[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
TWEEDE BEDRIJF.(De huiskamer van Sachel achter den winkel).
(De huiskamer van Sachel achter den winkel).
[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330][Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]
[Inhoud]Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).
Eerste Tooneel.Rose. Rafaël.Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!Rafaël.Huil je?Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?[296]Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…Rafaël.Rose!Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?Rose.Rafaël.…Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?Rafaël.Gezegd?Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha![299]Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…Rafaël.…Bij ons.Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?Rose.Is dat waar?Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.[300]Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!Rose.Dus je neemt hà à r niet?Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?[301]Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.Rose.Hij is blind.…Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…Rafaël.…En?.…Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…Rafaël.…Praat uit.Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.[302]Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).Rose.Hou jij ’t.[303]Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?Rose(lachend).Nooit meer.Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.[304]Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).
Rose. Rafaël.
Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?
Rafaël(binnentredend).Waar is vader? Waar is tante?
Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!
Rose.Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!
Rafaël.Huil je?
Rafaël.Huil je?
Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!
Rose.Raak me niet an! Raak me niet an!
Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!
Rafaël.Hebben ze je.…? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!
Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!
Rose.O, dat ik naar jou geluisterd heb!
Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?
Rafaël.Is ’r iets gebeurd? Wat dan?
[296]
Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!
Rose.Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!
Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….
Rafaël.Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.….
Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!
Rose(zich hysterisch opwindend).Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!
Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?
Rafaël.Mà lle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?
Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…
Rose.Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf.…
Rafaël.Rose!
Rafaël.Rose!
Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!
Rose.Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!
Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?
Rafaël.Jóód?—Jood?—Waarom zegjijjood?
Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!
Rose.Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de à ndren—je ben ’n jood zooals zij!
Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?
Rafaël(neemt haar hand).Wat verneder je jezelf.… Ik weet niet wà t de oorzaak is, dat je zooopgewonden[297]ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof … Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dà t woord nièt meermoetzeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smà ùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?…(begint met haar zilveren kruisje te spelen)Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken.….. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rà nselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?…—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodinâ€, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!â€[298].… Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?
Rose.Rafaël.…
Rose.Rafaël.…
Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…
Rafaël.Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kà n. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken.…
Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?
Rose.Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?
Rafaël.Gezegd?
Rafaël.Gezegd?
Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…
Rose.Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante.…
Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha!
Rafaël.Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha!
[299]
Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!
Rose.Je weet ’t.… O, ze halen je van me af.… Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.… Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!
Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.
Rafaël.Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bà ng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.
Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…
Rose.Zoo gaat ’t altijd bij.…
Rafaël.…Bij ons.
Rafaël.…Bij ons.
Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…
Rose.Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!.…
Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?
Rafaël.Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.… ìk.… ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.… En gaan we niet hier vandaan?
Rose.Is dat waar?
Rose.Is dat waar?
Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.
Rafaël.Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.
[300]
Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?
Rose.Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?
Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!
Rafaël.Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!
Rose.Dus je neemt hà à r niet?
Rose.Dus je neemt hà à r niet?
Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?
Rafaël.Ben ’k niet getrouwd?
Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?
Rose.Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?
Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.
Rafaël.Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hà à r nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.… ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.
Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?
Rose.Weg moèt? Zul je là ter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?
[301]
Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.
Rafaël(haar op zijn schoot trekkend).Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.
Rose.Hij is blind.…
Rose.Hij is blind.…
Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.
Rafaël.Maak je geen verwijten. Ik kà n je niet alles zeggen—wil ’t niet.
Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?
Rose.Heb je ’m niets verteld van òns?
Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?
Rafaël.Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dà n. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?
Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?
Rose.Tien!(zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).… Wat kijk je?
Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…
Rafaël(haar kruisje aantikkend).Naar dà t. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken.…
Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…
Rose(aarzelend).… Dat hadden we.…
Rafaël.…En?.…
Rafaël.…En?.…
Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…
Rose.…’t Is de eenige herinnering aan.…
Rafaël.…Praat uit.
Rafaël.…Praat uit.
Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.
Rose.…Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.
[302]
Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…
Rafaël.Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien.…
Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…
Rose(aarzelend).Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat.…
Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).
Rafaël.Enkel met je moeder?—Waren ’r geen à ndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood(houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap …? Asjeblief …(overreikt haar het crucifix).
Rose.Hou jij ’t.
Rose.Hou jij ’t.
[303]
Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.
Rafaël.Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.
Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.
Rose.Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.
Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…
Rafaël(het in z’n zak stekend).Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan(glimlachend).Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid vooranderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang.…
Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).
Rose.Lieve, beste Rafaël.…(wil hem omhelzen).
Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?
Rafaël(haar weer tegenhoudend).Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?
Rose(lachend).Nooit meer.
Rose(lachend).Nooit meer.
Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?
Rafaël.Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?
Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.
Rose.Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.
Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.
Rafaël.Houen is niet genoeg, Rose.
[304]
Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …
Rose.Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen!(even weifelend, dan in beving van vreugde).… Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind …
Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?
Rafaël(verrast).… Ons kind—ons kìnd?
Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).
Rose(met zachte verrukking).… Ons kind …(vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).
[Inhoud]Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).
Tweede Tooneel.Rebecca. Rafaël. Rose.Rebecca(driest).O!.…Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …[305]Rafaël.Je vader? Vierde gebod!Rose.Rafaël!Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!Rose.Laat me gaan! Laat me gaan![306]Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …(Roseaf).Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…[308]Rebecca.Nee, niks.…Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…Rebecca.Goeiendag.…Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!(af).
Rebecca. Rafaël. Rose.
Rebecca(driest).O!.…
Rebecca(driest).O!.…
Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..
Rafaël.’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..
Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.
Rebecca(lachend).Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.
Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.
Rafaël.Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.
Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.
Rebecca(verwonderd).Ik kom niet voor handel.
Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…
Rafaël.Niet voor handel? Ei, wel!.…
Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …
Rebecca(lachend).Và der zei me hierheen te gaan …
[305]
Rafaël.Je vader? Vierde gebod!
Rafaël.Je vader? Vierde gebod!
Rose.Rafaël!
Rose.Rafaël!
Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…
Rafaël(smartelijk-spottend).… Je vader.… Dat ’sAaron, de koopman. Ga zitten—laten we hà ndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het waterâ€.… Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit à lles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twà alef van alles? Laten we handlen.…
Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…
Rebecca(verlegen).Je doet zoo vreemd.… Je maakt me angstig.…
Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!
Rafaël.O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarinAaronzijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd(zegt tante)naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!
Rose.Laat me gaan! Laat me gaan!
Rose.Laat me gaan! Laat me gaan!
[306]
Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…
Rebecca(met stijgende verlegenheid).Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo.…
Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.
Rafaël(smartelijk).Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wà ar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden.Poere oerewoe oemieloe es hoöres1—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hà hà !—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.… O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.
Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!
Rose.Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!
Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!
Rebecca(driest).Hoor wat zij zegt—zij, desjikse, die zich scháámt!
Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…
Rafaël(vernietigend).Ze schaamt zich over hà ndel op Zaterdag.…. Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.… Rebecca.… Rèbècca.… Moeder van Esau en Jacob.… Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden[307]vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek mettefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij.…
Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …
Rebecca(angstig).Ik hecht aan geen geld, Rafaël …
(Roseaf).
Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?
Rafaël.Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hà ndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?
Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …
Rebecca.Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.… Ik zal weer gáán … verlang niks van je, niks …
Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…
Rafaël.Ga, ga, Rebecca.… Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon.…
[308]
Rebecca.Nee, niks.…
Rebecca.Nee, niks.…
Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…
Rafaël.Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor là ter—voor veel later.… voor.… Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog.…
Rebecca.Goeiendag.…
Rebecca.Goeiendag.…
Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!
Rafaël.Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!
(af).
[Inhoud]Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…
Derde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.Haëzer.Pas op voor de drempel.Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.Haëzer.Is Rafaël niet thuis?[309]Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?Haëzer.Met twéé stukken kiks.…Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…Esther.Sust!.… De meid.…
Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.
Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.
Esther.Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.… Kom u binnen. Wees u voorzichtig.
Haëzer.Pas op voor de drempel.
Haëzer.Pas op voor de drempel.
Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.
Sachel.Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.
Haëzer.Is Rafaël niet thuis?
Haëzer.Is Rafaël niet thuis?
[309]
Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.
Esther.’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.
Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.
Sachel.Wat helpt vertellen? Heb ’k niet à lles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.
Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.
Haëzer.La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaà t niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.
Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.
Esther.Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.
Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…
Sachel.Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht.…
Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.
Haëzer.Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van[310]de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je mà g niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwà ng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op debrezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.
Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?
Esther..… Groot gelijk, mijneer de Rebbe … Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?
Haëzer.Met twéé stukken kiks.…
Haëzer.Met twéé stukken kiks.…
Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?
Esther(in de deur.).Roosie! Roosie! Breng je de koffie?
Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…
Sachel.Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom là ch je, zei ik.—Toen lachte die hà rder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar[311]zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’tIs’n gruwel wat me gebeurt.…
Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…
Haëzer.Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.…
Esther.Sust!.… De meid.…
Esther.Sust!.… De meid.…
[Inhoud]Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).
Vierde tooneel.Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.Sachel.Is me zoon thuis?Rose.Ja.Sachel.Waar is-ie?Rose.Boven.Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…Sachel.Hoe lang?.…Esther.Wat vraag je die meid toch?[312]Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?Rose.Dat weet ’k niet.…Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?Sachel.Wat doet me zoon boven?Rose.Weet ik niet.…Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.[313]Rose.Nee, dank u.Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…Esther.’k Zal ’m roepen.Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?Sachel.Ze hindert mijn.…Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.Esther.Ze heit geen moeder.Haëzer.Na d’r vader!Esther.Ze heit geen vader.Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.Esther.Ze heit geen familie.Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!(af).
Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.
Sachel.Is me zoon thuis?
Sachel.Is me zoon thuis?
Rose.Ja.
Rose.Ja.
Sachel.Waar is-ie?
Sachel.Waar is-ie?
Rose.Boven.
Rose.Boven.
Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?
Sachel.Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?
Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…
Rose.Nee.… Ja.… ’n Poosje.…
Sachel.Hoe lang?.…
Sachel.Hoe lang?.…
Esther.Wat vraag je die meid toch?
Esther.Wat vraag je die meid toch?
[312]
Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?
Sachel.Bemoei je ’r niet mee!… Hoe lang? Nou? Hoelang?
Rose.Dat weet ’k niet.…
Rose.Dat weet ’k niet.…
Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?
Sachel.Zoo—Was ’r niemand anders?
Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?
Esther.Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.… Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?
Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.
Rose(aarzelend).Nee. ’k Heb niemand gezien.
Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.
Sachel.En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.
Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?
Esther.Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?
Sachel.Wat doet me zoon boven?
Sachel.Wat doet me zoon boven?
Rose.Weet ik niet.…
Rose.Weet ik niet.…
Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.
Sachel.Weet ik niet? Weet ik niet!.… Ik weet meer.
Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.
Rose(verschrikt).’k Heb ’m niet gezien.
Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.
Esther.Laat ’m toch praten.… Geef ’m geen antwoord.… Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.
[313]
Rose.Nee, dank u.
Rose.Nee, dank u.
Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.
Esther.Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak.(Roseaf).Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’nsjiksegehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.
Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…
Sachel.Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij.…
Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.
Esther.Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.
Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…
Haëzer.Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.… En waar blijft onze vriend?.…
Esther.’k Zal ’m roepen.
Esther.’k Zal ’m roepen.
Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…
Sachel.Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap.…
Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?
Esther.Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?
Sachel.Ze hindert mijn.…
Sachel.Ze hindert mijn.…
Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.
Esther.Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.
Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…
Sachel.Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—[314]Ze staat me niet an—Ze ken luisteren.…
Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.
Esther.’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.
Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…
Sachel.Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.…
Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.
Haëzer.Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’nsjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.
Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.
Esther.En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.
Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.
Haëzer.Zendt ’r na d’r moeder.
Esther.Ze heit geen moeder.
Esther.Ze heit geen moeder.
Haëzer.Na d’r vader!
Haëzer.Na d’r vader!
Esther.Ze heit geen vader.
Esther.Ze heit geen vader.
Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.
Haëzer.Na d’r oom, d’r tante.
Esther.Ze heit geen familie.
Esther.Ze heit geen familie.
Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.
Haëzer.Geen moeder, geen vader, geen familie—[315]dan ben ik uitgepraat.
Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?
Esther.En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?
Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.
Sachel.Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.
Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.
Esther.Meijer … Meijer … Da’s ’n vol uur weg.
Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.
Sachel.Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.
Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!
Esther.Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!
(af).
[Inhoud]Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…
Vijfde tooneel.Sachel. Haëzer.Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.Haëzer.Wie?Sachel.De meid.…Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…
Sachel. Haëzer.
Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.
Sachel.Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.
Haëzer.Wie?
Haëzer.Wie?
Sachel.De meid.…
Sachel.De meid.…
Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…
Haëzer.Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je[316]voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.…
Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…
Sachel.Grootheid.… Grootheid.… ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.…
Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…
Haëzer.La-la-la.… Niet zoo doorslaan.…
Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…
Sachel.Maar met die meid is ’t wat à nders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en.…
[Inhoud]Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330]
Zesde tooneel.Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?Sachel.M’n zoon.…[319]Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…[321]Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?Rafaël.Hij heeft gelijk.Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…Sachel.Zeg maar ’n blinde.…Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…[323]Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…Rafaël.En zooveel meer!…Haëzer.En de hà ndel, gekje?Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?Haëzer.Niet meer leeft, gekje?Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…[326]Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!Sachel.Leugens?.… Leugens?Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3Haëzer.Dat is ’n leugen![327]Rafaël.God hoort me getuigen!Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?Rafaël.Nee. Nièt meer.Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.[329]Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…Rafaël.Die slet!.…Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).Esther.Sachel!… In Godsnaam!Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.(af).[330]
Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.
Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.
Esther.Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.
Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.
Haëzer.Dag Rafaël, dag bèste jongen.
Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.
Rafaël(begrijpend).O.…—’k Heb u in là ng niet gezien.
Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…
Haëzer.In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij,[317]Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot.…
Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…
Sachel.’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.…
Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?
Haëzer.Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?
Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…
Esther.Dat ’s de meid die na Meijer gaat.…
Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.
Rafaël.O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.
Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…
Sachel.’k Heb gesproken over Rebecca.…
Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.
Haëzer.La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet[318]zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.
Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!
Esther.Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!
Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!
Haëzer.Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken.Hahaha!
Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.
Esther.Drink is uit, meneer de rebbe.
Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?
Haëzer.Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wà t was ’t ook weer?
Sachel.M’n zoon.…
Sachel.M’n zoon.…
[319]
Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.
Haëzer.La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel.…. En hoe zit dat zoo, Rafaël?.….. Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stà p alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje,èlke balk, èlke schaduw?Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit.Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog detwéé-en-twintigletters, de vijf lange, de vijf korte klinkers … hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me là ter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vaderdie zelfbroogemoet[320]maken, zelfbenchen.—En kom je bij chrÃstenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.
Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.
Esther.Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.
Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.
Rafaël.Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.
Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.
Sachel.Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.
Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…
Haëzer.La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waà rom niet, Rafaël? Waà rom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in deSchoelgeweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu.…
Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…
Rafaël.Vraag ’t m’n vader.…
Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…
Sachel.Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hà ndel—om—om—nooit heb ’k handel à nders voor me gezien.… Maar hij liégt—ik héb toegegeven, à lles toegegeven—en hij wil niet.…
[321]
Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?
Haëzer.Zoo. En nou jij—gekje?
Rafaël.Hij heeft gelijk.
Rafaël.Hij heeft gelijk.
Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?
Haëzer.Wat hoeven we dan nog te praten?
Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…
Rafaël.Als ’k—als ’k à lles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hà ndel gezien heb, dan nog kà n ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes.…
Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …
Haëzer.Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor …
Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…
Rafaël.Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet.…
Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!
Haëzer.Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha![322]We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!
Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…
Rafaël.Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—là mme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.…
Sachel.Zeg maar ’n blinde.…
Sachel.Zeg maar ’n blinde.…
Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …
Rafaël..… Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig …
Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….
Haëzer.Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.….
Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…
Rafaël..… Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.… dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor à ltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mijâ€â€”dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing.…
[323]
Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…
Haëzer.Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.…
Rafaël.En zooveel meer!…
Rafaël.En zooveel meer!…
Haëzer.En de hà ndel, gekje?
Haëzer.En de hà ndel, gekje?
Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?
Rafaël.Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?
Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.
Haëzer.Heel goed. Heel goed. … Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.… Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.
Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.
Rafaël.Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.
Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.
Haëzer.La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.
Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?
Rafaël.Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?
Haëzer.Niet meer leeft, gekje?
Haëzer.Niet meer leeft, gekje?
Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?
Rafaël.Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?
Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..
Haëzer.Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun[324]je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.… Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.… De géést.… De géést alleen—de jóódsche geest … We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.… voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.… Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.… de jóódsche geest.… zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.… En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet.…..
Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.
Rafaël.Ik voel ’t goddelijke vanmijntijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.… Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw à nders wordt, à nders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons[325]volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.
Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!
Haëzer.Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!
Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2
Esther.Hij praat as ’n kind. Allemaalschtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootsterisscheszèlf.…2
Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?
Haëzer.Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen?(met climax)Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen?Wat wil je met je ghetto?
Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…
Sachel.Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik.…
Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…
Haëzer.Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.… En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.…
Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…
Rafaël.Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.…
[326]
Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!
Haëzer.Leugens? Dat pà st je niet!
Sachel.Leugens?.… Leugens?
Sachel.Leugens?.… Leugens?
Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2
Rafaël.Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me à ndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?.…2
Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…
Haëzer.Laat ’m uìtspreken.…
Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…
Rafaël.Ghetto?.… De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.…
Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!
Haëzer.Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!
Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3
Rafaël.Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—strà ks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we … hebben we betááld—de onze getrouwd!3
Haëzer.Dat is ’n leugen!
Haëzer.Dat is ’n leugen!
[327]
Rafaël.God hoort me getuigen!
Rafaël.God hoort me getuigen!
Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!
Haëzer.Gelogen! Driedubbel gelogen!
Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?
Rafaël.Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?
Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…
Haëzer.Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat.…
Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?
Esther.Schaam je! Ben jij ’n jóód?
Rafaël.Nee. Nièt meer.
Rafaël.Nee. Nièt meer.
Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€
Haëzer.Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!… „Gij zult.… Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!â€
Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!
Rafaël.Goden?.… Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend?(Slaat het raam open).O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!
Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!
Haëzer.Jij ben gek—jij ben gèk!
Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…
Rafaël.Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha![328]Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wà re God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven.…
Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…
Sachel.Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet.…
Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.
Rafaël.Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kà n niet anders.
[329]
Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…
Haëzer.Rafaël.… Rafaël.…
Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…
Sachel.Sust! … Sust! Laat mijn spreken … ’k Heb zoolang gezwegen.… Je heb ’r geweigerd.…. Ze was hiér … .… Dan heit die meid gelogen.… die meid.… dan … dan.… heit die meid gelogen, wèèr gelogen.… dan … dan.… Wát is ’r tusschen jou … en die meid … tusschen jou en die slet?.…
Rafaël.Die slet!.…
Rafaël.Die slet!.…
Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).
Sachel.Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).
Esther.Sachel!… In Godsnaam!
Esther.Sachel!… In Godsnaam!
Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!
Sachel(ineenzakkend).Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!
Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.
Rafaël.’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.
(af).
[330]
[Inhoud]Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]
Zevende tooneel.Haëzer. Esther. Sachel.Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!Haëzer.Sachel! Sachel!Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!
Haëzer. Esther. Sachel.
Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!
Sachel.Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!
Haëzer.Sachel! Sachel!
Haëzer.Sachel! Sachel!
Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!
Sachel.Lag-ie begraven bij z’n moeder!
(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]
(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)[331]
1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑2Rissches: aanstoot.↑
1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑
1Genesis 1:12:â€×¤Ö°Ö¼×¨×•Ö¼ וּרְבִוּ וּמִלְ×וּ ×ֶת־הָ×ָרֶץ‎—Bewerker.↑
2Rissches: aanstoot.↑
2Rissches: aanstoot.↑