeg, „dan gaan we met ons allen kijken hoe ’t met den kerseboom staat.”„Daarmee beginnen we den jaardag dan,” stelde Vader voor: „allen in optocht naar ouden Hendrik’s kerseboom!”En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste was aangebroken.Dadelijk, na ’t ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de jarige Greet, Klaartje en de neven. WatHendrik en Trientje voor oogen opzetten, toen ze ’t gezelschap regelrecht op hun huisje zagen aankomen!Trientje deed de deur al open.Een schaal vol rijpe kersen.Een schaal vol rijpe kersen.„Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek,” riep ze, ’t hoofd van verbazing schuddend.„Trientje, ik ben jarig!” zei Greet vroolijk; „ik ben vandaag jarig!”„En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit,” juichte Klaar.„Kersen? Och lieve tijd,” zei ’t oudje meewarig, „als ze er aan waren, zou ’k ze graag geven, maar—”„Kersen,” zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit de achterhoede hooren, „kersen?Diemoet je bijmijniet zoeken. Mijn boom is een doe-niet, hij moet er uit, in ’t najaar, Burgemeester, maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen.”„Ja Burgemeester,” zei Trientje nu erg beverig, „ja, als ’k hem aanzie, dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water is.”—Greet en Klaartje waren onderwijl al om ’t huisjeheen geloopen en hadden de neven meegetrokken.„Er zit niets aan,” riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de bank was.„Hè,” zei Klaartje, „hoe saai!”Maar toen kwamen ze dichterbij en ja—daar schemerde wat roods!—Nog wat dichter er bij—vlak er bij.—„O, o,” juichten de meisjes en sprongen vroolijk in ’t rond, „er zijn wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond—neen, stellig wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár—en ginds—o, kom toch gauw kijken!”—Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de groote menschen!Om den ouden kerseboom.Om den ouden kerseboom.Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der meisjes.—Trientje schudde ’t hoofd en was sprakeloos van verwondering, maar Baas Hendrikkeek wat wantrouwend naar zijn „ouden doe-niet”, terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.„Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?” vroeg Moeder toen gauw, en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.„’t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste takken zitten,” zei Vader; „kijk ’s wat aardig, telkens bij trosjes van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik ’t nog nooit gezien!”Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo in den boom klimmen.Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek, bracht ook een weegschaal aan.„Ik moet ’s kijken of ik mijn gewicht wel krijg,” meesmuilde hij.„Wel heb ik van mijn leven,” lachte oude Trientje, die nu de toedracht begon te begrijpen, „die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd wat nieuws te verzinnen;”—en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de bank moest brengen om wat te bekomen.„Er zittendradenaan, zwarte draden,” riep Klaartje, die de eerste kersen gegrepen had, verbaasd uit.Greet keek naar de neven. „O, nu begrijp ik ’t al! Wat eenig bedacht,” juichte ze. „Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een slimmerds! Maar ’t geldt nietwaar, Baas Hendrik, ’t geldt toch! De afspraak was:als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd:er aan gegroeid zijn.”„Dat weet ik nog niet,” begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende, „ik moet ze eerst op de schaal hebben; ’t konden wel eens geen echte kersen wezen en—ik moet mijn gewicht ook hebben—tienpond, hebben we gezegd!”„Neen, neen, een half pond was ook al genoeg,” riepen de kinderen, „is ’t niet Trientje?”’t Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.„Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet, wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren ze er nog niet aan.”„Vanmorgen in de vroegte hebben ze ’t wis en zeker gedaan,” zei Hendrik; „ik dacht ook al, dat ’k zoo wat hoorde op ’t pad.”„De jongens waren wel erg vroeg op,” zei Greetje nadenkend, „Jans vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam.”Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste kersen plukken, die wat hoog zaten.—Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.Hendrik hield zich eerst nog, alsof ’t volstrekt tien pond zouden moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al tevreden zou zijn.’t Bleek, dat ’t er drie waren!Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?—„Een man, een man—een woord, een woord, Hendrik,” sprak Vader bij ’t afscheidnemen met krachtige stem,toen de oude man ’t alles maar op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.Dat ’t er drie waren.Dat ’t er drie waren.Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hijhadzijn woord gegeven, als je ’t zóó wou opvatten!—„Ja,” zoo kwam ’t er eindelijk langzaam uit, „ja, als de burgemeester dat meent, ja, dan moet ’t ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!”Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die „heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water” was.—En, als ’t nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen, dat de kerseboom er met den herfst uit moet?—Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet betert—je kunt ’t nooit weten—en anders—ik heb er zoo wat van hooren mompelen, dat Dirkvan plan is over te komen om zijn oudjes nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een handje zullen meehelpen!—

„Zoo’n doe-niet, zoo’n sta in den weg,” zei oude Baas Hendrik, terwijl hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. „Ja, ’t is nu voor ’t laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst moet je er uit. ’k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren, maar nooit kersen! Waarom heb ’k dán een kerseboom, als ik er nooit kersen van plukken kan?”

Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.

Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden gymnastische toeren aande takken of zaten er schrijlings op bij het paardje spelen.—Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en probeerden ’t zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzienzonderden kerseboom.

En schudde zijn verweerde vuist.En schudde zijn verweerde vuist.

En schudde zijn verweerde vuist.

„Zeker erg raar,” dachten ze.

„Neen, Hendrik moet hem laten staan,” zei Greet op beslisten toon als slotsom van haar overdenking.

„Dat doet hij niet,” sprak nu Trientje droevig voor zich heen, „o neen, dat doet hij niet. Hendrik heeft ’t zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij er uit ook—och heden—de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als zoo’n kereltje!”— En ze wees met haar taankleurige, rimpelige handeen hoogte van een paar turven aan.

„Dirk, die al zoo lang in Amerika is?” vroeg Greet.

„Ja!”—Trientje zuchtte.—„Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik altijd aan Dirk, maar de baas—” ze wees op Hendrik—„de baas zegt: je mag geen menschen en planten vergelijken—maar, ik kan ’t toch niet laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En nu zal hij er uit moeten.”

„Als we nu ’s met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven staan!” zoo stelde Klaar hoopvol voor.

Trientje schudde ’t hoofd.

„Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad en nu is ’t uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk, heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!”

„Maar als er nu van ’t jaar toch nog ’s kersen aankwamen,” opperde Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; „er zitten toch bloesems aan! Kijk maar!”

„Zoo’n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad,” sprak Trientje mistroostig. „Neen, ’t is wel waar zooals de baas ’t uitdrukt: ’t is eendoe-niet, maar—ik kan hem toch zoo slecht missen!”

Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig ging hij naast zijn vrouw zitten.

„Mag hij niet blijven staan?” vroeg Greet, terwijl ze naar den boom wees.

„Toe—alsjeblieft,” zei Klaar smeekend.

„Mag hij niet blijven staan?”„Mag hij niet blijven staan?”

„Mag hij niet blijven staan?”

„Neen, neen,” sprak Hendrik plechtig, „hij is mij lang genoeg tot ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo’n doe-niet nog in zijn kwaad te stijven.”

„Maar—als er nu van ’t jaar nog ’s tien pond lekkere kersen aankwamen,” zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.

„Dán kan hij blijven,” klonk ’t op denzelfden plechtigen toon.

De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.

„En als er nu maar ’s twee pond aankwamen....?”

„Of één—of—een half,” waagde Greetje te veronderstellen.

Klaar hield haar adem in. Wat zou nu ’t antwoord wel wezen?

Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: „Dán kan hij blijven.”

Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch maar niet weg redeneeren.

Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder ’t verhaaltje in geuren en kleuren te hooren.

„Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?” vroeg Greet.

„Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman,” lachte Moeder. „Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe ’t met de bloesems staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter, de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en—”

„Dán zijn de kersen er!” riep Klaartje vroolijk uit. „Ik ga vast elken dag uit school kijken, hoor!”

„Ik ook,” zei Greet.

De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik’s bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling ondervonden. ’t Scheen heusch, dat hij ’t op prijs stelde en zijn best deed z’n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in te ruilen.

Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen, zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.

Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes terneergeslagen thuis. ’t Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.

„Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan,” jammerde Greetje; „zou dat wel een half pond wezen?”

„Hendrik zei, dat hij ’t wel gedacht had, want dat deed die kerseboom altijd! Maar Moeder, ’t kwam toch door den storm; de kerseboom kon ’t niet helpen,” riep Klaartje onder tranen.

Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er zouden een paar vroolijke neven komen—Vader was al naar den trein om hen te halen—wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar er straks nog zoo bedrukt uitzagen!—

De neven kwamen. De neven hoorden ’t verhaal over den kerseboom aan en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen, beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren, zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog raad op wisten.

Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.

Hoorden ’t verhaal over den kerseboom.

In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel vertrouwen in de knapheid der groote neven.

„Als er maar een half pond aan komt,” zei Greetje, „dan mag hij blijven staan van ouden Hendrik.”

Toen zij ’s middags uit school kwamen hollen, verlangend ’t oordeel der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten zij ook precies doen wat de neven zeiden.

Dit beloofden Greet en Klaar grif.

Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken, zei Neef Karel, want daar kon hij op ’t oogenblik niet goed tegen. De kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad, wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een heel ernstig gezicht.

Nu, dit was natuurlijk maar een grapje—dat begreep Greet best; Klaartje was eerst nog in twijfel of ’t niet waar zou zijn;—maar, grapje of niet, dat deed er niet toe—de neven, die er verstand van hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan en dááraan zouden ze zich houden.

„Hé—over veertien dagen”—Greet was aan ’t uitrekenen—„dan ben ik jarig! Wat leuk!”

„Zijn jullie er dan nog?” vroeg Klaar.

„Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen naar den kerseboom te zien.”

Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een grap was, maar neen, ’t scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.

Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!

Zoo triestig als de zusjes ’s ochtends waren geweest, toen de neven kwamen, zoo vroolijk waren ze bij ’t afscheid.

Als je ’t niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren met hun vertrek.

„Tot over veertien dagen,” riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze al bij ’t hek waren. En: „tot over veertien dagen,” riepen de neven terug. „Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan voor de kersen!”—

Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te kruipen. ’t Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden, de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren er toch zóó benieuwd naar hoe ’t wel met den kerseboom zou wezen en nu mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden in ’t dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was ’t nu immers verboden toegang!

Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen op tafel zagen staan, werd ’t nog moeilijker ’t vol te houden. Erwarendus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik’s boom ook al rood en zacht zouden geworden zijn?

„Nog vier dagen geduld,” zei Moeder, die er medelijden mee kreeg, „dan gaan we met ons allen kijken hoe ’t met den kerseboom staat.”

„Daarmee beginnen we den jaardag dan,” stelde Vader voor: „allen in optocht naar ouden Hendrik’s kerseboom!”

En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste was aangebroken.

Dadelijk, na ’t ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de jarige Greet, Klaartje en de neven. WatHendrik en Trientje voor oogen opzetten, toen ze ’t gezelschap regelrecht op hun huisje zagen aankomen!

Trientje deed de deur al open.

Een schaal vol rijpe kersen.Een schaal vol rijpe kersen.

Een schaal vol rijpe kersen.

„Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek,” riep ze, ’t hoofd van verbazing schuddend.

„Trientje, ik ben jarig!” zei Greet vroolijk; „ik ben vandaag jarig!”

„En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit,” juichte Klaar.

„Kersen? Och lieve tijd,” zei ’t oudje meewarig, „als ze er aan waren, zou ’k ze graag geven, maar—”

„Kersen,” zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit de achterhoede hooren, „kersen?Diemoet je bijmijniet zoeken. Mijn boom is een doe-niet, hij moet er uit, in ’t najaar, Burgemeester, maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen.”

„Ja Burgemeester,” zei Trientje nu erg beverig, „ja, als ’k hem aanzie, dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water is.”—

Greet en Klaartje waren onderwijl al om ’t huisjeheen geloopen en hadden de neven meegetrokken.

„Er zit niets aan,” riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de bank was.

„Hè,” zei Klaartje, „hoe saai!”

Maar toen kwamen ze dichterbij en ja—daar schemerde wat roods!—Nog wat dichter er bij—vlak er bij.—

„O, o,” juichten de meisjes en sprongen vroolijk in ’t rond, „er zijn wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond—neen, stellig wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár—en ginds—o, kom toch gauw kijken!”—

Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de groote menschen!

Om den ouden kerseboom.Om den ouden kerseboom.

Om den ouden kerseboom.

Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der meisjes.—Trientje schudde ’t hoofd en was sprakeloos van verwondering, maar Baas Hendrikkeek wat wantrouwend naar zijn „ouden doe-niet”, terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.

„Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?” vroeg Moeder toen gauw, en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.

„’t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste takken zitten,” zei Vader; „kijk ’s wat aardig, telkens bij trosjes van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik ’t nog nooit gezien!”

Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo in den boom klimmen.

Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek, bracht ook een weegschaal aan.

„Ik moet ’s kijken of ik mijn gewicht wel krijg,” meesmuilde hij.

„Wel heb ik van mijn leven,” lachte oude Trientje, die nu de toedracht begon te begrijpen, „die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd wat nieuws te verzinnen;”—en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de bank moest brengen om wat te bekomen.

„Er zittendradenaan, zwarte draden,” riep Klaartje, die de eerste kersen gegrepen had, verbaasd uit.

Greet keek naar de neven. „O, nu begrijp ik ’t al! Wat eenig bedacht,” juichte ze. „Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een slimmerds! Maar ’t geldt nietwaar, Baas Hendrik, ’t geldt toch! De afspraak was:als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd:er aan gegroeid zijn.”

„Dat weet ik nog niet,” begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende, „ik moet ze eerst op de schaal hebben; ’t konden wel eens geen echte kersen wezen en—ik moet mijn gewicht ook hebben—tienpond, hebben we gezegd!”

„Neen, neen, een half pond was ook al genoeg,” riepen de kinderen, „is ’t niet Trientje?”

’t Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.

„Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet, wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren ze er nog niet aan.”

„Vanmorgen in de vroegte hebben ze ’t wis en zeker gedaan,” zei Hendrik; „ik dacht ook al, dat ’k zoo wat hoorde op ’t pad.”

„De jongens waren wel erg vroeg op,” zei Greetje nadenkend, „Jans vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam.”

Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste kersen plukken, die wat hoog zaten.—

Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.

Hendrik hield zich eerst nog, alsof ’t volstrekt tien pond zouden moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al tevreden zou zijn.

’t Bleek, dat ’t er drie waren!

Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?—

„Een man, een man—een woord, een woord, Hendrik,” sprak Vader bij ’t afscheidnemen met krachtige stem,toen de oude man ’t alles maar op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.

Dat ’t er drie waren.Dat ’t er drie waren.

Dat ’t er drie waren.

Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hijhadzijn woord gegeven, als je ’t zóó wou opvatten!—

„Ja,” zoo kwam ’t er eindelijk langzaam uit, „ja, als de burgemeester dat meent, ja, dan moet ’t ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!”

Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die „heelemaal aan den anderen kant van ’t groote water” was.—

En, als ’t nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen, dat de kerseboom er met den herfst uit moet?—

Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet betert—je kunt ’t nooit weten—en anders—ik heb er zoo wat van hooren mompelen, dat Dirkvan plan is over te komen om zijn oudjes nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.

Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een handje zullen meehelpen!—


Back to IndexNext