GEEN BANGERD.

GEEN BANGERD.In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar ’t was niet gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor, nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van ’t weer hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En ’t bleek, dat die oudjes ’t bij ’t rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en ’t werd nog een ouderwetsch nawintertje.De scholen gaven ’s middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt hun schâ inhalen.Even buiten ’t dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd; al te druk, zeiden sommige jongens,die zelf goed konden rijden en dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.Maar op de Vaart was ’t heel wat gevaarlijker. Wim’s Moeder was er niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze aan Wim’s aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat ’t ijs niet vertrouwbaar was.Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim aan kon.Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de riempjes bengelend, om zijn hals.„We hebben al op je gewacht,” zei Hein van den dokter, toen hij bij de baan kwam. „’t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere jongens gaan ook!”Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af te maken. „Och, waarom—nu is ’t hier toch niet zoo vol.”En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: „Maar ’t ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?”Hein begon te lachen: „Och, schei toch uit met die flauwe praatjes! Kees is ’t daarnet gaan probeeren! Nou, als ’t Kees kan houden!”—Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. „’t IJs niet sterk?—Net zoo sterk is ’t als dit hier—wat ik je zeg!”„Ik ga toch liever niet mee,” zei Wim; „ik heb Moeder beloofd, dat ik ’t niet zou doen.”„Uitvluchten!” riep Piet. „Je bent bang, anders niets, flauwerd!”En de anderen begonnen nu ook te roepen van „bangerd,” „flauwerd”.—Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien, vond hij dus vreeselijk.Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt om te zeggen: „ik zal je toonen, dat ik’t best durf, net zoo goed als jullie, ’k ga mee.”—Maar toen op eens dacht hij aan Moeder; hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.’t Was een saaie middag voor Wim.’t Was een saaie middag voor Wim.„Neen,” zei hij flink; „ik doe ’t tóch niet. Noem me maar bang, als je wilt;—ik blijf hier.”’t Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van spijt over zijn opoffering. Dan kostte ’t hem de grootste moeite niet één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de anderejongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar ’t ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: „Maar als Moederwist,dat ’t toch sterk genoeg was, zou ze ’t misschien wel goed vinden.”„Neen,” klonk ’t stemmetje van binnen, „je hebt Moederbeloofdniet te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je je houden—niet ’t voor jezelf goed zien te praten.”Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij ’t daar, op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze ’t over hem hadden, triomfantelijk, omdat ’t ijs toch sterk genoeg was geweest, hem uitlachten en voor bang uitmaakten.—Dat hinderde hem geducht.—In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen, aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal uit den weg. Nu was hij bezig ’t kleine zusje van Hein, dat er aan ’t sleden was, te plagen; hij dreigde haar ’t sleet je te zullen afnemen.Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk, met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren af aan te beginnen, als ’t noodig mocht zijn, was ’t eerste, wat hij hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had, dat Wimgeenbangerd was.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Hein nam hem mee naar binnen, om ’t bloed van zijn gezicht te wasschen, en boven, bij ’t fonteintje, zei hij ’t hem ook eerlijk.En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.

GEEN BANGERD.In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar ’t was niet gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor, nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van ’t weer hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En ’t bleek, dat die oudjes ’t bij ’t rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en ’t werd nog een ouderwetsch nawintertje.De scholen gaven ’s middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt hun schâ inhalen.Even buiten ’t dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd; al te druk, zeiden sommige jongens,die zelf goed konden rijden en dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.Maar op de Vaart was ’t heel wat gevaarlijker. Wim’s Moeder was er niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze aan Wim’s aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat ’t ijs niet vertrouwbaar was.Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim aan kon.Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de riempjes bengelend, om zijn hals.„We hebben al op je gewacht,” zei Hein van den dokter, toen hij bij de baan kwam. „’t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere jongens gaan ook!”Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af te maken. „Och, waarom—nu is ’t hier toch niet zoo vol.”En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: „Maar ’t ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?”Hein begon te lachen: „Och, schei toch uit met die flauwe praatjes! Kees is ’t daarnet gaan probeeren! Nou, als ’t Kees kan houden!”—Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. „’t IJs niet sterk?—Net zoo sterk is ’t als dit hier—wat ik je zeg!”„Ik ga toch liever niet mee,” zei Wim; „ik heb Moeder beloofd, dat ik ’t niet zou doen.”„Uitvluchten!” riep Piet. „Je bent bang, anders niets, flauwerd!”En de anderen begonnen nu ook te roepen van „bangerd,” „flauwerd”.—Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien, vond hij dus vreeselijk.Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt om te zeggen: „ik zal je toonen, dat ik’t best durf, net zoo goed als jullie, ’k ga mee.”—Maar toen op eens dacht hij aan Moeder; hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.’t Was een saaie middag voor Wim.’t Was een saaie middag voor Wim.„Neen,” zei hij flink; „ik doe ’t tóch niet. Noem me maar bang, als je wilt;—ik blijf hier.”’t Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van spijt over zijn opoffering. Dan kostte ’t hem de grootste moeite niet één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de anderejongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar ’t ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: „Maar als Moederwist,dat ’t toch sterk genoeg was, zou ze ’t misschien wel goed vinden.”„Neen,” klonk ’t stemmetje van binnen, „je hebt Moederbeloofdniet te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je je houden—niet ’t voor jezelf goed zien te praten.”Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij ’t daar, op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze ’t over hem hadden, triomfantelijk, omdat ’t ijs toch sterk genoeg was geweest, hem uitlachten en voor bang uitmaakten.—Dat hinderde hem geducht.—In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen, aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal uit den weg. Nu was hij bezig ’t kleine zusje van Hein, dat er aan ’t sleden was, te plagen; hij dreigde haar ’t sleet je te zullen afnemen.Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk, met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren af aan te beginnen, als ’t noodig mocht zijn, was ’t eerste, wat hij hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had, dat Wimgeenbangerd was.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Hein nam hem mee naar binnen, om ’t bloed van zijn gezicht te wasschen, en boven, bij ’t fonteintje, zei hij ’t hem ook eerlijk.En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.

GEEN BANGERD.

In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar ’t was niet gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor, nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van ’t weer hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En ’t bleek, dat die oudjes ’t bij ’t rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en ’t werd nog een ouderwetsch nawintertje.De scholen gaven ’s middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt hun schâ inhalen.Even buiten ’t dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd; al te druk, zeiden sommige jongens,die zelf goed konden rijden en dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.Maar op de Vaart was ’t heel wat gevaarlijker. Wim’s Moeder was er niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze aan Wim’s aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat ’t ijs niet vertrouwbaar was.Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim aan kon.Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de riempjes bengelend, om zijn hals.„We hebben al op je gewacht,” zei Hein van den dokter, toen hij bij de baan kwam. „’t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere jongens gaan ook!”Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af te maken. „Och, waarom—nu is ’t hier toch niet zoo vol.”En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: „Maar ’t ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?”Hein begon te lachen: „Och, schei toch uit met die flauwe praatjes! Kees is ’t daarnet gaan probeeren! Nou, als ’t Kees kan houden!”—Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. „’t IJs niet sterk?—Net zoo sterk is ’t als dit hier—wat ik je zeg!”„Ik ga toch liever niet mee,” zei Wim; „ik heb Moeder beloofd, dat ik ’t niet zou doen.”„Uitvluchten!” riep Piet. „Je bent bang, anders niets, flauwerd!”En de anderen begonnen nu ook te roepen van „bangerd,” „flauwerd”.—Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien, vond hij dus vreeselijk.Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt om te zeggen: „ik zal je toonen, dat ik’t best durf, net zoo goed als jullie, ’k ga mee.”—Maar toen op eens dacht hij aan Moeder; hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.’t Was een saaie middag voor Wim.’t Was een saaie middag voor Wim.„Neen,” zei hij flink; „ik doe ’t tóch niet. Noem me maar bang, als je wilt;—ik blijf hier.”’t Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van spijt over zijn opoffering. Dan kostte ’t hem de grootste moeite niet één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de anderejongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar ’t ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: „Maar als Moederwist,dat ’t toch sterk genoeg was, zou ze ’t misschien wel goed vinden.”„Neen,” klonk ’t stemmetje van binnen, „je hebt Moederbeloofdniet te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je je houden—niet ’t voor jezelf goed zien te praten.”Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij ’t daar, op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze ’t over hem hadden, triomfantelijk, omdat ’t ijs toch sterk genoeg was geweest, hem uitlachten en voor bang uitmaakten.—Dat hinderde hem geducht.—In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen, aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal uit den weg. Nu was hij bezig ’t kleine zusje van Hein, dat er aan ’t sleden was, te plagen; hij dreigde haar ’t sleet je te zullen afnemen.Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk, met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren af aan te beginnen, als ’t noodig mocht zijn, was ’t eerste, wat hij hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had, dat Wimgeenbangerd was.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Hein nam hem mee naar binnen, om ’t bloed van zijn gezicht te wasschen, en boven, bij ’t fonteintje, zei hij ’t hem ook eerlijk.En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.

In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar ’t was niet gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor, nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van ’t weer hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En ’t bleek, dat die oudjes ’t bij ’t rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en ’t werd nog een ouderwetsch nawintertje.

De scholen gaven ’s middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt hun schâ inhalen.

Even buiten ’t dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd; al te druk, zeiden sommige jongens,die zelf goed konden rijden en dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.

Maar op de Vaart was ’t heel wat gevaarlijker. Wim’s Moeder was er niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze aan Wim’s aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat ’t ijs niet vertrouwbaar was.

Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim aan kon.

Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de riempjes bengelend, om zijn hals.

„We hebben al op je gewacht,” zei Hein van den dokter, toen hij bij de baan kwam. „’t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere jongens gaan ook!”

Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af te maken. „Och, waarom—nu is ’t hier toch niet zoo vol.”

En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: „Maar ’t ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?”

Hein begon te lachen: „Och, schei toch uit met die flauwe praatjes! Kees is ’t daarnet gaan probeeren! Nou, als ’t Kees kan houden!”—

Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. „’t IJs niet sterk?—Net zoo sterk is ’t als dit hier—wat ik je zeg!”

„Ik ga toch liever niet mee,” zei Wim; „ik heb Moeder beloofd, dat ik ’t niet zou doen.”

„Uitvluchten!” riep Piet. „Je bent bang, anders niets, flauwerd!”

En de anderen begonnen nu ook te roepen van „bangerd,” „flauwerd”.—

Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien, vond hij dus vreeselijk.

Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”

Begonnen nu ook te roepen „flauwerd!”

Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt om te zeggen: „ik zal je toonen, dat ik’t best durf, net zoo goed als jullie, ’k ga mee.”—Maar toen op eens dacht hij aan Moeder; hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.

’t Was een saaie middag voor Wim.’t Was een saaie middag voor Wim.

’t Was een saaie middag voor Wim.

„Neen,” zei hij flink; „ik doe ’t tóch niet. Noem me maar bang, als je wilt;—ik blijf hier.”

’t Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van spijt over zijn opoffering. Dan kostte ’t hem de grootste moeite niet één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de anderejongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar ’t ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: „Maar als Moederwist,dat ’t toch sterk genoeg was, zou ze ’t misschien wel goed vinden.”

„Neen,” klonk ’t stemmetje van binnen, „je hebt Moederbeloofdniet te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je je houden—niet ’t voor jezelf goed zien te praten.”

Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij ’t daar, op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.

Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze ’t over hem hadden, triomfantelijk, omdat ’t ijs toch sterk genoeg was geweest, hem uitlachten en voor bang uitmaakten.—Dat hinderde hem geducht.—

In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen, aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal uit den weg. Nu was hij bezig ’t kleine zusje van Hein, dat er aan ’t sleden was, te plagen; hij dreigde haar ’t sleet je te zullen afnemen.

Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.

Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.

Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk, met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren af aan te beginnen, als ’t noodig mocht zijn, was ’t eerste, wat hij hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had, dat Wimgeenbangerd was.

Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.

Vloog hij op den veel grooteren jongen aan.

Hein nam hem mee naar binnen, om ’t bloed van zijn gezicht te wasschen, en boven, bij ’t fonteintje, zei hij ’t hem ook eerlijk.

En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.


Back to IndexNext