TAFELS KIJKEN.

TAFELS KIJKEN.Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek, schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te komen in één lichtschemering.Jo’s voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. ’t Sloeg al half en om kwart voor vijf moest hij op ’t Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo Jaspers bepaald zeggen, dat ’t kwam doordat hij zoo’n moederskindje was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat, maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat harder rennen.Natuurlijk had Ma ’t goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken; dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker niet zou mogen als hij ’t eerst ging vragen.Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes, die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij wilde, had Ma gezegd. ’t Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven, dat stond als een paal boven water, en ’t andere zou ook zijn weg wel vinden met ’t dubbeltje, dat Jo nog vanzijn eigen geld had. Met vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de tafels, zonder in mooie surprises te vervallen.Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon ’t niet laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast hij ook had om op ’t Plein te komen. En dan drong hij zich weer met de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige verwensching op om zijn wildheid.Met een „hallo” werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een boodschap gaan doen.„Mocht je van je Moesje?” vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige kinderstem nabootsend.„Natuurlijk,” zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem bijna ’t evenwicht deed verliezen. „Zeur nou niet!”„Jaspers, houd je laffe grappen voor je,” riepen de anderen, die Jo, den kapitein van hun clubje, niet door zoo’n vervelendheid van Jaspers, ’t minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden zien. Wat deed ’t er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets durft en niets kan, was Jo tochheelemaal niet, hoor! Jaspers mocht willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden!Met een „hallo” werd Jo begroet.Met een „hallo” werd Jo begroet.Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in, waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit kon komen, zoo verbazend vol was ’t er.De jongens vonden ’t leuk. Telkens stonden ze stil voor de uitstallingen.„Ga jij veel koopen?” vroeg Wim Vaasen aan Jo. „Heb je veel bij je? Ik drie dubbeltjes!”„Ik acht-en-dertig cent, zeg,” riep Rudolf Roose.„En ik een kwartje! Hoeveel jij?”„Zestig cent,” zei Jo, en toen met iets van trots: „Ik heb twee kwartjes van Ma gekregen daareven; ’k mag er net mee doen wat ik wil!”„Nou zeg!” klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in, dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en ’t dus dáárom niet was, dat hij ’t Ma vooruit moest vragen, als hij met de jongens uit wilde!Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels gingen kijken. In ’t bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes, lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij ’t uitzoeken, maar ’t eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen, waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden was;—daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenenin de groote kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een paar rijtuigen te wachten; ’t gerinkel van de paardebelletjes klonk vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige, kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord—zij waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school, die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken.„Stribbel maar niet tegen!” riep Koo Jaspers. „Mee zul je en mee moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet ons trakteeren!”„Ja, mannetje, daar kom je niet af,” zei Jaap, terwijl hij Paul steviger beet pakte. „Weet je wel, dat ’t een groote eer voor je is, dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een woordje mee!”„In naam der club, je bent onze gevangene,” zei Jo zoo barsch mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok, en toen zachtjes: „Kom, jô,ga nou maar even mee, des te eerder laten ze je met rust—wat is dat nou—effentjes!”„Och maar, maar....” stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid en van koude—„ik, ik kan niet en—en—’k heb geen geld ook!”„Dat zijn jokkens,” gilde Frans. „Je hebt geld in je zak—je hebt me daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!”Paul trachtte nog iets in ’t midden te brengen, maar er hielp niets aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo’n spektakel, dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen, meer haastig gebakerd, bromden over zoo’n opstootje in de toch al zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had, dat ’t verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo’n schriele, die zich altijd maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo’n stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo, die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen zich ingenomen. Jo vond ’t maar wat gezond, dat Paultje nu eens op zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar ’t hoefde niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo’ssterke knuisten was opgewassen en liep gedwee mee.„Naar Schoenmakers, jongens!” riep Jo op ’t drukke kruispunt, waar ze de Markt moesten oversteken. „Daar houden we groote smulpartij en Paul speelt voor Sint-Nicolaas!”Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.„Och Jo,” kwam er toen half huilend uit, „laat me nou toch even hier binnen gaan—een boodschap voor Moe!”Jo keek Paul scherp aan bij ’t licht, dat uit de apotheek straalde. Was dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren te ontkomen?„Denk je, dat ’k dat geloof?”„Gerust, Jo, ’t is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!”„Is ze dan ziek?” vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op ’t papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven.„Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter; maar Moe doet ’t niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat ’t zoo’n vreeselijk duur middel is—een gulden voor maar zoo’n klein fleschje! Maar ik ga ’t toch halen voor Moe. ’k Heb daarnet stilletjes ’t recept uit ’t sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf—laatst toen ’k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En nu krijgt Moe ’t toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan ’t niet langer!” zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo’s gezicht, zich liet gaan, zooals hij ’t nog nooit had gedurfd tegenover een van de jongens.„Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, endieis voor Moe, dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood,” barstte Paul los met ongewone heftigheid.Jo voelde zich bij Paul’s woorden als een struikroover.„Houd je gulden maar,” fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen er al aan, „en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je op school geen leven, dan plagen ze je mal.”„Ja,” knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was en weer ineenkromp tot ’t schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven lang ’t mikpunt van alle plagerijen was geweest. „Maar, maar hoe moet ik dan....Frans weet, dat ik geld bij me heb, en....”„Hier!”—Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak.„En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is ’t uit! Als de lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!”Paul wilde nog wat in ’t midden brengen, maar daar kwamen de overigen al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij Schoenmakers.Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen.Onbeholpen legde hij ’t kwartje en ’t dubbeltje op de toonbank en vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij was zoo overbluft, dat hij ’t zou hebben laten liggen, wanneer Jo ’t hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen, deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen.Veel gauwer dan hij ’t had durven hopen stond Paul weer op straat; den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk nog Jo’s hartelijk:„Beterschap met je Moe!” toen hij uit de mistige straat de warm verlichte apotheek binnenkwam.„Wij gaan ook maar naar huis, hè?” zei Jo, terwijl ze den tegenovergestelden kant opgingen. „Ons geld is toch op en....”„’t Jouwe niet,” zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en vooral op dien van den goedgeefschen Jo.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets schelen, maar dat de jongenshemnu voor schriel zouden houden, dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand in den zak;—hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen bedacht hij blij hoe hij gelukkig voorzijnMoeder geen versterkende middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bijdit alles die eene kleine opoffering zoo volkomen in ’t niet, dat hij opeens weer de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst.

TAFELS KIJKEN.Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek, schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te komen in één lichtschemering.Jo’s voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. ’t Sloeg al half en om kwart voor vijf moest hij op ’t Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo Jaspers bepaald zeggen, dat ’t kwam doordat hij zoo’n moederskindje was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat, maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat harder rennen.Natuurlijk had Ma ’t goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken; dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker niet zou mogen als hij ’t eerst ging vragen.Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes, die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij wilde, had Ma gezegd. ’t Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven, dat stond als een paal boven water, en ’t andere zou ook zijn weg wel vinden met ’t dubbeltje, dat Jo nog vanzijn eigen geld had. Met vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de tafels, zonder in mooie surprises te vervallen.Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon ’t niet laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast hij ook had om op ’t Plein te komen. En dan drong hij zich weer met de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige verwensching op om zijn wildheid.Met een „hallo” werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een boodschap gaan doen.„Mocht je van je Moesje?” vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige kinderstem nabootsend.„Natuurlijk,” zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem bijna ’t evenwicht deed verliezen. „Zeur nou niet!”„Jaspers, houd je laffe grappen voor je,” riepen de anderen, die Jo, den kapitein van hun clubje, niet door zoo’n vervelendheid van Jaspers, ’t minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden zien. Wat deed ’t er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets durft en niets kan, was Jo tochheelemaal niet, hoor! Jaspers mocht willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden!Met een „hallo” werd Jo begroet.Met een „hallo” werd Jo begroet.Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in, waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit kon komen, zoo verbazend vol was ’t er.De jongens vonden ’t leuk. Telkens stonden ze stil voor de uitstallingen.„Ga jij veel koopen?” vroeg Wim Vaasen aan Jo. „Heb je veel bij je? Ik drie dubbeltjes!”„Ik acht-en-dertig cent, zeg,” riep Rudolf Roose.„En ik een kwartje! Hoeveel jij?”„Zestig cent,” zei Jo, en toen met iets van trots: „Ik heb twee kwartjes van Ma gekregen daareven; ’k mag er net mee doen wat ik wil!”„Nou zeg!” klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in, dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en ’t dus dáárom niet was, dat hij ’t Ma vooruit moest vragen, als hij met de jongens uit wilde!Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels gingen kijken. In ’t bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes, lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij ’t uitzoeken, maar ’t eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen, waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden was;—daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenenin de groote kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een paar rijtuigen te wachten; ’t gerinkel van de paardebelletjes klonk vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige, kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord—zij waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school, die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken.„Stribbel maar niet tegen!” riep Koo Jaspers. „Mee zul je en mee moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet ons trakteeren!”„Ja, mannetje, daar kom je niet af,” zei Jaap, terwijl hij Paul steviger beet pakte. „Weet je wel, dat ’t een groote eer voor je is, dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een woordje mee!”„In naam der club, je bent onze gevangene,” zei Jo zoo barsch mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok, en toen zachtjes: „Kom, jô,ga nou maar even mee, des te eerder laten ze je met rust—wat is dat nou—effentjes!”„Och maar, maar....” stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid en van koude—„ik, ik kan niet en—en—’k heb geen geld ook!”„Dat zijn jokkens,” gilde Frans. „Je hebt geld in je zak—je hebt me daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!”Paul trachtte nog iets in ’t midden te brengen, maar er hielp niets aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo’n spektakel, dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen, meer haastig gebakerd, bromden over zoo’n opstootje in de toch al zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had, dat ’t verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo’n schriele, die zich altijd maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo’n stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo, die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen zich ingenomen. Jo vond ’t maar wat gezond, dat Paultje nu eens op zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar ’t hoefde niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo’ssterke knuisten was opgewassen en liep gedwee mee.„Naar Schoenmakers, jongens!” riep Jo op ’t drukke kruispunt, waar ze de Markt moesten oversteken. „Daar houden we groote smulpartij en Paul speelt voor Sint-Nicolaas!”Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.„Och Jo,” kwam er toen half huilend uit, „laat me nou toch even hier binnen gaan—een boodschap voor Moe!”Jo keek Paul scherp aan bij ’t licht, dat uit de apotheek straalde. Was dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren te ontkomen?„Denk je, dat ’k dat geloof?”„Gerust, Jo, ’t is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!”„Is ze dan ziek?” vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op ’t papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven.„Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter; maar Moe doet ’t niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat ’t zoo’n vreeselijk duur middel is—een gulden voor maar zoo’n klein fleschje! Maar ik ga ’t toch halen voor Moe. ’k Heb daarnet stilletjes ’t recept uit ’t sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf—laatst toen ’k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En nu krijgt Moe ’t toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan ’t niet langer!” zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo’s gezicht, zich liet gaan, zooals hij ’t nog nooit had gedurfd tegenover een van de jongens.„Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, endieis voor Moe, dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood,” barstte Paul los met ongewone heftigheid.Jo voelde zich bij Paul’s woorden als een struikroover.„Houd je gulden maar,” fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen er al aan, „en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je op school geen leven, dan plagen ze je mal.”„Ja,” knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was en weer ineenkromp tot ’t schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven lang ’t mikpunt van alle plagerijen was geweest. „Maar, maar hoe moet ik dan....Frans weet, dat ik geld bij me heb, en....”„Hier!”—Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak.„En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is ’t uit! Als de lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!”Paul wilde nog wat in ’t midden brengen, maar daar kwamen de overigen al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij Schoenmakers.Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen.Onbeholpen legde hij ’t kwartje en ’t dubbeltje op de toonbank en vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij was zoo overbluft, dat hij ’t zou hebben laten liggen, wanneer Jo ’t hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen, deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen.Veel gauwer dan hij ’t had durven hopen stond Paul weer op straat; den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk nog Jo’s hartelijk:„Beterschap met je Moe!” toen hij uit de mistige straat de warm verlichte apotheek binnenkwam.„Wij gaan ook maar naar huis, hè?” zei Jo, terwijl ze den tegenovergestelden kant opgingen. „Ons geld is toch op en....”„’t Jouwe niet,” zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en vooral op dien van den goedgeefschen Jo.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets schelen, maar dat de jongenshemnu voor schriel zouden houden, dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand in den zak;—hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen bedacht hij blij hoe hij gelukkig voorzijnMoeder geen versterkende middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bijdit alles die eene kleine opoffering zoo volkomen in ’t niet, dat hij opeens weer de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst.

TAFELS KIJKEN.

Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek, schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te komen in één lichtschemering.Jo’s voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. ’t Sloeg al half en om kwart voor vijf moest hij op ’t Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo Jaspers bepaald zeggen, dat ’t kwam doordat hij zoo’n moederskindje was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat, maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat harder rennen.Natuurlijk had Ma ’t goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken; dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker niet zou mogen als hij ’t eerst ging vragen.Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes, die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij wilde, had Ma gezegd. ’t Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven, dat stond als een paal boven water, en ’t andere zou ook zijn weg wel vinden met ’t dubbeltje, dat Jo nog vanzijn eigen geld had. Met vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de tafels, zonder in mooie surprises te vervallen.Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon ’t niet laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast hij ook had om op ’t Plein te komen. En dan drong hij zich weer met de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige verwensching op om zijn wildheid.Met een „hallo” werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een boodschap gaan doen.„Mocht je van je Moesje?” vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige kinderstem nabootsend.„Natuurlijk,” zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem bijna ’t evenwicht deed verliezen. „Zeur nou niet!”„Jaspers, houd je laffe grappen voor je,” riepen de anderen, die Jo, den kapitein van hun clubje, niet door zoo’n vervelendheid van Jaspers, ’t minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden zien. Wat deed ’t er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets durft en niets kan, was Jo tochheelemaal niet, hoor! Jaspers mocht willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden!Met een „hallo” werd Jo begroet.Met een „hallo” werd Jo begroet.Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in, waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit kon komen, zoo verbazend vol was ’t er.De jongens vonden ’t leuk. Telkens stonden ze stil voor de uitstallingen.„Ga jij veel koopen?” vroeg Wim Vaasen aan Jo. „Heb je veel bij je? Ik drie dubbeltjes!”„Ik acht-en-dertig cent, zeg,” riep Rudolf Roose.„En ik een kwartje! Hoeveel jij?”„Zestig cent,” zei Jo, en toen met iets van trots: „Ik heb twee kwartjes van Ma gekregen daareven; ’k mag er net mee doen wat ik wil!”„Nou zeg!” klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in, dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en ’t dus dáárom niet was, dat hij ’t Ma vooruit moest vragen, als hij met de jongens uit wilde!Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels gingen kijken. In ’t bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes, lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij ’t uitzoeken, maar ’t eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen, waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden was;—daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenenin de groote kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een paar rijtuigen te wachten; ’t gerinkel van de paardebelletjes klonk vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige, kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord—zij waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school, die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken.„Stribbel maar niet tegen!” riep Koo Jaspers. „Mee zul je en mee moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet ons trakteeren!”„Ja, mannetje, daar kom je niet af,” zei Jaap, terwijl hij Paul steviger beet pakte. „Weet je wel, dat ’t een groote eer voor je is, dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een woordje mee!”„In naam der club, je bent onze gevangene,” zei Jo zoo barsch mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok, en toen zachtjes: „Kom, jô,ga nou maar even mee, des te eerder laten ze je met rust—wat is dat nou—effentjes!”„Och maar, maar....” stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid en van koude—„ik, ik kan niet en—en—’k heb geen geld ook!”„Dat zijn jokkens,” gilde Frans. „Je hebt geld in je zak—je hebt me daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!”Paul trachtte nog iets in ’t midden te brengen, maar er hielp niets aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo’n spektakel, dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen, meer haastig gebakerd, bromden over zoo’n opstootje in de toch al zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had, dat ’t verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo’n schriele, die zich altijd maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo’n stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo, die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen zich ingenomen. Jo vond ’t maar wat gezond, dat Paultje nu eens op zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar ’t hoefde niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo’ssterke knuisten was opgewassen en liep gedwee mee.„Naar Schoenmakers, jongens!” riep Jo op ’t drukke kruispunt, waar ze de Markt moesten oversteken. „Daar houden we groote smulpartij en Paul speelt voor Sint-Nicolaas!”Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.„Och Jo,” kwam er toen half huilend uit, „laat me nou toch even hier binnen gaan—een boodschap voor Moe!”Jo keek Paul scherp aan bij ’t licht, dat uit de apotheek straalde. Was dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren te ontkomen?„Denk je, dat ’k dat geloof?”„Gerust, Jo, ’t is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!”„Is ze dan ziek?” vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op ’t papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven.„Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter; maar Moe doet ’t niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat ’t zoo’n vreeselijk duur middel is—een gulden voor maar zoo’n klein fleschje! Maar ik ga ’t toch halen voor Moe. ’k Heb daarnet stilletjes ’t recept uit ’t sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf—laatst toen ’k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En nu krijgt Moe ’t toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan ’t niet langer!” zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo’s gezicht, zich liet gaan, zooals hij ’t nog nooit had gedurfd tegenover een van de jongens.„Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, endieis voor Moe, dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood,” barstte Paul los met ongewone heftigheid.Jo voelde zich bij Paul’s woorden als een struikroover.„Houd je gulden maar,” fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen er al aan, „en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je op school geen leven, dan plagen ze je mal.”„Ja,” knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was en weer ineenkromp tot ’t schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven lang ’t mikpunt van alle plagerijen was geweest. „Maar, maar hoe moet ik dan....Frans weet, dat ik geld bij me heb, en....”„Hier!”—Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak.„En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is ’t uit! Als de lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!”Paul wilde nog wat in ’t midden brengen, maar daar kwamen de overigen al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij Schoenmakers.Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen.Onbeholpen legde hij ’t kwartje en ’t dubbeltje op de toonbank en vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij was zoo overbluft, dat hij ’t zou hebben laten liggen, wanneer Jo ’t hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen, deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen.Veel gauwer dan hij ’t had durven hopen stond Paul weer op straat; den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk nog Jo’s hartelijk:„Beterschap met je Moe!” toen hij uit de mistige straat de warm verlichte apotheek binnenkwam.„Wij gaan ook maar naar huis, hè?” zei Jo, terwijl ze den tegenovergestelden kant opgingen. „Ons geld is toch op en....”„’t Jouwe niet,” zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en vooral op dien van den goedgeefschen Jo.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets schelen, maar dat de jongenshemnu voor schriel zouden houden, dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand in den zak;—hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen bedacht hij blij hoe hij gelukkig voorzijnMoeder geen versterkende middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bijdit alles die eene kleine opoffering zoo volkomen in ’t niet, dat hij opeens weer de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst.

Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek, schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te komen in één lichtschemering.

Jo’s voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. ’t Sloeg al half en om kwart voor vijf moest hij op ’t Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo Jaspers bepaald zeggen, dat ’t kwam doordat hij zoo’n moederskindje was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat, maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat harder rennen.

Natuurlijk had Ma ’t goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken; dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker niet zou mogen als hij ’t eerst ging vragen.

Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes, die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij wilde, had Ma gezegd. ’t Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven, dat stond als een paal boven water, en ’t andere zou ook zijn weg wel vinden met ’t dubbeltje, dat Jo nog vanzijn eigen geld had. Met vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de tafels, zonder in mooie surprises te vervallen.

Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon ’t niet laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast hij ook had om op ’t Plein te komen. En dan drong hij zich weer met de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige verwensching op om zijn wildheid.

Met een „hallo” werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een boodschap gaan doen.

„Mocht je van je Moesje?” vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige kinderstem nabootsend.

„Natuurlijk,” zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem bijna ’t evenwicht deed verliezen. „Zeur nou niet!”

„Jaspers, houd je laffe grappen voor je,” riepen de anderen, die Jo, den kapitein van hun clubje, niet door zoo’n vervelendheid van Jaspers, ’t minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden zien. Wat deed ’t er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets durft en niets kan, was Jo tochheelemaal niet, hoor! Jaspers mocht willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden!

Met een „hallo” werd Jo begroet.Met een „hallo” werd Jo begroet.

Met een „hallo” werd Jo begroet.

Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in, waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit kon komen, zoo verbazend vol was ’t er.

De jongens vonden ’t leuk. Telkens stonden ze stil voor de uitstallingen.

„Ga jij veel koopen?” vroeg Wim Vaasen aan Jo. „Heb je veel bij je? Ik drie dubbeltjes!”

„Ik acht-en-dertig cent, zeg,” riep Rudolf Roose.

„En ik een kwartje! Hoeveel jij?”

„Zestig cent,” zei Jo, en toen met iets van trots: „Ik heb twee kwartjes van Ma gekregen daareven; ’k mag er net mee doen wat ik wil!”

„Nou zeg!” klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in, dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en ’t dus dáárom niet was, dat hij ’t Ma vooruit moest vragen, als hij met de jongens uit wilde!

Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels gingen kijken. In ’t bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes, lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij ’t uitzoeken, maar ’t eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen, waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden was;—daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenenin de groote kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een paar rijtuigen te wachten; ’t gerinkel van de paardebelletjes klonk vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging.

Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.

Daar kocht hij een groote, mooie borstplaat.

De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige, kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord—zij waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school, die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken.

„Stribbel maar niet tegen!” riep Koo Jaspers. „Mee zul je en mee moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet ons trakteeren!”

„Ja, mannetje, daar kom je niet af,” zei Jaap, terwijl hij Paul steviger beet pakte. „Weet je wel, dat ’t een groote eer voor je is, dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een woordje mee!”

„In naam der club, je bent onze gevangene,” zei Jo zoo barsch mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok, en toen zachtjes: „Kom, jô,ga nou maar even mee, des te eerder laten ze je met rust—wat is dat nou—effentjes!”

„Och maar, maar....” stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid en van koude—„ik, ik kan niet en—en—’k heb geen geld ook!”

„Dat zijn jokkens,” gilde Frans. „Je hebt geld in je zak—je hebt me daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!”

Paul trachtte nog iets in ’t midden te brengen, maar er hielp niets aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo’n spektakel, dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen, meer haastig gebakerd, bromden over zoo’n opstootje in de toch al zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had, dat ’t verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo’n schriele, die zich altijd maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo’n stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo, die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen zich ingenomen. Jo vond ’t maar wat gezond, dat Paultje nu eens op zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar ’t hoefde niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo’ssterke knuisten was opgewassen en liep gedwee mee.

„Naar Schoenmakers, jongens!” riep Jo op ’t drukke kruispunt, waar ze de Markt moesten oversteken. „Daar houden we groote smulpartij en Paul speelt voor Sint-Nicolaas!”

Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde.

Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.

Terwijl hij zich aan de vensterbank vastklemde.

„Och Jo,” kwam er toen half huilend uit, „laat me nou toch even hier binnen gaan—een boodschap voor Moe!”

Jo keek Paul scherp aan bij ’t licht, dat uit de apotheek straalde. Was dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren te ontkomen?

„Denk je, dat ’k dat geloof?”

„Gerust, Jo, ’t is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!”

„Is ze dan ziek?” vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op ’t papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven.

„Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter; maar Moe doet ’t niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat ’t zoo’n vreeselijk duur middel is—een gulden voor maar zoo’n klein fleschje! Maar ik ga ’t toch halen voor Moe. ’k Heb daarnet stilletjes ’t recept uit ’t sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf—laatst toen ’k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En nu krijgt Moe ’t toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan ’t niet langer!” zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo’s gezicht, zich liet gaan, zooals hij ’t nog nooit had gedurfd tegenover een van de jongens.

„Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, endieis voor Moe, dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood,” barstte Paul los met ongewone heftigheid.

Jo voelde zich bij Paul’s woorden als een struikroover.

„Houd je gulden maar,” fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen er al aan, „en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je op school geen leven, dan plagen ze je mal.”

„Ja,” knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was en weer ineenkromp tot ’t schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven lang ’t mikpunt van alle plagerijen was geweest. „Maar, maar hoe moet ik dan....Frans weet, dat ik geld bij me heb, en....”

„Hier!”—Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak.

„En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is ’t uit! Als de lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!”

Paul wilde nog wat in ’t midden brengen, maar daar kwamen de overigen al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij Schoenmakers.

Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen.

Onbeholpen legde hij ’t kwartje en ’t dubbeltje op de toonbank en vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij was zoo overbluft, dat hij ’t zou hebben laten liggen, wanneer Jo ’t hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen, deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen.

Veel gauwer dan hij ’t had durven hopen stond Paul weer op straat; den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk nog Jo’s hartelijk:„Beterschap met je Moe!” toen hij uit de mistige straat de warm verlichte apotheek binnenkwam.

„Wij gaan ook maar naar huis, hè?” zei Jo, terwijl ze den tegenovergestelden kant opgingen. „Ons geld is toch op en....”

„’t Jouwe niet,” zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en vooral op dien van den goedgeefschen Jo.

„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.

„’t Jouwe niet,” zei Jaspers.

Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets schelen, maar dat de jongenshemnu voor schriel zouden houden, dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand in den zak;—hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen bedacht hij blij hoe hij gelukkig voorzijnMoeder geen versterkende middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bijdit alles die eene kleine opoffering zoo volkomen in ’t niet, dat hij opeens weer de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst.


Back to IndexNext