Vreemde geruchten.—Een nachtelijke aanval.—Kennedy en Joe in den boom.—Twee schoten.—Help! help!—Antwoord in het Fransch.—De morgen.—De zendeling.—Het plan van redding.De nacht was zeer duister. De doctor had het land niet kunnen herkennen, hij lag vast aan een hoogen boom, dien hij in den donker nauwelijks kon zien. Volgens zijne gewoonte nam hij de wacht van negen uur en te middernacht verving Dick hem. “Waak goed, Dick, waak zorgvuldig.”—“Is er iets nieuws?”—“Neen, maar ik heb beneden ons vreemde geluiden gehoord, ik weet niet waarheen de wind ons heeft gevoerd; overmaat van onvoorzichtigheid kan niet schaden.”—“Gij zult het gehuil van eenige dieren wel hebben gehoord.”—“Neen! het kwam mij voor iets geheel anders te wezen, kortom, wek ons bij het minste alarm.”—“Wees gerust.”Twee schoten. Blz. 119.Twee schoten. Blz.119.Na voor het laatst oplettend te hebben geluisterd, legde de doctor zich, toen hij niets hoorde, onder zijn deken en sliep weldra in. De hemel was met dikke wolken bedekt, maar geen windje bewoogde lucht; de Victoria, aan een enkel anker vastgehouden, ondervond geene schommeling. Kennedy op het schuitje geleund, om op de gaspijp te passen, beschouwde deze sombere stilte; hij zag naar den horizon, en, zoo als het met onrustige of voorzichtige menschen het geval is, zijn blik meende soms onzekere flikkeringen te zien. Op een oogenblik geloofde hij zelfs op tweehonderd schreden iets waar te nemen, maar het was slechts eene flikkering, en hij zag niets meer. Kennedy stelde zich gerust en verviel weder in zijne besluitelooze beschouwing, toen een scherp gefluit de lucht doorkliefde. Was dit het geluid van een dier, van een nachtvogel? kwam het van menschenlippen? Daar Kennedy al het hachelijke van hun toestand kende, was hij op het punt zijne reisgezellen te wekken, maar hij zeide tot zich zelven, dat in allen gevalle menschen of beesten buiten zijn bereik waren; hij zag dus zijne wapens na en, met zijn nachtkijker keek hij verder in de ruimte. Hij meende weldra beneden zich onzekere gedaanten te zien, die naar den boom slopen; bij een straal der maan, die als een bliksemschicht van tusschen twee wolken te voorschijn kwam, herkende hij duidelijk een troep gedaanten, die zich in de duisternis bewogen. Het avontuur der hondekoppen kwam hem weder voor den geest, hij legde de hand op den schouder des doctors. Deze werd terstond wakker.—“Stil,” zeide Kennedy, “laat ons zacht spreken.”—“Is er iets?”—“Ja, laat ons Joe wakker maken.”—Zoodra deze was opgestaan, verhaalde de jager wat hij had gezien.—“Nog al deze vervloekte apen?” zeide Joe.—“Het is mogelijk, maar wij moeten onze voorzorgen nemen.”—“Joe en ik,” zeide Kennedy,“zullen langs de ladder naar den boom af klimmen.”—“En in dien tijd,” zeide de doctor, “zal ik mijne maatregelen nemen om spoedig te kunnen opstijgen.”—“Dat is afgesproken.”—“Laat ons afdalen,” zeide Joe.—“Bedient u slechts in de uiterste noodzakelijkheid van uwe wapenen,” zeide de doctor,“het is niet noodig onze tegenwoordigheid in deze streken te verraden.”Dick en Joe antwoordden door een teeken. Zij lieten zich zonder gerucht te maken naar den boom afglijden en plaatsten zich op eenige sterke takken, waaraan het anker vast zat. Sedert eenige minuten luisterden zij stil en onbeweeglijk in de bladeren; bij eene zekere kraking van de schors, die zich deed hooren, greep Joe de hand van den Schot.—“Hoort gij niet?”—“Ja, het nadert.”—“Als het een slang was? Dat gefluit, dat gij hebt gehoord....”—“Neen, het was iets menschelijks.”—“Ik houd het liever met de wilden, die kruipende dieren staan mij tegen.”—“Het geluid wordt sterker,” hernam Kennedy eenige oogenblikken daarna. “Ja, men klautert naar boven.”—“Houd de wacht aan dien kant, ik belast mij met den anderen.”—“Goed.”Beiden bevonden zich afgezonderd op den top van een hoofdtakeens boababs; de duisternis, nog vermeerderd door de dichte bladeren, was volkomen; echter zeide Joe, zich naar het oor van Kennedy neigende en hem het onderste deel van den boom aanwijzende: “Negers.”Eenige woorden op zachten toon gewisseld, werden zelfs door de twee reizigers gehoord. Joe legde bedaard zijn geweer aan.—“Wacht,” zeide Kennedy.Wilden hadden inderdaad den baobab beklommen, zij kwamen van alle kanten te voorschijn, op de takken kruipende als slangen, langzaam maar zeker klimmende; zij verrieden zich door een onaangenamen geur van een stinkend vet.1Weldra vertoonden zich twee hoofden aan de blikken van Kennedy en Joe, op de hoogte van den tak, waarop zij zaten.—“Geef acht,” zeide Kennedy, “vuur!” De twee schoten weerklonken als en donderslag en stierf weg te midden van kreten van smart. In een oogenblik was de geheele troep verdwenen. Maar te midden van het gehuil hoorde men een vreemden, onverwachten kreet! Eene menschelijke stem had duidelijk deze woorden in het Fransch uitgesproken: “Help! help!”Kennedy en Joe gingen verbaasd zoo spoedig mogelijk naar het schuitje terug.—“Hebt gij het gehoord?” zeide de doctor.—“Zonder twijfel! dien doordringenden kreet: Help! help! Een Franschman in handen dezer barbaren!”—“Een reiziger.”—“Een zendeling misschien!”—“De ongelukkige,” riep de reiziger uit, “men vermoordt, men martelt hem.”De doctor nam het woord, terwijl hij te vergeefs zijne ontroering trachtte te verbergen, en zeide: “Er valt niet aan te twijfelen, een ongelukkige Franschman is in handen dezer wilden gevallen. Wij zullen niet vertrekken, zonder alles te hebben gedaan om hem te redden; aan onze geweerschoten heeft hij eene ongehoopte hulp, eene tusschenkomst der Voorzienigheid herkend. Wij zullen die hoop niet teleurstellen. Zijt gij van mijn gevoelen?”—“Zeker, Samuel, wij zijn gereed u te gehoorzamen.”—“Laat ons dan handelen en als de morgen aanbreekt, zullen wij trachten hem te ontvoeren.”—“Maar hoe zullen wij die ellendige negers verjagen?” vroeg Kennedy.—“Het is duidelijk voor mij,” zeide de doctor, “aan de wijze waarop zij gevloden zijn, dat zij de vuurwapens niet kennen; wij moeten dus ons voordeel doen met hun schrik, maar den dag afwachten om te handelen, en wij zullen overeenkomstig de gelegenheid der plaats een reddingsplan beramen.”—“Die ongelukkige kan niet ver af zijn,” zeide Joe, “want....”—“Help! help!” herhaalde de stem, op zwakke toon.—“Die barbaren!” riep Joe uit. “Als zij hem nueens nog dezen nacht dooden.”—“Hoort gij, Samuel,” hernam Kennedy, de hand van den doctor vattende, “als zij hem, dezen nacht dooden?”—“Dat is niet waarschijnlijk; deze volksstammen, mijne vrienden, doen hunne gevangenen op klaarlichten dag sterven, zij hebben het zonlicht noodig!”—“Als ik dan van den nacht gebruik maakte,” zeide de Schot, “om naar dien ongelukkige te gaan?”—“Ik vergezel u, mijnheer Dick.”—“Stil, mijne vrienden. Dit voornemen doet uw hart en uwen moed eer aan, maar gij zoudt ons allen blootstellen en hem dien wij willen redden nog meer benadeelen.”—“Waarom?” vroeg Kennedy. “Deze wilden zijn verschrikt, verstrooid! Zij zullen niet terugkeeren.”—“Dick, ik bid u, gehoorzaam mij, ik handel voor het algemeen welzijn; als gij u bij toeval liet verrassen zou alles verloren zijn.”—“Maar die ongelukkige, die wacht! Niemand antwoordt hem, niemand komt hem ter hulp. Hij zal gelooven dat hij zich vergist heeft, dat hij niets heeft gehoord.”—“Men kan hem geruststellen,” zeide doctor Ferguson. En in ’t midden der duisternis opstaande maakte hij van zijne hand een roeper en riep met krachtige stem in de taal van den vreemdeling: “Wie gij ook zijt, heb vertrouwen! Drie vrienden waken over u!” Een vreeslijk gehuil antwoordde hem, dat ongetwijfeld het antwoord van den gevangene verdoofde.—“Men doodt hem! men gaat hem dooden!” riep Kennedy uit; “onze tusschenkomst heeft slechts gediend om het uur zijner doodstraf te verhaasten! Wij moeten handelen.”—“Maar hoe, Dick? wat zult gij in deze duisternis doen?”—“O! als het dag was!” riep Joe uit.—“Welnu, als het dag was?” vroeg de doctor op zonderlingen toon.—“Niets eenvoudiger, Samuel,” antwoordde de jager, “ik zou op de aarde afdalen en deze ellendelingen met geweerschoten verstrooien.”—“En gij, Joe?” vroeg Ferguson.—“Ik, meester, ik zou voorzichtiger handelen en den gevangene doen weten, in eene overeengekomen richting te vluchten.”—“Hoe zoudt gij hem dit bericht doen toekomen?”—“Door middel van dezen pijl, dien ik in de vlucht heb opgevangen en waaraan ik een briefje zou vasthechten, dewijl die negers onze taal niet verstaan.”—“Uwe plannen zijn onuitvoerlijk, mijne vrienden, de grootste moeielijkheid voor dien ongelukkige zou zijn, zich te redden, toegestemd dat hij de waakzaamheid zijner beulen kon misleiden. Wat u betreft, mijn waarde Dick, met uwe stoutmoedigheid en gebruik makende van den schrik door onze vuurwapenen veroorzaakt, zou uw plan misschien gelukken, maar als het mislukte, zoudt gij verloren zijn en wij zouden twee personen in plaats van een moeten redden. Neen, wij moeten alle gunstige kansen aan onze zijde brengen en anders handelen.”—“Maar dadelijk,” zeide de jager.—“Misschien,” antwoordde Samuel, op dit woord drukkende.—“Mijn meester, zijt gij dan in staat deze duisternis te verdrijven?”—“Wie weet het, Joe.”—“O! als gij dat doet, dan roep ik u uit tot den eersten geleerde der wereld!”Het electrieke licht. Blz. 123.Het electrieke licht. Blz.123.De doctor zweeg eenige oogenblikken, hij dacht na. Zijne tweereisgezellen beschouwden hem met ontroering, zij waren door dezen buitengewonen toestand opgewonden. Weldra hernam Ferguson het woord: “Zie hier mijn plan,” zeide hij. “Er blijft ons 200 pond ballast, dewijl de zakken, die wij hebben medegenomen, nog onaangeroerd zijn. Ik neem aan dat die gevangene, een man die klaarblijkelijk door lijden is uitgeput, evenveel weegt als een van ons, er zal ons dus nog ongeveer zestig pond overblijven om weg te werpen, ten einde spoediger te stijgen.”—“Hoe denkt gij dan te handelen?” vroeg Kennedy.—“Zie hier, Dick, gij zult mij toestemmen dat als het mij gelukt den vreemdeling te bereiken en ik eene hoeveelheid ballast wegwerp, die gelijk is aan zijn gewicht, dat ik niets heb veranderd aan het evenwicht van den ballon, maar dan moet ik, als ik eene snelle opstijging wil bewerkstelligen om aan deze negers te ontsnappen, krachtiger middelen aanwenden. Als ik nu deze overmaat van ballast op het gegeven oogenblik wegwerp, ben ik er zeker van dat wij zeer snel stijgen.”—“Dat is duidelijk.”—“ja, maar er is eene zwarigheid, namelijk dat ik, door later te dalen, eene hoeveelheid gas zal moeten verliezen evenredig met de overmaat van ballast, die ik heb weggeworpen. Dit gas is eene kostbare zaak, maar men kan het verlies niet betreuren als het behoud van een mensch op het spel staat.”—“Gij hebt gelijk, Samuel, wij moeten alles opofferen om hem te redden.”—“Laat ons dan handelen en legt deze zakken zóó op den rand van het schuitje dat zij terstond kunnen worden weggeworpen.”—“Maar die duisternis?”—“Zij verbergt onze voorbereidselen en zal eerst verdwijnen als die zijn geëindigd. Draagt zorg alle wapenen onder ons bereik te houden, misschien zullen wij moeten schieten; wij hebben voor de karabijn één schot, voor de twee geweren vier schoten, twaalf voor de twee revolvers dat is in alles zeventien, die in het vierde gedeelte eener minuut kunnen gelost worden. Maar misschien zullen wij daartoe onze toevlucht niet behoeven te nemen. Zijt gij gereed?”—“Ja,” antwoordde Joe.De zakken waren gerangschikt, de wapenen gereed.—“Goed,” zeide de doctor. “Houdt een oog over alles. Joe zal den ballast naar beneden werpen en Dick den gevangene ontvoeren, maar niets gebeure zonder mijn bevel. Joe, ga eerst het anker losmaken en klim spoedig weder in het schuitje.”—Joe liet zich langs het touw afglijden en kwam na eenige oogenblikken terug. De Victoria nu vrij geworden zweefde bijna onbeweeglijk in de lucht. Gedurende dien tijd verzekerde de doctor zich van eene genoegzame hoeveelheid gas in de mengkist om des noods de gaspijp te vullen zonder dat het noodig was zijne toevlucht te nemen tot de werking der Bunsensche batterij; hij nam de twee geheel geïsoleerde electroden (geleidraden), die dienden tot de ontleding van het water, weg; vervolgens in zijn reiszak zoekende, haalde hij er twee koolspitsen uit,die hij aan het uiteinde van iederen draad bevestigde. Zijne twee vrienden keken hem aan zonder het te begrijpen, maar zwegen; toen de doctor zijn arbeid verricht had, ging hij midden in het schuitje overeind staan, nam eene koolspits in iedere hand en bracht de punten bij elkander. Plotseling zag men een verblindend licht tusschen de twee koolspitsen; een electriek licht verdreef de duisternis van den nacht.—“O, meester!” zeide Joe.—“Geen woord,” zeide de doctor.1Negers verraden zich altijd door een eigenaardigen geur of liever stank die van hen uitgaat.—De galafscheiding bij de blanken in de faeces vervat, geschiedt bij hen door de huidporiën.XXII.Het electrieke licht.—De zendeling.—Ontvoering te midden van een lichtstraal.—De lazaristenpriester.—Weinige hoop.—Zorgen des doctors.—Een leven van verloochening.—Overtocht van een vulkaan.Ferguson richtte zijn schitterenden lichtstraal naar verschillende kanten en deed hem stilstaan op eene plaats, waar kreten van schrik zich deden hooren. Zijne twee reisgezellen wierpen een onderzoekenden blik daarheen. De baobab, waarboven de Victoria bijna onbeweeglijk zweefde, verhief zich in het midden eener opene plek; tusschen velden sesam en suikerriet zag men een vijftigtal lage en kegelvormige hutten, rondom welke een talrijke stam wemelde. Honderd voet onder den luchtballon was een paal opgericht. Aan den voet van dien paal lag eene menschelijke gedaante, een jongeling van hoogstens dertig jaar oud, met lange zwarte haren, half naakt, mager, bebloed, met wonden bedekt, en het hoofd op de borst gezonken. Eenige kortere haren op de kruin van het hoofd toonden nog de plaats van eene half verdwenen tonsuur.—“Een zendeling! een priester!” riep Joe uit.—“Arme ongelukkige!” antwoordde de jager.—“Wij zullen hem redden, Dick,” zeide de doctor.Ferguson richtte zijn schitterenden lichtstraal naar verschillende kanten.De negers, den ballon bemerkende, gelijk aan eene ontzettend groote komeet met een staart van schitterend licht, werden door een gemakkelijk te begrijpen schrik aangetast. Op hunne kreten hief de gevangene het hoofd op. Zijne oogen schitterden van eene plotselinge hoop en, zonder te begrijpen wat er gebeurde, strekte hij zijne handen naar deze onverwachte redders uit.—“Hij leeft! hij leeft!” riep Ferguson uit; “God zij gedankt! Deze wilden zijn door schrik getroffen! Wij zullen hem redden! Zijt gij gereed, mijne vrienden?”—“Ja, Samuel.”—“Joe, blaas de gasvlam uit.”—Het bevel des doctors werd uitgevoerd. Een bijna onmerkbare wind dreef den ballon zachtkens boven den gevangene op hetzelfde oogenblik,dat hij onmerkbaar daalde; tien minuten ongeveer bleef hij zwevende te midden der lichtgolvingen. Ferguson liet zijn lichtbundel op de menigte schijnen. De stam, onder den indruk eener onbeschrijfelijke vrees, verdween langzamerhand in zijne hutten en de paal werd eenzaam gelaten. De doctor had dus reden gehad te rekenen op de fantastische verschijning van den ballon, die in deze dikke duisternis licht verspreidde. Het schuitje naderde den grond. Eenige negers evenwel, stoutmoediger dan de anderen, begrijpende dat hun slachtoffer hun ging ontsnappen; kwamen met luide kreten terug; Kennedy nam zijn geweer, maar de doctor verbood hem te schieten. De priester die geknield lag, geen kracht hebbende om overeind te staan, was zelfs niet aan den paal gebonden, want zijne zwakheid maakte dit onnoodig. Op het oogenblik dat het schuitje bij den grond kwam, beurde de jager, zijn wapen wegwerpende en den priester om het midden vattende, hem in het schuitje en op hetzelfde oogenblik wierp Joe plotseling de tweehonderd pond ballast weg. De doctor dacht nu zeer snel te stijgen, maar de ballonbleef onbeweeglijk, na drie à vier voet van den grond te zijn gestegen.—“Wie houdt ons terug?” vroeg hij op een toon van schrik. Eenige wilden liepen toe, woeste kreten slakende. “O!” riep Joe uit, naar buiten ziende, “een dezer vervloekte zwarten hangt onder aan het schuitje!”—“Dick! Dick!” riep de doctor uit, “de waterbak!” Dick begreep de gedachte van zijn vriend en een der waterbakken, die meer dan honderd pond woog, opnemende, wierp hij hem over boord. De Victoria eensklaps verlicht, verhief zich 300 voet, te midden van het gehuil van den stam, aan welken de gevangene ontsnapte in een oogverblindend licht.—“Hoezee!” riepen de twee reisgezellen van den doctor uit. Plotseling rees de ballon op nieuw tot op 1000 voet hoogte.—“Wat gebeurt er nu?” vroeg Kennedy, die bijna het evenwicht verloor.—“Het is niets! die schelm laat ons los,” antwoordde Samuel Ferguson bedaard.—En Joe, snel naar buiten ziende, kon nog den wilde zien, die, met de handen uitgestrekt, in de ruimte ronddraaiende, weldra op den grond werd verpletterd. De doctor verwijderde detwee electrieke draden van elkander en de duisternis hernam haar gebied. Het was een uur ’s morgens. De Franschman opende eindelijk de oogen.—“Gij zijt gered,” zeide de doctor.—“Gered;” antwoordde hij in het Engelsch, met een droevigen glimlach, “gered van een wreeden dood! Mijne broeders ik dank u, maar mijne dagen, mijne uren zelfs zijn geteld en ik heb niet lang meer te leven.” En de zendeling verviel weder uitgeput in zijne bezwijming.—“Hij sterft,” riep Dick uit.—“Neen,” antwoordde Ferguson, zich over hem buigende, “maar hij is zeer zwak; laat ons hem onder de tent leggen.”“Het is niets! die schelm laat ons los.”Zij legden dat vermagerde lichaam, bedekt met litteekens en nog bloedende wonden, waar het ijzer en het vuur op twintig plaatsen hunne smartelijke sporen hadden achtergelaten, zachtkens op hunne dekens. De doctor maakte van zijne zakdoek een weinig pluksel, dat hij op de wonden legde, na die alvorens gezuiverd te hebben; dit deed hij met de bekwaamheid van een geneesheer; vervolgens een opwekkend middel uit zijne verzameling geneesmiddelen nemende, goot hij daarvan eenige druppels op de lippen van den priester. Deze drukte zacht zijne handen en had nauwelijks de kracht om te zeggen: “Dank, dank!” De doctor begreep dat men hem eene volstrekte rust moest laten genieten; hij deed de zeilen der tent dicht en nam verder het bestuur van den luchtballon op zich.—Deze, het gewicht van zijn nieuwen gast medegerekend, was bijna 180 pond lichter geworden, hij bleef dus in goeden stand zonder hulp van het gas. Bij het eerste morgenlicht dreef een luchtstroom hem zachtjes naar het west-noord-westen. Ferguson ging gedurende eenige oogenblikken den in zwijm liggenden priester beschouwen.—“Mochten wij dien metgezel toch behouden, dien de hemel ons heeft gezonden!” zeide de jager. “Hebt gij eenige hoop?”—“Ja, Dick, met eene goede oppassing in eene zoo zuivere lucht.”—“Wat heeft die man al geleden!” zeide Joe ontroerd. “Weet gij dat hij daar stoutmoediger dingen deed dan wij, door alleen te midden dezer volksstammen te komen.”—“Dat lijdt geen twijfel,” antwoordde de jager.—“Dezen geheelen dag wilde de doctor niet, dat de slaap van den ongelukkige zou gestoord worden, het was eene lange bezwijming, afgebroken door eenige pijnlijke zuchten, die Ferguson verontrustten voor de veiligheid van allen. Des anderen daags ’s morgens was de Victoria nauwelijks naar het westen afgeweken; de dag beloofde fraai te zijn. De zieke kon met eene luidere stem zijne vrienden roepen. Men opende de zeilen der tent en hij ademde met volle teugen de zuivere morgenlucht in.”—“Hoe bevindt gij u?” vroeg Ferguson.—“Misschien beter,” antwoordde hij. “Maar u, mijne vrienden, heb ik nog slechts in een droom gezien! Nauwelijks kan ik mij van het gebeurde rekenschap geven! Wie zijt gij, opdat ik uwe namen in mijn laatste gebed niet vergete?”—“Wijzijn Engelsche reizigers,” antwoordde Samuel, “wij hebben beproefd Afrika in een luchtballon door te trekken en op onze reis hebben wij het geluk gehad u te redden.”—“De wetenschap heeft hare helden,” zeide de zendeling.—“Maar de godsdienst hare martelaars,” zeide de Schot.—“Gij zijt zendeling?” vroeg de doctor.—“Ik ben een priester van de zending der Lazaristen. De hemel heeft u tot mij gezonden, hij zij daarvoor geprezen! De opoffering van mijn leven was volbracht! Maar gij komt uit Europa, spreek mij van Europa, van Frankrijk! Sedert vijf jaren heb ik geene tijdingen ontvangen.”—“Vijf jaren alleen onder deze wilden!” zeide Kennedy verbaasd.—“Het zijn zielen, die moeten verlost worden, onwetende en barbaarsche broeders, die alleen door den godsdienst kunnen onderwezen en beschaafd worden.”Samuel Ferguson, aan den wensch van den zendeling gehoor gevende, sprak hem veel over Frankrijk. Deze hoorde gretig naar hem en tranen stroomden uit zijne oogen. De arme jongeling nam beurtelings de handen van Kennedy en Joe in de zijnen, die van koortshitte brandden; de doctor bereidde eenige koppen thee voor hem, die hij met graagte dronk; toen had hij de kracht zich een weinig op te heffen en te glimlachen, toen hij zich naar een zoo zuiveren hemel zag gevoerd.—“Gij zijt stoutmoedige reizigers,” zeide hij, “en gij zult in uwe onderneming slagen, gij zult uwe bloedverwanten, uwe vrienden, uw vaderland wederzien, gij....”De zwakte van den jongen priester werd toen zoo groot, dat men hem op nieuw moest doen nederliggen; eene verzwakking van eenige uren deed hem als dood in de handen van Ferguson liggen. Deze kon zijne ontroering niet bedwingen, hij gevoelde dat dit leven langzamerhand verdween. Zouden zij hem dan zoo spoedig verliezen, dien zij aan den marteldood hadden ontrukt? Hij verbond op nieuw de verschrikkelijke wonden van den martelaar en moest het grootste deel van zijn watervoorraad opofferen om zijne brandende ledematen te verkoelen. Hij paste hem zorgvuldig op. De zieke kwam onder zijne behandeling langzamerhand tot zich zelven en herkreeg zijn bewustzijn. De doctor vernam zijne geschiedenis uit afgebroken woorden.—“Spreek uwe moedertaal,” zeide hij, “ik versta die en dat zal u minder vermoeien.”De zendeling was een arm jongeling van het dorp Aradon in Bretagne; zijne eerste neigingen deden hem den geestelijken stand aannemen; bij dit leven van verloochening wilde hij nog het leven van gevaar voegen, door zich in de orde der zendingpriesters, waarvan St. Vincentius de Paula de roemrijke stichter was, te doen opnemen; twintig jaar oud verliet hij zijn land om zich naar de ongastvrije streken van Afrika te begeven. Vandaar naderde hij, de hinderpalen te boven komende, tegen ontberingen worstelende, reizende en biddende, tot in het midden der stammen, die aan debovenste takken van den Nijl wonen; twee jaren lang werd zijn godsdienst afgewezen, zijn ijver miskend, zijne liefdadigheid slecht opgevat; hij bleef gevangen bij een der wreedste stammen van Nyambarra, ten prooi aan duizend mishandelingen. Maar altijd onderwees en bad hij. Deze stam verstrooid zijnde, werd hij na een der talrijke gevechten tusschen stam en stam, voor dood achtergelaten en, in plaats van op zijne schreden terug te keeren, vervolgde hij zijn godsdienstigen pelgrimstocht. Zijn rustigste tijd was als men hem voor gek hield; hij had zich de taal dezer streken eigen gemaakt en hield godsdienstige vergaderingen. Eindelijk doorreisde hij nog twee lange jaren die barbaarsche streken, voortgedreven door die bovenmenschelijke kracht, die van God komt; sedert een jaar woonde hij onder dien stam der Nyam-Nyam, Barafri genaamd en een der wildste. Toen het opperhoofd eenige dagen geleden gestorven was, schreef men hem dien onverwachten dood toe; men besloot hem te slachten; veertig uren duurde reeds zijne marteling en, zoo als de doctor te recht had voorondersteld, hij moest op den middag sterven. Toen hij de losbranding der vuurwapenen hoorde, kreeg de natuur de overhand en hij riep: “Help! help!” Hij geloofde gedroomd te hebben, toen eene stem van den hemel hem woorden van troost toesprak.—“Ik betreur dit leven niet,” zeide hij, “het behoort aan God.”—“Hoop nog,” antwoordde de doctor, “wij zijn bij u, wij zullen u van den dood redden, even als wij u aan de marteling hebben ontrukt.”—“Ik vraag zooveel niet van den hemel,” zeide de priester gelaten! “Geloofd zij God, dat ik vóór mijn sterven, de vreugde geniet vriendenhanden te drukken en de taal van mijn land te hooren.”De zendeling werd op nieuw zwakker. De dag ging dus voorbij tusschen hoop en vrees. Kennedy en Joe wischten zich heimelijk de oogen af. De Victoria legde weinig wegs af en de wind scheen zijn kostbaren last te willen sparen. Joe merkte tegen den avond een groot licht op in het westen. Onder hoogere breedten zou men geloofd hebben, dat het een noorderlicht was; de hemel scheen in vuur te staan. De doctor onderzocht oplettend dit verschijnsel.—“Het kan slechts een werkende vulkaan zijn,” zeide hij.—“Maar de wind voert er ons boven,” hernam Kennedy. “Welnu! wij zullen hem op eene genoegzame hoogte overtrekken.”Drie uren daarna bevond zich de ballon in de bergen; zijne juiste plaats was 24° 15′ lengte en 4° 42′ breedte; vóór hem stortte een brandende krater stroomen gesmolten lava uit en wierp rotsblokken uit tot eene groote hoogte; er waren stroomen vloeibaar vuur, die in schitterende stralen nedervielen. Het was een prachtig en gevaarlijk schouwspel, want de wind dreef in eene standvastige richting den ballon naar dien brandenden dampkring. Dezen hinderpaal, dien men niet had kunnen afwenden, moest men te boven komen;het gas werd met alle kracht aangevoerd en de Victoria kwam op 6000 voet hoogte, tusschen zich en den vulkaan een afstand van meer dan 300 vaam latende. De priester kon van zijn ziekbed dezenbrandenden krater zien, waaruit met donderend geraas duizend verblindende vuurstralen opstegen.—“Hoe schoon is dit,” zeide hij, “en hoe eindeloos is Gods macht, zelfs in zijne verschrikkelijkste openbaringen.”De vulkaan. Blz. 130.De vulkaan. Blz.130.Deze uitstorting van brandende lava bedekte de zijden van den berg met een waar tapijt van vlammen; het onderste gedeelte van den ballon werd in den nacht verlicht; eene brandende hitte bereikte het schuitje, en doctor Ferguson haastte zich die gevaarlijke stelling te verlaten. Tegen 10 uur des avonds was de berg slechts een rood punt aan den horizon, en de ballon vervolgde rustig zijne reis naar eene minder hooge luchtstreek.XXIII.Toorn van Joe.—De dood eens rechtvaardigen.—De wacht bij het lijk.—Dorheid.—De begrafenis.—De stukken kwarts.—Zinsbedrog van Joe.—Een kostbare ballast.—Hoogte-opneming der goudbergen.—Begin der wanhoop van Joe.Een prachtige nacht verspreidde zich over de aarde, de priester sliep kalm in.—“Hij zal er niet van opkomen,” zeide Joe. “Arme jongeling! nauwelijks dertig jaar!”—“Hij zal in onze armen ontslapen! Zijne reeds zoo zwakke ademhaling verzwakt nog meer, en ik kan niets doen om hem te redden,” zeide de doctor wanhopig.—“Die ellendelingen!” riep Joe uit, die van tijd tot tijd plotseling toornig werd. “En als men bedenkt, dat deze waardige priester nog woorden heeft gevonden om hen te beklagen, om hen te verontschuldigen en te vergeven!”—“De hemel geeft hem een goeden nacht, Joe, zijn laatsten nacht misschien! Hij zal voortaan weinig lijden, en zijn dood zal slechts een vreedzame slaap zijn.”De stervende sprak eenige afgebroken woorden uit; de doctor naderde, de ademhaling van den zieke werd belemmerd, hij hijgde naar lucht. De gordijnen werden geheel geopend en hij ademde met wellust de koeltjes van den helderen nacht in; de sterren wierpen haar flikkerend licht op hem, en de maan omgaf hem met hare blanke stralen.—“Mijne vrienden,” zeide hij met zwakke stem, “ik sterf! Dat God u naar eene goede haven geleide! dat Hij u voor mij deze schuld van dankbaarheid betale!”—“Hoop nog,” antwoordde Kennedy, “het is slechts eene voorbijgaande verzwakking. Gij zult niet sterven! Kan men in zoo’n schoonen zomernacht sterven?”—“De dood is daar,” hernam de zendeling, “ik weet het! Laat mij hem in het gelaat zien! De dood, het beginder eeuwigheid, is slechts het einde der aardsche zorgen. Leg mij op de knieën, mijne broeders, ik bid het u!”Kennedy hief hem op; het was droevig te zien hoe zijne krachtelooze ledematen ineenkrompen.—“Mijn God! mijn God!” riep de stervende apostel uit, “heb medelijden met mij!”Zijn gelaat schitterde. Ver van deze aarde, welker vreugde hij nooit had gekend, te midden van dezen nacht, die zijn zachtste licht op hem wierp, op den weg ten hemel, naar welken hij zich verhief als in eene wonderbaarlijke hemelvaart, scheen hij reeds in een nieuw bestaan te herleven. Zijn laatste gebaar was eene laatste zegening voor zijne vrienden van één dag. Hij viel achterover in de armen van Kennedy, wiens gelaat baadde in tranen. “Dood!” zeide de doctor, zich over hem buigende, “hij is dood!” En de drie vrienden knielden, om in stilte te bidden.—“Morgen ochtend,” zeide Ferguson na eenige oogenblikken, “zullen wij hem begraven in de aarde van Afrika, die met zijn bloed besproeid is.”Gedurende het overige gedeelte van den nacht werd het lijk beurtelings door de drie reizigers bewaakt en geen woord stoorde deze plechtige stilte.Des anderen daags woei de wind uit het zuiden en de Victoria ging vrij langzaam over eene uitgestrekte bergvlakte; met onvruchtbare kloven en uitgebluschte kraters; geen enkele druppel water was op deze verdroogde toppen te vinden; opeengehoopte rotsen, gespleten steenmassaas, witachtige mergelgroeven, alles toonde eene groote onvruchtbaarheid aan. Tegen den middag besloot de doctor, om het lijk te begraven, in een bergkloof neder te dalen, te midden van door een plutonische uitbarsting ontstane rotsen der eerste vorming; de omringende bergen moesten hem beschutten en veroorlooven zijn schuitje tot aan den grond te doen komen, want er was geen boom om het aan vast te leggen. Maar, zoo als hij aan Kennedy had uitgelegd, hij kon ten gevolge van zijn verlies van ballast bij de ontvoering van den priester, slechts dalen door eene geëvenredigde hoeveelheid gas te laten ontsnappen; daarom opende hij de buitenste klep van den ballon. Het gas stroomde weg en de Victoria daalde bedaard in de kloof. Zoodra het schuitje de aarde aanraakte sloot de doctor de klep, Joe sprong op den grond, zich met de eene hand aan den uitersten rand vasthoudende en met de andere raapte hij een zeker aantal steenen op, die weldra zijn eigen gewicht vervingen; toen kon hij zijne twee handen gebruiken en had weldra in het schuitje meer dan 500 pond steenen opgestapeld, die aan den doctor en Kennedy veroorloofden op hunne beurt uit te stappen. De Victoria was in evenwicht en hare stijgkracht was onmachtig om haar te doen rijzen. Overigens was er geene groote hoeveelheid van deze steenen noodig, want de rotsblokken door Joe opgeraapt waren buitengewoon zwaar,hetgeen een oogenblik de oplettendheid van Ferguson gaande maakte. De grond was bezaaid met kwarts en tot poeder verweerde rotsen.—“Dit is eene zonderlinge ontdekking,” zeide de doctor in zich zelven.—Gedurende dien tijd gingen Kennedy en Joe op eenige schreden afstands eene plaats voor den grafkuil zoeken. Het was ondraaglijk heet in deze bergkloof, waarin zij als in eene soort van fornuis besloten waren. De middagzon schoot hare brandende stralen op hen neder. Men moest eerst van den grond de brokken rots, die hem bedekten, wegruimen; vervolgens werd er eene kuil gegraven, diep genoeg dat de wilde dieren het lijk niet konden opgraven. Het lichaam van den martelaar werd eerbiedig daarin nedergelegd en met aarde overdekt. Groote stukken rots werden daarboven geplaatst als een grafteeken. De doctor bleef echter onbeweeglijk en verdiept in zijne overdenkingen. Hij hoorde het roepen zijner reisgezellen niet, hij kwam niet bij hen terug om eene beschutting tegen de hitte te zoeken.—“Waaraan denkt gij toch, Samuel?” vroeg Kennedy.—“Aan een vreemd contrast der natuur en een merkwaardig gevolg van het toeval. Weet gij in welke aarde deze man van zelfverloochening, deze vrijwillig arme naar de wereld begraven is?”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Deze priester, die gelofte van armoede had gedaan, rust nu in eene goudmijn.”—“Eene goudmijn?” riepen Kennedy en Joe uit.—“Ja,” antwoordde de doctor bedaard. “Deze steenen, die gij vertrapt alsof zij zonder eenige waarde zijn, zijn zeer zuiver erts.”—“Onmogelijk!” zeide Joe.—“Gij zoudt niet lang behoeven te zoeken in deze spleten van leisteen, zonder belangrijke klompen ruw goud te vinden.”—Joe wierp zich als een gek op de verspreide stukken. Kennedy had grooten lust hem na te volgen.—“Wees bedaard, beste Joe,” zeide zijn meester.—“Mijnheer, gij kunt er goed over praten.”—“Hoe, een wijsgeer van uwen stempel.”—“Hé! mijnheer, hier komt geene wijsbegeerte te pas.”—“Zie, denk eens na. Waartoe zou ons al die rijkdom dienen? Wij kunnen hem niet medenemen.”—“Niet? nu nog mooier!”—“Het is wat zwaar voor ons schuitje! Ik aarzelde zelfs u deze ontdekking mede te deelen, uit vrees van uwe spijt gaande te maken.”—“Hoe!” zeide Joe, “deze schatten achterlaten! Onze fortuin!”—“Wees voorzichtig, mijn vriend! Gij zoudt de goudkoorts krijgen! Heeft die doode, dien gij begraven hebt, U niet de ijdelheid der aardsche dingen geleerd?”—“Dat is alles waar,” antwoordde Joe, “maar goud! mijnheer Kennedy, zult gij mij niet helpen om wat van deze millioenen op te rapen?”—“Wat zouden wij daarmee doen, mijn arme Joe?” zeide de jager, die niet kon nalaten te glimlachen.—“Wij zijn hier niet gekomen om ons fortuin te zoeken en wij moeten haar niet medebrengen.”—“De millioenen zijn wat zwaar,” hernam de doctor, “en men steekt ze niet gemakkelijk in den zak.”—“Maar toch,” zeide Joe, “zoumen in plaats van zand geen erts voor ballast kunnen medenemen?”—“Welnu! ik stem er in toe,” zeide Ferguson, “maar gij moet niet boos zijn als wij eenige duizenden ponden ballast over boord werpen.”—“Duizendenponden!” zeide Joe, “is dat mogelijk, dat dit alles goud is!”—“Ja, mijn vriend, het is een vergaarbak, waarin de natuur sedert eeuwen hare schatten heeft opgezameld, daar is genoeg om geheele landen te verrijken! Een Australië en een Californië vereenigd in het hart der woestijn!”—“En dat alles zal nutteloos blijven?”—“Misschien! In alle gevallen zie hier wat ik doen zal om u te troosten.”—“Dat zal moeielijk zijn,” antwoordde Joe bedroefd.—“Hoor. Ik zal de juiste plaats van deze mijn opnemen, en bij uwe terugkomst in Engeland zult gij het aan uwe medeburgers mededeelen als gij gelooft, dat zooveel goud hun geluk zal uitmaken.”—“Komaan, meester, ik zie dat gij gelijk hebt, ik onderwerp mij, dewijl er geen middel is om anders te handelen. Laat ons het schuitje met dit kostbare erts vullen; wat er na het einde der reis overblijft zal altoos zooveel gewonnen zijn.” Joe ging aan het werk, hij deed het met ijver en had weldra omtrent 1000 pond stukken kwarts opgestapeld, waarin het goud besloten is, als in een harden gangsteen. De doctor zag het glimlachend aan; gedurende dien arbeid nam hij zijne hoogte en vond voor de plaats van het graf des zendelings 22° 23′ lengte en 4° 55′ noorderbreedte. Vervolgens een laatsten blik werpende op die ophooging van den grond, waaronder het lichaam van den ongelukkigen Franschman rustte, keerde hij naar het schuitje terug. Hij zou gaarne eeneenvoudigen ruw kruis op dit verlaten graf te midden der woestijnen van Afrika hebben willen plaatsen, maar geen enkele boom groeide in den omtrek.—“God zal het herkennen,” zeide hij tot Kennedy.Begrafenis van den zendeling. Blz. 132.Begrafenis van den zendeling. Blz.132.Eene ernstige bekommering sloop ook in den geest van Ferguson; hij zou veel van dit goud hebben gegeven om een weinig water te vinden, ten einde te vervangen, wat hij had moeten wegwerpen bij het medevoeren van den neger. Maar dit was onmogelijk in deze dorre streken; het verontrustte hem, hij moest onophoudelijk zijne gasvlam onderhouden en hij bevond te kort te komen om den dorst te lesschen, hij besloot dus geen gelegenheid te laten voorbijgaan om zijn voorraad te vernieuwen. In het schuitje teruggekomen vond hij het bijna gevuld met de steenen van den hebzuchtigen Joe en klom er in zonder iets te zeggen. Kennedy nam zijne gewone plaats en Joe volgde hen, niet zonder een gretigen blik te slaan op de schatten van de bergkloof. De doctor ontstak zijne gasvlam, de slang werd warm, een stroom van gas ontstond binnen weinige minuten, het gas zette zich uit, maar de ballon ging niet van zijne plaats. Joe zag hem ongerust aan en zeide niets.—“Joe,” zeide de doctor.—Joe antwoordde niet.—“Joe, hoort gij mij?”—Joe gaf een teeken, dat hij hoorde, maar wilde niet begrijpen.—“Gij zult mij het genoegen doen,” hernam Ferguson, “eene zekere hoeveelheid van dit erts over boord te werpen.”—“Maar,mijnheer, gij hebt mij toegestaan....”—“Ik heb u toegestaan den ballast te vervangen, ziedaar alles.”—“Echter....”—“Wilt gij dan eeuwig in deze woestenij blijven?”—Joe sloeg een wanhopigen blik op Kennedy, maar de jager nam de houding aan van iemand, die er niets aan kon doen.—“Welnu Joe?”—“Uw gas werkt dan niet?” hernam de halstarrige.—“Mijne gasvlam is aangestoken, gij ziet het wel! maar de ballon zal niet opstijgen als gij hem niet een weinig verlicht hebt.”—Joe krabde zich achter de ooren, nam een stuk kwarts, het kleinste van allen, woog en herwoog het, wierp het omhoog en smeet het toen weg. De Victoria bewoog zich niet. “Hoe!” zeide hij, “wij stijgen nog niet?”—“Nog niet,” antwoordde de doctor, “ga voort.”—Kennedy lachte. Joe wierp nog een tiental ponden weg, de ballon bleef steeds onbeweeglijk. Joe verbleekte.—“Mijn arme jongen,” zeide Ferguson, “Dick, gij en ik wegen, als ik mij niet bedrieg, 400 pond, gij moet u dus van een gewicht ontslaan ten minste gelijk aan het onze, dewijl het onze plaats verving.”—“Vierhonderd pond wegwerpen!” riep Joe op klaaglijken toon uit.—“En nog iets meer om ons te doen stijgen. Komaan, moed!”—De waardige jongen, diepe zuchten lozende, begon den ballon te ontlasten. Van tijd tot tijd hield hij op. “Stijgen wij?” zeide hij.—“Wij stijgen nog niet,” was het onveranderlijke antwoord.—“Hij beweegt zich,” zeide hij eindelijk.—“Ga voort,” zeide Ferguson.—“Hij stijgt, ik ben er zeker van.”—“Ga maar voort,” antwoordde Kennedy.—En Joe wanhopig een laatste stuk nemende wierp het buiten het schuitje. De Victoria steeg omtrent honderd voet en met behulp van het gas steeg hij weldra boven de omringende toppen.—“Nu blijft u nog een aardig fortuintje over, Joe,” zeide de doctor, “als wij dezen voorraad tot het einde der reis kunnen behouden, zijt gij voor uw leven bezorgd.”Joe antwoordde niet en ging op zijn bed van erts liggen.“Zie, mijn waarde Dick, wat toch de macht van dit metaal vermag op den besten jongen ter wereld. Welke hartstochten, welke hebzucht, hoeveel misdaden zou de kennis van zulk eene mijn na zich slepen. Het is bedroevend.” Des avonds was de Victoria negentig mijlen westwaarts voortgegaan, hij bevond zich toen 1400 mijlen in eene rechte lijn van Zanzibar.XXIV.De wind gaat liggen.—Men nadert de woestijn.—De vermindering van den voorraad water.—De nachten onder den evenaar.—Ongerustheid van Samuel Ferguson.—Hoe de toestand is.—Krachtige antwoorden van Kennedy en Joe.—Nog een nacht.De Victoria, vastgemeerd aan een eenzaam staanden en bijna dorren boom, bracht den nacht in volkomen rust door; de reizigers konden een weinig slaap genieten, dien zij zoozeer behoefden; de ontroeringen der verloopene dagen hadden treurige herinneringen achtergelaten. Tegen den morgen hernam de hemel zijne helderheid en zijnen gloed. De ballon steeg in de lucht, na eenige vruchtelooze pogingen ontmoette hij een snelleren luchtstroom, die hem naar het noordwesten voerde. “Wij vorderen meer,” zeide de doctor, “als ik mij niet bedrieg hebben wij de helft onzer reis in bijna tien dagen volbracht, maar zooals wij nu gaan zullen wij geheele maanden noodig hebben, om haar ten einde te brengen. Dit is des te onaangenamer, daar wij bedreigd worden met gebrek aan water.”—“Maar wij zullen het vinden,” antwoordde Dick, “wij zullen toch wel de eene of andere rivier, eene beek, een vijver in deze groote uitgestrektheid lands ontmoeten.”—“Ik wensch het.”—“Zou de schat van Joe onzen gang niet vertragen?”Kennedy sprak dus om den braven jongen te plagen; hij deed het des te liever, omdat hij een oogenblik de zinsverbijstering van Joe had gedeeld, maar daar hij niets had doen blijken, hield hij zich goed, altoos lachende. Joe wierp een erbarmelijken blik op hem. De doctor antwoordde niet, hij dacht, niet zonder geheimen schrik, aan de uitgestrekte woestijnen der Sahara; daar gaan weken voorbij zonder dat de karavanen een put vinden om den dorst te lesschen. Dus nam hij met de meeste oplettendheid de minste daling van den grond waar. Deze bezorgdheden en de laatste gebeurtenissen hadden den gemoedstoestand der drie reizigers zeer gewijzigd, zij spraken minder en verdiepten zich meer in hunne eigene gedachten. De waardige Joe was dezelfde niet meer sedert zijne blikken die massa goud hadden aanschouwd; hij zweeg; hij beschouwde gretig die opgehoopte steenen in het schuitje, nu zonder waarde, later onschatbaar. Het gezicht op dit gedeelte van Afrika was verontrustend, de woestijn vertoonde zich langzamerhand; er was geen dorp meer, zelfs geene vereeniging van enkele hutten, de plantengroei hield op. Men zag nauwelijks eenige lage planten, zooals in de heidegronden van Schotland, een begin van witachtig zand en vuursteenen, eenige mastikboomen en doornstruiken; te midden dezer onvruchtbaarheid scheen de oorspronkelijke romp der aardeuit diepe kloven en scherpe rotsen te bestaan. De verschijnselen van dorheid gaven doctor Ferguson veel te denken.
Vreemde geruchten.—Een nachtelijke aanval.—Kennedy en Joe in den boom.—Twee schoten.—Help! help!—Antwoord in het Fransch.—De morgen.—De zendeling.—Het plan van redding.
Vreemde geruchten.—Een nachtelijke aanval.—Kennedy en Joe in den boom.—Twee schoten.—Help! help!—Antwoord in het Fransch.—De morgen.—De zendeling.—Het plan van redding.
De nacht was zeer duister. De doctor had het land niet kunnen herkennen, hij lag vast aan een hoogen boom, dien hij in den donker nauwelijks kon zien. Volgens zijne gewoonte nam hij de wacht van negen uur en te middernacht verving Dick hem. “Waak goed, Dick, waak zorgvuldig.”—“Is er iets nieuws?”—“Neen, maar ik heb beneden ons vreemde geluiden gehoord, ik weet niet waarheen de wind ons heeft gevoerd; overmaat van onvoorzichtigheid kan niet schaden.”—“Gij zult het gehuil van eenige dieren wel hebben gehoord.”—“Neen! het kwam mij voor iets geheel anders te wezen, kortom, wek ons bij het minste alarm.”—“Wees gerust.”
Twee schoten. Blz. 119.Twee schoten. Blz.119.
Twee schoten. Blz. 119.
Twee schoten. Blz.119.
Na voor het laatst oplettend te hebben geluisterd, legde de doctor zich, toen hij niets hoorde, onder zijn deken en sliep weldra in. De hemel was met dikke wolken bedekt, maar geen windje bewoogde lucht; de Victoria, aan een enkel anker vastgehouden, ondervond geene schommeling. Kennedy op het schuitje geleund, om op de gaspijp te passen, beschouwde deze sombere stilte; hij zag naar den horizon, en, zoo als het met onrustige of voorzichtige menschen het geval is, zijn blik meende soms onzekere flikkeringen te zien. Op een oogenblik geloofde hij zelfs op tweehonderd schreden iets waar te nemen, maar het was slechts eene flikkering, en hij zag niets meer. Kennedy stelde zich gerust en verviel weder in zijne besluitelooze beschouwing, toen een scherp gefluit de lucht doorkliefde. Was dit het geluid van een dier, van een nachtvogel? kwam het van menschenlippen? Daar Kennedy al het hachelijke van hun toestand kende, was hij op het punt zijne reisgezellen te wekken, maar hij zeide tot zich zelven, dat in allen gevalle menschen of beesten buiten zijn bereik waren; hij zag dus zijne wapens na en, met zijn nachtkijker keek hij verder in de ruimte. Hij meende weldra beneden zich onzekere gedaanten te zien, die naar den boom slopen; bij een straal der maan, die als een bliksemschicht van tusschen twee wolken te voorschijn kwam, herkende hij duidelijk een troep gedaanten, die zich in de duisternis bewogen. Het avontuur der hondekoppen kwam hem weder voor den geest, hij legde de hand op den schouder des doctors. Deze werd terstond wakker.—“Stil,” zeide Kennedy, “laat ons zacht spreken.”—“Is er iets?”—“Ja, laat ons Joe wakker maken.”—Zoodra deze was opgestaan, verhaalde de jager wat hij had gezien.—“Nog al deze vervloekte apen?” zeide Joe.—“Het is mogelijk, maar wij moeten onze voorzorgen nemen.”—“Joe en ik,” zeide Kennedy,“zullen langs de ladder naar den boom af klimmen.”—“En in dien tijd,” zeide de doctor, “zal ik mijne maatregelen nemen om spoedig te kunnen opstijgen.”—“Dat is afgesproken.”—“Laat ons afdalen,” zeide Joe.—“Bedient u slechts in de uiterste noodzakelijkheid van uwe wapenen,” zeide de doctor,“het is niet noodig onze tegenwoordigheid in deze streken te verraden.”
Dick en Joe antwoordden door een teeken. Zij lieten zich zonder gerucht te maken naar den boom afglijden en plaatsten zich op eenige sterke takken, waaraan het anker vast zat. Sedert eenige minuten luisterden zij stil en onbeweeglijk in de bladeren; bij eene zekere kraking van de schors, die zich deed hooren, greep Joe de hand van den Schot.—“Hoort gij niet?”—“Ja, het nadert.”—“Als het een slang was? Dat gefluit, dat gij hebt gehoord....”—“Neen, het was iets menschelijks.”—“Ik houd het liever met de wilden, die kruipende dieren staan mij tegen.”—“Het geluid wordt sterker,” hernam Kennedy eenige oogenblikken daarna. “Ja, men klautert naar boven.”—“Houd de wacht aan dien kant, ik belast mij met den anderen.”—“Goed.”
Beiden bevonden zich afgezonderd op den top van een hoofdtakeens boababs; de duisternis, nog vermeerderd door de dichte bladeren, was volkomen; echter zeide Joe, zich naar het oor van Kennedy neigende en hem het onderste deel van den boom aanwijzende: “Negers.”
Eenige woorden op zachten toon gewisseld, werden zelfs door de twee reizigers gehoord. Joe legde bedaard zijn geweer aan.—“Wacht,” zeide Kennedy.
Wilden hadden inderdaad den baobab beklommen, zij kwamen van alle kanten te voorschijn, op de takken kruipende als slangen, langzaam maar zeker klimmende; zij verrieden zich door een onaangenamen geur van een stinkend vet.1Weldra vertoonden zich twee hoofden aan de blikken van Kennedy en Joe, op de hoogte van den tak, waarop zij zaten.—“Geef acht,” zeide Kennedy, “vuur!” De twee schoten weerklonken als en donderslag en stierf weg te midden van kreten van smart. In een oogenblik was de geheele troep verdwenen. Maar te midden van het gehuil hoorde men een vreemden, onverwachten kreet! Eene menschelijke stem had duidelijk deze woorden in het Fransch uitgesproken: “Help! help!”
Kennedy en Joe gingen verbaasd zoo spoedig mogelijk naar het schuitje terug.—“Hebt gij het gehoord?” zeide de doctor.—“Zonder twijfel! dien doordringenden kreet: Help! help! Een Franschman in handen dezer barbaren!”—“Een reiziger.”—“Een zendeling misschien!”—“De ongelukkige,” riep de reiziger uit, “men vermoordt, men martelt hem.”
De doctor nam het woord, terwijl hij te vergeefs zijne ontroering trachtte te verbergen, en zeide: “Er valt niet aan te twijfelen, een ongelukkige Franschman is in handen dezer wilden gevallen. Wij zullen niet vertrekken, zonder alles te hebben gedaan om hem te redden; aan onze geweerschoten heeft hij eene ongehoopte hulp, eene tusschenkomst der Voorzienigheid herkend. Wij zullen die hoop niet teleurstellen. Zijt gij van mijn gevoelen?”—“Zeker, Samuel, wij zijn gereed u te gehoorzamen.”—“Laat ons dan handelen en als de morgen aanbreekt, zullen wij trachten hem te ontvoeren.”—“Maar hoe zullen wij die ellendige negers verjagen?” vroeg Kennedy.—“Het is duidelijk voor mij,” zeide de doctor, “aan de wijze waarop zij gevloden zijn, dat zij de vuurwapens niet kennen; wij moeten dus ons voordeel doen met hun schrik, maar den dag afwachten om te handelen, en wij zullen overeenkomstig de gelegenheid der plaats een reddingsplan beramen.”—“Die ongelukkige kan niet ver af zijn,” zeide Joe, “want....”—“Help! help!” herhaalde de stem, op zwakke toon.—“Die barbaren!” riep Joe uit. “Als zij hem nueens nog dezen nacht dooden.”—“Hoort gij, Samuel,” hernam Kennedy, de hand van den doctor vattende, “als zij hem, dezen nacht dooden?”—“Dat is niet waarschijnlijk; deze volksstammen, mijne vrienden, doen hunne gevangenen op klaarlichten dag sterven, zij hebben het zonlicht noodig!”—“Als ik dan van den nacht gebruik maakte,” zeide de Schot, “om naar dien ongelukkige te gaan?”—“Ik vergezel u, mijnheer Dick.”—“Stil, mijne vrienden. Dit voornemen doet uw hart en uwen moed eer aan, maar gij zoudt ons allen blootstellen en hem dien wij willen redden nog meer benadeelen.”—“Waarom?” vroeg Kennedy. “Deze wilden zijn verschrikt, verstrooid! Zij zullen niet terugkeeren.”—“Dick, ik bid u, gehoorzaam mij, ik handel voor het algemeen welzijn; als gij u bij toeval liet verrassen zou alles verloren zijn.”—“Maar die ongelukkige, die wacht! Niemand antwoordt hem, niemand komt hem ter hulp. Hij zal gelooven dat hij zich vergist heeft, dat hij niets heeft gehoord.”—“Men kan hem geruststellen,” zeide doctor Ferguson. En in ’t midden der duisternis opstaande maakte hij van zijne hand een roeper en riep met krachtige stem in de taal van den vreemdeling: “Wie gij ook zijt, heb vertrouwen! Drie vrienden waken over u!” Een vreeslijk gehuil antwoordde hem, dat ongetwijfeld het antwoord van den gevangene verdoofde.—“Men doodt hem! men gaat hem dooden!” riep Kennedy uit; “onze tusschenkomst heeft slechts gediend om het uur zijner doodstraf te verhaasten! Wij moeten handelen.”—“Maar hoe, Dick? wat zult gij in deze duisternis doen?”—“O! als het dag was!” riep Joe uit.—“Welnu, als het dag was?” vroeg de doctor op zonderlingen toon.—“Niets eenvoudiger, Samuel,” antwoordde de jager, “ik zou op de aarde afdalen en deze ellendelingen met geweerschoten verstrooien.”—“En gij, Joe?” vroeg Ferguson.—“Ik, meester, ik zou voorzichtiger handelen en den gevangene doen weten, in eene overeengekomen richting te vluchten.”—“Hoe zoudt gij hem dit bericht doen toekomen?”—“Door middel van dezen pijl, dien ik in de vlucht heb opgevangen en waaraan ik een briefje zou vasthechten, dewijl die negers onze taal niet verstaan.”—“Uwe plannen zijn onuitvoerlijk, mijne vrienden, de grootste moeielijkheid voor dien ongelukkige zou zijn, zich te redden, toegestemd dat hij de waakzaamheid zijner beulen kon misleiden. Wat u betreft, mijn waarde Dick, met uwe stoutmoedigheid en gebruik makende van den schrik door onze vuurwapenen veroorzaakt, zou uw plan misschien gelukken, maar als het mislukte, zoudt gij verloren zijn en wij zouden twee personen in plaats van een moeten redden. Neen, wij moeten alle gunstige kansen aan onze zijde brengen en anders handelen.”—“Maar dadelijk,” zeide de jager.—“Misschien,” antwoordde Samuel, op dit woord drukkende.—“Mijn meester, zijt gij dan in staat deze duisternis te verdrijven?”—“Wie weet het, Joe.”—
“O! als gij dat doet, dan roep ik u uit tot den eersten geleerde der wereld!”
Het electrieke licht. Blz. 123.Het electrieke licht. Blz.123.
Het electrieke licht. Blz. 123.
Het electrieke licht. Blz.123.
De doctor zweeg eenige oogenblikken, hij dacht na. Zijne tweereisgezellen beschouwden hem met ontroering, zij waren door dezen buitengewonen toestand opgewonden. Weldra hernam Ferguson het woord: “Zie hier mijn plan,” zeide hij. “Er blijft ons 200 pond ballast, dewijl de zakken, die wij hebben medegenomen, nog onaangeroerd zijn. Ik neem aan dat die gevangene, een man die klaarblijkelijk door lijden is uitgeput, evenveel weegt als een van ons, er zal ons dus nog ongeveer zestig pond overblijven om weg te werpen, ten einde spoediger te stijgen.”—“Hoe denkt gij dan te handelen?” vroeg Kennedy.—“Zie hier, Dick, gij zult mij toestemmen dat als het mij gelukt den vreemdeling te bereiken en ik eene hoeveelheid ballast wegwerp, die gelijk is aan zijn gewicht, dat ik niets heb veranderd aan het evenwicht van den ballon, maar dan moet ik, als ik eene snelle opstijging wil bewerkstelligen om aan deze negers te ontsnappen, krachtiger middelen aanwenden. Als ik nu deze overmaat van ballast op het gegeven oogenblik wegwerp, ben ik er zeker van dat wij zeer snel stijgen.”—“Dat is duidelijk.”—“ja, maar er is eene zwarigheid, namelijk dat ik, door later te dalen, eene hoeveelheid gas zal moeten verliezen evenredig met de overmaat van ballast, die ik heb weggeworpen. Dit gas is eene kostbare zaak, maar men kan het verlies niet betreuren als het behoud van een mensch op het spel staat.”—“Gij hebt gelijk, Samuel, wij moeten alles opofferen om hem te redden.”—“Laat ons dan handelen en legt deze zakken zóó op den rand van het schuitje dat zij terstond kunnen worden weggeworpen.”—“Maar die duisternis?”—“Zij verbergt onze voorbereidselen en zal eerst verdwijnen als die zijn geëindigd. Draagt zorg alle wapenen onder ons bereik te houden, misschien zullen wij moeten schieten; wij hebben voor de karabijn één schot, voor de twee geweren vier schoten, twaalf voor de twee revolvers dat is in alles zeventien, die in het vierde gedeelte eener minuut kunnen gelost worden. Maar misschien zullen wij daartoe onze toevlucht niet behoeven te nemen. Zijt gij gereed?”—“Ja,” antwoordde Joe.
De zakken waren gerangschikt, de wapenen gereed.—“Goed,” zeide de doctor. “Houdt een oog over alles. Joe zal den ballast naar beneden werpen en Dick den gevangene ontvoeren, maar niets gebeure zonder mijn bevel. Joe, ga eerst het anker losmaken en klim spoedig weder in het schuitje.”—Joe liet zich langs het touw afglijden en kwam na eenige oogenblikken terug. De Victoria nu vrij geworden zweefde bijna onbeweeglijk in de lucht. Gedurende dien tijd verzekerde de doctor zich van eene genoegzame hoeveelheid gas in de mengkist om des noods de gaspijp te vullen zonder dat het noodig was zijne toevlucht te nemen tot de werking der Bunsensche batterij; hij nam de twee geheel geïsoleerde electroden (geleidraden), die dienden tot de ontleding van het water, weg; vervolgens in zijn reiszak zoekende, haalde hij er twee koolspitsen uit,die hij aan het uiteinde van iederen draad bevestigde. Zijne twee vrienden keken hem aan zonder het te begrijpen, maar zwegen; toen de doctor zijn arbeid verricht had, ging hij midden in het schuitje overeind staan, nam eene koolspits in iedere hand en bracht de punten bij elkander. Plotseling zag men een verblindend licht tusschen de twee koolspitsen; een electriek licht verdreef de duisternis van den nacht.—“O, meester!” zeide Joe.—“Geen woord,” zeide de doctor.
1Negers verraden zich altijd door een eigenaardigen geur of liever stank die van hen uitgaat.—De galafscheiding bij de blanken in de faeces vervat, geschiedt bij hen door de huidporiën.
1Negers verraden zich altijd door een eigenaardigen geur of liever stank die van hen uitgaat.—De galafscheiding bij de blanken in de faeces vervat, geschiedt bij hen door de huidporiën.
Het electrieke licht.—De zendeling.—Ontvoering te midden van een lichtstraal.—De lazaristenpriester.—Weinige hoop.—Zorgen des doctors.—Een leven van verloochening.—Overtocht van een vulkaan.
Het electrieke licht.—De zendeling.—Ontvoering te midden van een lichtstraal.—De lazaristenpriester.—Weinige hoop.—Zorgen des doctors.—Een leven van verloochening.—Overtocht van een vulkaan.
Ferguson richtte zijn schitterenden lichtstraal naar verschillende kanten en deed hem stilstaan op eene plaats, waar kreten van schrik zich deden hooren. Zijne twee reisgezellen wierpen een onderzoekenden blik daarheen. De baobab, waarboven de Victoria bijna onbeweeglijk zweefde, verhief zich in het midden eener opene plek; tusschen velden sesam en suikerriet zag men een vijftigtal lage en kegelvormige hutten, rondom welke een talrijke stam wemelde. Honderd voet onder den luchtballon was een paal opgericht. Aan den voet van dien paal lag eene menschelijke gedaante, een jongeling van hoogstens dertig jaar oud, met lange zwarte haren, half naakt, mager, bebloed, met wonden bedekt, en het hoofd op de borst gezonken. Eenige kortere haren op de kruin van het hoofd toonden nog de plaats van eene half verdwenen tonsuur.—“Een zendeling! een priester!” riep Joe uit.—“Arme ongelukkige!” antwoordde de jager.—“Wij zullen hem redden, Dick,” zeide de doctor.
Ferguson richtte zijn schitterenden lichtstraal naar verschillende kanten.
Ferguson richtte zijn schitterenden lichtstraal naar verschillende kanten.
De negers, den ballon bemerkende, gelijk aan eene ontzettend groote komeet met een staart van schitterend licht, werden door een gemakkelijk te begrijpen schrik aangetast. Op hunne kreten hief de gevangene het hoofd op. Zijne oogen schitterden van eene plotselinge hoop en, zonder te begrijpen wat er gebeurde, strekte hij zijne handen naar deze onverwachte redders uit.—“Hij leeft! hij leeft!” riep Ferguson uit; “God zij gedankt! Deze wilden zijn door schrik getroffen! Wij zullen hem redden! Zijt gij gereed, mijne vrienden?”—“Ja, Samuel.”—“Joe, blaas de gasvlam uit.”—Het bevel des doctors werd uitgevoerd. Een bijna onmerkbare wind dreef den ballon zachtkens boven den gevangene op hetzelfde oogenblik,dat hij onmerkbaar daalde; tien minuten ongeveer bleef hij zwevende te midden der lichtgolvingen. Ferguson liet zijn lichtbundel op de menigte schijnen. De stam, onder den indruk eener onbeschrijfelijke vrees, verdween langzamerhand in zijne hutten en de paal werd eenzaam gelaten. De doctor had dus reden gehad te rekenen op de fantastische verschijning van den ballon, die in deze dikke duisternis licht verspreidde. Het schuitje naderde den grond. Eenige negers evenwel, stoutmoediger dan de anderen, begrijpende dat hun slachtoffer hun ging ontsnappen; kwamen met luide kreten terug; Kennedy nam zijn geweer, maar de doctor verbood hem te schieten. De priester die geknield lag, geen kracht hebbende om overeind te staan, was zelfs niet aan den paal gebonden, want zijne zwakheid maakte dit onnoodig. Op het oogenblik dat het schuitje bij den grond kwam, beurde de jager, zijn wapen wegwerpende en den priester om het midden vattende, hem in het schuitje en op hetzelfde oogenblik wierp Joe plotseling de tweehonderd pond ballast weg. De doctor dacht nu zeer snel te stijgen, maar de ballonbleef onbeweeglijk, na drie à vier voet van den grond te zijn gestegen.—“Wie houdt ons terug?” vroeg hij op een toon van schrik. Eenige wilden liepen toe, woeste kreten slakende. “O!” riep Joe uit, naar buiten ziende, “een dezer vervloekte zwarten hangt onder aan het schuitje!”—“Dick! Dick!” riep de doctor uit, “de waterbak!” Dick begreep de gedachte van zijn vriend en een der waterbakken, die meer dan honderd pond woog, opnemende, wierp hij hem over boord. De Victoria eensklaps verlicht, verhief zich 300 voet, te midden van het gehuil van den stam, aan welken de gevangene ontsnapte in een oogverblindend licht.—“Hoezee!” riepen de twee reisgezellen van den doctor uit. Plotseling rees de ballon op nieuw tot op 1000 voet hoogte.—“Wat gebeurt er nu?” vroeg Kennedy, die bijna het evenwicht verloor.—“Het is niets! die schelm laat ons los,” antwoordde Samuel Ferguson bedaard.—En Joe, snel naar buiten ziende, kon nog den wilde zien, die, met de handen uitgestrekt, in de ruimte ronddraaiende, weldra op den grond werd verpletterd. De doctor verwijderde detwee electrieke draden van elkander en de duisternis hernam haar gebied. Het was een uur ’s morgens. De Franschman opende eindelijk de oogen.—“Gij zijt gered,” zeide de doctor.—“Gered;” antwoordde hij in het Engelsch, met een droevigen glimlach, “gered van een wreeden dood! Mijne broeders ik dank u, maar mijne dagen, mijne uren zelfs zijn geteld en ik heb niet lang meer te leven.” En de zendeling verviel weder uitgeput in zijne bezwijming.—“Hij sterft,” riep Dick uit.—“Neen,” antwoordde Ferguson, zich over hem buigende, “maar hij is zeer zwak; laat ons hem onder de tent leggen.”
“Het is niets! die schelm laat ons los.”
“Het is niets! die schelm laat ons los.”
Zij legden dat vermagerde lichaam, bedekt met litteekens en nog bloedende wonden, waar het ijzer en het vuur op twintig plaatsen hunne smartelijke sporen hadden achtergelaten, zachtkens op hunne dekens. De doctor maakte van zijne zakdoek een weinig pluksel, dat hij op de wonden legde, na die alvorens gezuiverd te hebben; dit deed hij met de bekwaamheid van een geneesheer; vervolgens een opwekkend middel uit zijne verzameling geneesmiddelen nemende, goot hij daarvan eenige druppels op de lippen van den priester. Deze drukte zacht zijne handen en had nauwelijks de kracht om te zeggen: “Dank, dank!” De doctor begreep dat men hem eene volstrekte rust moest laten genieten; hij deed de zeilen der tent dicht en nam verder het bestuur van den luchtballon op zich.—Deze, het gewicht van zijn nieuwen gast medegerekend, was bijna 180 pond lichter geworden, hij bleef dus in goeden stand zonder hulp van het gas. Bij het eerste morgenlicht dreef een luchtstroom hem zachtjes naar het west-noord-westen. Ferguson ging gedurende eenige oogenblikken den in zwijm liggenden priester beschouwen.—“Mochten wij dien metgezel toch behouden, dien de hemel ons heeft gezonden!” zeide de jager. “Hebt gij eenige hoop?”—“Ja, Dick, met eene goede oppassing in eene zoo zuivere lucht.”—“Wat heeft die man al geleden!” zeide Joe ontroerd. “Weet gij dat hij daar stoutmoediger dingen deed dan wij, door alleen te midden dezer volksstammen te komen.”—“Dat lijdt geen twijfel,” antwoordde de jager.—“Dezen geheelen dag wilde de doctor niet, dat de slaap van den ongelukkige zou gestoord worden, het was eene lange bezwijming, afgebroken door eenige pijnlijke zuchten, die Ferguson verontrustten voor de veiligheid van allen. Des anderen daags ’s morgens was de Victoria nauwelijks naar het westen afgeweken; de dag beloofde fraai te zijn. De zieke kon met eene luidere stem zijne vrienden roepen. Men opende de zeilen der tent en hij ademde met volle teugen de zuivere morgenlucht in.”—“Hoe bevindt gij u?” vroeg Ferguson.—“Misschien beter,” antwoordde hij. “Maar u, mijne vrienden, heb ik nog slechts in een droom gezien! Nauwelijks kan ik mij van het gebeurde rekenschap geven! Wie zijt gij, opdat ik uwe namen in mijn laatste gebed niet vergete?”—“Wijzijn Engelsche reizigers,” antwoordde Samuel, “wij hebben beproefd Afrika in een luchtballon door te trekken en op onze reis hebben wij het geluk gehad u te redden.”—“De wetenschap heeft hare helden,” zeide de zendeling.—“Maar de godsdienst hare martelaars,” zeide de Schot.—“Gij zijt zendeling?” vroeg de doctor.—“Ik ben een priester van de zending der Lazaristen. De hemel heeft u tot mij gezonden, hij zij daarvoor geprezen! De opoffering van mijn leven was volbracht! Maar gij komt uit Europa, spreek mij van Europa, van Frankrijk! Sedert vijf jaren heb ik geene tijdingen ontvangen.”—“Vijf jaren alleen onder deze wilden!” zeide Kennedy verbaasd.—“Het zijn zielen, die moeten verlost worden, onwetende en barbaarsche broeders, die alleen door den godsdienst kunnen onderwezen en beschaafd worden.”
Samuel Ferguson, aan den wensch van den zendeling gehoor gevende, sprak hem veel over Frankrijk. Deze hoorde gretig naar hem en tranen stroomden uit zijne oogen. De arme jongeling nam beurtelings de handen van Kennedy en Joe in de zijnen, die van koortshitte brandden; de doctor bereidde eenige koppen thee voor hem, die hij met graagte dronk; toen had hij de kracht zich een weinig op te heffen en te glimlachen, toen hij zich naar een zoo zuiveren hemel zag gevoerd.—“Gij zijt stoutmoedige reizigers,” zeide hij, “en gij zult in uwe onderneming slagen, gij zult uwe bloedverwanten, uwe vrienden, uw vaderland wederzien, gij....”
De zwakte van den jongen priester werd toen zoo groot, dat men hem op nieuw moest doen nederliggen; eene verzwakking van eenige uren deed hem als dood in de handen van Ferguson liggen. Deze kon zijne ontroering niet bedwingen, hij gevoelde dat dit leven langzamerhand verdween. Zouden zij hem dan zoo spoedig verliezen, dien zij aan den marteldood hadden ontrukt? Hij verbond op nieuw de verschrikkelijke wonden van den martelaar en moest het grootste deel van zijn watervoorraad opofferen om zijne brandende ledematen te verkoelen. Hij paste hem zorgvuldig op. De zieke kwam onder zijne behandeling langzamerhand tot zich zelven en herkreeg zijn bewustzijn. De doctor vernam zijne geschiedenis uit afgebroken woorden.—“Spreek uwe moedertaal,” zeide hij, “ik versta die en dat zal u minder vermoeien.”
De zendeling was een arm jongeling van het dorp Aradon in Bretagne; zijne eerste neigingen deden hem den geestelijken stand aannemen; bij dit leven van verloochening wilde hij nog het leven van gevaar voegen, door zich in de orde der zendingpriesters, waarvan St. Vincentius de Paula de roemrijke stichter was, te doen opnemen; twintig jaar oud verliet hij zijn land om zich naar de ongastvrije streken van Afrika te begeven. Vandaar naderde hij, de hinderpalen te boven komende, tegen ontberingen worstelende, reizende en biddende, tot in het midden der stammen, die aan debovenste takken van den Nijl wonen; twee jaren lang werd zijn godsdienst afgewezen, zijn ijver miskend, zijne liefdadigheid slecht opgevat; hij bleef gevangen bij een der wreedste stammen van Nyambarra, ten prooi aan duizend mishandelingen. Maar altijd onderwees en bad hij. Deze stam verstrooid zijnde, werd hij na een der talrijke gevechten tusschen stam en stam, voor dood achtergelaten en, in plaats van op zijne schreden terug te keeren, vervolgde hij zijn godsdienstigen pelgrimstocht. Zijn rustigste tijd was als men hem voor gek hield; hij had zich de taal dezer streken eigen gemaakt en hield godsdienstige vergaderingen. Eindelijk doorreisde hij nog twee lange jaren die barbaarsche streken, voortgedreven door die bovenmenschelijke kracht, die van God komt; sedert een jaar woonde hij onder dien stam der Nyam-Nyam, Barafri genaamd en een der wildste. Toen het opperhoofd eenige dagen geleden gestorven was, schreef men hem dien onverwachten dood toe; men besloot hem te slachten; veertig uren duurde reeds zijne marteling en, zoo als de doctor te recht had voorondersteld, hij moest op den middag sterven. Toen hij de losbranding der vuurwapenen hoorde, kreeg de natuur de overhand en hij riep: “Help! help!” Hij geloofde gedroomd te hebben, toen eene stem van den hemel hem woorden van troost toesprak.—“Ik betreur dit leven niet,” zeide hij, “het behoort aan God.”—“Hoop nog,” antwoordde de doctor, “wij zijn bij u, wij zullen u van den dood redden, even als wij u aan de marteling hebben ontrukt.”—“Ik vraag zooveel niet van den hemel,” zeide de priester gelaten! “Geloofd zij God, dat ik vóór mijn sterven, de vreugde geniet vriendenhanden te drukken en de taal van mijn land te hooren.”
De zendeling werd op nieuw zwakker. De dag ging dus voorbij tusschen hoop en vrees. Kennedy en Joe wischten zich heimelijk de oogen af. De Victoria legde weinig wegs af en de wind scheen zijn kostbaren last te willen sparen. Joe merkte tegen den avond een groot licht op in het westen. Onder hoogere breedten zou men geloofd hebben, dat het een noorderlicht was; de hemel scheen in vuur te staan. De doctor onderzocht oplettend dit verschijnsel.—“Het kan slechts een werkende vulkaan zijn,” zeide hij.—“Maar de wind voert er ons boven,” hernam Kennedy. “Welnu! wij zullen hem op eene genoegzame hoogte overtrekken.”
Drie uren daarna bevond zich de ballon in de bergen; zijne juiste plaats was 24° 15′ lengte en 4° 42′ breedte; vóór hem stortte een brandende krater stroomen gesmolten lava uit en wierp rotsblokken uit tot eene groote hoogte; er waren stroomen vloeibaar vuur, die in schitterende stralen nedervielen. Het was een prachtig en gevaarlijk schouwspel, want de wind dreef in eene standvastige richting den ballon naar dien brandenden dampkring. Dezen hinderpaal, dien men niet had kunnen afwenden, moest men te boven komen;het gas werd met alle kracht aangevoerd en de Victoria kwam op 6000 voet hoogte, tusschen zich en den vulkaan een afstand van meer dan 300 vaam latende. De priester kon van zijn ziekbed dezenbrandenden krater zien, waaruit met donderend geraas duizend verblindende vuurstralen opstegen.—“Hoe schoon is dit,” zeide hij, “en hoe eindeloos is Gods macht, zelfs in zijne verschrikkelijkste openbaringen.”
De vulkaan. Blz. 130.De vulkaan. Blz.130.
De vulkaan. Blz. 130.
De vulkaan. Blz.130.
Deze uitstorting van brandende lava bedekte de zijden van den berg met een waar tapijt van vlammen; het onderste gedeelte van den ballon werd in den nacht verlicht; eene brandende hitte bereikte het schuitje, en doctor Ferguson haastte zich die gevaarlijke stelling te verlaten. Tegen 10 uur des avonds was de berg slechts een rood punt aan den horizon, en de ballon vervolgde rustig zijne reis naar eene minder hooge luchtstreek.
Toorn van Joe.—De dood eens rechtvaardigen.—De wacht bij het lijk.—Dorheid.—De begrafenis.—De stukken kwarts.—Zinsbedrog van Joe.—Een kostbare ballast.—Hoogte-opneming der goudbergen.—Begin der wanhoop van Joe.
Toorn van Joe.—De dood eens rechtvaardigen.—De wacht bij het lijk.—Dorheid.—De begrafenis.—De stukken kwarts.—Zinsbedrog van Joe.—Een kostbare ballast.—Hoogte-opneming der goudbergen.—Begin der wanhoop van Joe.
Een prachtige nacht verspreidde zich over de aarde, de priester sliep kalm in.—“Hij zal er niet van opkomen,” zeide Joe. “Arme jongeling! nauwelijks dertig jaar!”—“Hij zal in onze armen ontslapen! Zijne reeds zoo zwakke ademhaling verzwakt nog meer, en ik kan niets doen om hem te redden,” zeide de doctor wanhopig.—“Die ellendelingen!” riep Joe uit, die van tijd tot tijd plotseling toornig werd. “En als men bedenkt, dat deze waardige priester nog woorden heeft gevonden om hen te beklagen, om hen te verontschuldigen en te vergeven!”—“De hemel geeft hem een goeden nacht, Joe, zijn laatsten nacht misschien! Hij zal voortaan weinig lijden, en zijn dood zal slechts een vreedzame slaap zijn.”
De stervende sprak eenige afgebroken woorden uit; de doctor naderde, de ademhaling van den zieke werd belemmerd, hij hijgde naar lucht. De gordijnen werden geheel geopend en hij ademde met wellust de koeltjes van den helderen nacht in; de sterren wierpen haar flikkerend licht op hem, en de maan omgaf hem met hare blanke stralen.—“Mijne vrienden,” zeide hij met zwakke stem, “ik sterf! Dat God u naar eene goede haven geleide! dat Hij u voor mij deze schuld van dankbaarheid betale!”—“Hoop nog,” antwoordde Kennedy, “het is slechts eene voorbijgaande verzwakking. Gij zult niet sterven! Kan men in zoo’n schoonen zomernacht sterven?”—“De dood is daar,” hernam de zendeling, “ik weet het! Laat mij hem in het gelaat zien! De dood, het beginder eeuwigheid, is slechts het einde der aardsche zorgen. Leg mij op de knieën, mijne broeders, ik bid het u!”
Kennedy hief hem op; het was droevig te zien hoe zijne krachtelooze ledematen ineenkrompen.—“Mijn God! mijn God!” riep de stervende apostel uit, “heb medelijden met mij!”
Zijn gelaat schitterde. Ver van deze aarde, welker vreugde hij nooit had gekend, te midden van dezen nacht, die zijn zachtste licht op hem wierp, op den weg ten hemel, naar welken hij zich verhief als in eene wonderbaarlijke hemelvaart, scheen hij reeds in een nieuw bestaan te herleven. Zijn laatste gebaar was eene laatste zegening voor zijne vrienden van één dag. Hij viel achterover in de armen van Kennedy, wiens gelaat baadde in tranen. “Dood!” zeide de doctor, zich over hem buigende, “hij is dood!” En de drie vrienden knielden, om in stilte te bidden.—“Morgen ochtend,” zeide Ferguson na eenige oogenblikken, “zullen wij hem begraven in de aarde van Afrika, die met zijn bloed besproeid is.”
Gedurende het overige gedeelte van den nacht werd het lijk beurtelings door de drie reizigers bewaakt en geen woord stoorde deze plechtige stilte.
Des anderen daags woei de wind uit het zuiden en de Victoria ging vrij langzaam over eene uitgestrekte bergvlakte; met onvruchtbare kloven en uitgebluschte kraters; geen enkele druppel water was op deze verdroogde toppen te vinden; opeengehoopte rotsen, gespleten steenmassaas, witachtige mergelgroeven, alles toonde eene groote onvruchtbaarheid aan. Tegen den middag besloot de doctor, om het lijk te begraven, in een bergkloof neder te dalen, te midden van door een plutonische uitbarsting ontstane rotsen der eerste vorming; de omringende bergen moesten hem beschutten en veroorlooven zijn schuitje tot aan den grond te doen komen, want er was geen boom om het aan vast te leggen. Maar, zoo als hij aan Kennedy had uitgelegd, hij kon ten gevolge van zijn verlies van ballast bij de ontvoering van den priester, slechts dalen door eene geëvenredigde hoeveelheid gas te laten ontsnappen; daarom opende hij de buitenste klep van den ballon. Het gas stroomde weg en de Victoria daalde bedaard in de kloof. Zoodra het schuitje de aarde aanraakte sloot de doctor de klep, Joe sprong op den grond, zich met de eene hand aan den uitersten rand vasthoudende en met de andere raapte hij een zeker aantal steenen op, die weldra zijn eigen gewicht vervingen; toen kon hij zijne twee handen gebruiken en had weldra in het schuitje meer dan 500 pond steenen opgestapeld, die aan den doctor en Kennedy veroorloofden op hunne beurt uit te stappen. De Victoria was in evenwicht en hare stijgkracht was onmachtig om haar te doen rijzen. Overigens was er geene groote hoeveelheid van deze steenen noodig, want de rotsblokken door Joe opgeraapt waren buitengewoon zwaar,hetgeen een oogenblik de oplettendheid van Ferguson gaande maakte. De grond was bezaaid met kwarts en tot poeder verweerde rotsen.—“Dit is eene zonderlinge ontdekking,” zeide de doctor in zich zelven.—Gedurende dien tijd gingen Kennedy en Joe op eenige schreden afstands eene plaats voor den grafkuil zoeken. Het was ondraaglijk heet in deze bergkloof, waarin zij als in eene soort van fornuis besloten waren. De middagzon schoot hare brandende stralen op hen neder. Men moest eerst van den grond de brokken rots, die hem bedekten, wegruimen; vervolgens werd er eene kuil gegraven, diep genoeg dat de wilde dieren het lijk niet konden opgraven. Het lichaam van den martelaar werd eerbiedig daarin nedergelegd en met aarde overdekt. Groote stukken rots werden daarboven geplaatst als een grafteeken. De doctor bleef echter onbeweeglijk en verdiept in zijne overdenkingen. Hij hoorde het roepen zijner reisgezellen niet, hij kwam niet bij hen terug om eene beschutting tegen de hitte te zoeken.—“Waaraan denkt gij toch, Samuel?” vroeg Kennedy.—“Aan een vreemd contrast der natuur en een merkwaardig gevolg van het toeval. Weet gij in welke aarde deze man van zelfverloochening, deze vrijwillig arme naar de wereld begraven is?”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Deze priester, die gelofte van armoede had gedaan, rust nu in eene goudmijn.”—“Eene goudmijn?” riepen Kennedy en Joe uit.—“Ja,” antwoordde de doctor bedaard. “Deze steenen, die gij vertrapt alsof zij zonder eenige waarde zijn, zijn zeer zuiver erts.”—“Onmogelijk!” zeide Joe.—“Gij zoudt niet lang behoeven te zoeken in deze spleten van leisteen, zonder belangrijke klompen ruw goud te vinden.”—Joe wierp zich als een gek op de verspreide stukken. Kennedy had grooten lust hem na te volgen.—“Wees bedaard, beste Joe,” zeide zijn meester.—“Mijnheer, gij kunt er goed over praten.”—“Hoe, een wijsgeer van uwen stempel.”—“Hé! mijnheer, hier komt geene wijsbegeerte te pas.”—“Zie, denk eens na. Waartoe zou ons al die rijkdom dienen? Wij kunnen hem niet medenemen.”—“Niet? nu nog mooier!”—“Het is wat zwaar voor ons schuitje! Ik aarzelde zelfs u deze ontdekking mede te deelen, uit vrees van uwe spijt gaande te maken.”—“Hoe!” zeide Joe, “deze schatten achterlaten! Onze fortuin!”—“Wees voorzichtig, mijn vriend! Gij zoudt de goudkoorts krijgen! Heeft die doode, dien gij begraven hebt, U niet de ijdelheid der aardsche dingen geleerd?”—“Dat is alles waar,” antwoordde Joe, “maar goud! mijnheer Kennedy, zult gij mij niet helpen om wat van deze millioenen op te rapen?”—“Wat zouden wij daarmee doen, mijn arme Joe?” zeide de jager, die niet kon nalaten te glimlachen.—“Wij zijn hier niet gekomen om ons fortuin te zoeken en wij moeten haar niet medebrengen.”—“De millioenen zijn wat zwaar,” hernam de doctor, “en men steekt ze niet gemakkelijk in den zak.”—“Maar toch,” zeide Joe, “zoumen in plaats van zand geen erts voor ballast kunnen medenemen?”—“Welnu! ik stem er in toe,” zeide Ferguson, “maar gij moet niet boos zijn als wij eenige duizenden ponden ballast over boord werpen.”—“Duizendenponden!” zeide Joe, “is dat mogelijk, dat dit alles goud is!”—“Ja, mijn vriend, het is een vergaarbak, waarin de natuur sedert eeuwen hare schatten heeft opgezameld, daar is genoeg om geheele landen te verrijken! Een Australië en een Californië vereenigd in het hart der woestijn!”—“En dat alles zal nutteloos blijven?”—“Misschien! In alle gevallen zie hier wat ik doen zal om u te troosten.”—“Dat zal moeielijk zijn,” antwoordde Joe bedroefd.—“Hoor. Ik zal de juiste plaats van deze mijn opnemen, en bij uwe terugkomst in Engeland zult gij het aan uwe medeburgers mededeelen als gij gelooft, dat zooveel goud hun geluk zal uitmaken.”—“Komaan, meester, ik zie dat gij gelijk hebt, ik onderwerp mij, dewijl er geen middel is om anders te handelen. Laat ons het schuitje met dit kostbare erts vullen; wat er na het einde der reis overblijft zal altoos zooveel gewonnen zijn.” Joe ging aan het werk, hij deed het met ijver en had weldra omtrent 1000 pond stukken kwarts opgestapeld, waarin het goud besloten is, als in een harden gangsteen. De doctor zag het glimlachend aan; gedurende dien arbeid nam hij zijne hoogte en vond voor de plaats van het graf des zendelings 22° 23′ lengte en 4° 55′ noorderbreedte. Vervolgens een laatsten blik werpende op die ophooging van den grond, waaronder het lichaam van den ongelukkigen Franschman rustte, keerde hij naar het schuitje terug. Hij zou gaarne eeneenvoudigen ruw kruis op dit verlaten graf te midden der woestijnen van Afrika hebben willen plaatsen, maar geen enkele boom groeide in den omtrek.—“God zal het herkennen,” zeide hij tot Kennedy.
Begrafenis van den zendeling. Blz. 132.Begrafenis van den zendeling. Blz.132.
Begrafenis van den zendeling. Blz. 132.
Begrafenis van den zendeling. Blz.132.
Eene ernstige bekommering sloop ook in den geest van Ferguson; hij zou veel van dit goud hebben gegeven om een weinig water te vinden, ten einde te vervangen, wat hij had moeten wegwerpen bij het medevoeren van den neger. Maar dit was onmogelijk in deze dorre streken; het verontrustte hem, hij moest onophoudelijk zijne gasvlam onderhouden en hij bevond te kort te komen om den dorst te lesschen, hij besloot dus geen gelegenheid te laten voorbijgaan om zijn voorraad te vernieuwen. In het schuitje teruggekomen vond hij het bijna gevuld met de steenen van den hebzuchtigen Joe en klom er in zonder iets te zeggen. Kennedy nam zijne gewone plaats en Joe volgde hen, niet zonder een gretigen blik te slaan op de schatten van de bergkloof. De doctor ontstak zijne gasvlam, de slang werd warm, een stroom van gas ontstond binnen weinige minuten, het gas zette zich uit, maar de ballon ging niet van zijne plaats. Joe zag hem ongerust aan en zeide niets.—“Joe,” zeide de doctor.—Joe antwoordde niet.—“Joe, hoort gij mij?”—Joe gaf een teeken, dat hij hoorde, maar wilde niet begrijpen.—“Gij zult mij het genoegen doen,” hernam Ferguson, “eene zekere hoeveelheid van dit erts over boord te werpen.”—“Maar,mijnheer, gij hebt mij toegestaan....”—“Ik heb u toegestaan den ballast te vervangen, ziedaar alles.”—“Echter....”—“Wilt gij dan eeuwig in deze woestenij blijven?”—Joe sloeg een wanhopigen blik op Kennedy, maar de jager nam de houding aan van iemand, die er niets aan kon doen.—“Welnu Joe?”—“Uw gas werkt dan niet?” hernam de halstarrige.—“Mijne gasvlam is aangestoken, gij ziet het wel! maar de ballon zal niet opstijgen als gij hem niet een weinig verlicht hebt.”—Joe krabde zich achter de ooren, nam een stuk kwarts, het kleinste van allen, woog en herwoog het, wierp het omhoog en smeet het toen weg. De Victoria bewoog zich niet. “Hoe!” zeide hij, “wij stijgen nog niet?”—“Nog niet,” antwoordde de doctor, “ga voort.”—Kennedy lachte. Joe wierp nog een tiental ponden weg, de ballon bleef steeds onbeweeglijk. Joe verbleekte.—“Mijn arme jongen,” zeide Ferguson, “Dick, gij en ik wegen, als ik mij niet bedrieg, 400 pond, gij moet u dus van een gewicht ontslaan ten minste gelijk aan het onze, dewijl het onze plaats verving.”—“Vierhonderd pond wegwerpen!” riep Joe op klaaglijken toon uit.—“En nog iets meer om ons te doen stijgen. Komaan, moed!”—De waardige jongen, diepe zuchten lozende, begon den ballon te ontlasten. Van tijd tot tijd hield hij op. “Stijgen wij?” zeide hij.—“Wij stijgen nog niet,” was het onveranderlijke antwoord.—“Hij beweegt zich,” zeide hij eindelijk.—“Ga voort,” zeide Ferguson.—“Hij stijgt, ik ben er zeker van.”—“Ga maar voort,” antwoordde Kennedy.—En Joe wanhopig een laatste stuk nemende wierp het buiten het schuitje. De Victoria steeg omtrent honderd voet en met behulp van het gas steeg hij weldra boven de omringende toppen.—“Nu blijft u nog een aardig fortuintje over, Joe,” zeide de doctor, “als wij dezen voorraad tot het einde der reis kunnen behouden, zijt gij voor uw leven bezorgd.”
Joe antwoordde niet en ging op zijn bed van erts liggen.
“Zie, mijn waarde Dick, wat toch de macht van dit metaal vermag op den besten jongen ter wereld. Welke hartstochten, welke hebzucht, hoeveel misdaden zou de kennis van zulk eene mijn na zich slepen. Het is bedroevend.” Des avonds was de Victoria negentig mijlen westwaarts voortgegaan, hij bevond zich toen 1400 mijlen in eene rechte lijn van Zanzibar.
De wind gaat liggen.—Men nadert de woestijn.—De vermindering van den voorraad water.—De nachten onder den evenaar.—Ongerustheid van Samuel Ferguson.—Hoe de toestand is.—Krachtige antwoorden van Kennedy en Joe.—Nog een nacht.
De wind gaat liggen.—Men nadert de woestijn.—De vermindering van den voorraad water.—De nachten onder den evenaar.—Ongerustheid van Samuel Ferguson.—Hoe de toestand is.—Krachtige antwoorden van Kennedy en Joe.—Nog een nacht.
De Victoria, vastgemeerd aan een eenzaam staanden en bijna dorren boom, bracht den nacht in volkomen rust door; de reizigers konden een weinig slaap genieten, dien zij zoozeer behoefden; de ontroeringen der verloopene dagen hadden treurige herinneringen achtergelaten. Tegen den morgen hernam de hemel zijne helderheid en zijnen gloed. De ballon steeg in de lucht, na eenige vruchtelooze pogingen ontmoette hij een snelleren luchtstroom, die hem naar het noordwesten voerde. “Wij vorderen meer,” zeide de doctor, “als ik mij niet bedrieg hebben wij de helft onzer reis in bijna tien dagen volbracht, maar zooals wij nu gaan zullen wij geheele maanden noodig hebben, om haar ten einde te brengen. Dit is des te onaangenamer, daar wij bedreigd worden met gebrek aan water.”—“Maar wij zullen het vinden,” antwoordde Dick, “wij zullen toch wel de eene of andere rivier, eene beek, een vijver in deze groote uitgestrektheid lands ontmoeten.”—“Ik wensch het.”—“Zou de schat van Joe onzen gang niet vertragen?”
Kennedy sprak dus om den braven jongen te plagen; hij deed het des te liever, omdat hij een oogenblik de zinsverbijstering van Joe had gedeeld, maar daar hij niets had doen blijken, hield hij zich goed, altoos lachende. Joe wierp een erbarmelijken blik op hem. De doctor antwoordde niet, hij dacht, niet zonder geheimen schrik, aan de uitgestrekte woestijnen der Sahara; daar gaan weken voorbij zonder dat de karavanen een put vinden om den dorst te lesschen. Dus nam hij met de meeste oplettendheid de minste daling van den grond waar. Deze bezorgdheden en de laatste gebeurtenissen hadden den gemoedstoestand der drie reizigers zeer gewijzigd, zij spraken minder en verdiepten zich meer in hunne eigene gedachten. De waardige Joe was dezelfde niet meer sedert zijne blikken die massa goud hadden aanschouwd; hij zweeg; hij beschouwde gretig die opgehoopte steenen in het schuitje, nu zonder waarde, later onschatbaar. Het gezicht op dit gedeelte van Afrika was verontrustend, de woestijn vertoonde zich langzamerhand; er was geen dorp meer, zelfs geene vereeniging van enkele hutten, de plantengroei hield op. Men zag nauwelijks eenige lage planten, zooals in de heidegronden van Schotland, een begin van witachtig zand en vuursteenen, eenige mastikboomen en doornstruiken; te midden dezer onvruchtbaarheid scheen de oorspronkelijke romp der aardeuit diepe kloven en scherpe rotsen te bestaan. De verschijnselen van dorheid gaven doctor Ferguson veel te denken.