TWEEDE BEDRIJF.

[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

[Inhoud]TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

TWEEDE BEDRIJF.(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).

(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang.Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).

[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe![Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441][Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447][Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456][Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

[Inhoud]Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)

Eerste tooneel.Sero. Wachter.Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?[427]Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …Sero.Voor de rakkers …Wachter.Gestolen wordt …Sero.Dat ’s dom![428]Wachter.Wat?… ’t Stelen?Sero.Nee—’t rapporteeren!Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …Sero.… Gestolen is.Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…[429]Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …Wachter.Natuurlijk! Ja!Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!Sero.Geweest, ja, ja!Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)[433]Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?Wachter.(vroolijk)’r Naast.Sero.En de portier?Wachter.Ben ik—bijtijds!Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook![434]Sero.Jawel meneer!Wachter.Wat vlugger, hè!Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!Sero.Geen woord!Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)

Sero. Wachter.

Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!

Wachter.(ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond)Pardieu! Pardieu!

Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?

Sero.Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?

[427]

Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!

Wachter.’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!

Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!

Sero.Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!

Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…

Wachter.Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet.…

Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!

Sero.’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!

Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…

Wachter.Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?… De heele maatschappij is rot!.…

Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)

Sero.(spottend)Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard!(ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)

Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …

Wachter.Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden …

Sero.Voor de rakkers …

Sero.Voor de rakkers …

Wachter.Gestolen wordt …

Wachter.Gestolen wordt …

Sero.Dat ’s dom!

Sero.Dat ’s dom!

[428]

Wachter.Wat?… ’t Stelen?

Wachter.Wat?… ’t Stelen?

Sero.Nee—’t rapporteeren!

Sero.Nee—’t rapporteeren!

Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!

Wachter.Waarom? Waarom, pardieu!

Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?

Sero.Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong.Begrepen, ha-ha-ha?

Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …

Wachter.Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt?(legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer)Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer …

Sero.… Gestolen is.

Sero.… Gestolen is.

Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …

Wachter …Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet …

Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!

Sero.(die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken)Dat dacht ik wel!

Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…

Wachter.Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van.…

[429]

Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?

Sero..… En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?

Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!

Wachter.(verstrooid, hevig in z’n klachtgeïnteresseerddoorpratend)Toen wordt hij valsch en vuil en scheltmeuit voor sufkop, halve gare, idioot …(strijkt lucifer af)en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!

Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!

Sero.(dampend)Je neus—je tong—net als ik zei!

Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?

Wachter.Wat zou jij doen in mijn geval?

Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!

Sero.Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken!(de lamp uitblazend)’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten(begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!… Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld…Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel[430]hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!…(raapt den sleutelbos op)Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!

Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …

Wachter.Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw …

Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …

Sero.Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd …

Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…

Wachter.…Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!…

Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!

Sero.De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!

Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …

Wachter.Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt …

Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!

Sero.Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!… ’k Eet[431]jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!

Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!

Wachter.Als jij mij helpt dan help ik jou!

Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …

Sero.Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten … (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)… alsik’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?… Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld …

Wachter.Natuurlijk! Ja!

Wachter.Natuurlijk! Ja!

Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …

Sero.Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eerje ’nrozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár …

Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!

Wachter.Dáár kan niet—dáár … Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter!(Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd)Nee? Ja! Al van den eersten dag!

Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)

Sero.Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar?(pijnlijk lachend)[432]Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar hebje ’mnet!(geklop)

Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!

Wachter.Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!

Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!

Sero.Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!

Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!

Wachter.Ooren èn oogen—als je wil!

Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.

Sero.Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.

Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!

Wachter.’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!(luistert schrikkend aan de deur)Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!

Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!

Sero.(ongeloovig)Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!

Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!

Wachter.(naar den schouw wijzend)Dat’s eens ’n schouw geweest!

Sero.Geweest, ja, ja!

Sero.Geweest, ja, ja!

Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)

Wachter.De deur zit daar!(wijst omhoog)

[433]

Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?

Sero.(spottend)En ’t sleutelgat?

Wachter.(vroolijk)’r Naast.

Wachter.(vroolijk)’r Naast.

Sero.En de portier?

Sero.En de portier?

Wachter.Ben ik—bijtijds!

Wachter.Ben ik—bijtijds!

Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?

Sero.Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?

Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!

Wachter.Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!

Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!

Sero.De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!

Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook!

Wachter.Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!… Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?…(Sero grijpt de tafel)Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik … Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik!(dreigend en schreeuwend)Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook!

[434]

Sero.Jawel meneer!

Sero.Jawel meneer!

Wachter.Wat vlugger, hè!

Wachter.Wat vlugger, hè!

Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …

Sero.Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand …

Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!

Wachter.(de deur openend)Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht)Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!

Sero.Geen woord!

Sero.Geen woord!

Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?

Wachter.Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!… Kan ’k nòg wat voor je doen?

Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!

Sero.(enkel aandacht voor de schouw)Nee, niemendal!

Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)

Wachter.Dan wensch ik je … Verroest!(sluit de deur)

[Inhoud]Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe!

Tweede Tooneel.Sero, Droomelot, Kommandant.Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)Kommandant.Wat dee jij daar?Sero.Den bijbel lezen.Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …Kommandant.Wie heeft de tafel daar?Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …[436]Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!Kommandant.Wie bracht dat hier?Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn![437]Sero.Dat is ’t juist!Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker![438]Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe!

Sero, Droomelot, Kommandant.

Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)

Sero(beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift[435]de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)Dat ’s net ’n hand te hoog!… Wat nou? Wat nou?… Aha! Ik kan …(geklop—hij schrikt)Was dat hier boven of opzij?…(springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe).Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt?(neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje).’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij …(legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)

Kommandant.Wat dee jij daar?

Kommandant.Wat dee jij daar?

Sero.Den bijbel lezen.

Sero.Den bijbel lezen.

Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?

Kommandant.Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur!(trekt het papier er af).Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?

Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …

Sero.Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen … Ik dacht …

Kommandant.Wie heeft de tafel daar?

Kommandant.Wie heeft de tafel daar?

Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …

Sero.….Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven …

[436]

Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?

Kommandant.Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?

Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!

Sero.’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!

Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!

Kommandant.(snuffelend).Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!

Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!

Sero.(laat het stompje vallen).Daar zijn de welschapen tien!(met het stompje sprekend).Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!

Kommandant.Wie bracht dat hier?

Kommandant.Wie bracht dat hier?

Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.

Sero.Heb ’k in ’n hoek gevonden.

Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!

Kommandant.In welken hoek—’r zijn ’r vier!

Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.

Sero.Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.

Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn!

Kommandant.We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water)dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en degelijkheidvoor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn!

[437]

Sero.Dat is ’t juist!

Sero.Dat is ’t juist!

Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker!

Kommandant(tot Wachter).Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan?(Tweede wachter tikt aan z’n pet)Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan?(Tweede Wachter slaat nog eens aan)Laat zien wat je daar heb!(Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat)Wat is dat voor gezwets?… Wat wil jij van de zon—den dageraad?… O, moet ’t rijmwerk zijn?(betikt z’n voorhoofd)Jawel!…(Tweede wachter buiten bij deur).’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is!(leest)„De zon kijkt lachend …” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!… „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”… Wonderzaad?… Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!… Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker!

[438]

Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).

Sero.Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!… ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs …(zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”…(tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).

Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe!

Kommandant.(schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt)Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken!(tot Wachter)’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe!

[Inhoud]Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441]

Derde tooneel.Sero, Droomelot, Tweede Wachter.Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …2deWachter.Begin en bek gehouen!Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben![440]Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).[441]

Sero, Droomelot, Tweede Wachter.

Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?

Sero(hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen).Ik dank u wel.[439]Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten …(laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)… kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in … Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!… „Het zij tot spijze u!”… Tot spijze … Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?

2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?

2deWachter.Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!… Gezien?… Gesnapt?

Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …

Sero(knikt).’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil …

2deWachter.Begin en bek gehouen!

2deWachter.Begin en bek gehouen!

Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …

Sero.Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijnwijtweeën, meen ’k, bij …

2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben!

2deWachter.Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben!

[440]

Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!

Sero.Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!

2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!

2deWachter.Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!

Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).

Sero.Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon …(sorteert).’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken …(De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was … ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren …(kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is)behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien!(schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).

[441]

[Inhoud]Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447]

Vierde tooneel.Droomelot, Sero.Droomelot.O, lieve God!…Sero.Pischt! Pischt!Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…[442]Droomelot.Nee, nee, meneer …Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?Sero.Buiten?[443]Droomelot.En mag ik met je mee?Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!SeroVoor wie? Voor wat?Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar![444]Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …Sero.Waarom, waarom dan, niet?Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?Droomelot.De pater zegt …Sero.De pater? Welke pater?Droomelot.De pater die hier komt …[445]Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.Droomelot.En—jij blijft achter!Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.Droomelot.Ik maak je los!Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).[447]

Droomelot, Sero.

Droomelot.O, lieve God!…

Droomelot.O, lieve God!…

Sero.Pischt! Pischt!

Sero.Pischt! Pischt!

Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!

Droomelot.O, lieve Hemel, doe me niets!

Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?

Sero.Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?

Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …

Droomelot(angstig).Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben …

Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!

Sero.De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben … Kom dichterbij!… Pischt!… Pischt!… Waar steek je nou?… Als ik nog harder schreeuw(kijkt onrustig naar kijkgat)kraait straks de wachter onraad door de gangen!… Ik ben ’t … Ik!

Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …

Droomelot.(tegen den muur)Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan …

Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…

Sero.Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen … Antwoord dan, Droomelot!… Of ben je heengegaan!…

[442]

Droomelot.Nee, nee, meneer …

Droomelot.Nee, nee, meneer …

Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?

Sero.Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben …?

Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!

Droomelot.(ontzet op de knieën vallend)O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!

Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?

Sero.Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop … De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn … De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god …? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?

Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?

Droomelot.Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet … Ben je weer buiten, vader?

Sero.Buiten?

Sero.Buiten?

[443]

Droomelot.En mag ik met je mee?

Droomelot.En mag ik met je mee?

Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!

Sero.Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind … Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?… ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend)een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend)een kast met kostbaar porcelein(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en(de tobbe bedoelend)een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!

Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!

Droomelot.O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!

SeroVoor wie? Voor wat?

SeroVoor wie? Voor wat?

Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)

Droomelot.Voor … Voor …(houdt zich in)

Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.

Sero.Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken … Ze breken uit—als ’t kan.

Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…

Droomelot(angstig starend bij ’t kloppen boven)Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!…

Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..

Sero.Ja, ja—dat is ’n moordenaar..

Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar!

Droomelot.’n Moordenaar! ’n Moordenaar!

[444]

Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…

Sero.Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!…

Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …

Droomelot.Ik heb geen uur geslapen …

Sero.Waarom, waarom dan, niet?

Sero.Waarom, waarom dan, niet?

Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …

Droomelot.Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was …

Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?

Sero.Jij ben de schuld van niets…Van niets, m’n kind … Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha!(een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen)Lach je niet mee?… Is ’r wat anders nog?.… Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?

Droomelot.De pater zegt …

Droomelot.De pater zegt …

Sero.De pater? Welke pater?

Sero.De pater? Welke pater?

Droomelot.De pater die hier komt …

Droomelot.De pater die hier komt …

[445]

Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.

Sero.Oho, ’k begrijp … Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was …(een stilte—hij glimlacht smartelijk)Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen?(zij schudt starend het hoofd).Of helpen andren óók?(zij schrikt—ontkent).Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf …(zij blijft staren).Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.

Droomelot.En—jij blijft achter!

Droomelot.En—jij blijft achter!

Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?

Sero.Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, hebikmijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt …Ikblijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets[446]geleefd …(zij kijkt hem lachend aan)Versta je kind?

Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …

Droomelot.(monter)’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik …

Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …

Sero.Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen …

Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …

Droomelot.Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk …

Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …

Sero …Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht …

Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!

Droomelot.Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!

Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.

Sero.Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.

Droomelot.Ik maak je los!

Droomelot.Ik maak je los!

Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …

Sero.Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind …

Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).

Droomelot.Ik zal.… Ik zal.…(verstart bijsleutelgerinkelbij de deur).

Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).

Sero.Je mond—je mond gehouen!(springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).

[447]

[Inhoud]Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456]

Vijfde tooneel.Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?Droomelot.Jawel, meneer …Pater.Ik ben geen heer!2deWachter.Dat weet jij toch!Droomelot.Jawel—Eerwaarde …2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).[448]Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).Pater.(haar helpend).En op aarde!Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit![449]Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).Pater.Nu! Nu!Droomelot.Ik dacht …Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …[450]Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?Droomelot.Ligt op m’n bed.Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …Droomelot.Gezondigd, hoe?[451]Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?[452]Sero.Heel juist! Héél juist!Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?Droomelot.(angstig)Nee, nee.Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld![453]Pater.Jouw vader moest gehangen worden!Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …Pater.Dat is je slecht geweten!Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …[454]Droomelot.De zonde die men erft …Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).Droomelot.Dat weet ik niet …Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…Pater.Wie?Droomelot.Onze Verlosser …Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.[456]

Droomelot, Sero, Pater, 2deWachter.

Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?

Pater(wordt door wachter binnengelaten).Liep je te praten met jezelf, m’n kind?

Droomelot.Jawel, meneer …

Droomelot.Jawel, meneer …

Pater.Ik ben geen heer!

Pater.Ik ben geen heer!

2deWachter.Dat weet jij toch!

2deWachter.Dat weet jij toch!

Droomelot.Jawel—Eerwaarde …

Droomelot.Jawel—Eerwaarde …

2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).

2deWachter.As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang!(neemt lamp mee, sluit deur).

Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?

Pater(voor stoel dankend).Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?

Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.

Droomelot.Nog niet—ik heb geen tijd gehad.

Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).

Pater.Geen tijd? Geen tijd?.… Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel!(De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).

[448]

Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …

Droomelot …Onze Vader, die in de heemlen zijt …

Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?

Pater.Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar(gebaar naar grond)of daar?(gebaar omhoog).Moet ik jou alles leeren?

Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …

Droomelot.Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is …

Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!

Pater.Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als iedermenschmet goeie hersens … Vooruit!

Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).

Droomelot …Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel …(stokt).

Pater.(haar helpend).En op aarde!

Pater.(haar helpend).En op aarde!

Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…

Droomelot.En op aarde … En geef ons heden ’t daaglijksch brood.…

Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!

Pater.Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!

Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …

Droomelot.Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven …

Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit!

Pater.Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!… Vooruit!

[449]

Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).

Droomelot.En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood …(staart droomend voor zich uit).

Pater.Nu! Nu!

Pater.Nu! Nu!

Droomelot.Ik dacht …

Droomelot.Ik dacht …

Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!

Pater.’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!

Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …

Droomelot.’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man …

Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!

Pater.Die man, dat was ’n dief!… ’t Onze-Vader! En geen verder praten!

Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!

Droomelot.En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven … Dat is ’n moordenaar … Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde …(hij beklapt ongeduldig de tafel)… Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren … Amen!

Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …

Pater.Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt … En leidt …

Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …

Droomelot.En leidt ons niet in de verzoeking …

Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …

Pater.(haar helpend)Maar verlos ons …

Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …

Droomelot.Maar verlos ons van de kwade menschen …

[450]

Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)

Pater.Van den Kwadè!(het geklop stopt)

Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)

Droomelot.En van den kwade. Amen!(bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)

Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?

Pater.Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?

Droomelot.Ligt op m’n bed.

Droomelot.Ligt op m’n bed.

Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!

Pater.Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!

Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …

Droomelot.(aarzelend den ketting loshakend)’t Is … ’t Is …

Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!

Pater.’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!

Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?

Droomelot.(af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug)Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?

Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …

Pater.’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten …

Droomelot.Gezondigd, hoe?

Droomelot.Gezondigd, hoe?

[451]

Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?

Pater.Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?

Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …

Droomelot.Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven …

Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …

Sero.(zacht)Mis! Mìs! Dat is ’t vierde …

Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!

Pater.(staat driftig op).Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?… ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!… Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!

Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …

Droomelot.(bladerend)Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven … Ik wil graag heel lang leven …

Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!

Pater.Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!… Eer kerk en overheid!

Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?

Droomelot.Waarom m’n lieven vader niet?

[452]

Sero.Heel juist! Héél juist!

Sero.Heel juist! Héél juist!

Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …

Pater.Omdat, omdat … Dat kun je op je vingers tellen. Omdat … Omdat …

Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.

Sero.(z’n vingers spreidend)Ik sta al klaar.

Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!

Pater.Omdat jouw vader kent geen God(Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!

Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!

Sero.Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!

Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?

Pater.Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?

Droomelot.(angstig)Nee, nee.

Droomelot.(angstig)Nee, nee.

Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?

Pater.Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?

Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld!

Droomelot.M’n vader heeft me nooit daarvan verteld!

[453]

Pater.Jouw vader moest gehangen worden!

Pater.Jouw vader moest gehangen worden!

Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)

Sero.Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)

Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?

Droomelot.(Is schreiend bij de tafel gaan zitten)Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?

Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!

Pater.Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!

Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?

Droomelot.(angstig)In vuur en vlammen?

Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!

Pater.Ook jij ben in de macht des Duivels, vanBeëlzebub!

Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …

Droomelot.’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt …

Pater.Dat is je slecht geweten!

Pater.Dat is je slecht geweten!

Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?

Droomelot.Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?

Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …

Pater.Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek … De zesde les was van …

[454]

Droomelot.De zonde die men erft …

Droomelot.De zonde die men erft …

Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).

Pater.Heel goed! Heb je de zevende geleerd?(zij knikt).Wanneer, wanneer kwam de Verlosser?(Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).

Droomelot.Dat weet ik niet …

Droomelot.Dat weet ik niet …

Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!

Pater.Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!

Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…

Droomelot.„Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”…

Pater.Wie?

Pater.Wie?

Droomelot.Onze Verlosser …

Droomelot.Onze Verlosser …

Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?

Pater.(legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten).Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?

Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …

Droomelot.(aarzelend)… Vader zegt ja …

Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!

Pater.Domine ne statuas illis hoc peccatum!Reken hun deze zonden niet toe!(heftig).Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt!(stapt driftig naar de deur, beklopt die)En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf!(heftiger)Al moet ’t met geweld, geweld:[455]je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!

2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?

2deWachter.Heeft u geklopt, eerwaarde pater?

Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!

Pater.(verwoed op en neer loopend—tot Wachter)Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!

2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!

2deWachter.En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!

Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!

Pater.Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op!(glijdt uit)Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!

2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…

2deWachter.(bukkend)’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar … Hoe kan?… Wie heeft?…

Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?

Pater.Naar drie en veertig! Links of rechts?

2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.

2deWachter.Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.

[456]

[Inhoud]Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).

Zesde tooneel.Droomelot, Sero.Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?Sero.Van wàt, m’n kind?Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?Sero.Nièt nà den dood, m’n kind![457]Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …Droomelot.Geen dood?Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel![458]Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!Sero.Ik óók, m’n kind.Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!Sero.Dat moet je toch!Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?[459]Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!Droomelot.O vadertje—de stem van God …Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?Droomelot.Dat weet ’k niet …Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …Droomelot.Je blijft hier niet!Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).

Droomelot, Sero.

Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!

Sero.Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest denkatechismusen de vader groene erwten … M’n kind, wat zit je stil!

Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?

Droomelot.Waarom heb je me niets geleerd van dat?

Sero.Van wàt, m’n kind?

Sero.Van wàt, m’n kind?

Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?

Droomelot.Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt …?

Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!

Sero.De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen … waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!

Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?

Droomelot.’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou …(hartstochtelijk)Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?

Sero.Nièt nà den dood, m’n kind!

Sero.Nièt nà den dood, m’n kind!

[457]

Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?

Droomelot.Wat is de dood dan, vadertje?

Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …

Sero.M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood …

Droomelot.Geen dood?

Droomelot.Geen dood?

Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel!

Sero.Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand wetenkan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikkenmag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel!

[458]

Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!

Droomelot.Ik zou zoo graag in God gelooven!

Sero.Ik óók, m’n kind.

Sero.Ik óók, m’n kind.

Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?

Droomelot.(dringend en klein-angstig)Hoe moet ik dan?

Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!

Sero.Doe zelf ’n keus—ikdwing je nièt!

Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!

Droomelot.Hij zegt: jij kent geen God!

Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?

Sero.Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?

Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …

Droomelot.(dringender)Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf …

Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …

Sero.(triestig)… Zooals in ouwe tijden …

Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!

Droomelot.(gretig)Zooals in ouwe tijden, ja!

Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?

Sero.Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?

Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!

Droomelot.(moeilijk)Ik durf alléén niet denken vader!

Sero.Dat moet je toch!

Sero.Dat moet je toch!

Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?

Droomelot.(uitbarstend)Is ’r—ìs ’r ’n God?(hij schudt ontkennend het hoofd)Je antwoordt niet!Zietonze Lieve Heer ons niet?

[459]

Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.

Sero.Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.

Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!

Droomelot.Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!

Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …

Sero.De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen …

Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …

Droomelot.(trillend)Trok-ie ’t oog ’r uit …

Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …

Sero.Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet …

Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?

Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?

Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …

Sero.De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen … Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet …

Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?

Droomelot …Onze Lieve Heer dat niet?

Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …

Sero.Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet!Ikken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren …

Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …

Droomelot.(starend)Jij kent geen oordeelsdag, geen[460]dood, geen God … Maar in den katechismus staat …

Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!

Sero.Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!

Droomelot.O vadertje—de stem van God …

Droomelot.O vadertje—de stem van God …

Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!

Sero …Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!

Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!

Droomelot.O vadertje—O schimp zoo niet!

Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!

Sero.Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:…wilje een godheid ééren—ontken hem dan,omdat hij anders één wordtmet het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimpik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimpik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen …? Zeg je vandaag: ’ris’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief … Doe zelf je keus … Ik dreig je niet!

Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …

Droomelot.’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen … Maar morgen, overmorgen, later, vader …

Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?

Sero.(starend-glimlachend)Wie weet?… Wie weet[461]wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat … Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?

Droomelot.Dat weet ’k niet …

Droomelot.Dat weet ’k niet …

Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …

Sero.Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!… Stil!… Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap!(werpt pakje door spleet)Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf …

Droomelot.Je blijft hier niet!

Droomelot.Je blijft hier niet!

Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).

Sero.Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden enjijdraagt ’t mee!(hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).

[Inhoud]Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …

Zevende tooneel.De vorigen, 2deWachter.2deWachter.Wat doe jij daar?Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend![462]2deWachter.Ik zag je springen!Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).Sero.Ik zweer je, vrind …2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).[463]Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …

De vorigen, 2deWachter.

2deWachter.Wat doe jij daar?

2deWachter.Wat doe jij daar?

Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend!

Sero.Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend!

[462]

2deWachter.Ik zag je springen!

2deWachter.Ik zag je springen!

Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).

Sero.Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven!(getik boven).

2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?

2deWachter.Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?

Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!

Sero.Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!

2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).

2deWachter.(wipt op de tafel, ziet de spleet)Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet?(springt omlaag).

Sero.Ik zweer je, vrind …

Sero.Ik zweer je, vrind …

2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!

2deWachter(hem achteruit smijtend).Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit!(draagt haar heen)Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken!(smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)… Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer!(geeft hem een schop)En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!

Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).

Sero.(pijnlijk)M’n valsche zitten lager, vrind!(hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)… Dat is(wrijft zich de borst)’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen!(staat op, zet zich op de baal—sorteert).

[463]

Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …

Droomelot.(heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze)Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij!(beklimt haar tafel)Dan klop ik bij hem aan!… Dat’s veel te hoog … Ik reik ’r zoo niet bij …(staat in gedachten)Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is …

[Inhoud]Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).—DOEK—[468]

Achtste tooneel.Sero, Droomelot, Regent.Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…Droomelot.Ik smeek je: laat me los![464]Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …Regent.En dan!Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?Droomelot.Ik kàn ’t niet!Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes![466]Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!Droomelot.Wanneer?Regent.Vandaag!Droomelot.Nog vóór den avond?Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?[467]Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).Regent.Haal ’t dan hier …Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).Droomelot.Je zei … Je zei …Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).

Sero, Droomelot, Regent.

Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?

Regent.(is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt)Lig je zoo goed, m’n schat?

Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!

Droomelot.(smeekend)Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!

Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…

Regent.Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond …(zij klemt de hand voor de lippen)Weg met je hand, dat ik je lippen kus!…

Droomelot.Ik smeek je: laat me los!

Droomelot.Ik smeek je: laat me los!

[464]

Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!

Regent.Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!

Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …

Droomelot.Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang …

Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?

Regent.(naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)Daar dan!(laat haar los)Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin!(gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast)Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!… ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién … Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!… Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?

Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …

Droomelot.(met neergeslagen oogen)M’n vader en[465]m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders … En dan … En dan …

Regent.En dan!

Regent.En dan!

Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.

Droomelot.Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.

Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!

Regent.Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!

Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?

Droomelot.(hem aanziend)Heb ik dat in mijn macht?

Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?

Regent.Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?

Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!

Droomelot.(weer angstig tegen de tafel)Ik kàn niet in jouw oogen zien!

Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?

Regent.(bedwongen)Kun je dàt niet?

Droomelot.Ik kàn ’t niet!

Droomelot.Ik kàn ’t niet!

Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes!

Regent.Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?…(met geweld haar handen vattend)’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes!

[466]

Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …

Droomelot.(worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw)Laat eerst m’n vader vrij …

Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?

Regent.(onstuimig)En als-ie ’t is?

Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …

Droomelot.(zacht en op schreien af)Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven …

Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!

Regent.Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!

Droomelot.Wanneer?

Droomelot.Wanneer?

Regent.Vandaag!

Regent.Vandaag!

Droomelot.Nog vóór den avond?

Droomelot.Nog vóór den avond?

Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!

Regent.Nog voor … Nog voor … Wanneer jij wil!

Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!

Droomelot.Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!

Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).

Regent.Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen(toont parelsnoer).

Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!

Droomelot.(doodelijk bevreesd)Ik draag alleen m’n moeders beeld!

Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?

Regent.Dan hou je dit en draagt dat van je moeder … Of hebben ze dat afgenomen?

[467]

Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).

Droomelot.Nee. Nee. Ik heb ’t daar!(met gebaar naar slaapstee).

Regent.Haal ’t dan hier …

Regent.Haal ’t dan hier …

Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!

Droomelot.Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!

Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).

Regent.Dat hoeft niet—haal ’t hier!(gaat haar na, verspert haar den weg).

Droomelot.Je zei … Je zei …

Droomelot.Je zei … Je zei …

Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).

Regent.Ik zei … Ik zei …(dringt haar in de slaapstee).

Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!

Droomelot.Hulp vader, vader, vadertje!

Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).

Sero.(die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).

—DOEK—[468]

—DOEK—[468]


Back to IndexNext