De slangenboom. Blz. 195.De slangenboom. Blz.195.Joe verbergde zich en bleef onbeweeglijk, zijn adem inhoudende, in eene dicht begroeide plaats, toen hij, de oogen opheffende, door de bladeren heen den Victoria bemerkte, die zich naar het meer richtte, nauwelijks honderd voet boven hem. Maar het was onmogelijk zich te doen hooren of te laten zien. Tranen kwamen hem in de oogen, niet van wanhoop, maar van dankbaarheid; zijn meester zocht hem! Zijn meester verliet hem niet! Hij moest het vertrek der zwarten afwachten, dan kon hij zijne schuilplaats verlaten en naar de oevers van het meer loopen. Maar de ballon verdween toen in het blauw des hemels. Joe besloot hem te wachten, hij zou zeker wel weder voorbijkomen! Hij kwam inderdaad weder voorbij, maar meer naar het oosten. Joe liep, maakte gebaren, schreeuwde.—Te vergeefs! Een hevige wind voerde den ballon mede met eene snelheid, die hem alle hoop ontnam. Voor de eerste maal verlieten de kracht en de hoop den ongelukkige; hij zag zich verloren, hij geloofde dat zijn meester was vertrokken zonder terug te keeren, hij durfde niet meer denken. Als een krankzinnige liep hij met bloedende voeten en een gewond lichaam den geheelen dag en een gedeelte van den nacht. Hij sleepte zich nu eens op de knieën, dan eens op de handen voort, hij zag het oogenblik nabij dat de kracht hem zou ontbreken, dat hij ging sterven. Dus voortgaande bevond hij zich eindelijk bij een moeras, hij viel onverwachts in een taai slijk; ondanks zijne pogingen, ondanks zijn wanhopigen tegenstand, voelde hij zich langzamerhand in dien modderigen grond zuigen, eenige minuten later stak hij er tot zijn midden in.—“Daar is dan de dood,” zeide hij tot zich zelven, “en welk een dood!....”Hij worstelde woedend, maar dit deed hem nog dieper zinken in dit graf, dat de ongelukkige zich zelven groef! Er was geen enkel stuk hout, dat hem kon tegenhouden, geen riet om zich aan vast te houden!—Hij begreep dat het met hem gedaan was!... Zijne oogen sloten zich.—“Meester! meester!... help!” riep hij uit. En die wanhopige stem, reeds half versmoord, verloor zich in den nacht.1Zie hoofdstukXV.XXXVI.Eene verzameling aan den horizon.—Een troep Arabieren.—De vervolging.—Hij is het!—Val van het paard.—De gewurgde Arabier.—Een kogel van Kennedy.—Manoeuvreeren.—Ontvoering in de vlucht.—Joe wordt gered.Sedert Kennedy zijn waarnemings-post voor in het schuitje had ingenomen, onderzocht hij oplettend den horizon. Na eenigen tijd wendde hij zich tot den doctor en zeide: “Als ik mij niet bedrieg zie ik daar ginds een troep menschen of beesten zich bewegen, het is nog onmogelijk hen te onderscheiden. In allen gevalle loopen zij snel, want zij jagen eene wolk van stof op.”—“Zou het weer een andere wind zijn?” zeide Samuel, “of eene hoos, die ons naar het noorden zal voeren?” Hij stond op om den horizon te onderzoeken.—“Ik geloof het niet, Samuel, het is een troep gazellen of wilde ossen.”—“Misschien, Dick, maar zij zijn ten minste negen of tien mijlen van ons verwijderd en zelfs met den verrekijker kan ik niets onderscheiden.”—“In allen gevalle zal ik hen niet uit het oog verliezen, er is iets bijzonders, dat mij vreemd voorkomt, men zou zeggen dat het ruiterij was! Ik bedrieg mij niet, het zijn wel ruiters! Zie!” De doctor keek oplettend naar den hem aangewezen troep.—“Ik geloof dat gij gelijk hebt,” zeide hij, “het is een detachement Arabieren of Tibbous, zij gaan in dezelfde richting als wij, maar wij gaan sneller en komen hen gemakkelijk vooruit. In een half uur zullen wij in staat zijn te zien en te oordeelen wat wij moeten doen.”—Kennedy had weder zijn verrekijker genomen en keek oplettend. De ruiters werden meer zichtbaar, eenigen zonderden zich af.—“Het is blijkbaar,” hernam Kennedy, “eene manoeuvre of eene jacht, het schijnt wel dat die lieden iets vervolgen. Ik zou wel willen weten wat daarvan is.”—“Geduld Dick, spoedig zullen wij hen inhalen en zelfs voorbijkomen als zij dezen weg blijven volgen, wij gaan met eene snelheid van twintig mijlen in het uur en geene paarden kunnen zoo snel loopen.”—Kennedy ging weder op zijn post en eenige oogenblikken daarna zeide hij: “Het zijn Arabieren, die met de grootste snelheid rijden, ik kan het volmaakt goed onderscheiden, zij zijn vijftig in getal. Ik zie hunne burnous in den wind fladderen. Het is eene exercitie van ruiters, hun opperhoofd gaat hen op honderd schreden vooruit en zij volgen hem.”—“Wie zij ook mogen zijn, Dick, zij zijn niet te vreezen en, als het noodzakelijk is, zal ik stijgen.”—“Wacht nog wat, Samuel.—Dat is zonderling,” voegde Dick er, na een nieuw onderzoek bij, “er is iets waarvan ik mij geene rekenschap kan geven; aan hunne pogingen en deongeregeldheid hunner linie schijnen deze Arabieren eerder iemand te vervolgen dan te volgen.”—“Zijt gij er zeker van, Dick?”—“Ja. Ik bedrieg mij niet, zij volgen geen opperhoofd, die hen voorgaat, maar een vluchteling.”—“Een vluchteling,” zeide Samuel ontroerd.—“Ja.”—“Laat ons hem niet uit het oog verliezen en wachten.”—Men won spoedig drie of vier mijlen op die ruiters, die echter pijlsnel reden.—“Samuel! Samuel!” riep Kennedy met bevende stem uit.—“Wat is er, Dick?”—“Is het een zinsbedrog?”—“Is het mogelijk?”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Wacht.”—En de jager veegde spoedig de glazen van den verrekijker af en begon weder te kijken.—“Welnu?” zeide de doctor.—“Hij is het, Samuel!”—“Hij!” zeide deze laatste.—“Dit woord ‘hij’ zeide alles, het was niet noodig hem te noemen.”—“Hij is het, te paard! nauwelijks 100 schreden van zijne vijanden! Hij vlucht!”—“Het is wel Joe!” zeide de doctor verbleekende.—“Hij kan ons in zijne vlucht niet zien.”—“Hij zal ons zien,” antwoordde Ferguson, de vlam van zijne gaspijp doende minderen.—“Maar hoe?”—“In vijf minuten zullen wij op vijftig voet van den grond en in vijftien boven hem zijn.”—“Wij moeten hem waarschuwen door een schot.”—“Neen! hij kan niet op zijne schreden terugkeeren, de mogelijkheid daartoe is hem afgesneden.”—“Wat dan te doen?”—“Wachten!”—“Wachten! En deze Arabieren?”—“Wij zullen hen inhalen en voorbijkomen! Wij zijn geen twee mijlen van hen af en als het paard van Joe volhoudt!”—“Groote God!” zeide Kennedy.—“Wat is er?”—Kennedy had een kreet van wanhoop geslaakt, toen hij Joe ter aarde zag vallen. Zijn paard, blijkbaar uitgeput, was nedergestort.—“Hij heeft ons gezien!” riep de doctor uit, “toen hij opstond heeft hij ons een teeken gegeven.”—“Maar de Arabieren zullen hem bereiken? waarom wacht hij? O! die moedige jongen! Hoezee?” zeide de jager, die zich niet meer kon inhouden.“Meester! meester!..... help!” Blz. 198.“Meester! meester!..... help!” Blz.198.Joe, onmiddellijk na zijn val opgestaan zijnde, op het oogenblik dat een der vlugste ruiters zich op hem wierp, sprong op als een panther, ontweek hem door een zijsprong, wierp zich achter op zijn paard, greep den Arabier bij de keel en wurgde hem met zijne gespierde armen en ijzeren vingers, wierp hem in het zand en vervolgde pijlsnel zijn weg. Een schrille kreet der Arabieren klonk door de lucht, maar geheel met hunne vervolging bezig zijnde, hadden zij den Victoria op 500 schreden achter zich en nauwelijks dertig voet van den grond niet bemerkt; zij zelven waren op nauwelijks twintig paardelengten van den vluchteling af. Een van hen naderde Joe meer en meer en was op het punt hem met zijne lans te doorboren, toen Kennedy met vast oog en vaste hand hem door een kogel ter aarde deed buitelen. Joe keerde op het gehoor van dien val zich zelfs niet om. Een deel der bende staakte zijn loop en viel voorover in het stof op het zien van den Victoria, de overigenzetten hunne vervolging voort.—“Wat doet Joe toch?” riep Kennedy uit, “hij houdt niet stil.”—“Hij doet beter dan dat, Dick, ik heb hem begrepen! hij blijft in de richting van den luchtballon enrekent op ons vernuft! Ah, die brave jongen. Wij zullen hem voor den neus van die Arabieren ontvoeren, wij zijn niet meer dan tweehonderd schreden van hem af.”—“Wat moeten wij doen?” vroeg Kennedy.—“Laat uw geweer liggen.”—“Daar,” zeide de jager, zijn wapen nederleggende.—“Kunt gij 150 pond ballast in uwe armen houden?”—“Nog wel meer.”—“Neen! dat is voldoende.”—De doctor stapelde zakken met zand op tusschen de armen van Kennedy.—“Blijf achter in het schuitje en houd u gereed dien ballast in eens weg te werpen. Maar bij uw leven, doe het niet vóór mijn bevel.”—“Wees gerust!”—“Zonder dat zouden wij Joe niet kunnen bereiken, hij zou verloren zijn!”—“Reken op mij.”De Victoria was toen bijna boven de ruiters, die met lossen teugel Joe achtervolgden. De doctor hield voor in het schuitje de ladder klaar, gereed om haar uit te werpen op het gepaste oogenblik. Joe had den afstand tusschen zich en zijne vervolgers behouden, dat is ongeveer vijftig voet. De Victoria trok hen voorbij.—“Opgepast!” zeide Samuel tot Kennedy.—“Ik ben gereed.”—“Joe! pas op!...” riep de doctor met zijn heldere stem, terwijl hij de ladder uitwierp, wier eerste sporten het stof van den grond opjoegen. Op den roep van den doctor keerde Joe, zonder zijn paard stil te doen staan, zich om, de ladder bereikte hem en op het oogenblik dat hij er zich aan vast klampte riep de doctor tot Kennedy:—“Werp uit!”—“Het is gedaan...” En de Victoria, ontdaan van een gewicht dat zwaarder was dan Joe, steeg 150 voet in de lucht.Joe hield zich stevig aan de ladder vast gedurende de hevige schommelingen die de ballon beschreef; vervolgens een voor de Arabieren onbegrijpelijk gebaar makende en met de vlugheid van een clown klimmende, kwam hij bij zijne reisgezellen, die hem in hunne armen ontvingen. De Arabieren slaakten een kreet van verwondering en woede. De vluchteling was hun in de vlucht ontvoerd en de Victoria verwijderde zich snel.—“Meester! meester!” zeide Joe.—En van ontroering en vermoeienis bezwijkende, viel hij in zwijm, terwijl Kennedy, bijna waanzinnig van vreugde, uitriep: “Gered! gered!”—“Zeker!” zeide de doctor, die zijne koelbloedigheid had teruggekregen.Joe was bijna naakt, zijne bebloede armen, zijn lichaam met wonden bedekt, dit alles getuigde van zijn lijden. De doctor verbond zijne wonden en legde hem onder de tent neder.Hij kwam weldra bij, vroeg een glas brandewijn, dat de doctor geloofde hem niet te moeten weigeren, daar Joe niet iemand was dien men als iedereen moest behandelen. Na gedronken te hebben, drukte Joe de hand zijner twee reisgezellen en verklaarde zich bereid zijne avonturen te verhalen. Maar men veroorloofde hem niet te spreken en hij viel in een diepen slaap, waaraan hij groote behoefte scheen te hebben. De Victoria nam toen een richting naar hetwesten. Door een sterken wind voortgestuwd, zag men de grens van de doornachtige woestijn terug, boven de palmboomen, die door den storm gekromd of uit den grond gerukt waren, en toen men na de redding van Joe bijna 200 mijlen had afgelegd, kwam men tegen den avond voorbij den tienden graad breedte.XXXVII.De weg naar het westen.—Het ontwaken van Joe. Zijne koppigheid.—Einde der geschiedenis van Joe.—Tagelet.—Ongerustheid van Kennedy.—Weg naar het noorden.—Een nacht dicht bij Aghadés.De wind werd bedaarder gedurende den nacht en de Victoria bleef stil boven een grooten wilden vijgenboom. De doctor en Kennedy waakten beurtelings en Joe maakte van die gelegenheid gebruik om een goeden slaap te doen, vier-en-twintig uren achtereen.—“Dit geneesmiddel heeft hij noodig,” zeide Ferguson, “de natuur zal zich met zijne genezing belasten.” Op den dag werd de wind weder vrij sterk maar veranderlijk, dan eens was hij noord, dan weder zuid, maar ten laatste werd de Victoria westwaarts gevoerd. De doctor met de kaart in de hand, herkende het koninkrijk Damerghou, een golvenden grond van groote vruchtbaarheid, met de hutten der dorpen, vervaardigd van riet en takken van de asclepia; de korenmolens verhieven zich in de bebouwde velden op kleine stellages, die bestemd waren om hen tegen de muizen en termiten te beschermen. Weldra bereikte men de stad Zinder, herkenbaar aan haar uitgestrekt plein van strafoefeningen; in het midden verheft zich de boom des doods, de beul waakt aan zijn voet, en al wie onder zijn lommer doorgaat, wordt terstond opgehangen. Het kompas raadplegende, kon Kennedy niet nalaten te zeggen: “Nu nemen wij weder een weg naar het noorden!”—“Wat beteekent dat? Als hij ons naar Tombuctou voert, zullen wij ons niet te beklagen hebben! Nooit zal er schooner reis onder betere omstandigheden volbracht zijn!....”—“Noch in betere gezondheid,” antwoordde Joe, die zijn opgeruimd gelaat door de gordijnen van de tent stak. “Daar is onze brave vriend!” riep de jager uit, “onze redder! Hoe gaat het?”—“Zeer natuurlijk, mijnheer Kennedy, zeer natuurlijk, nooit ben ik zoo wel geweest! Er is niets dat een mensch zoozeer op zijn streek brengt, als een klein uitspanningsreisje, voorafgegaan door een bad in het meer Tchad! Is het niet zoo, meester?”—“Edel hart!” antwoordde Ferguson hem de hand drukkende. “Hoeveelangst en onrust hebt gij ons veroorzaakt.”—“Welnu, en gij dan! gelooft gij dat ik gerust was over uw lot? Gij kunt u beroemen mij een grooten schrik te hebben aangejaagd!”—“Wij zullen elkander nooit verstaan, Joe, als gij de zaken zoo opvat.”—“Ik zie dat zijn val hem niet heeft veranderd,” voegde Kennedy er bij. “Uwe opoffering is verheven geweest, mijn jongen, en heeft ons gered, want de Victoria zou in het meer zijn gevallen en eens daar zijnde, had niemand hem er uit kunnen halen.”—“Maar als mijne opoffering, zoo als het u behaagt mijne buiteling te noemen, u gered heeft, heeft het mij dan ook niet gered, daar wij allen eene goede gezondheid genieten? Bij gevolg hebben wij elkander niets te verwijten.”—“Men zal zich nooit met dien knaap verstaan,” zeide de jager.—“Het beste middel om elkander eens te verstaan,” zeide Joe, “is niet meer daarover te spreken; wat gedaan is, is gedaan, hetzij goed of slecht, er valt niets aan te veranderen.”—“Stijfkop,” zeide de doctor lachend, “gij zult ons toch wel uwe avonturen willen verhalen?”—“Als gij er veel aan hecht! Maar vooraf zal ik deze vette gans braden, want ik zie dat mijnheer Dick zijn tijd niet heeft laten verloren gaan.”—“Zoo als gij zegt, Joe.”—“Welnu! wij zullen weldra zien hoe dit afrikaansche wild zich in een europeesche maag gedraagt.”De gans was weldra gebraden en opgegeten; Joe nam er een goed deel van, als een mensch, die in vele dagen niets heeft genuttigd. Na het gebruik van thee en grog verhaalde hij zijn reisgezellen zijne avonturen; hij sprak met eene zekere ontroering; terwijl hij de zaken op zijne hem gewone wijze beschouwde. De doctor drukte hem herhaalde malen de hand, toen hij dezen waardigen dienaar meer bekommerd zag over het lot zijns meesters, dan over het zijne; de overstrooming van het eiland der Biddiomahs verklaarde hij hem uit de menigvuldigheid van dit verschijnsel op het meer Tchad. Eindelijk kwam Joe aan het oogenblik waarin hij in het moeras stekende een laatsten kreet van wanhoop slaakte.De wegvoering van Joe. Blz. 202.De wegvoering van Joe. Blz.202.“Ik hield mij voor verloren,” zeide hij, “en mijne gedachten waren u gewijd, meester; en ik begon te worstelen om er uit te komen. Hoe? dat zal ik u niet zeggen, ik was vast besloten mij niet te laten verzwelgen zonder pogingen te doen om mij te redden, toen ik op twee schreden afstands van mij een stuk pas afgesneden touw bemerkte: ik deed eene laatste poging, en zoo goed en zoo kwaad als het ging gelukte het mij dat te grijpen; ik trok en eindelijk was ik weder op vasten grond. Aan het einde van het touw vond ik een anker! O, meester, ik heb wel recht om ’t het anker der redding te noemen, als gij daar ten minste niets tegen hebt. Ik herkende het voor een anker van den Victoria, gij waart dus daar geweest. Ik volgde de richting van het touw, dat mij uwe richting aanwees, en na nieuwe pogingen trok ik mij uit het slik.Ik had met mijn moed ook mijne krachten herkregen en ik liep gedurende een gedeelte van den nacht, mij van het meer verwijderende; eindelijk kwam ik aan den zoom van een onmetelijk woud.Daar was eene beslotene ruimte, waar paarden graasden zonder eenig kwaad te vermoeden; er zijn oogenblikken in het leven, dat iedereen kan paard rijden, is het niet waar? Ik bedacht mij geene minuut, sprong op den rug van een dezer dieren, en joeg met alle snelheid naar het noorden. Ik zal u niet spreken van steden, die ik niet heb gezien, noch van de dorpen die ik heb vermeden. Neen. Ik snelde over bezaaide velden, ik sprong over kreupelhout, beklom pallissaden, en zette mijn paard steeds aan. Ik kwam eindelijk aan de grens der bebouwde velden. Mooi, daar was de woestijn! dat stond mij aan, want toen kon ik beter en verder voor mij uitzien. Ik hoopte altijd den Victoria te ontdekken. Maar niets daarvan. Na drie uren belandde ik als een gek in eene legerplaats van Arabieren! Welk eene jacht!.... Ziet gij, mijnheer Kennedy, een jager weet niet wat eene jacht is, als men nooit op hem zelven jacht gemaakt heeft! En echter geef ik hem den raad het nooit te beproeven. Mijn paard viel neer van vermoeienis, men drong op mij aan, ik spring achter een Arabier op het paard! Ik was niet boos op hem en ik hoop dat hij het mij vergeven zal dat ik hem heb gewurgd; maar ik had u gezien en gij weet het overige. De Victoria volgde mijn spoor en gij naamt mij op in de vlucht, even als een ruiter een ring bij het ringsteken. Had ik niet gelijk op u te rekenen? Welnu, mijnheer Samuel, gij ziet hoe eenvoudig dat alles is. Niets ter wereld is natuurlijker! Ik ben gereed weder te beginnen, als het u nogmaals een dienst kan bewijzen! En overigens, zooals ik u zeide, meester, het is niet der moeite waard daarover te spreken.” “Mijn brave Joe!” antwoordde de doctor ontroerd, “edel hart! Wij hadden geen ongelijk vertrouwen te stellen in uw vernuft en uwe behendigheid.”—“Bah! mijnheer, men laat zich slechts door de omstandigheden leiden, en men redt zich uit den brand! Het veiligste, ziet gij, is nog de zaken te nemen zoo als zij zich voordoen.”Gedurende deze geschiedenis van Joe had de ballon snel eene groote uitgestrektheid doorloopen. Kennedy maakte weldra aan den horizon op eene verzameling hutten opmerkzaam, die het aanzien van eene stad hadden. De doctor raadpleegde zijne kaart en herkende Tagelel in Damerghou. “Wij vinden hier,” zeide hij, “den weg van Barth weder. Daar scheidde hij van zijne twee reisgezellen, Richardson en Overweg; de eerste moest den weg van Zinder, de tweede dien van Maradi volgen en gij herinnert u dat Barth de eenige van deze drie reizigers is, die Europa wederzag.”—“Dus,” zeide de jager, “als wij op de kaart de richting van den Victoria volgen, gaan wij recht noordwaarts.”—“Ja, mijn waarde Dick.”—“En verontrust u dit niet een weinig?”—“Waarom?”—“Omdat die weg ons naar Tripoli voert en boven de groote woestijn.”—“O! wij zullen zoo ver niet gaan, mijn vriend, ten minste ik hoophet.”—“Maar waar wilt gij stil houden?”—“Laat eens zien, Dick, zoudt gij niet nieuwsgierig zijn om Tombuctou te bezoeken?”—“Tombuctou?”—“Zonder twijfel,” zeide Joe, “men mag geene reis door Afrika doen, zonder Tombuctou te bezoeken.”—“Gij zult de vijfde of zesde Europeaan zijn, die deze geheimzinnige stad heeft gezien!”—“Naar Tombuctou dan.”—“Laat ons dan tusschen 17° en 18° breedte aankomen en daar zullen wij een gunstigen wind zoeken, die ons naar het westen voert.”—“Goed,” antwoordde de jager; “maar moeten wij nog een langen weg noordwaarts afleggen?”—“Ten minste 150 mijlen.”—“Dan ga ik een weinig slapen,” zeide Kennedy.—“Slaap, mijnheer,” antwoordde Joe, “gij, meester, doe even als mijnheer Kennedy, gij zult rust noodig hebben, want ik heb u op eene onbescheidene wijze wakker gehouden.”De jager strekte zich onder de tent uit, maar Ferguson, op wien de vermoeienis weinig invloed had, bleef op zijn post als waarnemer. Na drie uren trok de Victoria buitengewoon snel over dat keisteenachtige land, met rijen hooge en naakte bergen met grondvlakken van graniet; enkele toppen bereikten zelfs eene hoogte van 4000 voet; de giraffen, antilopen en struisvogels sprongen zeer vlug in de bosschen vanacacia’s, mimosa’s en dadelboomen; na de dorheid der woestijn hernam de plantengroei zijn rijk. Het was het land der Kailouas, die zich het gezicht bedekken met een band van katoen, even als hunne gevaarlijke buren de Touaregs.Ten tien uur des avonds, na een tocht van 250 mijlen, hield de Victoria stil boven eene belangrijke stad; de maan deed zien dat een gedeelte half verwoest was; eenige toppen van moskeeën verhieven zich door den maneschijn verlicht; de doctor nam de hoogte der sterren waar, en bevond dat hij op de breedte van Aghadès was. Deze stad, eertijds het middelpunt van een levendigen handel, begon reeds te vervallen toen doctor Barth haar bezocht. Daar men den ballon in den donker niet had bemerkt, daalde hij neder op twee mijlen ten noorden van Aghadès, op een groot gierstveld. De nacht was vrij rustig en verdween tegen drie uur des morgens, terwijl een lichte wind den ballon naar het oosten en zelfs een weinig naar het zuiden voerde. Ferguson haastte zich van deze goede gelegenheid gebruik te maken; hij steeg spoedig en ging voort te midden van heldere zonnestralen.XXXVIII.Snelle tocht.—Voorzichtige besluiten.—Aanhoudende plasregens.—Gao.—De Niger.—Golberry, Geoffroy, Gray.—Mungo-Park.—Laing.—Réné Caillié.—Clapperton.—John en Richard Lander.De dag van den 17denMei was kalm en er had geen merkwaardig voorval plaats; de woestijn begon weder; een zachte wind voerde den ballon naar het zuidwesten, hij week noch rechts noch links af, zijne schaduw beschreef op het zand eene volkomen rechte lijn. Voor zijn vertrek had de doctor voorzichtig zijn voorraad water hernieuwd, daar hij vreesde niet te zullen kunnen dalen in deze streken, die onveilig werden gemaakt door de Aoueglimminiaansche Touaregs. De vlakte, die 1800 voet boven het oppervlak der zee verheven was, daalde in het zuiden. De reizigers, den weg van Aghadès naar Mourzouk, die dikwijls door kameelen werd bereden, afgesneden hebbende, kwamen des avonds op 16° breedte en 4°55′ lengte, na een eentonigen tocht van 190 mijlen. Gedurende dien dag maakte Joe de laatste stukken wild gereed, hij gaf bij het avondmaal eenige zeer lekkere kleine snippen. Daar de wind goed was, besloot de doctor zijn tocht dezen nacht voort te zetten, terwijl de maan, die nog bijna vol was, helder scheen. De Victoria steeg tot op 500 voet hoogte en, op dien nachtelijken tocht van zestig mijlen zou de lichte slaap van een kind zelfs niet zijn gestoord. Zondagmorgen was er weder eene verandering in de richting van den wind, die hen naar het noordwesten voerde; eenige raven vlogen in de lucht en aan den horizon een troep gieren, die gelukkig veraf bleven. Het gezicht van die vogels gaf Joe aanleiding zijn meester zijn compliment te maken over zijn denkbeeld der twee ballons.—“Wat zou er van ons geworden zijn,” zeide hij, “met een enkel omkleedsel? Deze tweede ballon is even als de sloep van een schip, welke men in geval van schipbreuk bij de hand heeft om zich te redden.”—“Gij hebt gelijk, mijn vriend, maar mijne sloep verontrust mij een weinig, zij is niet zoo goed als het schip zelf.”—“Wat wilt gij zeggen?” vroeg Kennedy.—“Ik wil zeggen dat de nieuwe Victoria niet zoo goed is als de oude; het zij dat het weefsel te veel is op de proef gesteld, hetzij dat de gutta percha gesmolten is door de hitte der slang, ik bemerk een zeker verlies van gas; tot hiertoe bedraagt dit niet veel, maar eindelijk wordt het beduidend; wij hebben eene neiging tot dalen, en om op dezelfde hoogte te blijven ben ik gedwongen het gas meer te doen uitzetten.”—“Duivels!” zeide Kennedy, “daartegen zie ik geen hulpmiddel.”—“Er is er geen, mijn waarde Dick, daarom zullen wij wel doen ons te haasten enzelfs den nacht door te reizen.”—“Zijn wij nog ver van de kust?” vroeg Joe.—“Welke kust? mijn jongen? Weten wij dan waarheen het toeval ons zal voeren; al wat ik u kan zeggen is, dat Tombuctounog 400 mijlen westwaarts van ons ligt.”—“En hoeveel tijd zullen wij besteden om er te komen?”—“Als de wind ons niet te veel afvoert, reken ik die stad tegen Dinsdagavond te bereiken.”—“Dan zullen wij,” zeide Joe, terwijl hij eene lange rij menschen en beesten aanwees, die midden door de woestijn trokken, “spoediger aankomen dan die karavaan.”Het land der Kailouas. Blz. 207.Het land der Kailouas. Blz.207.Ferguson en Kennedy keken naar omlaag en zagen een groote verzameling van wezens, van allerlei soort; er waren meer dan honderd vijftig kameelen, en wel van die welke voor twaalf gouden mutkals1van Tombuctou naar Tafilet gaan, beladen met 500 pond; allen droegen onder de staart een kleinen zak, bestemd om hunne uitwerpsels op te vangen, hetgeen de eenige brandstof is, waarop men in de woestijn kan rekenen. Deze kameelen der Touaregs zijn van het beste ras; zij kunnen van drie tot zeven dagen zonder drinken blijven en twee dagen zonder eten; hunne vlugheid overtreft die der paarden en zij gehoorzamen vernuftig aan de stem van den Khabir, den aanvoerder der karavaan. Men kent hen in het land onder den naam van Mehari. Deze bijzonderheden verhaalde de doctor, terwijl zijne reisgezellen deze menigte mannen, vrouwen en kinderen beschouwden, die met moeite liepen op half beweeglijk zand, dat nauwlijks werd tegengehouden door eenige distels, verdord gras en lage doornstruiken. Joe vroeg hoe de Arabieren zich in de woestijn konden richten en de hier en daar in deze onmetelijke eenzaamheid verspreide putten bereiken.—“De Arabieren,” antwoordde Ferguson, “hebben van de natuur een wonderbaar instinct ontvangen om hun weg te herkennen. Daar waar een Europeaan geheel van de wijs zou zijn, aarzelen zij nooit. Een onbeduidende steen, een keisteen, eenige boomen, de verschillende kleuren van het zand zijn hun voldoende om veilig te reizen; des nachts richten zij zich naar de poolster; zij leggen niet meer dan twee mijlen per uur af en rusten slechts bij de groote middaghitte; denk nu eens hoeveel tijd zij noodig hebben om de Sahara, die meer dan 900 mijlen lang is, door te trekken.” Maar de ballon was reeds uit de oogen der verbaasde Arabieren verdwenen, die zijne snelheid moesten benijden. Des avonds passeerde hij op 2° 20′ lengte2en legde des nachts nog meer dan een graad af.Des Maandags veranderde het weder geheel; er begon een hevige regen te vallen; men moest weerstand bieden aan dien stortvloed en de vermeerdering van gewicht waarmede de ballon en het schuitje belast werden; deze voortdurende stortregen verklaarde het aanwezig zijn der moerassen en poelen die de oppervlakte van het landbedekten; de plantengroei verscheen er weder met de mimosa’s en de tamerindenboomen.Dit was Sonray met zijne dorpen, bedekt met omgekeerde daken even als armenische mutsen; er waren weinig bergen, maar juist heuvels genoeg om kloven en beken te vormen, welke de afrikaansche hoenders en de kleine snippen in hunne vlucht doorkliefden; hier en daar doorsneed een hevige stortvloed de wegen; de inlanders trekken die over door zich aan eene kleine plant, die van den eenen boom tot den anderen loopt, vast te houden; de bosschen maakten plaats voor biezen, waarin zich alligators en rivierpaarden bewogen. “Wij zullen weldra den Niger zien,” zeide de doctor; “de landstreek verandert bij het naderen der groote rivieren. Deze wegen, die als het ware loopen, hebben eerst den plantengroei met zich medegevoerd, zooals zij later de beschaving zullen brengen. Dan heeft de Niger in zijn loop van 2500 mijlen aan zijne oevers de belangrijkste steden van Afrika.”—“Kijk,” zeide Joe, “dat herinnert aan de geschiedenis van dien grooten bewonderaar der goedheden van de Voorzienigheid, die hij prees omdat zij gezorgd had dat de rivieren in het algemeen door de groote steden loopen.”—Des middags zweefde de Victoria boven eene vereeniging van vrij ellendige hutten, Gao, dat vroeger eene groote hoofdstad was. “Daar stak Barth den Niger over bij zijne terugkomst van Tombuctou,” zeide de doctor. “Zie hier dus dien stroom, zoo beroemd in de oudheid, als de mededinger van den Nijl, aan wien het heidensche bijgeloof een goddelijken oorsprong toekende; evenals de Nijl, en meer zelfs, heeft zijn onderzoek talrijke slachtoffers gekost.” De Niger liep tusschen twee ver van elkander gelegen oevers, zijne wateren stroomden met eene zekere snelheid zuidwaarts; maar de reizigers konden, daar zij snel mede werden gevoerd, er nauwelijks de omtrekken van zien. “Ik zal u van dien stroom iets vertellen,” zeide Ferguson, “en hij is reeds ver van ons! Hij doorloopt onder den naam van Dhiouleba, Mayo, Egghirreou, Quorra en nog anderen eene ontzaglijke uitgestrektheid lands, hij zou bijna in lengte met den Nijl gelijk zijn. Deze namen beteekenen eenvoudig ‘den stroom’, volgens de taal der landstreken, die hij doorloopt.”—“Had doctor Barth dien weg gevolgd?” vroeg Kennedy.—“Neen, Dick, toen hij het meer Tchad verliet, ging hij door de voornaamste steden van Bornou en den Niger over te Say, vier graden beneden Gao; vervolgens drong hij in die ondoorzochte streken, welke de Niger in zijn elleboog omsluit, en na acht maanden van nieuwe vermoeienissen, kwam hij te Tombuctou; dit zullen wij met dezen snellen wind, in minder dan drie dagen doen.”—“Heeft men de bronnen van den Niger ontdekt?” vroeg Joe.—“Reeds sedert langen tijd,” antwoordde de doctor; “de kennis van den Niger en zijne takken gaf aanleidingtot talrijke expeditiën, en ik kan u de voornaamste opnoemen. Van 1749 tot 1758 bezocht Adamson de rivier en Gorea; van 1785 tot 1788 doorkruisten Golberry en Geoffroy de woestenijen van Senegambië en drongen door tot het land der Mooren, die Sagnier, Brisson, Adam, Riley, Cochelet en zoo veel andere ongelukkigen vermoordden. Daarna volgt de beroemde Mungo Park, de vriend van Walter Scott en even als deze Schot. In 1795 door het Afrikaansch gezelschap te Londen gezonden, kwam hij te Bambarre, bezocht den Niger, reisde 500 mijlen met een slavenhandelaar, verkende de rivier Gambia en kwam in 1797 in Engeland terug. Hij vertrok weder den 30stenJanuari 1805 met zijn schoonbroeder Anderson, Scott den teekenaar en eenige werklieden; hij kwam te Gorea, voegde zich bij een detachement van 35 soldaten, zag den 19denAugustus nogmaals den Niger, maar toen bleven er, ten gevolge der vermoeienissen, ontberingen, slechte behandelingen, de guurheid van het weder en de ongezondheid van het land slechts elf van de veertig Europeanen over; den 16denNovember ontving de vrouw van Mungo Park zijne laatste brieven en een jaar later vernam men door middel van een handelaar, dat de ongelukkige reiziger, den 23stente Boussa aan den Niger gekomen, zijne boot zag omverwerpen door de watervallen der rivier en dat hij zelf door de inboorlingen werd vermoord.”—“En dit verschrikkelijke einde schrikte de onderzoekers niet af?”De Niger. Blz. 215.De Niger. Blz.215.“Integendeel, Dick, want toen moest men niet alleen de rivier opnemen, maar ook de papieren van den reiziger wedervinden. In 1816 werd eene expeditie te Londen uitgerust, waaraan majoor Gray deel nam; deze kwam aan den Senegal, drong in Fouta-Djallon door, bezocht de Foullahs en Mandingo’s en kwam onverrichter zake in Engeland terug. In 1822 onderzocht majoor Laing het geheele westelijk gedeelte van Afrika, dat aan de Engelsche bezittingen grenst en hij was de eerste, die de bronnen van den Niger bereikte; volgens zijne aanteekeningen zijn de bronnen van die onmetelijke rivier geene twee voet breed.”—“Gemakkelijk om over te springen,” zeide Joe.—“He! he! gemakkelijk!” antwoordde de doctor. “Als men aan de overlevering geloof slaat, wordt hij, die beproeft deze bronnen over te springen, onmiddellijk verzwolgen, en die er water uit wil putten, wordt door eene onzichtbare hand teruggestooten.”—“En het staat ons vrij, daarvan geen woord te gelooven?” vroeg Joe.—“Zeker. Vijf jaar later moest majoor Laing de Sahara doortrekken; te Tombuctou gekomen en eenige mijlen hooger op, werd hij gewurgd door de Ouelad-Shiman, die hem wilden dwingen muselman te worden.”—“Weder een slachtoffer!” zeide de jager.—“Toen ondernam een moedig jongeling met zijne zwakke hulpmiddelen de verbazendste der hedendaagsche reizen, dat was de Franschman Réné Caillië. Na verschillendepogingen in 1819 en 1824 vertrok hij op nieuw den 19denApril 1827 van den Rio-Nunez; den 3denAugustus kwam hij zoo uitgeput en ziek te Timé, dat hij niet vóór Januari 1828, dat is zesmaanden daarna, zijne reis kon hervatten; hij voegde zich toen bij eene karavaan, beschermd door zijn oostersch kleed, bereikte den 10denMaart den Niger, drong in de stad Jenné door, scheepte zich op de rivier in en zakte haar af tot aan Tombuctou, waar hij den 30stenApril aankwam. Een ander Franschman, Imbert, in 1670, een Engelschman, Robert Adams in 1810, hadden misschien deze merkwaardige stad gezien; maar Réné Caillié was de eerste Europeaan, die nauwkeurige berichten heeft gegeven; den 4denMei verliet hij de koningin der woestijn, den 9denherkende hij de plaats, waar de majoor Laing was vermoord, den 19denkwam hij te El-Araouan en verliet de handelsstad om, te midden van duizend gevaren de uitgestrekte woestenijen tusschen Soudan en de noordelijke streken van Afrika door te trekken; eindelijk kwam hij te Tanger en den 28stenSeptember scheepte hij zich in naar Toulon; in 19 maanden, ondanks 180 dagen ziekte, had hij Afrika van het westen tot het noorden doorkruist. Als Caillié in Engeland was geboren, zou men hem vereerd hebben als den onverschrokkensten reiziger der hedendaagsche tijden, even als Mungo Park! Maar in Frankrijk werd hij niet op rechten prijs gesteld3.”—“Het was een moedig man.” zeide de jager. “Wat is er van hem geworden?”—“Hij is 39 jaar oud gestorven aan de gevolgen zijner vermoeienissen; men geloofde genoeg gedaan te hebben met hem den prijs van het Aardrijkskundig Gezelschap in 1828 toe te kennen; de grootste eer zou hem in Engeland bewezen zijn. Voor het overige beraamde een Engelschman, terwijl Caillié zijne verwonderlijke reis volbracht, dezelfde onderneming en beproefde haar met evenveel moed, al is het dan niet met evenveel geluk. Het was kapitein Clapperton, de reisgezel van Denham. In 1829 ging hij weder naar Afrika langs de westkust van de golf van Benin, volgde het spoor van Mungo-Park en Laing, vond in Boussa de aanteekeningen, betrekking hebbende op den dood des eersten weder, kwam den 20stenAugustus te Sackatou, waar hij gevangen gehouden zijnde den laatsten adem uitblies in de armen van zijn getrouwen bediende Richard Lander.”—“En wat werd er van dien Lander?” vroeg Joe belangstellend.—“Het gelukte hem de kust weder te bereiken en te Londen terug te komen, de papieren van den kapitein en een nauwkeurig verhaal zijner eigene reis medebrengende; toen bood hij aan het gouvernement zijne diensten aan om de kennis van den Niger te voltooien; hij nam zijn broeder John, tweeden zoon van arme lieden uit Corn-Wallis mede, en beiden zakten zij van 1829 tot 1831 de rivier af van Boussa tot aan hare uitwatering, dorp voor dorp, mijlvoor mijl beschrijvende.”—“Dus ontsnapten die twee broeders aan het algemeene lot?” vroeg Kennedy.—“Ja, ten minste op deze expeditie; want in 1833 ondernam Richard eene derde reis naar den Niger en stierf, door een onbekenden kogel getroffen, aan den mond der rivier. Gij ziet dus, mijne vrienden, dat dit land, dat wij doortrekken, getuige is geweest van edele zelfopofferingen, die al te dikwijls slechts den dood tot belooning hebben gehad.”1Honderd vijf en twintig francs, ongeveer ƒ60.2Meridiaan van Parijs.3Doctor Ferguson, in zijne hoedanigheid als Engelschman, overdrijft misschien; niettemin moeten wij erkennen dat Réné Caillié in Frankrijk onder de reizigers geene vermaardheid geniet zijn moed waardig.XXXIX.Het land van den elleboog van den Niger.—Phantastisch gezicht van het gebergte Homberi.—Kabra.—Tombuctou.—Plan van doctor Barth.—Val.—Waarheen de hemel wil.Gedurende dien Maandag deed doctor Ferguson aan zijne reisgezellen talrijke mededeelingen aangaande de streek, welke zij doortrokken; de grond, die vrij vlak was, stelde hun tocht geen hinderpaal in den weg. De eenige zorg des doctors was over dien noordoosten wind, die hevig woei en hem van de breedte van Tombuctou verwijderde. De Niger, na tot aan deze stad noordwaarts op te zijn gegaan, kromt zich even als een groote straal water, en valt in den Atlantischen Oceaan; in dien elleboog is het land zeer verscheiden, nu eens weelderig vruchtbaar, dan eens uiterst dor; de onbebouwde velden volgen op maïsvelden, die vervangen worden door uitgestrekte velden met bremstruiken bedekt; alle soorten van watervogels, pelikanen, talingen, martijnsvogels, leven in talrijke troepen op de oevers der stroomsnellingen en moerassen.De Victoria boven hoge rotsen.Van tijd tot tijd zag men een kamp van Touaregs, die onder hunne lederen tenten bleven, terwijl de vrouwen het werk daar buiten verrichtten, de kameelen melkende, en pijpen rookende. De Victoria was tegen acht uur des avonds meer dan 200 mijlen naar het westen getrokken, de reizigers waren toen getuigen van een prachtig schouwspel. Eenige stralen der maan baanden zich een weg door eene opening in de wolken en, tusschen de regendruppels doorgaande, vielen zij op de bergketen Homboria. Geen vreemder gezicht dan deze kruinen van een bazaltachtig voorkomen; zij weerkaatsten in phantastische beelden op den verduisterden hemel; men zou gezegd hebben dat het ruïnen waren eener onmetelijke stad uit de middeleeuwen, even als de ijsbanken der ijszeeën die in donkere nachten aan de verbaasde blikken vertoonen.—“Daar is eene plaats uit de Geheimen van Udolpho,” zeide de doctor, “Anna Radciliffe zou deze bergen niet vreeslijker hebben kunnen afschilderen.”—“Waarachtig,” antwoordde Joe, “ik zou des avonds niet gaarne indit land van spoken wandelen. Als het niet te zwaar was, zou ik dit geheele landschap naar Schotland overbrengen, dat zou een goed effect geven op de oevers van het meer Lomond, en de reizigers zouden er in menigte heen snellen.”—“Onze ballon is niet groot genoeg om u dit te veroorlooven, maar het komt mij voor dat onze richting verandert. Mooi! de nachtspoken dezer plaats zijn zeer lief, zij voeren ons een aardigen zuidoosten wind toe, die ons op den goeden weg zal terugbrengen.” Inderdaad sloeg de ballon een meer noordelijken weg in, en den 20stendes morgens zweefde hij over een groot net van kanalen en rivieren, de geheele ineenstrengeling der takken van den Niger; verscheidene van deze kanalen, bedekt met dik gras, hadden het voorkomen van vette weiden. Daar vond de doctor den weg terug van doctor Barth, toen deze zich op de rivier inscheepte om haar tot aan Tombuctou af te zakken. De Niger, die hier 800 vaâm1breed is, stroomde tusschen twee oevers rijk in kruisplanten en tamarindeboomen; de huppelende kudden der gazellen vereenigden haar geringde horens met het lange gras, waartusschen de alligator haar in stilte bespiedde. Lange rijen ezels en kameelen, beladen met koopwaren van Jenné, liepen onder schoone boomen; weldra vertoonde zich bij een kromming der rivier een amphitheater van huizen; op hunne terrassen en daken was de geheele voorraad, die in de omringende streken was ingezameld, opgehoopt.—“Het is Kabra,” riep de doctorvroolijk uit, “het is de haven van Tombuctou, de stad zelve is geen vijf mijlen van hier!”—“Dan zijt gij tevreden, mijnheer?” vroeg Joe.—“Verrukt, mijn jongen.—Alles gaat goed.”
De slangenboom. Blz. 195.De slangenboom. Blz.195.
De slangenboom. Blz. 195.
De slangenboom. Blz.195.
Joe verbergde zich en bleef onbeweeglijk, zijn adem inhoudende, in eene dicht begroeide plaats, toen hij, de oogen opheffende, door de bladeren heen den Victoria bemerkte, die zich naar het meer richtte, nauwelijks honderd voet boven hem. Maar het was onmogelijk zich te doen hooren of te laten zien. Tranen kwamen hem in de oogen, niet van wanhoop, maar van dankbaarheid; zijn meester zocht hem! Zijn meester verliet hem niet! Hij moest het vertrek der zwarten afwachten, dan kon hij zijne schuilplaats verlaten en naar de oevers van het meer loopen. Maar de ballon verdween toen in het blauw des hemels. Joe besloot hem te wachten, hij zou zeker wel weder voorbijkomen! Hij kwam inderdaad weder voorbij, maar meer naar het oosten. Joe liep, maakte gebaren, schreeuwde.—Te vergeefs! Een hevige wind voerde den ballon mede met eene snelheid, die hem alle hoop ontnam. Voor de eerste maal verlieten de kracht en de hoop den ongelukkige; hij zag zich verloren, hij geloofde dat zijn meester was vertrokken zonder terug te keeren, hij durfde niet meer denken. Als een krankzinnige liep hij met bloedende voeten en een gewond lichaam den geheelen dag en een gedeelte van den nacht. Hij sleepte zich nu eens op de knieën, dan eens op de handen voort, hij zag het oogenblik nabij dat de kracht hem zou ontbreken, dat hij ging sterven. Dus voortgaande bevond hij zich eindelijk bij een moeras, hij viel onverwachts in een taai slijk; ondanks zijne pogingen, ondanks zijn wanhopigen tegenstand, voelde hij zich langzamerhand in dien modderigen grond zuigen, eenige minuten later stak hij er tot zijn midden in.—“Daar is dan de dood,” zeide hij tot zich zelven, “en welk een dood!....”
Hij worstelde woedend, maar dit deed hem nog dieper zinken in dit graf, dat de ongelukkige zich zelven groef! Er was geen enkel stuk hout, dat hem kon tegenhouden, geen riet om zich aan vast te houden!—Hij begreep dat het met hem gedaan was!... Zijne oogen sloten zich.—“Meester! meester!... help!” riep hij uit. En die wanhopige stem, reeds half versmoord, verloor zich in den nacht.
1Zie hoofdstukXV.
1Zie hoofdstukXV.
Eene verzameling aan den horizon.—Een troep Arabieren.—De vervolging.—Hij is het!—Val van het paard.—De gewurgde Arabier.—Een kogel van Kennedy.—Manoeuvreeren.—Ontvoering in de vlucht.—Joe wordt gered.
Eene verzameling aan den horizon.—Een troep Arabieren.—De vervolging.—Hij is het!—Val van het paard.—De gewurgde Arabier.—Een kogel van Kennedy.—Manoeuvreeren.—Ontvoering in de vlucht.—Joe wordt gered.
Sedert Kennedy zijn waarnemings-post voor in het schuitje had ingenomen, onderzocht hij oplettend den horizon. Na eenigen tijd wendde hij zich tot den doctor en zeide: “Als ik mij niet bedrieg zie ik daar ginds een troep menschen of beesten zich bewegen, het is nog onmogelijk hen te onderscheiden. In allen gevalle loopen zij snel, want zij jagen eene wolk van stof op.”—“Zou het weer een andere wind zijn?” zeide Samuel, “of eene hoos, die ons naar het noorden zal voeren?” Hij stond op om den horizon te onderzoeken.—“Ik geloof het niet, Samuel, het is een troep gazellen of wilde ossen.”—“Misschien, Dick, maar zij zijn ten minste negen of tien mijlen van ons verwijderd en zelfs met den verrekijker kan ik niets onderscheiden.”—“In allen gevalle zal ik hen niet uit het oog verliezen, er is iets bijzonders, dat mij vreemd voorkomt, men zou zeggen dat het ruiterij was! Ik bedrieg mij niet, het zijn wel ruiters! Zie!” De doctor keek oplettend naar den hem aangewezen troep.—“Ik geloof dat gij gelijk hebt,” zeide hij, “het is een detachement Arabieren of Tibbous, zij gaan in dezelfde richting als wij, maar wij gaan sneller en komen hen gemakkelijk vooruit. In een half uur zullen wij in staat zijn te zien en te oordeelen wat wij moeten doen.”—Kennedy had weder zijn verrekijker genomen en keek oplettend. De ruiters werden meer zichtbaar, eenigen zonderden zich af.—“Het is blijkbaar,” hernam Kennedy, “eene manoeuvre of eene jacht, het schijnt wel dat die lieden iets vervolgen. Ik zou wel willen weten wat daarvan is.”—“Geduld Dick, spoedig zullen wij hen inhalen en zelfs voorbijkomen als zij dezen weg blijven volgen, wij gaan met eene snelheid van twintig mijlen in het uur en geene paarden kunnen zoo snel loopen.”—Kennedy ging weder op zijn post en eenige oogenblikken daarna zeide hij: “Het zijn Arabieren, die met de grootste snelheid rijden, ik kan het volmaakt goed onderscheiden, zij zijn vijftig in getal. Ik zie hunne burnous in den wind fladderen. Het is eene exercitie van ruiters, hun opperhoofd gaat hen op honderd schreden vooruit en zij volgen hem.”—“Wie zij ook mogen zijn, Dick, zij zijn niet te vreezen en, als het noodzakelijk is, zal ik stijgen.”—“Wacht nog wat, Samuel.—Dat is zonderling,” voegde Dick er, na een nieuw onderzoek bij, “er is iets waarvan ik mij geene rekenschap kan geven; aan hunne pogingen en deongeregeldheid hunner linie schijnen deze Arabieren eerder iemand te vervolgen dan te volgen.”—“Zijt gij er zeker van, Dick?”—“Ja. Ik bedrieg mij niet, zij volgen geen opperhoofd, die hen voorgaat, maar een vluchteling.”—“Een vluchteling,” zeide Samuel ontroerd.—“Ja.”—“Laat ons hem niet uit het oog verliezen en wachten.”—Men won spoedig drie of vier mijlen op die ruiters, die echter pijlsnel reden.—“Samuel! Samuel!” riep Kennedy met bevende stem uit.—“Wat is er, Dick?”—“Is het een zinsbedrog?”—“Is het mogelijk?”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Wacht.”—En de jager veegde spoedig de glazen van den verrekijker af en begon weder te kijken.—“Welnu?” zeide de doctor.—“Hij is het, Samuel!”—“Hij!” zeide deze laatste.—“Dit woord ‘hij’ zeide alles, het was niet noodig hem te noemen.”—“Hij is het, te paard! nauwelijks 100 schreden van zijne vijanden! Hij vlucht!”—“Het is wel Joe!” zeide de doctor verbleekende.—“Hij kan ons in zijne vlucht niet zien.”—“Hij zal ons zien,” antwoordde Ferguson, de vlam van zijne gaspijp doende minderen.—“Maar hoe?”—“In vijf minuten zullen wij op vijftig voet van den grond en in vijftien boven hem zijn.”—“Wij moeten hem waarschuwen door een schot.”—“Neen! hij kan niet op zijne schreden terugkeeren, de mogelijkheid daartoe is hem afgesneden.”—“Wat dan te doen?”—“Wachten!”—“Wachten! En deze Arabieren?”—“Wij zullen hen inhalen en voorbijkomen! Wij zijn geen twee mijlen van hen af en als het paard van Joe volhoudt!”—“Groote God!” zeide Kennedy.—“Wat is er?”—Kennedy had een kreet van wanhoop geslaakt, toen hij Joe ter aarde zag vallen. Zijn paard, blijkbaar uitgeput, was nedergestort.—“Hij heeft ons gezien!” riep de doctor uit, “toen hij opstond heeft hij ons een teeken gegeven.”—“Maar de Arabieren zullen hem bereiken? waarom wacht hij? O! die moedige jongen! Hoezee?” zeide de jager, die zich niet meer kon inhouden.
“Meester! meester!..... help!” Blz. 198.“Meester! meester!..... help!” Blz.198.
“Meester! meester!..... help!” Blz. 198.
“Meester! meester!..... help!” Blz.198.
Joe, onmiddellijk na zijn val opgestaan zijnde, op het oogenblik dat een der vlugste ruiters zich op hem wierp, sprong op als een panther, ontweek hem door een zijsprong, wierp zich achter op zijn paard, greep den Arabier bij de keel en wurgde hem met zijne gespierde armen en ijzeren vingers, wierp hem in het zand en vervolgde pijlsnel zijn weg. Een schrille kreet der Arabieren klonk door de lucht, maar geheel met hunne vervolging bezig zijnde, hadden zij den Victoria op 500 schreden achter zich en nauwelijks dertig voet van den grond niet bemerkt; zij zelven waren op nauwelijks twintig paardelengten van den vluchteling af. Een van hen naderde Joe meer en meer en was op het punt hem met zijne lans te doorboren, toen Kennedy met vast oog en vaste hand hem door een kogel ter aarde deed buitelen. Joe keerde op het gehoor van dien val zich zelfs niet om. Een deel der bende staakte zijn loop en viel voorover in het stof op het zien van den Victoria, de overigenzetten hunne vervolging voort.—“Wat doet Joe toch?” riep Kennedy uit, “hij houdt niet stil.”—“Hij doet beter dan dat, Dick, ik heb hem begrepen! hij blijft in de richting van den luchtballon enrekent op ons vernuft! Ah, die brave jongen. Wij zullen hem voor den neus van die Arabieren ontvoeren, wij zijn niet meer dan tweehonderd schreden van hem af.”—“Wat moeten wij doen?” vroeg Kennedy.—“Laat uw geweer liggen.”—“Daar,” zeide de jager, zijn wapen nederleggende.—“Kunt gij 150 pond ballast in uwe armen houden?”—“Nog wel meer.”—“Neen! dat is voldoende.”—De doctor stapelde zakken met zand op tusschen de armen van Kennedy.—“Blijf achter in het schuitje en houd u gereed dien ballast in eens weg te werpen. Maar bij uw leven, doe het niet vóór mijn bevel.”—“Wees gerust!”—“Zonder dat zouden wij Joe niet kunnen bereiken, hij zou verloren zijn!”—“Reken op mij.”
De Victoria was toen bijna boven de ruiters, die met lossen teugel Joe achtervolgden. De doctor hield voor in het schuitje de ladder klaar, gereed om haar uit te werpen op het gepaste oogenblik. Joe had den afstand tusschen zich en zijne vervolgers behouden, dat is ongeveer vijftig voet. De Victoria trok hen voorbij.—“Opgepast!” zeide Samuel tot Kennedy.—“Ik ben gereed.”—“Joe! pas op!...” riep de doctor met zijn heldere stem, terwijl hij de ladder uitwierp, wier eerste sporten het stof van den grond opjoegen. Op den roep van den doctor keerde Joe, zonder zijn paard stil te doen staan, zich om, de ladder bereikte hem en op het oogenblik dat hij er zich aan vast klampte riep de doctor tot Kennedy:—“Werp uit!”—“Het is gedaan...” En de Victoria, ontdaan van een gewicht dat zwaarder was dan Joe, steeg 150 voet in de lucht.
Joe hield zich stevig aan de ladder vast gedurende de hevige schommelingen die de ballon beschreef; vervolgens een voor de Arabieren onbegrijpelijk gebaar makende en met de vlugheid van een clown klimmende, kwam hij bij zijne reisgezellen, die hem in hunne armen ontvingen. De Arabieren slaakten een kreet van verwondering en woede. De vluchteling was hun in de vlucht ontvoerd en de Victoria verwijderde zich snel.—“Meester! meester!” zeide Joe.—En van ontroering en vermoeienis bezwijkende, viel hij in zwijm, terwijl Kennedy, bijna waanzinnig van vreugde, uitriep: “Gered! gered!”—“Zeker!” zeide de doctor, die zijne koelbloedigheid had teruggekregen.
Joe was bijna naakt, zijne bebloede armen, zijn lichaam met wonden bedekt, dit alles getuigde van zijn lijden. De doctor verbond zijne wonden en legde hem onder de tent neder.
Hij kwam weldra bij, vroeg een glas brandewijn, dat de doctor geloofde hem niet te moeten weigeren, daar Joe niet iemand was dien men als iedereen moest behandelen. Na gedronken te hebben, drukte Joe de hand zijner twee reisgezellen en verklaarde zich bereid zijne avonturen te verhalen. Maar men veroorloofde hem niet te spreken en hij viel in een diepen slaap, waaraan hij groote behoefte scheen te hebben. De Victoria nam toen een richting naar hetwesten. Door een sterken wind voortgestuwd, zag men de grens van de doornachtige woestijn terug, boven de palmboomen, die door den storm gekromd of uit den grond gerukt waren, en toen men na de redding van Joe bijna 200 mijlen had afgelegd, kwam men tegen den avond voorbij den tienden graad breedte.
De weg naar het westen.—Het ontwaken van Joe. Zijne koppigheid.—Einde der geschiedenis van Joe.—Tagelet.—Ongerustheid van Kennedy.—Weg naar het noorden.—Een nacht dicht bij Aghadés.
De weg naar het westen.—Het ontwaken van Joe. Zijne koppigheid.—Einde der geschiedenis van Joe.—Tagelet.—Ongerustheid van Kennedy.—Weg naar het noorden.—Een nacht dicht bij Aghadés.
De wind werd bedaarder gedurende den nacht en de Victoria bleef stil boven een grooten wilden vijgenboom. De doctor en Kennedy waakten beurtelings en Joe maakte van die gelegenheid gebruik om een goeden slaap te doen, vier-en-twintig uren achtereen.—“Dit geneesmiddel heeft hij noodig,” zeide Ferguson, “de natuur zal zich met zijne genezing belasten.” Op den dag werd de wind weder vrij sterk maar veranderlijk, dan eens was hij noord, dan weder zuid, maar ten laatste werd de Victoria westwaarts gevoerd. De doctor met de kaart in de hand, herkende het koninkrijk Damerghou, een golvenden grond van groote vruchtbaarheid, met de hutten der dorpen, vervaardigd van riet en takken van de asclepia; de korenmolens verhieven zich in de bebouwde velden op kleine stellages, die bestemd waren om hen tegen de muizen en termiten te beschermen. Weldra bereikte men de stad Zinder, herkenbaar aan haar uitgestrekt plein van strafoefeningen; in het midden verheft zich de boom des doods, de beul waakt aan zijn voet, en al wie onder zijn lommer doorgaat, wordt terstond opgehangen. Het kompas raadplegende, kon Kennedy niet nalaten te zeggen: “Nu nemen wij weder een weg naar het noorden!”—“Wat beteekent dat? Als hij ons naar Tombuctou voert, zullen wij ons niet te beklagen hebben! Nooit zal er schooner reis onder betere omstandigheden volbracht zijn!....”—“Noch in betere gezondheid,” antwoordde Joe, die zijn opgeruimd gelaat door de gordijnen van de tent stak. “Daar is onze brave vriend!” riep de jager uit, “onze redder! Hoe gaat het?”—“Zeer natuurlijk, mijnheer Kennedy, zeer natuurlijk, nooit ben ik zoo wel geweest! Er is niets dat een mensch zoozeer op zijn streek brengt, als een klein uitspanningsreisje, voorafgegaan door een bad in het meer Tchad! Is het niet zoo, meester?”—“Edel hart!” antwoordde Ferguson hem de hand drukkende. “Hoeveelangst en onrust hebt gij ons veroorzaakt.”—“Welnu, en gij dan! gelooft gij dat ik gerust was over uw lot? Gij kunt u beroemen mij een grooten schrik te hebben aangejaagd!”—“Wij zullen elkander nooit verstaan, Joe, als gij de zaken zoo opvat.”—“Ik zie dat zijn val hem niet heeft veranderd,” voegde Kennedy er bij. “Uwe opoffering is verheven geweest, mijn jongen, en heeft ons gered, want de Victoria zou in het meer zijn gevallen en eens daar zijnde, had niemand hem er uit kunnen halen.”—“Maar als mijne opoffering, zoo als het u behaagt mijne buiteling te noemen, u gered heeft, heeft het mij dan ook niet gered, daar wij allen eene goede gezondheid genieten? Bij gevolg hebben wij elkander niets te verwijten.”—“Men zal zich nooit met dien knaap verstaan,” zeide de jager.—“Het beste middel om elkander eens te verstaan,” zeide Joe, “is niet meer daarover te spreken; wat gedaan is, is gedaan, hetzij goed of slecht, er valt niets aan te veranderen.”—“Stijfkop,” zeide de doctor lachend, “gij zult ons toch wel uwe avonturen willen verhalen?”—“Als gij er veel aan hecht! Maar vooraf zal ik deze vette gans braden, want ik zie dat mijnheer Dick zijn tijd niet heeft laten verloren gaan.”—“Zoo als gij zegt, Joe.”—“Welnu! wij zullen weldra zien hoe dit afrikaansche wild zich in een europeesche maag gedraagt.”
De gans was weldra gebraden en opgegeten; Joe nam er een goed deel van, als een mensch, die in vele dagen niets heeft genuttigd. Na het gebruik van thee en grog verhaalde hij zijn reisgezellen zijne avonturen; hij sprak met eene zekere ontroering; terwijl hij de zaken op zijne hem gewone wijze beschouwde. De doctor drukte hem herhaalde malen de hand, toen hij dezen waardigen dienaar meer bekommerd zag over het lot zijns meesters, dan over het zijne; de overstrooming van het eiland der Biddiomahs verklaarde hij hem uit de menigvuldigheid van dit verschijnsel op het meer Tchad. Eindelijk kwam Joe aan het oogenblik waarin hij in het moeras stekende een laatsten kreet van wanhoop slaakte.
De wegvoering van Joe. Blz. 202.De wegvoering van Joe. Blz.202.
De wegvoering van Joe. Blz. 202.
De wegvoering van Joe. Blz.202.
“Ik hield mij voor verloren,” zeide hij, “en mijne gedachten waren u gewijd, meester; en ik begon te worstelen om er uit te komen. Hoe? dat zal ik u niet zeggen, ik was vast besloten mij niet te laten verzwelgen zonder pogingen te doen om mij te redden, toen ik op twee schreden afstands van mij een stuk pas afgesneden touw bemerkte: ik deed eene laatste poging, en zoo goed en zoo kwaad als het ging gelukte het mij dat te grijpen; ik trok en eindelijk was ik weder op vasten grond. Aan het einde van het touw vond ik een anker! O, meester, ik heb wel recht om ’t het anker der redding te noemen, als gij daar ten minste niets tegen hebt. Ik herkende het voor een anker van den Victoria, gij waart dus daar geweest. Ik volgde de richting van het touw, dat mij uwe richting aanwees, en na nieuwe pogingen trok ik mij uit het slik.Ik had met mijn moed ook mijne krachten herkregen en ik liep gedurende een gedeelte van den nacht, mij van het meer verwijderende; eindelijk kwam ik aan den zoom van een onmetelijk woud.Daar was eene beslotene ruimte, waar paarden graasden zonder eenig kwaad te vermoeden; er zijn oogenblikken in het leven, dat iedereen kan paard rijden, is het niet waar? Ik bedacht mij geene minuut, sprong op den rug van een dezer dieren, en joeg met alle snelheid naar het noorden. Ik zal u niet spreken van steden, die ik niet heb gezien, noch van de dorpen die ik heb vermeden. Neen. Ik snelde over bezaaide velden, ik sprong over kreupelhout, beklom pallissaden, en zette mijn paard steeds aan. Ik kwam eindelijk aan de grens der bebouwde velden. Mooi, daar was de woestijn! dat stond mij aan, want toen kon ik beter en verder voor mij uitzien. Ik hoopte altijd den Victoria te ontdekken. Maar niets daarvan. Na drie uren belandde ik als een gek in eene legerplaats van Arabieren! Welk eene jacht!.... Ziet gij, mijnheer Kennedy, een jager weet niet wat eene jacht is, als men nooit op hem zelven jacht gemaakt heeft! En echter geef ik hem den raad het nooit te beproeven. Mijn paard viel neer van vermoeienis, men drong op mij aan, ik spring achter een Arabier op het paard! Ik was niet boos op hem en ik hoop dat hij het mij vergeven zal dat ik hem heb gewurgd; maar ik had u gezien en gij weet het overige. De Victoria volgde mijn spoor en gij naamt mij op in de vlucht, even als een ruiter een ring bij het ringsteken. Had ik niet gelijk op u te rekenen? Welnu, mijnheer Samuel, gij ziet hoe eenvoudig dat alles is. Niets ter wereld is natuurlijker! Ik ben gereed weder te beginnen, als het u nogmaals een dienst kan bewijzen! En overigens, zooals ik u zeide, meester, het is niet der moeite waard daarover te spreken.” “Mijn brave Joe!” antwoordde de doctor ontroerd, “edel hart! Wij hadden geen ongelijk vertrouwen te stellen in uw vernuft en uwe behendigheid.”—“Bah! mijnheer, men laat zich slechts door de omstandigheden leiden, en men redt zich uit den brand! Het veiligste, ziet gij, is nog de zaken te nemen zoo als zij zich voordoen.”
Gedurende deze geschiedenis van Joe had de ballon snel eene groote uitgestrektheid doorloopen. Kennedy maakte weldra aan den horizon op eene verzameling hutten opmerkzaam, die het aanzien van eene stad hadden. De doctor raadpleegde zijne kaart en herkende Tagelel in Damerghou. “Wij vinden hier,” zeide hij, “den weg van Barth weder. Daar scheidde hij van zijne twee reisgezellen, Richardson en Overweg; de eerste moest den weg van Zinder, de tweede dien van Maradi volgen en gij herinnert u dat Barth de eenige van deze drie reizigers is, die Europa wederzag.”—“Dus,” zeide de jager, “als wij op de kaart de richting van den Victoria volgen, gaan wij recht noordwaarts.”—“Ja, mijn waarde Dick.”—“En verontrust u dit niet een weinig?”—“Waarom?”—“Omdat die weg ons naar Tripoli voert en boven de groote woestijn.”—“O! wij zullen zoo ver niet gaan, mijn vriend, ten minste ik hoophet.”—“Maar waar wilt gij stil houden?”—“Laat eens zien, Dick, zoudt gij niet nieuwsgierig zijn om Tombuctou te bezoeken?”—“Tombuctou?”—“Zonder twijfel,” zeide Joe, “men mag geene reis door Afrika doen, zonder Tombuctou te bezoeken.”—“Gij zult de vijfde of zesde Europeaan zijn, die deze geheimzinnige stad heeft gezien!”—“Naar Tombuctou dan.”—“Laat ons dan tusschen 17° en 18° breedte aankomen en daar zullen wij een gunstigen wind zoeken, die ons naar het westen voert.”—“Goed,” antwoordde de jager; “maar moeten wij nog een langen weg noordwaarts afleggen?”—“Ten minste 150 mijlen.”—“Dan ga ik een weinig slapen,” zeide Kennedy.—“Slaap, mijnheer,” antwoordde Joe, “gij, meester, doe even als mijnheer Kennedy, gij zult rust noodig hebben, want ik heb u op eene onbescheidene wijze wakker gehouden.”
De jager strekte zich onder de tent uit, maar Ferguson, op wien de vermoeienis weinig invloed had, bleef op zijn post als waarnemer. Na drie uren trok de Victoria buitengewoon snel over dat keisteenachtige land, met rijen hooge en naakte bergen met grondvlakken van graniet; enkele toppen bereikten zelfs eene hoogte van 4000 voet; de giraffen, antilopen en struisvogels sprongen zeer vlug in de bosschen vanacacia’s, mimosa’s en dadelboomen; na de dorheid der woestijn hernam de plantengroei zijn rijk. Het was het land der Kailouas, die zich het gezicht bedekken met een band van katoen, even als hunne gevaarlijke buren de Touaregs.
Ten tien uur des avonds, na een tocht van 250 mijlen, hield de Victoria stil boven eene belangrijke stad; de maan deed zien dat een gedeelte half verwoest was; eenige toppen van moskeeën verhieven zich door den maneschijn verlicht; de doctor nam de hoogte der sterren waar, en bevond dat hij op de breedte van Aghadès was. Deze stad, eertijds het middelpunt van een levendigen handel, begon reeds te vervallen toen doctor Barth haar bezocht. Daar men den ballon in den donker niet had bemerkt, daalde hij neder op twee mijlen ten noorden van Aghadès, op een groot gierstveld. De nacht was vrij rustig en verdween tegen drie uur des morgens, terwijl een lichte wind den ballon naar het oosten en zelfs een weinig naar het zuiden voerde. Ferguson haastte zich van deze goede gelegenheid gebruik te maken; hij steeg spoedig en ging voort te midden van heldere zonnestralen.
Snelle tocht.—Voorzichtige besluiten.—Aanhoudende plasregens.—Gao.—De Niger.—Golberry, Geoffroy, Gray.—Mungo-Park.—Laing.—Réné Caillié.—Clapperton.—John en Richard Lander.
Snelle tocht.—Voorzichtige besluiten.—Aanhoudende plasregens.—Gao.—De Niger.—Golberry, Geoffroy, Gray.—Mungo-Park.—Laing.—Réné Caillié.—Clapperton.—John en Richard Lander.
De dag van den 17denMei was kalm en er had geen merkwaardig voorval plaats; de woestijn begon weder; een zachte wind voerde den ballon naar het zuidwesten, hij week noch rechts noch links af, zijne schaduw beschreef op het zand eene volkomen rechte lijn. Voor zijn vertrek had de doctor voorzichtig zijn voorraad water hernieuwd, daar hij vreesde niet te zullen kunnen dalen in deze streken, die onveilig werden gemaakt door de Aoueglimminiaansche Touaregs. De vlakte, die 1800 voet boven het oppervlak der zee verheven was, daalde in het zuiden. De reizigers, den weg van Aghadès naar Mourzouk, die dikwijls door kameelen werd bereden, afgesneden hebbende, kwamen des avonds op 16° breedte en 4°55′ lengte, na een eentonigen tocht van 190 mijlen. Gedurende dien dag maakte Joe de laatste stukken wild gereed, hij gaf bij het avondmaal eenige zeer lekkere kleine snippen. Daar de wind goed was, besloot de doctor zijn tocht dezen nacht voort te zetten, terwijl de maan, die nog bijna vol was, helder scheen. De Victoria steeg tot op 500 voet hoogte en, op dien nachtelijken tocht van zestig mijlen zou de lichte slaap van een kind zelfs niet zijn gestoord. Zondagmorgen was er weder eene verandering in de richting van den wind, die hen naar het noordwesten voerde; eenige raven vlogen in de lucht en aan den horizon een troep gieren, die gelukkig veraf bleven. Het gezicht van die vogels gaf Joe aanleiding zijn meester zijn compliment te maken over zijn denkbeeld der twee ballons.—“Wat zou er van ons geworden zijn,” zeide hij, “met een enkel omkleedsel? Deze tweede ballon is even als de sloep van een schip, welke men in geval van schipbreuk bij de hand heeft om zich te redden.”—“Gij hebt gelijk, mijn vriend, maar mijne sloep verontrust mij een weinig, zij is niet zoo goed als het schip zelf.”—“Wat wilt gij zeggen?” vroeg Kennedy.—“Ik wil zeggen dat de nieuwe Victoria niet zoo goed is als de oude; het zij dat het weefsel te veel is op de proef gesteld, hetzij dat de gutta percha gesmolten is door de hitte der slang, ik bemerk een zeker verlies van gas; tot hiertoe bedraagt dit niet veel, maar eindelijk wordt het beduidend; wij hebben eene neiging tot dalen, en om op dezelfde hoogte te blijven ben ik gedwongen het gas meer te doen uitzetten.”—“Duivels!” zeide Kennedy, “daartegen zie ik geen hulpmiddel.”—“Er is er geen, mijn waarde Dick, daarom zullen wij wel doen ons te haasten enzelfs den nacht door te reizen.”—“Zijn wij nog ver van de kust?” vroeg Joe.—“Welke kust? mijn jongen? Weten wij dan waarheen het toeval ons zal voeren; al wat ik u kan zeggen is, dat Tombuctounog 400 mijlen westwaarts van ons ligt.”—“En hoeveel tijd zullen wij besteden om er te komen?”—“Als de wind ons niet te veel afvoert, reken ik die stad tegen Dinsdagavond te bereiken.”—“Dan zullen wij,” zeide Joe, terwijl hij eene lange rij menschen en beesten aanwees, die midden door de woestijn trokken, “spoediger aankomen dan die karavaan.”
Het land der Kailouas. Blz. 207.Het land der Kailouas. Blz.207.
Het land der Kailouas. Blz. 207.
Het land der Kailouas. Blz.207.
Ferguson en Kennedy keken naar omlaag en zagen een groote verzameling van wezens, van allerlei soort; er waren meer dan honderd vijftig kameelen, en wel van die welke voor twaalf gouden mutkals1van Tombuctou naar Tafilet gaan, beladen met 500 pond; allen droegen onder de staart een kleinen zak, bestemd om hunne uitwerpsels op te vangen, hetgeen de eenige brandstof is, waarop men in de woestijn kan rekenen. Deze kameelen der Touaregs zijn van het beste ras; zij kunnen van drie tot zeven dagen zonder drinken blijven en twee dagen zonder eten; hunne vlugheid overtreft die der paarden en zij gehoorzamen vernuftig aan de stem van den Khabir, den aanvoerder der karavaan. Men kent hen in het land onder den naam van Mehari. Deze bijzonderheden verhaalde de doctor, terwijl zijne reisgezellen deze menigte mannen, vrouwen en kinderen beschouwden, die met moeite liepen op half beweeglijk zand, dat nauwlijks werd tegengehouden door eenige distels, verdord gras en lage doornstruiken. Joe vroeg hoe de Arabieren zich in de woestijn konden richten en de hier en daar in deze onmetelijke eenzaamheid verspreide putten bereiken.—“De Arabieren,” antwoordde Ferguson, “hebben van de natuur een wonderbaar instinct ontvangen om hun weg te herkennen. Daar waar een Europeaan geheel van de wijs zou zijn, aarzelen zij nooit. Een onbeduidende steen, een keisteen, eenige boomen, de verschillende kleuren van het zand zijn hun voldoende om veilig te reizen; des nachts richten zij zich naar de poolster; zij leggen niet meer dan twee mijlen per uur af en rusten slechts bij de groote middaghitte; denk nu eens hoeveel tijd zij noodig hebben om de Sahara, die meer dan 900 mijlen lang is, door te trekken.” Maar de ballon was reeds uit de oogen der verbaasde Arabieren verdwenen, die zijne snelheid moesten benijden. Des avonds passeerde hij op 2° 20′ lengte2en legde des nachts nog meer dan een graad af.
Des Maandags veranderde het weder geheel; er begon een hevige regen te vallen; men moest weerstand bieden aan dien stortvloed en de vermeerdering van gewicht waarmede de ballon en het schuitje belast werden; deze voortdurende stortregen verklaarde het aanwezig zijn der moerassen en poelen die de oppervlakte van het landbedekten; de plantengroei verscheen er weder met de mimosa’s en de tamerindenboomen.
Dit was Sonray met zijne dorpen, bedekt met omgekeerde daken even als armenische mutsen; er waren weinig bergen, maar juist heuvels genoeg om kloven en beken te vormen, welke de afrikaansche hoenders en de kleine snippen in hunne vlucht doorkliefden; hier en daar doorsneed een hevige stortvloed de wegen; de inlanders trekken die over door zich aan eene kleine plant, die van den eenen boom tot den anderen loopt, vast te houden; de bosschen maakten plaats voor biezen, waarin zich alligators en rivierpaarden bewogen. “Wij zullen weldra den Niger zien,” zeide de doctor; “de landstreek verandert bij het naderen der groote rivieren. Deze wegen, die als het ware loopen, hebben eerst den plantengroei met zich medegevoerd, zooals zij later de beschaving zullen brengen. Dan heeft de Niger in zijn loop van 2500 mijlen aan zijne oevers de belangrijkste steden van Afrika.”—“Kijk,” zeide Joe, “dat herinnert aan de geschiedenis van dien grooten bewonderaar der goedheden van de Voorzienigheid, die hij prees omdat zij gezorgd had dat de rivieren in het algemeen door de groote steden loopen.”—Des middags zweefde de Victoria boven eene vereeniging van vrij ellendige hutten, Gao, dat vroeger eene groote hoofdstad was. “Daar stak Barth den Niger over bij zijne terugkomst van Tombuctou,” zeide de doctor. “Zie hier dus dien stroom, zoo beroemd in de oudheid, als de mededinger van den Nijl, aan wien het heidensche bijgeloof een goddelijken oorsprong toekende; evenals de Nijl, en meer zelfs, heeft zijn onderzoek talrijke slachtoffers gekost.” De Niger liep tusschen twee ver van elkander gelegen oevers, zijne wateren stroomden met eene zekere snelheid zuidwaarts; maar de reizigers konden, daar zij snel mede werden gevoerd, er nauwelijks de omtrekken van zien. “Ik zal u van dien stroom iets vertellen,” zeide Ferguson, “en hij is reeds ver van ons! Hij doorloopt onder den naam van Dhiouleba, Mayo, Egghirreou, Quorra en nog anderen eene ontzaglijke uitgestrektheid lands, hij zou bijna in lengte met den Nijl gelijk zijn. Deze namen beteekenen eenvoudig ‘den stroom’, volgens de taal der landstreken, die hij doorloopt.”—“Had doctor Barth dien weg gevolgd?” vroeg Kennedy.—“Neen, Dick, toen hij het meer Tchad verliet, ging hij door de voornaamste steden van Bornou en den Niger over te Say, vier graden beneden Gao; vervolgens drong hij in die ondoorzochte streken, welke de Niger in zijn elleboog omsluit, en na acht maanden van nieuwe vermoeienissen, kwam hij te Tombuctou; dit zullen wij met dezen snellen wind, in minder dan drie dagen doen.”—“Heeft men de bronnen van den Niger ontdekt?” vroeg Joe.—“Reeds sedert langen tijd,” antwoordde de doctor; “de kennis van den Niger en zijne takken gaf aanleidingtot talrijke expeditiën, en ik kan u de voornaamste opnoemen. Van 1749 tot 1758 bezocht Adamson de rivier en Gorea; van 1785 tot 1788 doorkruisten Golberry en Geoffroy de woestenijen van Senegambië en drongen door tot het land der Mooren, die Sagnier, Brisson, Adam, Riley, Cochelet en zoo veel andere ongelukkigen vermoordden. Daarna volgt de beroemde Mungo Park, de vriend van Walter Scott en even als deze Schot. In 1795 door het Afrikaansch gezelschap te Londen gezonden, kwam hij te Bambarre, bezocht den Niger, reisde 500 mijlen met een slavenhandelaar, verkende de rivier Gambia en kwam in 1797 in Engeland terug. Hij vertrok weder den 30stenJanuari 1805 met zijn schoonbroeder Anderson, Scott den teekenaar en eenige werklieden; hij kwam te Gorea, voegde zich bij een detachement van 35 soldaten, zag den 19denAugustus nogmaals den Niger, maar toen bleven er, ten gevolge der vermoeienissen, ontberingen, slechte behandelingen, de guurheid van het weder en de ongezondheid van het land slechts elf van de veertig Europeanen over; den 16denNovember ontving de vrouw van Mungo Park zijne laatste brieven en een jaar later vernam men door middel van een handelaar, dat de ongelukkige reiziger, den 23stente Boussa aan den Niger gekomen, zijne boot zag omverwerpen door de watervallen der rivier en dat hij zelf door de inboorlingen werd vermoord.”—“En dit verschrikkelijke einde schrikte de onderzoekers niet af?”
De Niger. Blz. 215.De Niger. Blz.215.
De Niger. Blz. 215.
De Niger. Blz.215.
“Integendeel, Dick, want toen moest men niet alleen de rivier opnemen, maar ook de papieren van den reiziger wedervinden. In 1816 werd eene expeditie te Londen uitgerust, waaraan majoor Gray deel nam; deze kwam aan den Senegal, drong in Fouta-Djallon door, bezocht de Foullahs en Mandingo’s en kwam onverrichter zake in Engeland terug. In 1822 onderzocht majoor Laing het geheele westelijk gedeelte van Afrika, dat aan de Engelsche bezittingen grenst en hij was de eerste, die de bronnen van den Niger bereikte; volgens zijne aanteekeningen zijn de bronnen van die onmetelijke rivier geene twee voet breed.”—“Gemakkelijk om over te springen,” zeide Joe.—“He! he! gemakkelijk!” antwoordde de doctor. “Als men aan de overlevering geloof slaat, wordt hij, die beproeft deze bronnen over te springen, onmiddellijk verzwolgen, en die er water uit wil putten, wordt door eene onzichtbare hand teruggestooten.”—“En het staat ons vrij, daarvan geen woord te gelooven?” vroeg Joe.—“Zeker. Vijf jaar later moest majoor Laing de Sahara doortrekken; te Tombuctou gekomen en eenige mijlen hooger op, werd hij gewurgd door de Ouelad-Shiman, die hem wilden dwingen muselman te worden.”—“Weder een slachtoffer!” zeide de jager.—“Toen ondernam een moedig jongeling met zijne zwakke hulpmiddelen de verbazendste der hedendaagsche reizen, dat was de Franschman Réné Caillië. Na verschillendepogingen in 1819 en 1824 vertrok hij op nieuw den 19denApril 1827 van den Rio-Nunez; den 3denAugustus kwam hij zoo uitgeput en ziek te Timé, dat hij niet vóór Januari 1828, dat is zesmaanden daarna, zijne reis kon hervatten; hij voegde zich toen bij eene karavaan, beschermd door zijn oostersch kleed, bereikte den 10denMaart den Niger, drong in de stad Jenné door, scheepte zich op de rivier in en zakte haar af tot aan Tombuctou, waar hij den 30stenApril aankwam. Een ander Franschman, Imbert, in 1670, een Engelschman, Robert Adams in 1810, hadden misschien deze merkwaardige stad gezien; maar Réné Caillié was de eerste Europeaan, die nauwkeurige berichten heeft gegeven; den 4denMei verliet hij de koningin der woestijn, den 9denherkende hij de plaats, waar de majoor Laing was vermoord, den 19denkwam hij te El-Araouan en verliet de handelsstad om, te midden van duizend gevaren de uitgestrekte woestenijen tusschen Soudan en de noordelijke streken van Afrika door te trekken; eindelijk kwam hij te Tanger en den 28stenSeptember scheepte hij zich in naar Toulon; in 19 maanden, ondanks 180 dagen ziekte, had hij Afrika van het westen tot het noorden doorkruist. Als Caillié in Engeland was geboren, zou men hem vereerd hebben als den onverschrokkensten reiziger der hedendaagsche tijden, even als Mungo Park! Maar in Frankrijk werd hij niet op rechten prijs gesteld3.”—“Het was een moedig man.” zeide de jager. “Wat is er van hem geworden?”—“Hij is 39 jaar oud gestorven aan de gevolgen zijner vermoeienissen; men geloofde genoeg gedaan te hebben met hem den prijs van het Aardrijkskundig Gezelschap in 1828 toe te kennen; de grootste eer zou hem in Engeland bewezen zijn. Voor het overige beraamde een Engelschman, terwijl Caillié zijne verwonderlijke reis volbracht, dezelfde onderneming en beproefde haar met evenveel moed, al is het dan niet met evenveel geluk. Het was kapitein Clapperton, de reisgezel van Denham. In 1829 ging hij weder naar Afrika langs de westkust van de golf van Benin, volgde het spoor van Mungo-Park en Laing, vond in Boussa de aanteekeningen, betrekking hebbende op den dood des eersten weder, kwam den 20stenAugustus te Sackatou, waar hij gevangen gehouden zijnde den laatsten adem uitblies in de armen van zijn getrouwen bediende Richard Lander.”—“En wat werd er van dien Lander?” vroeg Joe belangstellend.—“Het gelukte hem de kust weder te bereiken en te Londen terug te komen, de papieren van den kapitein en een nauwkeurig verhaal zijner eigene reis medebrengende; toen bood hij aan het gouvernement zijne diensten aan om de kennis van den Niger te voltooien; hij nam zijn broeder John, tweeden zoon van arme lieden uit Corn-Wallis mede, en beiden zakten zij van 1829 tot 1831 de rivier af van Boussa tot aan hare uitwatering, dorp voor dorp, mijlvoor mijl beschrijvende.”—“Dus ontsnapten die twee broeders aan het algemeene lot?” vroeg Kennedy.—“Ja, ten minste op deze expeditie; want in 1833 ondernam Richard eene derde reis naar den Niger en stierf, door een onbekenden kogel getroffen, aan den mond der rivier. Gij ziet dus, mijne vrienden, dat dit land, dat wij doortrekken, getuige is geweest van edele zelfopofferingen, die al te dikwijls slechts den dood tot belooning hebben gehad.”
1Honderd vijf en twintig francs, ongeveer ƒ60.2Meridiaan van Parijs.3Doctor Ferguson, in zijne hoedanigheid als Engelschman, overdrijft misschien; niettemin moeten wij erkennen dat Réné Caillié in Frankrijk onder de reizigers geene vermaardheid geniet zijn moed waardig.
1Honderd vijf en twintig francs, ongeveer ƒ60.
2Meridiaan van Parijs.
3Doctor Ferguson, in zijne hoedanigheid als Engelschman, overdrijft misschien; niettemin moeten wij erkennen dat Réné Caillié in Frankrijk onder de reizigers geene vermaardheid geniet zijn moed waardig.
Het land van den elleboog van den Niger.—Phantastisch gezicht van het gebergte Homberi.—Kabra.—Tombuctou.—Plan van doctor Barth.—Val.—Waarheen de hemel wil.
Het land van den elleboog van den Niger.—Phantastisch gezicht van het gebergte Homberi.—Kabra.—Tombuctou.—Plan van doctor Barth.—Val.—Waarheen de hemel wil.
Gedurende dien Maandag deed doctor Ferguson aan zijne reisgezellen talrijke mededeelingen aangaande de streek, welke zij doortrokken; de grond, die vrij vlak was, stelde hun tocht geen hinderpaal in den weg. De eenige zorg des doctors was over dien noordoosten wind, die hevig woei en hem van de breedte van Tombuctou verwijderde. De Niger, na tot aan deze stad noordwaarts op te zijn gegaan, kromt zich even als een groote straal water, en valt in den Atlantischen Oceaan; in dien elleboog is het land zeer verscheiden, nu eens weelderig vruchtbaar, dan eens uiterst dor; de onbebouwde velden volgen op maïsvelden, die vervangen worden door uitgestrekte velden met bremstruiken bedekt; alle soorten van watervogels, pelikanen, talingen, martijnsvogels, leven in talrijke troepen op de oevers der stroomsnellingen en moerassen.
De Victoria boven hoge rotsen.
De Victoria boven hoge rotsen.
Van tijd tot tijd zag men een kamp van Touaregs, die onder hunne lederen tenten bleven, terwijl de vrouwen het werk daar buiten verrichtten, de kameelen melkende, en pijpen rookende. De Victoria was tegen acht uur des avonds meer dan 200 mijlen naar het westen getrokken, de reizigers waren toen getuigen van een prachtig schouwspel. Eenige stralen der maan baanden zich een weg door eene opening in de wolken en, tusschen de regendruppels doorgaande, vielen zij op de bergketen Homboria. Geen vreemder gezicht dan deze kruinen van een bazaltachtig voorkomen; zij weerkaatsten in phantastische beelden op den verduisterden hemel; men zou gezegd hebben dat het ruïnen waren eener onmetelijke stad uit de middeleeuwen, even als de ijsbanken der ijszeeën die in donkere nachten aan de verbaasde blikken vertoonen.—“Daar is eene plaats uit de Geheimen van Udolpho,” zeide de doctor, “Anna Radciliffe zou deze bergen niet vreeslijker hebben kunnen afschilderen.”—“Waarachtig,” antwoordde Joe, “ik zou des avonds niet gaarne indit land van spoken wandelen. Als het niet te zwaar was, zou ik dit geheele landschap naar Schotland overbrengen, dat zou een goed effect geven op de oevers van het meer Lomond, en de reizigers zouden er in menigte heen snellen.”—“Onze ballon is niet groot genoeg om u dit te veroorlooven, maar het komt mij voor dat onze richting verandert. Mooi! de nachtspoken dezer plaats zijn zeer lief, zij voeren ons een aardigen zuidoosten wind toe, die ons op den goeden weg zal terugbrengen.” Inderdaad sloeg de ballon een meer noordelijken weg in, en den 20stendes morgens zweefde hij over een groot net van kanalen en rivieren, de geheele ineenstrengeling der takken van den Niger; verscheidene van deze kanalen, bedekt met dik gras, hadden het voorkomen van vette weiden. Daar vond de doctor den weg terug van doctor Barth, toen deze zich op de rivier inscheepte om haar tot aan Tombuctou af te zakken. De Niger, die hier 800 vaâm1breed is, stroomde tusschen twee oevers rijk in kruisplanten en tamarindeboomen; de huppelende kudden der gazellen vereenigden haar geringde horens met het lange gras, waartusschen de alligator haar in stilte bespiedde. Lange rijen ezels en kameelen, beladen met koopwaren van Jenné, liepen onder schoone boomen; weldra vertoonde zich bij een kromming der rivier een amphitheater van huizen; op hunne terrassen en daken was de geheele voorraad, die in de omringende streken was ingezameld, opgehoopt.—“Het is Kabra,” riep de doctorvroolijk uit, “het is de haven van Tombuctou, de stad zelve is geen vijf mijlen van hier!”—“Dan zijt gij tevreden, mijnheer?” vroeg Joe.—“Verrukt, mijn jongen.—Alles gaat goed.”