XXXIII.

De hoofdstad van Bornou.—De eilanden der Biddiomahs.—De Condors.—Deongerustheid van den doctor.—Zijne voorzorgen.—Een aanval in de lucht.—Het gescheurde omkleedsel.—De val.—Verhevene opoffering.—De noordelijke kust van het meer.Sedert zijne aankomst aan het meer Tchad had de doctor een luchtstroom gevonden, die hem meer naar het westen voerde, eenige wolken matigden de hitte van den dag, en men gevoelde overigens op deze groote uitgestrektheid water een weinig koelte; maar tegen een uur naderde de ballon, dit gedeelte van het meer schuin overgestoken zijnde, op nieuw liet land.De stad Kouka. Blz. 178.De stad Kouka. Blz.178.De doctor eerst een weinig teleurgesteld over deze richting, beklaagdeer zich niet meer over, toen hij de stad Kouka, de vermaarde hoofdstad van Bornou, bemerkte; hij kon haar een oogenblik zien, omringd met hare muren van witte klei; eenige moskeeënverhieven zich boven deze menigte dobbelsteenen, waarop de arabische huizen hier gelijken. In de tuinen achter de huizen en op de markten groeiden palm- en caoutchoucboomen, gekroond met een tooisel van bladeren meer dan honderd voet breed. Joe deed opmerken dat deze ontzettend groote parasols in overeenstemming waren met de zonnestralen.Kouka bestaat werkelijk uit twee zeer verschillende steden, van elkander gescheiden door den “dendal,” een wal van 300 vaam1, toen bezet met voetvolk en ruiterij. Aan den eenen kant verheft zich de rijke stad met hare hooge en luchtige huizen, aan den anderen kant de arme stad, zijnde eene treurige verzameling van lage kegelvormige hutten, waar eene behoeftige bevolking een plantenleven leidt, want Kouka heeft noch handel noch nijverheid. Kennedy vond dat het eenige gelijkenis had metEdinburg, als het zich in eene vlakte uitspreidde met hare twee geheel verschillende steden. Maar nauwelijks konden de reizigers een blik daarop werpen: want met alle veranderlijkheid welke de luchtstroomen van deze streek kenmerkt, voerde een tegenwind hen veertig mijlen ver over het meer Tchad. Toen was het een nieuw schouwspel; zij konden de talrijke eilanden van het meer tellen, bewoond door de Biddiomahs, bloeddorstige roovers, wier nabuurschap evenzeer wordt gevreesd als die van de Touaregs der Sahara. Zij maakten zich gereed den Victoria moedig te ontvangen met pijlen en steenen, maar deze was die eilanden spoedig voorbij, waarboven hij scheen te zweven als een reusachtige schallebijter. Op dit oogenblik zag Joe naar den horizon en Kennedy aansprekende zeide hij: “Waarachtig, mijnheer Dick, gij die altijd van jagen droomt, zie hier uwe zaak.”—“Wat is het dan, Joe?”—“Deze keer zal mijn meester geene tegenwerping maken.”—“Wat is er dan toch?”—“Ziet gij daar ginds dien troep groote vogels die op ons afkomen?”—“Vogels!” zeide de doctor, zijn verrekijker nemende.—“Ik zie hen,” antwoordde Kennedy, “zij zijn ten minste twaalf in getal.”—“Veertien, als het u belieft,” zeide Joe.—“Geve de hemel dat zij van eene kwaadaardige soort mogen wezen, opdat de teerhartige Samuel niets hebbe te zeggen.”—“Ik zal niets te zeggen hebben,” antwoordde Ferguson, “maar ik zag deze vogels liever ver van ons.”—“Zijt gij er bang voor?” vroeg Joe.—“Het zijn condors, Joe, van de grootste soort, en als zij ons aanvallen....”—“Welnu! dan zullen wij ons verdedigen, Samuel, wij hebben wapens genoeg om hen te ontvangen. Ik geloof toch niet dat deze vogels zoo te vreezen zijn.”—“Wie weet?” antwoordde de doctor.Tien minuten later was de troep op een geweerschot-afstandgenaderd; deze veertien vogels deden de lucht van hunne schorre kreten weergalmen, zij naderden den ballon meer verwoed dan verschrikt over zijne tegenwoordigheid.—“Wat schreeuwen zij,” zeide Joe, “welk geweld! Het staat hun waarschijnlijk niet aan, dat men hun gebied betreedt en zich veroorlooft te vliegen zoo als zij.”—“In waarheid,” zeide de jager, “zij zien er vrij verschrikkelijk uit, en ik geloof dat zij zeer geducht zouden zijn als zij eene goede karabijn hadden!”—“Zij hebben die niet noodig,” antwoordde Ferguson, die zeer ernstig werd.De condors vlogen rond in ontzettend groote kringen, die langzamerhand om den ballon kleiner werden; zij doorkruisten de lucht met eene phantastische snelheid, soms met de snelheid van een kogel dalende. De doctor ongerust zijnde besloot te stijgen om deze gevaarlijke vogels te ontkomen. Maar de condors stegen met hem, weinig geneigd om hem te verlaten.—“Het schijnt dat zij het op ons hebben voorzien,” zeide de jager, zijne karabijn ladende.—Inderdaad zij naderden, en meer dan een kwam op nauwelijks vijftig voet afstands en scheen de wapens van Kennedy te braveeren, “Ik heb machtig grooten lust op hen te schieten,” zeide deze.—“Neen, Dick, laat ons ze niet woedender maken. Dat zou hen aansporen om ons aan te vallen.”—“Maar ik zou ze gemakkelijk overwinnen.”—“Gelooft gij dat! gij bedriegt u, Dick.”—“Wij hebben meer dan een kogel voor elk van hen.”—“En als zij op het bovenste gedeelte van den ballon nederschieten, hoe zult gij hen dan bereiken? Stel u voor dat gij u bevindt in tegenwoordigheid van een troep leeuwen op de aarde, of haaien in volle zee! Voor den luchtreiziger is de toestand even gevaarlijk.”—“Spreekt gij in ernst, Samuel?”—“Zeer zeker, Dick.”—“Wachten wij dan.”—“Wacht. Houd u gereed in geval van aanval, maar vuur niet zonder mijn bevel.”De vogels schoolden toen op geringen afstand zamen; men zag duidelijk hun hals uitgestrekt door hun geschreeuw, hunne kraakbeenachtige kuif, met paarsche tepeltjes bezet, verhief zich van woede. Zij waren van de grootste soort; hun lichaam was meer dan drie voet lang en het bovenste gedeelte hunner witte vleugels schitterde in de zon; men zou hen gevleugelde haaien hebben genoemd, waarmede zij zeer veel overeenkomst hadden.—“Zij volgen ons,” zeide de doctor, toen hij hen met zich zag stijgen, “en al stijgen wij nog zoo hoog, hun vlucht zou hen nog hooger voeren.”—“Wat dan te doen?” vroeg Kennedy.—De doctor antwoordde niet.—“Hoor, Samuel,” hernam de jager, “wij hebben 17 schoten tot onze beschikking, als wij met al onze wapenen vuur geven; is er geen middel hen te vernietigen of te verstrooien? Ik belast mij met een zeker aantal.”—“Ik twijfel niet aan uwe behendigheid, Dick, ik geloof gaarne dat zij, die den mond uwer karabijnvoorbijvliegen, dood zullen nedervallen, maar, ik herhaal het, als zij het bovenste gedeelte van den ballon aanvallen, kunt gij hen niet meer zien, zij zullen dit omkleedsel, dat ons houdt, verscheuren, en wij zijn 3000 voet hoog.”Op dit oogenblik schoot een der wildste vogels recht op den ballon toe met open bek en klauwen, gereed om te bijten en te verscheuren.—“Vuur, vuur!” riep de doctor uit. Nauwelijks had hij dit woord uitgesproken of de vogel viel, doodelijk getroffen. Kennedy had een der geweren met dubbelen loop genomen, Joe nam het andere.Verschrikt door de losbarsting verwijderden de condors zich voor een oogenblik, maar kwamen bijna terstond woedend terug. Kennedy trof met zijn eersten kogel juist den hals van den naasten, Joe verbrijzelde den vleugel van den anderen.—“Niet meer dan elf,” zeide hij.—Toen veranderden de vogels van tactiek en verhieven zich gezamenlijk boven den ballon. Kennedy zag Ferguson aan. Ondanks zijn moed en zijne koelbloedigheid verbleekte deze. Er heerschte een oogenblik een verschrikkelijk stilzwijgen. Vervolgens hoorde men een gekraak als van het scheuren van zijde en het schuitje schoot weg onder de voeten der drie reizigers.—“Wij zijn verloren,” riep Ferguson uit, de oogen op den barometer slaande, die aanhoudend rees.—“Weg met den ballast.” In eenige oogenblikken waren alle stukken kwarts verdwenen.—“Wij dalen steeds! Ledigt de waterbakken?—Joe! hoort gij?—Wij storten in het meer!” Joe gehoorzaamde, de doctor boog zich omlaag. Het meer scheen tot hem te komen als het wassende tij; de voorwerpen werden zichtbaar grooter, het schuitje was slechts 200 voet van het water verwijderd.—“De mondbehoeften!” riep de doctor. En de kist die haar bevatte werd weggeslingerd. De val werd minder snel, maar de ongelukkigen daalden steeds. “Werpt nog meer weg,” riep de doctor voor de laatste maal.—“Er is niets meer,” zeide Kennedy.—“Zeker!” antwoordde Joe, en hij verdween over den rand van het schuitje.——“Joe! Joe!” zeide de doctor verstijfd van schrik. Maar Joe kon hem niet meer hooren. De verlichte Victoria begon weder te stijgen tot op duizend voet hoogte, en de wind in het verscheurde omkleedsel vallende, voerde hem naar de noordkust van het meer.—“Verloren!” zeide de jager met een kreet van wanhoop.—“Verloren om ons te redden!” antwoordde Ferguson.—En deze zoo stoutmoedige mannen kregen tranen in de oogen; zij bogen zich voorover om eenig spoor van den ongelukkigen Joe te ontdekken, maar zij waren reeds te ver. “Wat zullen wij doen?” vroeg Kennedy.—“Dalen zoodra het mogelijk is, Dick, en dan wachten.” Na een tocht van zestig mijlen daalde de Victoria op eene onbewoonde kust neder, ten noorden van het meer; de ankers hechtten zich vast in een niet zeer hoogenboom en de jagers maakten hen stevig vast. De nacht kwam, maar Ferguson noch Kennedy konden den slaap vatten.De val van Joe. Bladz. 180.De val van Joe. Bladz.180.1Ruim 584.7 Meter.XXXIII.Gissing.—Herstel van het evenwicht van de Victoria.—Nieuwe berekeningen van doctor Ferguson.—Jacht van Kennedy.—Volledig onderzoek van het meer Tchad.—Tangalia.—Terugkeer.—Lari.Des anderen daags, den 13denMei, herkenden de reizigers terstond het gedeelte der kust, waarop zij zich bevonden; het was eene soort van eiland van stevige aarde, te midden van een onmetelijk moeras. Rondom dit terrein van vasten grond verhief zich riet, dat zoo groot was als boomen van Europa en dat zich uitstrekte zoover het oog reiken konde. Deze onoverschrijdbare moerassen maakten de stelling van den ballon veilig, men had slechts de zijde van het meer in het oog te houden; de uitgestrekte oppervlakte van het water verbreedde zich steeds, voornamelijk in het oosten, en noch eilanden, noch vasteland was zichtbaar aan den horizon. De twee vrienden hadden nog niet durven spreken van hun ongelukkigen reisgezel; Kennedy was de eerste die zijne gissingen aan den doctor mededeelde.—“Joe is misschien niet verloren,“ zeide hij.—“Hij is behendig en een zwemmer, zoo als er weinigen bestaan, hij was niet verlegen om deFirthof de Forth teEdinburgover te zwemmen. Wij zullen hem wederzien, wanneer en hoe, weet ik niet, maar laat ons van onzen kant niets verzuimen om hem de gelegenheid te geven zich weder bij ons te voegen.”—“God hoore u, Dick,” antwoordde de doctor met bewogene stem, “wij zullen alles aanwenden om onzen vriend weder te vinden. Laat ons eerst zien waar wij zijn, maar voor alles den Victoria van het buitenste omkleedsel, dat nu van geen nut meer is, ontdoen, dit zal ons van een aanmerkelijk gewicht bevrijden, zes-honderd-vijftig pond is wel der moeite waard.” De doctor en Kennedy sloegen handen aan het werk, zij ondervonden groote moeielijkheden; zij moesten stuk voor stuk van dit sterke taf er afrukken en het in kleine repen snijden om het uit de mazen van het net te krijgen. De scheur door den snavel der roofvogels gemaakt was verscheidene voeten lang. Dit werk duurde ten minste vier uren; maar eindelijk scheen de binnenste ballon, geheel vrij geworden, niets te hebben geleden. De Victoria was toen een vijfde deel kleiner geworden. Dit verschil was merkbaar genoeg om Kennedy verbaasd te doen staan.—“Zal het voldoende zijn?” vroeg hij den doctor.—“Vrees hieromtrent niets, ik zal het evenwicht herstellen, en als onze arme Joe terugkomt, zullen wij met hem wel onzen gewonen gang weten te hernemen.”—“Op het oogenblik van onzen val, Samuel, waren wij, als ik mij wel herinner, niet ver van een eiland.”—“Ik herinnerhet mij inderdaad, maar dat eiland, zoo als alle eilanden van het meer Tchad, wordt zonder twijfel bewoond door een ras van zeeroovers en moordenaars, zij zullen zeker getuigen geweest zijn van dit ongeluk, en als Joe in hunne handen valt, wat zal er dan van hem worden, als het bijgeloof hem niet beschermt?”—“Hij zal er zich wel uitredden, zeg ik u, ik stel vertrouwen in zijne behendigheid en vernuft.”—“Ik hoop het. Nu, Dick, gaat gij in den omtrek jagen, zonder u evenwel te ver te verwijderen, het wordt dringend noodzakelijk onze levensmiddelen te vernieuwen, waarvan het grootste gedeelte opgeofferd is.”—“Goed, Samuel, ik zal niet lang weg blijven.”Kennedy nam een geweer met dubbelen loop en ging in het hooge gras naar een dicht bij staand kreupelhout; talrijke schoten deden den doctor begrijpen dat zijne jacht niet vruchteloos zou zijn. In dien tijd hield hij zich bezig de voorwerpen in het schuitje overgebleven, op te nemen en den tweeden luchtballon in evenwicht te brengen; er bleef dertig pond pemmican, eenige voorraad thee en koffie, ongeveer anderhalve gallon1brandewijn, een ledige waterbak; al het gedroogde vleesch was weg. De doctor wist dat de stijgkracht van den nieuwen ballon door het verlies van het gas des eersten, met 900 pond was verminderd, daarop moest hij dus rekenen om zijn evenwicht tot stand te brengen. De nieuwe Victoria had 97000 kubiek voet2inhoud en bevatte 33480 kubiek voet3gas; de toestel voor uitzetting scheen in goeden staat te zijn; noch de batterij, noch de slang schenen iets te hebben geleden. De stijgkracht van den nieuwen ballon was dus 3000 pond ongeveer; als hij het gewicht der reizigers, van den voorraad water, het schuitje en zijn toebehooren, vijftig gallons4water en 100 pond versch vleesch bij elkander rekende kwam hij tot een totaal van 2830 pond. Hij kon dus 170 pond ballast voor de onvoorziene gevallen medenemen, en de luchtballon was in evenwicht met de hem omringende lucht. Zijne schikkingen werden dienovereenkomstig gemaakt, en hij verving het gewicht van Joe door eene vermeerdering van ballast. Hij bracht den geheelen dag door met deze verschillende toebereidselen die eindigden bij de terugkomst van Kennedy. De jager had eene goede jacht gemaakt; hij bracht eene geheele lading ganzen, wilde eenden, kleine snippen, talingen en plevieren. Hij hield zich bezig dit wild te bereiden en te rooken. Elk stuk aan een dunnen stok gestoken, werd boven een vuur van groen hout gehangen. Toen het gereed was, bracht Kennedy hetin het schuitje. Des anderen daags moest de jager zijn voorraad aanvullen. Des avonds waren de reizigers nog met dit werk bezig. Hun maal bestond uit pemmican, beschuit en thee. De vermoeienis, die hun honger had doen krijgen, verschafte hun een vasten slaap. Ieder trachtte gedurende zijne wacht de duisternis te doorboren, als hij soms de stem van Joe scheen te hooren, maar helaas! die stem, die zij zoo gaarne hadden willen hooren, was ver verwijderd. Bij de eerste stralen der zon wekte de doctor Kennedy.—“Ik heb lang nagedacht,” zeide hij, “over hetgeen wij moeten doen, om onzen reisgezel weder te vinden.”—“Wat ook uw voornemen zij, het is mij wel, spreek.”—“Voor alles is het van belang dat Joe weet waar wij zijn.”—“Zonder twijfel!”—“Als die waardige jongen zich eens ging verbeelden, dat wij hem verlieten!”—“Hij! hij kent ons te goed! Nooit zal zoo iets hem in de gedachte komen, maar hij moet onze verblijfplaats weten!”—“Hoe dat?”—“Wij zullen weder in het schuitje gaan zitten en opstijgen.”—“Maar als de wind ons uit den koers voert?”—“Dit zal gelukkig niet zoo zijn. Zie, Dick, hij voert ons naar het meer terug, en deze omstandigheid, die gisteren onaangenaam zou geweest zijn, is heden gunstig. Onze pogingen zullen zich dus daartoe bepalen den geheelen dag boven deze uitgestrekte wateroppervlakte te blijven. Joe moet ons daar zien; zijne blikken zullen ons daar onophoudelijk zoeken. Misschien zelfs zal hij ons van zijne verblijfplaats kunnen onderrichten.”—“Als hij alleen en vrij is, zal hij het zeker doen.”—“En als hij gevangen is,” hernam de doctor, “zal hij, daar de inlanders hier hunne gevangenen niet opsluiten, ons zien, en het doel van ons onderzoek begrijpen.”—“Maar,” zeide Kennedy, “want wij moeten alle mogelijke gevallen voorzien, als wij geen spoor vinden door hem op zijn weg achtergelaten, wat zullen wij dan doen?”—“Wij zullen beproeven het noordelijke gedeelte van het meer weder te bereiken en ons zooveel mogelijk in het gezicht houden. Daar zullen wij wachten, de oevers onderzoeken, welke Joe zeker zal trachten te bereiken, en wij zullen de plaats niet verlaten voordat wij alles hebben gedaan om hem weder te vinden.”—“Laat ons dan vertrekken,” antwoordde de jager.De doctor nam nauwkeurig hoogte van dit stuk vasten grond dat hij ging verlaten; volgens zijne kaart geloofde hij ten noorden van het meer Tchad te zijn, tusschen de stad Lari en het dorp Ingemini, welke beiden door majoor Denham waren bezocht. In dien tijd vulde Kennedy zijn voorraad vleesch aan. Hoewel de omringende moerassen sporen van rhinocerossen, lamentynen en rivierpaarden vertoonden, had hij geene gelegenheid een dezer groote dieren te ontmoeten. Ten zeven uur des avonds werd het anker van den boom losgemaakt, niet zonder groot bezwaar, dat Joe goed wist te boven te komen; de nieuwe ballon steeg tweehonderd voet.Hij aarzelde eerst, terwijl hij ronddraaide, maar eindelijk in een vrij snellen luchtstroom gekomen, ging hij over het meer met eene snelheid van twintig mijlen per uur.De jacht was niet vruchteloos. Blz. 183.De jacht was niet vruchteloos. Blz.183.De doctor hield zich standvastig op eene hoogte tusschen de 200 en 500 voet; Kennedy loste dikwijls zijne karabijn; boven de eilanden naderden de reizigers zelfs onvoorzichtig, met hunnen blik het kreupelhout, de struiken doorzoekende, overal waar maar eenig lommer, of eenige kromming in eene rots tot schuilplaats aan hun reisgezel had kunnen dienen. Zij daalden bij lange prauwen, die het meer doorploegden. De visschers wierpen zich, op hun gezicht, in het water en gingen naar hun eiland terug met weinig verholen teekenen van vrees. “Wij zien niets,” zeide Kennedy na twee uren zoekens. “Wachten wij, Dick, en verliezen wij den moed niet, wij moeten niet ver zijn van het eiland waar het ongeluk ons trof.”Ten elf uur was de ballon 90 mijlen gevorderd; toen ontmoette hij een nieuwen luchtstroom, die hem onder een bijna rechten hoek zestig mijlen ver naar het oosten voerde. Hij zweefde boven een zeer groot en bevolkt eiland, dat de doctor voor Farram hield, waar de hoofdstad der Biddiomahs ligt. Hij verwachtte Joe uit deze struiken te voorschijn te zien komen, hen roepende. Als hij vrij was kon men hem zonder moeite ontvoeren, gevangen zijnde zou hij, door dezelfde list te bezigen die gediend had om den zendeling te redden, weldra bij zijne vrienden teruggekeerd zijn, maar men zag niets, het was om wanhopig te worden. De ballon kwam ten half drie in het gezicht van Tangalia, een dorp op den oostelijken oever van het meer gelegen en dat het uiterste punt was dat Denham op zijn tocht had bereikt. De doctor werd ongerust over deze standvastige richting van den wind, hij voelde zich naar het oosten teruggevoerd, naar het midden van Afrika en de eindelooze woestijnen.—“Wij moeten volstrekt stil houden,” zeide hij, “en zelfs op de aarde nederdalen; in het belang van Joe vooral moeten wij boven het meer terugkomen, maar laat ons vooraf trachten een tegenovergestelden luchtstroom te vinden.”Gedurende meer dan een uur zocht hij op verschillende hoogten. De Victoria week steeds af naar den vasten grond, maar gelukkig voerde een zeer hevige luchtstroom, op duizend voet hoogte, hem terug naar het noordwesten. Het was niet mogelijk dat Joe op een der eilanden van het meer werd teruggehouden, want dan zou hij zeker wel een middel hebben gevonden om van zijne tegenwoordigheid kennis te geven; misschien had men hem op het land gesleept. Dus redeneerde de doctor, toen hij den noordelijken oever van het meer Tchad weder zag. Te denken dat Joe verdronken was, dit was van allen grond ontbloot. Er was een afgrijselijk denkbeeld in den geest van Ferguson en Kennedy opgekomen; de kaaimannen zijn talrijk in die streken! Maar geen van beiden had den moed zijne gedachten in woorden uit te drukken. Echter zeide de doctor zonder eenige inleiding: “De krokodillen ontmoet men slechts op de oevers der eilanden van het meer; Joe zal behendig genoeggeweest zijn om hen te ontwijken; overigens zijn zij niet zeer gevaarlijk, en de Afrikanen baden zich ongestraft zonder hunne aanvallen te vreezen.” Kennedy antwoordde niet, hij wilde liever zwijgen dan over deze vreeslijke mogelijkheid redeneeren.De doctor wees tegen vijf uren des avonds de stad Lari aan. De inwoners waren bezig met de inzameling van katoen, voor hunne hutten van gevlochten riet, te midden van zindelijk en goed onderhouden omheinde plaatsen. Deze vereeniging van een vijftigtal hutten was gelegen op een kleine daling van den grond in een uitgestrekt dal tusschen lage bergen. De hevige wind dreef hen verder voort dan den doctor aangenaam was, maar hij veranderde nogmaals en bracht hem terug naar zijn punt van vertrek, op dat eiland, waar hij den vorigen nacht had doorgebracht. Het anker hechtte zich in plaats van in boomtakken in sterke rietbosschen vast. De doctor had veel moeite om den luchtballon tegen te houden, maar eindelijk ging de wind bij het begin van den nacht liggen en de twee vrienden waakten te zamen, bijna wanhopig.16,68 Liter.22481.5 Kub. Meter.31340 Kub. Meter.4222,64 Liter.XXXIV.De orkaan.—Gedwongen vertrek.—Verlies van een anker.—Treurige overdenkingen.—Genomen besluit.—De hoos.—De verzwolgen karavaan.—Tegenwind en gunstige wind.—Terugkeer naar het Zuiden.—Kennedy op zijn post.Ten drie uur des morgens werd de wind hevig, hij keerde met eene zoo groote kracht terug, dat de ballon zonder gevaar niet beneden kon blijven; hij lag bijna horizontaal en het riet dreigde zijn omkleedsel te verscheuren.—“Wij moeten vertrekken, Dick,” zeide de doctor, “wij kunnen in dezen toestand niet blijven.”—“Maar Joe? Samuel.”—“Ik verlaat hem niet! Zeker niet! en al zou de orkaan ons 100 mijlen naar het noorden voeren, ik zal terugkomen. Maar hier stellen wij aller veiligheid in de waagschaal.”—“Vertrekken zonder hem!” riep de Schot uit op den toon van diepe smart.—“Gelooft gij dan,” antwoordde Ferguson, “dat mijn hart niet bloedt als het uwe? Gehoorzaam ik niet aan eene gebiedende noodzakelijkheid?”—“Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de jager.—“Laat ons vertrekken.”Maar het vertrek had groote moeielijkheden; het anker, stevig vastgehecht, weerstond alle pogingen, en de ballon, naar den tegenovergestelden kant trekkende, deed het nog vaster zitten; Kennedy kon het niet losrukken en in zijn tegenwoordigen toestand werd zijn manoeuvre zeer hachelijk, want hij liep gevaar dat de Victoria stijgen zou voordat hij er weder in kon klimmen. De doctor dit gevaar willende vermijden, deed den Schot in het schuitje gaan en besloot het ankertouw door te snijden. De Victoria steeg 300 voet en nam terstond de richting naar het noorden. Ferguson kon slechts aan dien storm gehoorzamen, hij kruiste de armen over de borst en verdiepte zich in zijne treurige overdenkingen. Na eenige oogenblikken van een diep stilzwijgen wendde hij zich tot Kennedy, die even stil was.—“Wij hebben misschien God verzocht,” zeide hij, “het was geen menschenwerk eene dergelijke reis te ondernemen!” En een zucht van smart ontsnapte hem.—“Nauwelijks eenige dagen geleden,” antwoordde de jager, “wenschen wij elkander geluk aan vele gevaren ontkomen te zijn. Wij gaven elkander de hand!”—“Arme Joe! goede brave jongen! Een oogenblik door zijne schatten verblind, offerde hij ze gaarne allen op! Daar is hij nu ver van ons! En de wind voert ons mede met onweerstaanbare snelheid!”—“Laat ons zien, Samuel, als wij aannemen dat hij eene schuilplaats heeft gevonden bij de stammen aan het meer, zal hij dan niet kunnen doen even als de reizigers, die hen vóór ons hebben bezocht, zoo als Denham en Barth? Die hebben hun vaderland wedergezien.”—“Mijn arme Dick, Joe kent geen woord van de taal, hij is alleen en zonder hulpmiddelen. De reizigers waarvan gij spreekt, naderden de opperhoofden slechts door hun groote geschenken te zenden, te midden van een geleide, gewapend en voorbereid op deze tochten. En nog konden zij de kwellingen en ellende van de ergste soort niet ontgaan!”—“Wat wilt gij dan dat er van onzen ongelukkigen reisgezel zal worden? Het is eene verschrikkelijke gedachte.”—“Maar wij zullen terugkeeren, Samuel.”—“Zeker, Dick, al moesten wij de Victoria verlaten, al moesten wij te voet weder naar het meer Tchad gaan en ons in betrekking stellen met den Sultan van Bornou! De Arabieren kunnen geene slechte herinnering hebben aan de eerste Europeanen.”—“Ik zal u volgen, Samuel,” antwoordde de jager, “gij kunt op mij rekenen, wij zullen liever er van afzien deze reis ten einde te brengen! Joe heeft zich voor ons opgeofferd, wij zullen ons voor hem opofferen.”—Dit besluit gaf weder eenigen moed aan die twee mannen, zij gevoelden zich gesterkt door hetzelfde denkbeeld. Ferguson stelde alles in het werk om een tegenovergestelden luchtstroom te vinden, die hem nader bij het meer Tchad kon brengen, maar dit was toen onmogelijk en de daling zelfs werd onuitvoerbaar op een kalen grond en bij een zoo hevigen orkaan.De ballon ging dus door het land der Tibbous, hij stak de Beladel Djérid over, eene woestijn, die de grens uitmaakt van Soudan, en kwam in eene zandwoestijn doorploegd met lange sporen van karavanen; de laatste linie van plantengroei smolt weldra samen met den zuidelijken horizon, niet ver van de voornaamste oase van dit gedeelte van Afrika, wier vijftig putten door prachtige boomen zijn overschaduwd, maar het was onmogelijk stil te houden. Een arabisch legerkamp, bestaande uit tenten van gestreepte stoffen, eenige kameelen die hun kop op het zand hadden uitgestrekt, verlevendigde deze eenzaamheid; maar de Victoria ging er overheen als een luchtverheveling en doorliep dus een afstand van zestig mijlen in drie uren, zonder dat het Ferguson gelukte zijn vaart te stuiten.—“Wij kunnen geen halt houden,” zeide hij, “wij kunnen niet dalen? hier is geene enkele boom, geene enkele verhevenheid van den grond! Zullen wij dan de Sahara oversteken? Zeker, de hemel is tegen ons.”—Hij sprak aldus met eene wanhopige woede, toen hij in het noorden het zand der woestijnen zag opstijgen in een dik stof; het dwarrelde onder den invloed van tegengestelde luchtstroomen. Te midden van een dwarlwind verdween eene geheele karavaan onder eene lawine van zand, de kameelen kermden erbarmelijk; kreten van wanhoop kwamen uit dien verstikkenden stofwolk. Soms stak een bont kleed met zijne levendige kleuren scherp af tegen dien chaos van zand, en het geloei van den storm beheerschte dittooneel van verwoesting. Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen; daar waar vroeger eene effene vlakte was, verhief zich een heuvel van stuifzand, onmetelijk graf eener verzwolgen karavaan.Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen.De doctor en Kennedy waren bij dit verschrikkelijk schouwspel tegenwoordig. Zij konden hun ballon niet meer sturen, daar hij in tegenovergestelde luchtstroomen ronddraaide en niet meer gehoorzaamde aan de verschillende uitzettingen van het gas. Door deze bewegingen der lucht dwarrelde hij met duizelende snelheid, en het schuitje slingerde geweldig; de instrumenten, die onder de tent waren opgehangen, stieten tegen elkander met gevaar van te breken; de buizen der slang kromden zich, de waterbakken gingen met groot geraas van hunne plaats; de reizigers konden elkander op een afstand van twee voet niet verstaan en zij beproefden, door zich krampachtig aan de touwen vast te houden, aan de woede van den orkaan weerstand te bieden. Kennedy met verwilderde haren staroogde zonder te spreken, de doctor had zijne koelbloedigheid herkregen te midden van het gevaar en niet de minste ontroering was op zijne trekken te lezen, zelfs niet toen de Victoria, na eene laatste draaiing, plotseling stil bleef; de noordewind had de overhand gehouden en voerde hen terug langs den tegenovergestelden weg van dien van des morgens met eene voor het minst even groote snelheid.—“Waarheen gaan wij?” vroeg Kennedy.—“Laat dat aan de Voorzienigheid over, mijn waarde Dick, ik heb ongelijk gehad aan haar te twijfelen; zij weet beter dan wij wat goed voor ons is en wij keeren terug naar de plaatsen, die wij niet hoopten weder te zien.” Op den grond, die eerst zoo vlak en effen was, vertoonden zich na den storm kleine bergjes; de wind woei hevig en de Victoria vloog door de ruimte. De richting, die de reizigers volgden, verschilde een weinig van die, in welke zij des morgens waren gegaan, en tegen negen uur zagen zij, in plaats van het meer Tchad, de woestijn zich voor hen uitstrekken. Kennedy deed dit opmerken.—“Het komt er weinig op aan,” antwoordde de doctor, “het voornaamste is in het zuiden terug te komen, wij zullen de steden van Bornou, Wouddie of Kouka ontmoeten en ik zal niet aarzelen daar stil te houden.”—“Als gij tevreden zijt, ik ben het ten volle,” antwoordde de jager, “maar geve de hemel dat wij niet de woestijn moeten doortrekken, zoo als die ongelukkige Arabieren. Wat wij gezien hebben was verschrikkelijk.”—“En gebeurt dikwijls, Dick; het doortrekken van de woestijn is met andere gevaren gepaard dan het oversteken van den oceaan; de woestijn heeft alle gevaren der zee, zelfs het verzwelgen, en daarenboven onuitstaanbare ontberingen en vermoeienissen.”—“Het komt mij voor,” zeide Kennedy, “dat de wind gaat liggen, het stof van het zand is minder dicht opeengepakt, zijne golvingen verminderen en de horizonklaart op.”—“Des te beter, wij moeten hem oplettend met den verrekijker onderzoeken, en niets moet ons oog ontsnappen.”—“Daar belast ik mij mede, Samuel, en de verste boom zal niet door mij worden gezien, zonder dat gij er van verwittigd wordt.” En Kennedy ging, met den verrekijker in de hand, voor in het schuitje staan.XXXV.Geschiedenis van Joe.—Het eiland der Biddiomahs.—De aanbidding.—Het verzwolgen eiland.—De oever van het meer.—De slangenboom.—Voetreis.—Lijden.—Muskieten en mieren.—De honger.—Voorbijgang van den Victoria.—Verdwijning van den Victoria.—Wanhoop.—Het moeras.—Een laatste kreet.Wat was er van Joe geworden gedurende de vergeefsche nasporingen van zijn meester? Toen hij zich in het meer had geworpen was zijne eerste beweging, nadat hij op de oppervlakte was gekomen, de oogen omhoog te slaan; hij zag den Victoria, reeds zeer hoog boven het meer, snel stijgen, langzamerhand kleiner worden en eindelijk door een snellen luchtstroom medegevoerd in het noorden verdwijnen. Zijn meester, zijne vrienden waren gered.—“Het is gelukkig,” zeide hij tot zich zelven, “dat ik het denkbeeld heb gehad mij in het meer Tchad te werpen, het zou zeker ook bij mijnheer Kennedy opgekomen zijn en hij zou zeker niet geaarzeld hebben te doen zoo als ik, want het is zeer natuurlijk dat één mensch zich opoffert om twee anderen te redden.”Hieromtrent gerustgesteld, begon Joe om zich zelven te denken; hij was in een onmetelijk meer, omringd door onbekende volkeren waarschijnlijk woeste stammen. Dit was eene reden te meer om zich uit de verlegenheid te redden door slechts op zich zelven te rekenen, hij maakte zich dus niet beangst. Voor den aanval der roofvogels, die volgens hem zich als ware condors hadden gedragen, had hij een eiland aan den horizon gezien; hij besloot dus zich daarheen te richten en al zijne zwemkunst in het werk te stellen, na zich van de kleederen ontdaan te hebben die hem het meest hinderden; eene wandeling van vijf of zes mijlen hinderde hem niet, daarom dachthij, zoolang hij in het volle meer was, nergens anders aan dan om te zwemmen. Na een anderhalf uur was de afstand die hem van het eiland scheidde, zeer verminderd. Maar naarmate hij het land naderde, maakte zich eene eerst vluchtige, daarna ernstige gedachte van zijn geest meester. Hij wist dat de oevers van het meer bezocht werden door ontzaglijke alligators, hij kende de vraatzucht dezer dieren. Hoe natuurlijk hij ook alles in deze wereld mocht vinden, gevoelde de waardige jongen zich echter levendig ontroerd; hij vreesde dat het blanke vleesch bijzonder naar den smaak der krokodillen zou zijn en ging dus slechts met de grootste voorzorgen voorwaarts, steeds een oog in het zeil houdende. Hij was slechts honderd vademen verwijderd van het met groene boomen overschaduwde strand, toen een sterke lucht van muskus zijne reukzenuwen aandeed. “Mooi!” zeide hij bij zichzelven, “dat is het juist wat ik vreesde, de kaaiman is niet ver meer.” En hij dompelde zich snel onder, maar niet spoedig genoeg om de aanraking van een groot lichaam te ontgaan, wiens schubbige huid hem in het voorbijgaan schampte. Hij achtte zich verloren en begon met wanhopige snelheid te zwemmen; hij kwam boven water om adem te halen en verdween weder. Daar stond hij een kwartier lang een onuitsprekelijken angst uit, dien hij met al zijne koelbloedigheid niet kon verdrijven; hij meende achter zich het geluid te hooren van dien grooten muil gereed om hem te verslinden. Nu zwom hij, zoo stil mogelijk, onder water, toen hij zich eerst bij een arm, vervolgens om zijn middel voelde grijpen.Arme Joe! hij dacht voor de laatste maal aan zijn meester en begon wanhopig te worstelen, daar hij zich niet naar den bodem van het meer voelde trekken, zooals de krokodillen doen om hunne prooi te verslinden, maar naar de oppervlakte. Nauwelijks had hij kunnen ademhalen en de oogen openen, of hij zag zich tusschen twee negers, zwart als ebbenhout, die hem stevig vasthielden en vreemde kreten slaakten.—“Welnu, komaan!” riep Joe uit, “negers in plaats van kaaimans! Ik heb dit waarachtig liever! Maar hoe durven die kerels zich hier baden?” Joe wist niet dat de inwoners van de eilanden van het meer Tchad, even als vele negers, straffeloos zich baden in wateren waar zich alligators bevinden, zonder zich om hunne tegenwoordigheid te bekommeren; de tweeslachtige dieren van dit meer staan algemeen bekend als onschadelijk. Was Joe dus nu het eene gevaar ontkomen, om in het andere te vervallen? Dit liet hij aan de toekomst over, en daar hij niet anders kon doen, liet hij zich zonder eenige vrees te toonen naar den oever slepen.—“Klaarblijkelijk,” zeide hij in zich zelven, “hebben deze menschen den Victoria over de wateren van het meer zien gaan even als een monster uit de lucht, en zij moeten eerbied hebben voor een man, die uit den hemel is gevallen. Laat hen dus begaan!”Joe in het meer Tchad. Blz. 192.Joe in het meer Tchad. Blz.192.Tot zoover was Joe met zijne overdenkingen gevorderd, toen hij aan land stapte te midden eener huilende menigte van beide seksen en allerlei leeftijd, maar niet van alle kleuren; hij bevond zich ondereen stam van Biddiomahs van een prachtig zwarte kleur. Hij behoefde zelfs niet te blozen over de luchtigheid zijner kleeding, hij was naar de laatste mode van het land “ontkleed.” Maar, voordat hij den tijd had om zich van zijn toestand rekenschap te geven, kon hij zich niet vergissen in de aanbidding waarvan hij het voorwerp werd. Dit stelde hem gerust, hoewel de geschiedenis van Kazeh1hem in het geheugen kwam. “Ik heb een voorgevoel dat ik weder een god, de een of andere Zoon der Maan zal worden! Welnu, dit ambacht is even goed als een ander, als men geene keus heeft. Het voornaamste is tijd te winnen. Als de Victoria weder voorbijkomt, zal ik van mijne nieuwe positie gebruik maken om aan mijne aanbidders het schouwspel te geven van eene wonderbare hemelvaart.” Terwijl Joe aldus nadacht, verdrong de menigte zich rondom hem, zij viel op de knieën, huilde, betastte hem en werd zeer gemeenzaam, maar zij was ook zoo goed hem een prachtig gastmaal aan te bieden, bestaande uit zure melk met gepelde rijst en honig. De waardige jongen, zich in alles schikkende, deed een der beste malen van zijn leven en gaf aan het volk een hoog denkbeeld van de wijze, waarop de goden bij plechtige gelegenheden eten.Toen de avond gekomen was, namen de toovenaars van het eiland hem eerbiedig bij de handen en geleidden hem naar eene soort van hut, door talismans omringd; voordat hij er binnen ging, sloeg Joe een onrustigen blik op de hoopen beenderen, die rondom dit heiligdom lagen; overigens had hij al den tijd om over zijn toestand na te denken toen hij in zijne hut was opgesloten. Gedurende den avond en een gedeelte van den nacht hoorde hij feestzangen, het geluid van eene soort van trom en een geraas van ijzer, dat zeer aangenaam is voor afrikaansche ooren; huilende koren begeleidden eindelooze dansen van de negers, die de heilige hut met hunne lichaamsverdraaiingen en grimassen omringden.Joe kon dit waarnemen door de muren van slijk en riet; misschien zou hij, in andere omstandigheden groot behagen hebben geschept in deze vreemde plechtigheden, maar eene onaangename gedachte bekroop hem weldra. Hoewel alles van de goede zijde beschouwende, vond hij het toch droevig in dit wilde land en bij dergelijke stammen te zijn. Weinige reizigers, die zich in deze streken hadden gewaagd, hadden hun vaderland wedergezien. Kon hij zich wel verlaten op de aanbidding waarvan hij het voorwerp was! Hij had goede redenen om aan de ijdelheid van aardsche grootheid te gelooven. Hij vroeg zich af, of de aanbidding in dit land niet zoover ging dat men den aangebedene opat! Ondanks dit onaangenaam vooruitzicht en na eenige uren van overdenking, kreegde vermoeienis de overhand over de akelige gedachten en Joe viel in een diepen slaap, die zonder twijfel tot aan het krieken van den dag zou hebben geduurd, als eene onverwachte vochtigheid den slaper niet had wakker gemaakt. Weldra werd dit vocht water, dat zoo hoog steeg, dat Joe tot aan zijn midden daarin stond. “Wat is dat?” zeide hij, “eene overstrooming, eene hoos, eene nieuwe marteling der negers! Waarachtig, ik zal niet wachten totdat het mij aan den hals komt.” Dit zeggende stootte hij den muur met zijn schouder in en waar bevond hij zich toen? midden in het meer. Er was geen spoor meer van het eiland te zien. Het was in den nacht ondergeloopen.—“Dit is een naar land voor de bewoners,” zeide Joe, en hij begon op nieuw met alle kracht te zwemmen. Een dezer vrij algemeene verschijnsels op het meer Tchad had den braven jongen bevrijd; meer dan één eiland, dat vast als een rots scheen, is op deze wijze verdwenen, en dikwijls moesten de volkeren aan de oevers de ongelukkigen opnemen, die aan deze verschrikkelijke ramp waren ontkomen. Joe was onbekend met deze bijzonderheid, maar hij maakte er gebruik van. Hij bemerkte een dobberend schuitje en begaf zich spoedig daarheen, het was eene soort van ruw uitgeholde boomstam. Een paar riemen waren er gelukkig in, en Joe, van een snellen stroom gebruik makende, liet zich drijven. “Laat ons goed onze stelling opnemen,” zeide Joe. “De poolster, die als een eerlijk man zijn plicht doet om iedereen het noorden aan te wijzen, zal mij wel te hulp willen komen.”Hij zag met blijdschap dat de stroom hem naar den noordelijken oever voerde en liet hem begaan. Tegen twee uur des morgens zette hij voet aan wal op een voorgebergte, bedekt met doornachtig riet, dat zeer lastig scheen, maar een boom stond daar juist van pas, om hem een bed in zijne takken aan te bieden. Joe klom er in voor meerdere veiligheid en wachtte daar, zonder veel te slapen, de eerste zonnestralen af. Toen de dag was aangebroken met dien snelheid, eigen aan de landen onder en bij den evenaar gelegen, sloeg Joe een blik op den boom, die hem gedurende den nacht had beschut; een onverwacht schouwspel deed hem schrikken. De takken van dezen boom waren letterlijk geheel bedekt met slangen en kameleons; de bladeren waren onzichtbaar; men zou het een boom van eene nieuwe soort hebben genoemd, die kruipend gedierte voortbracht; onder de stralen der zon kroop dit alles door en over elkander. Joe ondervond een levendig gevoel van schrik, gemengd met walging en sprong ter aarde, te midden van het gesis van den troep. “Dat is iets,” zeide hij, “dat men nooit zal willen gelooven.”Hij wist niet dat de laatste brieven van doctor Vogel deze bijzonderheid van de oevers van het meer Tchad, waar de kruipende dieren talrijker zijn dan in eenig ander land ter wereld, hadden doen kennen; na hetgeen hij gezien had, besloot Joe in het vervolgomzichtiger te zijn en, zich naar de zon richtende, begaf hij zich op weg naar het noordoosten, hij ontweek zorgvuldig alle mogelijke hutten en holen, in een woord alles wat tot menschelijke woning zou hebben kunnen dienen.Hoe dikmaals zag hij naar de lucht! Hij hoopte den ballon te ontdekken en, hoewel hij hem dien geheelen dag te vergeefs had gezocht, verzwakte dit zijn vertrouwen op zijn meester niet; hij had eene groote vastheid van karakter noodig om zoo koelbloedig te zijn. De honger voegde zich bij de vermoeienis, want wortelen, merg van heesters, zoo als de “mélé,” of vruchten van den palmboom “doum”, versterken iemand niet, en echter kon hij, volgens zijne schatting ongeveer twintig mijlen westwaarts gaan. Zijn lichaam droeg op twintig plaatsen de sporen van duizenden doornen, waarmede het riet van het meer, de acacia’s en de mimosa’s bezet zijn, en zijne bebloede voeten maakten zijn gang uiterst pijnlijk. Maar eindelijk wist hij zijne smarten te overwinnen en des avonds besloot hij den nacht aan de oevers van het meer Tchad door te brengen.Daar had hij de steken door te staan van duizenden insecten; vliegen, muskieten, mieren van een halve duim lengte, bedekten daar letterlijk de aarde; na twee uren bleef aan Joe geen stuk over van de weinige kleederen die hem bedekten; de insecten hadden alles verslonden; het was een verschrikkelijke nacht, die den vermoeiden reiziger geen uur slaap veroorloofde; al dien tijd woedden de wilde zwijnen en buffels, de ajoub, eene soort van lamentyn, die zeer gevaarlijk is, in de struiken en onder het water van het meer. Joe durfde zich niet bewegen. Hij had moeite zijn kalmte en geduld te behouden. Eindelijk brak de dag weer aan; Joe stond spoedig op en men oordeele over zijn afgrijzen toen hij zag dat een vuil dier zijne legerstede had gedeeld; eene pad, maar eene van vijf duim breed, met een monsterachtigen, afschuwelijken kop, die hem met groote oogen aanstaarde. Joe voelde zich het hart in het lijf omdraaien, en door walging voortgedreven, liep hij met groote stappen naar het meer, om zich te baden. Dit bad deed het jeuken dat hem kwelde een weinig bedaren en, na eenige bladeren te hebben gekauwd, ging hij weder op weg met eene volharding, waarvan hij zich geene rekenschap wist te geven; hij had geen gevoel meer van hetgeen hij deed en desniettemin voelde hij dat zijne kracht sterker was dan zijne wanhoop. Echter deed een verschrikkelijke honger zich bij hem voelen; zijne maag, minder geduldig dan hij, klaagde; hij was verplicht eene klimplant stevig om zijn lichaam te binden; gelukkig kon hij zijn dorst bij iedere schrede lesschen en, zich het lijden in de woestijn herinnerende, vond hij het betrekkelijk gelukkig dat hij de kwellingen van den dorst niet had te doorstaan.—“Waar kan de Victoria zijn?” vroeg hij zich af..... “De wind is noord, hij moest naar het meer terugkeeren. Zonder twijfel zal mijnheer Samuel het evenwicht hebben moeten herstellen; maar de dag van gisteren zal daarvoor wel voldoende zijn geweest, het zou dus niet onmogelijk zijn dat heden.... Maarlaat ons doen als of ik hem nooit moest wederzien. Alles wel bezien, als ik eene der groote steden van het meer bereik, zou ik in het geval verkeeren van de reizigers, van welke mijn meester ons heeft gesproken. Waarom zou ik er niet even goed afkomen als zij? Er zijn er die terug zijn gekomen. Komaan, moed!” Aldus sprekende en steeds voortgaande, kwam de onverschrokken Joe in het midden van het bosch nabij een troep wilden terecht. Hij bleef bij tijds staan en werd niet gezien. De negers hielden zich bezig hunne pijlen te vergiftigen met het sap der wolfsmelk, hetgeen eene voorname bezigheid is voor de stammen dezer streek, en dat met zekere plechtigheid geschiedt.

De hoofdstad van Bornou.—De eilanden der Biddiomahs.—De Condors.—Deongerustheid van den doctor.—Zijne voorzorgen.—Een aanval in de lucht.—Het gescheurde omkleedsel.—De val.—Verhevene opoffering.—De noordelijke kust van het meer.

De hoofdstad van Bornou.—De eilanden der Biddiomahs.—De Condors.—Deongerustheid van den doctor.—Zijne voorzorgen.—Een aanval in de lucht.—Het gescheurde omkleedsel.—De val.—Verhevene opoffering.—De noordelijke kust van het meer.

Sedert zijne aankomst aan het meer Tchad had de doctor een luchtstroom gevonden, die hem meer naar het westen voerde, eenige wolken matigden de hitte van den dag, en men gevoelde overigens op deze groote uitgestrektheid water een weinig koelte; maar tegen een uur naderde de ballon, dit gedeelte van het meer schuin overgestoken zijnde, op nieuw liet land.

De stad Kouka. Blz. 178.De stad Kouka. Blz.178.

De stad Kouka. Blz. 178.

De stad Kouka. Blz.178.

De doctor eerst een weinig teleurgesteld over deze richting, beklaagdeer zich niet meer over, toen hij de stad Kouka, de vermaarde hoofdstad van Bornou, bemerkte; hij kon haar een oogenblik zien, omringd met hare muren van witte klei; eenige moskeeënverhieven zich boven deze menigte dobbelsteenen, waarop de arabische huizen hier gelijken. In de tuinen achter de huizen en op de markten groeiden palm- en caoutchoucboomen, gekroond met een tooisel van bladeren meer dan honderd voet breed. Joe deed opmerken dat deze ontzettend groote parasols in overeenstemming waren met de zonnestralen.

Kouka bestaat werkelijk uit twee zeer verschillende steden, van elkander gescheiden door den “dendal,” een wal van 300 vaam1, toen bezet met voetvolk en ruiterij. Aan den eenen kant verheft zich de rijke stad met hare hooge en luchtige huizen, aan den anderen kant de arme stad, zijnde eene treurige verzameling van lage kegelvormige hutten, waar eene behoeftige bevolking een plantenleven leidt, want Kouka heeft noch handel noch nijverheid. Kennedy vond dat het eenige gelijkenis had metEdinburg, als het zich in eene vlakte uitspreidde met hare twee geheel verschillende steden. Maar nauwelijks konden de reizigers een blik daarop werpen: want met alle veranderlijkheid welke de luchtstroomen van deze streek kenmerkt, voerde een tegenwind hen veertig mijlen ver over het meer Tchad. Toen was het een nieuw schouwspel; zij konden de talrijke eilanden van het meer tellen, bewoond door de Biddiomahs, bloeddorstige roovers, wier nabuurschap evenzeer wordt gevreesd als die van de Touaregs der Sahara. Zij maakten zich gereed den Victoria moedig te ontvangen met pijlen en steenen, maar deze was die eilanden spoedig voorbij, waarboven hij scheen te zweven als een reusachtige schallebijter. Op dit oogenblik zag Joe naar den horizon en Kennedy aansprekende zeide hij: “Waarachtig, mijnheer Dick, gij die altijd van jagen droomt, zie hier uwe zaak.”—“Wat is het dan, Joe?”—“Deze keer zal mijn meester geene tegenwerping maken.”—“Wat is er dan toch?”—“Ziet gij daar ginds dien troep groote vogels die op ons afkomen?”—“Vogels!” zeide de doctor, zijn verrekijker nemende.—“Ik zie hen,” antwoordde Kennedy, “zij zijn ten minste twaalf in getal.”—“Veertien, als het u belieft,” zeide Joe.—“Geve de hemel dat zij van eene kwaadaardige soort mogen wezen, opdat de teerhartige Samuel niets hebbe te zeggen.”—“Ik zal niets te zeggen hebben,” antwoordde Ferguson, “maar ik zag deze vogels liever ver van ons.”—“Zijt gij er bang voor?” vroeg Joe.—“Het zijn condors, Joe, van de grootste soort, en als zij ons aanvallen....”—“Welnu! dan zullen wij ons verdedigen, Samuel, wij hebben wapens genoeg om hen te ontvangen. Ik geloof toch niet dat deze vogels zoo te vreezen zijn.”—“Wie weet?” antwoordde de doctor.

Tien minuten later was de troep op een geweerschot-afstandgenaderd; deze veertien vogels deden de lucht van hunne schorre kreten weergalmen, zij naderden den ballon meer verwoed dan verschrikt over zijne tegenwoordigheid.—“Wat schreeuwen zij,” zeide Joe, “welk geweld! Het staat hun waarschijnlijk niet aan, dat men hun gebied betreedt en zich veroorlooft te vliegen zoo als zij.”—“In waarheid,” zeide de jager, “zij zien er vrij verschrikkelijk uit, en ik geloof dat zij zeer geducht zouden zijn als zij eene goede karabijn hadden!”—“Zij hebben die niet noodig,” antwoordde Ferguson, die zeer ernstig werd.

De condors vlogen rond in ontzettend groote kringen, die langzamerhand om den ballon kleiner werden; zij doorkruisten de lucht met eene phantastische snelheid, soms met de snelheid van een kogel dalende. De doctor ongerust zijnde besloot te stijgen om deze gevaarlijke vogels te ontkomen. Maar de condors stegen met hem, weinig geneigd om hem te verlaten.—“Het schijnt dat zij het op ons hebben voorzien,” zeide de jager, zijne karabijn ladende.—Inderdaad zij naderden, en meer dan een kwam op nauwelijks vijftig voet afstands en scheen de wapens van Kennedy te braveeren, “Ik heb machtig grooten lust op hen te schieten,” zeide deze.—“Neen, Dick, laat ons ze niet woedender maken. Dat zou hen aansporen om ons aan te vallen.”—“Maar ik zou ze gemakkelijk overwinnen.”—“Gelooft gij dat! gij bedriegt u, Dick.”—“Wij hebben meer dan een kogel voor elk van hen.”—“En als zij op het bovenste gedeelte van den ballon nederschieten, hoe zult gij hen dan bereiken? Stel u voor dat gij u bevindt in tegenwoordigheid van een troep leeuwen op de aarde, of haaien in volle zee! Voor den luchtreiziger is de toestand even gevaarlijk.”—“Spreekt gij in ernst, Samuel?”—“Zeer zeker, Dick.”—“Wachten wij dan.”—“Wacht. Houd u gereed in geval van aanval, maar vuur niet zonder mijn bevel.”

De vogels schoolden toen op geringen afstand zamen; men zag duidelijk hun hals uitgestrekt door hun geschreeuw, hunne kraakbeenachtige kuif, met paarsche tepeltjes bezet, verhief zich van woede. Zij waren van de grootste soort; hun lichaam was meer dan drie voet lang en het bovenste gedeelte hunner witte vleugels schitterde in de zon; men zou hen gevleugelde haaien hebben genoemd, waarmede zij zeer veel overeenkomst hadden.—“Zij volgen ons,” zeide de doctor, toen hij hen met zich zag stijgen, “en al stijgen wij nog zoo hoog, hun vlucht zou hen nog hooger voeren.”—“Wat dan te doen?” vroeg Kennedy.—De doctor antwoordde niet.—“Hoor, Samuel,” hernam de jager, “wij hebben 17 schoten tot onze beschikking, als wij met al onze wapenen vuur geven; is er geen middel hen te vernietigen of te verstrooien? Ik belast mij met een zeker aantal.”—“Ik twijfel niet aan uwe behendigheid, Dick, ik geloof gaarne dat zij, die den mond uwer karabijnvoorbijvliegen, dood zullen nedervallen, maar, ik herhaal het, als zij het bovenste gedeelte van den ballon aanvallen, kunt gij hen niet meer zien, zij zullen dit omkleedsel, dat ons houdt, verscheuren, en wij zijn 3000 voet hoog.”

Op dit oogenblik schoot een der wildste vogels recht op den ballon toe met open bek en klauwen, gereed om te bijten en te verscheuren.—“Vuur, vuur!” riep de doctor uit. Nauwelijks had hij dit woord uitgesproken of de vogel viel, doodelijk getroffen. Kennedy had een der geweren met dubbelen loop genomen, Joe nam het andere.

Verschrikt door de losbarsting verwijderden de condors zich voor een oogenblik, maar kwamen bijna terstond woedend terug. Kennedy trof met zijn eersten kogel juist den hals van den naasten, Joe verbrijzelde den vleugel van den anderen.—“Niet meer dan elf,” zeide hij.—Toen veranderden de vogels van tactiek en verhieven zich gezamenlijk boven den ballon. Kennedy zag Ferguson aan. Ondanks zijn moed en zijne koelbloedigheid verbleekte deze. Er heerschte een oogenblik een verschrikkelijk stilzwijgen. Vervolgens hoorde men een gekraak als van het scheuren van zijde en het schuitje schoot weg onder de voeten der drie reizigers.—“Wij zijn verloren,” riep Ferguson uit, de oogen op den barometer slaande, die aanhoudend rees.—“Weg met den ballast.” In eenige oogenblikken waren alle stukken kwarts verdwenen.—“Wij dalen steeds! Ledigt de waterbakken?—Joe! hoort gij?—Wij storten in het meer!” Joe gehoorzaamde, de doctor boog zich omlaag. Het meer scheen tot hem te komen als het wassende tij; de voorwerpen werden zichtbaar grooter, het schuitje was slechts 200 voet van het water verwijderd.—“De mondbehoeften!” riep de doctor. En de kist die haar bevatte werd weggeslingerd. De val werd minder snel, maar de ongelukkigen daalden steeds. “Werpt nog meer weg,” riep de doctor voor de laatste maal.—“Er is niets meer,” zeide Kennedy.—“Zeker!” antwoordde Joe, en hij verdween over den rand van het schuitje.——“Joe! Joe!” zeide de doctor verstijfd van schrik. Maar Joe kon hem niet meer hooren. De verlichte Victoria begon weder te stijgen tot op duizend voet hoogte, en de wind in het verscheurde omkleedsel vallende, voerde hem naar de noordkust van het meer.—“Verloren!” zeide de jager met een kreet van wanhoop.—“Verloren om ons te redden!” antwoordde Ferguson.—En deze zoo stoutmoedige mannen kregen tranen in de oogen; zij bogen zich voorover om eenig spoor van den ongelukkigen Joe te ontdekken, maar zij waren reeds te ver. “Wat zullen wij doen?” vroeg Kennedy.—“Dalen zoodra het mogelijk is, Dick, en dan wachten.” Na een tocht van zestig mijlen daalde de Victoria op eene onbewoonde kust neder, ten noorden van het meer; de ankers hechtten zich vast in een niet zeer hoogenboom en de jagers maakten hen stevig vast. De nacht kwam, maar Ferguson noch Kennedy konden den slaap vatten.

De val van Joe. Bladz. 180.De val van Joe. Bladz.180.

De val van Joe. Bladz. 180.

De val van Joe. Bladz.180.

1Ruim 584.7 Meter.

1Ruim 584.7 Meter.

Gissing.—Herstel van het evenwicht van de Victoria.—Nieuwe berekeningen van doctor Ferguson.—Jacht van Kennedy.—Volledig onderzoek van het meer Tchad.—Tangalia.—Terugkeer.—Lari.

Gissing.—Herstel van het evenwicht van de Victoria.—Nieuwe berekeningen van doctor Ferguson.—Jacht van Kennedy.—Volledig onderzoek van het meer Tchad.—Tangalia.—Terugkeer.—Lari.

Des anderen daags, den 13denMei, herkenden de reizigers terstond het gedeelte der kust, waarop zij zich bevonden; het was eene soort van eiland van stevige aarde, te midden van een onmetelijk moeras. Rondom dit terrein van vasten grond verhief zich riet, dat zoo groot was als boomen van Europa en dat zich uitstrekte zoover het oog reiken konde. Deze onoverschrijdbare moerassen maakten de stelling van den ballon veilig, men had slechts de zijde van het meer in het oog te houden; de uitgestrekte oppervlakte van het water verbreedde zich steeds, voornamelijk in het oosten, en noch eilanden, noch vasteland was zichtbaar aan den horizon. De twee vrienden hadden nog niet durven spreken van hun ongelukkigen reisgezel; Kennedy was de eerste die zijne gissingen aan den doctor mededeelde.—“Joe is misschien niet verloren,“ zeide hij.—“Hij is behendig en een zwemmer, zoo als er weinigen bestaan, hij was niet verlegen om deFirthof de Forth teEdinburgover te zwemmen. Wij zullen hem wederzien, wanneer en hoe, weet ik niet, maar laat ons van onzen kant niets verzuimen om hem de gelegenheid te geven zich weder bij ons te voegen.”—“God hoore u, Dick,” antwoordde de doctor met bewogene stem, “wij zullen alles aanwenden om onzen vriend weder te vinden. Laat ons eerst zien waar wij zijn, maar voor alles den Victoria van het buitenste omkleedsel, dat nu van geen nut meer is, ontdoen, dit zal ons van een aanmerkelijk gewicht bevrijden, zes-honderd-vijftig pond is wel der moeite waard.” De doctor en Kennedy sloegen handen aan het werk, zij ondervonden groote moeielijkheden; zij moesten stuk voor stuk van dit sterke taf er afrukken en het in kleine repen snijden om het uit de mazen van het net te krijgen. De scheur door den snavel der roofvogels gemaakt was verscheidene voeten lang. Dit werk duurde ten minste vier uren; maar eindelijk scheen de binnenste ballon, geheel vrij geworden, niets te hebben geleden. De Victoria was toen een vijfde deel kleiner geworden. Dit verschil was merkbaar genoeg om Kennedy verbaasd te doen staan.—“Zal het voldoende zijn?” vroeg hij den doctor.—“Vrees hieromtrent niets, ik zal het evenwicht herstellen, en als onze arme Joe terugkomt, zullen wij met hem wel onzen gewonen gang weten te hernemen.”—“Op het oogenblik van onzen val, Samuel, waren wij, als ik mij wel herinner, niet ver van een eiland.”—“Ik herinnerhet mij inderdaad, maar dat eiland, zoo als alle eilanden van het meer Tchad, wordt zonder twijfel bewoond door een ras van zeeroovers en moordenaars, zij zullen zeker getuigen geweest zijn van dit ongeluk, en als Joe in hunne handen valt, wat zal er dan van hem worden, als het bijgeloof hem niet beschermt?”—“Hij zal er zich wel uitredden, zeg ik u, ik stel vertrouwen in zijne behendigheid en vernuft.”—“Ik hoop het. Nu, Dick, gaat gij in den omtrek jagen, zonder u evenwel te ver te verwijderen, het wordt dringend noodzakelijk onze levensmiddelen te vernieuwen, waarvan het grootste gedeelte opgeofferd is.”—“Goed, Samuel, ik zal niet lang weg blijven.”

Kennedy nam een geweer met dubbelen loop en ging in het hooge gras naar een dicht bij staand kreupelhout; talrijke schoten deden den doctor begrijpen dat zijne jacht niet vruchteloos zou zijn. In dien tijd hield hij zich bezig de voorwerpen in het schuitje overgebleven, op te nemen en den tweeden luchtballon in evenwicht te brengen; er bleef dertig pond pemmican, eenige voorraad thee en koffie, ongeveer anderhalve gallon1brandewijn, een ledige waterbak; al het gedroogde vleesch was weg. De doctor wist dat de stijgkracht van den nieuwen ballon door het verlies van het gas des eersten, met 900 pond was verminderd, daarop moest hij dus rekenen om zijn evenwicht tot stand te brengen. De nieuwe Victoria had 97000 kubiek voet2inhoud en bevatte 33480 kubiek voet3gas; de toestel voor uitzetting scheen in goeden staat te zijn; noch de batterij, noch de slang schenen iets te hebben geleden. De stijgkracht van den nieuwen ballon was dus 3000 pond ongeveer; als hij het gewicht der reizigers, van den voorraad water, het schuitje en zijn toebehooren, vijftig gallons4water en 100 pond versch vleesch bij elkander rekende kwam hij tot een totaal van 2830 pond. Hij kon dus 170 pond ballast voor de onvoorziene gevallen medenemen, en de luchtballon was in evenwicht met de hem omringende lucht. Zijne schikkingen werden dienovereenkomstig gemaakt, en hij verving het gewicht van Joe door eene vermeerdering van ballast. Hij bracht den geheelen dag door met deze verschillende toebereidselen die eindigden bij de terugkomst van Kennedy. De jager had eene goede jacht gemaakt; hij bracht eene geheele lading ganzen, wilde eenden, kleine snippen, talingen en plevieren. Hij hield zich bezig dit wild te bereiden en te rooken. Elk stuk aan een dunnen stok gestoken, werd boven een vuur van groen hout gehangen. Toen het gereed was, bracht Kennedy hetin het schuitje. Des anderen daags moest de jager zijn voorraad aanvullen. Des avonds waren de reizigers nog met dit werk bezig. Hun maal bestond uit pemmican, beschuit en thee. De vermoeienis, die hun honger had doen krijgen, verschafte hun een vasten slaap. Ieder trachtte gedurende zijne wacht de duisternis te doorboren, als hij soms de stem van Joe scheen te hooren, maar helaas! die stem, die zij zoo gaarne hadden willen hooren, was ver verwijderd. Bij de eerste stralen der zon wekte de doctor Kennedy.—“Ik heb lang nagedacht,” zeide hij, “over hetgeen wij moeten doen, om onzen reisgezel weder te vinden.”—“Wat ook uw voornemen zij, het is mij wel, spreek.”—“Voor alles is het van belang dat Joe weet waar wij zijn.”—“Zonder twijfel!”—“Als die waardige jongen zich eens ging verbeelden, dat wij hem verlieten!”—“Hij! hij kent ons te goed! Nooit zal zoo iets hem in de gedachte komen, maar hij moet onze verblijfplaats weten!”—“Hoe dat?”—“Wij zullen weder in het schuitje gaan zitten en opstijgen.”—“Maar als de wind ons uit den koers voert?”—“Dit zal gelukkig niet zoo zijn. Zie, Dick, hij voert ons naar het meer terug, en deze omstandigheid, die gisteren onaangenaam zou geweest zijn, is heden gunstig. Onze pogingen zullen zich dus daartoe bepalen den geheelen dag boven deze uitgestrekte wateroppervlakte te blijven. Joe moet ons daar zien; zijne blikken zullen ons daar onophoudelijk zoeken. Misschien zelfs zal hij ons van zijne verblijfplaats kunnen onderrichten.”—“Als hij alleen en vrij is, zal hij het zeker doen.”—“En als hij gevangen is,” hernam de doctor, “zal hij, daar de inlanders hier hunne gevangenen niet opsluiten, ons zien, en het doel van ons onderzoek begrijpen.”—“Maar,” zeide Kennedy, “want wij moeten alle mogelijke gevallen voorzien, als wij geen spoor vinden door hem op zijn weg achtergelaten, wat zullen wij dan doen?”—“Wij zullen beproeven het noordelijke gedeelte van het meer weder te bereiken en ons zooveel mogelijk in het gezicht houden. Daar zullen wij wachten, de oevers onderzoeken, welke Joe zeker zal trachten te bereiken, en wij zullen de plaats niet verlaten voordat wij alles hebben gedaan om hem weder te vinden.”—“Laat ons dan vertrekken,” antwoordde de jager.

De doctor nam nauwkeurig hoogte van dit stuk vasten grond dat hij ging verlaten; volgens zijne kaart geloofde hij ten noorden van het meer Tchad te zijn, tusschen de stad Lari en het dorp Ingemini, welke beiden door majoor Denham waren bezocht. In dien tijd vulde Kennedy zijn voorraad vleesch aan. Hoewel de omringende moerassen sporen van rhinocerossen, lamentynen en rivierpaarden vertoonden, had hij geene gelegenheid een dezer groote dieren te ontmoeten. Ten zeven uur des avonds werd het anker van den boom losgemaakt, niet zonder groot bezwaar, dat Joe goed wist te boven te komen; de nieuwe ballon steeg tweehonderd voet.Hij aarzelde eerst, terwijl hij ronddraaide, maar eindelijk in een vrij snellen luchtstroom gekomen, ging hij over het meer met eene snelheid van twintig mijlen per uur.

De jacht was niet vruchteloos. Blz. 183.De jacht was niet vruchteloos. Blz.183.

De jacht was niet vruchteloos. Blz. 183.

De jacht was niet vruchteloos. Blz.183.

De doctor hield zich standvastig op eene hoogte tusschen de 200 en 500 voet; Kennedy loste dikwijls zijne karabijn; boven de eilanden naderden de reizigers zelfs onvoorzichtig, met hunnen blik het kreupelhout, de struiken doorzoekende, overal waar maar eenig lommer, of eenige kromming in eene rots tot schuilplaats aan hun reisgezel had kunnen dienen. Zij daalden bij lange prauwen, die het meer doorploegden. De visschers wierpen zich, op hun gezicht, in het water en gingen naar hun eiland terug met weinig verholen teekenen van vrees. “Wij zien niets,” zeide Kennedy na twee uren zoekens. “Wachten wij, Dick, en verliezen wij den moed niet, wij moeten niet ver zijn van het eiland waar het ongeluk ons trof.”

Ten elf uur was de ballon 90 mijlen gevorderd; toen ontmoette hij een nieuwen luchtstroom, die hem onder een bijna rechten hoek zestig mijlen ver naar het oosten voerde. Hij zweefde boven een zeer groot en bevolkt eiland, dat de doctor voor Farram hield, waar de hoofdstad der Biddiomahs ligt. Hij verwachtte Joe uit deze struiken te voorschijn te zien komen, hen roepende. Als hij vrij was kon men hem zonder moeite ontvoeren, gevangen zijnde zou hij, door dezelfde list te bezigen die gediend had om den zendeling te redden, weldra bij zijne vrienden teruggekeerd zijn, maar men zag niets, het was om wanhopig te worden. De ballon kwam ten half drie in het gezicht van Tangalia, een dorp op den oostelijken oever van het meer gelegen en dat het uiterste punt was dat Denham op zijn tocht had bereikt. De doctor werd ongerust over deze standvastige richting van den wind, hij voelde zich naar het oosten teruggevoerd, naar het midden van Afrika en de eindelooze woestijnen.—“Wij moeten volstrekt stil houden,” zeide hij, “en zelfs op de aarde nederdalen; in het belang van Joe vooral moeten wij boven het meer terugkomen, maar laat ons vooraf trachten een tegenovergestelden luchtstroom te vinden.”

Gedurende meer dan een uur zocht hij op verschillende hoogten. De Victoria week steeds af naar den vasten grond, maar gelukkig voerde een zeer hevige luchtstroom, op duizend voet hoogte, hem terug naar het noordwesten. Het was niet mogelijk dat Joe op een der eilanden van het meer werd teruggehouden, want dan zou hij zeker wel een middel hebben gevonden om van zijne tegenwoordigheid kennis te geven; misschien had men hem op het land gesleept. Dus redeneerde de doctor, toen hij den noordelijken oever van het meer Tchad weder zag. Te denken dat Joe verdronken was, dit was van allen grond ontbloot. Er was een afgrijselijk denkbeeld in den geest van Ferguson en Kennedy opgekomen; de kaaimannen zijn talrijk in die streken! Maar geen van beiden had den moed zijne gedachten in woorden uit te drukken. Echter zeide de doctor zonder eenige inleiding: “De krokodillen ontmoet men slechts op de oevers der eilanden van het meer; Joe zal behendig genoeggeweest zijn om hen te ontwijken; overigens zijn zij niet zeer gevaarlijk, en de Afrikanen baden zich ongestraft zonder hunne aanvallen te vreezen.” Kennedy antwoordde niet, hij wilde liever zwijgen dan over deze vreeslijke mogelijkheid redeneeren.

De doctor wees tegen vijf uren des avonds de stad Lari aan. De inwoners waren bezig met de inzameling van katoen, voor hunne hutten van gevlochten riet, te midden van zindelijk en goed onderhouden omheinde plaatsen. Deze vereeniging van een vijftigtal hutten was gelegen op een kleine daling van den grond in een uitgestrekt dal tusschen lage bergen. De hevige wind dreef hen verder voort dan den doctor aangenaam was, maar hij veranderde nogmaals en bracht hem terug naar zijn punt van vertrek, op dat eiland, waar hij den vorigen nacht had doorgebracht. Het anker hechtte zich in plaats van in boomtakken in sterke rietbosschen vast. De doctor had veel moeite om den luchtballon tegen te houden, maar eindelijk ging de wind bij het begin van den nacht liggen en de twee vrienden waakten te zamen, bijna wanhopig.

16,68 Liter.22481.5 Kub. Meter.31340 Kub. Meter.4222,64 Liter.

16,68 Liter.

22481.5 Kub. Meter.

31340 Kub. Meter.

4222,64 Liter.

De orkaan.—Gedwongen vertrek.—Verlies van een anker.—Treurige overdenkingen.—Genomen besluit.—De hoos.—De verzwolgen karavaan.—Tegenwind en gunstige wind.—Terugkeer naar het Zuiden.—Kennedy op zijn post.

De orkaan.—Gedwongen vertrek.—Verlies van een anker.—Treurige overdenkingen.—Genomen besluit.—De hoos.—De verzwolgen karavaan.—Tegenwind en gunstige wind.—Terugkeer naar het Zuiden.—Kennedy op zijn post.

Ten drie uur des morgens werd de wind hevig, hij keerde met eene zoo groote kracht terug, dat de ballon zonder gevaar niet beneden kon blijven; hij lag bijna horizontaal en het riet dreigde zijn omkleedsel te verscheuren.—“Wij moeten vertrekken, Dick,” zeide de doctor, “wij kunnen in dezen toestand niet blijven.”—“Maar Joe? Samuel.”—“Ik verlaat hem niet! Zeker niet! en al zou de orkaan ons 100 mijlen naar het noorden voeren, ik zal terugkomen. Maar hier stellen wij aller veiligheid in de waagschaal.”—“Vertrekken zonder hem!” riep de Schot uit op den toon van diepe smart.—“Gelooft gij dan,” antwoordde Ferguson, “dat mijn hart niet bloedt als het uwe? Gehoorzaam ik niet aan eene gebiedende noodzakelijkheid?”—“Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de jager.—“Laat ons vertrekken.”

Maar het vertrek had groote moeielijkheden; het anker, stevig vastgehecht, weerstond alle pogingen, en de ballon, naar den tegenovergestelden kant trekkende, deed het nog vaster zitten; Kennedy kon het niet losrukken en in zijn tegenwoordigen toestand werd zijn manoeuvre zeer hachelijk, want hij liep gevaar dat de Victoria stijgen zou voordat hij er weder in kon klimmen. De doctor dit gevaar willende vermijden, deed den Schot in het schuitje gaan en besloot het ankertouw door te snijden. De Victoria steeg 300 voet en nam terstond de richting naar het noorden. Ferguson kon slechts aan dien storm gehoorzamen, hij kruiste de armen over de borst en verdiepte zich in zijne treurige overdenkingen. Na eenige oogenblikken van een diep stilzwijgen wendde hij zich tot Kennedy, die even stil was.—“Wij hebben misschien God verzocht,” zeide hij, “het was geen menschenwerk eene dergelijke reis te ondernemen!” En een zucht van smart ontsnapte hem.—“Nauwelijks eenige dagen geleden,” antwoordde de jager, “wenschen wij elkander geluk aan vele gevaren ontkomen te zijn. Wij gaven elkander de hand!”—“Arme Joe! goede brave jongen! Een oogenblik door zijne schatten verblind, offerde hij ze gaarne allen op! Daar is hij nu ver van ons! En de wind voert ons mede met onweerstaanbare snelheid!”—“Laat ons zien, Samuel, als wij aannemen dat hij eene schuilplaats heeft gevonden bij de stammen aan het meer, zal hij dan niet kunnen doen even als de reizigers, die hen vóór ons hebben bezocht, zoo als Denham en Barth? Die hebben hun vaderland wedergezien.”—“Mijn arme Dick, Joe kent geen woord van de taal, hij is alleen en zonder hulpmiddelen. De reizigers waarvan gij spreekt, naderden de opperhoofden slechts door hun groote geschenken te zenden, te midden van een geleide, gewapend en voorbereid op deze tochten. En nog konden zij de kwellingen en ellende van de ergste soort niet ontgaan!”—“Wat wilt gij dan dat er van onzen ongelukkigen reisgezel zal worden? Het is eene verschrikkelijke gedachte.”—“Maar wij zullen terugkeeren, Samuel.”—“Zeker, Dick, al moesten wij de Victoria verlaten, al moesten wij te voet weder naar het meer Tchad gaan en ons in betrekking stellen met den Sultan van Bornou! De Arabieren kunnen geene slechte herinnering hebben aan de eerste Europeanen.”—“Ik zal u volgen, Samuel,” antwoordde de jager, “gij kunt op mij rekenen, wij zullen liever er van afzien deze reis ten einde te brengen! Joe heeft zich voor ons opgeofferd, wij zullen ons voor hem opofferen.”—Dit besluit gaf weder eenigen moed aan die twee mannen, zij gevoelden zich gesterkt door hetzelfde denkbeeld. Ferguson stelde alles in het werk om een tegenovergestelden luchtstroom te vinden, die hem nader bij het meer Tchad kon brengen, maar dit was toen onmogelijk en de daling zelfs werd onuitvoerbaar op een kalen grond en bij een zoo hevigen orkaan.

De ballon ging dus door het land der Tibbous, hij stak de Beladel Djérid over, eene woestijn, die de grens uitmaakt van Soudan, en kwam in eene zandwoestijn doorploegd met lange sporen van karavanen; de laatste linie van plantengroei smolt weldra samen met den zuidelijken horizon, niet ver van de voornaamste oase van dit gedeelte van Afrika, wier vijftig putten door prachtige boomen zijn overschaduwd, maar het was onmogelijk stil te houden. Een arabisch legerkamp, bestaande uit tenten van gestreepte stoffen, eenige kameelen die hun kop op het zand hadden uitgestrekt, verlevendigde deze eenzaamheid; maar de Victoria ging er overheen als een luchtverheveling en doorliep dus een afstand van zestig mijlen in drie uren, zonder dat het Ferguson gelukte zijn vaart te stuiten.—“Wij kunnen geen halt houden,” zeide hij, “wij kunnen niet dalen? hier is geene enkele boom, geene enkele verhevenheid van den grond! Zullen wij dan de Sahara oversteken? Zeker, de hemel is tegen ons.”—Hij sprak aldus met eene wanhopige woede, toen hij in het noorden het zand der woestijnen zag opstijgen in een dik stof; het dwarrelde onder den invloed van tegengestelde luchtstroomen. Te midden van een dwarlwind verdween eene geheele karavaan onder eene lawine van zand, de kameelen kermden erbarmelijk; kreten van wanhoop kwamen uit dien verstikkenden stofwolk. Soms stak een bont kleed met zijne levendige kleuren scherp af tegen dien chaos van zand, en het geloei van den storm beheerschte dittooneel van verwoesting. Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen; daar waar vroeger eene effene vlakte was, verhief zich een heuvel van stuifzand, onmetelijk graf eener verzwolgen karavaan.

Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen.

Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen.

De doctor en Kennedy waren bij dit verschrikkelijk schouwspel tegenwoordig. Zij konden hun ballon niet meer sturen, daar hij in tegenovergestelde luchtstroomen ronddraaide en niet meer gehoorzaamde aan de verschillende uitzettingen van het gas. Door deze bewegingen der lucht dwarrelde hij met duizelende snelheid, en het schuitje slingerde geweldig; de instrumenten, die onder de tent waren opgehangen, stieten tegen elkander met gevaar van te breken; de buizen der slang kromden zich, de waterbakken gingen met groot geraas van hunne plaats; de reizigers konden elkander op een afstand van twee voet niet verstaan en zij beproefden, door zich krampachtig aan de touwen vast te houden, aan de woede van den orkaan weerstand te bieden. Kennedy met verwilderde haren staroogde zonder te spreken, de doctor had zijne koelbloedigheid herkregen te midden van het gevaar en niet de minste ontroering was op zijne trekken te lezen, zelfs niet toen de Victoria, na eene laatste draaiing, plotseling stil bleef; de noordewind had de overhand gehouden en voerde hen terug langs den tegenovergestelden weg van dien van des morgens met eene voor het minst even groote snelheid.—“Waarheen gaan wij?” vroeg Kennedy.—“Laat dat aan de Voorzienigheid over, mijn waarde Dick, ik heb ongelijk gehad aan haar te twijfelen; zij weet beter dan wij wat goed voor ons is en wij keeren terug naar de plaatsen, die wij niet hoopten weder te zien.” Op den grond, die eerst zoo vlak en effen was, vertoonden zich na den storm kleine bergjes; de wind woei hevig en de Victoria vloog door de ruimte. De richting, die de reizigers volgden, verschilde een weinig van die, in welke zij des morgens waren gegaan, en tegen negen uur zagen zij, in plaats van het meer Tchad, de woestijn zich voor hen uitstrekken. Kennedy deed dit opmerken.—“Het komt er weinig op aan,” antwoordde de doctor, “het voornaamste is in het zuiden terug te komen, wij zullen de steden van Bornou, Wouddie of Kouka ontmoeten en ik zal niet aarzelen daar stil te houden.”—“Als gij tevreden zijt, ik ben het ten volle,” antwoordde de jager, “maar geve de hemel dat wij niet de woestijn moeten doortrekken, zoo als die ongelukkige Arabieren. Wat wij gezien hebben was verschrikkelijk.”—“En gebeurt dikwijls, Dick; het doortrekken van de woestijn is met andere gevaren gepaard dan het oversteken van den oceaan; de woestijn heeft alle gevaren der zee, zelfs het verzwelgen, en daarenboven onuitstaanbare ontberingen en vermoeienissen.”—“Het komt mij voor,” zeide Kennedy, “dat de wind gaat liggen, het stof van het zand is minder dicht opeengepakt, zijne golvingen verminderen en de horizonklaart op.”—“Des te beter, wij moeten hem oplettend met den verrekijker onderzoeken, en niets moet ons oog ontsnappen.”—“Daar belast ik mij mede, Samuel, en de verste boom zal niet door mij worden gezien, zonder dat gij er van verwittigd wordt.” En Kennedy ging, met den verrekijker in de hand, voor in het schuitje staan.

Geschiedenis van Joe.—Het eiland der Biddiomahs.—De aanbidding.—Het verzwolgen eiland.—De oever van het meer.—De slangenboom.—Voetreis.—Lijden.—Muskieten en mieren.—De honger.—Voorbijgang van den Victoria.—Verdwijning van den Victoria.—Wanhoop.—Het moeras.—Een laatste kreet.

Geschiedenis van Joe.—Het eiland der Biddiomahs.—De aanbidding.—Het verzwolgen eiland.—De oever van het meer.—De slangenboom.—Voetreis.—Lijden.—Muskieten en mieren.—De honger.—Voorbijgang van den Victoria.—Verdwijning van den Victoria.—Wanhoop.—Het moeras.—Een laatste kreet.

Wat was er van Joe geworden gedurende de vergeefsche nasporingen van zijn meester? Toen hij zich in het meer had geworpen was zijne eerste beweging, nadat hij op de oppervlakte was gekomen, de oogen omhoog te slaan; hij zag den Victoria, reeds zeer hoog boven het meer, snel stijgen, langzamerhand kleiner worden en eindelijk door een snellen luchtstroom medegevoerd in het noorden verdwijnen. Zijn meester, zijne vrienden waren gered.—“Het is gelukkig,” zeide hij tot zich zelven, “dat ik het denkbeeld heb gehad mij in het meer Tchad te werpen, het zou zeker ook bij mijnheer Kennedy opgekomen zijn en hij zou zeker niet geaarzeld hebben te doen zoo als ik, want het is zeer natuurlijk dat één mensch zich opoffert om twee anderen te redden.”Hieromtrent gerustgesteld, begon Joe om zich zelven te denken; hij was in een onmetelijk meer, omringd door onbekende volkeren waarschijnlijk woeste stammen. Dit was eene reden te meer om zich uit de verlegenheid te redden door slechts op zich zelven te rekenen, hij maakte zich dus niet beangst. Voor den aanval der roofvogels, die volgens hem zich als ware condors hadden gedragen, had hij een eiland aan den horizon gezien; hij besloot dus zich daarheen te richten en al zijne zwemkunst in het werk te stellen, na zich van de kleederen ontdaan te hebben die hem het meest hinderden; eene wandeling van vijf of zes mijlen hinderde hem niet, daarom dachthij, zoolang hij in het volle meer was, nergens anders aan dan om te zwemmen. Na een anderhalf uur was de afstand die hem van het eiland scheidde, zeer verminderd. Maar naarmate hij het land naderde, maakte zich eene eerst vluchtige, daarna ernstige gedachte van zijn geest meester. Hij wist dat de oevers van het meer bezocht werden door ontzaglijke alligators, hij kende de vraatzucht dezer dieren. Hoe natuurlijk hij ook alles in deze wereld mocht vinden, gevoelde de waardige jongen zich echter levendig ontroerd; hij vreesde dat het blanke vleesch bijzonder naar den smaak der krokodillen zou zijn en ging dus slechts met de grootste voorzorgen voorwaarts, steeds een oog in het zeil houdende. Hij was slechts honderd vademen verwijderd van het met groene boomen overschaduwde strand, toen een sterke lucht van muskus zijne reukzenuwen aandeed. “Mooi!” zeide hij bij zichzelven, “dat is het juist wat ik vreesde, de kaaiman is niet ver meer.” En hij dompelde zich snel onder, maar niet spoedig genoeg om de aanraking van een groot lichaam te ontgaan, wiens schubbige huid hem in het voorbijgaan schampte. Hij achtte zich verloren en begon met wanhopige snelheid te zwemmen; hij kwam boven water om adem te halen en verdween weder. Daar stond hij een kwartier lang een onuitsprekelijken angst uit, dien hij met al zijne koelbloedigheid niet kon verdrijven; hij meende achter zich het geluid te hooren van dien grooten muil gereed om hem te verslinden. Nu zwom hij, zoo stil mogelijk, onder water, toen hij zich eerst bij een arm, vervolgens om zijn middel voelde grijpen.

Arme Joe! hij dacht voor de laatste maal aan zijn meester en begon wanhopig te worstelen, daar hij zich niet naar den bodem van het meer voelde trekken, zooals de krokodillen doen om hunne prooi te verslinden, maar naar de oppervlakte. Nauwelijks had hij kunnen ademhalen en de oogen openen, of hij zag zich tusschen twee negers, zwart als ebbenhout, die hem stevig vasthielden en vreemde kreten slaakten.—“Welnu, komaan!” riep Joe uit, “negers in plaats van kaaimans! Ik heb dit waarachtig liever! Maar hoe durven die kerels zich hier baden?” Joe wist niet dat de inwoners van de eilanden van het meer Tchad, even als vele negers, straffeloos zich baden in wateren waar zich alligators bevinden, zonder zich om hunne tegenwoordigheid te bekommeren; de tweeslachtige dieren van dit meer staan algemeen bekend als onschadelijk. Was Joe dus nu het eene gevaar ontkomen, om in het andere te vervallen? Dit liet hij aan de toekomst over, en daar hij niet anders kon doen, liet hij zich zonder eenige vrees te toonen naar den oever slepen.—“Klaarblijkelijk,” zeide hij in zich zelven, “hebben deze menschen den Victoria over de wateren van het meer zien gaan even als een monster uit de lucht, en zij moeten eerbied hebben voor een man, die uit den hemel is gevallen. Laat hen dus begaan!”

Joe in het meer Tchad. Blz. 192.Joe in het meer Tchad. Blz.192.

Joe in het meer Tchad. Blz. 192.

Joe in het meer Tchad. Blz.192.

Tot zoover was Joe met zijne overdenkingen gevorderd, toen hij aan land stapte te midden eener huilende menigte van beide seksen en allerlei leeftijd, maar niet van alle kleuren; hij bevond zich ondereen stam van Biddiomahs van een prachtig zwarte kleur. Hij behoefde zelfs niet te blozen over de luchtigheid zijner kleeding, hij was naar de laatste mode van het land “ontkleed.” Maar, voordat hij den tijd had om zich van zijn toestand rekenschap te geven, kon hij zich niet vergissen in de aanbidding waarvan hij het voorwerp werd. Dit stelde hem gerust, hoewel de geschiedenis van Kazeh1hem in het geheugen kwam. “Ik heb een voorgevoel dat ik weder een god, de een of andere Zoon der Maan zal worden! Welnu, dit ambacht is even goed als een ander, als men geene keus heeft. Het voornaamste is tijd te winnen. Als de Victoria weder voorbijkomt, zal ik van mijne nieuwe positie gebruik maken om aan mijne aanbidders het schouwspel te geven van eene wonderbare hemelvaart.” Terwijl Joe aldus nadacht, verdrong de menigte zich rondom hem, zij viel op de knieën, huilde, betastte hem en werd zeer gemeenzaam, maar zij was ook zoo goed hem een prachtig gastmaal aan te bieden, bestaande uit zure melk met gepelde rijst en honig. De waardige jongen, zich in alles schikkende, deed een der beste malen van zijn leven en gaf aan het volk een hoog denkbeeld van de wijze, waarop de goden bij plechtige gelegenheden eten.

Toen de avond gekomen was, namen de toovenaars van het eiland hem eerbiedig bij de handen en geleidden hem naar eene soort van hut, door talismans omringd; voordat hij er binnen ging, sloeg Joe een onrustigen blik op de hoopen beenderen, die rondom dit heiligdom lagen; overigens had hij al den tijd om over zijn toestand na te denken toen hij in zijne hut was opgesloten. Gedurende den avond en een gedeelte van den nacht hoorde hij feestzangen, het geluid van eene soort van trom en een geraas van ijzer, dat zeer aangenaam is voor afrikaansche ooren; huilende koren begeleidden eindelooze dansen van de negers, die de heilige hut met hunne lichaamsverdraaiingen en grimassen omringden.

Joe kon dit waarnemen door de muren van slijk en riet; misschien zou hij, in andere omstandigheden groot behagen hebben geschept in deze vreemde plechtigheden, maar eene onaangename gedachte bekroop hem weldra. Hoewel alles van de goede zijde beschouwende, vond hij het toch droevig in dit wilde land en bij dergelijke stammen te zijn. Weinige reizigers, die zich in deze streken hadden gewaagd, hadden hun vaderland wedergezien. Kon hij zich wel verlaten op de aanbidding waarvan hij het voorwerp was! Hij had goede redenen om aan de ijdelheid van aardsche grootheid te gelooven. Hij vroeg zich af, of de aanbidding in dit land niet zoover ging dat men den aangebedene opat! Ondanks dit onaangenaam vooruitzicht en na eenige uren van overdenking, kreegde vermoeienis de overhand over de akelige gedachten en Joe viel in een diepen slaap, die zonder twijfel tot aan het krieken van den dag zou hebben geduurd, als eene onverwachte vochtigheid den slaper niet had wakker gemaakt. Weldra werd dit vocht water, dat zoo hoog steeg, dat Joe tot aan zijn midden daarin stond. “Wat is dat?” zeide hij, “eene overstrooming, eene hoos, eene nieuwe marteling der negers! Waarachtig, ik zal niet wachten totdat het mij aan den hals komt.” Dit zeggende stootte hij den muur met zijn schouder in en waar bevond hij zich toen? midden in het meer. Er was geen spoor meer van het eiland te zien. Het was in den nacht ondergeloopen.—“Dit is een naar land voor de bewoners,” zeide Joe, en hij begon op nieuw met alle kracht te zwemmen. Een dezer vrij algemeene verschijnsels op het meer Tchad had den braven jongen bevrijd; meer dan één eiland, dat vast als een rots scheen, is op deze wijze verdwenen, en dikwijls moesten de volkeren aan de oevers de ongelukkigen opnemen, die aan deze verschrikkelijke ramp waren ontkomen. Joe was onbekend met deze bijzonderheid, maar hij maakte er gebruik van. Hij bemerkte een dobberend schuitje en begaf zich spoedig daarheen, het was eene soort van ruw uitgeholde boomstam. Een paar riemen waren er gelukkig in, en Joe, van een snellen stroom gebruik makende, liet zich drijven. “Laat ons goed onze stelling opnemen,” zeide Joe. “De poolster, die als een eerlijk man zijn plicht doet om iedereen het noorden aan te wijzen, zal mij wel te hulp willen komen.”

Hij zag met blijdschap dat de stroom hem naar den noordelijken oever voerde en liet hem begaan. Tegen twee uur des morgens zette hij voet aan wal op een voorgebergte, bedekt met doornachtig riet, dat zeer lastig scheen, maar een boom stond daar juist van pas, om hem een bed in zijne takken aan te bieden. Joe klom er in voor meerdere veiligheid en wachtte daar, zonder veel te slapen, de eerste zonnestralen af. Toen de dag was aangebroken met dien snelheid, eigen aan de landen onder en bij den evenaar gelegen, sloeg Joe een blik op den boom, die hem gedurende den nacht had beschut; een onverwacht schouwspel deed hem schrikken. De takken van dezen boom waren letterlijk geheel bedekt met slangen en kameleons; de bladeren waren onzichtbaar; men zou het een boom van eene nieuwe soort hebben genoemd, die kruipend gedierte voortbracht; onder de stralen der zon kroop dit alles door en over elkander. Joe ondervond een levendig gevoel van schrik, gemengd met walging en sprong ter aarde, te midden van het gesis van den troep. “Dat is iets,” zeide hij, “dat men nooit zal willen gelooven.”

Hij wist niet dat de laatste brieven van doctor Vogel deze bijzonderheid van de oevers van het meer Tchad, waar de kruipende dieren talrijker zijn dan in eenig ander land ter wereld, hadden doen kennen; na hetgeen hij gezien had, besloot Joe in het vervolgomzichtiger te zijn en, zich naar de zon richtende, begaf hij zich op weg naar het noordoosten, hij ontweek zorgvuldig alle mogelijke hutten en holen, in een woord alles wat tot menschelijke woning zou hebben kunnen dienen.

Hoe dikmaals zag hij naar de lucht! Hij hoopte den ballon te ontdekken en, hoewel hij hem dien geheelen dag te vergeefs had gezocht, verzwakte dit zijn vertrouwen op zijn meester niet; hij had eene groote vastheid van karakter noodig om zoo koelbloedig te zijn. De honger voegde zich bij de vermoeienis, want wortelen, merg van heesters, zoo als de “mélé,” of vruchten van den palmboom “doum”, versterken iemand niet, en echter kon hij, volgens zijne schatting ongeveer twintig mijlen westwaarts gaan. Zijn lichaam droeg op twintig plaatsen de sporen van duizenden doornen, waarmede het riet van het meer, de acacia’s en de mimosa’s bezet zijn, en zijne bebloede voeten maakten zijn gang uiterst pijnlijk. Maar eindelijk wist hij zijne smarten te overwinnen en des avonds besloot hij den nacht aan de oevers van het meer Tchad door te brengen.

Daar had hij de steken door te staan van duizenden insecten; vliegen, muskieten, mieren van een halve duim lengte, bedekten daar letterlijk de aarde; na twee uren bleef aan Joe geen stuk over van de weinige kleederen die hem bedekten; de insecten hadden alles verslonden; het was een verschrikkelijke nacht, die den vermoeiden reiziger geen uur slaap veroorloofde; al dien tijd woedden de wilde zwijnen en buffels, de ajoub, eene soort van lamentyn, die zeer gevaarlijk is, in de struiken en onder het water van het meer. Joe durfde zich niet bewegen. Hij had moeite zijn kalmte en geduld te behouden. Eindelijk brak de dag weer aan; Joe stond spoedig op en men oordeele over zijn afgrijzen toen hij zag dat een vuil dier zijne legerstede had gedeeld; eene pad, maar eene van vijf duim breed, met een monsterachtigen, afschuwelijken kop, die hem met groote oogen aanstaarde. Joe voelde zich het hart in het lijf omdraaien, en door walging voortgedreven, liep hij met groote stappen naar het meer, om zich te baden. Dit bad deed het jeuken dat hem kwelde een weinig bedaren en, na eenige bladeren te hebben gekauwd, ging hij weder op weg met eene volharding, waarvan hij zich geene rekenschap wist te geven; hij had geen gevoel meer van hetgeen hij deed en desniettemin voelde hij dat zijne kracht sterker was dan zijne wanhoop. Echter deed een verschrikkelijke honger zich bij hem voelen; zijne maag, minder geduldig dan hij, klaagde; hij was verplicht eene klimplant stevig om zijn lichaam te binden; gelukkig kon hij zijn dorst bij iedere schrede lesschen en, zich het lijden in de woestijn herinnerende, vond hij het betrekkelijk gelukkig dat hij de kwellingen van den dorst niet had te doorstaan.—“Waar kan de Victoria zijn?” vroeg hij zich af..... “De wind is noord, hij moest naar het meer terugkeeren. Zonder twijfel zal mijnheer Samuel het evenwicht hebben moeten herstellen; maar de dag van gisteren zal daarvoor wel voldoende zijn geweest, het zou dus niet onmogelijk zijn dat heden.... Maarlaat ons doen als of ik hem nooit moest wederzien. Alles wel bezien, als ik eene der groote steden van het meer bereik, zou ik in het geval verkeeren van de reizigers, van welke mijn meester ons heeft gesproken. Waarom zou ik er niet even goed afkomen als zij? Er zijn er die terug zijn gekomen. Komaan, moed!” Aldus sprekende en steeds voortgaande, kwam de onverschrokken Joe in het midden van het bosch nabij een troep wilden terecht. Hij bleef bij tijds staan en werd niet gezien. De negers hielden zich bezig hunne pijlen te vergiftigen met het sap der wolfsmelk, hetgeen eene voorname bezigheid is voor de stammen dezer streek, en dat met zekere plechtigheid geschiedt.


Back to IndexNext