VII.Het koffijhuis.„Willen wij een kop koffij gaan drinken?” vroeg mijn vriendC..., toen wij getafeld hadden en de deur uitgingen.—„Ik houd dit juist voor geene vaste gewoonte, maar het zal mij pleizier doen, de Engelsche koffijhuizen eens op te nemen.”—„Wij behoeven niet lang te zoeken; want men kan naauwelijks eenen voet verzetten, zonder er een aan te treffen, en ik geloof, dat de koffijhuizen, herbergen, logementen, gaarkeukens en kroegen hier wel een vierde van den platten grond beslaan. Maar wij zullen ons thans eens naar het voornaamste, meest bezochtste koffijhuis begeven. Wat gij er u ook van moogt verbeelden, uwe verwachting zult gij nog altijd overtroffen zien.”—„Daar gij reeds sinds vijf en twintig jaren uitParijszijt, kunt gij u geen denkbeeld vormen van den tegenwoordigen luister, levendigheid en pracht van onze koffijhuizen. Ik zal mij dus, zonder twijfel, ten hoogsteverwonderen, indien gij er mij een kunt laten zien, dat fraaijer, sierlijker en woeliger is, dan de onzen.”—„Op mijn woord! gij zult verwonderd staan.”En ik was het waarlijk, en wel in den hoogsten graad, toen mijn vriend mij in eene groote kamer gelijkvloers bragt, waar mijn neus terstond vergast werd op den reuk van eene aanzienelijke menigte brandende bladen van deHerba Nicotiana, alias tabak, welke mij juist niet de alleraangenaamste gewaarwording veroorzaakte. Ook konden mijne oogen geenszins op het vrolijke gezigt roemen; want, voor zoo verre ik door de wolken van damp en rook kon gluren, zag ik in het lange, tegen den muur, achttien of twintig tafels geplaatst, waarop eenige koppen, glazen en bierpinten stonden, allen even vuil en bewalmd: trouwens, het was zaturdag. Maar mijne ooren hadden daarentegen gene reden, om zich te beklagen; want het was zoo stil, dat men eene vlieg met de vleugels zou hebben kunnen hooren klappen. Ieder hield zich namelijk zeer ernstig bezig met het oogmerk, hetwelk hem herwaarts had gevoerd; en het woord—jongen!dat, van tijd tot tijd, door den een’ of ander’, die iets wilde hebben, geroepenwerd, was bijna het eenigste geluid, dat zich in dit verblijf der stilzwijgendheid deed hooren. Wat der tong betreft, hierover zullen wij nader spreken.Intusschen moet gij u geenszins verbeelden, waarde lezer! hier een aardig bekje van een meisje in een fraai en welgeschikt kantoortje te zien zitten, een meisje, dat zich gedurig bezig houdt met u met hare poezelige en malsche handjes een kop koffij in te schenken, een glaslimonadeof iets dergelijks gereed te maken. O neen, niets van dit alles! Beurtelings komt een morsige jongen of knecht, of eene slordige meid in dit aardsche paradijs te voorschijn, om de klanten te bedienen en het geld te ontvangen. Ook hadden beiden de handen vol. Al de tafels waren bezet, eene eenige uitgezonderd, waarvan wij ons terstond meester maakten. Middelerwijl de jongen onze koffij zettede, liet ik mijne oogen de monstering doen over het gezelschap, waarvan wij thans de eer hadden leden te zijn. Aan mijne linker hand zat een man van middelbare jaren, wettig houder en eigenaar van enen buik, wiens omvang..... Basta! in een der vorige hoofdstukken heb ik mijnen lezers reeds gezegd, dat ik geen liefhebber van beschrijven ben—wiens omvang—ik dus instatu quozal laten.Het mondje van mijnen buurman raakte, bij de opening, ter wederzijde met de hoeken van de beide lippen, bijna tot aan zijne oorlapjes, en door deze opening wierp hij, slag op slag, in den afgrond van zijne keel groote brokken vleesch en aardappelen, zoo ten naastenbij als in de pakhuizen der Hollandsche kooplieden de Edammer roodkorstjes geschoten worden. Mijn buurtje ter regterzijde was nog een jong man, deftig in het zwart gekleed, doch wiens rok, zeker luchtigheidshalve, geheel van de wol was ontbloot, zoo dat men op denzelven gemakkelijk de draden kon tellen: ook kon men geenszins zeggen, dat zijn gezigt in het kruis was; want, bij mijne vlugtige beschouwing, rekende ik twee lengten op eene breedte: hij was namelijk vrij lang, maar zoo dun en mager, dat men hem gemakkelijk achter eene kagchelpijp zou hebben kunnen verbergen; in één woord, men zou hem, bij verzinning, voor een aangekleedcadaverhebben gehouden, zoo de beenderen van zijn gezigt en handen niet waren bedekt geweest met eene soort van vale loodkleurige huid. Ook had hij geen ander onderhoud, dan met zijn pint bier vantwee pences, uit hetwelk hij, van tijd tot tijd, zeer spaarzaam een teugje nuttigde. Ja, lezer! hij dronk uit zijn pintje; verwonder u daaroverniet! De meeste Engelschen, en niet alleen de geringe volksklasse, maar zelfs de aanzienlijken drinken op deze wijze. En hebben zij wel ongelijk? Men behoeft dan immers niet te vreezen, de glazen te breken, en heeft niemand noodig, om ze te spoelen. Vlak over mij zaten drie jonge lieden met eene groote kompunchin hun midden. Ik kon nogtans geene de minste levendigheid of vrolijkheid, deze getrouwe gespelen der jeugd, bij hen bespeuren. Zij bleven integendeel ernstig, koel en afgetrokken, zonder een enkel woord te spreken, en hadden het voorkomen van te zeggen of ten minste te denken: „laat ons drinken! wat kunnen wij beter doen?”—Naast hen aan de eene zijde zat een groot man met een gevlamd en gekarbonkeld gelaat, wiens oogen zich, van tijd tot tijd, schenen te willen sluiten, en die zich beurtelings bezig hield met herhaalde ladingen snuif in zijne wijde neusgaten te stoppen, en zijne keel met een glaasje port-wijn te bevochtigen, terwijl hij telkens, als hij inschonk, de flesch tegen de kaars hield, om te zien, op welke hoogte zij zich bevond, vol angst en vrees van den ledigen bodem al te spoedig te zullen ontdekken. Aan den anderen kant zat een man, in eenen overrok, met een pakje voor zich op tafel, die ik zeker voorondersteldedat hier eene bijeenkomst bepaald had; wijl hij zoo zorgvuldig ieder oogenblik op zijn horologie zag, en die in zijn thee, waarin hij juist zoo veel melk schonk, als noodig was, om ze even van kleur te doen veranderen, gedurig een stuk brood met eene hand dik boter besmeerd sopte, welke door de aantrekkingskracht der warmte van de thee, daarin opgelost, derzelver geheele oppervlakte met eene zoo vette korst bedekte, dat het een lust was, om te zien.Drie anderen, met blaauwe buisjes en lange broeken van dezelfde kleur, naar het uiterlijke voorkomen, matrozen, zaten achter in de koffijkamer: het waren voornamelijk zij, die met de pijp in den mond zich belastten, met het vertrek te parfumeren. Ieder had een glasgin(jenever) voor zich op tafel; en zoodra dat glas ledig was, werd de knecht gefloten, ten teeken, dat hij eenen nieuwen voorraad moest bezorgen.Naast dezen zat een ander man, wiens overschot van een brood en een half geledigd pintje aankondigde, dat hij ten halven maaltijd was. Inderdaad, naauwelijks hadden wij plaats genomen, of de knecht zettede eeneplumb-puddingvoor hem neder, die nog warm scheen; de goede vriend was zoodanig verdiept inhet lezen van deMorning-Chronicle, dat hij de aankomst van het geliefde geregt nog niet gemerkt had, toen wij het koffijhuis weder verlieten.Een man, met een niet gunstig voorkomen, zat alleen aan eene andere tafel: hij gebruikte niets, maar zijne oogen vestigden zich afwisselend op al de tafels, en twee lange ooren, welkeMidaszelven niet zouden ontluisterd hebben, schenen zich te spitsen, om des te beter ieder woord, dat gesproken werd, te hooren. Ik hield hem voor een’ dier eerlijke lieden, welke men in alle landen aantreft, en wier beroep is, aan de deuren te luisteren, door de vensters en ramen te zien, en hunne ooren tegen de sleutelgaten te plaatsen, en die, den ganschen dag niets gehoord noch gezien hebbende, zich des avonds nogtans door een fraaij verhaal verdienstelijk zoeken te maken, wanneer zij, bij gebrek van te kunnen kwaadspreken, uit al hun vermogen beginnen te liegen.Juist wilde ik de monstering over de andere tafels vervolgen, toen ons de bestelde koffij werd gebragt. Men is, helaas! al te genegen, zijne naasten te vergeten, wanneer het er op aankomt, aan zich zelven te denken. Een rijkelijk gevulde suikerpot, twee kopjes, eenzeer klein melkkannetje, slechts half vol, en eene vervaarlijke koffijkan, die inFrankrijkvoor acht liefhebbers voldoende zou geweest zijn, was de stoffering van het blaadje, dat men voor ons nederzettede. Hier valt mij de spreuk van eenen zekeren lekkertand te binnen, dat de koffij, om goed te zijn, drie bijzondere eigenschappen moet bezitten, te weten, klaar, sterk en heet. Terstond ontwaarde ik, bij het inschenken, dat deze troebel en laauw was, en mijne neusgaten zochten vergeefs den lekkeren geur op te snuiven, welken de wasem der echtemokka-bonen hun aanbiedt, en waarvan ten minste eenig spoor ook in de slechtste koffij gevonden wordt. Ik zettede dus bevende het kopje aan den mond, om deszelfs inhoud te proeven; maar lieve hemel! het geleek wel een apothekersdrankje, een smaak alsrhabarber, waaraan men met moeite eenige koffijlucht zou ontdekt hebben, zoo men er te voren niet van onderrigt ware geweest.—„Hier heeft zeker een misverstand plaats?” zeide ik tegen mijnen vriendC...—„In het geheel niet: de koffij, die hier gedronken wordt, is nooit anders; zelfs in geheelEngelandzult gij geene andere vinden: alleen, bij toeval, mogelijk wel een weinigje heeter.—Zult gij niet nog een kopje drinken?”—„Ik zal het waarachtig wel laten! ik pas zelfs voor dit.—Maar kan men hier ook een glas likeur krijgen, om dezen leelijken smaak af te spoelen?”—„Zonder twijfel. Wilt gijrum,gin,brandijofwhiskeij?”—„Een oogenblikje, als het u belieft: de twee eerste ken ik, maar wat zijn de twee laatste?”—„Brandijis Fransche brandewijn;Whiskeijwordt hier voor eene soort van brandewijn gehouden uit haver gestookt, en voornamelijk inSchotlandgefabriceerd.”—„Maar is er niets anders, dat wat lekkerder is, te krijgen?”—„Ha, ha! Ik zie al, wat gij hebben moet: iets zoets, niet waar? Hei daar, jongen, twee glazengrog!”—„Grog!zie daar eene benaming, welke mij niet veel goeds doet verwachten.—Maar wat is dan nu eigenlijkgrog?”—„Ik zal het u zeggen, zoodra gij het geproefd hebt.”Nu bragt men de twee glazengrog: eerst proefde ik er zeer behoedzaam van, en dronk vervolgens mijn glas met smaak ledig; wantdeze drank kwam mij zeer aangenaam voor. Mijn vriend zeide mij nu, dat het een mengsel was van rum, water en suiker, en ten gevalle van dezengrogvergat ik de slechte koffij, welke men mij had doen drinken.
VII.Het koffijhuis.„Willen wij een kop koffij gaan drinken?” vroeg mijn vriendC..., toen wij getafeld hadden en de deur uitgingen.—„Ik houd dit juist voor geene vaste gewoonte, maar het zal mij pleizier doen, de Engelsche koffijhuizen eens op te nemen.”—„Wij behoeven niet lang te zoeken; want men kan naauwelijks eenen voet verzetten, zonder er een aan te treffen, en ik geloof, dat de koffijhuizen, herbergen, logementen, gaarkeukens en kroegen hier wel een vierde van den platten grond beslaan. Maar wij zullen ons thans eens naar het voornaamste, meest bezochtste koffijhuis begeven. Wat gij er u ook van moogt verbeelden, uwe verwachting zult gij nog altijd overtroffen zien.”—„Daar gij reeds sinds vijf en twintig jaren uitParijszijt, kunt gij u geen denkbeeld vormen van den tegenwoordigen luister, levendigheid en pracht van onze koffijhuizen. Ik zal mij dus, zonder twijfel, ten hoogsteverwonderen, indien gij er mij een kunt laten zien, dat fraaijer, sierlijker en woeliger is, dan de onzen.”—„Op mijn woord! gij zult verwonderd staan.”En ik was het waarlijk, en wel in den hoogsten graad, toen mijn vriend mij in eene groote kamer gelijkvloers bragt, waar mijn neus terstond vergast werd op den reuk van eene aanzienelijke menigte brandende bladen van deHerba Nicotiana, alias tabak, welke mij juist niet de alleraangenaamste gewaarwording veroorzaakte. Ook konden mijne oogen geenszins op het vrolijke gezigt roemen; want, voor zoo verre ik door de wolken van damp en rook kon gluren, zag ik in het lange, tegen den muur, achttien of twintig tafels geplaatst, waarop eenige koppen, glazen en bierpinten stonden, allen even vuil en bewalmd: trouwens, het was zaturdag. Maar mijne ooren hadden daarentegen gene reden, om zich te beklagen; want het was zoo stil, dat men eene vlieg met de vleugels zou hebben kunnen hooren klappen. Ieder hield zich namelijk zeer ernstig bezig met het oogmerk, hetwelk hem herwaarts had gevoerd; en het woord—jongen!dat, van tijd tot tijd, door den een’ of ander’, die iets wilde hebben, geroepenwerd, was bijna het eenigste geluid, dat zich in dit verblijf der stilzwijgendheid deed hooren. Wat der tong betreft, hierover zullen wij nader spreken.Intusschen moet gij u geenszins verbeelden, waarde lezer! hier een aardig bekje van een meisje in een fraai en welgeschikt kantoortje te zien zitten, een meisje, dat zich gedurig bezig houdt met u met hare poezelige en malsche handjes een kop koffij in te schenken, een glaslimonadeof iets dergelijks gereed te maken. O neen, niets van dit alles! Beurtelings komt een morsige jongen of knecht, of eene slordige meid in dit aardsche paradijs te voorschijn, om de klanten te bedienen en het geld te ontvangen. Ook hadden beiden de handen vol. Al de tafels waren bezet, eene eenige uitgezonderd, waarvan wij ons terstond meester maakten. Middelerwijl de jongen onze koffij zettede, liet ik mijne oogen de monstering doen over het gezelschap, waarvan wij thans de eer hadden leden te zijn. Aan mijne linker hand zat een man van middelbare jaren, wettig houder en eigenaar van enen buik, wiens omvang..... Basta! in een der vorige hoofdstukken heb ik mijnen lezers reeds gezegd, dat ik geen liefhebber van beschrijven ben—wiens omvang—ik dus instatu quozal laten.Het mondje van mijnen buurman raakte, bij de opening, ter wederzijde met de hoeken van de beide lippen, bijna tot aan zijne oorlapjes, en door deze opening wierp hij, slag op slag, in den afgrond van zijne keel groote brokken vleesch en aardappelen, zoo ten naastenbij als in de pakhuizen der Hollandsche kooplieden de Edammer roodkorstjes geschoten worden. Mijn buurtje ter regterzijde was nog een jong man, deftig in het zwart gekleed, doch wiens rok, zeker luchtigheidshalve, geheel van de wol was ontbloot, zoo dat men op denzelven gemakkelijk de draden kon tellen: ook kon men geenszins zeggen, dat zijn gezigt in het kruis was; want, bij mijne vlugtige beschouwing, rekende ik twee lengten op eene breedte: hij was namelijk vrij lang, maar zoo dun en mager, dat men hem gemakkelijk achter eene kagchelpijp zou hebben kunnen verbergen; in één woord, men zou hem, bij verzinning, voor een aangekleedcadaverhebben gehouden, zoo de beenderen van zijn gezigt en handen niet waren bedekt geweest met eene soort van vale loodkleurige huid. Ook had hij geen ander onderhoud, dan met zijn pint bier vantwee pences, uit hetwelk hij, van tijd tot tijd, zeer spaarzaam een teugje nuttigde. Ja, lezer! hij dronk uit zijn pintje; verwonder u daaroverniet! De meeste Engelschen, en niet alleen de geringe volksklasse, maar zelfs de aanzienlijken drinken op deze wijze. En hebben zij wel ongelijk? Men behoeft dan immers niet te vreezen, de glazen te breken, en heeft niemand noodig, om ze te spoelen. Vlak over mij zaten drie jonge lieden met eene groote kompunchin hun midden. Ik kon nogtans geene de minste levendigheid of vrolijkheid, deze getrouwe gespelen der jeugd, bij hen bespeuren. Zij bleven integendeel ernstig, koel en afgetrokken, zonder een enkel woord te spreken, en hadden het voorkomen van te zeggen of ten minste te denken: „laat ons drinken! wat kunnen wij beter doen?”—Naast hen aan de eene zijde zat een groot man met een gevlamd en gekarbonkeld gelaat, wiens oogen zich, van tijd tot tijd, schenen te willen sluiten, en die zich beurtelings bezig hield met herhaalde ladingen snuif in zijne wijde neusgaten te stoppen, en zijne keel met een glaasje port-wijn te bevochtigen, terwijl hij telkens, als hij inschonk, de flesch tegen de kaars hield, om te zien, op welke hoogte zij zich bevond, vol angst en vrees van den ledigen bodem al te spoedig te zullen ontdekken. Aan den anderen kant zat een man, in eenen overrok, met een pakje voor zich op tafel, die ik zeker voorondersteldedat hier eene bijeenkomst bepaald had; wijl hij zoo zorgvuldig ieder oogenblik op zijn horologie zag, en die in zijn thee, waarin hij juist zoo veel melk schonk, als noodig was, om ze even van kleur te doen veranderen, gedurig een stuk brood met eene hand dik boter besmeerd sopte, welke door de aantrekkingskracht der warmte van de thee, daarin opgelost, derzelver geheele oppervlakte met eene zoo vette korst bedekte, dat het een lust was, om te zien.Drie anderen, met blaauwe buisjes en lange broeken van dezelfde kleur, naar het uiterlijke voorkomen, matrozen, zaten achter in de koffijkamer: het waren voornamelijk zij, die met de pijp in den mond zich belastten, met het vertrek te parfumeren. Ieder had een glasgin(jenever) voor zich op tafel; en zoodra dat glas ledig was, werd de knecht gefloten, ten teeken, dat hij eenen nieuwen voorraad moest bezorgen.Naast dezen zat een ander man, wiens overschot van een brood en een half geledigd pintje aankondigde, dat hij ten halven maaltijd was. Inderdaad, naauwelijks hadden wij plaats genomen, of de knecht zettede eeneplumb-puddingvoor hem neder, die nog warm scheen; de goede vriend was zoodanig verdiept inhet lezen van deMorning-Chronicle, dat hij de aankomst van het geliefde geregt nog niet gemerkt had, toen wij het koffijhuis weder verlieten.Een man, met een niet gunstig voorkomen, zat alleen aan eene andere tafel: hij gebruikte niets, maar zijne oogen vestigden zich afwisselend op al de tafels, en twee lange ooren, welkeMidaszelven niet zouden ontluisterd hebben, schenen zich te spitsen, om des te beter ieder woord, dat gesproken werd, te hooren. Ik hield hem voor een’ dier eerlijke lieden, welke men in alle landen aantreft, en wier beroep is, aan de deuren te luisteren, door de vensters en ramen te zien, en hunne ooren tegen de sleutelgaten te plaatsen, en die, den ganschen dag niets gehoord noch gezien hebbende, zich des avonds nogtans door een fraaij verhaal verdienstelijk zoeken te maken, wanneer zij, bij gebrek van te kunnen kwaadspreken, uit al hun vermogen beginnen te liegen.Juist wilde ik de monstering over de andere tafels vervolgen, toen ons de bestelde koffij werd gebragt. Men is, helaas! al te genegen, zijne naasten te vergeten, wanneer het er op aankomt, aan zich zelven te denken. Een rijkelijk gevulde suikerpot, twee kopjes, eenzeer klein melkkannetje, slechts half vol, en eene vervaarlijke koffijkan, die inFrankrijkvoor acht liefhebbers voldoende zou geweest zijn, was de stoffering van het blaadje, dat men voor ons nederzettede. Hier valt mij de spreuk van eenen zekeren lekkertand te binnen, dat de koffij, om goed te zijn, drie bijzondere eigenschappen moet bezitten, te weten, klaar, sterk en heet. Terstond ontwaarde ik, bij het inschenken, dat deze troebel en laauw was, en mijne neusgaten zochten vergeefs den lekkeren geur op te snuiven, welken de wasem der echtemokka-bonen hun aanbiedt, en waarvan ten minste eenig spoor ook in de slechtste koffij gevonden wordt. Ik zettede dus bevende het kopje aan den mond, om deszelfs inhoud te proeven; maar lieve hemel! het geleek wel een apothekersdrankje, een smaak alsrhabarber, waaraan men met moeite eenige koffijlucht zou ontdekt hebben, zoo men er te voren niet van onderrigt ware geweest.—„Hier heeft zeker een misverstand plaats?” zeide ik tegen mijnen vriendC...—„In het geheel niet: de koffij, die hier gedronken wordt, is nooit anders; zelfs in geheelEngelandzult gij geene andere vinden: alleen, bij toeval, mogelijk wel een weinigje heeter.—Zult gij niet nog een kopje drinken?”—„Ik zal het waarachtig wel laten! ik pas zelfs voor dit.—Maar kan men hier ook een glas likeur krijgen, om dezen leelijken smaak af te spoelen?”—„Zonder twijfel. Wilt gijrum,gin,brandijofwhiskeij?”—„Een oogenblikje, als het u belieft: de twee eerste ken ik, maar wat zijn de twee laatste?”—„Brandijis Fransche brandewijn;Whiskeijwordt hier voor eene soort van brandewijn gehouden uit haver gestookt, en voornamelijk inSchotlandgefabriceerd.”—„Maar is er niets anders, dat wat lekkerder is, te krijgen?”—„Ha, ha! Ik zie al, wat gij hebben moet: iets zoets, niet waar? Hei daar, jongen, twee glazengrog!”—„Grog!zie daar eene benaming, welke mij niet veel goeds doet verwachten.—Maar wat is dan nu eigenlijkgrog?”—„Ik zal het u zeggen, zoodra gij het geproefd hebt.”Nu bragt men de twee glazengrog: eerst proefde ik er zeer behoedzaam van, en dronk vervolgens mijn glas met smaak ledig; wantdeze drank kwam mij zeer aangenaam voor. Mijn vriend zeide mij nu, dat het een mengsel was van rum, water en suiker, en ten gevalle van dezengrogvergat ik de slechte koffij, welke men mij had doen drinken.
VII.Het koffijhuis.
„Willen wij een kop koffij gaan drinken?” vroeg mijn vriendC..., toen wij getafeld hadden en de deur uitgingen.—„Ik houd dit juist voor geene vaste gewoonte, maar het zal mij pleizier doen, de Engelsche koffijhuizen eens op te nemen.”—„Wij behoeven niet lang te zoeken; want men kan naauwelijks eenen voet verzetten, zonder er een aan te treffen, en ik geloof, dat de koffijhuizen, herbergen, logementen, gaarkeukens en kroegen hier wel een vierde van den platten grond beslaan. Maar wij zullen ons thans eens naar het voornaamste, meest bezochtste koffijhuis begeven. Wat gij er u ook van moogt verbeelden, uwe verwachting zult gij nog altijd overtroffen zien.”—„Daar gij reeds sinds vijf en twintig jaren uitParijszijt, kunt gij u geen denkbeeld vormen van den tegenwoordigen luister, levendigheid en pracht van onze koffijhuizen. Ik zal mij dus, zonder twijfel, ten hoogsteverwonderen, indien gij er mij een kunt laten zien, dat fraaijer, sierlijker en woeliger is, dan de onzen.”—„Op mijn woord! gij zult verwonderd staan.”En ik was het waarlijk, en wel in den hoogsten graad, toen mijn vriend mij in eene groote kamer gelijkvloers bragt, waar mijn neus terstond vergast werd op den reuk van eene aanzienelijke menigte brandende bladen van deHerba Nicotiana, alias tabak, welke mij juist niet de alleraangenaamste gewaarwording veroorzaakte. Ook konden mijne oogen geenszins op het vrolijke gezigt roemen; want, voor zoo verre ik door de wolken van damp en rook kon gluren, zag ik in het lange, tegen den muur, achttien of twintig tafels geplaatst, waarop eenige koppen, glazen en bierpinten stonden, allen even vuil en bewalmd: trouwens, het was zaturdag. Maar mijne ooren hadden daarentegen gene reden, om zich te beklagen; want het was zoo stil, dat men eene vlieg met de vleugels zou hebben kunnen hooren klappen. Ieder hield zich namelijk zeer ernstig bezig met het oogmerk, hetwelk hem herwaarts had gevoerd; en het woord—jongen!dat, van tijd tot tijd, door den een’ of ander’, die iets wilde hebben, geroepenwerd, was bijna het eenigste geluid, dat zich in dit verblijf der stilzwijgendheid deed hooren. Wat der tong betreft, hierover zullen wij nader spreken.Intusschen moet gij u geenszins verbeelden, waarde lezer! hier een aardig bekje van een meisje in een fraai en welgeschikt kantoortje te zien zitten, een meisje, dat zich gedurig bezig houdt met u met hare poezelige en malsche handjes een kop koffij in te schenken, een glaslimonadeof iets dergelijks gereed te maken. O neen, niets van dit alles! Beurtelings komt een morsige jongen of knecht, of eene slordige meid in dit aardsche paradijs te voorschijn, om de klanten te bedienen en het geld te ontvangen. Ook hadden beiden de handen vol. Al de tafels waren bezet, eene eenige uitgezonderd, waarvan wij ons terstond meester maakten. Middelerwijl de jongen onze koffij zettede, liet ik mijne oogen de monstering doen over het gezelschap, waarvan wij thans de eer hadden leden te zijn. Aan mijne linker hand zat een man van middelbare jaren, wettig houder en eigenaar van enen buik, wiens omvang..... Basta! in een der vorige hoofdstukken heb ik mijnen lezers reeds gezegd, dat ik geen liefhebber van beschrijven ben—wiens omvang—ik dus instatu quozal laten.Het mondje van mijnen buurman raakte, bij de opening, ter wederzijde met de hoeken van de beide lippen, bijna tot aan zijne oorlapjes, en door deze opening wierp hij, slag op slag, in den afgrond van zijne keel groote brokken vleesch en aardappelen, zoo ten naastenbij als in de pakhuizen der Hollandsche kooplieden de Edammer roodkorstjes geschoten worden. Mijn buurtje ter regterzijde was nog een jong man, deftig in het zwart gekleed, doch wiens rok, zeker luchtigheidshalve, geheel van de wol was ontbloot, zoo dat men op denzelven gemakkelijk de draden kon tellen: ook kon men geenszins zeggen, dat zijn gezigt in het kruis was; want, bij mijne vlugtige beschouwing, rekende ik twee lengten op eene breedte: hij was namelijk vrij lang, maar zoo dun en mager, dat men hem gemakkelijk achter eene kagchelpijp zou hebben kunnen verbergen; in één woord, men zou hem, bij verzinning, voor een aangekleedcadaverhebben gehouden, zoo de beenderen van zijn gezigt en handen niet waren bedekt geweest met eene soort van vale loodkleurige huid. Ook had hij geen ander onderhoud, dan met zijn pint bier vantwee pences, uit hetwelk hij, van tijd tot tijd, zeer spaarzaam een teugje nuttigde. Ja, lezer! hij dronk uit zijn pintje; verwonder u daaroverniet! De meeste Engelschen, en niet alleen de geringe volksklasse, maar zelfs de aanzienlijken drinken op deze wijze. En hebben zij wel ongelijk? Men behoeft dan immers niet te vreezen, de glazen te breken, en heeft niemand noodig, om ze te spoelen. Vlak over mij zaten drie jonge lieden met eene groote kompunchin hun midden. Ik kon nogtans geene de minste levendigheid of vrolijkheid, deze getrouwe gespelen der jeugd, bij hen bespeuren. Zij bleven integendeel ernstig, koel en afgetrokken, zonder een enkel woord te spreken, en hadden het voorkomen van te zeggen of ten minste te denken: „laat ons drinken! wat kunnen wij beter doen?”—Naast hen aan de eene zijde zat een groot man met een gevlamd en gekarbonkeld gelaat, wiens oogen zich, van tijd tot tijd, schenen te willen sluiten, en die zich beurtelings bezig hield met herhaalde ladingen snuif in zijne wijde neusgaten te stoppen, en zijne keel met een glaasje port-wijn te bevochtigen, terwijl hij telkens, als hij inschonk, de flesch tegen de kaars hield, om te zien, op welke hoogte zij zich bevond, vol angst en vrees van den ledigen bodem al te spoedig te zullen ontdekken. Aan den anderen kant zat een man, in eenen overrok, met een pakje voor zich op tafel, die ik zeker voorondersteldedat hier eene bijeenkomst bepaald had; wijl hij zoo zorgvuldig ieder oogenblik op zijn horologie zag, en die in zijn thee, waarin hij juist zoo veel melk schonk, als noodig was, om ze even van kleur te doen veranderen, gedurig een stuk brood met eene hand dik boter besmeerd sopte, welke door de aantrekkingskracht der warmte van de thee, daarin opgelost, derzelver geheele oppervlakte met eene zoo vette korst bedekte, dat het een lust was, om te zien.Drie anderen, met blaauwe buisjes en lange broeken van dezelfde kleur, naar het uiterlijke voorkomen, matrozen, zaten achter in de koffijkamer: het waren voornamelijk zij, die met de pijp in den mond zich belastten, met het vertrek te parfumeren. Ieder had een glasgin(jenever) voor zich op tafel; en zoodra dat glas ledig was, werd de knecht gefloten, ten teeken, dat hij eenen nieuwen voorraad moest bezorgen.Naast dezen zat een ander man, wiens overschot van een brood en een half geledigd pintje aankondigde, dat hij ten halven maaltijd was. Inderdaad, naauwelijks hadden wij plaats genomen, of de knecht zettede eeneplumb-puddingvoor hem neder, die nog warm scheen; de goede vriend was zoodanig verdiept inhet lezen van deMorning-Chronicle, dat hij de aankomst van het geliefde geregt nog niet gemerkt had, toen wij het koffijhuis weder verlieten.Een man, met een niet gunstig voorkomen, zat alleen aan eene andere tafel: hij gebruikte niets, maar zijne oogen vestigden zich afwisselend op al de tafels, en twee lange ooren, welkeMidaszelven niet zouden ontluisterd hebben, schenen zich te spitsen, om des te beter ieder woord, dat gesproken werd, te hooren. Ik hield hem voor een’ dier eerlijke lieden, welke men in alle landen aantreft, en wier beroep is, aan de deuren te luisteren, door de vensters en ramen te zien, en hunne ooren tegen de sleutelgaten te plaatsen, en die, den ganschen dag niets gehoord noch gezien hebbende, zich des avonds nogtans door een fraaij verhaal verdienstelijk zoeken te maken, wanneer zij, bij gebrek van te kunnen kwaadspreken, uit al hun vermogen beginnen te liegen.Juist wilde ik de monstering over de andere tafels vervolgen, toen ons de bestelde koffij werd gebragt. Men is, helaas! al te genegen, zijne naasten te vergeten, wanneer het er op aankomt, aan zich zelven te denken. Een rijkelijk gevulde suikerpot, twee kopjes, eenzeer klein melkkannetje, slechts half vol, en eene vervaarlijke koffijkan, die inFrankrijkvoor acht liefhebbers voldoende zou geweest zijn, was de stoffering van het blaadje, dat men voor ons nederzettede. Hier valt mij de spreuk van eenen zekeren lekkertand te binnen, dat de koffij, om goed te zijn, drie bijzondere eigenschappen moet bezitten, te weten, klaar, sterk en heet. Terstond ontwaarde ik, bij het inschenken, dat deze troebel en laauw was, en mijne neusgaten zochten vergeefs den lekkeren geur op te snuiven, welken de wasem der echtemokka-bonen hun aanbiedt, en waarvan ten minste eenig spoor ook in de slechtste koffij gevonden wordt. Ik zettede dus bevende het kopje aan den mond, om deszelfs inhoud te proeven; maar lieve hemel! het geleek wel een apothekersdrankje, een smaak alsrhabarber, waaraan men met moeite eenige koffijlucht zou ontdekt hebben, zoo men er te voren niet van onderrigt ware geweest.—„Hier heeft zeker een misverstand plaats?” zeide ik tegen mijnen vriendC...—„In het geheel niet: de koffij, die hier gedronken wordt, is nooit anders; zelfs in geheelEngelandzult gij geene andere vinden: alleen, bij toeval, mogelijk wel een weinigje heeter.—Zult gij niet nog een kopje drinken?”—„Ik zal het waarachtig wel laten! ik pas zelfs voor dit.—Maar kan men hier ook een glas likeur krijgen, om dezen leelijken smaak af te spoelen?”—„Zonder twijfel. Wilt gijrum,gin,brandijofwhiskeij?”—„Een oogenblikje, als het u belieft: de twee eerste ken ik, maar wat zijn de twee laatste?”—„Brandijis Fransche brandewijn;Whiskeijwordt hier voor eene soort van brandewijn gehouden uit haver gestookt, en voornamelijk inSchotlandgefabriceerd.”—„Maar is er niets anders, dat wat lekkerder is, te krijgen?”—„Ha, ha! Ik zie al, wat gij hebben moet: iets zoets, niet waar? Hei daar, jongen, twee glazengrog!”—„Grog!zie daar eene benaming, welke mij niet veel goeds doet verwachten.—Maar wat is dan nu eigenlijkgrog?”—„Ik zal het u zeggen, zoodra gij het geproefd hebt.”Nu bragt men de twee glazengrog: eerst proefde ik er zeer behoedzaam van, en dronk vervolgens mijn glas met smaak ledig; wantdeze drank kwam mij zeer aangenaam voor. Mijn vriend zeide mij nu, dat het een mengsel was van rum, water en suiker, en ten gevalle van dezengrogvergat ik de slechte koffij, welke men mij had doen drinken.
„Willen wij een kop koffij gaan drinken?” vroeg mijn vriendC..., toen wij getafeld hadden en de deur uitgingen.
—„Ik houd dit juist voor geene vaste gewoonte, maar het zal mij pleizier doen, de Engelsche koffijhuizen eens op te nemen.”
—„Wij behoeven niet lang te zoeken; want men kan naauwelijks eenen voet verzetten, zonder er een aan te treffen, en ik geloof, dat de koffijhuizen, herbergen, logementen, gaarkeukens en kroegen hier wel een vierde van den platten grond beslaan. Maar wij zullen ons thans eens naar het voornaamste, meest bezochtste koffijhuis begeven. Wat gij er u ook van moogt verbeelden, uwe verwachting zult gij nog altijd overtroffen zien.”
—„Daar gij reeds sinds vijf en twintig jaren uitParijszijt, kunt gij u geen denkbeeld vormen van den tegenwoordigen luister, levendigheid en pracht van onze koffijhuizen. Ik zal mij dus, zonder twijfel, ten hoogsteverwonderen, indien gij er mij een kunt laten zien, dat fraaijer, sierlijker en woeliger is, dan de onzen.”
—„Op mijn woord! gij zult verwonderd staan.”
En ik was het waarlijk, en wel in den hoogsten graad, toen mijn vriend mij in eene groote kamer gelijkvloers bragt, waar mijn neus terstond vergast werd op den reuk van eene aanzienelijke menigte brandende bladen van deHerba Nicotiana, alias tabak, welke mij juist niet de alleraangenaamste gewaarwording veroorzaakte. Ook konden mijne oogen geenszins op het vrolijke gezigt roemen; want, voor zoo verre ik door de wolken van damp en rook kon gluren, zag ik in het lange, tegen den muur, achttien of twintig tafels geplaatst, waarop eenige koppen, glazen en bierpinten stonden, allen even vuil en bewalmd: trouwens, het was zaturdag. Maar mijne ooren hadden daarentegen gene reden, om zich te beklagen; want het was zoo stil, dat men eene vlieg met de vleugels zou hebben kunnen hooren klappen. Ieder hield zich namelijk zeer ernstig bezig met het oogmerk, hetwelk hem herwaarts had gevoerd; en het woord—jongen!dat, van tijd tot tijd, door den een’ of ander’, die iets wilde hebben, geroepenwerd, was bijna het eenigste geluid, dat zich in dit verblijf der stilzwijgendheid deed hooren. Wat der tong betreft, hierover zullen wij nader spreken.
Intusschen moet gij u geenszins verbeelden, waarde lezer! hier een aardig bekje van een meisje in een fraai en welgeschikt kantoortje te zien zitten, een meisje, dat zich gedurig bezig houdt met u met hare poezelige en malsche handjes een kop koffij in te schenken, een glaslimonadeof iets dergelijks gereed te maken. O neen, niets van dit alles! Beurtelings komt een morsige jongen of knecht, of eene slordige meid in dit aardsche paradijs te voorschijn, om de klanten te bedienen en het geld te ontvangen. Ook hadden beiden de handen vol. Al de tafels waren bezet, eene eenige uitgezonderd, waarvan wij ons terstond meester maakten. Middelerwijl de jongen onze koffij zettede, liet ik mijne oogen de monstering doen over het gezelschap, waarvan wij thans de eer hadden leden te zijn. Aan mijne linker hand zat een man van middelbare jaren, wettig houder en eigenaar van enen buik, wiens omvang..... Basta! in een der vorige hoofdstukken heb ik mijnen lezers reeds gezegd, dat ik geen liefhebber van beschrijven ben—wiens omvang—ik dus instatu quozal laten.Het mondje van mijnen buurman raakte, bij de opening, ter wederzijde met de hoeken van de beide lippen, bijna tot aan zijne oorlapjes, en door deze opening wierp hij, slag op slag, in den afgrond van zijne keel groote brokken vleesch en aardappelen, zoo ten naastenbij als in de pakhuizen der Hollandsche kooplieden de Edammer roodkorstjes geschoten worden. Mijn buurtje ter regterzijde was nog een jong man, deftig in het zwart gekleed, doch wiens rok, zeker luchtigheidshalve, geheel van de wol was ontbloot, zoo dat men op denzelven gemakkelijk de draden kon tellen: ook kon men geenszins zeggen, dat zijn gezigt in het kruis was; want, bij mijne vlugtige beschouwing, rekende ik twee lengten op eene breedte: hij was namelijk vrij lang, maar zoo dun en mager, dat men hem gemakkelijk achter eene kagchelpijp zou hebben kunnen verbergen; in één woord, men zou hem, bij verzinning, voor een aangekleedcadaverhebben gehouden, zoo de beenderen van zijn gezigt en handen niet waren bedekt geweest met eene soort van vale loodkleurige huid. Ook had hij geen ander onderhoud, dan met zijn pint bier vantwee pences, uit hetwelk hij, van tijd tot tijd, zeer spaarzaam een teugje nuttigde. Ja, lezer! hij dronk uit zijn pintje; verwonder u daaroverniet! De meeste Engelschen, en niet alleen de geringe volksklasse, maar zelfs de aanzienlijken drinken op deze wijze. En hebben zij wel ongelijk? Men behoeft dan immers niet te vreezen, de glazen te breken, en heeft niemand noodig, om ze te spoelen. Vlak over mij zaten drie jonge lieden met eene groote kompunchin hun midden. Ik kon nogtans geene de minste levendigheid of vrolijkheid, deze getrouwe gespelen der jeugd, bij hen bespeuren. Zij bleven integendeel ernstig, koel en afgetrokken, zonder een enkel woord te spreken, en hadden het voorkomen van te zeggen of ten minste te denken: „laat ons drinken! wat kunnen wij beter doen?”—Naast hen aan de eene zijde zat een groot man met een gevlamd en gekarbonkeld gelaat, wiens oogen zich, van tijd tot tijd, schenen te willen sluiten, en die zich beurtelings bezig hield met herhaalde ladingen snuif in zijne wijde neusgaten te stoppen, en zijne keel met een glaasje port-wijn te bevochtigen, terwijl hij telkens, als hij inschonk, de flesch tegen de kaars hield, om te zien, op welke hoogte zij zich bevond, vol angst en vrees van den ledigen bodem al te spoedig te zullen ontdekken. Aan den anderen kant zat een man, in eenen overrok, met een pakje voor zich op tafel, die ik zeker voorondersteldedat hier eene bijeenkomst bepaald had; wijl hij zoo zorgvuldig ieder oogenblik op zijn horologie zag, en die in zijn thee, waarin hij juist zoo veel melk schonk, als noodig was, om ze even van kleur te doen veranderen, gedurig een stuk brood met eene hand dik boter besmeerd sopte, welke door de aantrekkingskracht der warmte van de thee, daarin opgelost, derzelver geheele oppervlakte met eene zoo vette korst bedekte, dat het een lust was, om te zien.
Drie anderen, met blaauwe buisjes en lange broeken van dezelfde kleur, naar het uiterlijke voorkomen, matrozen, zaten achter in de koffijkamer: het waren voornamelijk zij, die met de pijp in den mond zich belastten, met het vertrek te parfumeren. Ieder had een glasgin(jenever) voor zich op tafel; en zoodra dat glas ledig was, werd de knecht gefloten, ten teeken, dat hij eenen nieuwen voorraad moest bezorgen.
Naast dezen zat een ander man, wiens overschot van een brood en een half geledigd pintje aankondigde, dat hij ten halven maaltijd was. Inderdaad, naauwelijks hadden wij plaats genomen, of de knecht zettede eeneplumb-puddingvoor hem neder, die nog warm scheen; de goede vriend was zoodanig verdiept inhet lezen van deMorning-Chronicle, dat hij de aankomst van het geliefde geregt nog niet gemerkt had, toen wij het koffijhuis weder verlieten.
Een man, met een niet gunstig voorkomen, zat alleen aan eene andere tafel: hij gebruikte niets, maar zijne oogen vestigden zich afwisselend op al de tafels, en twee lange ooren, welkeMidaszelven niet zouden ontluisterd hebben, schenen zich te spitsen, om des te beter ieder woord, dat gesproken werd, te hooren. Ik hield hem voor een’ dier eerlijke lieden, welke men in alle landen aantreft, en wier beroep is, aan de deuren te luisteren, door de vensters en ramen te zien, en hunne ooren tegen de sleutelgaten te plaatsen, en die, den ganschen dag niets gehoord noch gezien hebbende, zich des avonds nogtans door een fraaij verhaal verdienstelijk zoeken te maken, wanneer zij, bij gebrek van te kunnen kwaadspreken, uit al hun vermogen beginnen te liegen.
Juist wilde ik de monstering over de andere tafels vervolgen, toen ons de bestelde koffij werd gebragt. Men is, helaas! al te genegen, zijne naasten te vergeten, wanneer het er op aankomt, aan zich zelven te denken. Een rijkelijk gevulde suikerpot, twee kopjes, eenzeer klein melkkannetje, slechts half vol, en eene vervaarlijke koffijkan, die inFrankrijkvoor acht liefhebbers voldoende zou geweest zijn, was de stoffering van het blaadje, dat men voor ons nederzettede. Hier valt mij de spreuk van eenen zekeren lekkertand te binnen, dat de koffij, om goed te zijn, drie bijzondere eigenschappen moet bezitten, te weten, klaar, sterk en heet. Terstond ontwaarde ik, bij het inschenken, dat deze troebel en laauw was, en mijne neusgaten zochten vergeefs den lekkeren geur op te snuiven, welken de wasem der echtemokka-bonen hun aanbiedt, en waarvan ten minste eenig spoor ook in de slechtste koffij gevonden wordt. Ik zettede dus bevende het kopje aan den mond, om deszelfs inhoud te proeven; maar lieve hemel! het geleek wel een apothekersdrankje, een smaak alsrhabarber, waaraan men met moeite eenige koffijlucht zou ontdekt hebben, zoo men er te voren niet van onderrigt ware geweest.
—„Hier heeft zeker een misverstand plaats?” zeide ik tegen mijnen vriendC...
—„In het geheel niet: de koffij, die hier gedronken wordt, is nooit anders; zelfs in geheelEngelandzult gij geene andere vinden: alleen, bij toeval, mogelijk wel een weinigje heeter.—Zult gij niet nog een kopje drinken?”
—„Ik zal het waarachtig wel laten! ik pas zelfs voor dit.—Maar kan men hier ook een glas likeur krijgen, om dezen leelijken smaak af te spoelen?”
—„Zonder twijfel. Wilt gijrum,gin,brandijofwhiskeij?”
—„Een oogenblikje, als het u belieft: de twee eerste ken ik, maar wat zijn de twee laatste?”
—„Brandijis Fransche brandewijn;Whiskeijwordt hier voor eene soort van brandewijn gehouden uit haver gestookt, en voornamelijk inSchotlandgefabriceerd.”
—„Maar is er niets anders, dat wat lekkerder is, te krijgen?”
—„Ha, ha! Ik zie al, wat gij hebben moet: iets zoets, niet waar? Hei daar, jongen, twee glazengrog!”
—„Grog!zie daar eene benaming, welke mij niet veel goeds doet verwachten.—Maar wat is dan nu eigenlijkgrog?”
—„Ik zal het u zeggen, zoodra gij het geproefd hebt.”
Nu bragt men de twee glazengrog: eerst proefde ik er zeer behoedzaam van, en dronk vervolgens mijn glas met smaak ledig; wantdeze drank kwam mij zeer aangenaam voor. Mijn vriend zeide mij nu, dat het een mengsel was van rum, water en suiker, en ten gevalle van dezengrogvergat ik de slechte koffij, welke men mij had doen drinken.