Paleis van een afrikaansch sultan. Blz. 79.Paleis van een afrikaansch sultan. Blz.79.De Victoria langzaam de aarde genaderd zijnde, hechtte zich met een der ankers aan een boomtop, dicht bij de markt. De geheele bevolking kwam op dit oogenblik weder uit zijne gaten te voorschijn, de hoofden staken er met omzichtigheid uit. Verscheidene “Waganga,” herkenbaar aan hunne teekens van kegelvormige schelpen, naderden stoutmoedig; zij waren de toovenaars der plaats. Zij droegen om hun midden kleine zwarte pakjes met vet overtrokken en verschillende voorwerpen van tooverkunst, die overigens van eene doctorale onzindelijkheid waren.Langzamerhand hoopte de menigte zich aan hunne zijden op, de vrouwen en kinderen omringden hen, de trommels wedijverden met geraas, de handen werden ten hemel opgeheven.—“Dit is hunne manier van bidden,” zeide de doctor, “als ik mij niet bedrieg zullen wij geroepen worden om eene groote rol te spelen.”—“Welnu, mijnheer! speel die.”—“Gij zelf, mijn brave Joe! zult een god worden.”—“Dat verontrust mij niet, mijnheer! en de wierook mishaagt mij niet.”Op dit oogenblik maakte een der toovenaars, een “Myanga,” een gebaar, en al het geschreeuw bedaarde op eens. Hij sprak eenige woorden tot de reizigers, maar in een onbekende taal.—Daar doctor Ferguson hem niet had verstaan, sprak hij los weg eenige Arabische woorden en men antwoordde hem terstond in die taal. De redenaar hield eene lange en bloemrijke aanspraak; de doctor bemerkte weldra dat de Victoria kort en goed voor de Maan in persoon werd gehouden en dat die beminnelijke godin zich verwaardigd had met hare drie zonen de stad te naderen, eene eer, die nooit zou worden vergeten in dit door de Zon beminde land. De doctor antwoordde met eene groote waardigheid dat de Maan alle jaren hare departementen bezoekt, omdat zij de behoefte gevoelt zich nader bij hare aanbidders te toonen; hij bad hen dus zich niet te geneeren en van hare goddelijke tegenwoordigheid misbruik te maken om hunne behoeften en wenschen te kennen te geven. De toovenaar antwoordde op zijne beurt, dat de sultan de “Mwani,” die sedert verscheidene jaren ziek was, de hulp des hemels inriep en de zonen der Maan uitnoodigde om bij hem te komen. De doctor deelde de uitnoodiging aan zijne metgezellen mede.—“En gij zult u naar dien negervorst begeven?” zeide de jager.—“Zonder twijfel. Deze lieden schijnen mij goed geluimd, de lucht is kalm, er is geen de minste wind! wij hebben voor den Victoria niets tevreezen.”—“Maar wat zult gij doen?”—“Wees gerust, mijn waarde Dick, met een klein geneesmiddel zal ik mij er uitredden.”—Toen zich tot de menigte wendende zeide hij: “De Maan, medelijden hebbende met den vorst zoo geliefd bij de inwoners vanUnyamwezy, heeft ons de zorg voor zijne genezing opgedragen; dat hij zich gereed make ons te ontvangen!”Het geschreeuw, het gezang verdubbelde, en de groote menigte zwarte hoofden zette zich in beweging.—“Nu, mijne vrienden!” zeide doctor Ferguson, “men moet alles voorzien; wij kunnen in een zeker oogenblik genoodzaakt zijn spoedig weder te vertrekken. Dick zal dus in het schuitje blijven en door middel van de gaspijp zal hij eene voldoende stijgkracht behouden. Het anker is stevig vastgemaakt, dienaangaande is er niets te vreezen. Ik zal op de aarde nederdalen. Joe zal mij vergezellen, maar hij zal aan den voet der ladder blijven.”—“Hoe! zult gij alleen naar dien Moor toegaan?”—“Hoe, mijnheer Samuel! gij wilt niet, dat ik u tot aan het einde volg?”—“Neen, ik zal alleen gaan, deze brave lieden verbeelden zich dat hunne groote godin de Maan hen is komen bezoeken, ik word door het bijgeloof beschermd; hebt dus geene vrees en blijft ieder op den post, dien ik u aanwijs.”—“Als gij het verkiest,” antwoordde de jager.—“Pas op de uitzetting van het gas.”—“Ja.”De kreten der inlanders verdubbelden, zij verzochten ernstig de hemelsche tusschenkomst.—“Ziedaar! ziedaar!” zeide Joe. “Ik vind dat zij een eenigszins bevelenden toon tegen hunne goede Maan en hare goddelijke zonen voeren.”—De doctor, voorzien van zijne reis-medicijnkist, daalde op de aarde neder, voorafgegaan van Joe, die er deftig uitzag zoo als hem betaamde. Hij ging aan den voet der ladder zitten, de beenen gekruist op Arabische wijze, en een gedeelte der menigte omringde hem eerbiedig. Gedurende dien tijd naderde doctor Ferguson, door het geluid der instrumenten geleid en vergezeld door godsdienstige wapendansen, langzaam den koninklijken “tembé,” die vrij ver buiten de stad lag; het was ongeveer drie uur en de zon schitterde, zij kon wel niets minder doen voor deze gelegenheid. De doctor liep vol waardigheid; de “waganga” omringden hem en hielden de menigte terug. Hij werd weldra ingehaald door den natuurlijken zoon des sultans, een vrij welgemaakt jongeling, die volgens de gewoonte des lands, de eenige erfgenaam der vaderlijke goederen was, met uitsluiting van de wettige kinderen; hij boog de knieën voor den Zoon der Maan, die hem met een genadig gebaar ophief.Drie kwartier daarna kwam deze in geestdrift gebrachte optocht langs schaduwrijke wegen, te midden van al de weelderigheid van een tropischen plantengroei, aan het paleis van den sultan, een soort van vierkant gebouw, Ititénya genaamd en aan de helling eensheuvels gelegen. Eene soort van waranda, gevormd door een rieten dak, stak naar buiten uit, ondersteund door houten, ruw gebeeldhouwde palen. Lange lijsten van roode klei versierden de muren, waarop gedaanten van menschen en slangen waren afgebeeld, waarvan de laatsten natuurlijk beter dan de eersten geslaagd. Het dak van deze woning rustte niet onmiddellijk op de muren en de lucht kon er vrij doorstroomen, voor het overige waren er geene vensters en nauwelijks eene deur.Doctor Ferguson werd met groote eerbewijzingen ontvangen door de wachten en gunstelingen, menschen van een schoon ras der Wanyamwezis, een zuivere type der volkeren van Midden-Afrika, sterk en welgemaakt. Hunne haren vielen in een groot aantal kleine vlechten op hunne schouders neder; door middel van zwarte of blauwe insnijdingen streepten zij hunne wangen van de slapen tot aan den mond. Hunne ooren, afschuwelijk uitgerekt, droegen schijven van hout en kopaalgom, zij waren gekleed in linnen van schitterende kleuren; de soldaten waren gewapend met de sagaai, den boog en de met weerhaken voorziene pijl, vergiftigd met het sap van de wolfsmelk, het mes, den “sime,” een lange getande sabel en met kleine strijdbijlen.De doctor ging het paleis binnen. Daar verdubbelde bij zijne aankomst het geraas, in spijt van des Sultan’s ziekte. Hij bemerkte aan den bovendrempel der deur staarten van hazen, en manen van zebra’s, die bij wijze van talisman waren opgehangen. Hij werd door de vrouwen van Zijne Majesteit ontvangen, bij de welluidende tonen van den “upatu,” eene soort van cimbaal van den bodem eener koperen pot gemaakt en bij het geraas van den “kilindo,” een trommel van vijf voet hoog, uit een boomstam uitgehold en waarop men met vuistslagen speelde.De meesten dezer vrouwen schenen zeer schoon en rookten lachende tabak en thang uit groote zwarte pijpen; zij schenen welgemaakt onder haar bevallig omgeslagen lang kleed en droegen de “kilt” van vezelen van den kalebasboom gemaakt om haar midden vastgemaakt.Zes van haar waren niet de minst vroolijke van dezen troep, hoewel zij afzonderlijk geplaatst en tot eene wreede marteling bestemd waren. Zij moesten bij den dood des Sultans levend met hem worden begraven, om hem gedurende de eeuwige eenzaamheid gezelschap te houden.Doctor Ferguson, na alles met een oogwenk te hebben overzien, naderde het bed van den vorst. Daar zag hij een man van ongeveer 40 jaar oud, geheel verdierlijkt door allerlei uitspattingen en waaraan niets te doen was. De ziekte, die reeds jaren duurde, was slechts eene altijd durende dronkenschap. Deze koninklijke dronkaard had langzamerhand het bewustzijn verloren en al het ammonium der wereld zou hem niet weder op de been hebben gebracht.De wegvoering van den toovenaar. Blz. 83.De wegvoering van den toovenaar. Blz.83.De gunstelingen en vreemden bogen de knieën gedurende ditplechtig bezoek. Door middel van eenige druppels van een sterk opwekkend middel, bracht de doctor voor een oogenblik eenig leven in dit verdierlijkte lichaam; de Sultan maakte eene bewegingen dit verschijnsel werd waargenomen met eene verdubbeling van kreten ter eere van den geneesheer, omdat er in dat lichaam sedert uren geen teeken van leven te bespeuren was geweest. Deze, die er genoeg van had, verwijderde door eene snelle beweging zijne te ijverige aanbidders en ging het paleis uit; hij richtte zich naar den ballon. Het was zes uur des avonds.Joe wachtte in zijne afwezigheid bedaard aan den voet der ladder; de menigte bewees hem de grootste eer. Als ware zoon der Maan, liet hij hen begaan. Hij zag er voor eene godheid vrij goed uit; hij was niet trotsch, zelfs gemeenzaam met de jonge Afrikaansche vrouwen, die niet moede werden hem te beschouwen. Hij sprak vriendelijk met haar.—“Aanbidt, dames, aanbidt me,” zeide hij, “ik ben een goede kerel, hoewel zoon eener godin!”Men bood hem de zoengeschenken aan, die gewoonlijk worden nedergelegd in de “mzimu” of fetishutten; zij bestonden uit gerstenaren en “pombé,” Joe geloofde verplicht te zijn dit soort van krachtig bier te proeven, maar zijn verhemelte, hoewel gewoon aan jenever en wiskey, kon dien straffen drank niet verdragen. Hij grijnslachte zóó afschuwelijk, dat de aanwezigen het voor een beminnelijk glimlachen hielden. Vervolgens voerden de jonge meisjes, hare stemmen in eene slepende melodie vereenigende, een statigen dans rondom hem uit.—“O! gij danst,” zeide hij, “welnu! ik zal bij u niet achter blijven en u een dans van mijn land toonen.”Hij begon een betooverende horlepijp, zich wringende, uitrekkende, op de knieën en handen dansende, buitensporige verdraaiingen uitvoerende in ongeloofelijke standen en onmogelijke gebaren, en hij gaf aldus aan dat volk een vreemd denkbeeld van de wijze waarop de goden op de maan dansen.Al die Afrikanen, nabootsers als de apen, hadden weldra zijne sprongen en schuddende bewegingen nagevolgd; hun ontging geen enkel gebaar, zij vergaten geene enkele houding; het was toen eene verwarring, een gewoel, eene ontroering, waarvan men moeielijk een denkbeeld kan geven. Op het fraaiste van het feest zag Joe den doctor. Deze kwam in alle haast terug, te midden eener huilende en opgewonden menigte. De toovenaars en opperhoofden schenen zeer verbitterd. Men omringde den doctor en dreigde hem.Vreemde omkeer! Wat was er voorgevallen? Was de Sultan ongelukkig bezweken onder de handen van zijn hemelschen geneesheer? Kennedy zag van zijn post het gevaar, zonder de oorzaak er van te begrijpen. De ballon, sterk gezwollen door de uitzetting van het gas, spande het touw, dat hem terughield, ongeduldig om op te stijgen. De doctor kwam aan den voet van de ladder. Eene bijgeloovige vrees weerhield nog de menigte om zijn persoon geweld aan te doen; hij klom de sporten spoedig op en Joe volgde hem vlug.—“Er is geen oogenblik te verliezen,” zeidezijn meester. “Tracht het anker niet te lichten! Wij zullen het touw doorsnijden, volg mij.”—“Maar wat is er dan?” vroeg Joe, terwijl hij het schuitje beklom.—“Wat is er gebeurd?” vroeg Kennedy, met zijne karabijn in de hand.—“Zie,” antwoordde de doctor, naar den horizon wijzende.—“Welnu?” vroeg de jager.—“Welnu, daar is de maan.”—De maan kwam inderdaad op, rood en prachtig, een vurige bal op een azuren grond. Zij was het wel! Zij en de Victoria! Of er waren twee manen, of de vreemdelingen waren slechts bedriegers, indringers en valsche goden! Dus waren de natuurlijke overleggingen der menigte. Vandaar die omkeer. Joe kon niet nalaten in lachen uit te barsten. De bevolking van Kazeh, begrijpende dat hare prooi haar ontsnapte, hief een lang gehuil aan; bogen en musketten werden op den ballon gericht. Maar een der toovenaars gaf een teeken. De wapens werden nedergelegd; hij klom in den boom met het doel om het ankertouw te grijpen en den toestel op den grond te halen. Joe snelde toe met eene bijl in de hand.—“Moet ik afkappen?” zeide hij.—“Wacht” antwoordde de doctor.—“Maar die neger?”.... “Wij zullen misschien ons anker kunnen behouden en ik hecht daaraan. Het zal altijd tijds genoeg zijn om het te kappen.”De toovenaar in den boom geklommen zijnde, deed zoo goed zijn best, dat hij door de takken te breken, het anker losmaakte, dat nu, sterk aangehaald door den luchtballon, den toovenaar tusschen zijne beenen ving en hem in de hoogte hief. De verbazing der menigte was groot toen zij een harer Wagangas in de hoogte zag stijgen.—“Hoezee!” riep Joe, terwijl de Victoria, dank zij zijne stijgkracht, met eene groote snelheid rees.—“Hij houdt zich goed,” zeide Kennedy, “eene kleine reis zal hem geen kwaad doen.”—“Zullen wij dien neger eensklaps loslaten?” vroeg Joe.—“Foei!” hernam de doctor, “wij zullen hem zacht op de aarde nederzetten, en ik denk, dat een dergelijk voorval het geloof aan zijne macht van toovenaar bij zijn landgenooten aanmerkelijk zal doen toenemen.”—“Zij zijn in staat een god van hem te maken,” riep Joe uit.De Victoria was op eene hoogte van ongeveer 1000 voet gekomen. De neger hield zich met eene buitengemeene kracht aan het touw vast; hij zweeg, zijne oogen bleven vast op één punt staren. Zijne vrees werd met verwondering gemengd. Een lichte westewind stuurde den ballon naar de andere zijde der stad. Een half uur later matigde de doctor, het land verlaten ziende, de vlam van zijne gaspijp en naderde de aarde. Op twintig voet afstands van den grond koos de neger spoedig zijne partij; hij nam een sprong, kwam op zijne beenen te land en vluchtte naar Kazeh terwijl de Victoria weder opsteeg.1Opperhoofd der karavaan.XVI.Voorteeken van onweer.—Het land der Maan.—De toekomst van Afrika.—Het werktuig van het laatste uur.—Gezicht van het land bij ondergaande zon.—Bloemen en planten.—Het onweder.—De vuurgordel.—De sterrenhemel.“Dat heet ik nu voor zonen der Maan door te gaan zonder hare toestemming” zeide Joe; “zij heeft ons daar bijna een leelijken trek gespeeld! Zoudt gij misschien, meester, haar goeden naam bezwalkt hebben door uw geneesmiddel?”—“Wie was die Sultan van Kazeh?” vroeg de jager.—“Een oude, halfdoode dronkaard,” antwoordde de doctor, “wiens verlies zich niet zeer levendig zal doen gevoelen. Maar de zedeles hieruit is, dat eerbewijzen vergankelijk zijn en dat men er niet te veel aan moet hechten.”—“Des te erger,” zeide Joe, “het beviel mij wel! Aangebeden te worden! Naar willekeur voor god te spelen! Maar wat wilt gij? de maan heeft zich vertoond en wel geheel rood, hetgeen bewijst dat zij boos was!”—Gedurende deze gesprekken en andere, waarin Joe de koningin der nacht uit een geheel nieuw oogpunt beschouwde, bedekte de hemel zich in het noorden met dikke wolken; een vrij hevige wind, beginnende op 300 voet afstand van den grond, richtte den ballon naar het noord-noord-oosten; boven hem was het azuren gewelf helder, maar men voelde dat het drukkend was.De nijlpaarden. Blz. 88.De nijlpaarden. Blz.88.De reizigers bevonden zich tegen 8 uur ’s avonds op 32° 40′ lengte en 4° 17′ breedte; de stroomen van den dampkring, onder den invloed van een naderend onweder, stuwden hen voort met eene snelheid van 30 à 35 mijlen in het uur. Onder hunne voeten gingen de golvende en vruchtbare vlakten van Mfuto snel voorbij. Het schouwspel daarvan was allerprachtigst en werd bewonderd.—“Wij zijn in het midden van het land der Maan,” zeide doctor Ferguson, “want het heeft den naam behouden, dien de oudheid het heeft gegeven, zonder twijfel, omdat de maan er ten allen tijde aangebeden was. Het is waarlijk een prachtig land.”—“Men kon moeielijk een schooneren plantengroei ontmoeten.”—“Als men dezen rondom Londen vond, zou het niet natuurlijk zijn,” zeide Joe, “maar het zou zeer aangenaam wezen! Waarom vindt men deze fraaie zaken alleen in onbeschaafde landen.”—“Weet men dan,” hernam de doctor, “of deze landstreek niet te eeniger tijd het middelpunt der beschaving zal wezen? De volken der toekomst zullen misschien daartoe geraken, als de landen van Europa te uitgeput zijn om hunne inwoners te voeden.”—“Gelooft gij dat?” zeide Kennedy.—“Zonder twijfel, mijn waarde Dick. Zie den loop der gebeurtenissen, beschouw de achtereenvolgende volksverhuizingen en gij zult tothetzelfde besluit komen als ik. Azië is de eerste voedster van het menschdom, is het niet zoo? Gedurende 4000 jaren misschien werkt het, wordt bevrucht, brengt voort en vervolgens, toen de steenen blootkwamen,daar, waar de goudgele oogsten van Homerus ontkiemden, verlieten zijn bewoners haren uitgeputten en verwelkten schoot. Gij ziet hen dan naar Europa komen, Europa, jong en matig, dat hen sedert 2000 jaren voedt. Maar reeds wordt Europa’s vruchtbaarheid minder; hare voortbrengende vermogens nemen dagelijks af, die nieuwe ziekten, waarmede ieder jaar de voortbrengselen der aarde worden aangetast, die mislukte oogsten, die onvoldoende hulpmiddelen, dat alles is het zekere teeken van eene levenskracht die bederft, van eene aanstaande uitputting. Wij zien ook reeds de volken zich naar Amerika begeven, even als naar eene bron, die niet onuitputtelijk is, maar waaruit men nooit heeft geput. Dat nieuwe vasteland zal op zijne beurt oud worden, zijne door geene menschenhanden aangeraakte wouden zullen vallen onder de bijl der nijverheid; zijn grond zal verzwakken omdat hij te veel heeft voortgebracht, omdat men te veel van hem heeft geëischt. Daar, waar jaarlijks twee oogsten rijpen, zal er nauwelijks één goed gelukken, omdat die gronden uitgeput raken. Dan zal Afrika aan de nieuwe geslachten de sedert eeuwen in zijn schoot opgehoopte schatten aanbieden. Deze klimaten, noodlottig voor de vreemdelingen, zullen gezuiverd worden door de verdeeling in akkers en de besproeiing; deze verstrooide wateren zullen zich in eene algemeene kom vereenigen om een bevaarbaar water te vormen. En dit land, waarboven wij zweven, vruchtbaarder, rijker, met meer levenskrachten begiftigd dan de anderen, zal een of ander groot koninkrijk worden, waar men van nog wonderbaarlijker ontdekkingen zal hooren dan de stoom en de electriciteit.”—“Ah! mijnheer,” zeide Joe, “dat zou ik wel willen zien.”—“Overigens,” zeide Kennedy, “het tijdstip, waarop de nijverheid alles tot haar voordeel zal aanwenden, moet vervelend zijn! Door werktuigen uit te vinden, zullen de menschen zich door hen laten vernielen! Ik heb mij altijd voorgesteld dat de laatste dag der wereld die zou zijn, waarop een zekere ontzettend groote ketel, heet gemaakt op eene drukking van 3000 millioen atmospheren1, onze aardbol zal doen springen.”—“En ik voeg er bij,” zeide Joe, “dat de Amerikanen niet de laatsten zullen geweest zijn om aan de machine te werken.”—“Inderdaad,” antwoordde de doctor, “zij zijn groote ketelmakers! Maar zonder ons door dergelijke redeneeringen te laten medeslepen, laten wij ons tevreden stellen met dit land der Maan te bewonderen, dewijl het ons gegeven is het te zien.”De zon, hare laatste stralen door de massa’s opeengehoopte wolken nederschietende, versierde de minste verhevenheden van den grond met eene gouden kruin, reusachtige boomen, heesterachtigeplanten, mosplanten langs den grond, alles had zijn deel van dezen stroom van licht, en het eenigszins golvende terrein verhief zich hier en daar tot kleine kegelvormige heuvels; er waren geen bergen aan den horizon, onmetelijke palissaden van struikgewas, ondoordringbare heggen, doornstruiken scheidden de opene plekken van elkander, waar talrijke dorpen verspreid lagen; de reusachtige wolfsmelk omsloot hen met natuurlijke verschansingen, terwijl zij zich vermengden met de koraalvormige takken der heesters.Weldra begon de Malagazari, de voornaamste tak van het meer Tanganayika, te kronkelen onder de groene boschjes; hij verleende eene schuilplaats aan die groote menigte wateren, ontvloeid aan bergstroomen, die gezwollen zijn ten tijde van den aanwas van het water, of aan poelen in de kleiachtige laag van den grond gegraven. Voor hen, die het van uit de hoogte beschouwden, was het een net van watervallen over het geheele westelijke gedeelte des lands gespreid. Beesten met groote bulten graasden in de vette weiden en waren bijna geheel door het lange gras verborgen; de wouden, die heerlijke geuren uitwasemden, vertoonden zich aan het oog als groote ruikers; maar in die ruikers vluchtten leeuwen, luipaarden, hyena’s en tijgers om aan de hitte van den dag te ontkomen. Somtijds deed een olifant de kruin van het kreupelhout golven en men hoorde het gekraak der takken die voor de kracht van zijne slagtanden bezweken.“Welk een land voor de jacht!” riep Kennedy verrukt uit; “een kogel in het wild geschoten in dit woud zou een stuk wildbraad zijner waardig ontmoeten! Zou men het niet eens kunnen beproeven?”—“Neen, mijn waarde Dick! de nacht is op handen, een nacht dreigende met een onweder. De onweders zijn verschrikkelijk in deze streken, waar de heete grond gelijk is aan eene ontzettende electrische batterij.”—“Gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide Joe, “de hitte is verstikkend geworden, de wind is geheel gaan liggen, men gevoelt dat er iets op til is.”—“De dampkring is overladen met electriciteit,” antwoordde de doctor, “elk levend wezen is gevoelig voor deze gesteldheid der lucht, die de worsteling der elementen voorafgaat, en ik beken dat ik nooit zoozeer daarvan doordrongen was als nu.”—“Welaan!” vroeg de jager, “zou dit geen reden zijn om te dalen?”—“Juist integendeel, Dick! ik zou liever willen stijgen. Ik vrees slechts verder van mijn weg medegesleept te worden, terwijl deze luchtstroomen elkander kruisen.”—“Wilt gij dan de richting verlaten, die wij van de kust af volgen?”—“Als het mij mogelijk is,” antwoordde Ferguson,“zou ik liever zeven of acht graden noordelijker opgaan; ik zal trachten aan de vermoedelijke breedte der bronnen van den Nijl te komen, misschien zullen wij eenige sporen ontdekken van de expeditie van kapitein Speke of van de karavaan van M. de Heuglin. Als mijne aanteekeningen juistzijn, bevinden wij ons op 32° 40′ lengte, en ik wil rechtstreeks naar de andere zijde van den evenaar gaan.”—“Zie eens,” zeide Kennedy, zijn metgezel in de reden vallende, “zie eens deze nijlpaarden, die uit de poelen slurpen, en die krokodillen, die de lucht zwaar inademen!”—“Zij stikken,” zeide Joe. “O welk eene aangename manier van reizen, hoe tart en veracht men al dit kwaadaardige ongedierte! Mijnheer Samuel! Mijnheer Kennedy! Ziet toch eens die troepen dieren, die in gesloten gelederen loopen! Zij zijn wel twee honderd in getal, het zijn wolven.”—“Neen, Joe! het zijn wilde honden; het is een verschrikkelijk ras, dat niet bang is om leeuwen aan te vallen. Het is de ontzettendste ontmoeting die een reiziger hebben kan. Hij wordt terstond verscheurd.”—“Goed, Joe zal er wel voor passen hun een muilband om te doen,” antwoordde de beminnelijke jongen; “maar als het in hun aard ligt kan men het hun niet kwalijk nemen.”Langzamerhand werd het stiller onder den invloed van het onweder; het scheen dat de verdikte lucht ongeschikt werd om het geluid voort te planten; de dampkring scheen als gewatteerd en verloor, even als eene zaal met tapijtwerk behangen allen weerklank. De roeier (een hoogvliegende vogel), de gekroonde kraanvogel, de roode en blauwe meerkollen, de spotvogel, de vliegeneter verdwenen in de groote boomen. De geheele natuur bood de voorteekenen aan van een aanstaand onweder.De Victoria gedurende het onweder. Blz. 90.De Victoria gedurende het onweder. Blz.90.Ten negen uur des avonds bleef de Victoria onbeweeglijk boven Mséné, eene groote menigte vereenigde dorpen, die nauwelijks in de schaduw zichtbaar waren; soms wees de terugkaatsing van een zonnestraal in het stille water regelmatig verdeelde grachten aan, en door eene laatste verlichting kon men de gedaante der palmen, tamarinden, wilde vijgeboomen en reusachtige wolfsmelkboomen waarnemen.—“Ik stik,” zeide de Schot, de ijl geworden lucht met volle teugen inademende, “wij bewegen niet meer! Zullen wij dalen?”—“En het onweder?” zeide de doctor vrij ongerust.—“Als gij vreest door den wind medegesleept te worden, schijnt het mij toe, dat gij geene andere partij te kiezen hebt.”—“Het onweder zal misschien niet vóór den nacht losbarsten,” zeide Joe, “de wolken zijn zeer hoog.”—“Dat is zelfs eene reden, die mij doet aarzelen er boven te stijgen; men zou tot eene groote hoogte moeten rijzen, de aarde uit het gezicht verliezen en den geheelen nacht niet weten of wij voortgaan en naar welken kant wij voortgaan.”—“Neem een besluit, waarde Samuel! er is haast bij.”—“Het is verdrietig dat de wind is gaan liggen,” hernam Joe, “hij zou ons ver van het onweder gevoerd hebben.”—“Dat is te bejammeren, mijne vrienden! De wolken zijn voor ons gevaarlijk; zij bevatten tegenovergestelde stroomen, die ons in hun draaikolk kunnen slepen en bliksemvuren, die in staat zijn ons inden brand te steken. Aan den anderen kant kan de kracht van den rukwind ons ter aarde werpen als wij het anker in den top van een boom werpen.”—“Wat dan te doen?”—“Wij moeten den ballon ineene streek houden, in het midden tusschen de gevaren der aarde en die des hemels. Wij hebben water genoeg voor de gaspijp en onze twee honderd pond ballast zijn nog onaangeroerd. Des noods zou ik mij daarvan bedienen.”—“Wij zullen met u waken,” zeide de jager.—“Neen, mijne vrienden! brengt den mondvoorraad in veiligheid en gaat slapen, ik zal u wekken als het noodig is.”—“Maar meester, zoudt gij niet wel doen zelf rust te nemen, dewijl ons nog niets bedreigt?”—“Neen, ik dank u, mijn jongen! ik wil liever waken. Wij zitten onbeweeglijk, en als de omstandigheden niet veranderen, zullen wij ons morgen precies op dezelfde plaats bevinden.”—“Goeden avond, mijnheer!”—“Goeden nacht, als het mogelijk is.”—Kennedy en Joe, strekten zich onder hunne dekens uit en de doctor alleen bleef waken.Echter daalde de massa wolken langzamerhand en het werd pikdonker. Het zwarte gewelf omringde den aardbol als om hem te verpletteren. Eensklaps kliefde een sterke bliksemstraal de duisternis; nauwelijks was de scheur door haar ontstaan, gesloten, of een hevige donderslag deed hemel en aarde schudden.—“Op!” riep Ferguson. De twee slapers op dit vreeslijk geraas wakker geworden, stelden zich te zijner beschikking.—“Dalen wij?” zeide Kennedy.—“Neen, de ballon zou dit niet kunnen weerstaan. Laat ons stijgen—voordat de wolken zich in water oplossen en de wind opsteekt.” En hij richtte de vlam van de gaspijp in de spiralen der slang.De onweders onder de keerkringen ontwikkelen zich met eene snelheid, die aan hunne hevigheid evenredig is. Een tweede bliksemstraal kliefde de wolk en werd door twintig anderen gevolgd. De hemel was als bezaaid met electrieke vonken, die tusschen de groote regendroppels heendwarlden.—“Wij hebben ons verlaat,” zeide de doctor, “wij moeten met onzen ballon, die met ontvlambare lucht gevuld is, eene streek van vuur doortrekken!”—“Maar op de aarde?” hernam Kennedy.—“Het gevaar om door den bliksem getroffen te worden, zou bijna hetzelfde zijn, en wij zouden spoedig aan de takken der boomen blijven hangen.”—” Wij stijgen, mijnheer Samuel!”—“Spoediger! Nog spoediger!”In dit gedeelte van Afrika is het, gedurende de onweders onder den evenaar, niet zeldzaam dertig à vijf-en-dertig bliksemstralen in de minuut te tellen. De hemel staat letterlijk in vuur en de donderslagen houden niet op. De wind stak met eene verschrikkelijke hevigheid op in dezen ontvlamden dampkring; hij zweepte de heete wolken; het geleek op het blazen van een blaasbalg, die den brand deed aanwakkeren.Doctor Ferguson hield zijne gasvlam op de volle hitte; de ballon zette zich uit en steeg; Kennedy in het midden van het schuitje op de knieën liggende, hield de zeilen der tent tegen. De ballon draaideom duizelig te worden, en de reizigers ondervonden onrustbarende schommelingen. Er kwamen groote deuken in het bekleedsel van den luchtballon; de wind vloog er met hevigheid in, en het taf kraakte onder zijn druk. Eene soort van hagel, voorafgegaan door een vreeslijk geraas, doorkliefde den dampkring en kletterde op den ballon. Deze steeg evenwel; de bliksemstralen verlichtten zijn omtrek, hij dreef midden in het vuur.—“Wij zijn in Gods hand,” zeide Ferguson; “Hij alleen kan ons redden. Laat ons op ieder geval voorbereid zijn, zelfs op brand, onze val kan niet snel zijn.”De stem des doctors kwam nauwelijks tot het oor zijner metgezellen, maar zij konden zijn kalm gelaat zien te midden der bliksemflitsen; hij beschouwde de verschijnselen van phosphorieke verlichting, voortgebracht door het Sint Elmus vuur, dat boven den luchtballon zweefde. Deze draaide en dwarrelde, maar steeg steeds; na een kwartier was hij boven de onweerswolken; de electrieke stroomen ontwikkelden zich onder hem, even alsof een groote cirkel vuurwerk aan het schuitje hing. Dit was een der schoonste schouwspelen, die de natuur den mensch kan geven. Beneden het onweder, boven den sterrenhemel, kalm en bedaard, met de maan, die hare vreedzame stralen op de jagende wolken wierp. Doctor Ferguson raadpleegde den barometer, hij wees 12000 voet hoogte aan. Het was elf uur ’s avonds.—“Den hemel zij dank, alle gevaar is voorbij,” zeide hij, “het is nu voldoende, dat wij ons op deze hoogte houden.”—“Het was verschrikkelijk,” antwoordde Kennedy.—“Goed,” hernam Joe, “dit gaf een weinig variatie aan de reis, en het spijt mij volstrekt niet een onweder van uit de hoogte te hebben gezien, het is een fraai schouwspel.”1Ontleend aan de stoommachines, wier kracht door atmospherendrukking wordt gemeten.XVII.Het Maangebergte.—Een oceaan van groen.—Men werpt het anker.—De olifant als stoomsleper.—Onderhouden vuur.—Dood van het dier.—De veldoven.—Maaltijd op het gras.—Een nacht op de aarde.Des Maandags tegen vier uur des morgens kwam de zon boven den horizon; de wolken verspreidden zich en een aangename wind verfrischte den eersten morgenglans. De aarde verscheen weder voorde oogen der reizigers. De ballon op de plaats omdraaiende, te midden der tegenovergestelde luchtstroomen, was bijna niets afgeweken; de doctor het gas temperende, deed hem eindelijk dalen om eene meer noordelijke richting te krijgen. Lang zocht hij te vergeefs, de wind sleepte den ballon naar het westen tot in het gezicht van het beroemde Maangebergte, dat in een halven cirkel rondom het uiteinde van het meer Tanganayika lag; deze bergketen weinig oneffen, teekende zich met eene blauwachtige tint aan den horizon af; men zou gezegd hebben dat het eene natuurlijke vesting was, onoverschrijdbaar voor de onderzoekers van het midden van Afrika, en eenige alleen staande kegels droegen de sporen van altijddurende sneeuw.—“Hier zijn wij nu,” zeide de doctor, “in een nooit doorzocht land; kapitein Burton is ver in het westen gekomen, maar hij heeft deze befaamde bergen niet kunnen bereiken; hij heeft zelfs hun bestaan ontkend, dat door Speke, zijn metgezel, werd bevestigd; hij beweert dat zij ontstaan zijn in de verbeelding van dezen laatsten; voor ons, mijne vrienden, is geen twijfel meer mogelijk.”—“Zullen wij er over trekken?” vroeg Kennedy.—“Neen, als het God behaagt; ik hoop een gunstigen wind te vinden, die mij naar den evenaar terugbrengt, ik zal zelfs wachten als dat noodig is en ik zal met onzen ballon doen, even als met een schip dat het anker uitwerpt bij tegenwind.”Maar wat de doctor voorzien had gebeurde weldra; na verschillende hoogten te hebben beproefd, ging de Victoria noordwaarts op met eene middelmatige snelheid.—“Wij zijn in de goede richting,” zeide hij, zijn kompas raadplegende, “en nauwelijks 200 voet van den grond af, hetgeen alles gelukkig samenwerkt tot het onderzoeken dezer nieuwe streken; toen kapitein Speke uitging op de ontdekking van het meer Ukéréoué, ging hij meer oostwaarts, in eene rechte lijn boven Kazeh.”—“Zullen wij lang zoo gaan?” vroeg Kennedy.—“Misschien, ons doel is een weinig naar den kant van de bronnen van den Nijl te gaan en wij moeten meer dan 600 mijlen doorreizen tot aan de uiterste grenzen, die de onderzoekers, uit het noorden gekomen, hebben bereikt.”—“En zullen wij geen voet op de aarde zetten?” vroeg Joe, “om de beenen een weinig los te maken?”—“Zeker; wij moeten ook met onze levensmiddelen spaarzaam zijn, en gij mijn beste Dick, zult ons verder nog van versch vleesch voorzien.”—“Zoodra gij wilt, Samuel!”—“Wij moeten ook onzen voorraad water vernieuwen, wie weet of wij ook niet naar waterlooze streken zullen gevoerd worden? Men kan niet te veel voorzorgen nemen.”De Victoria op sleeptouw van een olifant. Blz. 95.De Victoria op sleeptouw van een olifant. Blz.95.Des middags bevond de ballon zich op 29° 15′ lengte en 3° 15′ breedte. Hij ging over het dorp Uyofu, laatste noordelijke grens vanUnyamwezy, op de hoogte van het meer Ukéréoué, dat men nog niet kon ontdekken. De volksstammen dicht bij den evenaarschijnen een weinig beschaafder te zijn en worden door monarchen bestuurd, wier despotismus onbeperkt is; het dichtsbewoond is het landschap Karagwah. De drie reizigers besloten op deeerste gunstige plaats op de aarde te dalen. Men moest langer stil houden en de luchtballon zou zorgvuldig nagezien worden; de vlam van de gaspijp was gematigd; de ankers buiten het schuitje hangende, sleepten weldra over het gras eener uitgestrekte weide, die van zekere hoogte bekeken met eene dunne graslaag bedekt scheen, maar die in werkelijkheid begroeid was, met gras ter hoogte van zeven à acht voet dik. De Victoria raakte dit gras aan zonder het te buigen, even als een reusachtige vlinder; geen enkele plek waar het anker kon ingrijpen, het was als een onafgebroken oceaan van groen. “Wij zullen aldus lang kunnen voortgaan,” zeide Kennedy, “ik zie geen boom, dien wij kunnen naderen, ik geloof dat van de jacht niet veel zal komen.”—“Wacht wat, mijn waarde Dick, gij zoudt in dit gras, dat taaier is dan gij zelf, niet kunnen jagen; wij zullen wel eene gunstige plaats vinden.”Het was in waarheid eene bekoorlijke wandeling, een ware vaart over die zoo groene, bijna doorschijnende zee, met zachte golvingen, door den wind veroorzaakt. Het schuitje rechtvaardigde zijn naam en scheen de golven te doorklieven, met dit onderscheid dat soms eene vlucht prachtig gekleurde vogels met vreugdekreten uit het gras te voorschijn kwam; de ankers sleepten door dit meer van bloemen en maakten eene vore, die achter hen sloot even als het kielzog van een schip. Plotseling kreeg de ballon een hevigen schok, het anker was zonder twijfel vastgeraakt in eene rotsspleet, die onder dit hooge gras was verborgen.—“Wij zitten vast,” zeide Joe.—“Welnu! werp de ladder uit,” antwoordde de jager.Deze woorden waren nauwelijks geuit of een schorre kreet weergalmde in de lucht, terwijl de reizigers het volgende, onsamenhangende gesprek voerden.—“Wat is dat?”—“en vreemde kreet.”—“Zie, wij gaan voort!”—“Het anker is losgeraakt.”—“Wel neen! het zit altijd vast,” zeide Joe, die het touw naar zich toehaalde.—“De rots loopt.”—Eene groote beweging had plaats in het gras, en weldra verhief zich eene langwerpige gedaante daarboven.—“Eene slang!” zeide Joe.—“Eene slang!” riep Kennedy uit, den haan zijner karabijn overhalende.—“Neen!” zeide de doctor, “het is een olifantsnuit.”—“Een olifant, Samuel?” En Kennedy, dit zeggende, schouderde zijn geweer.—“Wacht, Dick!”—“Zonder twijfel! Het dier heeft ons op sleeptouw genomen.”—“En wel naar den goeden kant.”De olifant ging met eene zekere snelheid voort en kwam weldra aan eene opene plek, waar men hem geheel kon zien; aan zijne reusachtige gestalte herkende de doctor een mannetje van een prachtig ras: hij droeg twee witachtige slagtanden, die op eene bewonderenswaardige wijze waren gebogen en acht voet lang waren, het anker zat daar stevig tusschen.Het dier beproefde te vergeefs zich met zijn snuit van het touwte ontdoen, waarmede het aan het schuitje was vast gemaakt.—“Vooruit” riep Joe uit, ten toppunt van vreugde, en zoo goed hij kon dit vreemde span aanzettende. “Dit is weer eene nieuwe manier van reizen! Wij doen het niet minder!—Een olifant als ’t u blieft!” “Maar waarheen voert hij ons?” vroeg Kennedy. Zijne karabijn brandde hem in de hand.—“Hij voert ons waar wij heen willen mijn waarde Dick, een weinig geduld!”—“Voorwaarts! Voorwaarts!” schreeuwde de verheugde Joe.Het dier liep nu in snellen galop; het wierp zijn snuit rechts en links, en door zijne sprongen gaf het hevige schokken aan het schuitje. De doctor was met de bijl in de hand gereed het touw door te snijden als het noodig was.—“Maar” zeide hij, “wij zullen ons slechts op het laatste oogenblik van ons anker scheiden.”Deze tocht op sleeptouw van een olifant duurde bijna anderhalf uur; het beest scheen in het minst niet vermoeid. Deze ontzaglijke dikhuidige dieren kunnen verre wegen afleggen en van den eenen dag op den anderen vindt men hen op groote afstanden, even als de walvisschen, aan welke zij gelijk zijn in grootte en snelheid.—“Het is een walvisch, dien wij geharpoend hebben,” zeide Joe “en wij bootsen slechts de bewegingen der walvischvaarders gedurende hunne vangst na.” Maar eene verandering in de gesteldheid van het terrein verplichtte den doctor zijn middel van beweging te wijzigen. Een dik bosch van camaldoren verscheen ten Noorden van het weiland op ongeveer drie mijlen afstands, waardoor het noodig werd den ballon van zijn sleeper te scheiden. Kennedy werd dus belast om den olifant in zijn loop te stuiten; hij legde zijne karabijn aan, maar zijne stelling was niet gunstig om het dier met goed gevolg te treffen; een eerste kogel op den schedel gericht, sloeg plat als op een pantserplaat, het dier scheen er niet door verontrust te zijn; op het geluid der losbranding versnelde het zijn galop en zijne vaart was gelijk aan die van een hollend paard.—“Duivels!” zeide Kennedy, “welk een harde kop!” zeide Joe.—“Wij zullen eenige puntkogels boven op den schouder beproeven,” hernam Dick, zijne karabijn zorgvuldig ladende, en hij gaf vuur. Het dier stootte een verschrikkelijker! kreet uit, maar ging steeds voort. “Laat ons zien,” zeide Joe, zich met een der geweren wapenende, “ik moet u helpen, mijnheer Dick, of er komt geen einde aan.” En twee kogels troffen de zijde van het dier. De olifant bleef stilstaan, stak zijn snuit in de hoogte, maar hernam met alle snelheid zijn loop naar het bosch, hij schudde zijn ontzaglijken kop en het bloed begon bij stroomen uit zijne wonden te vloeien.—“Wij moeten voortgaan met vuren mijnheer Dick.”—“En met een goed onderhouden vuur,” voegde de jager er bij, “wij zijn geen 2000 meter meer van het bosch.”Nog tien geweerschoten knalden, de olifant deed een verschrikkelijkensprong; het schuitje en de ballon kraakten, zoodat men dacht dat alles gebroken was; de schok deed de bijl uit de handen des doctors op den grond vallen. De toestand werd nu zorgwekkend; het ankertouw, dat stevig vast zat, kon noch losgemaakt noch door de messen der reizigers afgesneden worden, de ballon naderde snel het bosch, toen het dier een kogel in het oog kreeg, op het oogenblik dat hij zijn kop ophief; het bleef sidderend stil staan, zijne knieën zakten ineen en het gaf zijne zijde aan den jager bloot.—“Een kogel in het hart,” zeide deze, voor de laatste maal zijne karabijn lossende. De olifant brulde in zijn doodstrijd, hij richtte zich een oogenblik op terwijl hij zijn snuit deed ronddraaien, vervolgens viel hij met zijne geheele zwaarte op een zijner slagtanden, die afbrak. Hij was dood.—“Zijn slagtand is gebroken!” riep Kennedy uit, “dit is een stuk ivoor dat in Engeland 35 guinjes1de 100 pond zou gelden.”—“Zooveel!” zeide Joe, terwijl hij zich langs het ankertouw op den grond liet zakken.—“Waarover gevoelt gij spijt, mijn waarde Dick?” antwoordde doctor Ferguson. “Zijn wij handelaars in ivoor of hier gekomen om fortuin te maken?”Joe onderzocht het anker; het was stevig vastgehecht aan den slagtand, die ongeschonden was gebleven. Samuel en Dick sprongen op den grond, terwijl de luchtballon boven het lichaam van het dier zweefde.—“Welk een prachtig beest!” riep Kennedy uit. “Ik heb in Indië geen olifant van deze grootte gezien.”—“Dat is geen wonder, Dick, de olifanten van de binnenlanden van Afrika zijn de schoonste. De Andersons, de Cummings hebben zoo dikwijls in de omstreken van de Kaap jacht op hen gemaakt, dat zij naar den evenaar wijken, waar wij hen dikwijls in talrijke troepen zullen ontmoeten.”—“Onder de hand hoop ik dezen eens te proeven! Ik verbind mij u een lekker maal te bezorgen ten koste van dit dier. Mijnheer Kennedy gaat een paar uur jagen, Mijnheer Samuel zal den ballon nazien en in dien tijd zal ik het eten gereed maken.”—“Dat is goed,” antwoordde de doctor, “doe zoo als gij goedvindt.”—“Wat mij betreft,” zeide de jager, “ik ga de twee uren vrijheid besteden, die Joe mij heeft toegestaan.”—“Ga mijn vriend, maar bega geen onvoorzichtigheid. Verwijder u niet te ver.”—“Wees gerust.” En Dick ging met zijn geweer het bosch in.
Paleis van een afrikaansch sultan. Blz. 79.Paleis van een afrikaansch sultan. Blz.79.
Paleis van een afrikaansch sultan. Blz. 79.
Paleis van een afrikaansch sultan. Blz.79.
De Victoria langzaam de aarde genaderd zijnde, hechtte zich met een der ankers aan een boomtop, dicht bij de markt. De geheele bevolking kwam op dit oogenblik weder uit zijne gaten te voorschijn, de hoofden staken er met omzichtigheid uit. Verscheidene “Waganga,” herkenbaar aan hunne teekens van kegelvormige schelpen, naderden stoutmoedig; zij waren de toovenaars der plaats. Zij droegen om hun midden kleine zwarte pakjes met vet overtrokken en verschillende voorwerpen van tooverkunst, die overigens van eene doctorale onzindelijkheid waren.
Langzamerhand hoopte de menigte zich aan hunne zijden op, de vrouwen en kinderen omringden hen, de trommels wedijverden met geraas, de handen werden ten hemel opgeheven.—“Dit is hunne manier van bidden,” zeide de doctor, “als ik mij niet bedrieg zullen wij geroepen worden om eene groote rol te spelen.”—“Welnu, mijnheer! speel die.”—“Gij zelf, mijn brave Joe! zult een god worden.”—“Dat verontrust mij niet, mijnheer! en de wierook mishaagt mij niet.”
Op dit oogenblik maakte een der toovenaars, een “Myanga,” een gebaar, en al het geschreeuw bedaarde op eens. Hij sprak eenige woorden tot de reizigers, maar in een onbekende taal.—Daar doctor Ferguson hem niet had verstaan, sprak hij los weg eenige Arabische woorden en men antwoordde hem terstond in die taal. De redenaar hield eene lange en bloemrijke aanspraak; de doctor bemerkte weldra dat de Victoria kort en goed voor de Maan in persoon werd gehouden en dat die beminnelijke godin zich verwaardigd had met hare drie zonen de stad te naderen, eene eer, die nooit zou worden vergeten in dit door de Zon beminde land. De doctor antwoordde met eene groote waardigheid dat de Maan alle jaren hare departementen bezoekt, omdat zij de behoefte gevoelt zich nader bij hare aanbidders te toonen; hij bad hen dus zich niet te geneeren en van hare goddelijke tegenwoordigheid misbruik te maken om hunne behoeften en wenschen te kennen te geven. De toovenaar antwoordde op zijne beurt, dat de sultan de “Mwani,” die sedert verscheidene jaren ziek was, de hulp des hemels inriep en de zonen der Maan uitnoodigde om bij hem te komen. De doctor deelde de uitnoodiging aan zijne metgezellen mede.—“En gij zult u naar dien negervorst begeven?” zeide de jager.—“Zonder twijfel. Deze lieden schijnen mij goed geluimd, de lucht is kalm, er is geen de minste wind! wij hebben voor den Victoria niets tevreezen.”—“Maar wat zult gij doen?”—“Wees gerust, mijn waarde Dick, met een klein geneesmiddel zal ik mij er uitredden.”—Toen zich tot de menigte wendende zeide hij: “De Maan, medelijden hebbende met den vorst zoo geliefd bij de inwoners vanUnyamwezy, heeft ons de zorg voor zijne genezing opgedragen; dat hij zich gereed make ons te ontvangen!”
Het geschreeuw, het gezang verdubbelde, en de groote menigte zwarte hoofden zette zich in beweging.—“Nu, mijne vrienden!” zeide doctor Ferguson, “men moet alles voorzien; wij kunnen in een zeker oogenblik genoodzaakt zijn spoedig weder te vertrekken. Dick zal dus in het schuitje blijven en door middel van de gaspijp zal hij eene voldoende stijgkracht behouden. Het anker is stevig vastgemaakt, dienaangaande is er niets te vreezen. Ik zal op de aarde nederdalen. Joe zal mij vergezellen, maar hij zal aan den voet der ladder blijven.”—“Hoe! zult gij alleen naar dien Moor toegaan?”—“Hoe, mijnheer Samuel! gij wilt niet, dat ik u tot aan het einde volg?”—“Neen, ik zal alleen gaan, deze brave lieden verbeelden zich dat hunne groote godin de Maan hen is komen bezoeken, ik word door het bijgeloof beschermd; hebt dus geene vrees en blijft ieder op den post, dien ik u aanwijs.”—“Als gij het verkiest,” antwoordde de jager.—“Pas op de uitzetting van het gas.”—“Ja.”
De kreten der inlanders verdubbelden, zij verzochten ernstig de hemelsche tusschenkomst.—“Ziedaar! ziedaar!” zeide Joe. “Ik vind dat zij een eenigszins bevelenden toon tegen hunne goede Maan en hare goddelijke zonen voeren.”—De doctor, voorzien van zijne reis-medicijnkist, daalde op de aarde neder, voorafgegaan van Joe, die er deftig uitzag zoo als hem betaamde. Hij ging aan den voet der ladder zitten, de beenen gekruist op Arabische wijze, en een gedeelte der menigte omringde hem eerbiedig. Gedurende dien tijd naderde doctor Ferguson, door het geluid der instrumenten geleid en vergezeld door godsdienstige wapendansen, langzaam den koninklijken “tembé,” die vrij ver buiten de stad lag; het was ongeveer drie uur en de zon schitterde, zij kon wel niets minder doen voor deze gelegenheid. De doctor liep vol waardigheid; de “waganga” omringden hem en hielden de menigte terug. Hij werd weldra ingehaald door den natuurlijken zoon des sultans, een vrij welgemaakt jongeling, die volgens de gewoonte des lands, de eenige erfgenaam der vaderlijke goederen was, met uitsluiting van de wettige kinderen; hij boog de knieën voor den Zoon der Maan, die hem met een genadig gebaar ophief.
Drie kwartier daarna kwam deze in geestdrift gebrachte optocht langs schaduwrijke wegen, te midden van al de weelderigheid van een tropischen plantengroei, aan het paleis van den sultan, een soort van vierkant gebouw, Ititénya genaamd en aan de helling eensheuvels gelegen. Eene soort van waranda, gevormd door een rieten dak, stak naar buiten uit, ondersteund door houten, ruw gebeeldhouwde palen. Lange lijsten van roode klei versierden de muren, waarop gedaanten van menschen en slangen waren afgebeeld, waarvan de laatsten natuurlijk beter dan de eersten geslaagd. Het dak van deze woning rustte niet onmiddellijk op de muren en de lucht kon er vrij doorstroomen, voor het overige waren er geene vensters en nauwelijks eene deur.
Doctor Ferguson werd met groote eerbewijzingen ontvangen door de wachten en gunstelingen, menschen van een schoon ras der Wanyamwezis, een zuivere type der volkeren van Midden-Afrika, sterk en welgemaakt. Hunne haren vielen in een groot aantal kleine vlechten op hunne schouders neder; door middel van zwarte of blauwe insnijdingen streepten zij hunne wangen van de slapen tot aan den mond. Hunne ooren, afschuwelijk uitgerekt, droegen schijven van hout en kopaalgom, zij waren gekleed in linnen van schitterende kleuren; de soldaten waren gewapend met de sagaai, den boog en de met weerhaken voorziene pijl, vergiftigd met het sap van de wolfsmelk, het mes, den “sime,” een lange getande sabel en met kleine strijdbijlen.
De doctor ging het paleis binnen. Daar verdubbelde bij zijne aankomst het geraas, in spijt van des Sultan’s ziekte. Hij bemerkte aan den bovendrempel der deur staarten van hazen, en manen van zebra’s, die bij wijze van talisman waren opgehangen. Hij werd door de vrouwen van Zijne Majesteit ontvangen, bij de welluidende tonen van den “upatu,” eene soort van cimbaal van den bodem eener koperen pot gemaakt en bij het geraas van den “kilindo,” een trommel van vijf voet hoog, uit een boomstam uitgehold en waarop men met vuistslagen speelde.
De meesten dezer vrouwen schenen zeer schoon en rookten lachende tabak en thang uit groote zwarte pijpen; zij schenen welgemaakt onder haar bevallig omgeslagen lang kleed en droegen de “kilt” van vezelen van den kalebasboom gemaakt om haar midden vastgemaakt.
Zes van haar waren niet de minst vroolijke van dezen troep, hoewel zij afzonderlijk geplaatst en tot eene wreede marteling bestemd waren. Zij moesten bij den dood des Sultans levend met hem worden begraven, om hem gedurende de eeuwige eenzaamheid gezelschap te houden.
Doctor Ferguson, na alles met een oogwenk te hebben overzien, naderde het bed van den vorst. Daar zag hij een man van ongeveer 40 jaar oud, geheel verdierlijkt door allerlei uitspattingen en waaraan niets te doen was. De ziekte, die reeds jaren duurde, was slechts eene altijd durende dronkenschap. Deze koninklijke dronkaard had langzamerhand het bewustzijn verloren en al het ammonium der wereld zou hem niet weder op de been hebben gebracht.
De wegvoering van den toovenaar. Blz. 83.De wegvoering van den toovenaar. Blz.83.
De wegvoering van den toovenaar. Blz. 83.
De wegvoering van den toovenaar. Blz.83.
De gunstelingen en vreemden bogen de knieën gedurende ditplechtig bezoek. Door middel van eenige druppels van een sterk opwekkend middel, bracht de doctor voor een oogenblik eenig leven in dit verdierlijkte lichaam; de Sultan maakte eene bewegingen dit verschijnsel werd waargenomen met eene verdubbeling van kreten ter eere van den geneesheer, omdat er in dat lichaam sedert uren geen teeken van leven te bespeuren was geweest. Deze, die er genoeg van had, verwijderde door eene snelle beweging zijne te ijverige aanbidders en ging het paleis uit; hij richtte zich naar den ballon. Het was zes uur des avonds.
Joe wachtte in zijne afwezigheid bedaard aan den voet der ladder; de menigte bewees hem de grootste eer. Als ware zoon der Maan, liet hij hen begaan. Hij zag er voor eene godheid vrij goed uit; hij was niet trotsch, zelfs gemeenzaam met de jonge Afrikaansche vrouwen, die niet moede werden hem te beschouwen. Hij sprak vriendelijk met haar.—“Aanbidt, dames, aanbidt me,” zeide hij, “ik ben een goede kerel, hoewel zoon eener godin!”
Men bood hem de zoengeschenken aan, die gewoonlijk worden nedergelegd in de “mzimu” of fetishutten; zij bestonden uit gerstenaren en “pombé,” Joe geloofde verplicht te zijn dit soort van krachtig bier te proeven, maar zijn verhemelte, hoewel gewoon aan jenever en wiskey, kon dien straffen drank niet verdragen. Hij grijnslachte zóó afschuwelijk, dat de aanwezigen het voor een beminnelijk glimlachen hielden. Vervolgens voerden de jonge meisjes, hare stemmen in eene slepende melodie vereenigende, een statigen dans rondom hem uit.—“O! gij danst,” zeide hij, “welnu! ik zal bij u niet achter blijven en u een dans van mijn land toonen.”
Hij begon een betooverende horlepijp, zich wringende, uitrekkende, op de knieën en handen dansende, buitensporige verdraaiingen uitvoerende in ongeloofelijke standen en onmogelijke gebaren, en hij gaf aldus aan dat volk een vreemd denkbeeld van de wijze waarop de goden op de maan dansen.
Al die Afrikanen, nabootsers als de apen, hadden weldra zijne sprongen en schuddende bewegingen nagevolgd; hun ontging geen enkel gebaar, zij vergaten geene enkele houding; het was toen eene verwarring, een gewoel, eene ontroering, waarvan men moeielijk een denkbeeld kan geven. Op het fraaiste van het feest zag Joe den doctor. Deze kwam in alle haast terug, te midden eener huilende en opgewonden menigte. De toovenaars en opperhoofden schenen zeer verbitterd. Men omringde den doctor en dreigde hem.
Vreemde omkeer! Wat was er voorgevallen? Was de Sultan ongelukkig bezweken onder de handen van zijn hemelschen geneesheer? Kennedy zag van zijn post het gevaar, zonder de oorzaak er van te begrijpen. De ballon, sterk gezwollen door de uitzetting van het gas, spande het touw, dat hem terughield, ongeduldig om op te stijgen. De doctor kwam aan den voet van de ladder. Eene bijgeloovige vrees weerhield nog de menigte om zijn persoon geweld aan te doen; hij klom de sporten spoedig op en Joe volgde hem vlug.—“Er is geen oogenblik te verliezen,” zeidezijn meester. “Tracht het anker niet te lichten! Wij zullen het touw doorsnijden, volg mij.”—“Maar wat is er dan?” vroeg Joe, terwijl hij het schuitje beklom.—“Wat is er gebeurd?” vroeg Kennedy, met zijne karabijn in de hand.—“Zie,” antwoordde de doctor, naar den horizon wijzende.—“Welnu?” vroeg de jager.—“Welnu, daar is de maan.”—
De maan kwam inderdaad op, rood en prachtig, een vurige bal op een azuren grond. Zij was het wel! Zij en de Victoria! Of er waren twee manen, of de vreemdelingen waren slechts bedriegers, indringers en valsche goden! Dus waren de natuurlijke overleggingen der menigte. Vandaar die omkeer. Joe kon niet nalaten in lachen uit te barsten. De bevolking van Kazeh, begrijpende dat hare prooi haar ontsnapte, hief een lang gehuil aan; bogen en musketten werden op den ballon gericht. Maar een der toovenaars gaf een teeken. De wapens werden nedergelegd; hij klom in den boom met het doel om het ankertouw te grijpen en den toestel op den grond te halen. Joe snelde toe met eene bijl in de hand.—“Moet ik afkappen?” zeide hij.—“Wacht” antwoordde de doctor.—“Maar die neger?”.... “Wij zullen misschien ons anker kunnen behouden en ik hecht daaraan. Het zal altijd tijds genoeg zijn om het te kappen.”
De toovenaar in den boom geklommen zijnde, deed zoo goed zijn best, dat hij door de takken te breken, het anker losmaakte, dat nu, sterk aangehaald door den luchtballon, den toovenaar tusschen zijne beenen ving en hem in de hoogte hief. De verbazing der menigte was groot toen zij een harer Wagangas in de hoogte zag stijgen.—“Hoezee!” riep Joe, terwijl de Victoria, dank zij zijne stijgkracht, met eene groote snelheid rees.—“Hij houdt zich goed,” zeide Kennedy, “eene kleine reis zal hem geen kwaad doen.”—“Zullen wij dien neger eensklaps loslaten?” vroeg Joe.—“Foei!” hernam de doctor, “wij zullen hem zacht op de aarde nederzetten, en ik denk, dat een dergelijk voorval het geloof aan zijne macht van toovenaar bij zijn landgenooten aanmerkelijk zal doen toenemen.”—“Zij zijn in staat een god van hem te maken,” riep Joe uit.
De Victoria was op eene hoogte van ongeveer 1000 voet gekomen. De neger hield zich met eene buitengemeene kracht aan het touw vast; hij zweeg, zijne oogen bleven vast op één punt staren. Zijne vrees werd met verwondering gemengd. Een lichte westewind stuurde den ballon naar de andere zijde der stad. Een half uur later matigde de doctor, het land verlaten ziende, de vlam van zijne gaspijp en naderde de aarde. Op twintig voet afstands van den grond koos de neger spoedig zijne partij; hij nam een sprong, kwam op zijne beenen te land en vluchtte naar Kazeh terwijl de Victoria weder opsteeg.
1Opperhoofd der karavaan.
1Opperhoofd der karavaan.
Voorteeken van onweer.—Het land der Maan.—De toekomst van Afrika.—Het werktuig van het laatste uur.—Gezicht van het land bij ondergaande zon.—Bloemen en planten.—Het onweder.—De vuurgordel.—De sterrenhemel.
Voorteeken van onweer.—Het land der Maan.—De toekomst van Afrika.—Het werktuig van het laatste uur.—Gezicht van het land bij ondergaande zon.—Bloemen en planten.—Het onweder.—De vuurgordel.—De sterrenhemel.
“Dat heet ik nu voor zonen der Maan door te gaan zonder hare toestemming” zeide Joe; “zij heeft ons daar bijna een leelijken trek gespeeld! Zoudt gij misschien, meester, haar goeden naam bezwalkt hebben door uw geneesmiddel?”—“Wie was die Sultan van Kazeh?” vroeg de jager.—“Een oude, halfdoode dronkaard,” antwoordde de doctor, “wiens verlies zich niet zeer levendig zal doen gevoelen. Maar de zedeles hieruit is, dat eerbewijzen vergankelijk zijn en dat men er niet te veel aan moet hechten.”—“Des te erger,” zeide Joe, “het beviel mij wel! Aangebeden te worden! Naar willekeur voor god te spelen! Maar wat wilt gij? de maan heeft zich vertoond en wel geheel rood, hetgeen bewijst dat zij boos was!”—Gedurende deze gesprekken en andere, waarin Joe de koningin der nacht uit een geheel nieuw oogpunt beschouwde, bedekte de hemel zich in het noorden met dikke wolken; een vrij hevige wind, beginnende op 300 voet afstand van den grond, richtte den ballon naar het noord-noord-oosten; boven hem was het azuren gewelf helder, maar men voelde dat het drukkend was.
De nijlpaarden. Blz. 88.De nijlpaarden. Blz.88.
De nijlpaarden. Blz. 88.
De nijlpaarden. Blz.88.
De reizigers bevonden zich tegen 8 uur ’s avonds op 32° 40′ lengte en 4° 17′ breedte; de stroomen van den dampkring, onder den invloed van een naderend onweder, stuwden hen voort met eene snelheid van 30 à 35 mijlen in het uur. Onder hunne voeten gingen de golvende en vruchtbare vlakten van Mfuto snel voorbij. Het schouwspel daarvan was allerprachtigst en werd bewonderd.—“Wij zijn in het midden van het land der Maan,” zeide doctor Ferguson, “want het heeft den naam behouden, dien de oudheid het heeft gegeven, zonder twijfel, omdat de maan er ten allen tijde aangebeden was. Het is waarlijk een prachtig land.”—“Men kon moeielijk een schooneren plantengroei ontmoeten.”—“Als men dezen rondom Londen vond, zou het niet natuurlijk zijn,” zeide Joe, “maar het zou zeer aangenaam wezen! Waarom vindt men deze fraaie zaken alleen in onbeschaafde landen.”—“Weet men dan,” hernam de doctor, “of deze landstreek niet te eeniger tijd het middelpunt der beschaving zal wezen? De volken der toekomst zullen misschien daartoe geraken, als de landen van Europa te uitgeput zijn om hunne inwoners te voeden.”—“Gelooft gij dat?” zeide Kennedy.—“Zonder twijfel, mijn waarde Dick. Zie den loop der gebeurtenissen, beschouw de achtereenvolgende volksverhuizingen en gij zult tothetzelfde besluit komen als ik. Azië is de eerste voedster van het menschdom, is het niet zoo? Gedurende 4000 jaren misschien werkt het, wordt bevrucht, brengt voort en vervolgens, toen de steenen blootkwamen,daar, waar de goudgele oogsten van Homerus ontkiemden, verlieten zijn bewoners haren uitgeputten en verwelkten schoot. Gij ziet hen dan naar Europa komen, Europa, jong en matig, dat hen sedert 2000 jaren voedt. Maar reeds wordt Europa’s vruchtbaarheid minder; hare voortbrengende vermogens nemen dagelijks af, die nieuwe ziekten, waarmede ieder jaar de voortbrengselen der aarde worden aangetast, die mislukte oogsten, die onvoldoende hulpmiddelen, dat alles is het zekere teeken van eene levenskracht die bederft, van eene aanstaande uitputting. Wij zien ook reeds de volken zich naar Amerika begeven, even als naar eene bron, die niet onuitputtelijk is, maar waaruit men nooit heeft geput. Dat nieuwe vasteland zal op zijne beurt oud worden, zijne door geene menschenhanden aangeraakte wouden zullen vallen onder de bijl der nijverheid; zijn grond zal verzwakken omdat hij te veel heeft voortgebracht, omdat men te veel van hem heeft geëischt. Daar, waar jaarlijks twee oogsten rijpen, zal er nauwelijks één goed gelukken, omdat die gronden uitgeput raken. Dan zal Afrika aan de nieuwe geslachten de sedert eeuwen in zijn schoot opgehoopte schatten aanbieden. Deze klimaten, noodlottig voor de vreemdelingen, zullen gezuiverd worden door de verdeeling in akkers en de besproeiing; deze verstrooide wateren zullen zich in eene algemeene kom vereenigen om een bevaarbaar water te vormen. En dit land, waarboven wij zweven, vruchtbaarder, rijker, met meer levenskrachten begiftigd dan de anderen, zal een of ander groot koninkrijk worden, waar men van nog wonderbaarlijker ontdekkingen zal hooren dan de stoom en de electriciteit.”—“Ah! mijnheer,” zeide Joe, “dat zou ik wel willen zien.”—“Overigens,” zeide Kennedy, “het tijdstip, waarop de nijverheid alles tot haar voordeel zal aanwenden, moet vervelend zijn! Door werktuigen uit te vinden, zullen de menschen zich door hen laten vernielen! Ik heb mij altijd voorgesteld dat de laatste dag der wereld die zou zijn, waarop een zekere ontzettend groote ketel, heet gemaakt op eene drukking van 3000 millioen atmospheren1, onze aardbol zal doen springen.”—“En ik voeg er bij,” zeide Joe, “dat de Amerikanen niet de laatsten zullen geweest zijn om aan de machine te werken.”—“Inderdaad,” antwoordde de doctor, “zij zijn groote ketelmakers! Maar zonder ons door dergelijke redeneeringen te laten medeslepen, laten wij ons tevreden stellen met dit land der Maan te bewonderen, dewijl het ons gegeven is het te zien.”
De zon, hare laatste stralen door de massa’s opeengehoopte wolken nederschietende, versierde de minste verhevenheden van den grond met eene gouden kruin, reusachtige boomen, heesterachtigeplanten, mosplanten langs den grond, alles had zijn deel van dezen stroom van licht, en het eenigszins golvende terrein verhief zich hier en daar tot kleine kegelvormige heuvels; er waren geen bergen aan den horizon, onmetelijke palissaden van struikgewas, ondoordringbare heggen, doornstruiken scheidden de opene plekken van elkander, waar talrijke dorpen verspreid lagen; de reusachtige wolfsmelk omsloot hen met natuurlijke verschansingen, terwijl zij zich vermengden met de koraalvormige takken der heesters.
Weldra begon de Malagazari, de voornaamste tak van het meer Tanganayika, te kronkelen onder de groene boschjes; hij verleende eene schuilplaats aan die groote menigte wateren, ontvloeid aan bergstroomen, die gezwollen zijn ten tijde van den aanwas van het water, of aan poelen in de kleiachtige laag van den grond gegraven. Voor hen, die het van uit de hoogte beschouwden, was het een net van watervallen over het geheele westelijke gedeelte des lands gespreid. Beesten met groote bulten graasden in de vette weiden en waren bijna geheel door het lange gras verborgen; de wouden, die heerlijke geuren uitwasemden, vertoonden zich aan het oog als groote ruikers; maar in die ruikers vluchtten leeuwen, luipaarden, hyena’s en tijgers om aan de hitte van den dag te ontkomen. Somtijds deed een olifant de kruin van het kreupelhout golven en men hoorde het gekraak der takken die voor de kracht van zijne slagtanden bezweken.
“Welk een land voor de jacht!” riep Kennedy verrukt uit; “een kogel in het wild geschoten in dit woud zou een stuk wildbraad zijner waardig ontmoeten! Zou men het niet eens kunnen beproeven?”—“Neen, mijn waarde Dick! de nacht is op handen, een nacht dreigende met een onweder. De onweders zijn verschrikkelijk in deze streken, waar de heete grond gelijk is aan eene ontzettende electrische batterij.”—“Gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide Joe, “de hitte is verstikkend geworden, de wind is geheel gaan liggen, men gevoelt dat er iets op til is.”—“De dampkring is overladen met electriciteit,” antwoordde de doctor, “elk levend wezen is gevoelig voor deze gesteldheid der lucht, die de worsteling der elementen voorafgaat, en ik beken dat ik nooit zoozeer daarvan doordrongen was als nu.”—“Welaan!” vroeg de jager, “zou dit geen reden zijn om te dalen?”—“Juist integendeel, Dick! ik zou liever willen stijgen. Ik vrees slechts verder van mijn weg medegesleept te worden, terwijl deze luchtstroomen elkander kruisen.”—“Wilt gij dan de richting verlaten, die wij van de kust af volgen?”—“Als het mij mogelijk is,” antwoordde Ferguson,“zou ik liever zeven of acht graden noordelijker opgaan; ik zal trachten aan de vermoedelijke breedte der bronnen van den Nijl te komen, misschien zullen wij eenige sporen ontdekken van de expeditie van kapitein Speke of van de karavaan van M. de Heuglin. Als mijne aanteekeningen juistzijn, bevinden wij ons op 32° 40′ lengte, en ik wil rechtstreeks naar de andere zijde van den evenaar gaan.”—“Zie eens,” zeide Kennedy, zijn metgezel in de reden vallende, “zie eens deze nijlpaarden, die uit de poelen slurpen, en die krokodillen, die de lucht zwaar inademen!”—“Zij stikken,” zeide Joe. “O welk eene aangename manier van reizen, hoe tart en veracht men al dit kwaadaardige ongedierte! Mijnheer Samuel! Mijnheer Kennedy! Ziet toch eens die troepen dieren, die in gesloten gelederen loopen! Zij zijn wel twee honderd in getal, het zijn wolven.”—“Neen, Joe! het zijn wilde honden; het is een verschrikkelijk ras, dat niet bang is om leeuwen aan te vallen. Het is de ontzettendste ontmoeting die een reiziger hebben kan. Hij wordt terstond verscheurd.”—“Goed, Joe zal er wel voor passen hun een muilband om te doen,” antwoordde de beminnelijke jongen; “maar als het in hun aard ligt kan men het hun niet kwalijk nemen.”
Langzamerhand werd het stiller onder den invloed van het onweder; het scheen dat de verdikte lucht ongeschikt werd om het geluid voort te planten; de dampkring scheen als gewatteerd en verloor, even als eene zaal met tapijtwerk behangen allen weerklank. De roeier (een hoogvliegende vogel), de gekroonde kraanvogel, de roode en blauwe meerkollen, de spotvogel, de vliegeneter verdwenen in de groote boomen. De geheele natuur bood de voorteekenen aan van een aanstaand onweder.
De Victoria gedurende het onweder. Blz. 90.De Victoria gedurende het onweder. Blz.90.
De Victoria gedurende het onweder. Blz. 90.
De Victoria gedurende het onweder. Blz.90.
Ten negen uur des avonds bleef de Victoria onbeweeglijk boven Mséné, eene groote menigte vereenigde dorpen, die nauwelijks in de schaduw zichtbaar waren; soms wees de terugkaatsing van een zonnestraal in het stille water regelmatig verdeelde grachten aan, en door eene laatste verlichting kon men de gedaante der palmen, tamarinden, wilde vijgeboomen en reusachtige wolfsmelkboomen waarnemen.—“Ik stik,” zeide de Schot, de ijl geworden lucht met volle teugen inademende, “wij bewegen niet meer! Zullen wij dalen?”—“En het onweder?” zeide de doctor vrij ongerust.—“Als gij vreest door den wind medegesleept te worden, schijnt het mij toe, dat gij geene andere partij te kiezen hebt.”—“Het onweder zal misschien niet vóór den nacht losbarsten,” zeide Joe, “de wolken zijn zeer hoog.”—“Dat is zelfs eene reden, die mij doet aarzelen er boven te stijgen; men zou tot eene groote hoogte moeten rijzen, de aarde uit het gezicht verliezen en den geheelen nacht niet weten of wij voortgaan en naar welken kant wij voortgaan.”—“Neem een besluit, waarde Samuel! er is haast bij.”—“Het is verdrietig dat de wind is gaan liggen,” hernam Joe, “hij zou ons ver van het onweder gevoerd hebben.”—“Dat is te bejammeren, mijne vrienden! De wolken zijn voor ons gevaarlijk; zij bevatten tegenovergestelde stroomen, die ons in hun draaikolk kunnen slepen en bliksemvuren, die in staat zijn ons inden brand te steken. Aan den anderen kant kan de kracht van den rukwind ons ter aarde werpen als wij het anker in den top van een boom werpen.”—“Wat dan te doen?”—“Wij moeten den ballon ineene streek houden, in het midden tusschen de gevaren der aarde en die des hemels. Wij hebben water genoeg voor de gaspijp en onze twee honderd pond ballast zijn nog onaangeroerd. Des noods zou ik mij daarvan bedienen.”—“Wij zullen met u waken,” zeide de jager.—“Neen, mijne vrienden! brengt den mondvoorraad in veiligheid en gaat slapen, ik zal u wekken als het noodig is.”—“Maar meester, zoudt gij niet wel doen zelf rust te nemen, dewijl ons nog niets bedreigt?”—“Neen, ik dank u, mijn jongen! ik wil liever waken. Wij zitten onbeweeglijk, en als de omstandigheden niet veranderen, zullen wij ons morgen precies op dezelfde plaats bevinden.”—“Goeden avond, mijnheer!”—“Goeden nacht, als het mogelijk is.”—Kennedy en Joe, strekten zich onder hunne dekens uit en de doctor alleen bleef waken.
Echter daalde de massa wolken langzamerhand en het werd pikdonker. Het zwarte gewelf omringde den aardbol als om hem te verpletteren. Eensklaps kliefde een sterke bliksemstraal de duisternis; nauwelijks was de scheur door haar ontstaan, gesloten, of een hevige donderslag deed hemel en aarde schudden.—“Op!” riep Ferguson. De twee slapers op dit vreeslijk geraas wakker geworden, stelden zich te zijner beschikking.—“Dalen wij?” zeide Kennedy.—“Neen, de ballon zou dit niet kunnen weerstaan. Laat ons stijgen—voordat de wolken zich in water oplossen en de wind opsteekt.” En hij richtte de vlam van de gaspijp in de spiralen der slang.
De onweders onder de keerkringen ontwikkelen zich met eene snelheid, die aan hunne hevigheid evenredig is. Een tweede bliksemstraal kliefde de wolk en werd door twintig anderen gevolgd. De hemel was als bezaaid met electrieke vonken, die tusschen de groote regendroppels heendwarlden.—“Wij hebben ons verlaat,” zeide de doctor, “wij moeten met onzen ballon, die met ontvlambare lucht gevuld is, eene streek van vuur doortrekken!”—“Maar op de aarde?” hernam Kennedy.—“Het gevaar om door den bliksem getroffen te worden, zou bijna hetzelfde zijn, en wij zouden spoedig aan de takken der boomen blijven hangen.”—” Wij stijgen, mijnheer Samuel!”—“Spoediger! Nog spoediger!”
In dit gedeelte van Afrika is het, gedurende de onweders onder den evenaar, niet zeldzaam dertig à vijf-en-dertig bliksemstralen in de minuut te tellen. De hemel staat letterlijk in vuur en de donderslagen houden niet op. De wind stak met eene verschrikkelijke hevigheid op in dezen ontvlamden dampkring; hij zweepte de heete wolken; het geleek op het blazen van een blaasbalg, die den brand deed aanwakkeren.
Doctor Ferguson hield zijne gasvlam op de volle hitte; de ballon zette zich uit en steeg; Kennedy in het midden van het schuitje op de knieën liggende, hield de zeilen der tent tegen. De ballon draaideom duizelig te worden, en de reizigers ondervonden onrustbarende schommelingen. Er kwamen groote deuken in het bekleedsel van den luchtballon; de wind vloog er met hevigheid in, en het taf kraakte onder zijn druk. Eene soort van hagel, voorafgegaan door een vreeslijk geraas, doorkliefde den dampkring en kletterde op den ballon. Deze steeg evenwel; de bliksemstralen verlichtten zijn omtrek, hij dreef midden in het vuur.—“Wij zijn in Gods hand,” zeide Ferguson; “Hij alleen kan ons redden. Laat ons op ieder geval voorbereid zijn, zelfs op brand, onze val kan niet snel zijn.”
De stem des doctors kwam nauwelijks tot het oor zijner metgezellen, maar zij konden zijn kalm gelaat zien te midden der bliksemflitsen; hij beschouwde de verschijnselen van phosphorieke verlichting, voortgebracht door het Sint Elmus vuur, dat boven den luchtballon zweefde. Deze draaide en dwarrelde, maar steeg steeds; na een kwartier was hij boven de onweerswolken; de electrieke stroomen ontwikkelden zich onder hem, even alsof een groote cirkel vuurwerk aan het schuitje hing. Dit was een der schoonste schouwspelen, die de natuur den mensch kan geven. Beneden het onweder, boven den sterrenhemel, kalm en bedaard, met de maan, die hare vreedzame stralen op de jagende wolken wierp. Doctor Ferguson raadpleegde den barometer, hij wees 12000 voet hoogte aan. Het was elf uur ’s avonds.—“Den hemel zij dank, alle gevaar is voorbij,” zeide hij, “het is nu voldoende, dat wij ons op deze hoogte houden.”—“Het was verschrikkelijk,” antwoordde Kennedy.—“Goed,” hernam Joe, “dit gaf een weinig variatie aan de reis, en het spijt mij volstrekt niet een onweder van uit de hoogte te hebben gezien, het is een fraai schouwspel.”
1Ontleend aan de stoommachines, wier kracht door atmospherendrukking wordt gemeten.
1Ontleend aan de stoommachines, wier kracht door atmospherendrukking wordt gemeten.
Het Maangebergte.—Een oceaan van groen.—Men werpt het anker.—De olifant als stoomsleper.—Onderhouden vuur.—Dood van het dier.—De veldoven.—Maaltijd op het gras.—Een nacht op de aarde.
Het Maangebergte.—Een oceaan van groen.—Men werpt het anker.—De olifant als stoomsleper.—Onderhouden vuur.—Dood van het dier.—De veldoven.—Maaltijd op het gras.—Een nacht op de aarde.
Des Maandags tegen vier uur des morgens kwam de zon boven den horizon; de wolken verspreidden zich en een aangename wind verfrischte den eersten morgenglans. De aarde verscheen weder voorde oogen der reizigers. De ballon op de plaats omdraaiende, te midden der tegenovergestelde luchtstroomen, was bijna niets afgeweken; de doctor het gas temperende, deed hem eindelijk dalen om eene meer noordelijke richting te krijgen. Lang zocht hij te vergeefs, de wind sleepte den ballon naar het westen tot in het gezicht van het beroemde Maangebergte, dat in een halven cirkel rondom het uiteinde van het meer Tanganayika lag; deze bergketen weinig oneffen, teekende zich met eene blauwachtige tint aan den horizon af; men zou gezegd hebben dat het eene natuurlijke vesting was, onoverschrijdbaar voor de onderzoekers van het midden van Afrika, en eenige alleen staande kegels droegen de sporen van altijddurende sneeuw.—“Hier zijn wij nu,” zeide de doctor, “in een nooit doorzocht land; kapitein Burton is ver in het westen gekomen, maar hij heeft deze befaamde bergen niet kunnen bereiken; hij heeft zelfs hun bestaan ontkend, dat door Speke, zijn metgezel, werd bevestigd; hij beweert dat zij ontstaan zijn in de verbeelding van dezen laatsten; voor ons, mijne vrienden, is geen twijfel meer mogelijk.”—“Zullen wij er over trekken?” vroeg Kennedy.—“Neen, als het God behaagt; ik hoop een gunstigen wind te vinden, die mij naar den evenaar terugbrengt, ik zal zelfs wachten als dat noodig is en ik zal met onzen ballon doen, even als met een schip dat het anker uitwerpt bij tegenwind.”
Maar wat de doctor voorzien had gebeurde weldra; na verschillende hoogten te hebben beproefd, ging de Victoria noordwaarts op met eene middelmatige snelheid.—“Wij zijn in de goede richting,” zeide hij, zijn kompas raadplegende, “en nauwelijks 200 voet van den grond af, hetgeen alles gelukkig samenwerkt tot het onderzoeken dezer nieuwe streken; toen kapitein Speke uitging op de ontdekking van het meer Ukéréoué, ging hij meer oostwaarts, in eene rechte lijn boven Kazeh.”—“Zullen wij lang zoo gaan?” vroeg Kennedy.—“Misschien, ons doel is een weinig naar den kant van de bronnen van den Nijl te gaan en wij moeten meer dan 600 mijlen doorreizen tot aan de uiterste grenzen, die de onderzoekers, uit het noorden gekomen, hebben bereikt.”—“En zullen wij geen voet op de aarde zetten?” vroeg Joe, “om de beenen een weinig los te maken?”—“Zeker; wij moeten ook met onze levensmiddelen spaarzaam zijn, en gij mijn beste Dick, zult ons verder nog van versch vleesch voorzien.”—“Zoodra gij wilt, Samuel!”—“Wij moeten ook onzen voorraad water vernieuwen, wie weet of wij ook niet naar waterlooze streken zullen gevoerd worden? Men kan niet te veel voorzorgen nemen.”
De Victoria op sleeptouw van een olifant. Blz. 95.De Victoria op sleeptouw van een olifant. Blz.95.
De Victoria op sleeptouw van een olifant. Blz. 95.
De Victoria op sleeptouw van een olifant. Blz.95.
Des middags bevond de ballon zich op 29° 15′ lengte en 3° 15′ breedte. Hij ging over het dorp Uyofu, laatste noordelijke grens vanUnyamwezy, op de hoogte van het meer Ukéréoué, dat men nog niet kon ontdekken. De volksstammen dicht bij den evenaarschijnen een weinig beschaafder te zijn en worden door monarchen bestuurd, wier despotismus onbeperkt is; het dichtsbewoond is het landschap Karagwah. De drie reizigers besloten op deeerste gunstige plaats op de aarde te dalen. Men moest langer stil houden en de luchtballon zou zorgvuldig nagezien worden; de vlam van de gaspijp was gematigd; de ankers buiten het schuitje hangende, sleepten weldra over het gras eener uitgestrekte weide, die van zekere hoogte bekeken met eene dunne graslaag bedekt scheen, maar die in werkelijkheid begroeid was, met gras ter hoogte van zeven à acht voet dik. De Victoria raakte dit gras aan zonder het te buigen, even als een reusachtige vlinder; geen enkele plek waar het anker kon ingrijpen, het was als een onafgebroken oceaan van groen. “Wij zullen aldus lang kunnen voortgaan,” zeide Kennedy, “ik zie geen boom, dien wij kunnen naderen, ik geloof dat van de jacht niet veel zal komen.”—“Wacht wat, mijn waarde Dick, gij zoudt in dit gras, dat taaier is dan gij zelf, niet kunnen jagen; wij zullen wel eene gunstige plaats vinden.”
Het was in waarheid eene bekoorlijke wandeling, een ware vaart over die zoo groene, bijna doorschijnende zee, met zachte golvingen, door den wind veroorzaakt. Het schuitje rechtvaardigde zijn naam en scheen de golven te doorklieven, met dit onderscheid dat soms eene vlucht prachtig gekleurde vogels met vreugdekreten uit het gras te voorschijn kwam; de ankers sleepten door dit meer van bloemen en maakten eene vore, die achter hen sloot even als het kielzog van een schip. Plotseling kreeg de ballon een hevigen schok, het anker was zonder twijfel vastgeraakt in eene rotsspleet, die onder dit hooge gras was verborgen.—“Wij zitten vast,” zeide Joe.—“Welnu! werp de ladder uit,” antwoordde de jager.
Deze woorden waren nauwelijks geuit of een schorre kreet weergalmde in de lucht, terwijl de reizigers het volgende, onsamenhangende gesprek voerden.—“Wat is dat?”—“en vreemde kreet.”—“Zie, wij gaan voort!”—“Het anker is losgeraakt.”—“Wel neen! het zit altijd vast,” zeide Joe, die het touw naar zich toehaalde.—“De rots loopt.”—Eene groote beweging had plaats in het gras, en weldra verhief zich eene langwerpige gedaante daarboven.—“Eene slang!” zeide Joe.—“Eene slang!” riep Kennedy uit, den haan zijner karabijn overhalende.—“Neen!” zeide de doctor, “het is een olifantsnuit.”—“Een olifant, Samuel?” En Kennedy, dit zeggende, schouderde zijn geweer.—“Wacht, Dick!”—“Zonder twijfel! Het dier heeft ons op sleeptouw genomen.”—“En wel naar den goeden kant.”
De olifant ging met eene zekere snelheid voort en kwam weldra aan eene opene plek, waar men hem geheel kon zien; aan zijne reusachtige gestalte herkende de doctor een mannetje van een prachtig ras: hij droeg twee witachtige slagtanden, die op eene bewonderenswaardige wijze waren gebogen en acht voet lang waren, het anker zat daar stevig tusschen.
Het dier beproefde te vergeefs zich met zijn snuit van het touwte ontdoen, waarmede het aan het schuitje was vast gemaakt.—“Vooruit” riep Joe uit, ten toppunt van vreugde, en zoo goed hij kon dit vreemde span aanzettende. “Dit is weer eene nieuwe manier van reizen! Wij doen het niet minder!—Een olifant als ’t u blieft!” “Maar waarheen voert hij ons?” vroeg Kennedy. Zijne karabijn brandde hem in de hand.—“Hij voert ons waar wij heen willen mijn waarde Dick, een weinig geduld!”—“Voorwaarts! Voorwaarts!” schreeuwde de verheugde Joe.
Het dier liep nu in snellen galop; het wierp zijn snuit rechts en links, en door zijne sprongen gaf het hevige schokken aan het schuitje. De doctor was met de bijl in de hand gereed het touw door te snijden als het noodig was.—“Maar” zeide hij, “wij zullen ons slechts op het laatste oogenblik van ons anker scheiden.”
Deze tocht op sleeptouw van een olifant duurde bijna anderhalf uur; het beest scheen in het minst niet vermoeid. Deze ontzaglijke dikhuidige dieren kunnen verre wegen afleggen en van den eenen dag op den anderen vindt men hen op groote afstanden, even als de walvisschen, aan welke zij gelijk zijn in grootte en snelheid.—“Het is een walvisch, dien wij geharpoend hebben,” zeide Joe “en wij bootsen slechts de bewegingen der walvischvaarders gedurende hunne vangst na.” Maar eene verandering in de gesteldheid van het terrein verplichtte den doctor zijn middel van beweging te wijzigen. Een dik bosch van camaldoren verscheen ten Noorden van het weiland op ongeveer drie mijlen afstands, waardoor het noodig werd den ballon van zijn sleeper te scheiden. Kennedy werd dus belast om den olifant in zijn loop te stuiten; hij legde zijne karabijn aan, maar zijne stelling was niet gunstig om het dier met goed gevolg te treffen; een eerste kogel op den schedel gericht, sloeg plat als op een pantserplaat, het dier scheen er niet door verontrust te zijn; op het geluid der losbranding versnelde het zijn galop en zijne vaart was gelijk aan die van een hollend paard.—“Duivels!” zeide Kennedy, “welk een harde kop!” zeide Joe.—“Wij zullen eenige puntkogels boven op den schouder beproeven,” hernam Dick, zijne karabijn zorgvuldig ladende, en hij gaf vuur. Het dier stootte een verschrikkelijker! kreet uit, maar ging steeds voort. “Laat ons zien,” zeide Joe, zich met een der geweren wapenende, “ik moet u helpen, mijnheer Dick, of er komt geen einde aan.” En twee kogels troffen de zijde van het dier. De olifant bleef stilstaan, stak zijn snuit in de hoogte, maar hernam met alle snelheid zijn loop naar het bosch, hij schudde zijn ontzaglijken kop en het bloed begon bij stroomen uit zijne wonden te vloeien.—“Wij moeten voortgaan met vuren mijnheer Dick.”—“En met een goed onderhouden vuur,” voegde de jager er bij, “wij zijn geen 2000 meter meer van het bosch.”
Nog tien geweerschoten knalden, de olifant deed een verschrikkelijkensprong; het schuitje en de ballon kraakten, zoodat men dacht dat alles gebroken was; de schok deed de bijl uit de handen des doctors op den grond vallen. De toestand werd nu zorgwekkend; het ankertouw, dat stevig vast zat, kon noch losgemaakt noch door de messen der reizigers afgesneden worden, de ballon naderde snel het bosch, toen het dier een kogel in het oog kreeg, op het oogenblik dat hij zijn kop ophief; het bleef sidderend stil staan, zijne knieën zakten ineen en het gaf zijne zijde aan den jager bloot.—“Een kogel in het hart,” zeide deze, voor de laatste maal zijne karabijn lossende. De olifant brulde in zijn doodstrijd, hij richtte zich een oogenblik op terwijl hij zijn snuit deed ronddraaien, vervolgens viel hij met zijne geheele zwaarte op een zijner slagtanden, die afbrak. Hij was dood.—“Zijn slagtand is gebroken!” riep Kennedy uit, “dit is een stuk ivoor dat in Engeland 35 guinjes1de 100 pond zou gelden.”—“Zooveel!” zeide Joe, terwijl hij zich langs het ankertouw op den grond liet zakken.—“Waarover gevoelt gij spijt, mijn waarde Dick?” antwoordde doctor Ferguson. “Zijn wij handelaars in ivoor of hier gekomen om fortuin te maken?”
Joe onderzocht het anker; het was stevig vastgehecht aan den slagtand, die ongeschonden was gebleven. Samuel en Dick sprongen op den grond, terwijl de luchtballon boven het lichaam van het dier zweefde.—“Welk een prachtig beest!” riep Kennedy uit. “Ik heb in Indië geen olifant van deze grootte gezien.”—“Dat is geen wonder, Dick, de olifanten van de binnenlanden van Afrika zijn de schoonste. De Andersons, de Cummings hebben zoo dikwijls in de omstreken van de Kaap jacht op hen gemaakt, dat zij naar den evenaar wijken, waar wij hen dikwijls in talrijke troepen zullen ontmoeten.”—“Onder de hand hoop ik dezen eens te proeven! Ik verbind mij u een lekker maal te bezorgen ten koste van dit dier. Mijnheer Kennedy gaat een paar uur jagen, Mijnheer Samuel zal den ballon nazien en in dien tijd zal ik het eten gereed maken.”—“Dat is goed,” antwoordde de doctor, “doe zoo als gij goedvindt.”—“Wat mij betreft,” zeide de jager, “ik ga de twee uren vrijheid besteden, die Joe mij heeft toegestaan.”—“Ga mijn vriend, maar bega geen onvoorzichtigheid. Verwijder u niet te ver.”—“Wees gerust.” En Dick ging met zijn geweer het bosch in.