In de oasis Blz. 156.In de oasis Blz.156.“Het is inderdaad zoo tegennatuurlijk,” antwoordde de doctor, “dat niemand geloof heeft willen slaan aan de verhalen der eerste reizigers in Afrika; deze verhalen, dat verscheidene volksstammen zich met rauw vleesch voedden, en men hechtte daaraan in het algemeen geen geloof. Onder deze omstandigheden overkwam een zonderling avontuur aan James Bruce.”“Verhaal ons dat, mijnheer, wij hebben den tijd om naar u te luisteren,” zeide Joe, zich met wellust op het frissche gras uitstrekkende.“Gaarne. James Bruce was een Schot uit het graafschap Stirling, die van 1768 tot 1772 geheel Abyssinië tot aan het meer Tyana doorreisde, om de bronnen van den Nijl te zoeken; hij kwam in Engeland terug, waar hij eerst in 1790 zijne reizen door den druk bekend maakte. Zijne verhalen werden met groot ongeloof ontvangen, een ongeloof dat zonder twijfel ook de onzen wachten. De gewoonten derAbyssiniërsschenen zoo zeer verschillend van de Engelsche, dat niemand ze wilde gelooven. Onder andere bijzonderheden had James Bruce verzekerd dat de volken van Oostelijk Afrika rauw vleesch aten; dit joeg iedereen tegen hem in het harnas.”—“Hij kon er gemakkelijk van spreken,” zeide men, “men zou het niet gaan onderzoeken.” Bruce was zeer moedig en oploopend. Deze twijfelingen verbitterden hem ten hoogste. Eens kwam een Schot, in een salon vanEdinburg, in zijne tegenwoordigheid weder op de dagelijksche spotternijen terug en, wat het rauwe vleesch betrof verklaarde hij ronduit, dat de zaak noch mogelijk noch waar was. Bruce zeide niets, hij ging uit het vertrek en kwam eenigen tijd daarna terug met een rauwen biefstuk, op de Afrikaansche wijzen gezouten en gepeperd. “Mijnheer,” zeide hij tot den Schot, “als gij twijfelt aan eene zaak, die ik heb verhaald, hebt gij mij eene groote beleediging aangedaan, en als gij haar onuitvoerbaar acht, hebt gij u bedrogen. En om het aan allen te bewijzen, zult gij terstond een rauwen biefstuk opeten, of mij voldoening geven voor uwe woorden.” De Schot werd bang en gehoorzaamde niet zonder tegenzin. Toen voegde James Bruce er met de grootste koelbloedigheid bij: “Als men aanneemt dat de zaak niet waar is, mijnheer, zult gij niet meer beweren, dat zij onmogelijk is.”“Goed geantwoord,” zeide Joe. “Als de Schot eene indigestie had gekregen, zou hij niets meer hebben gehad dan hij verdiende en als men, bij onze terugkomst in Engeland onze reis in twijfel trekt....”—” Welnu! wat zult gij dan doen? Joe.”—“Ik zal de ongeloovigen de stukken van den Victoria zonder zout en peper laten opeten!”Iedereen begon te lachen om Joe. De dag ging met aangename gesprekken voorbij, met de kracht herleefde de hoop, de moed. Het verledene verdween voor de toekomst. Joe zou deze bekoorlijkeverblijfplaats niet hebben willen verlaten; zij was het rijk zijner droomen, hij vond zich te huis; zijn meester moest hem de juiste plaats opgeven en met grooten ernst schreef hij in zijn zakboekje, 15° 43′ lengte en 8° 32′ breedte. Kennedy had slechts spijt dat hij in dit kleine woud niet kon jagen; volgens hem was er te veel gebrek aan wilde dieren. “Echter, mijn waarde Dick,” hernam de doctor, “vergeet gij spoedig dien leeuw en die leeuwin?”“Dat!” zeide hij met de verachting van een waar jager voor het neergeschoten dier! “Maar hunne tegenwoordigheid in deze oase kan doen vermoeden dat wij niet ver van vruchtbare streken verwijderd zijn.”—“Dit is een zwak bewijs, Dick; deze dieren, door honger of dorst gedreven, leggen soms groote afstanden af; den volgenden nacht zullen wij zelfs zeer wel doen zorgvuldiger te waken en vuren te ontsteken.”—“In deze temperatuur,” zeide Joe. “Maar, als het noodig is, zullen wij het doen. Het zal mij echter zeer spijten dit fraaie hout, dat ons van zooveel nut is geweest, te verbranden.”—“Wij zullen oppassen het niet in brand te steken,” antwoordde de doctor, “opdat anderen er eene toevlucht zullen kunnen vinden te midden der woestijn.”—“Men zal er op passen, mijnheer, maar denkt gij dat deze oase bekend is?”—“Zeker. Het is een rustplaats voor de karavanen, die het midden van Afrika bezoeken, en hun bezoek zou er wel eens niet aangenaam kunnen zijn, Joe.”—“Zijn er hier nog meer van die afschuwelijke Nyam-Nyam?”—“Zonder twijfel; het is de algemeene naam van al deze volken, en onder hetzelfde klimaat moeten dezelfde stammen dezelfde gewoonten hebben.”—“Pouah!” zeide Joe. “Maar alles bijeengenomen is het heel natuurlijk. Als wilden een smaak als heeren hadden, waar zou het verschil dan zijn? Bij voorbeeld, zie daar brave lieden, die zich niet zouden laten noodigen, om den biefstuk van den Schot en zelfs den Schot op den koop toe te verslinden.” Na deze verstandige opmerking ging Joe het hout voor den nacht opstapelen. De voorzorg was echter onnoodig, en beurtelings genoten zij een diepen, vreedzamen slaap. Des anderen daags veranderde het weder nog niet; het bleef even schoon. De ballon bleef onbeweeglijk, zonder dat een schommeling een koeltje verried. De doctor begon verder ongerust te worden; als de reis zoo veel langer moest duren, zouden zij geene levensmiddelen genoeg hebben. Na uit gebrek aan water bijna bezweken te zijn, zouden zij van honger moeten omkomen. Maar hij stelde zich weder gerust, toen hij eene aanmerkelijke daling van den barometer waarnam; er waren blijkbare teekenen van eene aanstaande verandering in den dampkring; hij besloot dus zich tot het vertrek gereed te maken om van de eerste gelegenheid gebruik te maken; beide bakken werden geheel gevuld. Hij moest ook het evenwicht in den luchtballon herstellen en Joe was verplicht een aanzienlijk deel van zijn kostbaar erts op te offeren.Met de gezondheid was zijne eerzucht weergekeerd; hij keek herhaalde malen onvriendelijk voordat hij zijn meester gehoorzaamde, maar deze bewees hem, dat hij een zoo groot gewicht niet kon optillen, hij gaf hem de keus tusschen het water of het goud; Joe aarzelde niet meer en wierp eene groote hoeveelheid kwarts in het zand.—“Dat is voor hen, die na ons komen,” zeide hij, “zij zullen zeer verbaasd zijn, hun fortuin op deze plaats te vinden.”—“En als een geleerd reiziger deze staaltjes vindt?....”—“Twijfel er niet aan, mijn waarde Dick, dat hij zeer verwonderd zal zijn en zijne verwondering in talrijke folianten zal bekend maken. Wij zullen een of anderen tijd hooren spreken van eene wonderbare soort van kwarts in het zand van Afrika.”—“En Joe zal daarvan de oorzaak wezen.”Gedurende het overige gedeelte van den dag wachtte de doctor te vergeefs eene verandering in den dampkring; de temperatuur werd hooger en zou onverdraaglijk zijn geweest zonder het lommer der oase. De thermometer wees in de zon 149 graden, een regen van vuur doorkruiste de lucht. Het was de grootste hitte, die zij hadden waargenomen. Joe maakte, even als den vorigen avond, hun bivouak gereed, en gedurende de wacht van den doctor en Kennedy had er niets bijzonders plaats. Maar tegen drie uur des morgens, toen Joe de wacht had, werd de temperatuur eensklaps lager, de hemel bedekte zich met wolken en de duisternis werd grooter.—“Op!” riep Joe, zijne twee reisgezellen wekkende, “zie hier den wind.”—“Eindelijk,” zeide de doctor, den hemel beschouwende, “maar het is een storm! Naar den Victoria!” Het was meer dan tijd om er te komen. De Victoria boog zich onder den invloed van den orkaan en sleepte het schuitje door het zand. Als een gedeelte van den ballast bij toeval ter aarde ware geworpen, zou de ballon verdwenen zijn en alle hoop om hem weder te vinden zou voor altijd verloren zijn geweest. Maar de vlugge Joe liep wat hij loopen kon en hield het schuitje tegen, terwijl de luchtballon op het zand ging liggen, op gevaar af van te scheuren. De doctor nam zijne gewone plaats in, stak de gasvlam aan en wierp het overtollige gewicht weg. De reizigers zagen voor de laatste maal naar de boomen der oase, die onder den storm bogen, en weldra verdwenen zij in den nacht, den wind vangende op tweehonderd voet boven den grond.De ballon in een storm.XXIX.Verschijnselen van plantengroei.—Phantastisch denkbeeld van een franschen schrijver.—Prachtigland.—Het koninkrijk Adamova.—De onderzoekingen van Burton en Speke vereenigd met die van Barth.—De bergen Atlantika.—De rivier Benoké.—De stad Yola.—De Bagélé.—De berg Mendif.Sedert het oogenblik van hun vertrek, vorderden de reizigers zeer snel; zij haastten zich de woestijn te verlaten, die hun bijna zoo noodlottig was geweest. Tegen kwartier over negenen des morgens zag men eenige verschijnselen van plantengroei, eenige kruiden drijvende op deze zandzee, hetgeen hun, even als aan Columbus, aantoonde dat het land nabij was; groene spruiten kwamen schuchter te voorschijn van tusschen steenen, die zelf rotsen van dien Oceaan zouden worden. Nog zeer lage heuvels golfden aan den horizon; zij teekenden zich nog niet duidelijk af, maar de eentonigheid verdween daardoor. De doctor begroette met vreugde deze nieuwe streek en, even als een zeeman die in den mast wacht houdt, was hij op het punt uit te roepen: “Land! land!” een uur later strekte zich het vasteland voor hunne oogen uit; het had wel is waar nog een woest uitzicht, maar was toch minder effen, minder naakt; eenige boomen teekenden zich af tegen den grijzen hemel. “Wij zijn dus in een beschaafd land!” zeide de jager.—“Beschaafd, mijnheer Dick; dat is bij manier van spreken, men ziet nog geene inwoners.”—“Dat zal niet lang duren,” antwoordde Ferguson,“wanneer wij zoo spoedig gaan.”—“Zullen wij altijd in het land der negers zijn?”—“Altijd, Joe, in afwachting van het land der Arabieren.”—“Der Arabieren, mijnheer, wezenlijke Arabieren! met hunne kameelen?”—“Neen, geene kameelen, die zijn zeldzaam, om niet te zeggen onbekend in deze streken; men moet wat noordelijker opgaan, om hen te ontmoeten.”—“Dat is jammer.”—“Waarom, Joe?”—“Omdat, als wij tegenwind kregen, zij ons zouden kunnen dienen.”—“Hoe dan?”—“Mijnheer, het is een denkbeeld, dat mij voor den geest komt: men zou hen aan het schuitje kunnen spannen en ons door hen op sleeptouw doen nemen; wat zegt gij daarvan?”—“Mijn beste Joe, dit denkbeeld heeft een ander vóór u gehad; het is ten uitvoer gebracht door een zeer vernuftig fransch schrijver1..... wel is waar in een roman. Reizigers laten een luchtballon door kameelen trekken; daar komt een leeuw, die de kameelen verslindt, het sleeptouw inslikt en hen in hunne plaats trekt en zoo vervolgens. Gij ziet, dat dit alles slechts fantasie is en niets gemeens heeft met onze soort van beweging.”—Joe, een weinig beschaamd, dat zijn denkbeeld reeds bij een ander was opgekomen, zocht welk dier den leeuw zou hebben kunnen verslinden, maar vond het niet en begon weder het land te onderzoeken.De ballon boven een vlakte met olifanten.Een meer van middelmatige uitgestrektheid strekte zich voor zijne blikken uit, met een amphitheater van heuvels, die nog geene bergen konden worden genoemd: daar kronkelden talrijke en vruchtbarevalleien met hare ondoordringbare bosschen van de verschillendste boomen; de élaïs met bladeren van vijftien voet lang op een stam met scherpe doornen bezet, stak boven allen uit; de bombax verspreidde zijne zaden door den wind, de pendanus, die “Kenda” der Arabieren, verspreidde zijne balsemgeuren tot aan de streek, welke de Victoria doortrok; de papayer met handvormige bladeren, de boom, die de Soedan-noot voortbrengt, de baobab en de banaanboomen voltooiden dezen weelderigen plantengroei van de streken tusschen de keerkringen.—“Daar zijn de dieren,” zeide Joe, “de menschen zijn niet ver af.”—“Welke prachtige olifanten!” riep Kennedy uit. “Zou er geen middel zijn een weinig te jagen?”—“Hoe zouden wij stil kunnen houden met een zoo hevigen luchtstroom? Neen, getroost u nog een weinig de marteling van Tantalus2, later zult gij u daarvoor schadeloos stellen.”Er was waarlijk genoeg om de verbeelding van een jager op te wekken; het hart van Dick sprong in zijn binnenste op en zijne vingers hielden de kolf van zijn geweer krampachtig vast. De dieren van deze streek waren de planten waardig, de wilde os wentelde zich in zwaar gras, waaronder hij geheel verdween; grijze, zwarte of gele olifanten van de grootste soort trokken in massa door de bosschen, brekende, knagende, plunderende en hun doortocht door vernieling kenteekenende; van de met boomen begroeide helling der heuvels kwamen watervallen en riviertjes te voorschijn, die naar het noorden stroomden; ginds baadden zich rivierpaarden met groot geraas en lamentynen, twaalf voet lang, met een vischvormig lichaam, strekten zich op de oevers uit, hunne ronde, met melk gevulde uiers naar boven houdende. Het was eene geheel zeldzame menagerie in eene wonderbare kooi, waar talrijke vogels met duizenden kleuren de heesterachtige planten schakeerden. Aan deze kwistigheid der natuur herkende de doctor het koninkrijk Adamova. “Wij eigenen ons de hedendaagsche ontdekkingen toe,” zeide hij, “ik heb het afgebroken spoor der reizigers wedergevonden; dit is zeer gelukkig, mijne vrienden, wij zullen nu de onderzoekingen van Burton en Speke met die van doctor Barth kunnen verbinden, wij hebben Engelschen verlaten om een Hamburger te vinden, en weldra zullen wij aan het uiterste punt komen, dat die moedige reiziger heeft bereikt.”—“Het komt mij voor,” zeide Kennedy, “dat tusschen de onderzoekingen van deze beiden eene groote uitgestrektheid lands ligt, te oordeelen naar den weg, dien wij hebben afgelegd.”—“Dat is gemakkelijk te berekenen; neemde kaart en zie welke breedte de zuidelijke punt van het meer Ukéréoué heeft, dat Speke heeft bereikt.”—“Het ligt bijna op 37° lengte.”—“En de stad Yola, die wij dezen avond zullen opnemen en waar Barth geweest is, hoe is die gelegen?”—“Ongeveer op 12° lengte.”—“Dat is dus 25 graden, en tegen 60 mijlen per graad maakt dit 1500 mijlen.”—“Eene aardige wandeling,” zeide Joe, “voor hen die te voet gaan.”—“Dat zal echter gebeuren.Livingstoneen Moffat dringen altijd verder naar het binnenland door; de Nyassa, dien zij ontdekt hebben, is niet ver van het meer dat door Burton is gevonden; vóór het einde van deze eeuw zullen deze onmetelijke streken doorzocht zijn.”—“Maar,” voegde de doctor er bij, zijn kompas raadplegende, “het spijt mij, dat de wind ons zoover naar het westen voert, ik had liever noordwaarts willen gaan.”Na twaalf uren bevond zich de Victoria op de grenzen van Nigritië. De eerste inwoners van dit land, Chouas Arabieren, weidden hunne zwervende kudden. De hooge toppen van het Atlantika-gebergte kwamen boven den horizon. Geen Europeesche voet had die bergen ooit betreden, wier hoogte op ongeveer 1300 vaâm3wordt geschat. Hunne westelijke helling bepaalt den loop van alle wateren van dit gedeelte van Afrika, die zich in den Oceaan uitstorten; dit is het Maangebergte van deze streek. Eindelijk zagen de reizigers een waren stroom en de doctor herkende aan de ontzettende mierennesten, die in zijne nabijheid waren, den Bénoué, een der groote takken van den Niger, dien de inboorlingen den naam van “Bron der wateren” hebben gegeven.—“Deze stroom,” zeide de doctor “zal eens de natuurlijke weg van gemeenschap worden met het binnenste van Nigritië; onder bevel van een onzer dappere kapiteins, is de stoomboot la Pléiade hem reeds opgevaren tot aan de stad Yola; gij ziet, dat wij in een bekend land zijn.”Talrijke slaven hielden zich met veldarbeid bezig, den sorgho kweekende, eene soort van gierst, die het voornaamste deel van hunne voeding uitmaakt. De domste verbazing teekende zich op hun gelaat bij het verschijnen van den ballon, die als een luchtverheveling voorbij ging. Des avonds hield hij stil op 40 mijlen afstand van Yola en vóór hem, maar in de verte, verhieven zich de puntige toppen van den berg Mendif. De doctor liet de ankers uitwerpen in den top van een hoogen boom; maar een hevige wind slingerde den ballon zoodanig, dat hij hem bijna in eene horizontale stelling bracht en soms den toestand van het schuitje uiterst gevaarlijk maakte. Ferguson sloot dien nacht geen oog, dikwijls was hij op het punt het ankertouw door te hakken en den storm te ontvluchten. Eindelijk bedaarde deze en de schommelingen van den luchtballon hadden niets verontrustends meer.De kraters van het Mendifgebergte. Blz. 166.De kraters van het Mendifgebergte. Blz.166.Des anderen daags was de wind minder hevig, maar verwijderde de reizigers van de stad Yola, die, pas weder opgebouwd door de Foullanaas, de nieuwsgierigheid van Ferguson opwekte; men moestzich echter getroosten noordwaarts en zelfs een weinig oostwaarts te gaan. Kennedy stelde voor in dit land halt te houden om te jagen; Joe beweerde, dat de behoefte aan versch vleesch zich deed gevoelen; maar de woeste zeden van dit land, de houding der bevolking, eenige geweerschoten op de Victoria gelost, deden den doctor besluiten zijne reis te vervolgen. Men trok toen eene streek door, die het tooneel was van moord en brand, waar onophoudelijk wordt oorlog gevoerd en waar de sultans hun rijk op het spel zetten te midden van een woest bloedbad. Talrijke en volkrijke dorpen met langwerpige hutten strekten zich uit tusschen de groote weiden, wier dik gras met paarsche bloemen was bezaaid; de hutten op groote bijenkorven gelijkende, werden beschut door puntige palissaden. De hellingen der heuvels herinnerden aan de “glen” in de Schotsche hooglanden en Kennedy maakte dikwijls die opmerking. In weerwil zijner pogingen ging de doctor recht noord-oostwaarts naar het Mendif-gebergte, dat in de wolken verdween; de hooge toppen dezer bergen scheiden het dal van den Niger van het dal van het meer Tchad. Weldra zag men den Bagélé met zijne 28 dorpen, die als het ware aan zijne zijde hingen, als een troep kinderen aan den boezem hunner moeder; het was een prachtig schouwspel voor de blikken van hen, die dit in hun geheel konden overzien; de kloven waren bedekt met velden rijst en arachiden. Ten drie uur bevond de Victoria zich tegenover het gebergte Mendif. Men had het niet kunnen mijden en moest het overtrekken; de doctor gaf door middel van eene temperatuur van 180 graden aan den ballon eene nieuwe stijgkracht van bijna 1600 pond; hij steeg hooger dan 8000 voet. Dit was de grootste hoogte die zij op hunne reis hadden bereikt en de temperatuur werd zoo laag dat de reizigers hunne dekens moesten gebruiken. Ferguson haastte zich te dalen; het omkleedsel van den ballon spande zich uit tot barstens toe; echter had hij den tijd om den vulkanischen oorsprong der bergen waar te nemen, wier uitgedoofde kraters nu slechts diepe afgronden zijn. Eene groote menigte vogelendrek gaf aan de zijden van het Mendif gebergte het aanzien van kalkrotsen, en er was genoeg voorraad om de landen van geheel het Vereenigde Koninkrijk te bemesten. Ten vijf uur ging de ballon, beschut tegen de zuidewinden, zachtjes langs de helling der bergen en hield stil op eene groote opene plek, ver van elke woning; zoodra hij op den grond was gekomen, werden er voorzorgen genomen om hem er stevig vast te houden en Kennedy met zijn geweer in de hand, begaf zich naar de hellende vlakte. Weldra kwam hij terug met een half dozijn wilde eenden en eene soort van kleine snippen, die Joe zoo goed hij kon gereed maakte. Het maal was aangenaam en de nacht ging in diepe rust voorbij.1Mery.2Een persoon uit de grieksche fabelleer, die de almacht der goden had willen beproeven. Daartoe noodigde hij hen op een maaltijd en zette hun het gebraden lijk voor van zijn zoon Pelops. Jupiter veroordeelde hem daarom, om in de onderwereld midden in het water te staan, met een met vruchten beladen boom boven zich. Telkens als hij het water of de vruchten wilde aanraken, weken zij terug.32533.765 Meter.XXX.Mosfeia.—De Scheik.—Denham, Clapperton, Oudney.—Vogel.—De hoofdstad van Loggoum.—Toole.—Windstilte boven Kernak.—De landvoogd en zijn hof.—De aanval.—De brandduiven.Des anderen daags, den 11denMei, hernam de ballon zijn avontuurlijken loop, de reizigers vertrouwden op hem als de zeeman op zijn schip. Vreeslijke orkanen, keerkringshitte, gevaarlijke opstijgingen, nog gevaarlijker dalingen, dit alles was zij goed te boven gekomen. Men kan zeggen dat Ferguson hem met een enkel gebaar bestuurde en de doctor koesterde geene vrees omtrent den goeden uitslag der reis, zonder echter het punt van aankomst te weten. Maar in dit land van barbaren en dweepers verplichtte de voorzichtigheid hem de strengste voorzorgen te nemen; hij beval dus zijne reisgenooten aan voortdurend een oog in ’t zeil te houden. De wind voerde hen een weinig meer noordwaarts en tegen negen uur zagen zij de groote stad Mosfeia, op eene hoogte gebouwd, welke zelve tusschen twee hooge bergen ligt besloten; zij was onneembaar, een nauwe weg tusschen een moeras en een bosch verleende den eenigen toegang tot haar. Op dit oogenblik deed een Scheik, vergezeld van een geleide te paard, in veelkleurige kleederen, voorafgegaan door trompetters en voorloopers, die de takken voor hem uit den weg ruimden, zijne intrede in de stad. De doctor daalde neder om deze inlanders meer van nabij te zien, maar naar mate de ballon grooter werd in hunne oogen, gaven zij teekens van groote vrees en snelden weg met al de snelheid hunner voeten of paarden. De Scheik alleen ging niet van zijne plaats, nam zijn lang musket, laadde het en wachtte moedig. De doctor naderde op nauwelijks 150 voet afstand en groette hem vriendelijk in het Arabisch. Maar op deze woorden, die uit den hemel kwamen, sprong de Scheik ter aarde, knielde in het stof op den weg en de doctor kon hem van zijn gebed niet afhouden.—“Het is onmogelijk,” zeide hij, “dat deze lieden ons anders dan voor bovennatuurlijke wezens houden; bij de eerste aankomst van Europeanen hielden zij hen voor een bovenmenschelijk ras. En als de Scheik van deze ontmoeting spreekt, zal hij het feit met alle hulpmiddelen eener arabische verbeeldingskracht opsieren. Oordeelt nu eens, wat de legenden eens van ons zullen zeggen.”—“Het zal misschien te bejammeren zijn,” antwoordde de jager, “in het belang der beschaving zou het beter zijn voor eenvoudige menschen door te gaan, dat zou aan die negers een geheel ander denkbeeld geven van de europeesche macht.”—“Juist, mijn waarde Dick; maar wat kunnen wij er aandoen? Al verklaardet gij aan de geleerden van dit land in het breede de samenstelling en werking van een luchtballon, zij zouden het niet begrijpen en altijd aan eene bovennatuurlijke tusschenkomst gelooven.”—“Mijnheer,” vroeg Joe, “gij hebt gesproken van de eerste Europeanen, die dit land onderzocht hebben, wie zijn dat?”—“Mijn beste jongen, wij zijn juist op den weg, dien Denham gevolgd is: te Mosfeia werd hij ontvangen door den Sultan van Mandara; hij had Bornou verlaten, vergezelde den Scheik op eene expeditie tegen de Fellatahs, woonde den aanval op de stad bij, die met de pijlen harer bewoners dapper weerstand bood aan de arabische kogels en de troepen van den Scheik op de vlucht jaagde, dit alles was slechts een voorwendsel tot moord en plundering; de majoor werd geheel uitgeplunderd, naakt uitgeschud en zonder een paard, onder welks buik hij zich verborg en dat hem, door zijn snellen loop, in staat stelde de overwinnaars te ontkomen, zou hij nooit weder te Kouka, hoofdstad van Bornou gekomen zijn.”—“Wie was die majoor Denham?”—“Een onverschrokken Engelschman, die van 1822 tot 1824 het bevel voerde over eene expeditie in Bornou, vergezeld door kapitein Clapperton en doctor Oudney; zij vertrokken in Maart van Tripoli, kwamen te Mourzouk, hoofdstad van Fezzan en den weg volgende, dien later doctor Barth moest inslaan om naar Europa terug te keeren, kwamen zij den 16denFebruari 1823 te Kouka, bij het meer Tchad. Denham deed verscheidene ontdekkingstochten in Bornou, Mandara en aan de oostelijke oevers van het meer; gedurende dien tijd drongen kapitein Clapperton en doctor Oudney den 15denDecember 1823 in Soudan tot Sackatou door en Oudney stierf van vermoeienis en uitputting in de stad Murmur.”—“Dit gedeelte van Afrika,” vroeg Kennedy, “heeft der wetenschap dus vele slachtoffers gekost?”—“Ja, deze streek is noodlottig; wij gaan recht toe op het koninkrijk Barghimi, waar Vogel in 1836 doortrok om in Wadaï door te dringen, waar hij verdwenen is. Deze jongeling werd, drie-en-twintig jaar oud, gezonden om doctor Barth te helpen: zij ontmoetten elkander den 1stenDecember 1854, waarop Vogel het land begon te onderzoeken; omstreeks 1856 gaf hij in zijne laatste brieven zijn voornemen te kennen om het koninkrijk Wadaï te doorkruisen, waar geen Europeaan nog was geweest; het schijnt, dat hij de hoofdstad Wara bereikte, waar hij volgens sommigen gevangen werd genomen, volgens anderen ter dood gebracht, omdat hij een heiligen berg der omstreken had trachten te beklimmen; maar men moet niet zoo licht aan den dood der reizigers gelooven, dit wint de moeite uit hen op te zoeken; hoe dikwijls toch is de tijding van den dood van doctor Barth officieel bekend gemaakt, hetgeen hem dikwijls rechtmatig verbitterde! Het is dus zeer mogelijk dat Vogel door den sultan van Wadaï wordt gevangen gehouden, in de hoop hem te doenloskoopen. De baron Neimans ging op weg naar Wadaï, toen hij in 1855 te Kaïro stierf. Wij weten nu dat de Heuglin met de expeditie van Leipzig de sporen van Vogel gevolgd is, dus zullen wijweldra zekerheid hebben omtrent het lot van dien jongen en belangwekkenden reiziger.”1De gouverneur van Loggoum. Blz. 171.De gouverneur van Loggoum. Blz.171.Mosfeia was reeds lang aan den horizon verdwenen, Mandara vertoonde aan de blikken der reizigers zijne verbazende vruchtbaarheid met zijne acacia-bosschen en de kruidachtige planten der katoen- en indigo-velden; de Shari, die 80 mijlen verder zich in het meer Tchad stort, stroomde onstuimig verder. De doctor wees op de kaarten zijn loop aan zijne reisgezellen.—“Gij ziet,” zeide hij, “dat de onderzoekingen van dien geleerde uiterst nauwkeurig zijn; wij gaan recht af op het district Loggoum en misschien zelfs op de hoofdstad Kernak; daar stierf de ongelukkige Toole, nauwelijks 22 jaar oud; hij was een jonge Engelschman, vaandrig van het 80steregiment, die zich sedert eenige weken bij majoor Denham in Afrika had gevoegd, waar hij weldra den dood vond. Men kan deze onmetelijke streek met recht het kerkhof der Europeanen noemen.”Eenige kano’s, vijftig voet lang, zakten de Shari af; de Victoria, 1000 voet van de aarde, trok weinig de aandacht der inlanders tot zich, maar de wind, die tot heden nog al hevig was, begon te gaan liggen.—“Zullen wij weder windstilte krijgen?” zeide de doctor.—“Goed, meester, wij zullen niet altijd gebrek aan water hebben, noch de woestijn behoeven te vreezen.”—“Neen, maar nog geduchter volken.”—“Zie,” zeide Joe, “iets dat op eene stad gelijkt.”—“Dat is Kernak. De laatste zucht van den wind voert ons daarheen en wij kunnen, als wij willen, een nauwkeurigen platten grond daarvan teekenen.”—“Zullen wij niet nader komen?” vroeg Kennedy.—“Niets is gemakkelijker, Dick, wij zijn recht boven de stad; laat mij de kraan van de gaspijp een weinig toedraaien en wij zullen weldra dalen.”De Victoria bleef een halfuur daarna onbeweeglijk op tweehonderd voet van den grond.—“Nu zijn wij dichter bij Kernak,” zeide de doctor, “dan een man op het kruis der St. Paulskerk te Londen van den grond is. Dus kunnen wij op ons gemak zien.”—“Wat is toch dit geluid van houten hamers, dat men aan alle kanten hoort?” Joe keek oplettend rond en zag dat het geraas werd gemaakt door de talrijke wevers, die in de open lucht hun linnen klopten, dat uitgespreid was op groote boomstronken. De hoofdstad van Loggoum kon dus in haar geheel worden waargenomen, gelijk een ontrolde plattegrond; het was een ware stad met op eene rechte lijn staande huizen en vrij breede straten; op het midden van een groot plein werd slavenmarkt gehouden, er was een groote toevloedvan klanten; want de mandaraansche vrouwen, die zeer kleine handen en voeten hebben, zijn zeer gezocht en worden voordeelig verkocht.Het gezicht van den ballon had de reeds zoo dikwijls vermelde gevolgen; eerst kreten en daarop eene stomme verbazing; de zaken werden geschorst, het geraas hield op. De reizigers bleven onbeweeglijk en verloren geene enkele bijzonderheid van deze volkrijke stad uit het oog, zij daalden zelfs tot op zestig voet van den grond. Toen kwam de gouverneur van Loggoum uit zijne woning, zijn groenen standaard ontrollende, vergezeld door zijne muzikanten, die op schelle buffelhoorns bliezen en de menigte verzamelde zich om hem. Doctor Ferguson wilde zich doen verstaan, het gelukte hem niet. Deze bevolking, met een hoog voorhoofd, gevlochte haren en een arendsneus, scheen fier en verstandig, maar de tegenwoordigheid van de Victoria bracht haar zonderling in de war; men zag ruiters naar alle richtingen snellen; weldra werd het duidelijk dat de troepen van den vorst zich verzamelden om een zoo buitengewonen vijand te bestrijden. Joe ontplooide zakdoeken van alle kleuren, het baatte niets. Echter gebood de Scheik, door zijn hof omringd, stilte en sprak eene redeneering uit, waarvan de doctor niets begreep; het was arabisch vermengd met barghimisch; maar aan de algemeene gebarentaal herkende hij eene bepaalde uitnoodiging om heen te gaan; hij zou niets liever hebben gewenscht, maar bij gebrek aan wind was dit onmogelijk. Zijne onbeweeglijkheid verbitterde den Scheik en zijne hovelingen begonnen te huilen om het monster te verplichten zijn weg te vervolgen.Deze hovelingen waren zonderlinge personages, met vijf of zes kakelbonte hemden om het lijf; zij hadden vreeslijk dikke buiken, van welke eenigen valsch schenen. De doctor verbaasde zijne reisgezellen door hun mede te deelen dat dit de wijze was om den sultan het hof te maken. De omvang van het onderlijf was de maatstaf voor de eerzucht der mannen. Deze dikke menschen maakten gebaren, schreeuwden, vooral een van hen, die eerste minister moest zijn, als ten minste zijn omvang hier beneden zijn belooning ontving. De menigte der negers voegde hunne kreten bij die van het hof, terwijl zij de gebaren even als apen nabootsten, hetgeen eene enkele en oogenblikkelijke beweging van tienduizend armen veroorzaakte. Bij deze middelen tot het aanjagen van vrees, die onvoldoende werden geacht, voegde men andere, die geduchter waren. Soldaten, gewapend met bogen en pijlen, schaarden zich in slagorde; maar reeds zwol de Victoria en steeg bedaard buiten hun bereik. De Scheik, toen een musket grijpende, mikte op den ballon. Maar Kennedy hield hem in het oog en met een kogel uit zijne karabijn verpletterde hij het wapen in de hand van den Scheik. Op deze onverwachte slag volgde eene algemeene vlucht,iedereen keerde, zoo snel hij kon, naar zijne hut terug, en gedurende het overige gedeelte van den dag bleef de stad geheel eenzaam. De nacht kwam en met hem volkomen windstilte. Men moest besluiten onbeweeglijk te blijven op driehonderd voet van den grond, geen enkel vuur schitterde in het duister, er heerschte eene doodelijke stilte. De doctor verdubbelde zijne waakzaamheid; die stilte kon wel een valstrik verbergen. En hij had niet mis geraden. Tegen middernacht scheen de geheele stad in vuur; honderden vuurstreepen kruisten zich even als vuurpijlen, die eene aaneenschakeling van vlammen vormden.—“Dat is zonderling,” zeide de doctor.—“Maar God vergeve mij!” antwoordde Kennedy, “men zou zeggen dat de brand ons nadert.”—Inderdaad verhief zich deze vuurmassa, bij het geluid van verschrikkelijke kreten en losbrandingen van musketten, naar de Victoria. Joe maakte zich gereed ballast uit te werpen, Ferguson begreep weldra het verschijnsel. Duizenden duiven, wier staarten voorzien waren van brandbare stoffen, waren tegen de Victoria opgelaten; verschrikt stegen zij op terwijl zij in de lucht kringen vuur beschreven. Kennedy begon al zijn schietgeweer te lossen, maar wat vermocht hij tegen zulk eene tallooze menigte? Reeds omringden de duiven het schuitje en den ballon, welke, dit licht terugkaatsende, in eene vuurzee scheen te zweven. De doctor aarzelde niet en een stuk kwarts uitwerpende, hield hij zich buiten het bereik der aanvallen van die gevaarlijke vogels; twee uren lang zagmen hen in den nacht heen en weder vliegen, langzamerhand verminderde hun aantal en de vuren gingen uit.—“Nu kunnen wij gerust slapen,” zeide de doctor.—“Niet slecht uitgedacht voor wilden,” zeide Joe.—“Ja, zij bezigen gemeenlijk deze duiven om de strooien daken der dorpen in brand te steken, maar deze keer vloog het dorp hooger.”—“Een ballon heeft bepaald geene vijanden te vreezen.”—“Wel zeker,” antwoordde de doctor.—“Welke dan?”—“De onvoorzichtigen in zijn schuitje; waakt dus overal en altijd, mijne vrienden.”De Victoria, omgeven door vogels.1Sedert het vertrek van den doctor laten brieven van El’-Obeid door Munzinger, den nieuwen aanvoerder der expeditie geschreven, ongelukkig geen twijfel meer aangaande den dood van Vogel.XXXI.Vertrek in den nacht.—Alle drie.—Het instinct van Kennedy.—Voorzorgen.—De loop van den Shari.—Het meer Tchad.—Het water van het meer.—Het rivierpaard.—Een verloren kogel.Ongeveer drie uur in den morgen zag Joe, die de wacht had, eindelijk de stad onder zich verdwijnen. De Victoria ging weder vooruit. Kennedy en de doctor ontwaakten. Deze raadpleegde zijn kompas en zag met voldoening dat de wind hen naar het noord-noord-oosten voerde.—“Wij zijn gelukkig,” zeide hij, “alles gaat goed, wij zullen nog heden het meer Tchad zien.”—“Is dat eene groote uitgestrektheid water?” vroeg Kennedy.—“Van belang, mijn waarde Dick; op zijne grootste lengte en breedte kan dit meer 120 mijlen halen.”—“Dat zal in onze reis eenige afwisseling geven, als wij over een water gaan.”—“Maar het komt mij voor dat wij geen klagen hebben; zij is zeer afwisselend in gebeurtenissen en vooral zijn wij in den best mogelijken toestand.”—“Zonder twijfel, Samuel, behalve de ontberingen der woestijn, hebben wij geen ernstig gevaar geloopen.”—“Het is zeker dat onze brave Victoria zich altijd goed heeft gedragen. Wij hebben heden den 12denMei, wij zijn den 18denApril vertrokken en hebben dus 25 dagen gereisd. Nog tien dagen dan zullen wij aangekomen zijn.”—“Waar?”—“Daar weet ik niets van, maar wat komt het er op aan!”—“Gij hebt gelijk, Samuel, laat ons aan de Voorzienigheid de zorg overlaten om ons te richten en ons gezond te doen blijven, zoo als tot nu toe! Wij zien er niet naar uit, dat wij de ongezondste landen der wereld hebben doorreisd.”—“Wij waren in staat te stijgen en wij hebben het gedaan.”—“Leven de luchtreizen!” riep Joe uit; “wij zijn na vijf-en-twintig dagen welvarend en goed uitgerust, te veel misschien, want mijne beenen beginnen stijf te worden; ik zou wel eenigemijlen ver willen loopen.”—“Gij zult dit genoegen smaken in de straten van Londen; maar om te besluiten, wij zijn met ons drieën vertrokken, evenals Denham, Clapperton en Overweg, gelijk Barth, Richardson en Vogel, en gelukkiger dan onze voorgangers zijn wij nog allen bijeen. Maar het is van belang niet te scheiden. Als echter een van ons op den grond was en de Victoria moest stijgen om een plotseling, ongewoon gevaar te ontgaan, wie weet of wij hem wel ooit zouden wederzien? Daarom, ik zeg het rondborstig aan Kennedy, ik heb niet gaarne dat hij zich verwijdert om te jagen.”—“Gij zult mij toch wel toestaan, vriend Samuel, dezen lust nog eens bot te vieren; het kon geen kwaad onzen voorraad te vernieuwen; overigens hebt gij vóór ons vertrek mij deze reeks van jachtpartijen zoo heerlijk afgeschilderd, en tot heden heb ik er weinig aan gedaan.”—“Maar, mijn waarde Dick, uw geheugen schiet te kort, of uwe zedigheid doet u uwe heldendaden vergeten; ik meen, dat gij, zonder van het kleine wild te spreken, reeds eene antilope, een olifant en twee leeuwen op het geweten hebt.”—“Mooi! Wat beteekent dat voor een afrikaanschen jager, die alle dieren der schepping voorbij den loop van zijn geweer ziet gaan? Kijk, zie dezen troep giraffen eens.”—“Giraffen,” zeide Joe, “zij zijn zoo groot als mijn vuist.”—“Omdat wij 1000 voet boven hen zijn, maar van nabij zult gij zien, dat zij driemaal hooger zijn dan gij.”—“En wat zegt gij van dezen troep gazellen?” hernam Kennedy, “en van deze struisvogels, die met de snelheid van den wind vluchten.”—“Struisvogels!” zeide Joe, “het zijn kippen.”—“Laat ons zien, Samuel, kunnen wij niet naderbij komen?”—“Zeer zeker, Dick, maar niet op de aarde gaan. Waartoe zou het ook dienen die dieren te dooden, die ons van hoegenaamd geen nut zijn? Als het nog te doen was om een leeuw, eene tijgerkat of eene hyena te dooden, zou ik dat begrijpen, het zou altijd een gevaarlijk dier minder zijn; maar eene antilope, eene gazelle schieten, zonder ander voordeel dan de ijdele voldoening van uwe begeerten als jager, dat is waarlijk der moeite niet waard. Wij zullen op 100 voet van den grond stil blijven, en als gij een of ander wild dier ziet, zult gij ons een genoegen doen het een kogel in het hart te jagen.”De Victoria daalde langzamerhand, evenwel op eene veilige hoogte blijvende. In eene wilde en zeer bevolkte streek, moest men op onverwachte gevaren bedacht zijn. De reizigers volgden toen den loop van den Shari; de bekoorlijke oevers van die rivier verdwenen onder het lommer der boomen; klimplanten slingerden er van alle kanten om en brachten verschillende schakeeringen van kleuren voort. De krokodillen speelden in de zon of dompelden onder water met de snelheid eener hagedis; spelende kwamen zij aan de talrijke eilanden, die den loop der rivier tegenhielden. Aldus trokken zij, te midden eener rijke en weelderige natuur, doorhet district Maffatay. Tegen negen uur des morgens bereikten de reizigers eindelijk den zuidelijken oever van het meer Tchad. Daar was dan die Kaspische Zee van Afrika, wier bestaan zoolang tot de fabelen was gerekend, die binnenzee welke slechts werd bereikt door Denham en Barth. De doctor beproefde den tegenwoordigen vorm daarvan te bepalen, die zeer verschillend was van dien van 1847. Inderdaad, het is onmogelijk eene kaart van dit meer te maken; het wordt omringd door bijna onoverschrijdbare moerassen, waarin Barth dacht om te komen; van jaar tot jaar veranderen deze moerassen bedekt met riet en vijftien voet hooge papyrussen, in het meer zelf; dikwijls ook worden de steden aan zijne oevers ten halve overstroomd, zooals het Ngornou in 1856 gebeurde; en nu zwemmen de rivierpaarden op de plaatsen waar de woningen van Bornou stonden. De zon schoot hare verblindende stralen op dit kalme water, en in het noorden smolten de twee elementen aan den horizon ineen. De doctor wilde de natuur van het water onderzoeken, dat hij lang gemeend had zout te wezen; er stak geen gevaar in de oppervlakte van het meer te naderen en het schuitje ging er langs als een vogel, op vijf voet afstands. Joe dompelde er eene flesch in en haalde haar halfvol op; men beproefde het water en bevond het ondrinkbaar, en met een zekeren smaak van loogzout aangedaan.De Victoria boven een paar nijlpaarden.Terwijl de doctor het resultaat van zijn onderzoek opschreef, hoorde hij een schot aan zijne zijde. Kennedy had geen weerstand kunnen bieden aan de begeerte een reusachtig rivierpaard een kogel toe te zenden, het verdween op het geluid van de losbranding en de kegelvormige kogel van den jager scheen hem niets te deren.—“Het zou beter geweest zijn hem te harpoeneeren,” zeide Joe.—“En hoe?”—“Met een van onze ankers. Dat zou een passende hoek geweest zijn voor zulk een dier.”—“Maar,” zeide Kennedy, “Joe heeft daar waarlijk een denkbeeld”... “Dat ik u verzoek niet ten uitvoer te brengen,” antwoordde den doctor. “Het dier zou ons spoedig daarheen gesleept hebben, waar wij niet noodig hebben.”—“Vooral nu wij zekerheid hebben omtrent het water van het meer Tchad. Kan men dit dier eten, mijnheer Ferguson?”—“Het is niets anders dan een zoogdier, dat tot het ras der dikhuidigen behoort; zijn vleesch is uitmuntend, zegt men en maakt een tak uit van een aanzienlijken handel onder de stammen aan de oevers van het meer.”—“Dan spijt het mij dat het schot van mijnheer Dick niet beter heeft getroffen.”—“Dit dier is slechts kwetsbaar aan den buik en tusschen de dijen; de kogel van Dick heeft hem zelfs niet eens geschampt. Maar als het terrein mij gunstig schijnt, zullen wij aan het noordelijke uiteinde van het meer stilhouden, daar zal Kennedy als in eene menagerie zijn en zich op zijn gemak schadeloos kunnen stellen.”—“Welnu!” zeide Joe, “laat mijnheer Dick een weinig jacht maken op het rivierpaard! Ik zou wel eens het vleesch van dit tweeslachtig dier willen proeven; het is waarlijk niet natuurlijk tot in het hart van Afrika door te dringen, om slechts van kleine snippen en patrijzen te leven even als in Engeland.”XXXII.
In de oasis Blz. 156.In de oasis Blz.156.
In de oasis Blz. 156.
In de oasis Blz.156.
“Het is inderdaad zoo tegennatuurlijk,” antwoordde de doctor, “dat niemand geloof heeft willen slaan aan de verhalen der eerste reizigers in Afrika; deze verhalen, dat verscheidene volksstammen zich met rauw vleesch voedden, en men hechtte daaraan in het algemeen geen geloof. Onder deze omstandigheden overkwam een zonderling avontuur aan James Bruce.”
“Verhaal ons dat, mijnheer, wij hebben den tijd om naar u te luisteren,” zeide Joe, zich met wellust op het frissche gras uitstrekkende.
“Gaarne. James Bruce was een Schot uit het graafschap Stirling, die van 1768 tot 1772 geheel Abyssinië tot aan het meer Tyana doorreisde, om de bronnen van den Nijl te zoeken; hij kwam in Engeland terug, waar hij eerst in 1790 zijne reizen door den druk bekend maakte. Zijne verhalen werden met groot ongeloof ontvangen, een ongeloof dat zonder twijfel ook de onzen wachten. De gewoonten derAbyssiniërsschenen zoo zeer verschillend van de Engelsche, dat niemand ze wilde gelooven. Onder andere bijzonderheden had James Bruce verzekerd dat de volken van Oostelijk Afrika rauw vleesch aten; dit joeg iedereen tegen hem in het harnas.”—“Hij kon er gemakkelijk van spreken,” zeide men, “men zou het niet gaan onderzoeken.” Bruce was zeer moedig en oploopend. Deze twijfelingen verbitterden hem ten hoogste. Eens kwam een Schot, in een salon vanEdinburg, in zijne tegenwoordigheid weder op de dagelijksche spotternijen terug en, wat het rauwe vleesch betrof verklaarde hij ronduit, dat de zaak noch mogelijk noch waar was. Bruce zeide niets, hij ging uit het vertrek en kwam eenigen tijd daarna terug met een rauwen biefstuk, op de Afrikaansche wijzen gezouten en gepeperd. “Mijnheer,” zeide hij tot den Schot, “als gij twijfelt aan eene zaak, die ik heb verhaald, hebt gij mij eene groote beleediging aangedaan, en als gij haar onuitvoerbaar acht, hebt gij u bedrogen. En om het aan allen te bewijzen, zult gij terstond een rauwen biefstuk opeten, of mij voldoening geven voor uwe woorden.” De Schot werd bang en gehoorzaamde niet zonder tegenzin. Toen voegde James Bruce er met de grootste koelbloedigheid bij: “Als men aanneemt dat de zaak niet waar is, mijnheer, zult gij niet meer beweren, dat zij onmogelijk is.”
“Goed geantwoord,” zeide Joe. “Als de Schot eene indigestie had gekregen, zou hij niets meer hebben gehad dan hij verdiende en als men, bij onze terugkomst in Engeland onze reis in twijfel trekt....”—” Welnu! wat zult gij dan doen? Joe.”—“Ik zal de ongeloovigen de stukken van den Victoria zonder zout en peper laten opeten!”
Iedereen begon te lachen om Joe. De dag ging met aangename gesprekken voorbij, met de kracht herleefde de hoop, de moed. Het verledene verdween voor de toekomst. Joe zou deze bekoorlijkeverblijfplaats niet hebben willen verlaten; zij was het rijk zijner droomen, hij vond zich te huis; zijn meester moest hem de juiste plaats opgeven en met grooten ernst schreef hij in zijn zakboekje, 15° 43′ lengte en 8° 32′ breedte. Kennedy had slechts spijt dat hij in dit kleine woud niet kon jagen; volgens hem was er te veel gebrek aan wilde dieren. “Echter, mijn waarde Dick,” hernam de doctor, “vergeet gij spoedig dien leeuw en die leeuwin?”“Dat!” zeide hij met de verachting van een waar jager voor het neergeschoten dier! “Maar hunne tegenwoordigheid in deze oase kan doen vermoeden dat wij niet ver van vruchtbare streken verwijderd zijn.”—“Dit is een zwak bewijs, Dick; deze dieren, door honger of dorst gedreven, leggen soms groote afstanden af; den volgenden nacht zullen wij zelfs zeer wel doen zorgvuldiger te waken en vuren te ontsteken.”—“In deze temperatuur,” zeide Joe. “Maar, als het noodig is, zullen wij het doen. Het zal mij echter zeer spijten dit fraaie hout, dat ons van zooveel nut is geweest, te verbranden.”—“Wij zullen oppassen het niet in brand te steken,” antwoordde de doctor, “opdat anderen er eene toevlucht zullen kunnen vinden te midden der woestijn.”—“Men zal er op passen, mijnheer, maar denkt gij dat deze oase bekend is?”—“Zeker. Het is een rustplaats voor de karavanen, die het midden van Afrika bezoeken, en hun bezoek zou er wel eens niet aangenaam kunnen zijn, Joe.”—“Zijn er hier nog meer van die afschuwelijke Nyam-Nyam?”—“Zonder twijfel; het is de algemeene naam van al deze volken, en onder hetzelfde klimaat moeten dezelfde stammen dezelfde gewoonten hebben.”—“Pouah!” zeide Joe. “Maar alles bijeengenomen is het heel natuurlijk. Als wilden een smaak als heeren hadden, waar zou het verschil dan zijn? Bij voorbeeld, zie daar brave lieden, die zich niet zouden laten noodigen, om den biefstuk van den Schot en zelfs den Schot op den koop toe te verslinden.” Na deze verstandige opmerking ging Joe het hout voor den nacht opstapelen. De voorzorg was echter onnoodig, en beurtelings genoten zij een diepen, vreedzamen slaap. Des anderen daags veranderde het weder nog niet; het bleef even schoon. De ballon bleef onbeweeglijk, zonder dat een schommeling een koeltje verried. De doctor begon verder ongerust te worden; als de reis zoo veel langer moest duren, zouden zij geene levensmiddelen genoeg hebben. Na uit gebrek aan water bijna bezweken te zijn, zouden zij van honger moeten omkomen. Maar hij stelde zich weder gerust, toen hij eene aanmerkelijke daling van den barometer waarnam; er waren blijkbare teekenen van eene aanstaande verandering in den dampkring; hij besloot dus zich tot het vertrek gereed te maken om van de eerste gelegenheid gebruik te maken; beide bakken werden geheel gevuld. Hij moest ook het evenwicht in den luchtballon herstellen en Joe was verplicht een aanzienlijk deel van zijn kostbaar erts op te offeren.Met de gezondheid was zijne eerzucht weergekeerd; hij keek herhaalde malen onvriendelijk voordat hij zijn meester gehoorzaamde, maar deze bewees hem, dat hij een zoo groot gewicht niet kon optillen, hij gaf hem de keus tusschen het water of het goud; Joe aarzelde niet meer en wierp eene groote hoeveelheid kwarts in het zand.—“Dat is voor hen, die na ons komen,” zeide hij, “zij zullen zeer verbaasd zijn, hun fortuin op deze plaats te vinden.”—“En als een geleerd reiziger deze staaltjes vindt?....”—“Twijfel er niet aan, mijn waarde Dick, dat hij zeer verwonderd zal zijn en zijne verwondering in talrijke folianten zal bekend maken. Wij zullen een of anderen tijd hooren spreken van eene wonderbare soort van kwarts in het zand van Afrika.”—“En Joe zal daarvan de oorzaak wezen.”
Gedurende het overige gedeelte van den dag wachtte de doctor te vergeefs eene verandering in den dampkring; de temperatuur werd hooger en zou onverdraaglijk zijn geweest zonder het lommer der oase. De thermometer wees in de zon 149 graden, een regen van vuur doorkruiste de lucht. Het was de grootste hitte, die zij hadden waargenomen. Joe maakte, even als den vorigen avond, hun bivouak gereed, en gedurende de wacht van den doctor en Kennedy had er niets bijzonders plaats. Maar tegen drie uur des morgens, toen Joe de wacht had, werd de temperatuur eensklaps lager, de hemel bedekte zich met wolken en de duisternis werd grooter.—“Op!” riep Joe, zijne twee reisgezellen wekkende, “zie hier den wind.”—“Eindelijk,” zeide de doctor, den hemel beschouwende, “maar het is een storm! Naar den Victoria!” Het was meer dan tijd om er te komen. De Victoria boog zich onder den invloed van den orkaan en sleepte het schuitje door het zand. Als een gedeelte van den ballast bij toeval ter aarde ware geworpen, zou de ballon verdwenen zijn en alle hoop om hem weder te vinden zou voor altijd verloren zijn geweest. Maar de vlugge Joe liep wat hij loopen kon en hield het schuitje tegen, terwijl de luchtballon op het zand ging liggen, op gevaar af van te scheuren. De doctor nam zijne gewone plaats in, stak de gasvlam aan en wierp het overtollige gewicht weg. De reizigers zagen voor de laatste maal naar de boomen der oase, die onder den storm bogen, en weldra verdwenen zij in den nacht, den wind vangende op tweehonderd voet boven den grond.
De ballon in een storm.
De ballon in een storm.
Verschijnselen van plantengroei.—Phantastisch denkbeeld van een franschen schrijver.—Prachtigland.—Het koninkrijk Adamova.—De onderzoekingen van Burton en Speke vereenigd met die van Barth.—De bergen Atlantika.—De rivier Benoké.—De stad Yola.—De Bagélé.—De berg Mendif.
Verschijnselen van plantengroei.—Phantastisch denkbeeld van een franschen schrijver.—Prachtigland.—Het koninkrijk Adamova.—De onderzoekingen van Burton en Speke vereenigd met die van Barth.—De bergen Atlantika.—De rivier Benoké.—De stad Yola.—De Bagélé.—De berg Mendif.
Sedert het oogenblik van hun vertrek, vorderden de reizigers zeer snel; zij haastten zich de woestijn te verlaten, die hun bijna zoo noodlottig was geweest. Tegen kwartier over negenen des morgens zag men eenige verschijnselen van plantengroei, eenige kruiden drijvende op deze zandzee, hetgeen hun, even als aan Columbus, aantoonde dat het land nabij was; groene spruiten kwamen schuchter te voorschijn van tusschen steenen, die zelf rotsen van dien Oceaan zouden worden. Nog zeer lage heuvels golfden aan den horizon; zij teekenden zich nog niet duidelijk af, maar de eentonigheid verdween daardoor. De doctor begroette met vreugde deze nieuwe streek en, even als een zeeman die in den mast wacht houdt, was hij op het punt uit te roepen: “Land! land!” een uur later strekte zich het vasteland voor hunne oogen uit; het had wel is waar nog een woest uitzicht, maar was toch minder effen, minder naakt; eenige boomen teekenden zich af tegen den grijzen hemel. “Wij zijn dus in een beschaafd land!” zeide de jager.—“Beschaafd, mijnheer Dick; dat is bij manier van spreken, men ziet nog geene inwoners.”—“Dat zal niet lang duren,” antwoordde Ferguson,“wanneer wij zoo spoedig gaan.”—“Zullen wij altijd in het land der negers zijn?”—“Altijd, Joe, in afwachting van het land der Arabieren.”—“Der Arabieren, mijnheer, wezenlijke Arabieren! met hunne kameelen?”—“Neen, geene kameelen, die zijn zeldzaam, om niet te zeggen onbekend in deze streken; men moet wat noordelijker opgaan, om hen te ontmoeten.”—“Dat is jammer.”—“Waarom, Joe?”—“Omdat, als wij tegenwind kregen, zij ons zouden kunnen dienen.”—“Hoe dan?”—“Mijnheer, het is een denkbeeld, dat mij voor den geest komt: men zou hen aan het schuitje kunnen spannen en ons door hen op sleeptouw doen nemen; wat zegt gij daarvan?”—“Mijn beste Joe, dit denkbeeld heeft een ander vóór u gehad; het is ten uitvoer gebracht door een zeer vernuftig fransch schrijver1..... wel is waar in een roman. Reizigers laten een luchtballon door kameelen trekken; daar komt een leeuw, die de kameelen verslindt, het sleeptouw inslikt en hen in hunne plaats trekt en zoo vervolgens. Gij ziet, dat dit alles slechts fantasie is en niets gemeens heeft met onze soort van beweging.”—Joe, een weinig beschaamd, dat zijn denkbeeld reeds bij een ander was opgekomen, zocht welk dier den leeuw zou hebben kunnen verslinden, maar vond het niet en begon weder het land te onderzoeken.
De ballon boven een vlakte met olifanten.
De ballon boven een vlakte met olifanten.
Een meer van middelmatige uitgestrektheid strekte zich voor zijne blikken uit, met een amphitheater van heuvels, die nog geene bergen konden worden genoemd: daar kronkelden talrijke en vruchtbarevalleien met hare ondoordringbare bosschen van de verschillendste boomen; de élaïs met bladeren van vijftien voet lang op een stam met scherpe doornen bezet, stak boven allen uit; de bombax verspreidde zijne zaden door den wind, de pendanus, die “Kenda” der Arabieren, verspreidde zijne balsemgeuren tot aan de streek, welke de Victoria doortrok; de papayer met handvormige bladeren, de boom, die de Soedan-noot voortbrengt, de baobab en de banaanboomen voltooiden dezen weelderigen plantengroei van de streken tusschen de keerkringen.—“Daar zijn de dieren,” zeide Joe, “de menschen zijn niet ver af.”—“Welke prachtige olifanten!” riep Kennedy uit. “Zou er geen middel zijn een weinig te jagen?”—“Hoe zouden wij stil kunnen houden met een zoo hevigen luchtstroom? Neen, getroost u nog een weinig de marteling van Tantalus2, later zult gij u daarvoor schadeloos stellen.”
Er was waarlijk genoeg om de verbeelding van een jager op te wekken; het hart van Dick sprong in zijn binnenste op en zijne vingers hielden de kolf van zijn geweer krampachtig vast. De dieren van deze streek waren de planten waardig, de wilde os wentelde zich in zwaar gras, waaronder hij geheel verdween; grijze, zwarte of gele olifanten van de grootste soort trokken in massa door de bosschen, brekende, knagende, plunderende en hun doortocht door vernieling kenteekenende; van de met boomen begroeide helling der heuvels kwamen watervallen en riviertjes te voorschijn, die naar het noorden stroomden; ginds baadden zich rivierpaarden met groot geraas en lamentynen, twaalf voet lang, met een vischvormig lichaam, strekten zich op de oevers uit, hunne ronde, met melk gevulde uiers naar boven houdende. Het was eene geheel zeldzame menagerie in eene wonderbare kooi, waar talrijke vogels met duizenden kleuren de heesterachtige planten schakeerden. Aan deze kwistigheid der natuur herkende de doctor het koninkrijk Adamova. “Wij eigenen ons de hedendaagsche ontdekkingen toe,” zeide hij, “ik heb het afgebroken spoor der reizigers wedergevonden; dit is zeer gelukkig, mijne vrienden, wij zullen nu de onderzoekingen van Burton en Speke met die van doctor Barth kunnen verbinden, wij hebben Engelschen verlaten om een Hamburger te vinden, en weldra zullen wij aan het uiterste punt komen, dat die moedige reiziger heeft bereikt.”—“Het komt mij voor,” zeide Kennedy, “dat tusschen de onderzoekingen van deze beiden eene groote uitgestrektheid lands ligt, te oordeelen naar den weg, dien wij hebben afgelegd.”—“Dat is gemakkelijk te berekenen; neemde kaart en zie welke breedte de zuidelijke punt van het meer Ukéréoué heeft, dat Speke heeft bereikt.”—“Het ligt bijna op 37° lengte.”—“En de stad Yola, die wij dezen avond zullen opnemen en waar Barth geweest is, hoe is die gelegen?”—“Ongeveer op 12° lengte.”—“Dat is dus 25 graden, en tegen 60 mijlen per graad maakt dit 1500 mijlen.”—“Eene aardige wandeling,” zeide Joe, “voor hen die te voet gaan.”—“Dat zal echter gebeuren.Livingstoneen Moffat dringen altijd verder naar het binnenland door; de Nyassa, dien zij ontdekt hebben, is niet ver van het meer dat door Burton is gevonden; vóór het einde van deze eeuw zullen deze onmetelijke streken doorzocht zijn.”—“Maar,” voegde de doctor er bij, zijn kompas raadplegende, “het spijt mij, dat de wind ons zoover naar het westen voert, ik had liever noordwaarts willen gaan.”
Na twaalf uren bevond zich de Victoria op de grenzen van Nigritië. De eerste inwoners van dit land, Chouas Arabieren, weidden hunne zwervende kudden. De hooge toppen van het Atlantika-gebergte kwamen boven den horizon. Geen Europeesche voet had die bergen ooit betreden, wier hoogte op ongeveer 1300 vaâm3wordt geschat. Hunne westelijke helling bepaalt den loop van alle wateren van dit gedeelte van Afrika, die zich in den Oceaan uitstorten; dit is het Maangebergte van deze streek. Eindelijk zagen de reizigers een waren stroom en de doctor herkende aan de ontzettende mierennesten, die in zijne nabijheid waren, den Bénoué, een der groote takken van den Niger, dien de inboorlingen den naam van “Bron der wateren” hebben gegeven.—“Deze stroom,” zeide de doctor “zal eens de natuurlijke weg van gemeenschap worden met het binnenste van Nigritië; onder bevel van een onzer dappere kapiteins, is de stoomboot la Pléiade hem reeds opgevaren tot aan de stad Yola; gij ziet, dat wij in een bekend land zijn.”
Talrijke slaven hielden zich met veldarbeid bezig, den sorgho kweekende, eene soort van gierst, die het voornaamste deel van hunne voeding uitmaakt. De domste verbazing teekende zich op hun gelaat bij het verschijnen van den ballon, die als een luchtverheveling voorbij ging. Des avonds hield hij stil op 40 mijlen afstand van Yola en vóór hem, maar in de verte, verhieven zich de puntige toppen van den berg Mendif. De doctor liet de ankers uitwerpen in den top van een hoogen boom; maar een hevige wind slingerde den ballon zoodanig, dat hij hem bijna in eene horizontale stelling bracht en soms den toestand van het schuitje uiterst gevaarlijk maakte. Ferguson sloot dien nacht geen oog, dikwijls was hij op het punt het ankertouw door te hakken en den storm te ontvluchten. Eindelijk bedaarde deze en de schommelingen van den luchtballon hadden niets verontrustends meer.
De kraters van het Mendifgebergte. Blz. 166.De kraters van het Mendifgebergte. Blz.166.
De kraters van het Mendifgebergte. Blz. 166.
De kraters van het Mendifgebergte. Blz.166.
Des anderen daags was de wind minder hevig, maar verwijderde de reizigers van de stad Yola, die, pas weder opgebouwd door de Foullanaas, de nieuwsgierigheid van Ferguson opwekte; men moestzich echter getroosten noordwaarts en zelfs een weinig oostwaarts te gaan. Kennedy stelde voor in dit land halt te houden om te jagen; Joe beweerde, dat de behoefte aan versch vleesch zich deed gevoelen; maar de woeste zeden van dit land, de houding der bevolking, eenige geweerschoten op de Victoria gelost, deden den doctor besluiten zijne reis te vervolgen. Men trok toen eene streek door, die het tooneel was van moord en brand, waar onophoudelijk wordt oorlog gevoerd en waar de sultans hun rijk op het spel zetten te midden van een woest bloedbad. Talrijke en volkrijke dorpen met langwerpige hutten strekten zich uit tusschen de groote weiden, wier dik gras met paarsche bloemen was bezaaid; de hutten op groote bijenkorven gelijkende, werden beschut door puntige palissaden. De hellingen der heuvels herinnerden aan de “glen” in de Schotsche hooglanden en Kennedy maakte dikwijls die opmerking. In weerwil zijner pogingen ging de doctor recht noord-oostwaarts naar het Mendif-gebergte, dat in de wolken verdween; de hooge toppen dezer bergen scheiden het dal van den Niger van het dal van het meer Tchad. Weldra zag men den Bagélé met zijne 28 dorpen, die als het ware aan zijne zijde hingen, als een troep kinderen aan den boezem hunner moeder; het was een prachtig schouwspel voor de blikken van hen, die dit in hun geheel konden overzien; de kloven waren bedekt met velden rijst en arachiden. Ten drie uur bevond de Victoria zich tegenover het gebergte Mendif. Men had het niet kunnen mijden en moest het overtrekken; de doctor gaf door middel van eene temperatuur van 180 graden aan den ballon eene nieuwe stijgkracht van bijna 1600 pond; hij steeg hooger dan 8000 voet. Dit was de grootste hoogte die zij op hunne reis hadden bereikt en de temperatuur werd zoo laag dat de reizigers hunne dekens moesten gebruiken. Ferguson haastte zich te dalen; het omkleedsel van den ballon spande zich uit tot barstens toe; echter had hij den tijd om den vulkanischen oorsprong der bergen waar te nemen, wier uitgedoofde kraters nu slechts diepe afgronden zijn. Eene groote menigte vogelendrek gaf aan de zijden van het Mendif gebergte het aanzien van kalkrotsen, en er was genoeg voorraad om de landen van geheel het Vereenigde Koninkrijk te bemesten. Ten vijf uur ging de ballon, beschut tegen de zuidewinden, zachtjes langs de helling der bergen en hield stil op eene groote opene plek, ver van elke woning; zoodra hij op den grond was gekomen, werden er voorzorgen genomen om hem er stevig vast te houden en Kennedy met zijn geweer in de hand, begaf zich naar de hellende vlakte. Weldra kwam hij terug met een half dozijn wilde eenden en eene soort van kleine snippen, die Joe zoo goed hij kon gereed maakte. Het maal was aangenaam en de nacht ging in diepe rust voorbij.
1Mery.2Een persoon uit de grieksche fabelleer, die de almacht der goden had willen beproeven. Daartoe noodigde hij hen op een maaltijd en zette hun het gebraden lijk voor van zijn zoon Pelops. Jupiter veroordeelde hem daarom, om in de onderwereld midden in het water te staan, met een met vruchten beladen boom boven zich. Telkens als hij het water of de vruchten wilde aanraken, weken zij terug.32533.765 Meter.
1Mery.
2Een persoon uit de grieksche fabelleer, die de almacht der goden had willen beproeven. Daartoe noodigde hij hen op een maaltijd en zette hun het gebraden lijk voor van zijn zoon Pelops. Jupiter veroordeelde hem daarom, om in de onderwereld midden in het water te staan, met een met vruchten beladen boom boven zich. Telkens als hij het water of de vruchten wilde aanraken, weken zij terug.
32533.765 Meter.
Mosfeia.—De Scheik.—Denham, Clapperton, Oudney.—Vogel.—De hoofdstad van Loggoum.—Toole.—Windstilte boven Kernak.—De landvoogd en zijn hof.—De aanval.—De brandduiven.
Mosfeia.—De Scheik.—Denham, Clapperton, Oudney.—Vogel.—De hoofdstad van Loggoum.—Toole.—Windstilte boven Kernak.—De landvoogd en zijn hof.—De aanval.—De brandduiven.
Des anderen daags, den 11denMei, hernam de ballon zijn avontuurlijken loop, de reizigers vertrouwden op hem als de zeeman op zijn schip. Vreeslijke orkanen, keerkringshitte, gevaarlijke opstijgingen, nog gevaarlijker dalingen, dit alles was zij goed te boven gekomen. Men kan zeggen dat Ferguson hem met een enkel gebaar bestuurde en de doctor koesterde geene vrees omtrent den goeden uitslag der reis, zonder echter het punt van aankomst te weten. Maar in dit land van barbaren en dweepers verplichtte de voorzichtigheid hem de strengste voorzorgen te nemen; hij beval dus zijne reisgenooten aan voortdurend een oog in ’t zeil te houden. De wind voerde hen een weinig meer noordwaarts en tegen negen uur zagen zij de groote stad Mosfeia, op eene hoogte gebouwd, welke zelve tusschen twee hooge bergen ligt besloten; zij was onneembaar, een nauwe weg tusschen een moeras en een bosch verleende den eenigen toegang tot haar. Op dit oogenblik deed een Scheik, vergezeld van een geleide te paard, in veelkleurige kleederen, voorafgegaan door trompetters en voorloopers, die de takken voor hem uit den weg ruimden, zijne intrede in de stad. De doctor daalde neder om deze inlanders meer van nabij te zien, maar naar mate de ballon grooter werd in hunne oogen, gaven zij teekens van groote vrees en snelden weg met al de snelheid hunner voeten of paarden. De Scheik alleen ging niet van zijne plaats, nam zijn lang musket, laadde het en wachtte moedig. De doctor naderde op nauwelijks 150 voet afstand en groette hem vriendelijk in het Arabisch. Maar op deze woorden, die uit den hemel kwamen, sprong de Scheik ter aarde, knielde in het stof op den weg en de doctor kon hem van zijn gebed niet afhouden.—“Het is onmogelijk,” zeide hij, “dat deze lieden ons anders dan voor bovennatuurlijke wezens houden; bij de eerste aankomst van Europeanen hielden zij hen voor een bovenmenschelijk ras. En als de Scheik van deze ontmoeting spreekt, zal hij het feit met alle hulpmiddelen eener arabische verbeeldingskracht opsieren. Oordeelt nu eens, wat de legenden eens van ons zullen zeggen.”—“Het zal misschien te bejammeren zijn,” antwoordde de jager, “in het belang der beschaving zou het beter zijn voor eenvoudige menschen door te gaan, dat zou aan die negers een geheel ander denkbeeld geven van de europeesche macht.”—“Juist, mijn waarde Dick; maar wat kunnen wij er aandoen? Al verklaardet gij aan de geleerden van dit land in het breede de samenstelling en werking van een luchtballon, zij zouden het niet begrijpen en altijd aan eene bovennatuurlijke tusschenkomst gelooven.”—“Mijnheer,” vroeg Joe, “gij hebt gesproken van de eerste Europeanen, die dit land onderzocht hebben, wie zijn dat?”—“Mijn beste jongen, wij zijn juist op den weg, dien Denham gevolgd is: te Mosfeia werd hij ontvangen door den Sultan van Mandara; hij had Bornou verlaten, vergezelde den Scheik op eene expeditie tegen de Fellatahs, woonde den aanval op de stad bij, die met de pijlen harer bewoners dapper weerstand bood aan de arabische kogels en de troepen van den Scheik op de vlucht jaagde, dit alles was slechts een voorwendsel tot moord en plundering; de majoor werd geheel uitgeplunderd, naakt uitgeschud en zonder een paard, onder welks buik hij zich verborg en dat hem, door zijn snellen loop, in staat stelde de overwinnaars te ontkomen, zou hij nooit weder te Kouka, hoofdstad van Bornou gekomen zijn.”—“Wie was die majoor Denham?”—“Een onverschrokken Engelschman, die van 1822 tot 1824 het bevel voerde over eene expeditie in Bornou, vergezeld door kapitein Clapperton en doctor Oudney; zij vertrokken in Maart van Tripoli, kwamen te Mourzouk, hoofdstad van Fezzan en den weg volgende, dien later doctor Barth moest inslaan om naar Europa terug te keeren, kwamen zij den 16denFebruari 1823 te Kouka, bij het meer Tchad. Denham deed verscheidene ontdekkingstochten in Bornou, Mandara en aan de oostelijke oevers van het meer; gedurende dien tijd drongen kapitein Clapperton en doctor Oudney den 15denDecember 1823 in Soudan tot Sackatou door en Oudney stierf van vermoeienis en uitputting in de stad Murmur.”—“Dit gedeelte van Afrika,” vroeg Kennedy, “heeft der wetenschap dus vele slachtoffers gekost?”—“Ja, deze streek is noodlottig; wij gaan recht toe op het koninkrijk Barghimi, waar Vogel in 1836 doortrok om in Wadaï door te dringen, waar hij verdwenen is. Deze jongeling werd, drie-en-twintig jaar oud, gezonden om doctor Barth te helpen: zij ontmoetten elkander den 1stenDecember 1854, waarop Vogel het land begon te onderzoeken; omstreeks 1856 gaf hij in zijne laatste brieven zijn voornemen te kennen om het koninkrijk Wadaï te doorkruisen, waar geen Europeaan nog was geweest; het schijnt, dat hij de hoofdstad Wara bereikte, waar hij volgens sommigen gevangen werd genomen, volgens anderen ter dood gebracht, omdat hij een heiligen berg der omstreken had trachten te beklimmen; maar men moet niet zoo licht aan den dood der reizigers gelooven, dit wint de moeite uit hen op te zoeken; hoe dikwijls toch is de tijding van den dood van doctor Barth officieel bekend gemaakt, hetgeen hem dikwijls rechtmatig verbitterde! Het is dus zeer mogelijk dat Vogel door den sultan van Wadaï wordt gevangen gehouden, in de hoop hem te doenloskoopen. De baron Neimans ging op weg naar Wadaï, toen hij in 1855 te Kaïro stierf. Wij weten nu dat de Heuglin met de expeditie van Leipzig de sporen van Vogel gevolgd is, dus zullen wijweldra zekerheid hebben omtrent het lot van dien jongen en belangwekkenden reiziger.”1
De gouverneur van Loggoum. Blz. 171.De gouverneur van Loggoum. Blz.171.
De gouverneur van Loggoum. Blz. 171.
De gouverneur van Loggoum. Blz.171.
Mosfeia was reeds lang aan den horizon verdwenen, Mandara vertoonde aan de blikken der reizigers zijne verbazende vruchtbaarheid met zijne acacia-bosschen en de kruidachtige planten der katoen- en indigo-velden; de Shari, die 80 mijlen verder zich in het meer Tchad stort, stroomde onstuimig verder. De doctor wees op de kaarten zijn loop aan zijne reisgezellen.—“Gij ziet,” zeide hij, “dat de onderzoekingen van dien geleerde uiterst nauwkeurig zijn; wij gaan recht af op het district Loggoum en misschien zelfs op de hoofdstad Kernak; daar stierf de ongelukkige Toole, nauwelijks 22 jaar oud; hij was een jonge Engelschman, vaandrig van het 80steregiment, die zich sedert eenige weken bij majoor Denham in Afrika had gevoegd, waar hij weldra den dood vond. Men kan deze onmetelijke streek met recht het kerkhof der Europeanen noemen.”
Eenige kano’s, vijftig voet lang, zakten de Shari af; de Victoria, 1000 voet van de aarde, trok weinig de aandacht der inlanders tot zich, maar de wind, die tot heden nog al hevig was, begon te gaan liggen.—“Zullen wij weder windstilte krijgen?” zeide de doctor.—“Goed, meester, wij zullen niet altijd gebrek aan water hebben, noch de woestijn behoeven te vreezen.”—“Neen, maar nog geduchter volken.”—“Zie,” zeide Joe, “iets dat op eene stad gelijkt.”—“Dat is Kernak. De laatste zucht van den wind voert ons daarheen en wij kunnen, als wij willen, een nauwkeurigen platten grond daarvan teekenen.”—“Zullen wij niet nader komen?” vroeg Kennedy.—“Niets is gemakkelijker, Dick, wij zijn recht boven de stad; laat mij de kraan van de gaspijp een weinig toedraaien en wij zullen weldra dalen.”
De Victoria bleef een halfuur daarna onbeweeglijk op tweehonderd voet van den grond.—“Nu zijn wij dichter bij Kernak,” zeide de doctor, “dan een man op het kruis der St. Paulskerk te Londen van den grond is. Dus kunnen wij op ons gemak zien.”—“Wat is toch dit geluid van houten hamers, dat men aan alle kanten hoort?” Joe keek oplettend rond en zag dat het geraas werd gemaakt door de talrijke wevers, die in de open lucht hun linnen klopten, dat uitgespreid was op groote boomstronken. De hoofdstad van Loggoum kon dus in haar geheel worden waargenomen, gelijk een ontrolde plattegrond; het was een ware stad met op eene rechte lijn staande huizen en vrij breede straten; op het midden van een groot plein werd slavenmarkt gehouden, er was een groote toevloedvan klanten; want de mandaraansche vrouwen, die zeer kleine handen en voeten hebben, zijn zeer gezocht en worden voordeelig verkocht.
Het gezicht van den ballon had de reeds zoo dikwijls vermelde gevolgen; eerst kreten en daarop eene stomme verbazing; de zaken werden geschorst, het geraas hield op. De reizigers bleven onbeweeglijk en verloren geene enkele bijzonderheid van deze volkrijke stad uit het oog, zij daalden zelfs tot op zestig voet van den grond. Toen kwam de gouverneur van Loggoum uit zijne woning, zijn groenen standaard ontrollende, vergezeld door zijne muzikanten, die op schelle buffelhoorns bliezen en de menigte verzamelde zich om hem. Doctor Ferguson wilde zich doen verstaan, het gelukte hem niet. Deze bevolking, met een hoog voorhoofd, gevlochte haren en een arendsneus, scheen fier en verstandig, maar de tegenwoordigheid van de Victoria bracht haar zonderling in de war; men zag ruiters naar alle richtingen snellen; weldra werd het duidelijk dat de troepen van den vorst zich verzamelden om een zoo buitengewonen vijand te bestrijden. Joe ontplooide zakdoeken van alle kleuren, het baatte niets. Echter gebood de Scheik, door zijn hof omringd, stilte en sprak eene redeneering uit, waarvan de doctor niets begreep; het was arabisch vermengd met barghimisch; maar aan de algemeene gebarentaal herkende hij eene bepaalde uitnoodiging om heen te gaan; hij zou niets liever hebben gewenscht, maar bij gebrek aan wind was dit onmogelijk. Zijne onbeweeglijkheid verbitterde den Scheik en zijne hovelingen begonnen te huilen om het monster te verplichten zijn weg te vervolgen.
Deze hovelingen waren zonderlinge personages, met vijf of zes kakelbonte hemden om het lijf; zij hadden vreeslijk dikke buiken, van welke eenigen valsch schenen. De doctor verbaasde zijne reisgezellen door hun mede te deelen dat dit de wijze was om den sultan het hof te maken. De omvang van het onderlijf was de maatstaf voor de eerzucht der mannen. Deze dikke menschen maakten gebaren, schreeuwden, vooral een van hen, die eerste minister moest zijn, als ten minste zijn omvang hier beneden zijn belooning ontving. De menigte der negers voegde hunne kreten bij die van het hof, terwijl zij de gebaren even als apen nabootsten, hetgeen eene enkele en oogenblikkelijke beweging van tienduizend armen veroorzaakte. Bij deze middelen tot het aanjagen van vrees, die onvoldoende werden geacht, voegde men andere, die geduchter waren. Soldaten, gewapend met bogen en pijlen, schaarden zich in slagorde; maar reeds zwol de Victoria en steeg bedaard buiten hun bereik. De Scheik, toen een musket grijpende, mikte op den ballon. Maar Kennedy hield hem in het oog en met een kogel uit zijne karabijn verpletterde hij het wapen in de hand van den Scheik. Op deze onverwachte slag volgde eene algemeene vlucht,iedereen keerde, zoo snel hij kon, naar zijne hut terug, en gedurende het overige gedeelte van den dag bleef de stad geheel eenzaam. De nacht kwam en met hem volkomen windstilte. Men moest besluiten onbeweeglijk te blijven op driehonderd voet van den grond, geen enkel vuur schitterde in het duister, er heerschte eene doodelijke stilte. De doctor verdubbelde zijne waakzaamheid; die stilte kon wel een valstrik verbergen. En hij had niet mis geraden. Tegen middernacht scheen de geheele stad in vuur; honderden vuurstreepen kruisten zich even als vuurpijlen, die eene aaneenschakeling van vlammen vormden.—“Dat is zonderling,” zeide de doctor.—“Maar God vergeve mij!” antwoordde Kennedy, “men zou zeggen dat de brand ons nadert.”—Inderdaad verhief zich deze vuurmassa, bij het geluid van verschrikkelijke kreten en losbrandingen van musketten, naar de Victoria. Joe maakte zich gereed ballast uit te werpen, Ferguson begreep weldra het verschijnsel. Duizenden duiven, wier staarten voorzien waren van brandbare stoffen, waren tegen de Victoria opgelaten; verschrikt stegen zij op terwijl zij in de lucht kringen vuur beschreven. Kennedy begon al zijn schietgeweer te lossen, maar wat vermocht hij tegen zulk eene tallooze menigte? Reeds omringden de duiven het schuitje en den ballon, welke, dit licht terugkaatsende, in eene vuurzee scheen te zweven. De doctor aarzelde niet en een stuk kwarts uitwerpende, hield hij zich buiten het bereik der aanvallen van die gevaarlijke vogels; twee uren lang zagmen hen in den nacht heen en weder vliegen, langzamerhand verminderde hun aantal en de vuren gingen uit.—“Nu kunnen wij gerust slapen,” zeide de doctor.—“Niet slecht uitgedacht voor wilden,” zeide Joe.—“Ja, zij bezigen gemeenlijk deze duiven om de strooien daken der dorpen in brand te steken, maar deze keer vloog het dorp hooger.”—“Een ballon heeft bepaald geene vijanden te vreezen.”—“Wel zeker,” antwoordde de doctor.—“Welke dan?”—“De onvoorzichtigen in zijn schuitje; waakt dus overal en altijd, mijne vrienden.”
De Victoria, omgeven door vogels.
De Victoria, omgeven door vogels.
1Sedert het vertrek van den doctor laten brieven van El’-Obeid door Munzinger, den nieuwen aanvoerder der expeditie geschreven, ongelukkig geen twijfel meer aangaande den dood van Vogel.
1Sedert het vertrek van den doctor laten brieven van El’-Obeid door Munzinger, den nieuwen aanvoerder der expeditie geschreven, ongelukkig geen twijfel meer aangaande den dood van Vogel.
Vertrek in den nacht.—Alle drie.—Het instinct van Kennedy.—Voorzorgen.—De loop van den Shari.—Het meer Tchad.—Het water van het meer.—Het rivierpaard.—Een verloren kogel.
Vertrek in den nacht.—Alle drie.—Het instinct van Kennedy.—Voorzorgen.—De loop van den Shari.—Het meer Tchad.—Het water van het meer.—Het rivierpaard.—Een verloren kogel.
Ongeveer drie uur in den morgen zag Joe, die de wacht had, eindelijk de stad onder zich verdwijnen. De Victoria ging weder vooruit. Kennedy en de doctor ontwaakten. Deze raadpleegde zijn kompas en zag met voldoening dat de wind hen naar het noord-noord-oosten voerde.—“Wij zijn gelukkig,” zeide hij, “alles gaat goed, wij zullen nog heden het meer Tchad zien.”—“Is dat eene groote uitgestrektheid water?” vroeg Kennedy.—“Van belang, mijn waarde Dick; op zijne grootste lengte en breedte kan dit meer 120 mijlen halen.”—“Dat zal in onze reis eenige afwisseling geven, als wij over een water gaan.”—“Maar het komt mij voor dat wij geen klagen hebben; zij is zeer afwisselend in gebeurtenissen en vooral zijn wij in den best mogelijken toestand.”—“Zonder twijfel, Samuel, behalve de ontberingen der woestijn, hebben wij geen ernstig gevaar geloopen.”—“Het is zeker dat onze brave Victoria zich altijd goed heeft gedragen. Wij hebben heden den 12denMei, wij zijn den 18denApril vertrokken en hebben dus 25 dagen gereisd. Nog tien dagen dan zullen wij aangekomen zijn.”—“Waar?”—“Daar weet ik niets van, maar wat komt het er op aan!”—“Gij hebt gelijk, Samuel, laat ons aan de Voorzienigheid de zorg overlaten om ons te richten en ons gezond te doen blijven, zoo als tot nu toe! Wij zien er niet naar uit, dat wij de ongezondste landen der wereld hebben doorreisd.”—“Wij waren in staat te stijgen en wij hebben het gedaan.”—“Leven de luchtreizen!” riep Joe uit; “wij zijn na vijf-en-twintig dagen welvarend en goed uitgerust, te veel misschien, want mijne beenen beginnen stijf te worden; ik zou wel eenigemijlen ver willen loopen.”—“Gij zult dit genoegen smaken in de straten van Londen; maar om te besluiten, wij zijn met ons drieën vertrokken, evenals Denham, Clapperton en Overweg, gelijk Barth, Richardson en Vogel, en gelukkiger dan onze voorgangers zijn wij nog allen bijeen. Maar het is van belang niet te scheiden. Als echter een van ons op den grond was en de Victoria moest stijgen om een plotseling, ongewoon gevaar te ontgaan, wie weet of wij hem wel ooit zouden wederzien? Daarom, ik zeg het rondborstig aan Kennedy, ik heb niet gaarne dat hij zich verwijdert om te jagen.”—“Gij zult mij toch wel toestaan, vriend Samuel, dezen lust nog eens bot te vieren; het kon geen kwaad onzen voorraad te vernieuwen; overigens hebt gij vóór ons vertrek mij deze reeks van jachtpartijen zoo heerlijk afgeschilderd, en tot heden heb ik er weinig aan gedaan.”—“Maar, mijn waarde Dick, uw geheugen schiet te kort, of uwe zedigheid doet u uwe heldendaden vergeten; ik meen, dat gij, zonder van het kleine wild te spreken, reeds eene antilope, een olifant en twee leeuwen op het geweten hebt.”—“Mooi! Wat beteekent dat voor een afrikaanschen jager, die alle dieren der schepping voorbij den loop van zijn geweer ziet gaan? Kijk, zie dezen troep giraffen eens.”—“Giraffen,” zeide Joe, “zij zijn zoo groot als mijn vuist.”—“Omdat wij 1000 voet boven hen zijn, maar van nabij zult gij zien, dat zij driemaal hooger zijn dan gij.”—“En wat zegt gij van dezen troep gazellen?” hernam Kennedy, “en van deze struisvogels, die met de snelheid van den wind vluchten.”—“Struisvogels!” zeide Joe, “het zijn kippen.”—“Laat ons zien, Samuel, kunnen wij niet naderbij komen?”—“Zeer zeker, Dick, maar niet op de aarde gaan. Waartoe zou het ook dienen die dieren te dooden, die ons van hoegenaamd geen nut zijn? Als het nog te doen was om een leeuw, eene tijgerkat of eene hyena te dooden, zou ik dat begrijpen, het zou altijd een gevaarlijk dier minder zijn; maar eene antilope, eene gazelle schieten, zonder ander voordeel dan de ijdele voldoening van uwe begeerten als jager, dat is waarlijk der moeite niet waard. Wij zullen op 100 voet van den grond stil blijven, en als gij een of ander wild dier ziet, zult gij ons een genoegen doen het een kogel in het hart te jagen.”
De Victoria daalde langzamerhand, evenwel op eene veilige hoogte blijvende. In eene wilde en zeer bevolkte streek, moest men op onverwachte gevaren bedacht zijn. De reizigers volgden toen den loop van den Shari; de bekoorlijke oevers van die rivier verdwenen onder het lommer der boomen; klimplanten slingerden er van alle kanten om en brachten verschillende schakeeringen van kleuren voort. De krokodillen speelden in de zon of dompelden onder water met de snelheid eener hagedis; spelende kwamen zij aan de talrijke eilanden, die den loop der rivier tegenhielden. Aldus trokken zij, te midden eener rijke en weelderige natuur, doorhet district Maffatay. Tegen negen uur des morgens bereikten de reizigers eindelijk den zuidelijken oever van het meer Tchad. Daar was dan die Kaspische Zee van Afrika, wier bestaan zoolang tot de fabelen was gerekend, die binnenzee welke slechts werd bereikt door Denham en Barth. De doctor beproefde den tegenwoordigen vorm daarvan te bepalen, die zeer verschillend was van dien van 1847. Inderdaad, het is onmogelijk eene kaart van dit meer te maken; het wordt omringd door bijna onoverschrijdbare moerassen, waarin Barth dacht om te komen; van jaar tot jaar veranderen deze moerassen bedekt met riet en vijftien voet hooge papyrussen, in het meer zelf; dikwijls ook worden de steden aan zijne oevers ten halve overstroomd, zooals het Ngornou in 1856 gebeurde; en nu zwemmen de rivierpaarden op de plaatsen waar de woningen van Bornou stonden. De zon schoot hare verblindende stralen op dit kalme water, en in het noorden smolten de twee elementen aan den horizon ineen. De doctor wilde de natuur van het water onderzoeken, dat hij lang gemeend had zout te wezen; er stak geen gevaar in de oppervlakte van het meer te naderen en het schuitje ging er langs als een vogel, op vijf voet afstands. Joe dompelde er eene flesch in en haalde haar halfvol op; men beproefde het water en bevond het ondrinkbaar, en met een zekeren smaak van loogzout aangedaan.
De Victoria boven een paar nijlpaarden.
De Victoria boven een paar nijlpaarden.
Terwijl de doctor het resultaat van zijn onderzoek opschreef, hoorde hij een schot aan zijne zijde. Kennedy had geen weerstand kunnen bieden aan de begeerte een reusachtig rivierpaard een kogel toe te zenden, het verdween op het geluid van de losbranding en de kegelvormige kogel van den jager scheen hem niets te deren.—“Het zou beter geweest zijn hem te harpoeneeren,” zeide Joe.—“En hoe?”—“Met een van onze ankers. Dat zou een passende hoek geweest zijn voor zulk een dier.”—“Maar,” zeide Kennedy, “Joe heeft daar waarlijk een denkbeeld”... “Dat ik u verzoek niet ten uitvoer te brengen,” antwoordde den doctor. “Het dier zou ons spoedig daarheen gesleept hebben, waar wij niet noodig hebben.”—“Vooral nu wij zekerheid hebben omtrent het water van het meer Tchad. Kan men dit dier eten, mijnheer Ferguson?”—“Het is niets anders dan een zoogdier, dat tot het ras der dikhuidigen behoort; zijn vleesch is uitmuntend, zegt men en maakt een tak uit van een aanzienlijken handel onder de stammen aan de oevers van het meer.”—“Dan spijt het mij dat het schot van mijnheer Dick niet beter heeft getroffen.”—“Dit dier is slechts kwetsbaar aan den buik en tusschen de dijen; de kogel van Dick heeft hem zelfs niet eens geschampt. Maar als het terrein mij gunstig schijnt, zullen wij aan het noordelijke uiteinde van het meer stilhouden, daar zal Kennedy als in eene menagerie zijn en zich op zijn gemak schadeloos kunnen stellen.”—“Welnu!” zeide Joe, “laat mijnheer Dick een weinig jacht maken op het rivierpaard! Ik zou wel eens het vleesch van dit tweeslachtig dier willen proeven; het is waarlijk niet natuurlijk tot in het hart van Afrika door te dringen, om slechts van kleine snippen en patrijzen te leven even als in Engeland.”