XVIII.

De schets van doctor Ferguson. Blz. 98.De schets van doctor Ferguson. Blz.98.Toen begon Joe zich van zijne taak te kwijten. Hij maakte eerst in de aarde een gat van twee voet diep en vulde het met droog hout, dat in overvloed op den grond lag en afkomstig was van de openingen in het bosch, gemaakt door de olifanten, waarvan men de sporen zag. Het gat gevuld zijnde, legde hij daarboven op eentwee voet hoogen brandstapel en stak dien in brand. Vervolgens keerde hij naar het lichaam van den olifant terug, dat nauwelijks op zestig voet afstand van die plaats was gevallen, hij sneed er densnuit af, die aan het begin bijna twee voet dik was, koos er het lekkerste gedeelte van en voegde er een der pooten van het dier bij; dit zijn inderdaad de lekkerste stukken, even als de bult van den bison, de poot van den beer en de kop van het wilde zwijn. Toen de brandstapel van binnen en buiten geheel verteerd was, was het gat, bevrijd van de asch en de kolen, zeer heet; de stukken van den olifant, omringd door geurige bladeren, werden op den bodem van dien geïmproviseerden oven gelegd en met heete asch bedekt, vervolgens maakte Joe een tweeden brandstapel daarover heen, en toen die verteerd was, was het vleesch gaar. Vervolgens haalde Joe het uit het fornuis en legde het op groene bladeren en richtte nu den maaltijd aan op een prachtig grasperk; hij bracht beschuiten, brandewijn, koffie en putte versch water uit eene naburige beek. Dit aldus aangerichte maal was inderdaad aanlokkelijk, en Joe dacht, dat het met nog meer genoegen zou gegeten worden.—“Eene reis zonder vermoeienis en zonder gevaar!” herhaalde hij, “een maal op zijn tijd! altijd eene goede hangmat, wat kan men meer vergen? En die mijnheer Kennedy wilde niet meegaan!” Van zijn kant onderzocht Ferguson nauwkeurig den luchtballon. Hij scheen niets geleden te hebben, het taf en de gutta percha hadden verwonderlijk goed weerstand geboden; toen hij de tegenwoordige hoogte van den grond opnam en de stijgkracht van den ballon berekende, zag hij met voldoening dat het waterstofgas niet was verminderd; het omkleedsel bleef tot nu toe ondoordringbaar.Het was slechts vijf dagen geleden dat de reizigers Zanzibar hadden verlaten, van de pemmican was nog niets gebruikt, de voorraad beschuit en verduurzaamd vleesch waren voldoende voor eene lange reis, men moest dus slechts versch water innemen. De pijpen en de slang schenen in goeden staat; door hunne geledingen van caoutchouc hadden zij alle slingeringen van den luchtballon kunnen volgen. Het onderzoek geëindigd zijnde, bracht de doctor zijne aanteekeningen in orde. Hij maakte eene vrij goed uitgevallen schets van het omringende veld, met het lange onafzienbare weiland, het bosch en den ballon onbeweeglijk hangende boven het lichaam van den ontzettenden olifant. Na twee uren kwam Kennedy terug met vette patrijzen en een dijstuk van een oryx, eene soort van gemsbok, die tot de vlugste soort van antilopen behoort. Joe belastte zich met eene grootere hoeveelheid voorraad gereed te maken.—“Maar het eten is gereed,” zeide hij met zijn liefelijkst stemgeluid.—De drie reizigers behoefden slechts op het grasperk te gaan zitten; men vond de pooten en den snuit van den olifant zeer smakelijk; men dronk op Engeland, zoo als altoos, en de geur van havanahsigaren verspreidde zich voor het eerst in deze bekoorlijke streek. Kennedy at, dronk en praatte voor vier, hij was verrukt enstelde in ernst aan zijn vriend den doctor voor, zich in dit bosch neer te zetten, er eene hut van bladeren te maken en de heerschappij der Afrikaansche Robinsons te beginnen. Het voorstel had geen gevolg, hoewel Joe de rol van Vrijdag voor zich had willen nemen. Het veld scheen zoo stil, zoo verlaten, dat de doctor besloot den nacht op de aarde door te brengen; Joe legde een kring van vuren aan, iets dat noodzakelijk was tegen de wilde dieren; want de hyena’s, jaguars en jakhalzen, gelokt door het olifantenvleesch, slopen in den omtrek rond. Kennedy moest herhaaldelijk zijne karabijn lossen op al te stoutmoedige bezoekers; maar de nacht ging om zonder eenig onaangenaam voorval.1Plus minus ƒ4.20.—naar gelang van den koers.XVIII.Karagwah.—Het meer Ukéréoué.—Een nacht op een eiland.—De Evenaar.—Overtocht van het meer.—De watervallen.—Gezicht van het land.—De bronnen van den Nijl.—Het eiland Benga.—De handteekening van Andreas Debono.—Het Paviljoen met de wapenen van Engeland.Des anderen daags ten vijf uur begonnen de toebereidselen tot het vertrek. Joe brak met dezelfde bijl, die hij gelukkig had teruggevonden, de slagtanden van den olifant. De Victoria sleepte de reizigers naar het noord-oosten met eene snelheid van 18 mijlen.De doctor had den vorigen avond zijn bestek gemaakt door middel van de hoogste ster. Hij wist dat hij op 2° 40′ Zuiderbreedte was, hij trok talrijke dorpen over zonder zich te bekommeren over de kreten, door zijne verschijning veroorzaakt, hij teekende den vorm der planten op, hij stak de hellingen van den Rubemhé over, die bijna even stijl waren als de toppen van den Ousagara en ontmoette later, te Tenga, de eerste heuvels van den Karawah, die volgens hem noodzakelijk een tak van het Maangebergte moet zijn. Maar de oude legende die van deze bergen de bron van den Nijl maakt, kwam zeer na aan de waarheid, dewijl zij grenzen aan het meer Ukéréoué, vermoedelijke vergaderplaats der wateren van de groote rivier.Van Kafuro, een groot district van inlandsche kooplieden, bemerkte hij eindelijk aan den horizon dit zoo zeer gezochte meer, dat de kapitein Speke den 3den Augustus 1858 zag. Samuel Ferguson voelde zich ontroerd; hij bereikte bijna een der voornaamste puntenvan zijn onderzoek, en met den verrekijker voor het oog, verloor hij geen enkelen hoek van die geheimzinnige streek, die zijn blik aldus beschreef:Onder hem een over het algemeen uitgemergeld land met nauwelijks eenige bebouwde gleuven; de grond bedekt met kegels van eene middelmatige grootte, werd vlak in de nabijheid van het meer; de gerstvelden vervingen de rijstvelden; daar groeide de weegbree, waaruit de wijn des lands wordt bereid en de “mwani,” eene wilde plant, die tot koffie dient. De vereeniging van een vijftal ronde hutten,bedektmet stroo, vormde de hoofdstad van Karagwah.Men bemerkte gemakkelijk de verbaasde gedaanten van een zeer schoon ras, van een bruingele kleur. Vrouwen van een buitengewone dikte sleepten zich voort door de plantages, en de doctor verwonderde zijne metgezellen ten hoogste, toen hij hun verhaalde dat deze zwaarlijvigheid, die op hoogen prijs wordt gesteld, verkregen wordt door eene verplichte levensmanier, bestaande in het gebruik van zure melk.Des middags bevond zich de ballon op 1° 45′ Zuider breedte, ten een uur dreef de wind hem naar het meer. Dit meer is door kapitein Speke Nyanza1Victoria genoemd. Op deze plaats mat hij 90 mijlen breedte; aan het zuidelijk uiteinde vond de kapitein een groep eilanden, die hij Archipel van Bengalen noemde. Hij zette zijn onderzoek tot Muanza, op de Oostkust voort, waar hij door den Sultan goed werd ontvangen. Hij maakte de triangulatie van dit gedeelte van het meer, maar kon geene schuit krijgen om over te steken noch om het groote eiland Ukéréoué te bezoeken. Dit eiland is reeds zeer volkrijk, wordt door drie Sultans bestuurd en schijnt bijlaagwater slechts een schier-eiland.De Victoria kwam meer noordelijk aan het meer, tot groote spijt van den doctor, die liever de benedenste omtrekken had willen bepalen. De oevers schenen bezet met doornachtige en verwarde struiken, die letterlijk verdwenen onder millioenen lichtbruine muskieten; dit land moest onbewoonbaar en onbewoond zijn; men zag troepen rivierpaarden zich in het riet wentelen of de vlucht nemen onder de witachtige wateren van het meer.Dit meer, van boven gezien, bood naar het westen een zeer uitgestrekten horizon, zoodat het wel eene zee scheen; de afstand tusschen de twee oevers is groot genoeg dat er geene gemeenschap kan plaats hebben; en er heerschen talrijke hevige stormen, want de winden woeden hevig in die verheven en open kom.De doctor had moeite om zich te richten, hij vreesde naar het oosten te worden gevoerd, maar gelukkig dreef een luchtstroom hem recht naar het noorden en des avonds ten zes uur bleef deVictoria stil op een klein onbewoond eiland, op 0° 30′ breedte en 32° 52′ lengte op 20 mijlen van de kust.De waterval van den Nijl. Blz. 104.De waterval van den Nijl. Blz.104.De reizigers konden het anker aan een boom vasthechten, en daarde wind tegen den avond bedaard was, bleven zij stil op hunne ankers. Men kon er niet aan denken om op den grond te gaan; legioenen muskieten bedekten hier, even als op de oevers van den Nyanza, den bodem met eene dikke wolk. Joe zelfs kwam van den boom terug met steken bedekt, maar hij werd niet boos, zoo natuurlijk vond hij dit van de muskieten.De doctor echter, die er niet zoo over dacht, vierde zooveel touw als hij kon, om aan die insecten te ontkomen, die met een verontrustend gegons stegen. Hij bevond de hoogte van het meer boven het oppervlak der zee, zooals kapitein Speke die bepaald had, namelijk 3750 voet. “Hier zijn wij dan op een eiland,” zeide Joe, die zich vreeselijk krabde.—“Wij zouden het spoedig omgetrokken, zijn,” antwoordde de jager “en behalve die beminnelijke insecten bemerkt men er geen levend wezen.”—“De eilanden, die in het meer liggen,” antwoordde doctor Ferguson, “zijn om de waarheid te zeggen, slechts toppen van verdronken heuvels, maar wij zijn gelukkig er eene schuilplaats te hebben gevonden, want de oevers van het meer worden door woeste stammen bewoond. Slaapt nu, dewijl de hemel ons een rustigen nacht belooft.”—“Zult gij niet hetzelfde doen, Samuel?”—“Neen, ik zou geen oog kunnen sluiten, mijne gedachten zouden mijn slaap verdrijven! Morgen, mijne vrienden, als de wind gunstig is, zullen wij recht noordwaarts gaan en misschien de bronnen van den Nijl, dat ondoordringbare geheim, ontdekken. Zoo dicht bij de bronnen van de groote rivier zou ik niet kunnen slapen.” Kennedy en Joe, die niet zoozeer door wetenschappelijke gedachten werden beziggehouden, vielen weldra onder de bewaking van den doctor in diepen slaap.Des Woensdags den 23stenApril des morgens ten 4 uur maakte de Victoria zich gereed om te vertrekken bij donkere lucht; de nacht kon moeielijk scheiden van de wateren van het meer, dat door een dikken mist werd omringd, maar weldra dreef een hevige wind deze nevelen uit elkander. De Victoria slingerde eenige minuten naar verschillende kanten en ging toen recht noordwaarts. Doctor Ferguson klapte van vreugd in de handen. “Wij zijn op den goeden weg,” zeide hij. “Nu of nooit zullen wij den Nijl zien, mijne vrienden! hier zullen wij den evenaar passeeren, wij komen in ons halfrond.”—“O!” zeide Joe, “denkt gij, meester, dat de evenaar hier over heen gaat?”—“Ja, mijn jongen!”—“Welnu, met uw verlof, het schijnt mij passend hem te besproeien zonder tijd te verliezen.”—“Neem een glas grog,” antwoordde de doctor lachende, “gij hebt eene manier om de wereldbeschrijving op te vatten, die gansch niet gek is.” Dus vierde men in den Victoria het passeeren van de Linie.Deze ging snel voort. Men bemerkte in het westen de lage en weinig oneffen kust, verder op de hoogere vlakten van den Uganda en den Usoga. De snelheid van den wind werd bijna 30 mijlen in het uur.De wateren van den Nyanza, hevig beroerd, schuimden als de baren eener zee. Aan zekere grondgolven, die langen tijd na de windstilte schommelden, herkende de doctor, dat het meer eene groote diepten moest hebben, men zag nauwelijks een of twee ruwe schuitjes gedurende dien snellen overtocht. “Dit meer,” zeide de doctor, “is door zijne verhevene ligging blijkbaar de natuurlijke vergaarbak der rivieren van Oostelijk Afrika; de hemel geeft het in regen weder wat hij in dampen aan zijne uitvloeiende wateren ontneemt. Het komt mij zeker voor, dat de Nijl zijn oorsprong hier moest hebben.”—“Wij zullen het wel zien,” hernam Kennedy.Omtrent negen uur naderde men de Westkust, welke verlaten en met hout begroeid scheen; de wind sloeg een weinig om naar het oosten, en men kon den anderen oever van het meer even zien. Deze kromde zich en eindigde in een zeer stompen hoek, op ongeveer 2° 10′ Noorderbreedte. Aan dit uiteinde van den Nyanza staken hooge bergen hunne naakte kruinen in de hoogte, maar tusschen hen verschafte eene diepe en bochtige engte een doorgang aan eene schuimende rivier.Terwijl hij zijn luchtballon bestuurde, onderzocht doctor Ferguson het land met gretigen blik. “Ziet,” zeide hij, “ziet, mijne vrienden! de verhalen der oude Arabieren waren juist. Zij spraken van eene rivier door welke het meer Ukéréoué zich in het noorden ontlastte, en deze rivier bestaat, wij volgen haren loop en zij stroomt met eene snelheid, die met de onze kan worden vergeleken! Het water, dat onder onze voeten wegvloeit, gaat zich zekerlijk vereenigen met de golven der Middellandsche zee! Het is de Nijl!”—“Het is de Nijl!” herhaalde Kennedy, die in de verrukking van Samuel Ferguson deelde.—“Leve de Nijl!” riep Joe uit.Ontzaglijke rotsen verhinderden hier en daar den loop dezer geheimzinnige rivier. Het water schuimde en vormde watervallen, die het vermoeden des doctors bevestigden. Talrijke bergstroomen, schuimende in hunnen val, ontsproten aan deze omringende bergen, het oog telde hen bij honderden. Men zag uit den grond dunne stralen water te voorschijn komen, die elkander kruisten, zich met elkander vereenigden, in snelheid wedijverden en allen naar die rivier vloeiden.—“Ziedaar den Nijl,” herhaalde de doctor met overtuiging. “De oorsprong van zijn naam even als de bron zijner wateren, heeft de geleerden hartstochtelijk bezig gehouden; men heeft hem willen afleiden uit het Grieksch, het Koptisch, het Sanskriet2; maar hieraan is weinig gelegen, dewijl eindelijk het geheim van zijne bronnen ontdekt is.”—“Maar,” zeide de jager, “hoekunnen wij ons verzekeren dat deze rivier en die, welke de reizigers van het noorden hebben herkend, dezelfde is?”—“Wij zullen zekere, onwederlegbare bewijzen hebben,” antwoordde Ferguson, “als de wind ons nog één uur gunstig blijft.”De bergen verwijderden zich van elkander en maakten plaats voor talrijke dorpen en velden bezaaid met sesam, dourrah en suikerriet. De stammen dezer streken toonden zich vijandig, zij schenen eerder tot toorn dan tot aanbidding geneigd; zij hadden een voorgevoel van gevaren en niet van goden. Het scheen dat men, naar de bronnen van den Nijl gaande, hun iets kwam ontnemen. De Victoria moest buiten bereik der musketten blijven.—“Hier te lande zal het moeielijk gaan,” zeide de Schot.—“Welnu,” antwoordde Joe, “des te erger voor deze inlanders, wij berooven hen van het genoegen met ons te spreken.”—“Ik moet echter dalen,” antwoordde doctor Ferguson, “al was het maar voor een kwartier. Zonder dat kan ik de resultaten van ons onderzoek niet staven.”—“Het is dus noodzakelijk, Samuel?”—“Ja, wij zullen dalen, al moesten wij geweerschoten lossen.”—“De zaak bevalt mij,” antwoordde Kennedy.—“Als gij wilt, meester,” zeide Joe, die zich tot het gevecht gereed maakte.—“Het zal de eerste maal niet wezen, dat men met de wapens in de hand de wetenschap heeft beoefend; iets dergelijks is een Fransch geleerde overkomen in de bergen van Spanje, toen hij den aardschen meridiaan opnam.”—“Wees gerust, Samuel; vertrouw op uwe twee lijfwachten.”—“Zijn wij er, mijnheer?”—“Nog niet. Wij gaan zelfs stijgen om den juisten vorm van het land te herkennen.”Het waterstofgas zette zich uit, en in minder dan tien minuten zweefde de Victoria op eene hoogte van 2500 voet. Vandaar onderscheidde men een groot net van rivieren, die de stroom in zijne bedding opnam; er kwamen meer van het westen, tusschen de talrijke heuvelen, te midden van vruchtbare velden. “Wij zijn op geen 90 mijlen van Gondokoro,” zeide de doctor, op zijne kaart wijzende “en op minder dan vijf mijlen afstands van het punt, bereikt door de onderzoekers van het noorden. Laat ons voorzichtig de aarde naderen.” De Victoria daalde meer dan 2000 voet. “Mijne vrienden! laat ons nu op, elk toeval voorbereid zijn.”—“Wij zijn gereed,” antwoordden Dick en Joe.—“Goed!”Het eiland Benga. Blz. 106.Het eiland Benga. Blz.106.De Victoria volgde weldra de bedding der rivier op nauwelijks honderd voet hoogte. De Nijl was op die plaats 50 vaam3breed en de inlanders werden oproerig in de dorpen, die hare oevers omzoomden. Op den tweeden graad vormt hij een waterval van tien voet hoog, die bijgevolg onoverschrijdbaar is. “Daar is de waterval door Debono aangewezen,” riep de doctor uit. De kom van denstroom werd breeder en was met talrijke eilanden bezet, die Samuel Ferguson met den blik als verslond; hij scheen een merk te zoeken, dat hij nog niet bespeurde. Eenige negers waren in eeneschuit onder den ballon naderbij gekomen. Kennedy begroette hen met een geweerschot, dat, zonder hen te bereiken, hen noodzaakte spoedig den oever te bereiken.—“Goede reis,” zeide Joe, “in hunne plaats zou ik het niet wagen terug te komen, ik zou bevreesd zijn voor een monster, dat naar willekeur den bliksem slingerde.” Plotseling nam de doctor zijn verrekijker en richtte dien op een eiland in het midden der rivier.—“Vier boomen!” riep hij uit, “ziet, daar ginds.”—Inderdaad er verhieven zich vier boomen aan het uiteinde.—“Het is het eiland Benga! Ja, het is het wel!” voegde hij er bij.—“Welnu, wat dan?” vroeg Dick.—“Daar zullen wij nederdalen, als het God behaagt!”—“Maar het schijnt bewoond, mijnheer Samuel!”—“Joe heeft gelijk, als ik mij niet bedrieg zie ik daar een twintigtal inlanders verzameld.”—“Wij zullen hen op de vlucht drijven, dat zal niet moeielijk zijn,” antwoordde Ferguson.—“Zoo als gezegd is,” hernam de jager.De zon was in het toppunt, de Victoria naderde het eiland. De negers, die tot den stam van Makado behoorden, slaakten woeste kreten. Een van hen slingerde zijn hoed van boomschors door de lucht. Kennedy nam hem tot mikpunt, gaf vuur en de hoed vloog in stukken. Het was eene algemeene vlucht. De negers wierpen zich in den stroom en zwommen hem over, van de twee oevers kwam eene hagelbui van kogels en een regen van pijlen, maar zonder eenig gevaar voor den luchtballon wiens anker in eene rotsspleet vast zat. Joe liet zich naar beneden zakken.—“De ladder,” riep de doctor, “volg mij, Kennedy.”—“Wat wilt gij doen?”—“Laat ons afdalen, ik moet een getuige hebben.”—“Hier ben ik.”—“Joe! pas goed op.”—“Wees gerust, mijnheer! ik sta voor alles in.”—“Kom, Dick!” zeide de doctor, voet op den grond zettende. Hij nam zijn gezel mede naar eene groep rotsen, die zich aan het uiteinde van het eiland verhieven, daar zocht hij eenigen tijd, doorsnuffelde de struiken en reet zich de handen open. Eensklaps greep hij den arm van den jager.—“Zie,” zeide hij.—“Letters!”—Inderdaad kwamen twee letters in de rots gegriffeld geheel te voorschijn. Men las eindelijk: A. D.“A. D.” hernam doctor Ferguson, “Andrea Debono. De handteekening van denzelfden reiziger, die het verst den loop van den Nijl gevolgd is.”—“Dit is onbetwistbaar, vriend Samuel!”—“Zijt gij nu overtuigd?”—“Het is de Nijl! wij kunnen er niet aan twijfelen.”De doctor keek voor de laatste maal naar die kostbare letters, wier vorm en grootte hij nauwkeurig opteekende. “En nu,” zeide hij, “naar den ballon.”—“Spoedig dan, want ik zie eenige inlanders, die zich gereed maken den stroom weder over te trekken.”—“Het kan ons nu weinig schelen. Als de wind ons eenige uren noordwaarts op drijft, zullen wij Gondokoro bereiken en de hand onzer landgenooten drukken.” Tien minuten daarna verhief zich deVictoria statig, terwijl doctor Ferguson, ten teeken van een goeden uitslag, de Engelsche vlag ontrolde.1Nyanza beteekentmeer.2Een geleerd Byzantijn zag in het woord Neilos een getallennaam. N was 50, E 5, I 10, L 30, O 70, S 200, hetgeen juist het getal der dagen van het jaar uitmaakt.397.45 MeterXIX.De Nijl.—De bevende berg.—Herinnering aan het land.—De verhalen der Arabieren.—De Nyam-Nyam.—Verstandige overleggingen van Joe.—De opstijging van luchtballons.—Mevrouw Blanchard.“Welke richting nemen wij?” vroeg Kennedy, toen hij zijn vriend het kompas zag raadplegen.—“Noord-noordwest.”—“Duivels! dat is het noorden niet!”—“Neen, Dick, en ik geloof dat wij moeite zullen hebben omGondokorote bereiken; het spijt mij, maar wij hebben de onderzoekingen van het oosten verbonden met die van het noorden, wij hebben geen klagen.”De Victoria verwijderde zich langzamerhand van den Nijl.—“Laat ons den laatsten blik slaan,” zeide de doctor, “op die onoverschrijdbare breedte, welke de onverschrokkenste reizigers niet hebben kunnen overkomen. Ziedaar die onhandelbare stammen, beschreven door Petherick, d’Arnaud, Miani en dien jongen reiziger, Lejean, aan wien wij de beste werken over den Opper-Nijl verschuldigd zijn.”—“Dus zijn onze ontdekkingen in overeenstemming met de voorspellingen der wetenschap?” vroeg Kennedy.—“Geheel en al. De bronnen der Witte rivier, van den Bahr-el-Abiad, zijn verborgen in een meer, dat even groot is als eene zee, daar is zijn oorsprong, de dichtkunst zal er zonder twijfel bij verliezen; men vooronderstelde zoo gaarne dat die koning der stroomen een hemelschen oorsprong had; de ouden noemden hem Oceaan, en men geloofde bijna, dat hij onmiddellijk uit de zon stroomde; van tijd tot tijd moet men aannemen wat de wetenschap ons leert, er zullen misschien niet altijd geleerden, maar altijd dichters zijn.”—“Men ziet nog watervallen,” zeide Joe.—“Het zijn de watervallen van Makedo, op drie graden breedte. Niets is nauwkeuriger! O, hadden wij eenige uren den loop van den Nijl kunnen volgen!”—“En daar ginds, voor ons uit,” zeide de jager, “zie ik een berg.”—“Dat is de berg Logwek, de Bevende Berg der Arabieren; deze geheele streek is bezocht door Debono, die haar doortrok onder den naam van Latif Effendi. De stammen in de nabuurschap van den Nijl zijn elkander vijandig en voeren een verdelgingsoorlog. Gij kunt gemakkelijk begrijpen welke groote gevaren hij heeft moeten doorstaan.”De wind dreef den ballon naar het noordwesten. Om den berg Logwek te mijden moest men een meer afwijkenden luchtstroom zoeken.—“Mijne vrienden!” zeide de doctor, “hier begint onze Afrikaansche doortocht; tot hiertoe hebben wij slechts de sporen onzer voorgangers gevolgd. Nu gaan wij ons in geheel onbekende streken begeven, de moed zal ons niet ontbreken.”—“Nooit!” riepen Dick en Joe eenstemmig uit.—“Op weg dan en dat de Hemel ons bijsta.”De ballon boven een waterval.Ten tien ure des avonds kwamen de reizigers over holle wegen; wouden en verspreide dorpen aan de zijde van den Bevenden Berg, wiens hellingen zij langs trokken. Op dezen gedenkwaardigen dag van den 23stenApril hadden zij, in vijftien uren, door een snellen wind voortgejaagd, meer dan 315 mijlen doorloopen. Maar dit laatste gedeelte der reis had bij hen een treurigen indruk achtergelaten, een diep stilzwijgen heerschte in het schuitje. Was doctor Ferguson verdiept in zijne ontdekkingen? Dachten zijne twee reisgezellen aan den doortocht van onbekende streken? Dit was het zeker, vergezeld van de levendigste herinneringen aan Engeland enverwijderde vrienden. Joe alleen was onbekommerd, daar hij het zeer natuurlijk, vond dat het vaderland niet daar was, als het afwezig was, maar hij eerbiedigde het stilzwijgen van Samuel Ferguson en Dick Kennedy. Ten tien uur des avonds “ankerde” de Victoria op de hoogte van den Berg1; men gebruikte een stevig maal en allen sliepen beurtelings, onder de hoede van een hunner.Des anderen daags kwamen vroolijker denkbeelden in hen op; het was fraai weder en de wind woei uit den goeden hoek; een ontbijt, dat door Joe zeer werd opgevroolijkt, bracht hen geheel in een goed humeur. De streek, die zij op dit oogenblik doortrokken, is uitgestrekt; zij grenst aan het Maangebergte en aan de bergen van Darfour; zij is ongeveer zoo groot als Europa. “Wij reizen zonder twijfel,” zeide de doctor, “door hetgeen men onderstelt het koningrijk Usoga te zijn; eenige aardrijkskundigen hebben beweerd, dat er in het midden van Afrika een uitgestrekt dal bestond, een onmetelijk middelmeer. Wij zullen zien of dit eenigen schijn van waarheid heeft.”—“Maar hoe heeft men deze onderstelling kunnen maken?” vroeg Kennedy.—“Door de verhalen der Arabieren. Die menschen zijn goede verhalers, te veel vertellers misschien. Eenige reizigers, te Kazeh of aan de grootere Meren, hebben slaven gezien, die van de middelstreken kwamen; zij hebben hen ondervraagd over hun land, zij hebben die verschillende berichten vereenigd en daaruit stelsels afgeleid. Onder dit alles is er altoos iets waars, en, gij ziet het, men bedroog zich niet ten opzichte van den oorsprong van den Nijl.”—“Niets was juister,” antwoordde Kennedy.—“Door middel van die berichten heeft men gepoogd kaarten te maken, ik zal ook onzen weg nemen volgens eene daarvan en haar des noods verbeteren.”—“Wordt deze geheele streek bewoond?” vroeg Joe.—“Zeker, en slecht.”—“Ik vermoedde het.”—“Deze verstrooide stammen zijn onder den algemeenen naam Nyam-Nyam bekend, en deze naam is niets anders dan eene klanknabootsing: hij bootst het geluid van het kauwen na.”—“Volkomen,” zeide Joe; “nyam! nyam!”—“Mijn beste Joe, als gij de onmiddellijke oorzaak van deze klanknabootsing waart, zoudt gij die niet zoo goed vinden.”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Dat men deze volksstammen als menscheneters beschouwt.”—“Is dit zeker?”—“Zeer zeker; men had ook beweerd dat deze inlanders een staart droegen even als viervoetige dieren, maar men heeft weldra gezien, dat deze staart behoorde tot de beestevellen, waarmede zij bedekt zijn.”—“Des te erger! een staart is zeer goed om de muskieten te verjagen.”—“Datis mogelijk, Joe, maar men moet dit tot de fabelen terug wijzen, even als de hondekoppen, die de reiziger Brun-Rollet aan zekere volksstammen toekende.”—“Hondekoppen? Dat is zeer gemakkelijk om te blaffen en menscheneter te wezen.”—“Wat ongelukkig bewaarheid is, is de woestheid dier volken, die zeer gretig zijn op menschenvleesch.”—“Ik wensch dat zij niet veel smaak in mijn persoon mogen hebben.”—“Meent gij dat?” zeide de jager.—“Het is zoo, mijnheer Dick. Als ik ooit in een oogenblik van hongersnood moet worden opgegeten, dan wil ik dat het zij ten behoeve van u en mijn meester! Maar deze zwarten met mijn eigen vleesch te voeden, foei! ik zou van schaamte sterven.”—“Welnu, mijn brave Joe,” zeide Kennedy, “dat is afgesproken, wij rekenen op u bij gelegenheid.”—“Tot uw dienst, mijne heeren.”—“Joe spreekt zoo,” zeide de doctor, “omdat wij voor hem zullen zorg dragen en hem goed vetmesten.”—“Misschien,” antwoordde Joe, “de mensch is zoo’n zelfzuchtig dier.”In den namiddag werd de hemel bedekt met een heeten mist, die uit den grond opkwam en nauwelijks veroorloofde de voorwerpen op de aarde te onderscheiden; daarom gaf de doctor, vreezende tegen een of anderen top te stooten, tegen vijf uur het teeken om stil te houden. De nacht verliep zonder dat er iets voorviel, maar men moest in deze diepe duisternis van waakzaamheid verdubbelen. De passaatwind woei hevig in den morgenstond van den volgenden dag; de wind drong in de binnenste holten van den ballon, hij slingerde hevig de uiteinden waar de uitzettingspijpen uitkwamen; men moest deze met touwen vastmaken, hetgeen Joe zeer behendig deed. Tevens bewerkte het dat de opening van den luchtballon vast gesloten bleef.—“Dit is voor ons dubbel belangrijk,” zeide doctor Ferguson, “wij vermijden vooreerst het verlies van een kostbaar gas, vervolgens laten wij om ons heen geene ontvlambare stof, die ten laatste in brand zou vliegen.”—“Dat zou een leelijk geval zijn,” zeide Joe.—“Neen! Het gas zou langzaam branden en wij zouden met geringe snelheid dalen; een gelijk ongeluk is overkomen aan eene Fransche luchtreizigster, mevrouw Blanchard; zij stak haar ballon in brand door vuurwerk af te steken, maar zij zou niet gevallen en gedood zijn, als haar schuitje niet gestooten had tegen een schoorsteen, vanwaar zij op de aarde werd geworpen.”—“Laat ons hopen dat niets dergelijks ons gebeuren zal,” zeide de jager; “tot hiertoe schijnt onze tocht niet gevaarlijk en ik zie geen reden die ons verhindert ons doel te bereiken.”—“Ik ook niet, mijn waarde Dick; overigens zijn de ongelukken meestal veroorzaakt door de onvoorzichtigheid der luchtreizigers, of door de slechte constructie van hun toestel. Evenwel rekent men op eenige duizenden opstijgingen geen twintig ongelukken, die den dood ten gevolge hebben gehad. Wij moeten dus in dergelijk geval geen voorzorg verwaarloozen.”—“Hetis tijd om te ontbijten,” zeide Joe: “wij zullen ons tevreden stellen met verduurzaamd vleesch en koffie, totdat mijnheer Kennedy middel zal gevonden hebben om ons op een goed stuk wildbraad te onthalen.”1De overlevering verhaalt dat hij beeft zoodra een Muzelman er de voet op zet.XX.De hemelsche flesch.—De vijgepalmboomen.—De “mammouthboomen.”—De oorlogsboom.—Het gevleugelde span.—Gevecht van twee volksstammen.—Slachting.—Goddelijke tusschenkomst.De wind werd hevig en onregelmatig, de Victoria, nu eens weder naar het noorden, dan weder naar het zuiden geslingerd, kon geen standvastigen luchtstroom ontmoeten. “Wij gaan zeer snel, zonder veel te vorderen,” zeide Kennedy, terwijl hij de herhaalde schommelingen van den kompasnaald waarnam.—“De Victoria gaat met eene snelheid van ten minste dertig mijlen per uur,” zeide Samuel Ferguson; “zie omlaag, en gij zult het veld snel onder onze voeten zien verdwijnen. Zie, dit bosch schijnt ons te gemoet te snellen.”—“Het bosch is reeds eene open plek geworden,” antwoordde de jager.—“En de open plek een dorp,” zeide Joe, eenige oogenblikken later. “Daar zie ik zeer verbaasde negergezichten.”—“Dit is zeer natuurlijk; de Fransche boeren, toen zij voor de eerste maal een luchtballon zagen, hebben daarop geschoten, daar zij hem voor een luchtmonster hielden; de negers van Soedan mogen dan althans wel groote oogen zetten.”—Terwijl de Victoria op honderd voet van den grond een dorp voorbijtrok, zeide Joe: “met uw verlof, meester, ik zal hun een ledige flesch toewerpen, als zij behouden aankomt, zullen zij haar aanbidden, als zij breekt, zullen zij van de stukken talismans maken.”—Dit zeggende, wierp hij eene flesch naar beneden, die in duizend stukken brak, terwijl de inlanders luide kreten slakende, zich naar hunne ronde hutten begaven.—Een weinig verder riep Kennedy uit: “Zie eens dien zonderlingen boom! hij is boven en beneden van eene verschillende soort.”—“Mooi!” zeide Joe, “hier is een land waar de eene boom op den anderen groeit.”—“Het is eenvoudig een stam van een vijgeboom,” antwoordde de doctor, “waarop een weinig groeizame aarde gekomen is; de wind heeft op een goeden dag een zaadjevan een palmboom daarop gewaaid en de palmboom is opgekomen, als in het veld.”—“Eene fraaie manier,” zeide Joe; “die ik in Engeland zal invoeren; dat zal goed staan in de parken van Londen, zonder te rekenen dat het een middel zou wezen om het aantal vruchtboomen te vermeerderen; men zou tuinen in de hoogte hebben, hetgeen alle kleine grondeigenaars zeer zou aanstaan.”“Zie eens dien zonderlingen boom!”Op dit oogenblik moest de Victoria stijgen om een bosch van boomen over te trekken, die meer dan 300 voet hoog waren, eene soort van eeuwenheugende banaanboomen.—“Dat zijn prachtige boomen,” riep Kennedy uit, “ik ken niets zoo schoon als het gezicht van deze eerwaardige bosschen. Zie eens, Samuel.”—“De hoogte van deze bananen is waarlijk verwonderlijk, mijn waarde Dick, en echter zou zij geene verwondering wekken in de bosschen van Amerika.”—“Hoe! zijn er nog hooger boomen?”—“Zonder twijfel, onder hen, die wij de ‘mammouthsboomen’ noemen. In Californië heeft men een cederboom gevonden van 450 voet hoogte, hetgeen hooger is dan de toren van het Parlementshuis en zelfs dan degroote piramide van Egypte. Van onder had hij 120 voet in omtrek en uit de concentrische lagen van zijn hout maakte men op dat hij meer dan 4000 jaar oud was.”—“Maar, mijnheer! dat is dus niette verwonderen. Als men 4000 jaar leeft, wat is dan natuurlijker dan eene zoo schoone lichaamsgestalte te hebben?”De oorlogsboom der Kannibalen. Blz. 114.De oorlogsboom der Kannibalen. Blz.114.Terwijl de doctor dit verhaalde en Joe had geantwoord, had het bosch weder plaats gemaakt voor eene groote verzameling hutten, in een kring rondom een plein geplaatst. In het midden groeide een enkele boom, en toen Joe hem zag, riep hij uit: “Welnu, als deze 4000 jaar lang dergelijke bloemen voortbrengt, vind ik het niet zeer mooi van hem.” En hij toonde een reusachtigen wilden vijgeboom, welks, stam geheel verdween onder eene massa menschenbeenderen; de bloemen, waarvan Joe sprak, waren pas afgesneden hoofden, opgehangen aan dolken, die in de schors staken.—“De oorlogsboom der Kannibalen,” zeide de doctor; “de Indianen nemen den schedel de Afrikanen het geheele hoofd.”—“Dat is eene zaak van mode,” zeide Joe.Maar reeds verdween het dorp met de bloedige hoofden aan den horizon, toen een ander, verder gelegen, een niet minder terugstootend schouwspel aanbood: half verslonden lijken, geraamten, die in stof vielen, menschelijke ledematen, hier en daar verstrooid, waren overgelaten aan de hyena’s en jakhalzen.—“Dit zijn zeker de lichamen der misdadigers, zoo als in Abyssinië het gebruik is; men geeft ze ten prooi aan de wilde dieren, die hen op hun gemak verslinden, na hen met één beet gedood te hebben.”—“Het is niet veel wreeder dan de galg,” zeide de Schot, “het is smeriger, dat is alles.”—“In de zuidelijke streken van Afrika,” hernam de doctor, “vergenoegt men zich den misdadiger in zijne eigene hut op te sluiten met zijne beesten en misschien ook zijn huisgezin, men steekt die in brand en alles verbrandt te zamen. Dat noem ik wreedheid, maar ik beken met Kennedy, dat, als de galg minder wreed is, zij ten minste even barbaarsch is.”—Joe wees, dankzij het uitmuntende gezicht, waarvan hij zich zoo goed bediende, eenige troepen vluchtende vogels, die aan den horizon zweefden.—“Dat zijn arenden,” riep Kennedy uit, na hen met zijn verrekijker herkend te hebben, “prachtige vogels wier vlucht even snel is als de onze.”—“De hemel beware ons voor hunne aanvallen!” zeide de doctor, “zij zijn voor ons meer te vreezen dan de wilde dieren of de woeste stammen.”—“Bah!” antwoordde de jager, “Wij zouden hen door geweerschoten verwijderen.”—“Ik wil liever, mijn waarde Dick, tot dit middel mijne toevlucht niet nemen; de taf van onzent ballon zou geen weerstand bieden; gelukkig geloof ik dat deze geduchte vogels door onzen luchtballon meer verschrikt dan aangelokt worden.”—“Daar valt mij iets in,” zeide Joe, “want heden krijg ik denkbeelden bij dozijnen: als wij eens een span levende arenden konden krijgen, dan zouden wij hen voor ons schuitje spannen en zij zouden ons door de lucht voorttrekken.”—“Het middel is wel eens in allen ernst voorgesteld,” antwoordde de doctor, “maar ikgeloof dat het slecht uitvoerbaar is, omdat deze dieren koppig van aard zijn.”—“Men zou hen dresseeren,” hernam Joe; “in plaats van met gebitten zou men hen leiden met ooglappen, die hun het gezicht beletten; als zij eenoogig waren, zouden zij rechts of links gaan, blind daarentegen zouden zij stilstaan.”—“Veroorloof mij, beste Joe, de voorkeur te geven aan een gunstigen wind boven uw span van arenden, dat kost minder voedsel en is veiliger.”—“ik veroorloof het u, mijnheer, maar ik blijf bij mijn denkbeeld.”Het was middag; de Victoria ging sedert eenigen tijd langzamer. Plotseling treffen kreten en gefluit de ooren der reizigers; zij bogen zich voorover en zagen in eene opene vlakte een schouwspel dat hen deed ontroeren. Twee volkstammen vochten verwoed en deden wolken van pijlen door de lucht vliegen. De strijders, begeerig om elkander te dooden, bemerkten de aankomst der Victoria niet; zij waren omtrent 300 in getal; de meesten rood van het bloed der gekwetsten, waarin zij plasten, vormden een afzichtelijk schouwspel. Toen de luchtballon verscheen hielden zij een oogenblik op; het gehuil verdubbelde, eenige pijlen werden naar het schuitje afgezonden en een daarvan kwam zoo dicht, dat Joe haar met de hand kon grijpen.—“Laat ons buiten hun bereik stijgen!” riep de doctor uit! “Geen onvoorzichtigheid mogen wij begaan.”De slachting ging van beide kanten voort met bijl- en sagaaislagen; zoodra een vijand op den grond lag haastte zich zijne tegenpartij hem het hoofd af te snijden; de vrouwen, die deelnamen aan het gevecht, raapten de bloedige hoofden op en stapelden die op aan elk einde van het slagveld; dikwijls vochten zij om die afzichtelijke zegeteekenen te veroveren.—“Welk een afgrijslijk tooneel!” zeide Kennedy met verontwaardiging.—“Het zijn leelijke kerels!” zeide Joe, “maar als zij eene uniform hadden, zouden zij gelijk zijn aan alle strijders der wereld.”—“Ik heb veel lust om in het gevecht tusschen beiden te komen,” zeide de jager, zijne karabijn aanleggende.—“Neen! neen!” antwoordde de doctor, “laten wij ons bemoeien met wat ons aangaat. Weet gij wie gelijk of ongelijk heeft, dat gij de rol van Voorzienigheid wilt spelen? Laat ons zoo spoedig mogelijk dit afschuwelijk schouwspel ontvlieden! Als de groote veldheeren aldus het tooneel hunner daden konden overzien, zouden zij misschien den lust naar bloed en veroveringen verliezen.”Het opperhoofd van eene dezer woeste partijen onderscheidde zich door een athletischen lichaamsbouw en eene herkulische kracht; met de eene hand wierp hij zijne lans in de dichte gelederen zijner vijanden en met de andere maakte hij eene groote slachting met zijne bijl. Op een oogenblik wierp hij zijne door bloed rood geverfde sagaai weg, stortte zich op een gewonde, sneed diens arm met een enkelen slag af, nam hem met eene hand en, hem aan denmond brengende, begon hij er gretig in te bijten.—“Welk een afschuwelijk beest!” zeide Kennedy, “ik kan mij niet langer weerhouden.”En de bevelhebber door een kogel in het voorhoofd getroffen, viel achterover. Bij zijn val maakte een panische schrik zich van zijne krijgers meester; deze bovennatuurlijke dood verschrikte hen, terwijl hij den ijver hunner vijanden aanzette, en in eene seconde was het slagveld door de helft der strijders verlaten.—“Laat ons hooger op een luchtstroom zoeken, die ons medevoert,” zeide de doctor, “dit schouwspel walgt mij.”Maar hij verwijderde zich niet zoo spoedig of hij kon de overwinnende stam zien, die zich op de dooden en gekwetsten wierp, zich onderling dat warme vleesch betwistte en het gretig verslond.—“Dat is akelig!” zeide Joe.De Victoria steeg, het gehuil van die razende bende vervolgde hem eenige oogenblikken, maar eindelijk naar het zuiden gevoerd, verwijderde hij zich van dit tooneel van bloeddorst en kannibaalsche wreedheid. Het terrein vertoonde toen afwisselende oneffenheden met talrijke wateren die naar het oosten liepen; zij stortten zich zonder twijfel in die uitwateringen van het meer Nû of de Gazellenrivier, waarvan Guillaume Lejean zulke merkwaardige bijzonderheden heeft opgeteekend. Toen de nacht kwam, wierp de Victoria het anker uit op 27° lengte en 4° 20′ noorderbreedte, na een tocht van 150 mijlen.XXI.

De schets van doctor Ferguson. Blz. 98.De schets van doctor Ferguson. Blz.98.

De schets van doctor Ferguson. Blz. 98.

De schets van doctor Ferguson. Blz.98.

Toen begon Joe zich van zijne taak te kwijten. Hij maakte eerst in de aarde een gat van twee voet diep en vulde het met droog hout, dat in overvloed op den grond lag en afkomstig was van de openingen in het bosch, gemaakt door de olifanten, waarvan men de sporen zag. Het gat gevuld zijnde, legde hij daarboven op eentwee voet hoogen brandstapel en stak dien in brand. Vervolgens keerde hij naar het lichaam van den olifant terug, dat nauwelijks op zestig voet afstand van die plaats was gevallen, hij sneed er densnuit af, die aan het begin bijna twee voet dik was, koos er het lekkerste gedeelte van en voegde er een der pooten van het dier bij; dit zijn inderdaad de lekkerste stukken, even als de bult van den bison, de poot van den beer en de kop van het wilde zwijn. Toen de brandstapel van binnen en buiten geheel verteerd was, was het gat, bevrijd van de asch en de kolen, zeer heet; de stukken van den olifant, omringd door geurige bladeren, werden op den bodem van dien geïmproviseerden oven gelegd en met heete asch bedekt, vervolgens maakte Joe een tweeden brandstapel daarover heen, en toen die verteerd was, was het vleesch gaar. Vervolgens haalde Joe het uit het fornuis en legde het op groene bladeren en richtte nu den maaltijd aan op een prachtig grasperk; hij bracht beschuiten, brandewijn, koffie en putte versch water uit eene naburige beek. Dit aldus aangerichte maal was inderdaad aanlokkelijk, en Joe dacht, dat het met nog meer genoegen zou gegeten worden.—“Eene reis zonder vermoeienis en zonder gevaar!” herhaalde hij, “een maal op zijn tijd! altijd eene goede hangmat, wat kan men meer vergen? En die mijnheer Kennedy wilde niet meegaan!” Van zijn kant onderzocht Ferguson nauwkeurig den luchtballon. Hij scheen niets geleden te hebben, het taf en de gutta percha hadden verwonderlijk goed weerstand geboden; toen hij de tegenwoordige hoogte van den grond opnam en de stijgkracht van den ballon berekende, zag hij met voldoening dat het waterstofgas niet was verminderd; het omkleedsel bleef tot nu toe ondoordringbaar.

Het was slechts vijf dagen geleden dat de reizigers Zanzibar hadden verlaten, van de pemmican was nog niets gebruikt, de voorraad beschuit en verduurzaamd vleesch waren voldoende voor eene lange reis, men moest dus slechts versch water innemen. De pijpen en de slang schenen in goeden staat; door hunne geledingen van caoutchouc hadden zij alle slingeringen van den luchtballon kunnen volgen. Het onderzoek geëindigd zijnde, bracht de doctor zijne aanteekeningen in orde. Hij maakte eene vrij goed uitgevallen schets van het omringende veld, met het lange onafzienbare weiland, het bosch en den ballon onbeweeglijk hangende boven het lichaam van den ontzettenden olifant. Na twee uren kwam Kennedy terug met vette patrijzen en een dijstuk van een oryx, eene soort van gemsbok, die tot de vlugste soort van antilopen behoort. Joe belastte zich met eene grootere hoeveelheid voorraad gereed te maken.—“Maar het eten is gereed,” zeide hij met zijn liefelijkst stemgeluid.—

De drie reizigers behoefden slechts op het grasperk te gaan zitten; men vond de pooten en den snuit van den olifant zeer smakelijk; men dronk op Engeland, zoo als altoos, en de geur van havanahsigaren verspreidde zich voor het eerst in deze bekoorlijke streek. Kennedy at, dronk en praatte voor vier, hij was verrukt enstelde in ernst aan zijn vriend den doctor voor, zich in dit bosch neer te zetten, er eene hut van bladeren te maken en de heerschappij der Afrikaansche Robinsons te beginnen. Het voorstel had geen gevolg, hoewel Joe de rol van Vrijdag voor zich had willen nemen. Het veld scheen zoo stil, zoo verlaten, dat de doctor besloot den nacht op de aarde door te brengen; Joe legde een kring van vuren aan, iets dat noodzakelijk was tegen de wilde dieren; want de hyena’s, jaguars en jakhalzen, gelokt door het olifantenvleesch, slopen in den omtrek rond. Kennedy moest herhaaldelijk zijne karabijn lossen op al te stoutmoedige bezoekers; maar de nacht ging om zonder eenig onaangenaam voorval.

1Plus minus ƒ4.20.—naar gelang van den koers.

1Plus minus ƒ4.20.—naar gelang van den koers.

Karagwah.—Het meer Ukéréoué.—Een nacht op een eiland.—De Evenaar.—Overtocht van het meer.—De watervallen.—Gezicht van het land.—De bronnen van den Nijl.—Het eiland Benga.—De handteekening van Andreas Debono.—Het Paviljoen met de wapenen van Engeland.

Karagwah.—Het meer Ukéréoué.—Een nacht op een eiland.—De Evenaar.—Overtocht van het meer.—De watervallen.—Gezicht van het land.—De bronnen van den Nijl.—Het eiland Benga.—De handteekening van Andreas Debono.—Het Paviljoen met de wapenen van Engeland.

Des anderen daags ten vijf uur begonnen de toebereidselen tot het vertrek. Joe brak met dezelfde bijl, die hij gelukkig had teruggevonden, de slagtanden van den olifant. De Victoria sleepte de reizigers naar het noord-oosten met eene snelheid van 18 mijlen.

De doctor had den vorigen avond zijn bestek gemaakt door middel van de hoogste ster. Hij wist dat hij op 2° 40′ Zuiderbreedte was, hij trok talrijke dorpen over zonder zich te bekommeren over de kreten, door zijne verschijning veroorzaakt, hij teekende den vorm der planten op, hij stak de hellingen van den Rubemhé over, die bijna even stijl waren als de toppen van den Ousagara en ontmoette later, te Tenga, de eerste heuvels van den Karawah, die volgens hem noodzakelijk een tak van het Maangebergte moet zijn. Maar de oude legende die van deze bergen de bron van den Nijl maakt, kwam zeer na aan de waarheid, dewijl zij grenzen aan het meer Ukéréoué, vermoedelijke vergaderplaats der wateren van de groote rivier.

Van Kafuro, een groot district van inlandsche kooplieden, bemerkte hij eindelijk aan den horizon dit zoo zeer gezochte meer, dat de kapitein Speke den 3den Augustus 1858 zag. Samuel Ferguson voelde zich ontroerd; hij bereikte bijna een der voornaamste puntenvan zijn onderzoek, en met den verrekijker voor het oog, verloor hij geen enkelen hoek van die geheimzinnige streek, die zijn blik aldus beschreef:

Onder hem een over het algemeen uitgemergeld land met nauwelijks eenige bebouwde gleuven; de grond bedekt met kegels van eene middelmatige grootte, werd vlak in de nabijheid van het meer; de gerstvelden vervingen de rijstvelden; daar groeide de weegbree, waaruit de wijn des lands wordt bereid en de “mwani,” eene wilde plant, die tot koffie dient. De vereeniging van een vijftal ronde hutten,bedektmet stroo, vormde de hoofdstad van Karagwah.

Men bemerkte gemakkelijk de verbaasde gedaanten van een zeer schoon ras, van een bruingele kleur. Vrouwen van een buitengewone dikte sleepten zich voort door de plantages, en de doctor verwonderde zijne metgezellen ten hoogste, toen hij hun verhaalde dat deze zwaarlijvigheid, die op hoogen prijs wordt gesteld, verkregen wordt door eene verplichte levensmanier, bestaande in het gebruik van zure melk.

Des middags bevond zich de ballon op 1° 45′ Zuider breedte, ten een uur dreef de wind hem naar het meer. Dit meer is door kapitein Speke Nyanza1Victoria genoemd. Op deze plaats mat hij 90 mijlen breedte; aan het zuidelijk uiteinde vond de kapitein een groep eilanden, die hij Archipel van Bengalen noemde. Hij zette zijn onderzoek tot Muanza, op de Oostkust voort, waar hij door den Sultan goed werd ontvangen. Hij maakte de triangulatie van dit gedeelte van het meer, maar kon geene schuit krijgen om over te steken noch om het groote eiland Ukéréoué te bezoeken. Dit eiland is reeds zeer volkrijk, wordt door drie Sultans bestuurd en schijnt bijlaagwater slechts een schier-eiland.

De Victoria kwam meer noordelijk aan het meer, tot groote spijt van den doctor, die liever de benedenste omtrekken had willen bepalen. De oevers schenen bezet met doornachtige en verwarde struiken, die letterlijk verdwenen onder millioenen lichtbruine muskieten; dit land moest onbewoonbaar en onbewoond zijn; men zag troepen rivierpaarden zich in het riet wentelen of de vlucht nemen onder de witachtige wateren van het meer.

Dit meer, van boven gezien, bood naar het westen een zeer uitgestrekten horizon, zoodat het wel eene zee scheen; de afstand tusschen de twee oevers is groot genoeg dat er geene gemeenschap kan plaats hebben; en er heerschen talrijke hevige stormen, want de winden woeden hevig in die verheven en open kom.

De doctor had moeite om zich te richten, hij vreesde naar het oosten te worden gevoerd, maar gelukkig dreef een luchtstroom hem recht naar het noorden en des avonds ten zes uur bleef deVictoria stil op een klein onbewoond eiland, op 0° 30′ breedte en 32° 52′ lengte op 20 mijlen van de kust.

De waterval van den Nijl. Blz. 104.De waterval van den Nijl. Blz.104.

De waterval van den Nijl. Blz. 104.

De waterval van den Nijl. Blz.104.

De reizigers konden het anker aan een boom vasthechten, en daarde wind tegen den avond bedaard was, bleven zij stil op hunne ankers. Men kon er niet aan denken om op den grond te gaan; legioenen muskieten bedekten hier, even als op de oevers van den Nyanza, den bodem met eene dikke wolk. Joe zelfs kwam van den boom terug met steken bedekt, maar hij werd niet boos, zoo natuurlijk vond hij dit van de muskieten.

De doctor echter, die er niet zoo over dacht, vierde zooveel touw als hij kon, om aan die insecten te ontkomen, die met een verontrustend gegons stegen. Hij bevond de hoogte van het meer boven het oppervlak der zee, zooals kapitein Speke die bepaald had, namelijk 3750 voet. “Hier zijn wij dan op een eiland,” zeide Joe, die zich vreeselijk krabde.—“Wij zouden het spoedig omgetrokken, zijn,” antwoordde de jager “en behalve die beminnelijke insecten bemerkt men er geen levend wezen.”—“De eilanden, die in het meer liggen,” antwoordde doctor Ferguson, “zijn om de waarheid te zeggen, slechts toppen van verdronken heuvels, maar wij zijn gelukkig er eene schuilplaats te hebben gevonden, want de oevers van het meer worden door woeste stammen bewoond. Slaapt nu, dewijl de hemel ons een rustigen nacht belooft.”—“Zult gij niet hetzelfde doen, Samuel?”—“Neen, ik zou geen oog kunnen sluiten, mijne gedachten zouden mijn slaap verdrijven! Morgen, mijne vrienden, als de wind gunstig is, zullen wij recht noordwaarts gaan en misschien de bronnen van den Nijl, dat ondoordringbare geheim, ontdekken. Zoo dicht bij de bronnen van de groote rivier zou ik niet kunnen slapen.” Kennedy en Joe, die niet zoozeer door wetenschappelijke gedachten werden beziggehouden, vielen weldra onder de bewaking van den doctor in diepen slaap.

Des Woensdags den 23stenApril des morgens ten 4 uur maakte de Victoria zich gereed om te vertrekken bij donkere lucht; de nacht kon moeielijk scheiden van de wateren van het meer, dat door een dikken mist werd omringd, maar weldra dreef een hevige wind deze nevelen uit elkander. De Victoria slingerde eenige minuten naar verschillende kanten en ging toen recht noordwaarts. Doctor Ferguson klapte van vreugd in de handen. “Wij zijn op den goeden weg,” zeide hij. “Nu of nooit zullen wij den Nijl zien, mijne vrienden! hier zullen wij den evenaar passeeren, wij komen in ons halfrond.”—“O!” zeide Joe, “denkt gij, meester, dat de evenaar hier over heen gaat?”—“Ja, mijn jongen!”—“Welnu, met uw verlof, het schijnt mij passend hem te besproeien zonder tijd te verliezen.”—“Neem een glas grog,” antwoordde de doctor lachende, “gij hebt eene manier om de wereldbeschrijving op te vatten, die gansch niet gek is.” Dus vierde men in den Victoria het passeeren van de Linie.

Deze ging snel voort. Men bemerkte in het westen de lage en weinig oneffen kust, verder op de hoogere vlakten van den Uganda en den Usoga. De snelheid van den wind werd bijna 30 mijlen in het uur.

De wateren van den Nyanza, hevig beroerd, schuimden als de baren eener zee. Aan zekere grondgolven, die langen tijd na de windstilte schommelden, herkende de doctor, dat het meer eene groote diepten moest hebben, men zag nauwelijks een of twee ruwe schuitjes gedurende dien snellen overtocht. “Dit meer,” zeide de doctor, “is door zijne verhevene ligging blijkbaar de natuurlijke vergaarbak der rivieren van Oostelijk Afrika; de hemel geeft het in regen weder wat hij in dampen aan zijne uitvloeiende wateren ontneemt. Het komt mij zeker voor, dat de Nijl zijn oorsprong hier moest hebben.”—“Wij zullen het wel zien,” hernam Kennedy.

Omtrent negen uur naderde men de Westkust, welke verlaten en met hout begroeid scheen; de wind sloeg een weinig om naar het oosten, en men kon den anderen oever van het meer even zien. Deze kromde zich en eindigde in een zeer stompen hoek, op ongeveer 2° 10′ Noorderbreedte. Aan dit uiteinde van den Nyanza staken hooge bergen hunne naakte kruinen in de hoogte, maar tusschen hen verschafte eene diepe en bochtige engte een doorgang aan eene schuimende rivier.

Terwijl hij zijn luchtballon bestuurde, onderzocht doctor Ferguson het land met gretigen blik. “Ziet,” zeide hij, “ziet, mijne vrienden! de verhalen der oude Arabieren waren juist. Zij spraken van eene rivier door welke het meer Ukéréoué zich in het noorden ontlastte, en deze rivier bestaat, wij volgen haren loop en zij stroomt met eene snelheid, die met de onze kan worden vergeleken! Het water, dat onder onze voeten wegvloeit, gaat zich zekerlijk vereenigen met de golven der Middellandsche zee! Het is de Nijl!”—“Het is de Nijl!” herhaalde Kennedy, die in de verrukking van Samuel Ferguson deelde.—“Leve de Nijl!” riep Joe uit.

Ontzaglijke rotsen verhinderden hier en daar den loop dezer geheimzinnige rivier. Het water schuimde en vormde watervallen, die het vermoeden des doctors bevestigden. Talrijke bergstroomen, schuimende in hunnen val, ontsproten aan deze omringende bergen, het oog telde hen bij honderden. Men zag uit den grond dunne stralen water te voorschijn komen, die elkander kruisten, zich met elkander vereenigden, in snelheid wedijverden en allen naar die rivier vloeiden.—“Ziedaar den Nijl,” herhaalde de doctor met overtuiging. “De oorsprong van zijn naam even als de bron zijner wateren, heeft de geleerden hartstochtelijk bezig gehouden; men heeft hem willen afleiden uit het Grieksch, het Koptisch, het Sanskriet2; maar hieraan is weinig gelegen, dewijl eindelijk het geheim van zijne bronnen ontdekt is.”—“Maar,” zeide de jager, “hoekunnen wij ons verzekeren dat deze rivier en die, welke de reizigers van het noorden hebben herkend, dezelfde is?”—“Wij zullen zekere, onwederlegbare bewijzen hebben,” antwoordde Ferguson, “als de wind ons nog één uur gunstig blijft.”

De bergen verwijderden zich van elkander en maakten plaats voor talrijke dorpen en velden bezaaid met sesam, dourrah en suikerriet. De stammen dezer streken toonden zich vijandig, zij schenen eerder tot toorn dan tot aanbidding geneigd; zij hadden een voorgevoel van gevaren en niet van goden. Het scheen dat men, naar de bronnen van den Nijl gaande, hun iets kwam ontnemen. De Victoria moest buiten bereik der musketten blijven.—“Hier te lande zal het moeielijk gaan,” zeide de Schot.—“Welnu,” antwoordde Joe, “des te erger voor deze inlanders, wij berooven hen van het genoegen met ons te spreken.”—“Ik moet echter dalen,” antwoordde doctor Ferguson, “al was het maar voor een kwartier. Zonder dat kan ik de resultaten van ons onderzoek niet staven.”—“Het is dus noodzakelijk, Samuel?”—“Ja, wij zullen dalen, al moesten wij geweerschoten lossen.”—“De zaak bevalt mij,” antwoordde Kennedy.—“Als gij wilt, meester,” zeide Joe, die zich tot het gevecht gereed maakte.—“Het zal de eerste maal niet wezen, dat men met de wapens in de hand de wetenschap heeft beoefend; iets dergelijks is een Fransch geleerde overkomen in de bergen van Spanje, toen hij den aardschen meridiaan opnam.”—“Wees gerust, Samuel; vertrouw op uwe twee lijfwachten.”—“Zijn wij er, mijnheer?”—“Nog niet. Wij gaan zelfs stijgen om den juisten vorm van het land te herkennen.”

Het waterstofgas zette zich uit, en in minder dan tien minuten zweefde de Victoria op eene hoogte van 2500 voet. Vandaar onderscheidde men een groot net van rivieren, die de stroom in zijne bedding opnam; er kwamen meer van het westen, tusschen de talrijke heuvelen, te midden van vruchtbare velden. “Wij zijn op geen 90 mijlen van Gondokoro,” zeide de doctor, op zijne kaart wijzende “en op minder dan vijf mijlen afstands van het punt, bereikt door de onderzoekers van het noorden. Laat ons voorzichtig de aarde naderen.” De Victoria daalde meer dan 2000 voet. “Mijne vrienden! laat ons nu op, elk toeval voorbereid zijn.”—“Wij zijn gereed,” antwoordden Dick en Joe.—“Goed!”

Het eiland Benga. Blz. 106.Het eiland Benga. Blz.106.

Het eiland Benga. Blz. 106.

Het eiland Benga. Blz.106.

De Victoria volgde weldra de bedding der rivier op nauwelijks honderd voet hoogte. De Nijl was op die plaats 50 vaam3breed en de inlanders werden oproerig in de dorpen, die hare oevers omzoomden. Op den tweeden graad vormt hij een waterval van tien voet hoog, die bijgevolg onoverschrijdbaar is. “Daar is de waterval door Debono aangewezen,” riep de doctor uit. De kom van denstroom werd breeder en was met talrijke eilanden bezet, die Samuel Ferguson met den blik als verslond; hij scheen een merk te zoeken, dat hij nog niet bespeurde. Eenige negers waren in eeneschuit onder den ballon naderbij gekomen. Kennedy begroette hen met een geweerschot, dat, zonder hen te bereiken, hen noodzaakte spoedig den oever te bereiken.—“Goede reis,” zeide Joe, “in hunne plaats zou ik het niet wagen terug te komen, ik zou bevreesd zijn voor een monster, dat naar willekeur den bliksem slingerde.” Plotseling nam de doctor zijn verrekijker en richtte dien op een eiland in het midden der rivier.—“Vier boomen!” riep hij uit, “ziet, daar ginds.”—Inderdaad er verhieven zich vier boomen aan het uiteinde.—“Het is het eiland Benga! Ja, het is het wel!” voegde hij er bij.—“Welnu, wat dan?” vroeg Dick.—“Daar zullen wij nederdalen, als het God behaagt!”—“Maar het schijnt bewoond, mijnheer Samuel!”—“Joe heeft gelijk, als ik mij niet bedrieg zie ik daar een twintigtal inlanders verzameld.”—“Wij zullen hen op de vlucht drijven, dat zal niet moeielijk zijn,” antwoordde Ferguson.—“Zoo als gezegd is,” hernam de jager.

De zon was in het toppunt, de Victoria naderde het eiland. De negers, die tot den stam van Makado behoorden, slaakten woeste kreten. Een van hen slingerde zijn hoed van boomschors door de lucht. Kennedy nam hem tot mikpunt, gaf vuur en de hoed vloog in stukken. Het was eene algemeene vlucht. De negers wierpen zich in den stroom en zwommen hem over, van de twee oevers kwam eene hagelbui van kogels en een regen van pijlen, maar zonder eenig gevaar voor den luchtballon wiens anker in eene rotsspleet vast zat. Joe liet zich naar beneden zakken.—“De ladder,” riep de doctor, “volg mij, Kennedy.”—“Wat wilt gij doen?”—“Laat ons afdalen, ik moet een getuige hebben.”—“Hier ben ik.”—“Joe! pas goed op.”—“Wees gerust, mijnheer! ik sta voor alles in.”—“Kom, Dick!” zeide de doctor, voet op den grond zettende. Hij nam zijn gezel mede naar eene groep rotsen, die zich aan het uiteinde van het eiland verhieven, daar zocht hij eenigen tijd, doorsnuffelde de struiken en reet zich de handen open. Eensklaps greep hij den arm van den jager.—“Zie,” zeide hij.—“Letters!”—Inderdaad kwamen twee letters in de rots gegriffeld geheel te voorschijn. Men las eindelijk: A. D.

“A. D.” hernam doctor Ferguson, “Andrea Debono. De handteekening van denzelfden reiziger, die het verst den loop van den Nijl gevolgd is.”—“Dit is onbetwistbaar, vriend Samuel!”—“Zijt gij nu overtuigd?”—“Het is de Nijl! wij kunnen er niet aan twijfelen.”

De doctor keek voor de laatste maal naar die kostbare letters, wier vorm en grootte hij nauwkeurig opteekende. “En nu,” zeide hij, “naar den ballon.”—“Spoedig dan, want ik zie eenige inlanders, die zich gereed maken den stroom weder over te trekken.”—“Het kan ons nu weinig schelen. Als de wind ons eenige uren noordwaarts op drijft, zullen wij Gondokoro bereiken en de hand onzer landgenooten drukken.” Tien minuten daarna verhief zich deVictoria statig, terwijl doctor Ferguson, ten teeken van een goeden uitslag, de Engelsche vlag ontrolde.

1Nyanza beteekentmeer.2Een geleerd Byzantijn zag in het woord Neilos een getallennaam. N was 50, E 5, I 10, L 30, O 70, S 200, hetgeen juist het getal der dagen van het jaar uitmaakt.397.45 Meter

1Nyanza beteekentmeer.

2Een geleerd Byzantijn zag in het woord Neilos een getallennaam. N was 50, E 5, I 10, L 30, O 70, S 200, hetgeen juist het getal der dagen van het jaar uitmaakt.

397.45 Meter

De Nijl.—De bevende berg.—Herinnering aan het land.—De verhalen der Arabieren.—De Nyam-Nyam.—Verstandige overleggingen van Joe.—De opstijging van luchtballons.—Mevrouw Blanchard.

De Nijl.—De bevende berg.—Herinnering aan het land.—De verhalen der Arabieren.—De Nyam-Nyam.—Verstandige overleggingen van Joe.—De opstijging van luchtballons.—Mevrouw Blanchard.

“Welke richting nemen wij?” vroeg Kennedy, toen hij zijn vriend het kompas zag raadplegen.—“Noord-noordwest.”—“Duivels! dat is het noorden niet!”—“Neen, Dick, en ik geloof dat wij moeite zullen hebben omGondokorote bereiken; het spijt mij, maar wij hebben de onderzoekingen van het oosten verbonden met die van het noorden, wij hebben geen klagen.”

De Victoria verwijderde zich langzamerhand van den Nijl.—“Laat ons den laatsten blik slaan,” zeide de doctor, “op die onoverschrijdbare breedte, welke de onverschrokkenste reizigers niet hebben kunnen overkomen. Ziedaar die onhandelbare stammen, beschreven door Petherick, d’Arnaud, Miani en dien jongen reiziger, Lejean, aan wien wij de beste werken over den Opper-Nijl verschuldigd zijn.”—“Dus zijn onze ontdekkingen in overeenstemming met de voorspellingen der wetenschap?” vroeg Kennedy.—“Geheel en al. De bronnen der Witte rivier, van den Bahr-el-Abiad, zijn verborgen in een meer, dat even groot is als eene zee, daar is zijn oorsprong, de dichtkunst zal er zonder twijfel bij verliezen; men vooronderstelde zoo gaarne dat die koning der stroomen een hemelschen oorsprong had; de ouden noemden hem Oceaan, en men geloofde bijna, dat hij onmiddellijk uit de zon stroomde; van tijd tot tijd moet men aannemen wat de wetenschap ons leert, er zullen misschien niet altijd geleerden, maar altijd dichters zijn.”—“Men ziet nog watervallen,” zeide Joe.—“Het zijn de watervallen van Makedo, op drie graden breedte. Niets is nauwkeuriger! O, hadden wij eenige uren den loop van den Nijl kunnen volgen!”—“En daar ginds, voor ons uit,” zeide de jager, “zie ik een berg.”—“Dat is de berg Logwek, de Bevende Berg der Arabieren; deze geheele streek is bezocht door Debono, die haar doortrok onder den naam van Latif Effendi. De stammen in de nabuurschap van den Nijl zijn elkander vijandig en voeren een verdelgingsoorlog. Gij kunt gemakkelijk begrijpen welke groote gevaren hij heeft moeten doorstaan.”

De wind dreef den ballon naar het noordwesten. Om den berg Logwek te mijden moest men een meer afwijkenden luchtstroom zoeken.—“Mijne vrienden!” zeide de doctor, “hier begint onze Afrikaansche doortocht; tot hiertoe hebben wij slechts de sporen onzer voorgangers gevolgd. Nu gaan wij ons in geheel onbekende streken begeven, de moed zal ons niet ontbreken.”—“Nooit!” riepen Dick en Joe eenstemmig uit.—“Op weg dan en dat de Hemel ons bijsta.”

De ballon boven een waterval.

De ballon boven een waterval.

Ten tien ure des avonds kwamen de reizigers over holle wegen; wouden en verspreide dorpen aan de zijde van den Bevenden Berg, wiens hellingen zij langs trokken. Op dezen gedenkwaardigen dag van den 23stenApril hadden zij, in vijftien uren, door een snellen wind voortgejaagd, meer dan 315 mijlen doorloopen. Maar dit laatste gedeelte der reis had bij hen een treurigen indruk achtergelaten, een diep stilzwijgen heerschte in het schuitje. Was doctor Ferguson verdiept in zijne ontdekkingen? Dachten zijne twee reisgezellen aan den doortocht van onbekende streken? Dit was het zeker, vergezeld van de levendigste herinneringen aan Engeland enverwijderde vrienden. Joe alleen was onbekommerd, daar hij het zeer natuurlijk, vond dat het vaderland niet daar was, als het afwezig was, maar hij eerbiedigde het stilzwijgen van Samuel Ferguson en Dick Kennedy. Ten tien uur des avonds “ankerde” de Victoria op de hoogte van den Berg1; men gebruikte een stevig maal en allen sliepen beurtelings, onder de hoede van een hunner.

Des anderen daags kwamen vroolijker denkbeelden in hen op; het was fraai weder en de wind woei uit den goeden hoek; een ontbijt, dat door Joe zeer werd opgevroolijkt, bracht hen geheel in een goed humeur. De streek, die zij op dit oogenblik doortrokken, is uitgestrekt; zij grenst aan het Maangebergte en aan de bergen van Darfour; zij is ongeveer zoo groot als Europa. “Wij reizen zonder twijfel,” zeide de doctor, “door hetgeen men onderstelt het koningrijk Usoga te zijn; eenige aardrijkskundigen hebben beweerd, dat er in het midden van Afrika een uitgestrekt dal bestond, een onmetelijk middelmeer. Wij zullen zien of dit eenigen schijn van waarheid heeft.”—“Maar hoe heeft men deze onderstelling kunnen maken?” vroeg Kennedy.—“Door de verhalen der Arabieren. Die menschen zijn goede verhalers, te veel vertellers misschien. Eenige reizigers, te Kazeh of aan de grootere Meren, hebben slaven gezien, die van de middelstreken kwamen; zij hebben hen ondervraagd over hun land, zij hebben die verschillende berichten vereenigd en daaruit stelsels afgeleid. Onder dit alles is er altoos iets waars, en, gij ziet het, men bedroog zich niet ten opzichte van den oorsprong van den Nijl.”—“Niets was juister,” antwoordde Kennedy.—“Door middel van die berichten heeft men gepoogd kaarten te maken, ik zal ook onzen weg nemen volgens eene daarvan en haar des noods verbeteren.”—“Wordt deze geheele streek bewoond?” vroeg Joe.—“Zeker, en slecht.”—“Ik vermoedde het.”—“Deze verstrooide stammen zijn onder den algemeenen naam Nyam-Nyam bekend, en deze naam is niets anders dan eene klanknabootsing: hij bootst het geluid van het kauwen na.”—“Volkomen,” zeide Joe; “nyam! nyam!”—“Mijn beste Joe, als gij de onmiddellijke oorzaak van deze klanknabootsing waart, zoudt gij die niet zoo goed vinden.”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Dat men deze volksstammen als menscheneters beschouwt.”—“Is dit zeker?”—“Zeer zeker; men had ook beweerd dat deze inlanders een staart droegen even als viervoetige dieren, maar men heeft weldra gezien, dat deze staart behoorde tot de beestevellen, waarmede zij bedekt zijn.”—“Des te erger! een staart is zeer goed om de muskieten te verjagen.”—“Datis mogelijk, Joe, maar men moet dit tot de fabelen terug wijzen, even als de hondekoppen, die de reiziger Brun-Rollet aan zekere volksstammen toekende.”—“Hondekoppen? Dat is zeer gemakkelijk om te blaffen en menscheneter te wezen.”—“Wat ongelukkig bewaarheid is, is de woestheid dier volken, die zeer gretig zijn op menschenvleesch.”—“Ik wensch dat zij niet veel smaak in mijn persoon mogen hebben.”—“Meent gij dat?” zeide de jager.—“Het is zoo, mijnheer Dick. Als ik ooit in een oogenblik van hongersnood moet worden opgegeten, dan wil ik dat het zij ten behoeve van u en mijn meester! Maar deze zwarten met mijn eigen vleesch te voeden, foei! ik zou van schaamte sterven.”—“Welnu, mijn brave Joe,” zeide Kennedy, “dat is afgesproken, wij rekenen op u bij gelegenheid.”—“Tot uw dienst, mijne heeren.”—“Joe spreekt zoo,” zeide de doctor, “omdat wij voor hem zullen zorg dragen en hem goed vetmesten.”—“Misschien,” antwoordde Joe, “de mensch is zoo’n zelfzuchtig dier.”

In den namiddag werd de hemel bedekt met een heeten mist, die uit den grond opkwam en nauwelijks veroorloofde de voorwerpen op de aarde te onderscheiden; daarom gaf de doctor, vreezende tegen een of anderen top te stooten, tegen vijf uur het teeken om stil te houden. De nacht verliep zonder dat er iets voorviel, maar men moest in deze diepe duisternis van waakzaamheid verdubbelen. De passaatwind woei hevig in den morgenstond van den volgenden dag; de wind drong in de binnenste holten van den ballon, hij slingerde hevig de uiteinden waar de uitzettingspijpen uitkwamen; men moest deze met touwen vastmaken, hetgeen Joe zeer behendig deed. Tevens bewerkte het dat de opening van den luchtballon vast gesloten bleef.—“Dit is voor ons dubbel belangrijk,” zeide doctor Ferguson, “wij vermijden vooreerst het verlies van een kostbaar gas, vervolgens laten wij om ons heen geene ontvlambare stof, die ten laatste in brand zou vliegen.”—“Dat zou een leelijk geval zijn,” zeide Joe.—“Neen! Het gas zou langzaam branden en wij zouden met geringe snelheid dalen; een gelijk ongeluk is overkomen aan eene Fransche luchtreizigster, mevrouw Blanchard; zij stak haar ballon in brand door vuurwerk af te steken, maar zij zou niet gevallen en gedood zijn, als haar schuitje niet gestooten had tegen een schoorsteen, vanwaar zij op de aarde werd geworpen.”—“Laat ons hopen dat niets dergelijks ons gebeuren zal,” zeide de jager; “tot hiertoe schijnt onze tocht niet gevaarlijk en ik zie geen reden die ons verhindert ons doel te bereiken.”—“Ik ook niet, mijn waarde Dick; overigens zijn de ongelukken meestal veroorzaakt door de onvoorzichtigheid der luchtreizigers, of door de slechte constructie van hun toestel. Evenwel rekent men op eenige duizenden opstijgingen geen twintig ongelukken, die den dood ten gevolge hebben gehad. Wij moeten dus in dergelijk geval geen voorzorg verwaarloozen.”—“Hetis tijd om te ontbijten,” zeide Joe: “wij zullen ons tevreden stellen met verduurzaamd vleesch en koffie, totdat mijnheer Kennedy middel zal gevonden hebben om ons op een goed stuk wildbraad te onthalen.”

1De overlevering verhaalt dat hij beeft zoodra een Muzelman er de voet op zet.

1De overlevering verhaalt dat hij beeft zoodra een Muzelman er de voet op zet.

De hemelsche flesch.—De vijgepalmboomen.—De “mammouthboomen.”—De oorlogsboom.—Het gevleugelde span.—Gevecht van twee volksstammen.—Slachting.—Goddelijke tusschenkomst.

De hemelsche flesch.—De vijgepalmboomen.—De “mammouthboomen.”—De oorlogsboom.—Het gevleugelde span.—Gevecht van twee volksstammen.—Slachting.—Goddelijke tusschenkomst.

De wind werd hevig en onregelmatig, de Victoria, nu eens weder naar het noorden, dan weder naar het zuiden geslingerd, kon geen standvastigen luchtstroom ontmoeten. “Wij gaan zeer snel, zonder veel te vorderen,” zeide Kennedy, terwijl hij de herhaalde schommelingen van den kompasnaald waarnam.—“De Victoria gaat met eene snelheid van ten minste dertig mijlen per uur,” zeide Samuel Ferguson; “zie omlaag, en gij zult het veld snel onder onze voeten zien verdwijnen. Zie, dit bosch schijnt ons te gemoet te snellen.”—“Het bosch is reeds eene open plek geworden,” antwoordde de jager.—“En de open plek een dorp,” zeide Joe, eenige oogenblikken later. “Daar zie ik zeer verbaasde negergezichten.”—“Dit is zeer natuurlijk; de Fransche boeren, toen zij voor de eerste maal een luchtballon zagen, hebben daarop geschoten, daar zij hem voor een luchtmonster hielden; de negers van Soedan mogen dan althans wel groote oogen zetten.”—Terwijl de Victoria op honderd voet van den grond een dorp voorbijtrok, zeide Joe: “met uw verlof, meester, ik zal hun een ledige flesch toewerpen, als zij behouden aankomt, zullen zij haar aanbidden, als zij breekt, zullen zij van de stukken talismans maken.”—Dit zeggende, wierp hij eene flesch naar beneden, die in duizend stukken brak, terwijl de inlanders luide kreten slakende, zich naar hunne ronde hutten begaven.—Een weinig verder riep Kennedy uit: “Zie eens dien zonderlingen boom! hij is boven en beneden van eene verschillende soort.”—“Mooi!” zeide Joe, “hier is een land waar de eene boom op den anderen groeit.”—“Het is eenvoudig een stam van een vijgeboom,” antwoordde de doctor, “waarop een weinig groeizame aarde gekomen is; de wind heeft op een goeden dag een zaadjevan een palmboom daarop gewaaid en de palmboom is opgekomen, als in het veld.”—“Eene fraaie manier,” zeide Joe; “die ik in Engeland zal invoeren; dat zal goed staan in de parken van Londen, zonder te rekenen dat het een middel zou wezen om het aantal vruchtboomen te vermeerderen; men zou tuinen in de hoogte hebben, hetgeen alle kleine grondeigenaars zeer zou aanstaan.”

“Zie eens dien zonderlingen boom!”

“Zie eens dien zonderlingen boom!”

Op dit oogenblik moest de Victoria stijgen om een bosch van boomen over te trekken, die meer dan 300 voet hoog waren, eene soort van eeuwenheugende banaanboomen.—“Dat zijn prachtige boomen,” riep Kennedy uit, “ik ken niets zoo schoon als het gezicht van deze eerwaardige bosschen. Zie eens, Samuel.”—“De hoogte van deze bananen is waarlijk verwonderlijk, mijn waarde Dick, en echter zou zij geene verwondering wekken in de bosschen van Amerika.”—“Hoe! zijn er nog hooger boomen?”—“Zonder twijfel, onder hen, die wij de ‘mammouthsboomen’ noemen. In Californië heeft men een cederboom gevonden van 450 voet hoogte, hetgeen hooger is dan de toren van het Parlementshuis en zelfs dan degroote piramide van Egypte. Van onder had hij 120 voet in omtrek en uit de concentrische lagen van zijn hout maakte men op dat hij meer dan 4000 jaar oud was.”—“Maar, mijnheer! dat is dus niette verwonderen. Als men 4000 jaar leeft, wat is dan natuurlijker dan eene zoo schoone lichaamsgestalte te hebben?”

De oorlogsboom der Kannibalen. Blz. 114.De oorlogsboom der Kannibalen. Blz.114.

De oorlogsboom der Kannibalen. Blz. 114.

De oorlogsboom der Kannibalen. Blz.114.

Terwijl de doctor dit verhaalde en Joe had geantwoord, had het bosch weder plaats gemaakt voor eene groote verzameling hutten, in een kring rondom een plein geplaatst. In het midden groeide een enkele boom, en toen Joe hem zag, riep hij uit: “Welnu, als deze 4000 jaar lang dergelijke bloemen voortbrengt, vind ik het niet zeer mooi van hem.” En hij toonde een reusachtigen wilden vijgeboom, welks, stam geheel verdween onder eene massa menschenbeenderen; de bloemen, waarvan Joe sprak, waren pas afgesneden hoofden, opgehangen aan dolken, die in de schors staken.—“De oorlogsboom der Kannibalen,” zeide de doctor; “de Indianen nemen den schedel de Afrikanen het geheele hoofd.”—“Dat is eene zaak van mode,” zeide Joe.

Maar reeds verdween het dorp met de bloedige hoofden aan den horizon, toen een ander, verder gelegen, een niet minder terugstootend schouwspel aanbood: half verslonden lijken, geraamten, die in stof vielen, menschelijke ledematen, hier en daar verstrooid, waren overgelaten aan de hyena’s en jakhalzen.—“Dit zijn zeker de lichamen der misdadigers, zoo als in Abyssinië het gebruik is; men geeft ze ten prooi aan de wilde dieren, die hen op hun gemak verslinden, na hen met één beet gedood te hebben.”—“Het is niet veel wreeder dan de galg,” zeide de Schot, “het is smeriger, dat is alles.”—“In de zuidelijke streken van Afrika,” hernam de doctor, “vergenoegt men zich den misdadiger in zijne eigene hut op te sluiten met zijne beesten en misschien ook zijn huisgezin, men steekt die in brand en alles verbrandt te zamen. Dat noem ik wreedheid, maar ik beken met Kennedy, dat, als de galg minder wreed is, zij ten minste even barbaarsch is.”—Joe wees, dankzij het uitmuntende gezicht, waarvan hij zich zoo goed bediende, eenige troepen vluchtende vogels, die aan den horizon zweefden.—“Dat zijn arenden,” riep Kennedy uit, na hen met zijn verrekijker herkend te hebben, “prachtige vogels wier vlucht even snel is als de onze.”—“De hemel beware ons voor hunne aanvallen!” zeide de doctor, “zij zijn voor ons meer te vreezen dan de wilde dieren of de woeste stammen.”—“Bah!” antwoordde de jager, “Wij zouden hen door geweerschoten verwijderen.”—“Ik wil liever, mijn waarde Dick, tot dit middel mijne toevlucht niet nemen; de taf van onzent ballon zou geen weerstand bieden; gelukkig geloof ik dat deze geduchte vogels door onzen luchtballon meer verschrikt dan aangelokt worden.”—“Daar valt mij iets in,” zeide Joe, “want heden krijg ik denkbeelden bij dozijnen: als wij eens een span levende arenden konden krijgen, dan zouden wij hen voor ons schuitje spannen en zij zouden ons door de lucht voorttrekken.”—“Het middel is wel eens in allen ernst voorgesteld,” antwoordde de doctor, “maar ikgeloof dat het slecht uitvoerbaar is, omdat deze dieren koppig van aard zijn.”—“Men zou hen dresseeren,” hernam Joe; “in plaats van met gebitten zou men hen leiden met ooglappen, die hun het gezicht beletten; als zij eenoogig waren, zouden zij rechts of links gaan, blind daarentegen zouden zij stilstaan.”—“Veroorloof mij, beste Joe, de voorkeur te geven aan een gunstigen wind boven uw span van arenden, dat kost minder voedsel en is veiliger.”—“ik veroorloof het u, mijnheer, maar ik blijf bij mijn denkbeeld.”

Het was middag; de Victoria ging sedert eenigen tijd langzamer. Plotseling treffen kreten en gefluit de ooren der reizigers; zij bogen zich voorover en zagen in eene opene vlakte een schouwspel dat hen deed ontroeren. Twee volkstammen vochten verwoed en deden wolken van pijlen door de lucht vliegen. De strijders, begeerig om elkander te dooden, bemerkten de aankomst der Victoria niet; zij waren omtrent 300 in getal; de meesten rood van het bloed der gekwetsten, waarin zij plasten, vormden een afzichtelijk schouwspel. Toen de luchtballon verscheen hielden zij een oogenblik op; het gehuil verdubbelde, eenige pijlen werden naar het schuitje afgezonden en een daarvan kwam zoo dicht, dat Joe haar met de hand kon grijpen.—“Laat ons buiten hun bereik stijgen!” riep de doctor uit! “Geen onvoorzichtigheid mogen wij begaan.”

De slachting ging van beide kanten voort met bijl- en sagaaislagen; zoodra een vijand op den grond lag haastte zich zijne tegenpartij hem het hoofd af te snijden; de vrouwen, die deelnamen aan het gevecht, raapten de bloedige hoofden op en stapelden die op aan elk einde van het slagveld; dikwijls vochten zij om die afzichtelijke zegeteekenen te veroveren.—“Welk een afgrijslijk tooneel!” zeide Kennedy met verontwaardiging.—“Het zijn leelijke kerels!” zeide Joe, “maar als zij eene uniform hadden, zouden zij gelijk zijn aan alle strijders der wereld.”—“Ik heb veel lust om in het gevecht tusschen beiden te komen,” zeide de jager, zijne karabijn aanleggende.—“Neen! neen!” antwoordde de doctor, “laten wij ons bemoeien met wat ons aangaat. Weet gij wie gelijk of ongelijk heeft, dat gij de rol van Voorzienigheid wilt spelen? Laat ons zoo spoedig mogelijk dit afschuwelijk schouwspel ontvlieden! Als de groote veldheeren aldus het tooneel hunner daden konden overzien, zouden zij misschien den lust naar bloed en veroveringen verliezen.”

Het opperhoofd van eene dezer woeste partijen onderscheidde zich door een athletischen lichaamsbouw en eene herkulische kracht; met de eene hand wierp hij zijne lans in de dichte gelederen zijner vijanden en met de andere maakte hij eene groote slachting met zijne bijl. Op een oogenblik wierp hij zijne door bloed rood geverfde sagaai weg, stortte zich op een gewonde, sneed diens arm met een enkelen slag af, nam hem met eene hand en, hem aan denmond brengende, begon hij er gretig in te bijten.—“Welk een afschuwelijk beest!” zeide Kennedy, “ik kan mij niet langer weerhouden.”En de bevelhebber door een kogel in het voorhoofd getroffen, viel achterover. Bij zijn val maakte een panische schrik zich van zijne krijgers meester; deze bovennatuurlijke dood verschrikte hen, terwijl hij den ijver hunner vijanden aanzette, en in eene seconde was het slagveld door de helft der strijders verlaten.—“Laat ons hooger op een luchtstroom zoeken, die ons medevoert,” zeide de doctor, “dit schouwspel walgt mij.”

Maar hij verwijderde zich niet zoo spoedig of hij kon de overwinnende stam zien, die zich op de dooden en gekwetsten wierp, zich onderling dat warme vleesch betwistte en het gretig verslond.—“Dat is akelig!” zeide Joe.

De Victoria steeg, het gehuil van die razende bende vervolgde hem eenige oogenblikken, maar eindelijk naar het zuiden gevoerd, verwijderde hij zich van dit tooneel van bloeddorst en kannibaalsche wreedheid. Het terrein vertoonde toen afwisselende oneffenheden met talrijke wateren die naar het oosten liepen; zij stortten zich zonder twijfel in die uitwateringen van het meer Nû of de Gazellenrivier, waarvan Guillaume Lejean zulke merkwaardige bijzonderheden heeft opgeteekend. Toen de nacht kwam, wierp de Victoria het anker uit op 27° lengte en 4° 20′ noorderbreedte, na een tocht van 150 mijlen.


Back to IndexNext