XXV.

Begin van de woestijn. Blz. 136.Begin van de woestijn. Blz.136.Er was geen enkel spoor te vinden van eene karavaan, die zichin deze woeste streek had gewaagd, zij zou dan zichtbare sporen hebben achtergelaten, de gebleekte beenderen harer menschen of dieren. Maar niets. En men gevoelde dat deze akelige streek weldra plaats zou maken voor onmetelijke zandvlakten. Men kon echter niet terug moest maar voorwaarts; de doctor wilde niets liever; hij zou een storm gewenscht hebben om hem over dit land heen te voeren. En er was geen wolkje aan den hemel! Bij het einde van dezen dag had de Victoria nog geene dertig mijlen afgelegd. Als er maar geen gebrek aan water ware geweest! Maar er bleven in alles slechts drie gallons1over. Ferguson bestemde een gallon om den brandenden dorst te lesschen, welke eene hitte van 90° Fahrenheit onverdraaglijk maakte; twee gallons bleven er dus over voor de gaspijp; zij konden slechts 490 kubieke voet gas voortbrengen; de gaspijp verteerde ongeveer negen kubieke voet per uur, zij konden dus slechts nog 54 uren reizen. “Vier-en-vijftig uren,” zeide hij tot zijne reisgezellen. “Maar daar ik vast besloten heb des nachts niet te reizen, uit vrees van eene beek, eene bron of een poel te missen, blijven ons nog drie en een halve dag reizen over, en in dien tijd moeten wij tot elken prijs water vinden. Ik heb gemeend u van dezen ernstigen toestand te moeten kennis geven, mijne vrienden, want ik behoud slechts een gallon2voor onzen dorst en wij moeten ons op streng rantsoen stellen.”—“Welnu, doe dat,” antwoordde de jager, “maar wij moeten nog niet wanhopen, wij hebben nog drie dagen voor ons, zegt gij?”—“Ja mijn waarde Dick.”—“Welnu! daar ons klagen er niets aan kan gebeteren zal het binnen drie dagen tijd genoeg zijn een besluit te nemen, laat ons tot zoolang onze waakzaamheid verdubbelen.”Bij het avondmaal werd het water nauwkeurig afgemeten, de hoeveelheid brandewijn in den grog werd vermeerderd, maar men moest dit vocht wantrouwen, daar het eerder geschikt was dorstig te maken dan te verfrisschen.Het schuitje rustte gedurende den nacht op eene onmetelijke vlakte, die eene vrij groote daling had: hare hoogte was nauwelijks 800 voet boven het oppervlak der zee. Deze omstandigheid gaf den doctor weer eenige hoop, zij herinnerde hem de vermoedens der aardrijkskundigen omtrent het bestaan eener groote uitgestrektheid water in het binnenland van Afrika. Maar als dit meer bestond, moest men er komen en geene verandering had er aan den strakken hemel plaats. Op een vreedzamen nacht volgde een heete dag; van de eerste schemering af werd de temperatuur brandend. Ten vijf ure des morgens gaf de doctor het teeken tot het vertrek en langen tijd bleef de ballon onbeweeglijk in den gloeienden dampkring. De doctorzou die vreeslijke hitte hebben kunnen ontkomen door naar hoogere luchtstreken op te stijgen, maar daarvoor moest hij eene grootere hoeveelheid water gebruiken, wat toen onmogelijk was. Hij vergenoegde zich dus zijn luchtballon op honderd voet hoogte te houden, waar een zwakke luchtstroom hem naar het westen voerde. Het ontbijt bestond uit een weinig gedroogd vleesch en pemmican. Tegen den middag had de Victoria nauwelijks eenige mijlen afgelegd. “Wij kunnen niet sneller gaan,” zeide de doctor, “wij bevelen niet, wij gehoorzamen.”—“Mijn waarde Samuel, hier zou eene locomotief geen ondienst doen.”—“Zonder twijfel, Dick, als wij aannamen dat zij geen water behoefde om zich in beweging te stellen, want dan zou de toestand precies dezelfde zijn; tot hiertoe heeft men niets uitvoerbaars uitgevonden; de ballons zijn nog op dezelfde hoogte als de schepen vóór de uitvinding van den stoom. Men heeft 6000 jaar besteed tot het uitdenken der schroeven, wij hebben dus den tijd om te wachten.”—“Vervloekte hitte,” zeide Joe, zijn druipend voorhoofd afwisschende.—“Als wij water hadden zou deze hitte ons een dienst bewijzen, want zij zet het waterstofgas van den luchtballon uit en maakt een minder sterke vlam in den slang noodig. Het is waar, dat als wij geen gebrek aan vocht hadden, wij het niet behoefden te sparen. Vervloekte zwarte, die ons dezen kostbaren schat heeft gekost.”—“Gij hebt toch geen berouw over hetgeen gij hebt gedaan, Samuel?”—“Neen, Dick, omdat wij een ongelukkige aan een afgrijsselijken dood hebben kunnen onttrekken. Maar de 100 pond water, die wij hebben weggeworpen, zouden ons zeer nuttig zijn geweest, wij zouden daardoor nog twaalf of veertien dagen hebben kunnen reizen en genoeg hebben om die woestijnen door te trekken.”—“Wij hebben ten minste de helft der reis gemaakt?” vroeg Joe.—“Als afstand, ja, als tijd neen, als de wind ons in den steek laat! het ziet er zelfs naar uit als wil hij geheel gaan liggen.”—“Komaan, mijnheer,” hernam Joe, “wij moeten ons niet beklagen; wij zijn er tot heden vrij wel doorgekomen en wat ik ook doe, ik word nooit wanhopig, wij zullen water vinden, ik zeg het u.”—De grond werd van mijl tot mijl lager, de golvingen der goudbergen maakten plaats voor vlakten, verstrooide kruiden vervingen de schoone boomen van het Oosten, eenige kleine boschjes dor groen worstelden nog tegen het zand dat de overhand nam, groote rotsen van verre toppen gevallen, verpletterd in hun val, verspreidden zich als scherpe keisteenen, die weldra in grof zand en eindelijk in ontzaglijk fijn stof zouden overgaan.—“Zie hier Afrika, zoo als gij het u voorsteldet, Joe; ik heb reden om u te zeggen: Heb geduld.”—“Welnu, mijnheer,” antwoordde Joe, “het is ten minste natuurlijk, hitte en zand! het zou ongerijmd zijn iets anders in een dergelijk land te zoeken.”“Ziet gij?” voegde hijer lachende bij, “ik had geen vertrouwen in uwe wouden en weilanden, het was iets tegenstrijdigs, het is der moeite niet waard zoover te gaan om de velden van Engeland te zien. Zie hier de eerste maal dat ik geloof in Afrika te wezen en ik heb geen spijt er een proefje van te nemen.”Tegen den avond berekende de doctor dat de ballon op dien heeten dag geene twintig mijlen had gewonnen; een heete duisternis omgaf hem toen de zon was ondergegaan. Des anderen daags was het de 1steMei, een Donderdag; maar de dagen volgden elkander met eene vervelende eentonigheid op; de eene morgen was gelijk aan den andere; de middagzon wierp hare altijd onuitputtelijke stralen loodrecht neder en de nacht verdikte in zijne schaduw deze warmte, welke de volgende dag weder aan den volgenden nacht zou mededeelen. De wind, bijna niet voelbaar, werd nauwelijks een koeltje en men kon het oogenblik voorspellen dat hij geheel zou ophouden.De doctor trachtte tegen deze treurigheid een tegenwicht te stellen; hij behield zijne kalmte en koelbloedigheid. Met zijn verrekijker in de hand onderzocht hij alle punten van den horizon; hij zag de laatste heuvels ongevoelig verdwijnen en den laatsten plantengroei wegsterven; voor hem strekte zich de onmetelijke woestijn uit. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem zwaar, hoewel hij niets liet blijken. Deze twee menschen, Dick en Joe, beide vrienden, had hij met zich genomen, bijna door de kracht van vriendschap of plicht. Had hij wel gehandeld? Was het niet verboden wegen beproeven? Beproefde hij op deze reis niet de grenzen van het onmogelijke te overschrijden? Had God niet voor latere eeuwen de kennis van dit ondankbare binnenland bewaard? Al deze gedachten vermenigvuldigden zich in zijn hoofd, zoo als altijd plaats heeft in de uren van ontmoediging, en door eene onwederstaanbare aaneenschakeling van gedachten, liet Samuel zich verder voeren dan de rede. Na bepaald te hebben wat hij niet had moeten doen, vroeg hij zich af wat hij dan had moeten doen. Zou het onmogelijk zijn op zijne schreden terug te keeren? Bestonden er geene hoogere luchtstroomen die hem naar minder dorre streken zouden voeren? Zeker van het doorreisde land, kende hij het volgende land niet, daarom besloot hij, toen zijn geweten luide begon te spreken, rondborstig met zijne twee reisgezellen te spreken, hij legde hun naar waarheid hun toestand bloot, hij toonde hun aan wat hij gedaan had en wat er overbleef te doen; men kon slagen, het ten minste beproeven, wat was hun gevoelen?—“Ik heb geen ander gevoelen dan dat van mijn meester,” antwoordde Joe, “wat hij lijdt zal ik lijden. Waar hij gaat zal ik gaan.”—“En gij, Kennedy?”—“Ik, mijn waarde Samuel, ik ben geen man om wanhopend te worden; niemand kende beter dan ik de gevaren der onderneming, maar ik heb ze niet willen zien toen gij hun hethoofd gingt bieden. Ik behoor u dus geheel toe. In onzen tegenwoordigen toestand is mijn gevoelen, dat wij tot het einde moeten volhouden. De gevaren om terug te keeren schijnen mij even groottoe. Dus voorwaarts, gij kunt op ons rekenen.”—“Ik dank u, mijne waardige vrienden,” antwoordde de doctor, wezenlijk bewogen. “Ik verwachtte zulk eene toewijding, maar ik behoefde deze aanmoedigende woorden. Nog eens, ik dank u.” En de drie mannen drukten elkander hartelijk de hand.Ondergang der zon. Blz. 142.Ondergang der zon. Blz.142.“Hoort mij,” hernam Ferguson, “volgens mijne opmetingen zijn wij niet meer dan drie honderd mijlen van de golf van Guinea, de woestijn kan dus niet zonder einde zijn, dewijl de kust bewoond, en tot zekere diepte in het land bekend is. Als het noodig is zullen wij ons naar dien kant richten en wij moeten eenige oase, een put vinden, waar wij nieuwen voorraad van water kunnen opdoen. Maar wij hebben geen wind en zonder dezen worden wij teruggehouden in de kalmte der lucht.”—“Laat ons geduldig wachten,” zeide de jager.Maar ieder onderzocht op zijne beurt te vergeefs de ruimte gedurende dien eindeloozen dag, zij zagen niets dat eenige hoop kon doen voeden. De laatste rijzingen en dalingen van den grond verdwenen bij het ondergaan der zon, wier horizontale stralen lange lijnen van vuur beschreven op deze onmetelijke vlakte. Het was de woestijn. De reizigers hadden geene vijftien mijlen afgelegd, terwijl zij, even als den vorigen dag, 35 kubieke voet gas hadden verbruikt en twee pinten water van de acht moesten gebezigd worden voor het lesschen van een brandenden dorst. De nacht ging kalm voorbij, de doctor sliep niet.1Ongeveer 13½ liter.2Ongeveer 4½ liter.XXV.Een weinig wijsbegeerte.—Een wolk aan den horizon.—Te midden van een mist.—De onverwachte ballon.—De teekens.—Nauwkeurig gezicht van den Victoria.—De palmboomen.—Spoor van eene karavaan.—De put in de woestijn.Des anderen daags was de lucht even helder, de dampkring was heet. De Victoria steeg tot eene hoogte van 500 voet, maar ging slechts weinig naar het westen. “Wij zijn in de woestijn,” zeide de doctor. “Zie hier de onmetelijke zandvlakte! Welk een vreemd schouwspel! Welke zonderlinge schikking der natuur! Waarom is daar ginds die weelderige plantengroei, hier deze groote dorheid en dat op dezelfde breedte en onder dezelfde zonnestralen?”—“Het waarom verontrust mij weinig, mijn waarde Samuel, het feit bekommert mij meer.”—“Men moet wel een weinig wijsgeer zijn, mijn waarde Dick, dat kan geen kwaad.”—“Laat ons redeneeren,ik heb daar niets tegen, wij hebben den tijd, wij gaan nauwelijks vooruit. De wind vreest te waaien, hij slaapt.”—“Dat zal niet aanhouden,” zeide Joe, “ik meen eenige wolken in het westen te zien.”—“Joe heeft gelijk,” zeide de doctor.—“Goed,” zeide Kennedy, “zou die wolk ons bereiken met een goeden regen en een goeden wind?”—“Wij zullen zien, Dick.”—“Het is toch Vrijdag, meester, en ik wantrouw de vrijdagen.”—“Welnu! ik hoop dat gij heden van uwe vooroordeelen zult terugkomen.”—“Ik wensch het mijnheer, Dick!” zeide hij, zich het gelaat afdrogende, “de hitte is eene goede zaak, voornamelijk in den winter, maar in den zomer moet men er geen misbruik van maken.”—“Vreest gij de zonnehitte niet voor onzen ballon?” vroeg Kennedy aan den doctor.—“Neen, de gutta percha, waarmede het taf is overtrokken, kan veel grootere hitte verdragen. Die, waaraan ik het van binnen heb blootgesteld door middel der slang, is soms 158° Fahrenheit geweest en het bekleedsel schijnt niet te hebben geleden.”—“Eene wolk! eene wezenlijke wolk!” riep op dit oogenblik Joe uit, wiens scherp gezicht alle verrekijkers beschaamd maakte.Inderdaad verhief zich eene dikke en nu zeer duidelijk zichtbare wolk langzaam boven den horizon; het was eene opeenhooping van kleine wolken, zij behielden onveranderlijk haren eersten vorm, waaruit de doctor opmaakte dat daar geen luchtstroom was. Deze dicht opeengepakte massa was tegen acht uur ’s morgens verschenen, en eerst ten elf uur bereikte zij de schijf der zon, die geheel en al achter dit dikke scherm verdween; op hetzelfde oogenblik verliet het onderste gedeelte der wolk den horizon, die nu ten volle verlicht was.—“Het is slechts eene afzonderlijke wolk,” zeide de doctor, “wij moeten niet te veel op haar rekenen; zie, Dick, hare gedaante is nog precies dezelfde als dezen morgen.”—“Inderdaad, Samuel, er is regen noch wind, voor ons ten minste.”—“Het staat te vreezen, zij blijft zeer hoog staan.”—“Welnu! Samuel, als wij eens die wolk gingen opzoeken, die boven ons niet wil losbarsten.”—“Ik geloof dat het ons niet veel zal helpen,” antwoordde de doctor, “het zal gas en bijgevolg eene aanzienlijke hoeveelheid water vermorsen zijn.”De doctor zette de vlam van de gaspijp in de spiralen der slang aan, eene groote hitte ontwikkelde zich en weldra steeg de ballon. Op ongeveer 1500 voet hoogte ontmoette hij de ondoorschijnende massa der wolk en kwam in een dikken mist, terwijl hij zich op deze hoogte hield, maar vond er geen den minsten wind; deze mist scheen zelfs niet eens vochtig en de voorwerpen aan hem blootgesteld werden nauwlijks nat. De Victoria, door dien damp omgeven won er misschien een snelleren gang door, dat was alles. De doctor zag met verdriet het geringe gevolg zijner handelwijze, toen hij Joe met alle teekens der grootste verbazing hoorde uitroepen: “Oh!”—“Wat is het dan, Joe?”—“Meester, mijnheerKennedy, dat is vreemd!”—“Wat is er dan?”—“Wij zijn niet alleen hier! er zijn indringers. Men heeft onze uitvinding gestolen?”—“Wordt hij gek?” vroeg Kennedy.—Joe stelde het standbeeld der verbazing voor! Hij bleef onbeweeglijk.—“Zou de zon den geest van dezen armen jongen in de war hebben gebracht?” zeide de doctor zich tot hem wendende.—“Zult gij mij zeggen?....”—“Zie, mijnheer,” zeide Joe, een punt in de ruimte aanwijzende.—“Bij St. Patrick!” riep Kennedy op zijne beurt uit, “dat is ongeloofelijk! Samuel! Samuel, zie eens!”—“Ik zie,” antwoordde de doctor bedaard.—“Een anderen ballon! andere reizigers zoo als wij!”Inderdaad zweefde er op twee honderd schreden afstands een luchtballon met zijn schuitje en zijne reizigers in de lucht; hij volgde denzelfden weg als de Victoria.—“Welnu!” zeide de doctor, “er blijft ons slechts over hem teekenen te geven, neem de vlag, Kennedy, en laat onze kleuren zien.”—Het scheen dat de reizigers in den anderen luchtballon dezelfde gedachte hadden, want dezelfde vlag herhaalde dezelfde groete met de hand en op geheel dezelfde wijze.—“Wat beteekent dit?” vroeg de jager.—“Het zijn apen,” riep Joe uit, “zij houden ons voor den gek.”—“Dat beteekent,” antwoordde Ferguson lachende, “dat gij zelf dit teeken maakt, mijn waarde Dick, dat wil zeggen, dat wij zelf in dit tweede schuitje zijn! die ballon is niet anders dan de Victoria.”—“Wat dat betreft, meester, met uw verlof,” zeide Joe, “dat zult gij mij nooit wijs maken.”—“Klim op den rand, Joe, slinger met uwe armen en gij zult zien.”—Joe gehoorzaamde, hij zag onmiddellijk zijne eigene gebaren herhaald.—“Het is slechts een gevolg van luchtspiegeling,” zeide de doctor, “en niets anders, een eenvoudig optisch verschijnsel; het wordt teweeggebracht door de ongelijke breking der luchtlagen.”—“Welk een merkwaardig schouwspel!” hernam Kennedy. “Het doet mij genoegen onzen goeden ballon te zien! Weet gij wel dat hij er goed uitziet en zich statig houdt?”—“Gij kunt de zaak op uwe wijze uitleggen zoo als gij wilt,” zeide Joe, “het is evenwel een vreemd verschijnsel.”Nog een luchtballon. Blz. 144.Nog een luchtballon. Blz.144.Maar weldra verdween dit beeld trapsgewijze, de wolken stegen op eene grootere hoogte, den Victoria verlatende, die niet beproefde haar te volgen en na een uur verdwenen zij geheel.—De wind, nauwelijks merkbaar, scheen nog zwakker te worden. De doctor naderde wanhopig den grond. De reizigers, die door dit voorval aan hunne bekommeringen waren onttrokken, vervielen weder in treurige gedachten, gekweld als zij waren door eene verschroeiende hitte. Tegen vier uur wees Joe een verheven voorwerp aan op de onmetelijke zandvlakte, en hij kon weldra verzekeren, dat twee palmboomen zich op geringen afstand verhieven.—“Palmboomen,” zeide Ferguson, “dan is er eene fontein, een put?”—Hij nam zijn verrekijker en verzekerde zich dat de oogen van Joe zich niet bedrogen.—“Eindelijk,” riep hij uit, “water! water! wij zijn gered, want, hoe weinig wij ook vorderen, wij gaan altijd voorwaarts en zullen aankomen!”—“Welnu, mijnheer!” zeide Joe, “als wij eens in afwachtingdronken? De lucht is waarlijk verstikkend.”—“Laat ons drinken, mijn jongen.”Niemand liet zich lang noodigen. Een geheele pint werd opgedronken waardoor hun voorraad tot drie en een halve pint verminderde.—“Hm! dat doet goed!” zeide Joe. “Het bier van Perkins heeft mij nooit zoo goed gesmaakt.”—“Dat zijn de voordeelen der ontbering,” antwoordde de doctor.Ten zes uur zweefde de Victoria boven de palmboomen. Het waren twee dunne en tengere boomen bijna zonder bladeren, meer dood dan levend. Ferguson beschouwde ze met schrik. Aan hun voet zag men half uitgespoelde steenen eener put; maar die steenen door de zonnehitte verkalkt, schenen slechts stof te zijn. Er was zelfs geen schijn van vocht. Het hart van Samuel kromp in een en hij was op het punt zijne vrees aan zijne reisgezellen mede te deelen, toen hun geroep zijne oplettendheid gaande maakte. Ver in het westen zag men eene rij uitgebleekte beenderen; gedeelten van geraamten omringden de fontein; eene karavaan was tot hiertoe gekomen, en het bewijs van haren doortocht leverde deze groote massa beenderen; de zwaksten waren langzamerhand in het zand gevallen, de sterksten aan deze zoo gewenschte bron gekomen en hadden een ijsselijken dood gevonden aan haren rand. De reizigers zagen elkander verbleekende aan.—“Laat ons niet dalen,” zeide Kennedy, “maar dit afgrijsselijke schouwspel ontvlieden! Daar is geen druppel water.”—“Neen, Dick, wij moeten ons geweten geruststellen. Het is even goed hier den nacht door te brengen als elders. Wij zullen dezen put tot op den bodem onderzoeken; er is eene bron geweest, misschien is er iets van overgebleven.”De Victoria daalde neder; Joe en Kennedy plaatsten in het schuitje de noodige hoeveelheid zand en daalden af. Zij liepen naar den put en daalden er in langs eene trap die enkel stof was. De bron scheen reeds lang uitgedroogd. Zij groeven in het drooge zand, er was geen spoor van vocht.—De doctor zag hen weder opklimmen, zuchtende, ontdaan, bedekt met een fijn stof, afgemat, ontmoedigd en wanhopig. Hij gevoelde dat hij van dit oogenblik af moed en kracht voor allen moest hebben. Joe bracht de stukken van een gebroken pot mede, hij wierp die toornig onder de op den grond verspreide beenderen. Gedurende het avondmaal werd er geen enkel woord tusschen de reizigers gewisseld, zij aten met weerzin. En echter hadden zij nog niet de wezenlijke kwellingen van den dorst geleden, zij wanhoopten slechts voor de toekomst.XXVI.Honderd-dertien graden.—Overdenkingen van den doctor.—Wanhopig zoeken.—De gaspijp gaat uit.—Honderd-twee-en-twintig graden.—De beschouwing der woestijn.—Eene wandeling in den nacht.—Eenzaamheid.—Bezuinigings-ontwerpen van Joe.—Hij wil nog een dag wachten.De weg door den Victoria doorloopen bedroeg geen tien mijlen en om zich op dezelfde hoogte te houden hadden zij 162 kubieke voet gas verbruikt. Zaterdag morgen gaf de doctor het teeken tot het vertrek. “De gaspijp kan nog slechts zes uren werken, als wij in zes uren geen put of bron hebben gevonden, dan weet God alleen wat er van ons zal worden.”—“Er is dezen morgen weinig wind, meester,” zeide Joe, “maar hij zal misschien opsteken,” voegde hij er bij, de kwalijk verborgen treurigheid van Ferguson ziende.IJdele hoop! de lucht was volkomen helder, er heerschte eene van die kalmten, die in de zeeën onder de keerkringen de schepen hardnekkig doen stil liggen. De hitte werd ondraaglijk en de thermometer onder de tent, teekende honderd-dertien graden Fahrenheit. Joe en Kennedy, naast elkander uitgestrekt, zochten, zoo al niet in den slaap, dan ten minste in de dommeling hun toestand te vergeten; hunne werkeloosheid schonk hun een pijnlijken ledigen tijd. De kwellingen van den dorst begonnen zich wreed te doen gevoelen; de brandewijn, wel verre van in die dringende behoefte te voorzien, deed die nog toenemen en verdiende wel den naam van “tijgermelk,” dien de inboorlingen van Afrika hem geven. Er bleef nauwelijks twee pint lauw vocht over; ieder verslond met zijne blikken deze weinige kostbare druppels en niemand durfde er zijne lippen mede bevochtigen. Twee pint water te midden eener woestijn! Toen vroeg doctor Ferguson, verdiept in zijne overdenkingen, zich af of hij verstandig had gehandeld. “Zou het niet beter geweest zijn dit water te bewaren, dat hij te vergeefs had ontleed om zich in den dampkring staande te houden? Hij had een weinig wegs afgelegd, maar was hij daarom meer gevorderd? Al bevond hij zich zestig mijlen achterwaarts onder deze breedte, wat kwam dat er op aan, dewijl het water hem hier ontbrak? De wind, als hij eindelijk opstak, zou ginds even als hier blazen, hier zelfs minder snel, als hij uit het oosten kwam! Maar de hoop dreef hem voorwaarts! En echter waren deze twee gallons water, die te vergeefs verspild waren, voldoende voor negen dagen oponthoud in deze woestijn. Welke verandering kon er in die negen dagen plaats hebben! Misschien ook had hij, dit water behoudende, moeten stijgen door ballast uit te werpen, met het vooruitzicht gas te verliezen om weder te dalen. Maar het gas van den ballon was zijn bloed, zijnleven!”Deze overdenkingen doorkruisten zijn hoofd, dat hij in de handen hield en uren lang hief hij het niet op.—“Wij moeten eene laatste poging doen,” zeide hij tot zich zelven, omtrent 10 uur ’s morgens, “wij moeten voor de laatste maal een stroom in den dampkring pogen te ontdekken, die ons medevoert, wij moeten onze laatste hulpbronnen wagen.” En terwijl zijne reisgezellen sluimerden bracht hij het waterstofgas van den luchtballon op eene hooge temperatuur; deze zette zich uit en steeg rechtstandig. De doctor zocht vergeefs een koeltje van 100 tot op 5000 voet hoogte, zijn punt van uitgang bleef steeds onder hem, eene volstrekte windstilte scheen tot de laatste grenzen der inadembare lucht te heerschen. Eindelijk was het water voor het gas bestemd op, de gasvlam ging uit, uit gebrek aan gas, de Bunsensche batterij hield op te werken en de Victoria zich inkrimpende, daalde zachtjes op het zand neder op dezelfde plaats vanwaar het schuitje was opgestegen. Het was middag, men was op 19° 35′ lengte en 6° 57′ breedte, ongeveer 500 mijlen van het meer Tchad, op meer dan 400 mijlen van de westelijke kusten van Afrika. Op de aarde komende ontwaakten Dick en Joe uit hunne diepe verdooving. “Wij staan stil,” zeide de Schot.—“Het moet,” zeide Samuel op ernstigen toon.—Zijne reisgezellen begrepen hem. De grond was toen gelijk met de oppervlakte der zee, en de ballon bleef in volmaakt evenwicht en volstrekt onbeweeglijk. Het gewicht der reizigers werd vervangen door een gelijk gewicht zand en zij zetten voet op de aarde; ieder verdiepte zich in zijne gedachten en uren lang spraken zij niet. Joe bereidde het avondmaal, bestaande uit beschuiten en pemmican, waaraan men nauwelijks raakte, een mondvol heet water voltooide dit treurige maal. Gedurende den nacht waakte niemand, maar niemand sliep, de hitte was verstikkend. Des anderen daags bleef er slechts eene halve pint water over; de doctor besloot daarvan slechts in den uitersten nood gebruik te maken.—“Ik stik,” riep Joe weldra uit, “de hitte verdubbelt. Dat verwondert mij niet,” zeide hij na den thermometer te hebben geraadpleegd, “honderd-veertig graden!”—“Het zand brandt alsof het uit een oven kwam,” antwoordde de jager. “En geene enkele wolk aan den hemel die als in vuur staat. Het is om gek te worden.”—“Laat ons niet wanhopen,” antwoordde de doctor, “op deze groote hitte volgt meest altijd onder deze breedte een onweder; het komt met de snelheid des bliksems en ondanks de drukkende helderheid des hemels kan er in minder dan een uur eene groote verandering plaats hebben”—“Maar,” zeide Kennedy, “dan zou er toch eenig teeken zijn.”—“Welnu,” zeide de doctor, “het komt mij voor dat de barometer eene lichte neiging heeft om te dalen.”—“De hemel verhoore u, Samuel, want hier zijn wij aan den grond genageld als een vogel wiens vleugels verbrijzeld zijn.”—“Met dit onderscheidevenwel, mijn waarde Dick, dat onze vleugels ongeschonden zijn en ik hoop er mij nog wel van te bedienen.”—“Ha! wind! wind!” riep Joe uit. “Nu kunnen wij ons naar eene beek, een put begevenen ons zal niets ontbreken, onze levensmiddelen zijn voldoende en met water zouden wij eene maand wachten zonder te lijden. Maar de dorst is iets akeligs.” De dorst niet alleen, maar ook de onophoudelijke beschouwing van de woestijn vermoeide den geest; er was geene oneffenheid in den grond, geen bergje van zand, geen keisteen om den blik er op te vestigen. Deze effenheid walgde en veroorzaakte dat onaangename gevoel dat men ziekte der woestijn noemt. De strakheid van dezen brandenden blauwen hemel en van dit onmetelijke gele zand verschrikte hem. In dezen brandenden dampkring scheen de hitte te trillen als boven een brandenden haard; de geest werd wanhopig door deze kalmte te aanschouwen en zag geene enkele reden, waarom een zoodanige staat van zaken zou ophouden, want deze onmetelijkheid is eene soort van eeuwigheid. Ook begonnen de ongelukkigen onder deze verschroeiende temperatuur de verschijnselen van zinsbedrog waar te nemen; hunne oogen werden wijder, hun blik verward. Toen de nacht gekomen was besloot de doctor deze verontrustende geneigdheid te bestrijden door een snellen loop; hij wilde deze zandvlakte eenige uren lang doorloopen, niet om te zoeken, maar om te loopen. “Komt,” zeide hij tot zijn gezellen, “gelooft mij, dat zal u goed doen.”—“Onmogelijk,” zeide Kennedy, “ik zou geen stap kunnen doen.”—“Ik wil nog liever slapen,” zeide Joe.—“De slaap en de rust zullen u noodlottig zijn, mijne vrienden, verzet u tegen deze verdooving, komt.”De nacht in de woestijn. Blz. 152.De nacht in de woestijn. Blz.152.De doctor kon van hen niets verkrijgen en hij vertrok alleen in den helderen nacht. Zijne eerste schreden waren moeielijk, als van iemand die verzwakt en het loopen ontwend is, maar hij merkte weldra dat die oefening hem heilzaam zou zijn en hij ging verscheidene mijlen westwaarts en zijn geest werd weder kalm, toen hij plotseling duizelig werd, hij meende aan den rand van een afgrond te zijn, hij voelde zijn knieën knikken, deze uitgestrekte woestijn verschrikte hem, hij was het wiskundige punt, het middelpunt van een oneindig grooten cirkel, dat is: niets! De Victoria verdween geheel in de schaduw. De doctor werd door eene onoverwinnelijke vrees bevangen, hij, de bedaarde en stoutmoedige reiziger! Hij wilde op zijne schreden terugkeeren, maar te vergeefs, hij riep! er was zelfs geene echo om hem te antwoorden en zijne stem ging in de ruimte verloren even als een steen in een bodemloozen kolk.... Hij ging afgemat op het zand liggen, alleen—te midden der groote stilte van de woestijn.Te middernacht kwam hij tot zich zelven in de armen van zijn getrouwen Joe; deze, ongerust over de lange afwezigheid van zijn meester, had zijne voetstappen gevolgd, die in het zand zichtbaar waren, en had hem bezwijmd gevonden.—“Wat scheelt er aan, meester?” vroeg hij.—“Het zal niets te beduiden hebben, mijn brave Joe, een oogenblik van zwakte, dat is alles.”—“Het zal inderdaadniets zijn, mijnheer, maar sta op, steun op mij en laat ons teruggaan naar de Victoria.”De doctor op Joe steunende, sloeg den weg in, dien hij zoo even gevolgd had.—“Het was onvoorzichtig, mijnheer, men waagt zich zoo niet. Gij zoudt beroofd hebben kunnen worden,” voegde hij er lachende bij.—“Laat ons ernstig spreken.”—“Spreek, ik hoor u.”—“Wij moeten volstrekt een besluit nemen. Onze toestand kan geene dagen meer duren en als er geen wind komt, zijn wij verloren.”—De doctor antwoordde niet.—“Welnu! een van ons moet zich opofferen voor allen, en het is natuurlijk, dat ik het zijn zal.”—“Wat wilt gij zeggen? Wat is uw voornemen?”—“Zeer eenvoudig: levensmiddelen medenemen en altijd vooruit loopen totdat ik ergens aankom, dat kan niet missen. Als in dien tijd de hemel u een gunstigen wind toezendt, zult gij niet wachten, gij zult vertrekken. Van mijne zijde, als ik aan een dorp kom, zal ik mij wel uit den brand helpen met eenige woorden Arabisch, die gij mij zult opschrijven en ik zal u hulp brengen of het leven verliezen! Wat zegt gij daarvan?”—“Het is dolzinnig, maar uw braaf hart waardig, Joe, het is onmogelijk, gij zult ons niet verlaten.”—“Wij moeten toch iets beproeven, mijnheer, dat kan niet schaden, dewijl, ik herhaal het u, gij op mij niet hoeft te wachten, en ik kan ook slagen.”—“Neen, Joe, wij scheiden niet, dat zou eene smart te meer zijn; het was geschreven dat het zoo zijn moest en zeer waarschijnlijk dat het later anders zal zijn. Laat ons dus gelaten wachten.”—“Het zij zoo, mijnheer, maar een ding zeg ik u, ik geef u nog één dag, langer wacht ik niet, heden is het Zondag, of liever Maandag, want het is één uur in den morgen; als wij Dinsdag niet vertrekken, zal ik het avontuur beproeven, ik heb dit onherroepelijk besloten.” De doctor antwoordde niet; weldra kwam hij bij het schuitje terug en nam daarin plaats naast Kennedy. Deze was zeer stil en sliep niet.XXVII.Vreeslijke hitte.—Zinsbedrog.—De laatste druppels water.—Nachten van wanhoop.—Poging tot zelfmoord.—De simoem.—De oase.—Leeuw en Leeuwin.De eerste zorg van den doctor des anderen daags was, den barometer te raadplegen. Deze was nauwelijks merkbaar gedaald.—“Niets?” zeide hij tot zich zelven.—Hij ging uit het schuitje enonderzocht het verder; het was nog dezelfde hitte, dezelfde helderheid.—“Moeten wij dan wanhopen?” riep hij uit.—Joe in zijne gedachten verzonken en zijn plan van onderzoek overdenkende, zeide niets. Kennedy stond op, zeer ziek en ter prooi aan eene verontrustende overspanning; hij leed vreeslijk van den dorst. Zijne tong en lippen konden nauwlijks geluid voortbrengen. Er waren nog eenige druppels water, ieder dacht er aan en gevoelde zich daartoe aangetrokken, maar niemand durfde eene schrede doen. Deze drie reisgezellen en vrienden zagen elkander aan met woeste blikken en met een gevoel van beestachtigen lust, dat vooral bij Kennedy zich vertoonde; zijne sterke bewerktuiging bezweek spoediger voor die onverdraaglijke ontberingen. Den geheelen dag was hij ter prooi aan waanzin; hij ging en kwam, schorre kreten slakende, zich in de vuisten bijtende, gereed zich de aderen te openen om het bloed er uit te drinken.—“Ach!” riep hij uit, “land van dorst! gij moogt wel land van wanhoop genoemd worden!” Daarna verviel hij in eene groote zwakte, men hoorde slechts het gepiep zijner ademhaling tusschen zijne dorstige lippen. Tegen den avond werd Joe op zijne beurt door eene soort razernij aangetast; deze uitgestrekte zandzee kwam hem voor als een onmetelijke vijver met heldere en doorschijnende wateren, en meer dan eens wierp hij zich op dien brandenden grond om te drinken en stond op met den mond vol stof.—“Vervloekt,” zeide hij toornig, “het is zout water!”—Toen werd hij, terwijl Ferguson en Kennedy onbeweeglijk lagen uitgestrekt, door de onvermijdelijke gedachte overvallen om die enkele druppels water, die nog waren bewaard, op te drinken. Deze gedachte was sterker dan hij zelf, hij naderde het schuitje, zich op de knieën voortslepende, hij verslond de flesch waarin dit vocht was met zijn blik, greep haar en bracht haar aan zijne lippen. Op dit oogenblik werden de woorden: Drinken! drinken! op hartverscheurenden toon uitgesproken. Het was Kennedy, die zich naar hem toe sleepte, hij smeekte om medelijden, hij bad knielende en weende. Joe, in tranen uitbarstende, gaf hem de flesch en de ongelukkige dronk haar tot den laatsten druppel ledig.—“Dank u;” zeide hij. Maar Joe hoorde het niet, hij was even als de anderen op het zand nedergevallen.Het gebrul van een leeuw. Blz. 155.Het gebrul van een leeuw. Blz.155.Wat gebeurde er in dien akeligen nacht? niemand weet het. Maar Dinsdag morgen zagen de ongelukkigen hunne ledematen langzamerhand uitdrogen onder deze stortbaden van vuur. Toen Joe wilde opstaan was het hem onmogelijk, hij kon zijn plan niet ten uitvoer brengen. Hij sloeg zijne oogen rondom zich. In het schuitje beschouwde de doctor, de armen over de borst gekruist, een denkbeeldig punt in de ruimte met de strakheid van een waanzinnige. Kennedy was afgrijselijk om aan te zien, hij slingerde het hoofd rechts en links even als een wild dier in zijne kooi. Plotseling vestigden zijn blikkenzich op zijne karabijn, wier kolt boven den rand van het schuitje uitstak.—“O!” riep hij uit, zich door eene bovenmenschelijke poging opheffende. Hij greep het wapen, hij richtte denloop naar zijn mond.—“Mijnheer! mijnheer!” zeide Joe, zich op hem werpende.—“Laat mij,” zeide de Schot reutelend.—Beiden worstelden verbitterd.—“Ga heen, of ik dood u!” zeide Kennedy.—Maar Joe klampte zich krachtig aan hem vast; aldus kampten zij eene minuut lang zonder dat de doctor hen kon zien; in de worsteling ging de karabijn plotseling af. Bij die losbranding stond de doctor recht op als een spook en zag rond. Maar eensklaps wordt zijn blik helder, zijne hand strekt zich naar den horizon uit en met eene stem, die niets menschelijks meer had, roept hij uit: “Daar! daar! daar ginds!” Er was zooveel kracht in zijn gebaar, dat Joe en Kennedy elkander loslieten en uitzagen. De vlakte bewoog zich even als eene woedende zee gedurende een storm; golven zand rolden op elkander te midden van een dik stof, eene ontzettende kolom kwam van het zuidoosten met eene groote snelheid draaiende, de zon verdween achter eene dichte wolk, wier lange schaduw zich tot aan den Victoria uitstrekte; de zandkorrels gleden voort met het gemak van waterdruppels en dit wassende getij naderde langzamerhand. Een blik van hoop schitterde in de oogen van Ferguson.—“De Simoem!” riep hij uit.—“De Simoem!” herhaalde Joe, zonder recht te begrijpen.—“Des te beter,” zeide Kennedy met wanhopige woede, “dan zullen wij sterven.”—“Des te beter,” hernam de doctor, “wij zullen leven.”—Hij wierp spoedig het zand weg dat het schuitje bevrachtte. Zijne reisgezellen begrepen hem eindelijk, voegden zich bij hem en gingen aan zijne zijde zitten.—“En nu, Joe,” zeide de doctor,“werp nu vijftig pond van uwe erts weg.” Joe aarzelde niet, hij ondervond echter wel eenige teleurstelling. De ballon steeg. “Het was tijd,” riep de doctor uit. De simoem kwam inderdaad met bliksemsnelheid, een weinig later, en de Victoria zou verpletterd zijn geworden. De ontzettende hoos bereikte hem bijna, hij werd met een regen van zand bedekt.—“Nog meer ballast weg!” zeide de doctor tot Joe.—“Ziedaar,” antwoordde deze een groot stuk kwarts wegwerpende.De Victoria steeg snel boven de hoos, maar werd met eene onberekenbare snelheid boven deze schuimende zee gevoerd. Samuel, Dick en Joe spraken niet, zij zagen en hoopten verfrischt door dezen dwarlwind. Ten drie uur hield die kwelling op; het zand nedervallende, vormde eene ontelbare menigte bergjes, de hemel werd helder als voorheen. De Victoria, weder onbeweeglijk geworden, zweefde dicht bij eene oase, een eiland te midden der zandzee bedekt met groene boomen.—“Het water is daar!” zeide de doctor.Terstond de bovenste klep openende, liet hij eenig gas ontsnappen en daalde zachtjes neder op tweehonderd schreden van de oase. In vier uren hadden de reizigers 240 mijlen afgelegd. Het schuitjewerd terstond in evenwicht gebracht en Kennedy door Joe gevolgd, sprong op de aarde.—“Uwe geweren!” riep de doctor uit, “weest voorzichtig.” Dick greep zijn karabijn en Joe een der geweren. Zij naderden spoedig de boomen en drongen in dit frissche groen door, dat hun overvloedige bronnen beloofde; zij sloegen geen acht op versche sporen die hier en daar in den vochtigen grond zichtbaar waren. Plotseling klonk een gebrul op twintig schreden afstands van hen.—“Het gebrul van een leeuw?” zeide Joe.—“Des te beter,” antwoordde de jager verbitterd, “wij zullen vechten.”—“Voorzichtig, mijnheer Dick! van het leven van één onzer hangt aller leven af.”—Maar Kennedy hoorde hem niet, hij ging verder met flonkerende oogen, zijne karabijn geladen en verschrikkelijk in zijne stoutmoedigheid. Onder een palmboom stond een leeuw met zwarte manen in aanvallende houding. Nauwlijks had hij den jager bemerkt, of hij sprong vooruit, maar hij was nog niet op den grond gekomen of reeds werd hij door een kogel in het hart getroffen; hij viel dood neder.—“Hoezee!” schreeuwde Joe. Kennedy snelde op den put toe, begaf zich op de glibberige trappen en strekte zich bij een frissche bron uit, waarvan hij gretig het vocht opslurpte; Joe volgde hem na en men hoorde slechts het geklap der tong van menschen die hun dorst lesschen.—“Laat ons oppassen, mijnheer Dick,” zeide Joe adem halende, “en niet te veel drinken.” Maar Dick ging voort met drinken, zonder te antwoorden. Hij dompelde hoofd en handen in dit weldadige water. “En mijnheer Ferguson?” zeide Joe.—Dit enkele woord bracht Kennedy tot zich zelven; hij vulde eene flesch, die hij had medegebracht, en steeg de trappen van den put op, maar bleef als versteend staan. Een ontzaglijk lichaam sloot de opening. Joe, die Dick volgde, moest met hem teruggaan. “Wij zijn opgesloten.”—“Dat is onmogelijk! Wat beteekent dit?”—Dick eindigde niet, een vreeslijk gebrul deed hem begrijpen met welken nieuwen vijand hij te doen had.—“Een andere leeuw!” riep Joe uit.—“Neen, eene leeuwin! Ah! vervloekt beest! wacht,” zeide de jager, haastig zijne karabijn ladende. Een oogenblik daarna gaf hij vuur, maar het dier was verdwenen.—“Voorwaarts!” zeide hij.—“Neen, mijnheer Dick, neen, gij hebt haar niet gedood, in dat geval zou haar lichaam hierheen gerold zijn, zij is daar, gereed om op den eersten van ons, die verschijnen zal, los te springen, en die is verloren.”—“Wat te doen? Wij moeten hier toch uit, Samuel wacht ons.”—“Laat ons het dier lokken, neem mijn geweer en geef mij uwe karabijn.”—“Wat is uw voornemen?”—“Gij zult ’t zien.”—Joe, zijn linnen vest uittrekkende, maakte het vast aan het bovenste deel van het wapen en bood het als lokaas boven de opening aan. Het woedende dier wierp zich daarop, Kennedy wachtte het in het voorbij gaan op en verpletterde zijn schouder met een kogel. De brullendeleeuwin rolde op de trap. Joe omverwerpende. Deze meende reeds de vreeslijke pooten van het dier in zijn lichaam te voelen slaan, toen een tweede schot losbrandde en doctor Ferguson aan de opening verscheen met zijn nog rookend geweer in de hand. Joe stond haastig op, sprong over het lichaam van het dier en gaf zijn meester de met water gevulde flesch over. Haar aan zijne lippen te brengen en half te ledigen was voor Ferguson het werk van een oogenblik, en de drie reizigers dankten uit den grond huns harten de Voorzienigheid, die hen zoo wonderbaarlijk had gered.XXVIII.Aangename avond.—De keuken van Joe.—Verhandeling over rauw vleesch.—Geschiedenis van James Bruce.—Het bivouak.—De droomen van Joe.—De barometer daalt.—De barometer rijst.—Toebereidselen tot het vertrek.—De orkaan.De avond was heerlijk en ging voorbij onder het lommer van minosaas, na een versterkend maal; de thee en grog werden er niet gespaard. Kennedy had deze kleine ruimte in alle richtingen doorkruist, en alle struiken onderzocht; onze reizigers waren de eenige levende wezens van dit aardsche paradijs; zij strekten zich op hunne dekens uit en brachten een rustigen nacht door, die hun de geleden smarten deed vergeten. Des anderen daags, den 7denMei, schitterde de zon in al haren glans, maar hare stralen konden het dikke lommer niet doordringen. Daar er levensmiddelen genoeg waren, besloot de doctor op deze plaats een gunstiger wind af te wachten. Joe had er zijne draagbare keuken heengebracht en deed verscheidene keukenoefeningen, het water zorgeloos verkwistende.—“Welk eene vreemde opeenvolging van smart en vreugde!” riep Kennedy uit, “deze overvloed, na die ontbering, deze weelde volgende op die ellende! Ik was bijna gek geworden!”—“Mijn waarde Dick,” zeide de doctor, “zonder Joe zoudt gij nu niet redeneeren over de onstandvastigheid der menschelijke zaken.”—“Brave vriend!” zeide Dick, Joe de handen toereikende.—“Het heeft niets te beduiden,” antwoordde deze. “Ik hoop echter niet dat de gelegenheid zich zal aanbieden, dat gij mij denzelfden dienst bewijst.”—“Hoe arm is onze natuur, dat zij zich door zoo weinig laat ter nederslaan.”—“Door zoo weinig water, wilt gij zeggen, meester, dit moet toch wel noodzakelijk zijn voor het leven.”—“Zonder twijfel, Joe, en de menschen zonder eten zouden langer kunnen levendan zonder drinken.”—“Ik geloot het, en des noods eet men wat men ontmoet, zelfs zijns gelijke, hoewel dit eenmaal moet wezen, dat u langen tijd zal heugen.”—“De wilden doen het toch,”zeide Kennedy.—“Ja, maar dat zijn wilden, die gewoon zijn rauw vleesch te eten, mij zou het zeer tegenstaan.”

Begin van de woestijn. Blz. 136.Begin van de woestijn. Blz.136.

Begin van de woestijn. Blz. 136.

Begin van de woestijn. Blz.136.

Er was geen enkel spoor te vinden van eene karavaan, die zichin deze woeste streek had gewaagd, zij zou dan zichtbare sporen hebben achtergelaten, de gebleekte beenderen harer menschen of dieren. Maar niets. En men gevoelde dat deze akelige streek weldra plaats zou maken voor onmetelijke zandvlakten. Men kon echter niet terug moest maar voorwaarts; de doctor wilde niets liever; hij zou een storm gewenscht hebben om hem over dit land heen te voeren. En er was geen wolkje aan den hemel! Bij het einde van dezen dag had de Victoria nog geene dertig mijlen afgelegd. Als er maar geen gebrek aan water ware geweest! Maar er bleven in alles slechts drie gallons1over. Ferguson bestemde een gallon om den brandenden dorst te lesschen, welke eene hitte van 90° Fahrenheit onverdraaglijk maakte; twee gallons bleven er dus over voor de gaspijp; zij konden slechts 490 kubieke voet gas voortbrengen; de gaspijp verteerde ongeveer negen kubieke voet per uur, zij konden dus slechts nog 54 uren reizen. “Vier-en-vijftig uren,” zeide hij tot zijne reisgezellen. “Maar daar ik vast besloten heb des nachts niet te reizen, uit vrees van eene beek, eene bron of een poel te missen, blijven ons nog drie en een halve dag reizen over, en in dien tijd moeten wij tot elken prijs water vinden. Ik heb gemeend u van dezen ernstigen toestand te moeten kennis geven, mijne vrienden, want ik behoud slechts een gallon2voor onzen dorst en wij moeten ons op streng rantsoen stellen.”—“Welnu, doe dat,” antwoordde de jager, “maar wij moeten nog niet wanhopen, wij hebben nog drie dagen voor ons, zegt gij?”—“Ja mijn waarde Dick.”—“Welnu! daar ons klagen er niets aan kan gebeteren zal het binnen drie dagen tijd genoeg zijn een besluit te nemen, laat ons tot zoolang onze waakzaamheid verdubbelen.”

Bij het avondmaal werd het water nauwkeurig afgemeten, de hoeveelheid brandewijn in den grog werd vermeerderd, maar men moest dit vocht wantrouwen, daar het eerder geschikt was dorstig te maken dan te verfrisschen.

Het schuitje rustte gedurende den nacht op eene onmetelijke vlakte, die eene vrij groote daling had: hare hoogte was nauwelijks 800 voet boven het oppervlak der zee. Deze omstandigheid gaf den doctor weer eenige hoop, zij herinnerde hem de vermoedens der aardrijkskundigen omtrent het bestaan eener groote uitgestrektheid water in het binnenland van Afrika. Maar als dit meer bestond, moest men er komen en geene verandering had er aan den strakken hemel plaats. Op een vreedzamen nacht volgde een heete dag; van de eerste schemering af werd de temperatuur brandend. Ten vijf ure des morgens gaf de doctor het teeken tot het vertrek en langen tijd bleef de ballon onbeweeglijk in den gloeienden dampkring. De doctorzou die vreeslijke hitte hebben kunnen ontkomen door naar hoogere luchtstreken op te stijgen, maar daarvoor moest hij eene grootere hoeveelheid water gebruiken, wat toen onmogelijk was. Hij vergenoegde zich dus zijn luchtballon op honderd voet hoogte te houden, waar een zwakke luchtstroom hem naar het westen voerde. Het ontbijt bestond uit een weinig gedroogd vleesch en pemmican. Tegen den middag had de Victoria nauwelijks eenige mijlen afgelegd. “Wij kunnen niet sneller gaan,” zeide de doctor, “wij bevelen niet, wij gehoorzamen.”—“Mijn waarde Samuel, hier zou eene locomotief geen ondienst doen.”—“Zonder twijfel, Dick, als wij aannamen dat zij geen water behoefde om zich in beweging te stellen, want dan zou de toestand precies dezelfde zijn; tot hiertoe heeft men niets uitvoerbaars uitgevonden; de ballons zijn nog op dezelfde hoogte als de schepen vóór de uitvinding van den stoom. Men heeft 6000 jaar besteed tot het uitdenken der schroeven, wij hebben dus den tijd om te wachten.”—“Vervloekte hitte,” zeide Joe, zijn druipend voorhoofd afwisschende.—“Als wij water hadden zou deze hitte ons een dienst bewijzen, want zij zet het waterstofgas van den luchtballon uit en maakt een minder sterke vlam in den slang noodig. Het is waar, dat als wij geen gebrek aan vocht hadden, wij het niet behoefden te sparen. Vervloekte zwarte, die ons dezen kostbaren schat heeft gekost.”—“Gij hebt toch geen berouw over hetgeen gij hebt gedaan, Samuel?”—“Neen, Dick, omdat wij een ongelukkige aan een afgrijsselijken dood hebben kunnen onttrekken. Maar de 100 pond water, die wij hebben weggeworpen, zouden ons zeer nuttig zijn geweest, wij zouden daardoor nog twaalf of veertien dagen hebben kunnen reizen en genoeg hebben om die woestijnen door te trekken.”—“Wij hebben ten minste de helft der reis gemaakt?” vroeg Joe.—“Als afstand, ja, als tijd neen, als de wind ons in den steek laat! het ziet er zelfs naar uit als wil hij geheel gaan liggen.”—“Komaan, mijnheer,” hernam Joe, “wij moeten ons niet beklagen; wij zijn er tot heden vrij wel doorgekomen en wat ik ook doe, ik word nooit wanhopig, wij zullen water vinden, ik zeg het u.”—

De grond werd van mijl tot mijl lager, de golvingen der goudbergen maakten plaats voor vlakten, verstrooide kruiden vervingen de schoone boomen van het Oosten, eenige kleine boschjes dor groen worstelden nog tegen het zand dat de overhand nam, groote rotsen van verre toppen gevallen, verpletterd in hun val, verspreidden zich als scherpe keisteenen, die weldra in grof zand en eindelijk in ontzaglijk fijn stof zouden overgaan.—“Zie hier Afrika, zoo als gij het u voorsteldet, Joe; ik heb reden om u te zeggen: Heb geduld.”—“Welnu, mijnheer,” antwoordde Joe, “het is ten minste natuurlijk, hitte en zand! het zou ongerijmd zijn iets anders in een dergelijk land te zoeken.”“Ziet gij?” voegde hijer lachende bij, “ik had geen vertrouwen in uwe wouden en weilanden, het was iets tegenstrijdigs, het is der moeite niet waard zoover te gaan om de velden van Engeland te zien. Zie hier de eerste maal dat ik geloof in Afrika te wezen en ik heb geen spijt er een proefje van te nemen.”

Tegen den avond berekende de doctor dat de ballon op dien heeten dag geene twintig mijlen had gewonnen; een heete duisternis omgaf hem toen de zon was ondergegaan. Des anderen daags was het de 1steMei, een Donderdag; maar de dagen volgden elkander met eene vervelende eentonigheid op; de eene morgen was gelijk aan den andere; de middagzon wierp hare altijd onuitputtelijke stralen loodrecht neder en de nacht verdikte in zijne schaduw deze warmte, welke de volgende dag weder aan den volgenden nacht zou mededeelen. De wind, bijna niet voelbaar, werd nauwelijks een koeltje en men kon het oogenblik voorspellen dat hij geheel zou ophouden.

De doctor trachtte tegen deze treurigheid een tegenwicht te stellen; hij behield zijne kalmte en koelbloedigheid. Met zijn verrekijker in de hand onderzocht hij alle punten van den horizon; hij zag de laatste heuvels ongevoelig verdwijnen en den laatsten plantengroei wegsterven; voor hem strekte zich de onmetelijke woestijn uit. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem zwaar, hoewel hij niets liet blijken. Deze twee menschen, Dick en Joe, beide vrienden, had hij met zich genomen, bijna door de kracht van vriendschap of plicht. Had hij wel gehandeld? Was het niet verboden wegen beproeven? Beproefde hij op deze reis niet de grenzen van het onmogelijke te overschrijden? Had God niet voor latere eeuwen de kennis van dit ondankbare binnenland bewaard? Al deze gedachten vermenigvuldigden zich in zijn hoofd, zoo als altijd plaats heeft in de uren van ontmoediging, en door eene onwederstaanbare aaneenschakeling van gedachten, liet Samuel zich verder voeren dan de rede. Na bepaald te hebben wat hij niet had moeten doen, vroeg hij zich af wat hij dan had moeten doen. Zou het onmogelijk zijn op zijne schreden terug te keeren? Bestonden er geene hoogere luchtstroomen die hem naar minder dorre streken zouden voeren? Zeker van het doorreisde land, kende hij het volgende land niet, daarom besloot hij, toen zijn geweten luide begon te spreken, rondborstig met zijne twee reisgezellen te spreken, hij legde hun naar waarheid hun toestand bloot, hij toonde hun aan wat hij gedaan had en wat er overbleef te doen; men kon slagen, het ten minste beproeven, wat was hun gevoelen?—“Ik heb geen ander gevoelen dan dat van mijn meester,” antwoordde Joe, “wat hij lijdt zal ik lijden. Waar hij gaat zal ik gaan.”—“En gij, Kennedy?”—“Ik, mijn waarde Samuel, ik ben geen man om wanhopend te worden; niemand kende beter dan ik de gevaren der onderneming, maar ik heb ze niet willen zien toen gij hun hethoofd gingt bieden. Ik behoor u dus geheel toe. In onzen tegenwoordigen toestand is mijn gevoelen, dat wij tot het einde moeten volhouden. De gevaren om terug te keeren schijnen mij even groottoe. Dus voorwaarts, gij kunt op ons rekenen.”—“Ik dank u, mijne waardige vrienden,” antwoordde de doctor, wezenlijk bewogen. “Ik verwachtte zulk eene toewijding, maar ik behoefde deze aanmoedigende woorden. Nog eens, ik dank u.” En de drie mannen drukten elkander hartelijk de hand.

Ondergang der zon. Blz. 142.Ondergang der zon. Blz.142.

Ondergang der zon. Blz. 142.

Ondergang der zon. Blz.142.

“Hoort mij,” hernam Ferguson, “volgens mijne opmetingen zijn wij niet meer dan drie honderd mijlen van de golf van Guinea, de woestijn kan dus niet zonder einde zijn, dewijl de kust bewoond, en tot zekere diepte in het land bekend is. Als het noodig is zullen wij ons naar dien kant richten en wij moeten eenige oase, een put vinden, waar wij nieuwen voorraad van water kunnen opdoen. Maar wij hebben geen wind en zonder dezen worden wij teruggehouden in de kalmte der lucht.”—“Laat ons geduldig wachten,” zeide de jager.

Maar ieder onderzocht op zijne beurt te vergeefs de ruimte gedurende dien eindeloozen dag, zij zagen niets dat eenige hoop kon doen voeden. De laatste rijzingen en dalingen van den grond verdwenen bij het ondergaan der zon, wier horizontale stralen lange lijnen van vuur beschreven op deze onmetelijke vlakte. Het was de woestijn. De reizigers hadden geene vijftien mijlen afgelegd, terwijl zij, even als den vorigen dag, 35 kubieke voet gas hadden verbruikt en twee pinten water van de acht moesten gebezigd worden voor het lesschen van een brandenden dorst. De nacht ging kalm voorbij, de doctor sliep niet.

1Ongeveer 13½ liter.2Ongeveer 4½ liter.

1Ongeveer 13½ liter.

2Ongeveer 4½ liter.

Een weinig wijsbegeerte.—Een wolk aan den horizon.—Te midden van een mist.—De onverwachte ballon.—De teekens.—Nauwkeurig gezicht van den Victoria.—De palmboomen.—Spoor van eene karavaan.—De put in de woestijn.

Een weinig wijsbegeerte.—Een wolk aan den horizon.—Te midden van een mist.—De onverwachte ballon.—De teekens.—Nauwkeurig gezicht van den Victoria.—De palmboomen.—Spoor van eene karavaan.—De put in de woestijn.

Des anderen daags was de lucht even helder, de dampkring was heet. De Victoria steeg tot eene hoogte van 500 voet, maar ging slechts weinig naar het westen. “Wij zijn in de woestijn,” zeide de doctor. “Zie hier de onmetelijke zandvlakte! Welk een vreemd schouwspel! Welke zonderlinge schikking der natuur! Waarom is daar ginds die weelderige plantengroei, hier deze groote dorheid en dat op dezelfde breedte en onder dezelfde zonnestralen?”—“Het waarom verontrust mij weinig, mijn waarde Samuel, het feit bekommert mij meer.”—“Men moet wel een weinig wijsgeer zijn, mijn waarde Dick, dat kan geen kwaad.”—“Laat ons redeneeren,ik heb daar niets tegen, wij hebben den tijd, wij gaan nauwelijks vooruit. De wind vreest te waaien, hij slaapt.”—“Dat zal niet aanhouden,” zeide Joe, “ik meen eenige wolken in het westen te zien.”—“Joe heeft gelijk,” zeide de doctor.—“Goed,” zeide Kennedy, “zou die wolk ons bereiken met een goeden regen en een goeden wind?”—“Wij zullen zien, Dick.”—“Het is toch Vrijdag, meester, en ik wantrouw de vrijdagen.”—“Welnu! ik hoop dat gij heden van uwe vooroordeelen zult terugkomen.”—“Ik wensch het mijnheer, Dick!” zeide hij, zich het gelaat afdrogende, “de hitte is eene goede zaak, voornamelijk in den winter, maar in den zomer moet men er geen misbruik van maken.”—“Vreest gij de zonnehitte niet voor onzen ballon?” vroeg Kennedy aan den doctor.—“Neen, de gutta percha, waarmede het taf is overtrokken, kan veel grootere hitte verdragen. Die, waaraan ik het van binnen heb blootgesteld door middel der slang, is soms 158° Fahrenheit geweest en het bekleedsel schijnt niet te hebben geleden.”—“Eene wolk! eene wezenlijke wolk!” riep op dit oogenblik Joe uit, wiens scherp gezicht alle verrekijkers beschaamd maakte.

Inderdaad verhief zich eene dikke en nu zeer duidelijk zichtbare wolk langzaam boven den horizon; het was eene opeenhooping van kleine wolken, zij behielden onveranderlijk haren eersten vorm, waaruit de doctor opmaakte dat daar geen luchtstroom was. Deze dicht opeengepakte massa was tegen acht uur ’s morgens verschenen, en eerst ten elf uur bereikte zij de schijf der zon, die geheel en al achter dit dikke scherm verdween; op hetzelfde oogenblik verliet het onderste gedeelte der wolk den horizon, die nu ten volle verlicht was.—“Het is slechts eene afzonderlijke wolk,” zeide de doctor, “wij moeten niet te veel op haar rekenen; zie, Dick, hare gedaante is nog precies dezelfde als dezen morgen.”—“Inderdaad, Samuel, er is regen noch wind, voor ons ten minste.”—“Het staat te vreezen, zij blijft zeer hoog staan.”—“Welnu! Samuel, als wij eens die wolk gingen opzoeken, die boven ons niet wil losbarsten.”—“Ik geloof dat het ons niet veel zal helpen,” antwoordde de doctor, “het zal gas en bijgevolg eene aanzienlijke hoeveelheid water vermorsen zijn.”

De doctor zette de vlam van de gaspijp in de spiralen der slang aan, eene groote hitte ontwikkelde zich en weldra steeg de ballon. Op ongeveer 1500 voet hoogte ontmoette hij de ondoorschijnende massa der wolk en kwam in een dikken mist, terwijl hij zich op deze hoogte hield, maar vond er geen den minsten wind; deze mist scheen zelfs niet eens vochtig en de voorwerpen aan hem blootgesteld werden nauwlijks nat. De Victoria, door dien damp omgeven won er misschien een snelleren gang door, dat was alles. De doctor zag met verdriet het geringe gevolg zijner handelwijze, toen hij Joe met alle teekens der grootste verbazing hoorde uitroepen: “Oh!”—“Wat is het dan, Joe?”—“Meester, mijnheerKennedy, dat is vreemd!”—“Wat is er dan?”—“Wij zijn niet alleen hier! er zijn indringers. Men heeft onze uitvinding gestolen?”—“Wordt hij gek?” vroeg Kennedy.—Joe stelde het standbeeld der verbazing voor! Hij bleef onbeweeglijk.—“Zou de zon den geest van dezen armen jongen in de war hebben gebracht?” zeide de doctor zich tot hem wendende.—“Zult gij mij zeggen?....”—“Zie, mijnheer,” zeide Joe, een punt in de ruimte aanwijzende.—“Bij St. Patrick!” riep Kennedy op zijne beurt uit, “dat is ongeloofelijk! Samuel! Samuel, zie eens!”—“Ik zie,” antwoordde de doctor bedaard.—“Een anderen ballon! andere reizigers zoo als wij!”

Inderdaad zweefde er op twee honderd schreden afstands een luchtballon met zijn schuitje en zijne reizigers in de lucht; hij volgde denzelfden weg als de Victoria.—“Welnu!” zeide de doctor, “er blijft ons slechts over hem teekenen te geven, neem de vlag, Kennedy, en laat onze kleuren zien.”—Het scheen dat de reizigers in den anderen luchtballon dezelfde gedachte hadden, want dezelfde vlag herhaalde dezelfde groete met de hand en op geheel dezelfde wijze.—“Wat beteekent dit?” vroeg de jager.—“Het zijn apen,” riep Joe uit, “zij houden ons voor den gek.”—“Dat beteekent,” antwoordde Ferguson lachende, “dat gij zelf dit teeken maakt, mijn waarde Dick, dat wil zeggen, dat wij zelf in dit tweede schuitje zijn! die ballon is niet anders dan de Victoria.”—“Wat dat betreft, meester, met uw verlof,” zeide Joe, “dat zult gij mij nooit wijs maken.”—“Klim op den rand, Joe, slinger met uwe armen en gij zult zien.”—Joe gehoorzaamde, hij zag onmiddellijk zijne eigene gebaren herhaald.—“Het is slechts een gevolg van luchtspiegeling,” zeide de doctor, “en niets anders, een eenvoudig optisch verschijnsel; het wordt teweeggebracht door de ongelijke breking der luchtlagen.”—“Welk een merkwaardig schouwspel!” hernam Kennedy. “Het doet mij genoegen onzen goeden ballon te zien! Weet gij wel dat hij er goed uitziet en zich statig houdt?”—“Gij kunt de zaak op uwe wijze uitleggen zoo als gij wilt,” zeide Joe, “het is evenwel een vreemd verschijnsel.”

Nog een luchtballon. Blz. 144.Nog een luchtballon. Blz.144.

Nog een luchtballon. Blz. 144.

Nog een luchtballon. Blz.144.

Maar weldra verdween dit beeld trapsgewijze, de wolken stegen op eene grootere hoogte, den Victoria verlatende, die niet beproefde haar te volgen en na een uur verdwenen zij geheel.—De wind, nauwelijks merkbaar, scheen nog zwakker te worden. De doctor naderde wanhopig den grond. De reizigers, die door dit voorval aan hunne bekommeringen waren onttrokken, vervielen weder in treurige gedachten, gekweld als zij waren door eene verschroeiende hitte. Tegen vier uur wees Joe een verheven voorwerp aan op de onmetelijke zandvlakte, en hij kon weldra verzekeren, dat twee palmboomen zich op geringen afstand verhieven.—“Palmboomen,” zeide Ferguson, “dan is er eene fontein, een put?”—Hij nam zijn verrekijker en verzekerde zich dat de oogen van Joe zich niet bedrogen.—“Eindelijk,” riep hij uit, “water! water! wij zijn gered, want, hoe weinig wij ook vorderen, wij gaan altijd voorwaarts en zullen aankomen!”—“Welnu, mijnheer!” zeide Joe, “als wij eens in afwachtingdronken? De lucht is waarlijk verstikkend.”—“Laat ons drinken, mijn jongen.”

Niemand liet zich lang noodigen. Een geheele pint werd opgedronken waardoor hun voorraad tot drie en een halve pint verminderde.—“Hm! dat doet goed!” zeide Joe. “Het bier van Perkins heeft mij nooit zoo goed gesmaakt.”—“Dat zijn de voordeelen der ontbering,” antwoordde de doctor.

Ten zes uur zweefde de Victoria boven de palmboomen. Het waren twee dunne en tengere boomen bijna zonder bladeren, meer dood dan levend. Ferguson beschouwde ze met schrik. Aan hun voet zag men half uitgespoelde steenen eener put; maar die steenen door de zonnehitte verkalkt, schenen slechts stof te zijn. Er was zelfs geen schijn van vocht. Het hart van Samuel kromp in een en hij was op het punt zijne vrees aan zijne reisgezellen mede te deelen, toen hun geroep zijne oplettendheid gaande maakte. Ver in het westen zag men eene rij uitgebleekte beenderen; gedeelten van geraamten omringden de fontein; eene karavaan was tot hiertoe gekomen, en het bewijs van haren doortocht leverde deze groote massa beenderen; de zwaksten waren langzamerhand in het zand gevallen, de sterksten aan deze zoo gewenschte bron gekomen en hadden een ijsselijken dood gevonden aan haren rand. De reizigers zagen elkander verbleekende aan.—“Laat ons niet dalen,” zeide Kennedy, “maar dit afgrijsselijke schouwspel ontvlieden! Daar is geen druppel water.”—“Neen, Dick, wij moeten ons geweten geruststellen. Het is even goed hier den nacht door te brengen als elders. Wij zullen dezen put tot op den bodem onderzoeken; er is eene bron geweest, misschien is er iets van overgebleven.”

De Victoria daalde neder; Joe en Kennedy plaatsten in het schuitje de noodige hoeveelheid zand en daalden af. Zij liepen naar den put en daalden er in langs eene trap die enkel stof was. De bron scheen reeds lang uitgedroogd. Zij groeven in het drooge zand, er was geen spoor van vocht.—De doctor zag hen weder opklimmen, zuchtende, ontdaan, bedekt met een fijn stof, afgemat, ontmoedigd en wanhopig. Hij gevoelde dat hij van dit oogenblik af moed en kracht voor allen moest hebben. Joe bracht de stukken van een gebroken pot mede, hij wierp die toornig onder de op den grond verspreide beenderen. Gedurende het avondmaal werd er geen enkel woord tusschen de reizigers gewisseld, zij aten met weerzin. En echter hadden zij nog niet de wezenlijke kwellingen van den dorst geleden, zij wanhoopten slechts voor de toekomst.

Honderd-dertien graden.—Overdenkingen van den doctor.—Wanhopig zoeken.—De gaspijp gaat uit.—Honderd-twee-en-twintig graden.—De beschouwing der woestijn.—Eene wandeling in den nacht.—Eenzaamheid.—Bezuinigings-ontwerpen van Joe.—Hij wil nog een dag wachten.

Honderd-dertien graden.—Overdenkingen van den doctor.—Wanhopig zoeken.—De gaspijp gaat uit.—Honderd-twee-en-twintig graden.—De beschouwing der woestijn.—Eene wandeling in den nacht.—Eenzaamheid.—Bezuinigings-ontwerpen van Joe.—Hij wil nog een dag wachten.

De weg door den Victoria doorloopen bedroeg geen tien mijlen en om zich op dezelfde hoogte te houden hadden zij 162 kubieke voet gas verbruikt. Zaterdag morgen gaf de doctor het teeken tot het vertrek. “De gaspijp kan nog slechts zes uren werken, als wij in zes uren geen put of bron hebben gevonden, dan weet God alleen wat er van ons zal worden.”—“Er is dezen morgen weinig wind, meester,” zeide Joe, “maar hij zal misschien opsteken,” voegde hij er bij, de kwalijk verborgen treurigheid van Ferguson ziende.

IJdele hoop! de lucht was volkomen helder, er heerschte eene van die kalmten, die in de zeeën onder de keerkringen de schepen hardnekkig doen stil liggen. De hitte werd ondraaglijk en de thermometer onder de tent, teekende honderd-dertien graden Fahrenheit. Joe en Kennedy, naast elkander uitgestrekt, zochten, zoo al niet in den slaap, dan ten minste in de dommeling hun toestand te vergeten; hunne werkeloosheid schonk hun een pijnlijken ledigen tijd. De kwellingen van den dorst begonnen zich wreed te doen gevoelen; de brandewijn, wel verre van in die dringende behoefte te voorzien, deed die nog toenemen en verdiende wel den naam van “tijgermelk,” dien de inboorlingen van Afrika hem geven. Er bleef nauwelijks twee pint lauw vocht over; ieder verslond met zijne blikken deze weinige kostbare druppels en niemand durfde er zijne lippen mede bevochtigen. Twee pint water te midden eener woestijn! Toen vroeg doctor Ferguson, verdiept in zijne overdenkingen, zich af of hij verstandig had gehandeld. “Zou het niet beter geweest zijn dit water te bewaren, dat hij te vergeefs had ontleed om zich in den dampkring staande te houden? Hij had een weinig wegs afgelegd, maar was hij daarom meer gevorderd? Al bevond hij zich zestig mijlen achterwaarts onder deze breedte, wat kwam dat er op aan, dewijl het water hem hier ontbrak? De wind, als hij eindelijk opstak, zou ginds even als hier blazen, hier zelfs minder snel, als hij uit het oosten kwam! Maar de hoop dreef hem voorwaarts! En echter waren deze twee gallons water, die te vergeefs verspild waren, voldoende voor negen dagen oponthoud in deze woestijn. Welke verandering kon er in die negen dagen plaats hebben! Misschien ook had hij, dit water behoudende, moeten stijgen door ballast uit te werpen, met het vooruitzicht gas te verliezen om weder te dalen. Maar het gas van den ballon was zijn bloed, zijnleven!”Deze overdenkingen doorkruisten zijn hoofd, dat hij in de handen hield en uren lang hief hij het niet op.—“Wij moeten eene laatste poging doen,” zeide hij tot zich zelven, omtrent 10 uur ’s morgens, “wij moeten voor de laatste maal een stroom in den dampkring pogen te ontdekken, die ons medevoert, wij moeten onze laatste hulpbronnen wagen.” En terwijl zijne reisgezellen sluimerden bracht hij het waterstofgas van den luchtballon op eene hooge temperatuur; deze zette zich uit en steeg rechtstandig. De doctor zocht vergeefs een koeltje van 100 tot op 5000 voet hoogte, zijn punt van uitgang bleef steeds onder hem, eene volstrekte windstilte scheen tot de laatste grenzen der inadembare lucht te heerschen. Eindelijk was het water voor het gas bestemd op, de gasvlam ging uit, uit gebrek aan gas, de Bunsensche batterij hield op te werken en de Victoria zich inkrimpende, daalde zachtjes op het zand neder op dezelfde plaats vanwaar het schuitje was opgestegen. Het was middag, men was op 19° 35′ lengte en 6° 57′ breedte, ongeveer 500 mijlen van het meer Tchad, op meer dan 400 mijlen van de westelijke kusten van Afrika. Op de aarde komende ontwaakten Dick en Joe uit hunne diepe verdooving. “Wij staan stil,” zeide de Schot.—“Het moet,” zeide Samuel op ernstigen toon.—Zijne reisgezellen begrepen hem. De grond was toen gelijk met de oppervlakte der zee, en de ballon bleef in volmaakt evenwicht en volstrekt onbeweeglijk. Het gewicht der reizigers werd vervangen door een gelijk gewicht zand en zij zetten voet op de aarde; ieder verdiepte zich in zijne gedachten en uren lang spraken zij niet. Joe bereidde het avondmaal, bestaande uit beschuiten en pemmican, waaraan men nauwelijks raakte, een mondvol heet water voltooide dit treurige maal. Gedurende den nacht waakte niemand, maar niemand sliep, de hitte was verstikkend. Des anderen daags bleef er slechts eene halve pint water over; de doctor besloot daarvan slechts in den uitersten nood gebruik te maken.—“Ik stik,” riep Joe weldra uit, “de hitte verdubbelt. Dat verwondert mij niet,” zeide hij na den thermometer te hebben geraadpleegd, “honderd-veertig graden!”—“Het zand brandt alsof het uit een oven kwam,” antwoordde de jager. “En geene enkele wolk aan den hemel die als in vuur staat. Het is om gek te worden.”—“Laat ons niet wanhopen,” antwoordde de doctor, “op deze groote hitte volgt meest altijd onder deze breedte een onweder; het komt met de snelheid des bliksems en ondanks de drukkende helderheid des hemels kan er in minder dan een uur eene groote verandering plaats hebben”—“Maar,” zeide Kennedy, “dan zou er toch eenig teeken zijn.”—“Welnu,” zeide de doctor, “het komt mij voor dat de barometer eene lichte neiging heeft om te dalen.”—“De hemel verhoore u, Samuel, want hier zijn wij aan den grond genageld als een vogel wiens vleugels verbrijzeld zijn.”—“Met dit onderscheidevenwel, mijn waarde Dick, dat onze vleugels ongeschonden zijn en ik hoop er mij nog wel van te bedienen.”—“Ha! wind! wind!” riep Joe uit. “Nu kunnen wij ons naar eene beek, een put begevenen ons zal niets ontbreken, onze levensmiddelen zijn voldoende en met water zouden wij eene maand wachten zonder te lijden. Maar de dorst is iets akeligs.” De dorst niet alleen, maar ook de onophoudelijke beschouwing van de woestijn vermoeide den geest; er was geene oneffenheid in den grond, geen bergje van zand, geen keisteen om den blik er op te vestigen. Deze effenheid walgde en veroorzaakte dat onaangename gevoel dat men ziekte der woestijn noemt. De strakheid van dezen brandenden blauwen hemel en van dit onmetelijke gele zand verschrikte hem. In dezen brandenden dampkring scheen de hitte te trillen als boven een brandenden haard; de geest werd wanhopig door deze kalmte te aanschouwen en zag geene enkele reden, waarom een zoodanige staat van zaken zou ophouden, want deze onmetelijkheid is eene soort van eeuwigheid. Ook begonnen de ongelukkigen onder deze verschroeiende temperatuur de verschijnselen van zinsbedrog waar te nemen; hunne oogen werden wijder, hun blik verward. Toen de nacht gekomen was besloot de doctor deze verontrustende geneigdheid te bestrijden door een snellen loop; hij wilde deze zandvlakte eenige uren lang doorloopen, niet om te zoeken, maar om te loopen. “Komt,” zeide hij tot zijn gezellen, “gelooft mij, dat zal u goed doen.”—“Onmogelijk,” zeide Kennedy, “ik zou geen stap kunnen doen.”—“Ik wil nog liever slapen,” zeide Joe.—“De slaap en de rust zullen u noodlottig zijn, mijne vrienden, verzet u tegen deze verdooving, komt.”

De nacht in de woestijn. Blz. 152.De nacht in de woestijn. Blz.152.

De nacht in de woestijn. Blz. 152.

De nacht in de woestijn. Blz.152.

De doctor kon van hen niets verkrijgen en hij vertrok alleen in den helderen nacht. Zijne eerste schreden waren moeielijk, als van iemand die verzwakt en het loopen ontwend is, maar hij merkte weldra dat die oefening hem heilzaam zou zijn en hij ging verscheidene mijlen westwaarts en zijn geest werd weder kalm, toen hij plotseling duizelig werd, hij meende aan den rand van een afgrond te zijn, hij voelde zijn knieën knikken, deze uitgestrekte woestijn verschrikte hem, hij was het wiskundige punt, het middelpunt van een oneindig grooten cirkel, dat is: niets! De Victoria verdween geheel in de schaduw. De doctor werd door eene onoverwinnelijke vrees bevangen, hij, de bedaarde en stoutmoedige reiziger! Hij wilde op zijne schreden terugkeeren, maar te vergeefs, hij riep! er was zelfs geene echo om hem te antwoorden en zijne stem ging in de ruimte verloren even als een steen in een bodemloozen kolk.... Hij ging afgemat op het zand liggen, alleen—te midden der groote stilte van de woestijn.

Te middernacht kwam hij tot zich zelven in de armen van zijn getrouwen Joe; deze, ongerust over de lange afwezigheid van zijn meester, had zijne voetstappen gevolgd, die in het zand zichtbaar waren, en had hem bezwijmd gevonden.—“Wat scheelt er aan, meester?” vroeg hij.—“Het zal niets te beduiden hebben, mijn brave Joe, een oogenblik van zwakte, dat is alles.”—“Het zal inderdaadniets zijn, mijnheer, maar sta op, steun op mij en laat ons teruggaan naar de Victoria.”

De doctor op Joe steunende, sloeg den weg in, dien hij zoo even gevolgd had.—“Het was onvoorzichtig, mijnheer, men waagt zich zoo niet. Gij zoudt beroofd hebben kunnen worden,” voegde hij er lachende bij.—“Laat ons ernstig spreken.”—“Spreek, ik hoor u.”—“Wij moeten volstrekt een besluit nemen. Onze toestand kan geene dagen meer duren en als er geen wind komt, zijn wij verloren.”—De doctor antwoordde niet.—“Welnu! een van ons moet zich opofferen voor allen, en het is natuurlijk, dat ik het zijn zal.”—“Wat wilt gij zeggen? Wat is uw voornemen?”—“Zeer eenvoudig: levensmiddelen medenemen en altijd vooruit loopen totdat ik ergens aankom, dat kan niet missen. Als in dien tijd de hemel u een gunstigen wind toezendt, zult gij niet wachten, gij zult vertrekken. Van mijne zijde, als ik aan een dorp kom, zal ik mij wel uit den brand helpen met eenige woorden Arabisch, die gij mij zult opschrijven en ik zal u hulp brengen of het leven verliezen! Wat zegt gij daarvan?”—“Het is dolzinnig, maar uw braaf hart waardig, Joe, het is onmogelijk, gij zult ons niet verlaten.”—“Wij moeten toch iets beproeven, mijnheer, dat kan niet schaden, dewijl, ik herhaal het u, gij op mij niet hoeft te wachten, en ik kan ook slagen.”—“Neen, Joe, wij scheiden niet, dat zou eene smart te meer zijn; het was geschreven dat het zoo zijn moest en zeer waarschijnlijk dat het later anders zal zijn. Laat ons dus gelaten wachten.”—“Het zij zoo, mijnheer, maar een ding zeg ik u, ik geef u nog één dag, langer wacht ik niet, heden is het Zondag, of liever Maandag, want het is één uur in den morgen; als wij Dinsdag niet vertrekken, zal ik het avontuur beproeven, ik heb dit onherroepelijk besloten.” De doctor antwoordde niet; weldra kwam hij bij het schuitje terug en nam daarin plaats naast Kennedy. Deze was zeer stil en sliep niet.

Vreeslijke hitte.—Zinsbedrog.—De laatste druppels water.—Nachten van wanhoop.—Poging tot zelfmoord.—De simoem.—De oase.—Leeuw en Leeuwin.

Vreeslijke hitte.—Zinsbedrog.—De laatste druppels water.—Nachten van wanhoop.—Poging tot zelfmoord.—De simoem.—De oase.—Leeuw en Leeuwin.

De eerste zorg van den doctor des anderen daags was, den barometer te raadplegen. Deze was nauwelijks merkbaar gedaald.—“Niets?” zeide hij tot zich zelven.—Hij ging uit het schuitje enonderzocht het verder; het was nog dezelfde hitte, dezelfde helderheid.—“Moeten wij dan wanhopen?” riep hij uit.—Joe in zijne gedachten verzonken en zijn plan van onderzoek overdenkende, zeide niets. Kennedy stond op, zeer ziek en ter prooi aan eene verontrustende overspanning; hij leed vreeslijk van den dorst. Zijne tong en lippen konden nauwlijks geluid voortbrengen. Er waren nog eenige druppels water, ieder dacht er aan en gevoelde zich daartoe aangetrokken, maar niemand durfde eene schrede doen. Deze drie reisgezellen en vrienden zagen elkander aan met woeste blikken en met een gevoel van beestachtigen lust, dat vooral bij Kennedy zich vertoonde; zijne sterke bewerktuiging bezweek spoediger voor die onverdraaglijke ontberingen. Den geheelen dag was hij ter prooi aan waanzin; hij ging en kwam, schorre kreten slakende, zich in de vuisten bijtende, gereed zich de aderen te openen om het bloed er uit te drinken.—“Ach!” riep hij uit, “land van dorst! gij moogt wel land van wanhoop genoemd worden!” Daarna verviel hij in eene groote zwakte, men hoorde slechts het gepiep zijner ademhaling tusschen zijne dorstige lippen. Tegen den avond werd Joe op zijne beurt door eene soort razernij aangetast; deze uitgestrekte zandzee kwam hem voor als een onmetelijke vijver met heldere en doorschijnende wateren, en meer dan eens wierp hij zich op dien brandenden grond om te drinken en stond op met den mond vol stof.—“Vervloekt,” zeide hij toornig, “het is zout water!”—Toen werd hij, terwijl Ferguson en Kennedy onbeweeglijk lagen uitgestrekt, door de onvermijdelijke gedachte overvallen om die enkele druppels water, die nog waren bewaard, op te drinken. Deze gedachte was sterker dan hij zelf, hij naderde het schuitje, zich op de knieën voortslepende, hij verslond de flesch waarin dit vocht was met zijn blik, greep haar en bracht haar aan zijne lippen. Op dit oogenblik werden de woorden: Drinken! drinken! op hartverscheurenden toon uitgesproken. Het was Kennedy, die zich naar hem toe sleepte, hij smeekte om medelijden, hij bad knielende en weende. Joe, in tranen uitbarstende, gaf hem de flesch en de ongelukkige dronk haar tot den laatsten druppel ledig.—“Dank u;” zeide hij. Maar Joe hoorde het niet, hij was even als de anderen op het zand nedergevallen.

Het gebrul van een leeuw. Blz. 155.Het gebrul van een leeuw. Blz.155.

Het gebrul van een leeuw. Blz. 155.

Het gebrul van een leeuw. Blz.155.

Wat gebeurde er in dien akeligen nacht? niemand weet het. Maar Dinsdag morgen zagen de ongelukkigen hunne ledematen langzamerhand uitdrogen onder deze stortbaden van vuur. Toen Joe wilde opstaan was het hem onmogelijk, hij kon zijn plan niet ten uitvoer brengen. Hij sloeg zijne oogen rondom zich. In het schuitje beschouwde de doctor, de armen over de borst gekruist, een denkbeeldig punt in de ruimte met de strakheid van een waanzinnige. Kennedy was afgrijselijk om aan te zien, hij slingerde het hoofd rechts en links even als een wild dier in zijne kooi. Plotseling vestigden zijn blikkenzich op zijne karabijn, wier kolt boven den rand van het schuitje uitstak.—“O!” riep hij uit, zich door eene bovenmenschelijke poging opheffende. Hij greep het wapen, hij richtte denloop naar zijn mond.—“Mijnheer! mijnheer!” zeide Joe, zich op hem werpende.—“Laat mij,” zeide de Schot reutelend.—Beiden worstelden verbitterd.—“Ga heen, of ik dood u!” zeide Kennedy.—Maar Joe klampte zich krachtig aan hem vast; aldus kampten zij eene minuut lang zonder dat de doctor hen kon zien; in de worsteling ging de karabijn plotseling af. Bij die losbranding stond de doctor recht op als een spook en zag rond. Maar eensklaps wordt zijn blik helder, zijne hand strekt zich naar den horizon uit en met eene stem, die niets menschelijks meer had, roept hij uit: “Daar! daar! daar ginds!” Er was zooveel kracht in zijn gebaar, dat Joe en Kennedy elkander loslieten en uitzagen. De vlakte bewoog zich even als eene woedende zee gedurende een storm; golven zand rolden op elkander te midden van een dik stof, eene ontzettende kolom kwam van het zuidoosten met eene groote snelheid draaiende, de zon verdween achter eene dichte wolk, wier lange schaduw zich tot aan den Victoria uitstrekte; de zandkorrels gleden voort met het gemak van waterdruppels en dit wassende getij naderde langzamerhand. Een blik van hoop schitterde in de oogen van Ferguson.—“De Simoem!” riep hij uit.—“De Simoem!” herhaalde Joe, zonder recht te begrijpen.—“Des te beter,” zeide Kennedy met wanhopige woede, “dan zullen wij sterven.”—“Des te beter,” hernam de doctor, “wij zullen leven.”—Hij wierp spoedig het zand weg dat het schuitje bevrachtte. Zijne reisgezellen begrepen hem eindelijk, voegden zich bij hem en gingen aan zijne zijde zitten.—“En nu, Joe,” zeide de doctor,“werp nu vijftig pond van uwe erts weg.” Joe aarzelde niet, hij ondervond echter wel eenige teleurstelling. De ballon steeg. “Het was tijd,” riep de doctor uit. De simoem kwam inderdaad met bliksemsnelheid, een weinig later, en de Victoria zou verpletterd zijn geworden. De ontzettende hoos bereikte hem bijna, hij werd met een regen van zand bedekt.—“Nog meer ballast weg!” zeide de doctor tot Joe.—“Ziedaar,” antwoordde deze een groot stuk kwarts wegwerpende.

De Victoria steeg snel boven de hoos, maar werd met eene onberekenbare snelheid boven deze schuimende zee gevoerd. Samuel, Dick en Joe spraken niet, zij zagen en hoopten verfrischt door dezen dwarlwind. Ten drie uur hield die kwelling op; het zand nedervallende, vormde eene ontelbare menigte bergjes, de hemel werd helder als voorheen. De Victoria, weder onbeweeglijk geworden, zweefde dicht bij eene oase, een eiland te midden der zandzee bedekt met groene boomen.—“Het water is daar!” zeide de doctor.

Terstond de bovenste klep openende, liet hij eenig gas ontsnappen en daalde zachtjes neder op tweehonderd schreden van de oase. In vier uren hadden de reizigers 240 mijlen afgelegd. Het schuitjewerd terstond in evenwicht gebracht en Kennedy door Joe gevolgd, sprong op de aarde.—“Uwe geweren!” riep de doctor uit, “weest voorzichtig.” Dick greep zijn karabijn en Joe een der geweren. Zij naderden spoedig de boomen en drongen in dit frissche groen door, dat hun overvloedige bronnen beloofde; zij sloegen geen acht op versche sporen die hier en daar in den vochtigen grond zichtbaar waren. Plotseling klonk een gebrul op twintig schreden afstands van hen.—“Het gebrul van een leeuw?” zeide Joe.—“Des te beter,” antwoordde de jager verbitterd, “wij zullen vechten.”—“Voorzichtig, mijnheer Dick! van het leven van één onzer hangt aller leven af.”—Maar Kennedy hoorde hem niet, hij ging verder met flonkerende oogen, zijne karabijn geladen en verschrikkelijk in zijne stoutmoedigheid. Onder een palmboom stond een leeuw met zwarte manen in aanvallende houding. Nauwlijks had hij den jager bemerkt, of hij sprong vooruit, maar hij was nog niet op den grond gekomen of reeds werd hij door een kogel in het hart getroffen; hij viel dood neder.—“Hoezee!” schreeuwde Joe. Kennedy snelde op den put toe, begaf zich op de glibberige trappen en strekte zich bij een frissche bron uit, waarvan hij gretig het vocht opslurpte; Joe volgde hem na en men hoorde slechts het geklap der tong van menschen die hun dorst lesschen.—“Laat ons oppassen, mijnheer Dick,” zeide Joe adem halende, “en niet te veel drinken.” Maar Dick ging voort met drinken, zonder te antwoorden. Hij dompelde hoofd en handen in dit weldadige water. “En mijnheer Ferguson?” zeide Joe.—Dit enkele woord bracht Kennedy tot zich zelven; hij vulde eene flesch, die hij had medegebracht, en steeg de trappen van den put op, maar bleef als versteend staan. Een ontzaglijk lichaam sloot de opening. Joe, die Dick volgde, moest met hem teruggaan. “Wij zijn opgesloten.”—“Dat is onmogelijk! Wat beteekent dit?”—Dick eindigde niet, een vreeslijk gebrul deed hem begrijpen met welken nieuwen vijand hij te doen had.—“Een andere leeuw!” riep Joe uit.—“Neen, eene leeuwin! Ah! vervloekt beest! wacht,” zeide de jager, haastig zijne karabijn ladende. Een oogenblik daarna gaf hij vuur, maar het dier was verdwenen.—“Voorwaarts!” zeide hij.—“Neen, mijnheer Dick, neen, gij hebt haar niet gedood, in dat geval zou haar lichaam hierheen gerold zijn, zij is daar, gereed om op den eersten van ons, die verschijnen zal, los te springen, en die is verloren.”—“Wat te doen? Wij moeten hier toch uit, Samuel wacht ons.”—“Laat ons het dier lokken, neem mijn geweer en geef mij uwe karabijn.”—“Wat is uw voornemen?”—“Gij zult ’t zien.”—Joe, zijn linnen vest uittrekkende, maakte het vast aan het bovenste deel van het wapen en bood het als lokaas boven de opening aan. Het woedende dier wierp zich daarop, Kennedy wachtte het in het voorbij gaan op en verpletterde zijn schouder met een kogel. De brullendeleeuwin rolde op de trap. Joe omverwerpende. Deze meende reeds de vreeslijke pooten van het dier in zijn lichaam te voelen slaan, toen een tweede schot losbrandde en doctor Ferguson aan de opening verscheen met zijn nog rookend geweer in de hand. Joe stond haastig op, sprong over het lichaam van het dier en gaf zijn meester de met water gevulde flesch over. Haar aan zijne lippen te brengen en half te ledigen was voor Ferguson het werk van een oogenblik, en de drie reizigers dankten uit den grond huns harten de Voorzienigheid, die hen zoo wonderbaarlijk had gered.

Aangename avond.—De keuken van Joe.—Verhandeling over rauw vleesch.—Geschiedenis van James Bruce.—Het bivouak.—De droomen van Joe.—De barometer daalt.—De barometer rijst.—Toebereidselen tot het vertrek.—De orkaan.

Aangename avond.—De keuken van Joe.—Verhandeling over rauw vleesch.—Geschiedenis van James Bruce.—Het bivouak.—De droomen van Joe.—De barometer daalt.—De barometer rijst.—Toebereidselen tot het vertrek.—De orkaan.

De avond was heerlijk en ging voorbij onder het lommer van minosaas, na een versterkend maal; de thee en grog werden er niet gespaard. Kennedy had deze kleine ruimte in alle richtingen doorkruist, en alle struiken onderzocht; onze reizigers waren de eenige levende wezens van dit aardsche paradijs; zij strekten zich op hunne dekens uit en brachten een rustigen nacht door, die hun de geleden smarten deed vergeten. Des anderen daags, den 7denMei, schitterde de zon in al haren glans, maar hare stralen konden het dikke lommer niet doordringen. Daar er levensmiddelen genoeg waren, besloot de doctor op deze plaats een gunstiger wind af te wachten. Joe had er zijne draagbare keuken heengebracht en deed verscheidene keukenoefeningen, het water zorgeloos verkwistende.—“Welk eene vreemde opeenvolging van smart en vreugde!” riep Kennedy uit, “deze overvloed, na die ontbering, deze weelde volgende op die ellende! Ik was bijna gek geworden!”—“Mijn waarde Dick,” zeide de doctor, “zonder Joe zoudt gij nu niet redeneeren over de onstandvastigheid der menschelijke zaken.”—“Brave vriend!” zeide Dick, Joe de handen toereikende.—“Het heeft niets te beduiden,” antwoordde deze. “Ik hoop echter niet dat de gelegenheid zich zal aanbieden, dat gij mij denzelfden dienst bewijst.”—“Hoe arm is onze natuur, dat zij zich door zoo weinig laat ter nederslaan.”—“Door zoo weinig water, wilt gij zeggen, meester, dit moet toch wel noodzakelijk zijn voor het leven.”—“Zonder twijfel, Joe, en de menschen zonder eten zouden langer kunnen levendan zonder drinken.”—“Ik geloot het, en des noods eet men wat men ontmoet, zelfs zijns gelijke, hoewel dit eenmaal moet wezen, dat u langen tijd zal heugen.”—“De wilden doen het toch,”zeide Kennedy.—“Ja, maar dat zijn wilden, die gewoon zijn rauw vleesch te eten, mij zou het zeer tegenstaan.”


Back to IndexNext