XII.De straten en huizen.„Welke is de naaste weg naarPortland-street?”Dit was de vraag, welke ik alle dagen deed, als ik tot mijnent terug wilde keeren. Echter deed ik dezelve nooit aan hen, die ik op den weg ontmoette; wijl men reeds meermalen het kwaadaardig vermaak genoten had, van mij eenen geheel anderen koers op te geven; maar altijd vroeg ik in den eenen of anderen winkel, waar ik ook altijd te dezen opzigte zeer vriendelijk en welwillend ben behandeld geworden. Overigens was ik den weg niet kundiger bij mijn vertrek, dan bij mijne aankomst.Hierover moet men zich geenszins verwonderen; want op de straten vanLondenkan men het gezegde vanOvidius, wegens de Zee-Nijmphen, toepasselijk maken....... Facies non omnibus una,„Non diversa tamen, qualem decet esse sororum.”Zij zijn allen lang, regt en breed, met eenvoetpad op zijde, en de huizen alle gelijkvormig gebouwd. Ook vindt men op alle hoeken winkels of kassen, welke ieder in hunne soort geene verschillendheid aan het gezigt opleveren. De muren schijnen met eene vale, doffe kleur bestreken, hetwelk geenszins het gevolg der kunst is; maar welke kleur zij zeer spoedig aannemen, ten gevolge van de aldaar niet zeldzame dikke nevels en den zwarten kolendamp, waarop de geheele stad, ten minste negen maanden van het jaar, gastvrij onthaald wordt. Voeg hier nog bij, dat de namen der straten, alhoewel op bordjes met zeer groote letters geschreven, meestal onleesbaar zijn; wijl dezelfde damp, welke zicht aan de muren hecht, ook hen met dezen klevenden walm bezoedelt. Des avonds vooral is het volstrekt onmogelijk, die namen te lezen; wijl de wijze, waarop de straten teLondenverlicht zijn, nergens anders toe schijnt te dienen, dan om, zoo alsMiltonzich te regt uitdrukt, deduisternis zigtbaarte maken.Ik zal echter niet zeggen, dat er gebrek is aan lantaarns; doch geenszins kan ik er het woordlichtendebijvoegen. Van vijftien tot zestien schreden zijn de straten aan weerszijden er mede voorzien; en zij hangen in het lange bezijden het voetpad aan ijzeren staven; maar het licht, datzij van zich geven, is zoo gering, en verspreidt zoo weinig helderheid, dat men het zeer gevoegelijk bij het afschijnsel dier insecten kan vergelijken, welke in eenen donkeren, zoelen zomernacht den glans ten toon spreiden, waarmede de natuur hen heeft uitgedost. Geloof echter niet, dat men deze hooggeroemde zijpaden, waarvan niet weinig gesproken wordt, zoo maar doodgerust kan betreden, zonder de vreesselijkste gevolgen van de minste afgetrokkenheid te moeten duchten. Wel is waar, dat men het gevaar van paarden en rijtuigen niet te vreezen heeft, maar men heeft desniettemin al zijne oplettendheid noodig, om zich voor andere gevaren te hoeden, waardoor men, bij iederen voetstap, bedreigd wordt. Bij voorbeeld, de kruiwagens der uitventers, de vaten der melkboeren, die volkomen aan onze waterdragers gelijk, en met het krieken van den dag tot des avonds te zeven ure, door de gansche stad op de been zijn; de vrachten van allerlei soort, waarmede de dragers langs de straten zwieren; de schoppen en bezems der straatvegers, de manden der bakkers en gebakverkoopers; de planken, de gereedschappen en de werktuigen, waarmede de verschillende ambachtslieden heen en weder loopen, en bovenal de metselaars met hunnekalkbakken. Maar hoed u, in ’s hemels naam, voor de ladders der lantaarnopstekers: dezen loopen, zoo haast de avond begint te vallen, als gek en dol door de stad, met hunnen ladder op schouder, van lantaarn tot lantaarn, ten koste van het gevaar, om alles onder de voet te werpen, wat zich op hunnen weg bevindt. Intusschen is deze haast zeer verschoonbaar wegens de groote menigte lantaarnen, die ieder in zijne wijk te verzorgen heeft.Echter is het geenszins voldoende, slechts vooruit te zien! O neen! men mag wel op beide zijden, ja zelfs van achteren, oogen hebben. Let ook vooral wel op, waar gij uwe voeten zet; want voor ieder huis wachten u twee gapende afgronden. Al de voetpaden zijn hol; wijl de kelders daaronder loopen. Een rond of vierkant gat, van ongeveer tien of twaalf duim omtreks, midden in het voetpad, is de deur, waardoor men den benoodigden voorraad van steenkolen opdoet. Indien dit gat, bij toeval, op uwen weg open staat, en gij er ongelukkig met de voeten in raakt, kunt gij, met het grootste gemak van de wereld, een been breken. Doch dit is nog niet met al; maar indien de ijzeren tralie of de houten deur, waardoor men in den kelder komt, op het oogenblik van uw overgaan niet geslotenis, loopt gij zelfs gevaar van den hals er bij in te schieten; hetgeen zeker nog al iets van belang is!Welnu, men gaat ten minste op deze zijpaden droogvoets, zal de lezer denken. O ja, wanneer het namelijk droog weer is; maar, wanneer het tegendeel plaats heeft, zijn zij eenen duim hoog met slijk en vuilnis bedekt, en noch de straatvegers noch de eigenaars der huizen denken er aan, om den doorgang van deze modderpoelen te zuiveren. Ook ziet men de mannen altijd in laarzen of slopkousen, terwijl de vrouwen zich reeds in de verte, door het klateren harer beslagene slijkschoenen doen hooren, waarmede hare voeten gewapend zijn, en die, met hooge hielen voorzien, over hare andere schoenen worden aangedaan.De gewone breedte der straten staat gelijk met die van deSaint Louis au Marais, teParijs: sommige anderen, bij voorbeeld, deOxford-,Haymarket-,Portman-street, enz. zijn wel zoo breed als deBoulevard des Italiens. Doch men moet hier wel degelijk van uitzonderen het gedeelte der stad, deCity, genaamd, hetwelk geheel uit kleine, naauwe en in en door elkander kruisende straatjes en steegjes bestaat, die zamen eenen doolhof vormen,waaruit men, eenmaal aan het dolen zijnde, zich niet gemakkelijk kan redden. Echter vindt men daar ook, even als elders, steeds de gewone voetpaden, die nogtans zoo smal zijn, dat men er onmogelijk regt door op kan voortgaan, en die derhalve den doortogt veeleer stremmen dan bevorderen. In het midden van den weg is de standplaats der huurkoetsen, en dikwijls vindt men de breedste straten daarmede zoodanig bezet, dat eene menigte van aankomende en terugkeerende rijtuigen er ter wederzijde niet langs zouden kunnen geraken, zonder hunne toevlugt te nemen tot de voetpaden, die veelal twaalf tot vijftien voet breed zijn.Nogtans moet men toestemmen, dat men er niet, even als teParijs, ieder oogenblik getrapt, geschopt, gedrongen, geduwd en met de ellebogen tegen de ribben gestooten wordt. Dit komt gedeeltelijk vandaar, dat het een algemeen aangenomen gebruik is, om, naarmate men van een zeker punt afkomt, de regterzijde van het voetpad te houden, terwijl zij, die u tegenkomen, altijd hunnen weg ter linkerzijde vervolgen: daarenboven vindt men ook nooit teLondendat verbazende aantal voetgangers, hetwelk men in de straten vanParijsontmoet. Uitgezonderd, in dat gedeelteder stad, deCitygenaamd, hetwelk digt bij de beurs is, levertLondeneen volmaakt gezigt op van de voorstadSaint-Germain; en zeer vele andere wijken wedijveren met de stilte en eenzaamheid, welke in onze vreedzameMaraisheerschen.Dezelfde eentoonigheid, die men aan de straten opmerkt, heeft ook, met opzigt tot de huizen, plaats; want het eenigste onderscheid tusschen het paleis van een’ der voornaamsteLordsen de woning van eenen koopman in kolen, bestaat hierin, dat het eerstgenoemde grooter is, en bij gevolg eene meerdere uitgestrektheid beslaat.Bijna al de huizen zijn drie verdiepingen hoog, de keuken onder den grond, waar de kok zijn vast verblijf en zijne woonplaats heeft, en waar derhalve debeef-steaksenpuddingsgereed gemaakt worden, niet medegerekend. Ook heeft men bij de woningen der grooten noch stalling noch koetshuizen, en de prachtigst gekleedeLadymoet, zelfs bij het ongunstigste weder, uit hare koets stijgen, om, aldus het voetpad overstappende, hare woning te bereiken, wanneer haar rijtuig na de eene of andere voorstad terugkeert, waar geheele straten gevonden worden, die alleen uit stallen en wagenhuizen bestaan. De Engelsche vrouwendienen dus eenen geruimen tijd tevoren het oogenblik van haar uitgaan te bepalen, opdat haar rijtuig inmiddels kan besteld worden.—Beminnelijke Fransche dames, aanbiddelijke schepsels, wier waarde men des te sterker gevoelt, naarmate men verder van u verwijderd is: gij, wier bekoorlijk en levendig ongeduld geene minuut toevens tusschen de geboorte en bevrediging uwer wenschen gedoogt; wat zou er van u worden, indien gij, bij het opstaan, reeds ernstig moest overdenken, welk tijdstip van den dag het u zou kunnen invallen, een toertje te rijden?—Doch laat mij tot de huizen terugkeeren, welker eenvormigheid ten klaarste aantoont, dat de Engelsche bouwmeesters hunne verbeeldingskracht en denkvermogen juist niet al te sterk behoeven in te spannen. Geene versierselen van buiten, geene verschillendheid van gedaante: de openslaande kruisramen, op de Spaansche wijze, zijn hier geheel onbekend: de met kleine ruitjes versierde vensters worden op- en nedergeschoven, zoo als men er hier en daar, inParijsnog wel eenige aantreft in huizen uit de eeuw vanLodewijkXIII. Een ijzeren hek, ten naastenbij eene halven mans lengte hoog, dat tot op het voetpad uitloopt, bezet de huizen rondom, en laat den aankomendeniet meer dan den benoodigden doortogt tot eene smalle deur, welke den ingang opent, en op welke een klein koperen plaatje is gespijkerd, waarop de naam van den bewoner te lezen staat. De trappen zijn, over het algemeen, zeer smal; in een woord, de geheele verdeeling der huizen is gebrekkig en gedrongen ingerigt, en verre na zoo gemakkelijk niet als inFrankrijk; en zoo men er al rijk gemeubelde vertrekken aantreft, zal men er echter vergeefs dien smaak, die kieschheid, dat bevallige zoeken, hetwelk, bij uitsluiting, alleen teParijsgevonden wordt.Wat der slaapkamer der Engelschen betreft, deze is hetheilige der heiligen; men zou het onwelvoegelijk achten, u dezelve te laten zien, evenzeer als de vraag ongepast zou zijn, om er in toegelaten te worden; en ik geloof niet, dat het meerder moeite zou kosten, in het bed van eene Engelsche vrouw, dan in de slaapkamer van eenen Engelschen man den toegang te erlangen.
XII.De straten en huizen.„Welke is de naaste weg naarPortland-street?”Dit was de vraag, welke ik alle dagen deed, als ik tot mijnent terug wilde keeren. Echter deed ik dezelve nooit aan hen, die ik op den weg ontmoette; wijl men reeds meermalen het kwaadaardig vermaak genoten had, van mij eenen geheel anderen koers op te geven; maar altijd vroeg ik in den eenen of anderen winkel, waar ik ook altijd te dezen opzigte zeer vriendelijk en welwillend ben behandeld geworden. Overigens was ik den weg niet kundiger bij mijn vertrek, dan bij mijne aankomst.Hierover moet men zich geenszins verwonderen; want op de straten vanLondenkan men het gezegde vanOvidius, wegens de Zee-Nijmphen, toepasselijk maken....... Facies non omnibus una,„Non diversa tamen, qualem decet esse sororum.”Zij zijn allen lang, regt en breed, met eenvoetpad op zijde, en de huizen alle gelijkvormig gebouwd. Ook vindt men op alle hoeken winkels of kassen, welke ieder in hunne soort geene verschillendheid aan het gezigt opleveren. De muren schijnen met eene vale, doffe kleur bestreken, hetwelk geenszins het gevolg der kunst is; maar welke kleur zij zeer spoedig aannemen, ten gevolge van de aldaar niet zeldzame dikke nevels en den zwarten kolendamp, waarop de geheele stad, ten minste negen maanden van het jaar, gastvrij onthaald wordt. Voeg hier nog bij, dat de namen der straten, alhoewel op bordjes met zeer groote letters geschreven, meestal onleesbaar zijn; wijl dezelfde damp, welke zicht aan de muren hecht, ook hen met dezen klevenden walm bezoedelt. Des avonds vooral is het volstrekt onmogelijk, die namen te lezen; wijl de wijze, waarop de straten teLondenverlicht zijn, nergens anders toe schijnt te dienen, dan om, zoo alsMiltonzich te regt uitdrukt, deduisternis zigtbaarte maken.Ik zal echter niet zeggen, dat er gebrek is aan lantaarns; doch geenszins kan ik er het woordlichtendebijvoegen. Van vijftien tot zestien schreden zijn de straten aan weerszijden er mede voorzien; en zij hangen in het lange bezijden het voetpad aan ijzeren staven; maar het licht, datzij van zich geven, is zoo gering, en verspreidt zoo weinig helderheid, dat men het zeer gevoegelijk bij het afschijnsel dier insecten kan vergelijken, welke in eenen donkeren, zoelen zomernacht den glans ten toon spreiden, waarmede de natuur hen heeft uitgedost. Geloof echter niet, dat men deze hooggeroemde zijpaden, waarvan niet weinig gesproken wordt, zoo maar doodgerust kan betreden, zonder de vreesselijkste gevolgen van de minste afgetrokkenheid te moeten duchten. Wel is waar, dat men het gevaar van paarden en rijtuigen niet te vreezen heeft, maar men heeft desniettemin al zijne oplettendheid noodig, om zich voor andere gevaren te hoeden, waardoor men, bij iederen voetstap, bedreigd wordt. Bij voorbeeld, de kruiwagens der uitventers, de vaten der melkboeren, die volkomen aan onze waterdragers gelijk, en met het krieken van den dag tot des avonds te zeven ure, door de gansche stad op de been zijn; de vrachten van allerlei soort, waarmede de dragers langs de straten zwieren; de schoppen en bezems der straatvegers, de manden der bakkers en gebakverkoopers; de planken, de gereedschappen en de werktuigen, waarmede de verschillende ambachtslieden heen en weder loopen, en bovenal de metselaars met hunnekalkbakken. Maar hoed u, in ’s hemels naam, voor de ladders der lantaarnopstekers: dezen loopen, zoo haast de avond begint te vallen, als gek en dol door de stad, met hunnen ladder op schouder, van lantaarn tot lantaarn, ten koste van het gevaar, om alles onder de voet te werpen, wat zich op hunnen weg bevindt. Intusschen is deze haast zeer verschoonbaar wegens de groote menigte lantaarnen, die ieder in zijne wijk te verzorgen heeft.Echter is het geenszins voldoende, slechts vooruit te zien! O neen! men mag wel op beide zijden, ja zelfs van achteren, oogen hebben. Let ook vooral wel op, waar gij uwe voeten zet; want voor ieder huis wachten u twee gapende afgronden. Al de voetpaden zijn hol; wijl de kelders daaronder loopen. Een rond of vierkant gat, van ongeveer tien of twaalf duim omtreks, midden in het voetpad, is de deur, waardoor men den benoodigden voorraad van steenkolen opdoet. Indien dit gat, bij toeval, op uwen weg open staat, en gij er ongelukkig met de voeten in raakt, kunt gij, met het grootste gemak van de wereld, een been breken. Doch dit is nog niet met al; maar indien de ijzeren tralie of de houten deur, waardoor men in den kelder komt, op het oogenblik van uw overgaan niet geslotenis, loopt gij zelfs gevaar van den hals er bij in te schieten; hetgeen zeker nog al iets van belang is!Welnu, men gaat ten minste op deze zijpaden droogvoets, zal de lezer denken. O ja, wanneer het namelijk droog weer is; maar, wanneer het tegendeel plaats heeft, zijn zij eenen duim hoog met slijk en vuilnis bedekt, en noch de straatvegers noch de eigenaars der huizen denken er aan, om den doorgang van deze modderpoelen te zuiveren. Ook ziet men de mannen altijd in laarzen of slopkousen, terwijl de vrouwen zich reeds in de verte, door het klateren harer beslagene slijkschoenen doen hooren, waarmede hare voeten gewapend zijn, en die, met hooge hielen voorzien, over hare andere schoenen worden aangedaan.De gewone breedte der straten staat gelijk met die van deSaint Louis au Marais, teParijs: sommige anderen, bij voorbeeld, deOxford-,Haymarket-,Portman-street, enz. zijn wel zoo breed als deBoulevard des Italiens. Doch men moet hier wel degelijk van uitzonderen het gedeelte der stad, deCity, genaamd, hetwelk geheel uit kleine, naauwe en in en door elkander kruisende straatjes en steegjes bestaat, die zamen eenen doolhof vormen,waaruit men, eenmaal aan het dolen zijnde, zich niet gemakkelijk kan redden. Echter vindt men daar ook, even als elders, steeds de gewone voetpaden, die nogtans zoo smal zijn, dat men er onmogelijk regt door op kan voortgaan, en die derhalve den doortogt veeleer stremmen dan bevorderen. In het midden van den weg is de standplaats der huurkoetsen, en dikwijls vindt men de breedste straten daarmede zoodanig bezet, dat eene menigte van aankomende en terugkeerende rijtuigen er ter wederzijde niet langs zouden kunnen geraken, zonder hunne toevlugt te nemen tot de voetpaden, die veelal twaalf tot vijftien voet breed zijn.Nogtans moet men toestemmen, dat men er niet, even als teParijs, ieder oogenblik getrapt, geschopt, gedrongen, geduwd en met de ellebogen tegen de ribben gestooten wordt. Dit komt gedeeltelijk vandaar, dat het een algemeen aangenomen gebruik is, om, naarmate men van een zeker punt afkomt, de regterzijde van het voetpad te houden, terwijl zij, die u tegenkomen, altijd hunnen weg ter linkerzijde vervolgen: daarenboven vindt men ook nooit teLondendat verbazende aantal voetgangers, hetwelk men in de straten vanParijsontmoet. Uitgezonderd, in dat gedeelteder stad, deCitygenaamd, hetwelk digt bij de beurs is, levertLondeneen volmaakt gezigt op van de voorstadSaint-Germain; en zeer vele andere wijken wedijveren met de stilte en eenzaamheid, welke in onze vreedzameMaraisheerschen.Dezelfde eentoonigheid, die men aan de straten opmerkt, heeft ook, met opzigt tot de huizen, plaats; want het eenigste onderscheid tusschen het paleis van een’ der voornaamsteLordsen de woning van eenen koopman in kolen, bestaat hierin, dat het eerstgenoemde grooter is, en bij gevolg eene meerdere uitgestrektheid beslaat.Bijna al de huizen zijn drie verdiepingen hoog, de keuken onder den grond, waar de kok zijn vast verblijf en zijne woonplaats heeft, en waar derhalve debeef-steaksenpuddingsgereed gemaakt worden, niet medegerekend. Ook heeft men bij de woningen der grooten noch stalling noch koetshuizen, en de prachtigst gekleedeLadymoet, zelfs bij het ongunstigste weder, uit hare koets stijgen, om, aldus het voetpad overstappende, hare woning te bereiken, wanneer haar rijtuig na de eene of andere voorstad terugkeert, waar geheele straten gevonden worden, die alleen uit stallen en wagenhuizen bestaan. De Engelsche vrouwendienen dus eenen geruimen tijd tevoren het oogenblik van haar uitgaan te bepalen, opdat haar rijtuig inmiddels kan besteld worden.—Beminnelijke Fransche dames, aanbiddelijke schepsels, wier waarde men des te sterker gevoelt, naarmate men verder van u verwijderd is: gij, wier bekoorlijk en levendig ongeduld geene minuut toevens tusschen de geboorte en bevrediging uwer wenschen gedoogt; wat zou er van u worden, indien gij, bij het opstaan, reeds ernstig moest overdenken, welk tijdstip van den dag het u zou kunnen invallen, een toertje te rijden?—Doch laat mij tot de huizen terugkeeren, welker eenvormigheid ten klaarste aantoont, dat de Engelsche bouwmeesters hunne verbeeldingskracht en denkvermogen juist niet al te sterk behoeven in te spannen. Geene versierselen van buiten, geene verschillendheid van gedaante: de openslaande kruisramen, op de Spaansche wijze, zijn hier geheel onbekend: de met kleine ruitjes versierde vensters worden op- en nedergeschoven, zoo als men er hier en daar, inParijsnog wel eenige aantreft in huizen uit de eeuw vanLodewijkXIII. Een ijzeren hek, ten naastenbij eene halven mans lengte hoog, dat tot op het voetpad uitloopt, bezet de huizen rondom, en laat den aankomendeniet meer dan den benoodigden doortogt tot eene smalle deur, welke den ingang opent, en op welke een klein koperen plaatje is gespijkerd, waarop de naam van den bewoner te lezen staat. De trappen zijn, over het algemeen, zeer smal; in een woord, de geheele verdeeling der huizen is gebrekkig en gedrongen ingerigt, en verre na zoo gemakkelijk niet als inFrankrijk; en zoo men er al rijk gemeubelde vertrekken aantreft, zal men er echter vergeefs dien smaak, die kieschheid, dat bevallige zoeken, hetwelk, bij uitsluiting, alleen teParijsgevonden wordt.Wat der slaapkamer der Engelschen betreft, deze is hetheilige der heiligen; men zou het onwelvoegelijk achten, u dezelve te laten zien, evenzeer als de vraag ongepast zou zijn, om er in toegelaten te worden; en ik geloof niet, dat het meerder moeite zou kosten, in het bed van eene Engelsche vrouw, dan in de slaapkamer van eenen Engelschen man den toegang te erlangen.
XII.De straten en huizen.
„Welke is de naaste weg naarPortland-street?”Dit was de vraag, welke ik alle dagen deed, als ik tot mijnent terug wilde keeren. Echter deed ik dezelve nooit aan hen, die ik op den weg ontmoette; wijl men reeds meermalen het kwaadaardig vermaak genoten had, van mij eenen geheel anderen koers op te geven; maar altijd vroeg ik in den eenen of anderen winkel, waar ik ook altijd te dezen opzigte zeer vriendelijk en welwillend ben behandeld geworden. Overigens was ik den weg niet kundiger bij mijn vertrek, dan bij mijne aankomst.Hierover moet men zich geenszins verwonderen; want op de straten vanLondenkan men het gezegde vanOvidius, wegens de Zee-Nijmphen, toepasselijk maken....... Facies non omnibus una,„Non diversa tamen, qualem decet esse sororum.”Zij zijn allen lang, regt en breed, met eenvoetpad op zijde, en de huizen alle gelijkvormig gebouwd. Ook vindt men op alle hoeken winkels of kassen, welke ieder in hunne soort geene verschillendheid aan het gezigt opleveren. De muren schijnen met eene vale, doffe kleur bestreken, hetwelk geenszins het gevolg der kunst is; maar welke kleur zij zeer spoedig aannemen, ten gevolge van de aldaar niet zeldzame dikke nevels en den zwarten kolendamp, waarop de geheele stad, ten minste negen maanden van het jaar, gastvrij onthaald wordt. Voeg hier nog bij, dat de namen der straten, alhoewel op bordjes met zeer groote letters geschreven, meestal onleesbaar zijn; wijl dezelfde damp, welke zicht aan de muren hecht, ook hen met dezen klevenden walm bezoedelt. Des avonds vooral is het volstrekt onmogelijk, die namen te lezen; wijl de wijze, waarop de straten teLondenverlicht zijn, nergens anders toe schijnt te dienen, dan om, zoo alsMiltonzich te regt uitdrukt, deduisternis zigtbaarte maken.Ik zal echter niet zeggen, dat er gebrek is aan lantaarns; doch geenszins kan ik er het woordlichtendebijvoegen. Van vijftien tot zestien schreden zijn de straten aan weerszijden er mede voorzien; en zij hangen in het lange bezijden het voetpad aan ijzeren staven; maar het licht, datzij van zich geven, is zoo gering, en verspreidt zoo weinig helderheid, dat men het zeer gevoegelijk bij het afschijnsel dier insecten kan vergelijken, welke in eenen donkeren, zoelen zomernacht den glans ten toon spreiden, waarmede de natuur hen heeft uitgedost. Geloof echter niet, dat men deze hooggeroemde zijpaden, waarvan niet weinig gesproken wordt, zoo maar doodgerust kan betreden, zonder de vreesselijkste gevolgen van de minste afgetrokkenheid te moeten duchten. Wel is waar, dat men het gevaar van paarden en rijtuigen niet te vreezen heeft, maar men heeft desniettemin al zijne oplettendheid noodig, om zich voor andere gevaren te hoeden, waardoor men, bij iederen voetstap, bedreigd wordt. Bij voorbeeld, de kruiwagens der uitventers, de vaten der melkboeren, die volkomen aan onze waterdragers gelijk, en met het krieken van den dag tot des avonds te zeven ure, door de gansche stad op de been zijn; de vrachten van allerlei soort, waarmede de dragers langs de straten zwieren; de schoppen en bezems der straatvegers, de manden der bakkers en gebakverkoopers; de planken, de gereedschappen en de werktuigen, waarmede de verschillende ambachtslieden heen en weder loopen, en bovenal de metselaars met hunnekalkbakken. Maar hoed u, in ’s hemels naam, voor de ladders der lantaarnopstekers: dezen loopen, zoo haast de avond begint te vallen, als gek en dol door de stad, met hunnen ladder op schouder, van lantaarn tot lantaarn, ten koste van het gevaar, om alles onder de voet te werpen, wat zich op hunnen weg bevindt. Intusschen is deze haast zeer verschoonbaar wegens de groote menigte lantaarnen, die ieder in zijne wijk te verzorgen heeft.Echter is het geenszins voldoende, slechts vooruit te zien! O neen! men mag wel op beide zijden, ja zelfs van achteren, oogen hebben. Let ook vooral wel op, waar gij uwe voeten zet; want voor ieder huis wachten u twee gapende afgronden. Al de voetpaden zijn hol; wijl de kelders daaronder loopen. Een rond of vierkant gat, van ongeveer tien of twaalf duim omtreks, midden in het voetpad, is de deur, waardoor men den benoodigden voorraad van steenkolen opdoet. Indien dit gat, bij toeval, op uwen weg open staat, en gij er ongelukkig met de voeten in raakt, kunt gij, met het grootste gemak van de wereld, een been breken. Doch dit is nog niet met al; maar indien de ijzeren tralie of de houten deur, waardoor men in den kelder komt, op het oogenblik van uw overgaan niet geslotenis, loopt gij zelfs gevaar van den hals er bij in te schieten; hetgeen zeker nog al iets van belang is!Welnu, men gaat ten minste op deze zijpaden droogvoets, zal de lezer denken. O ja, wanneer het namelijk droog weer is; maar, wanneer het tegendeel plaats heeft, zijn zij eenen duim hoog met slijk en vuilnis bedekt, en noch de straatvegers noch de eigenaars der huizen denken er aan, om den doorgang van deze modderpoelen te zuiveren. Ook ziet men de mannen altijd in laarzen of slopkousen, terwijl de vrouwen zich reeds in de verte, door het klateren harer beslagene slijkschoenen doen hooren, waarmede hare voeten gewapend zijn, en die, met hooge hielen voorzien, over hare andere schoenen worden aangedaan.De gewone breedte der straten staat gelijk met die van deSaint Louis au Marais, teParijs: sommige anderen, bij voorbeeld, deOxford-,Haymarket-,Portman-street, enz. zijn wel zoo breed als deBoulevard des Italiens. Doch men moet hier wel degelijk van uitzonderen het gedeelte der stad, deCity, genaamd, hetwelk geheel uit kleine, naauwe en in en door elkander kruisende straatjes en steegjes bestaat, die zamen eenen doolhof vormen,waaruit men, eenmaal aan het dolen zijnde, zich niet gemakkelijk kan redden. Echter vindt men daar ook, even als elders, steeds de gewone voetpaden, die nogtans zoo smal zijn, dat men er onmogelijk regt door op kan voortgaan, en die derhalve den doortogt veeleer stremmen dan bevorderen. In het midden van den weg is de standplaats der huurkoetsen, en dikwijls vindt men de breedste straten daarmede zoodanig bezet, dat eene menigte van aankomende en terugkeerende rijtuigen er ter wederzijde niet langs zouden kunnen geraken, zonder hunne toevlugt te nemen tot de voetpaden, die veelal twaalf tot vijftien voet breed zijn.Nogtans moet men toestemmen, dat men er niet, even als teParijs, ieder oogenblik getrapt, geschopt, gedrongen, geduwd en met de ellebogen tegen de ribben gestooten wordt. Dit komt gedeeltelijk vandaar, dat het een algemeen aangenomen gebruik is, om, naarmate men van een zeker punt afkomt, de regterzijde van het voetpad te houden, terwijl zij, die u tegenkomen, altijd hunnen weg ter linkerzijde vervolgen: daarenboven vindt men ook nooit teLondendat verbazende aantal voetgangers, hetwelk men in de straten vanParijsontmoet. Uitgezonderd, in dat gedeelteder stad, deCitygenaamd, hetwelk digt bij de beurs is, levertLondeneen volmaakt gezigt op van de voorstadSaint-Germain; en zeer vele andere wijken wedijveren met de stilte en eenzaamheid, welke in onze vreedzameMaraisheerschen.Dezelfde eentoonigheid, die men aan de straten opmerkt, heeft ook, met opzigt tot de huizen, plaats; want het eenigste onderscheid tusschen het paleis van een’ der voornaamsteLordsen de woning van eenen koopman in kolen, bestaat hierin, dat het eerstgenoemde grooter is, en bij gevolg eene meerdere uitgestrektheid beslaat.Bijna al de huizen zijn drie verdiepingen hoog, de keuken onder den grond, waar de kok zijn vast verblijf en zijne woonplaats heeft, en waar derhalve debeef-steaksenpuddingsgereed gemaakt worden, niet medegerekend. Ook heeft men bij de woningen der grooten noch stalling noch koetshuizen, en de prachtigst gekleedeLadymoet, zelfs bij het ongunstigste weder, uit hare koets stijgen, om, aldus het voetpad overstappende, hare woning te bereiken, wanneer haar rijtuig na de eene of andere voorstad terugkeert, waar geheele straten gevonden worden, die alleen uit stallen en wagenhuizen bestaan. De Engelsche vrouwendienen dus eenen geruimen tijd tevoren het oogenblik van haar uitgaan te bepalen, opdat haar rijtuig inmiddels kan besteld worden.—Beminnelijke Fransche dames, aanbiddelijke schepsels, wier waarde men des te sterker gevoelt, naarmate men verder van u verwijderd is: gij, wier bekoorlijk en levendig ongeduld geene minuut toevens tusschen de geboorte en bevrediging uwer wenschen gedoogt; wat zou er van u worden, indien gij, bij het opstaan, reeds ernstig moest overdenken, welk tijdstip van den dag het u zou kunnen invallen, een toertje te rijden?—Doch laat mij tot de huizen terugkeeren, welker eenvormigheid ten klaarste aantoont, dat de Engelsche bouwmeesters hunne verbeeldingskracht en denkvermogen juist niet al te sterk behoeven in te spannen. Geene versierselen van buiten, geene verschillendheid van gedaante: de openslaande kruisramen, op de Spaansche wijze, zijn hier geheel onbekend: de met kleine ruitjes versierde vensters worden op- en nedergeschoven, zoo als men er hier en daar, inParijsnog wel eenige aantreft in huizen uit de eeuw vanLodewijkXIII. Een ijzeren hek, ten naastenbij eene halven mans lengte hoog, dat tot op het voetpad uitloopt, bezet de huizen rondom, en laat den aankomendeniet meer dan den benoodigden doortogt tot eene smalle deur, welke den ingang opent, en op welke een klein koperen plaatje is gespijkerd, waarop de naam van den bewoner te lezen staat. De trappen zijn, over het algemeen, zeer smal; in een woord, de geheele verdeeling der huizen is gebrekkig en gedrongen ingerigt, en verre na zoo gemakkelijk niet als inFrankrijk; en zoo men er al rijk gemeubelde vertrekken aantreft, zal men er echter vergeefs dien smaak, die kieschheid, dat bevallige zoeken, hetwelk, bij uitsluiting, alleen teParijsgevonden wordt.Wat der slaapkamer der Engelschen betreft, deze is hetheilige der heiligen; men zou het onwelvoegelijk achten, u dezelve te laten zien, evenzeer als de vraag ongepast zou zijn, om er in toegelaten te worden; en ik geloof niet, dat het meerder moeite zou kosten, in het bed van eene Engelsche vrouw, dan in de slaapkamer van eenen Engelschen man den toegang te erlangen.
„Welke is de naaste weg naarPortland-street?”
Dit was de vraag, welke ik alle dagen deed, als ik tot mijnent terug wilde keeren. Echter deed ik dezelve nooit aan hen, die ik op den weg ontmoette; wijl men reeds meermalen het kwaadaardig vermaak genoten had, van mij eenen geheel anderen koers op te geven; maar altijd vroeg ik in den eenen of anderen winkel, waar ik ook altijd te dezen opzigte zeer vriendelijk en welwillend ben behandeld geworden. Overigens was ik den weg niet kundiger bij mijn vertrek, dan bij mijne aankomst.
Hierover moet men zich geenszins verwonderen; want op de straten vanLondenkan men het gezegde vanOvidius, wegens de Zee-Nijmphen, toepasselijk maken.
...... Facies non omnibus una,„Non diversa tamen, qualem decet esse sororum.”
...... Facies non omnibus una,
„Non diversa tamen, qualem decet esse sororum.”
Zij zijn allen lang, regt en breed, met eenvoetpad op zijde, en de huizen alle gelijkvormig gebouwd. Ook vindt men op alle hoeken winkels of kassen, welke ieder in hunne soort geene verschillendheid aan het gezigt opleveren. De muren schijnen met eene vale, doffe kleur bestreken, hetwelk geenszins het gevolg der kunst is; maar welke kleur zij zeer spoedig aannemen, ten gevolge van de aldaar niet zeldzame dikke nevels en den zwarten kolendamp, waarop de geheele stad, ten minste negen maanden van het jaar, gastvrij onthaald wordt. Voeg hier nog bij, dat de namen der straten, alhoewel op bordjes met zeer groote letters geschreven, meestal onleesbaar zijn; wijl dezelfde damp, welke zicht aan de muren hecht, ook hen met dezen klevenden walm bezoedelt. Des avonds vooral is het volstrekt onmogelijk, die namen te lezen; wijl de wijze, waarop de straten teLondenverlicht zijn, nergens anders toe schijnt te dienen, dan om, zoo alsMiltonzich te regt uitdrukt, deduisternis zigtbaarte maken.
Ik zal echter niet zeggen, dat er gebrek is aan lantaarns; doch geenszins kan ik er het woordlichtendebijvoegen. Van vijftien tot zestien schreden zijn de straten aan weerszijden er mede voorzien; en zij hangen in het lange bezijden het voetpad aan ijzeren staven; maar het licht, datzij van zich geven, is zoo gering, en verspreidt zoo weinig helderheid, dat men het zeer gevoegelijk bij het afschijnsel dier insecten kan vergelijken, welke in eenen donkeren, zoelen zomernacht den glans ten toon spreiden, waarmede de natuur hen heeft uitgedost. Geloof echter niet, dat men deze hooggeroemde zijpaden, waarvan niet weinig gesproken wordt, zoo maar doodgerust kan betreden, zonder de vreesselijkste gevolgen van de minste afgetrokkenheid te moeten duchten. Wel is waar, dat men het gevaar van paarden en rijtuigen niet te vreezen heeft, maar men heeft desniettemin al zijne oplettendheid noodig, om zich voor andere gevaren te hoeden, waardoor men, bij iederen voetstap, bedreigd wordt. Bij voorbeeld, de kruiwagens der uitventers, de vaten der melkboeren, die volkomen aan onze waterdragers gelijk, en met het krieken van den dag tot des avonds te zeven ure, door de gansche stad op de been zijn; de vrachten van allerlei soort, waarmede de dragers langs de straten zwieren; de schoppen en bezems der straatvegers, de manden der bakkers en gebakverkoopers; de planken, de gereedschappen en de werktuigen, waarmede de verschillende ambachtslieden heen en weder loopen, en bovenal de metselaars met hunnekalkbakken. Maar hoed u, in ’s hemels naam, voor de ladders der lantaarnopstekers: dezen loopen, zoo haast de avond begint te vallen, als gek en dol door de stad, met hunnen ladder op schouder, van lantaarn tot lantaarn, ten koste van het gevaar, om alles onder de voet te werpen, wat zich op hunnen weg bevindt. Intusschen is deze haast zeer verschoonbaar wegens de groote menigte lantaarnen, die ieder in zijne wijk te verzorgen heeft.
Echter is het geenszins voldoende, slechts vooruit te zien! O neen! men mag wel op beide zijden, ja zelfs van achteren, oogen hebben. Let ook vooral wel op, waar gij uwe voeten zet; want voor ieder huis wachten u twee gapende afgronden. Al de voetpaden zijn hol; wijl de kelders daaronder loopen. Een rond of vierkant gat, van ongeveer tien of twaalf duim omtreks, midden in het voetpad, is de deur, waardoor men den benoodigden voorraad van steenkolen opdoet. Indien dit gat, bij toeval, op uwen weg open staat, en gij er ongelukkig met de voeten in raakt, kunt gij, met het grootste gemak van de wereld, een been breken. Doch dit is nog niet met al; maar indien de ijzeren tralie of de houten deur, waardoor men in den kelder komt, op het oogenblik van uw overgaan niet geslotenis, loopt gij zelfs gevaar van den hals er bij in te schieten; hetgeen zeker nog al iets van belang is!
Welnu, men gaat ten minste op deze zijpaden droogvoets, zal de lezer denken. O ja, wanneer het namelijk droog weer is; maar, wanneer het tegendeel plaats heeft, zijn zij eenen duim hoog met slijk en vuilnis bedekt, en noch de straatvegers noch de eigenaars der huizen denken er aan, om den doorgang van deze modderpoelen te zuiveren. Ook ziet men de mannen altijd in laarzen of slopkousen, terwijl de vrouwen zich reeds in de verte, door het klateren harer beslagene slijkschoenen doen hooren, waarmede hare voeten gewapend zijn, en die, met hooge hielen voorzien, over hare andere schoenen worden aangedaan.
De gewone breedte der straten staat gelijk met die van deSaint Louis au Marais, teParijs: sommige anderen, bij voorbeeld, deOxford-,Haymarket-,Portman-street, enz. zijn wel zoo breed als deBoulevard des Italiens. Doch men moet hier wel degelijk van uitzonderen het gedeelte der stad, deCity, genaamd, hetwelk geheel uit kleine, naauwe en in en door elkander kruisende straatjes en steegjes bestaat, die zamen eenen doolhof vormen,waaruit men, eenmaal aan het dolen zijnde, zich niet gemakkelijk kan redden. Echter vindt men daar ook, even als elders, steeds de gewone voetpaden, die nogtans zoo smal zijn, dat men er onmogelijk regt door op kan voortgaan, en die derhalve den doortogt veeleer stremmen dan bevorderen. In het midden van den weg is de standplaats der huurkoetsen, en dikwijls vindt men de breedste straten daarmede zoodanig bezet, dat eene menigte van aankomende en terugkeerende rijtuigen er ter wederzijde niet langs zouden kunnen geraken, zonder hunne toevlugt te nemen tot de voetpaden, die veelal twaalf tot vijftien voet breed zijn.
Nogtans moet men toestemmen, dat men er niet, even als teParijs, ieder oogenblik getrapt, geschopt, gedrongen, geduwd en met de ellebogen tegen de ribben gestooten wordt. Dit komt gedeeltelijk vandaar, dat het een algemeen aangenomen gebruik is, om, naarmate men van een zeker punt afkomt, de regterzijde van het voetpad te houden, terwijl zij, die u tegenkomen, altijd hunnen weg ter linkerzijde vervolgen: daarenboven vindt men ook nooit teLondendat verbazende aantal voetgangers, hetwelk men in de straten vanParijsontmoet. Uitgezonderd, in dat gedeelteder stad, deCitygenaamd, hetwelk digt bij de beurs is, levertLondeneen volmaakt gezigt op van de voorstadSaint-Germain; en zeer vele andere wijken wedijveren met de stilte en eenzaamheid, welke in onze vreedzameMaraisheerschen.
Dezelfde eentoonigheid, die men aan de straten opmerkt, heeft ook, met opzigt tot de huizen, plaats; want het eenigste onderscheid tusschen het paleis van een’ der voornaamsteLordsen de woning van eenen koopman in kolen, bestaat hierin, dat het eerstgenoemde grooter is, en bij gevolg eene meerdere uitgestrektheid beslaat.
Bijna al de huizen zijn drie verdiepingen hoog, de keuken onder den grond, waar de kok zijn vast verblijf en zijne woonplaats heeft, en waar derhalve debeef-steaksenpuddingsgereed gemaakt worden, niet medegerekend. Ook heeft men bij de woningen der grooten noch stalling noch koetshuizen, en de prachtigst gekleedeLadymoet, zelfs bij het ongunstigste weder, uit hare koets stijgen, om, aldus het voetpad overstappende, hare woning te bereiken, wanneer haar rijtuig na de eene of andere voorstad terugkeert, waar geheele straten gevonden worden, die alleen uit stallen en wagenhuizen bestaan. De Engelsche vrouwendienen dus eenen geruimen tijd tevoren het oogenblik van haar uitgaan te bepalen, opdat haar rijtuig inmiddels kan besteld worden.—Beminnelijke Fransche dames, aanbiddelijke schepsels, wier waarde men des te sterker gevoelt, naarmate men verder van u verwijderd is: gij, wier bekoorlijk en levendig ongeduld geene minuut toevens tusschen de geboorte en bevrediging uwer wenschen gedoogt; wat zou er van u worden, indien gij, bij het opstaan, reeds ernstig moest overdenken, welk tijdstip van den dag het u zou kunnen invallen, een toertje te rijden?—
Doch laat mij tot de huizen terugkeeren, welker eenvormigheid ten klaarste aantoont, dat de Engelsche bouwmeesters hunne verbeeldingskracht en denkvermogen juist niet al te sterk behoeven in te spannen. Geene versierselen van buiten, geene verschillendheid van gedaante: de openslaande kruisramen, op de Spaansche wijze, zijn hier geheel onbekend: de met kleine ruitjes versierde vensters worden op- en nedergeschoven, zoo als men er hier en daar, inParijsnog wel eenige aantreft in huizen uit de eeuw vanLodewijkXIII. Een ijzeren hek, ten naastenbij eene halven mans lengte hoog, dat tot op het voetpad uitloopt, bezet de huizen rondom, en laat den aankomendeniet meer dan den benoodigden doortogt tot eene smalle deur, welke den ingang opent, en op welke een klein koperen plaatje is gespijkerd, waarop de naam van den bewoner te lezen staat. De trappen zijn, over het algemeen, zeer smal; in een woord, de geheele verdeeling der huizen is gebrekkig en gedrongen ingerigt, en verre na zoo gemakkelijk niet als inFrankrijk; en zoo men er al rijk gemeubelde vertrekken aantreft, zal men er echter vergeefs dien smaak, die kieschheid, dat bevallige zoeken, hetwelk, bij uitsluiting, alleen teParijsgevonden wordt.
Wat der slaapkamer der Engelschen betreft, deze is hetheilige der heiligen; men zou het onwelvoegelijk achten, u dezelve te laten zien, evenzeer als de vraag ongepast zou zijn, om er in toegelaten te worden; en ik geloof niet, dat het meerder moeite zou kosten, in het bed van eene Engelsche vrouw, dan in de slaapkamer van eenen Engelschen man den toegang te erlangen.