XIX.

XIX.De Vuistvechters.(Boksers.)Slechts zeer weinige menschen brengen den dag door naar het ontwerp, hetwelk zij den vorigen avond gevormd hebben. Aan den eenen kant wederstreeft ons bijna altijd in onze voornemens het register van onvoorziene toevallen, hetwelk zoo vruchtbaar in deszelfs geheelen omvang is; terwijl, aan den anderen kant, onze eigene wispelturigheid ons niet zelden een welberaamd besluit doet opgeven, om een ander te volgen, hetwelk een louter toeval deed geboren worden. In een woord, wanneer wij het onderscheid tusschenwillenendoen,beramenenuitvoeren, naauwkeurig gadeslaan, dan zullen wij ons meestal in de slotsom onzer ontwerpen jammerlijk bedrogen vinden. Men denkt, zich, bij voorbeeld, in den schouwburg te vermaken, en men geeuwt er: men waant, veel leerzaams in het een of ander Genootschap van Wetenschappen te zullen hooren, en men sluimert er zachtkens in: men vervoegt zich in het een of ander gezelschap, op hoopvan een geliefdkoosd voorwerp te ontmoeten; men is er, en zij komt niet:—men is voornemens, eener lieve jonge vrouw een bezoek te geven, en men treft haren ouden echtgenoot aan.Evenwel moet men ook toestemmen, dat het toeval, onze ontwerpen verijdelende, ons dikwijls veel beter dient, dan wij ons hadden kunnen verbeelden; en hij, die ter goeder trouw eenen blik op het verledene wilde terugwerpen, zou ongetwijfeld moeten bekennen, dat hij een groot gedeelte van het wel slagen zijner ondernemingen, hetwelk zijne eigenliefde aan het wel beramen van zijne plans wil toeschrijven, veeleer aan het bloote geval te danken heeft.Even zoo was ik aan het lot het gezigt van een schouwspel verschuldigd, dat wel niet zeer aanlokkend voor eenen Franschman, doch des te belangrijker voor een volk is, hetwelk meer vermaak vindt in de geestverschijning inMacbeth, en in de ijsselijkheden inKoning Lear, dan in de verteederende droefheid van eeneIphigenie, en in de zachte tranen, welke de wegslepende moederliefde van eeneAndromacheuit de oogen doet vloeijen. Doch de beschouwer is dikwijls genoodzaakt, zijne oogen op voorwerpen te vestigen, welke hem met afschrik vervullen; even als de ontleedkundige door hetontleden der lijken lessen verzamelt, om de smarten der lijdende menschheid te verligten.—„Ziedaar eene waarlijk lange inleiding!”Maar vergeet tevens niet, op te merken, waarde lezer! dat het de eerste is, waarop ik u vergast; en indien zij u al min of meer verveeld hebbe, bedank mij dan ten minste, dat ik niet al mijne hoofdstukken, even als vele dagbladschrijvers gewoonlijk hunne tijdingen beginnen, met eene voorrede heb aangevangen, die meestal zoo weinig betrekking heeft tot het onderwerp, dat behandeld zal worden, als de zeden vanLondennaar die vanParijsgelijken. Doch daar het uw wil is, zal ik eenige aanmerkingen, welke ik hier eigenlijk nog te maken had, in mijne pen houden, en mij spoeden, om tot de zaak zelve te komen.Het paleis van den Prins Regent vanEngelandligt bijna in het midden der stad, inPall-mall.Men heeft het voornemen, van dit punt, in eene regte lijn, eene groote en zeer fraaije straat, in de lengte een aanzienlijk gedeelte der stad doorsnijdende, tot aanNew-roadte leiden, en dus metRegents-Parkte vereenigen.Een gedeelte dezer onderneming heeft men ook reeds ten uitvoer gebragt, en deze nieuwestraat, welkePortland-placegenoemd wordt, en voorzeker de schoonste van geheelLondenzal zijn, maakt omtrent een vijfde gedeelte dezer hoofdstad uit, en zal ten naastenbij drie kwartier uurs lang zijn.New-road, hetwelk in het Fransch zoo veel, alsNieuwe Aanlegbeteekent, is in een der uithoeken van de stad gelegen, digt bij hetRegents-park, of hetPark van den Prins Regent.Op zekeren morgen, niets te doen hebbende, ging ik al vrij vroeg uit, met het voornemen, om het nieuwe plantsoen inRegent’s-park, dat nog niet in volle orde is, te bezigtigen. In denNieuwen Aanleggekomen, zag ik op zekere hoogte,Primrose-hillgenaamd, van verre in het veld, eene groote menigte van mannen en vrouwen, en tegelijk een aantal menschen, die, dwars overstekende, uit al hunne magt naar hetzelfde punt liepen. Hier bleek het weder, dat ik, even als zij, een echte afstammeling van onze goede moederEvawas: ik vergat het doel mijner wandeling, en liet mij door denDaemonder nieuwsgierigheid naar dezelfde zijde heen slepen.De bonte menigte bestond uit lieden van allerlei stand en rang der beide seksen: eene welgekleedde dame stond naast eenen kruijer of lastdrager, en een opgeschikte modezoontusschen eenen hoop van vischwijven en bedelaarsters. De aanschouwers vormden eenen ongemeen wijden kring, in wiens midden een man van eene Herculische gestalte bezig was, met zich van zijne das, zijnen rok, en zijn vest en eindelijk van zijn hemd te ontdoen, waarna, tot mijne groote verwondering, het baaijen onderhemdje hetzelfde lot onderging, zoo dat ik nu zeker vooronderstelde, dat broek en kousen de uitgetrokken plunje zouden navolgen; doch dit gebeurde niet. De oogen en wangen der zedigeLadij’s, welke dit schouwspel met hare tegenwoordigheid vereerden, schenen, tot mijne uiterste verbazing, noch te blikken, noch te blozen op het gezigt van eenen man, die tot aan zijn midden moedernaakt voor haar stond. Weinige oogenblikken hierna konden zij een dubbel genoegen smaken; want een ander kampvechter, die zich buiten den kring ontkleed had, kwam nu, vol drift, door de menigte heen dringen, om zijne partij te ontmoeten. Ieder was door twee mannen vergezeld, die bestemd waren, om ruimbaan voor de kampioenen te houden en hen, des noods, te ondersteunen. De laatst gekomene was intusschen veel kleiner, dan de eerste, maar zijne spieren en pezen, die borst, rug en armen bekleedden, verkondigden den aanschouwer, dat de natuurhem voor zijne kleinere gestalte rijkelijk schadeloos had gesteld door het geschenk van buitengewone ligchaamskrachten.Na veel moeite gelukte het mij, plaats te vinden onder de echte liefhebbers, en wel in den eersten rang, naast eenen bejaarden Engelschman, die zeer oplettend was op al, wat er voorviel, en wien ik verzocht, mij te onderrigten, wat deze bijeenkomst eigenlijk beduidde, en wat er gebeuren zou.„Gij zijt een vreemdeling,”zeide hij,„uwe vraag—alleen zou mij dit ontdekt hebben, indien uwe uitspraak u niet reeds verraden hadde.—Gij zult zienboksen, maar ik vrees, dat wij niet veel pleizier zullen hebben; want deze knapen zijn juist niet van de voornaamsten; het zijn twee ambachtslieden, die gisteren toevallig verschil gekregen, en hier tijd en plaats bepaald hebben, om hetzelve te beslechten. Maar wacht! let op! let op! zij beginnen!”„Tien guinies tegen zeven opTom!” schreeuwde een jong mensch, die eenige schreden van ons af stond, uit al zijne magt.Tomwas degene, die het voordeel der grootte had.„Ik houd de zeven guinies opDick!”riep de Engelschman, die naast mij stond.En op het oogenblik kwamen de twee kampvechtersmet geslotene vuisten op elkander af, en trachtten, wel vijf minuten lang, elkander duchtige vuistslagen toe te brengen, welke zij echter beide met veel vlug- en vaardigheid wisten af te keeren.„Het zijn kinderen der natuur, ongeleerde vechters!”zeide mijn buurman;“er heerscht noch kunst noch overleg in hunne wijze van boksen.”—„Heeft men het hier dan zoo ver gebragt, dat men de kunst van vuistvechten naar grondregelen uitoefent?”—„Zonder twijfel! Even als in de schermkunst, hebben wij hier leermeesters in deze wetenschap, en het is gemakkelijk te zien, dat deze twee menschen zich weinig geoefend, of ten minste slechte meesters gehad hebben.”Op dit oogenblik bragtDick, met eenen uitgestrekten arm, zijner partijTomeenen, zoo wel gerigten, vuistslag onder de laatste rib toe, dat die als een os ter neder stortte.Middelerwijl de twee secondanten vanTomhem oprigtten, zeide ik tegen mijnen buurman: „ziedaar uwe weddingschap gewonnen!” In het denkbeeld verkeerende, dat door den val van den eenen der strijders het gevecht geheel geeindigd was.„Gewonnen! riep hij, och, mijn vriend!zoo ver zijn wij nog niet.Tomzal het zoo gemakkelijk niet opgeven: het gevecht eindigt niet, voor dat een van beiden bekent, overwonnen te zijn.”—„En waarom heeftDickzich dan niet van zijn voordeel bediend, en zijne partij gedwongen, zijne nederlaag te bekennen?”—„Dewijl deze soort van gevecht, even als iedere andere, naar regt en wetten behandeld wordt, en men zijnen neergevelden vijand geene slagen mag toebrengen.”Intusschen wasTomweder op de been gekomen, en had den aanval hernieuwd. Eenige oogenblikken daarna liet hij zijne vuist zoo onzacht op het kakebeen vanDicknederglijden, dat deze, op zijne beurt, insgelijks den grond kuste, terwijl een stroom van bloed, met eenige tanden, uit zijnen mond vloog.Na eenen korten stilstand hernieuwde men het gevecht.Dick, zich houdende, als of hij nogmaals eenen aanval op de ribben van zijne partij wilde doen, drukte, door eene vaardige wending, onverwachts zijne volle vuist zoo onzacht op den regter kijker van zijnen vijand, dat deze, tegen wil en dank, het, door deze persing opgezwollene, venster gesloten moest houden.„Niet slecht!”riep mijn buurman,„nietslecht!”Doch naauwelijks was het tweedeniet slecht!over zijne lippen gegleden, ofTomonthaalde den neus vanDickop eene zoo allergeweldigste stomp, dat uit beide neusgaten twee bloedfonteinen sprongen, terwijlDickruggelings op den grond nedertuimelde. Nu snelden zijne twee secondanten vaardig toe, reinigden zijn gezigt met sponsen van het bloed, en rigtten hem op, ter hervatting van dit moorddadig gevecht.Thans scheenDickal zijne pogingen aan te wenden, om het linker oog van zijne partij in denzelfden toestand als het regter te brengen. Het kwam mij dus voor, datDick, alhoewel niet sterk voor debroederschapingenomen, echter des te krachtdadiger degelijkheidbetrachtte, tot welk einde hij telkens devrijheidnam, om zijne vuist met het linker oog vanTomin aanraking te brengen, en hetzelve, op deze wijze, gelijkvormig aan het regter te maken. Daarbij scheen hij volstrekt ongevoelig voor de slagen, welke hij ontving, en niet eens te merken, dat stroomen bloeds uit zijnen mond en neus ontsprongen, toen het hem eindelijk gelukte, het voorgestelde doel te bereiken, en het andere oog van zijnen vijand insgelijks te treffen en te sluiten, zoo datdeze rampzalige nu te regt kon gezegd wordenblind geslagente zijn, welke kunstbewerking inEngelandbij het edele boksen den uitvoerder den grootsten roem verschaft. Dan daar, helaas! in het menschelijke leven het grootste geluk veelal door rampen is verzeld, ontving de oculist gelijktijdig van zijnen lijder, ter betaling voor de opgedrongene kuur, eenen zoo hevigen slag op den hartkuil, dat hij zelf ten derdemaal op den grond nederplofte.Nu dacht ik ten minste zeker, dat de strijd geëindigd was.Tom, wiens luiken digt geslagen waren, scheen mij door dit kleine beletsel buiten staat, om zich te verdedigen, en dus veel minder in staat, om den aanval te kunnen doen; en den, op den grond uitgestrekten en naauwelijks adem kunnende halen,Dickwas het, mijns oordeels, insgelijks onmogelijk, het gevecht te hervatten. Maar ik bedroog mij nogmaals.De secondanten vanDickkwamen andermaals bij hem, wiesschen hem op nieuw het bloed met sponsen van het gezigt, drukten hem citroensap in zijnen mond, verkwikten den sterk beschadigden neus insgelijks met eenige droppelen van datzelfde vocht, en trachtten hem te overtuigen, dat hij met een weinigjemoed en standvastigheid ongetwijfeld overwinnaar moest worden; wijl hij zijne tegenpartij geheelenalblindhad geklopt; en zij bragten het inderdaad ook zoo ver, dat zij hem overeind kregen, en door hunne aanspraak weder met nieuwen moed bezielden.Gedurende dezen tijd bleven de vrienden vanTomgeenszins werkeloos. Een ligte lancetsteek onder beide de oogen, deed het daartusschen gedrongen bloed over de wangen loopen, en verminderde in zoo verre de ontsteking, dat de lijder een weinigje kon zien.Nu vielen zij met vernieuwde woede, als twee tijgers, op elkander aan, en eene menigte van vuistslagen, wederzijds gegeven en ontvangen, bragt zulk eene hoeveelheid bloeds te voorschijn, dat de beide vechters er geheel mede bedekt waren.En zelfs vrouwen konden op dit afgrijsselijk schouwspel hunne teedere oogen vestigen! oogen, welke zich nimmer moesten openen, dan, om tooneelen van vermaak en stille vreugde te beschouwen! „Helaas!”zeide ik bij mij zelven,„zijn deze, welke ik hier ontmoet, Engelsche—zijn deze wel Europesche vrouwen?—Zijn het niet veeleer vrouwen (vrouwen, zeg ik!) neen, vrouwelijke monsters uit de horden der Kannibalen, die met wellustrondom de vlammen dansen, in welker midden zij den ongelukkigen gevangene, langzaam bradende aan eenen paal, van een scheuren, en deszelfs geblakerde leden met de lillende ingewanden tot een smakelijk voedsel nuttigen!”Doch, terwijl ik mij in deze en dergelijke overdenkingen verdiepte, gaf de ongelukkigeTom, door eenen laatsten hartslag ter nedergeveld, groote gulpen bloeds over, en alle moeite, welke zijne secondanten, eenige minuten lang, aanwendden, om hem op de been te houden, vruchteloos bevonden zijnde, behield zijne tegenpartij het slagveld, en werd, met eenige tanden in den mond minder, een paar bont en blaauw geslagene oogen en eenen gebroken neus, door zijne vrienden juichende als overwinnaar weggeleid.Twist of oneenigheid is echter niet altijd de aanleidende oorzaak van deze vuistgevechten, o neen! er is een aantalboksers van beroep, die om geld deze moorddadige kunst uitoefenen, en in dat geval is eene beurs met twintig, dertig of vijftig guinies tot eenen prijs voor den overwinnaar bestemd. De eene of andere rijke en aanzienlijkeLordlaat in zijn park eenen ruimen omtrek met palen en touwen afsluiten, welke tot het slagveld voor de kampvechters verstrekt, en waar zij ongehinderdhunne vlugheid, kracht en bekwaamheden kunnen ten toon spreiden. Alsdan worden er belangrijke weddingschappen aangegaan, en welgelukzalig zij, welken het te beurt valt, de eer te genieten, om in het vermaak van dit bekoorlijk schouwspel te mogen deelen, even als in vroegere tijden vorsten en edelen de ridderspelen met hunne tegenwoordigheid vereerden.En dan durft men de Romeinen nog van wreedheid beschuldigen; wijl hunne oogen zich in den strijd der zwaardvechters konden verlustigen! Dit oorlogzuchtige volk, onder de wapenen geboren en in den krijg opgevoed, zag immers in die gevechten slechts het afbeeldsel van den oorlog, en daarenboven was ieder burger soldaat. De vechters zelve waren bezield met de zucht tot roem. Als een hunner, na zich dapper gekweten te hebben, op het punt stond van den doodsteek te ontvangen, gaven de aanschouwers dikwijls hun verlangen te kennen, dat de ongelukkige mogt gespaard worden, ten welken einde zij hunne handen opstaken, met hunne doeken wuifden en somwijlen met een onstuimig geschreeuw de vrijheid van den verwonnenen eischten.Maar welk een belang toch kan een laag en hatelijk vuistgevecht verwekken, gedurende hetwelk de aanschouwers zich met niets andersschijnen bezig te houden, dan met pogingen, om de verwoedheid der razende vechters aan te moedigen, tot eindelijk een hunner bijna levenloos nederstort? En dit is nogtans een der meest geliefkoosde vermaken van het volk, dat zich, bij uitzondering, hetdenkendenoemt.

XIX.De Vuistvechters.(Boksers.)Slechts zeer weinige menschen brengen den dag door naar het ontwerp, hetwelk zij den vorigen avond gevormd hebben. Aan den eenen kant wederstreeft ons bijna altijd in onze voornemens het register van onvoorziene toevallen, hetwelk zoo vruchtbaar in deszelfs geheelen omvang is; terwijl, aan den anderen kant, onze eigene wispelturigheid ons niet zelden een welberaamd besluit doet opgeven, om een ander te volgen, hetwelk een louter toeval deed geboren worden. In een woord, wanneer wij het onderscheid tusschenwillenendoen,beramenenuitvoeren, naauwkeurig gadeslaan, dan zullen wij ons meestal in de slotsom onzer ontwerpen jammerlijk bedrogen vinden. Men denkt, zich, bij voorbeeld, in den schouwburg te vermaken, en men geeuwt er: men waant, veel leerzaams in het een of ander Genootschap van Wetenschappen te zullen hooren, en men sluimert er zachtkens in: men vervoegt zich in het een of ander gezelschap, op hoopvan een geliefdkoosd voorwerp te ontmoeten; men is er, en zij komt niet:—men is voornemens, eener lieve jonge vrouw een bezoek te geven, en men treft haren ouden echtgenoot aan.Evenwel moet men ook toestemmen, dat het toeval, onze ontwerpen verijdelende, ons dikwijls veel beter dient, dan wij ons hadden kunnen verbeelden; en hij, die ter goeder trouw eenen blik op het verledene wilde terugwerpen, zou ongetwijfeld moeten bekennen, dat hij een groot gedeelte van het wel slagen zijner ondernemingen, hetwelk zijne eigenliefde aan het wel beramen van zijne plans wil toeschrijven, veeleer aan het bloote geval te danken heeft.Even zoo was ik aan het lot het gezigt van een schouwspel verschuldigd, dat wel niet zeer aanlokkend voor eenen Franschman, doch des te belangrijker voor een volk is, hetwelk meer vermaak vindt in de geestverschijning inMacbeth, en in de ijsselijkheden inKoning Lear, dan in de verteederende droefheid van eeneIphigenie, en in de zachte tranen, welke de wegslepende moederliefde van eeneAndromacheuit de oogen doet vloeijen. Doch de beschouwer is dikwijls genoodzaakt, zijne oogen op voorwerpen te vestigen, welke hem met afschrik vervullen; even als de ontleedkundige door hetontleden der lijken lessen verzamelt, om de smarten der lijdende menschheid te verligten.—„Ziedaar eene waarlijk lange inleiding!”Maar vergeet tevens niet, op te merken, waarde lezer! dat het de eerste is, waarop ik u vergast; en indien zij u al min of meer verveeld hebbe, bedank mij dan ten minste, dat ik niet al mijne hoofdstukken, even als vele dagbladschrijvers gewoonlijk hunne tijdingen beginnen, met eene voorrede heb aangevangen, die meestal zoo weinig betrekking heeft tot het onderwerp, dat behandeld zal worden, als de zeden vanLondennaar die vanParijsgelijken. Doch daar het uw wil is, zal ik eenige aanmerkingen, welke ik hier eigenlijk nog te maken had, in mijne pen houden, en mij spoeden, om tot de zaak zelve te komen.Het paleis van den Prins Regent vanEngelandligt bijna in het midden der stad, inPall-mall.Men heeft het voornemen, van dit punt, in eene regte lijn, eene groote en zeer fraaije straat, in de lengte een aanzienlijk gedeelte der stad doorsnijdende, tot aanNew-roadte leiden, en dus metRegents-Parkte vereenigen.Een gedeelte dezer onderneming heeft men ook reeds ten uitvoer gebragt, en deze nieuwestraat, welkePortland-placegenoemd wordt, en voorzeker de schoonste van geheelLondenzal zijn, maakt omtrent een vijfde gedeelte dezer hoofdstad uit, en zal ten naastenbij drie kwartier uurs lang zijn.New-road, hetwelk in het Fransch zoo veel, alsNieuwe Aanlegbeteekent, is in een der uithoeken van de stad gelegen, digt bij hetRegents-park, of hetPark van den Prins Regent.Op zekeren morgen, niets te doen hebbende, ging ik al vrij vroeg uit, met het voornemen, om het nieuwe plantsoen inRegent’s-park, dat nog niet in volle orde is, te bezigtigen. In denNieuwen Aanleggekomen, zag ik op zekere hoogte,Primrose-hillgenaamd, van verre in het veld, eene groote menigte van mannen en vrouwen, en tegelijk een aantal menschen, die, dwars overstekende, uit al hunne magt naar hetzelfde punt liepen. Hier bleek het weder, dat ik, even als zij, een echte afstammeling van onze goede moederEvawas: ik vergat het doel mijner wandeling, en liet mij door denDaemonder nieuwsgierigheid naar dezelfde zijde heen slepen.De bonte menigte bestond uit lieden van allerlei stand en rang der beide seksen: eene welgekleedde dame stond naast eenen kruijer of lastdrager, en een opgeschikte modezoontusschen eenen hoop van vischwijven en bedelaarsters. De aanschouwers vormden eenen ongemeen wijden kring, in wiens midden een man van eene Herculische gestalte bezig was, met zich van zijne das, zijnen rok, en zijn vest en eindelijk van zijn hemd te ontdoen, waarna, tot mijne groote verwondering, het baaijen onderhemdje hetzelfde lot onderging, zoo dat ik nu zeker vooronderstelde, dat broek en kousen de uitgetrokken plunje zouden navolgen; doch dit gebeurde niet. De oogen en wangen der zedigeLadij’s, welke dit schouwspel met hare tegenwoordigheid vereerden, schenen, tot mijne uiterste verbazing, noch te blikken, noch te blozen op het gezigt van eenen man, die tot aan zijn midden moedernaakt voor haar stond. Weinige oogenblikken hierna konden zij een dubbel genoegen smaken; want een ander kampvechter, die zich buiten den kring ontkleed had, kwam nu, vol drift, door de menigte heen dringen, om zijne partij te ontmoeten. Ieder was door twee mannen vergezeld, die bestemd waren, om ruimbaan voor de kampioenen te houden en hen, des noods, te ondersteunen. De laatst gekomene was intusschen veel kleiner, dan de eerste, maar zijne spieren en pezen, die borst, rug en armen bekleedden, verkondigden den aanschouwer, dat de natuurhem voor zijne kleinere gestalte rijkelijk schadeloos had gesteld door het geschenk van buitengewone ligchaamskrachten.Na veel moeite gelukte het mij, plaats te vinden onder de echte liefhebbers, en wel in den eersten rang, naast eenen bejaarden Engelschman, die zeer oplettend was op al, wat er voorviel, en wien ik verzocht, mij te onderrigten, wat deze bijeenkomst eigenlijk beduidde, en wat er gebeuren zou.„Gij zijt een vreemdeling,”zeide hij,„uwe vraag—alleen zou mij dit ontdekt hebben, indien uwe uitspraak u niet reeds verraden hadde.—Gij zult zienboksen, maar ik vrees, dat wij niet veel pleizier zullen hebben; want deze knapen zijn juist niet van de voornaamsten; het zijn twee ambachtslieden, die gisteren toevallig verschil gekregen, en hier tijd en plaats bepaald hebben, om hetzelve te beslechten. Maar wacht! let op! let op! zij beginnen!”„Tien guinies tegen zeven opTom!” schreeuwde een jong mensch, die eenige schreden van ons af stond, uit al zijne magt.Tomwas degene, die het voordeel der grootte had.„Ik houd de zeven guinies opDick!”riep de Engelschman, die naast mij stond.En op het oogenblik kwamen de twee kampvechtersmet geslotene vuisten op elkander af, en trachtten, wel vijf minuten lang, elkander duchtige vuistslagen toe te brengen, welke zij echter beide met veel vlug- en vaardigheid wisten af te keeren.„Het zijn kinderen der natuur, ongeleerde vechters!”zeide mijn buurman;“er heerscht noch kunst noch overleg in hunne wijze van boksen.”—„Heeft men het hier dan zoo ver gebragt, dat men de kunst van vuistvechten naar grondregelen uitoefent?”—„Zonder twijfel! Even als in de schermkunst, hebben wij hier leermeesters in deze wetenschap, en het is gemakkelijk te zien, dat deze twee menschen zich weinig geoefend, of ten minste slechte meesters gehad hebben.”Op dit oogenblik bragtDick, met eenen uitgestrekten arm, zijner partijTomeenen, zoo wel gerigten, vuistslag onder de laatste rib toe, dat die als een os ter neder stortte.Middelerwijl de twee secondanten vanTomhem oprigtten, zeide ik tegen mijnen buurman: „ziedaar uwe weddingschap gewonnen!” In het denkbeeld verkeerende, dat door den val van den eenen der strijders het gevecht geheel geeindigd was.„Gewonnen! riep hij, och, mijn vriend!zoo ver zijn wij nog niet.Tomzal het zoo gemakkelijk niet opgeven: het gevecht eindigt niet, voor dat een van beiden bekent, overwonnen te zijn.”—„En waarom heeftDickzich dan niet van zijn voordeel bediend, en zijne partij gedwongen, zijne nederlaag te bekennen?”—„Dewijl deze soort van gevecht, even als iedere andere, naar regt en wetten behandeld wordt, en men zijnen neergevelden vijand geene slagen mag toebrengen.”Intusschen wasTomweder op de been gekomen, en had den aanval hernieuwd. Eenige oogenblikken daarna liet hij zijne vuist zoo onzacht op het kakebeen vanDicknederglijden, dat deze, op zijne beurt, insgelijks den grond kuste, terwijl een stroom van bloed, met eenige tanden, uit zijnen mond vloog.Na eenen korten stilstand hernieuwde men het gevecht.Dick, zich houdende, als of hij nogmaals eenen aanval op de ribben van zijne partij wilde doen, drukte, door eene vaardige wending, onverwachts zijne volle vuist zoo onzacht op den regter kijker van zijnen vijand, dat deze, tegen wil en dank, het, door deze persing opgezwollene, venster gesloten moest houden.„Niet slecht!”riep mijn buurman,„nietslecht!”Doch naauwelijks was het tweedeniet slecht!over zijne lippen gegleden, ofTomonthaalde den neus vanDickop eene zoo allergeweldigste stomp, dat uit beide neusgaten twee bloedfonteinen sprongen, terwijlDickruggelings op den grond nedertuimelde. Nu snelden zijne twee secondanten vaardig toe, reinigden zijn gezigt met sponsen van het bloed, en rigtten hem op, ter hervatting van dit moorddadig gevecht.Thans scheenDickal zijne pogingen aan te wenden, om het linker oog van zijne partij in denzelfden toestand als het regter te brengen. Het kwam mij dus voor, datDick, alhoewel niet sterk voor debroederschapingenomen, echter des te krachtdadiger degelijkheidbetrachtte, tot welk einde hij telkens devrijheidnam, om zijne vuist met het linker oog vanTomin aanraking te brengen, en hetzelve, op deze wijze, gelijkvormig aan het regter te maken. Daarbij scheen hij volstrekt ongevoelig voor de slagen, welke hij ontving, en niet eens te merken, dat stroomen bloeds uit zijnen mond en neus ontsprongen, toen het hem eindelijk gelukte, het voorgestelde doel te bereiken, en het andere oog van zijnen vijand insgelijks te treffen en te sluiten, zoo datdeze rampzalige nu te regt kon gezegd wordenblind geslagente zijn, welke kunstbewerking inEngelandbij het edele boksen den uitvoerder den grootsten roem verschaft. Dan daar, helaas! in het menschelijke leven het grootste geluk veelal door rampen is verzeld, ontving de oculist gelijktijdig van zijnen lijder, ter betaling voor de opgedrongene kuur, eenen zoo hevigen slag op den hartkuil, dat hij zelf ten derdemaal op den grond nederplofte.Nu dacht ik ten minste zeker, dat de strijd geëindigd was.Tom, wiens luiken digt geslagen waren, scheen mij door dit kleine beletsel buiten staat, om zich te verdedigen, en dus veel minder in staat, om den aanval te kunnen doen; en den, op den grond uitgestrekten en naauwelijks adem kunnende halen,Dickwas het, mijns oordeels, insgelijks onmogelijk, het gevecht te hervatten. Maar ik bedroog mij nogmaals.De secondanten vanDickkwamen andermaals bij hem, wiesschen hem op nieuw het bloed met sponsen van het gezigt, drukten hem citroensap in zijnen mond, verkwikten den sterk beschadigden neus insgelijks met eenige droppelen van datzelfde vocht, en trachtten hem te overtuigen, dat hij met een weinigjemoed en standvastigheid ongetwijfeld overwinnaar moest worden; wijl hij zijne tegenpartij geheelenalblindhad geklopt; en zij bragten het inderdaad ook zoo ver, dat zij hem overeind kregen, en door hunne aanspraak weder met nieuwen moed bezielden.Gedurende dezen tijd bleven de vrienden vanTomgeenszins werkeloos. Een ligte lancetsteek onder beide de oogen, deed het daartusschen gedrongen bloed over de wangen loopen, en verminderde in zoo verre de ontsteking, dat de lijder een weinigje kon zien.Nu vielen zij met vernieuwde woede, als twee tijgers, op elkander aan, en eene menigte van vuistslagen, wederzijds gegeven en ontvangen, bragt zulk eene hoeveelheid bloeds te voorschijn, dat de beide vechters er geheel mede bedekt waren.En zelfs vrouwen konden op dit afgrijsselijk schouwspel hunne teedere oogen vestigen! oogen, welke zich nimmer moesten openen, dan, om tooneelen van vermaak en stille vreugde te beschouwen! „Helaas!”zeide ik bij mij zelven,„zijn deze, welke ik hier ontmoet, Engelsche—zijn deze wel Europesche vrouwen?—Zijn het niet veeleer vrouwen (vrouwen, zeg ik!) neen, vrouwelijke monsters uit de horden der Kannibalen, die met wellustrondom de vlammen dansen, in welker midden zij den ongelukkigen gevangene, langzaam bradende aan eenen paal, van een scheuren, en deszelfs geblakerde leden met de lillende ingewanden tot een smakelijk voedsel nuttigen!”Doch, terwijl ik mij in deze en dergelijke overdenkingen verdiepte, gaf de ongelukkigeTom, door eenen laatsten hartslag ter nedergeveld, groote gulpen bloeds over, en alle moeite, welke zijne secondanten, eenige minuten lang, aanwendden, om hem op de been te houden, vruchteloos bevonden zijnde, behield zijne tegenpartij het slagveld, en werd, met eenige tanden in den mond minder, een paar bont en blaauw geslagene oogen en eenen gebroken neus, door zijne vrienden juichende als overwinnaar weggeleid.Twist of oneenigheid is echter niet altijd de aanleidende oorzaak van deze vuistgevechten, o neen! er is een aantalboksers van beroep, die om geld deze moorddadige kunst uitoefenen, en in dat geval is eene beurs met twintig, dertig of vijftig guinies tot eenen prijs voor den overwinnaar bestemd. De eene of andere rijke en aanzienlijkeLordlaat in zijn park eenen ruimen omtrek met palen en touwen afsluiten, welke tot het slagveld voor de kampvechters verstrekt, en waar zij ongehinderdhunne vlugheid, kracht en bekwaamheden kunnen ten toon spreiden. Alsdan worden er belangrijke weddingschappen aangegaan, en welgelukzalig zij, welken het te beurt valt, de eer te genieten, om in het vermaak van dit bekoorlijk schouwspel te mogen deelen, even als in vroegere tijden vorsten en edelen de ridderspelen met hunne tegenwoordigheid vereerden.En dan durft men de Romeinen nog van wreedheid beschuldigen; wijl hunne oogen zich in den strijd der zwaardvechters konden verlustigen! Dit oorlogzuchtige volk, onder de wapenen geboren en in den krijg opgevoed, zag immers in die gevechten slechts het afbeeldsel van den oorlog, en daarenboven was ieder burger soldaat. De vechters zelve waren bezield met de zucht tot roem. Als een hunner, na zich dapper gekweten te hebben, op het punt stond van den doodsteek te ontvangen, gaven de aanschouwers dikwijls hun verlangen te kennen, dat de ongelukkige mogt gespaard worden, ten welken einde zij hunne handen opstaken, met hunne doeken wuifden en somwijlen met een onstuimig geschreeuw de vrijheid van den verwonnenen eischten.Maar welk een belang toch kan een laag en hatelijk vuistgevecht verwekken, gedurende hetwelk de aanschouwers zich met niets andersschijnen bezig te houden, dan met pogingen, om de verwoedheid der razende vechters aan te moedigen, tot eindelijk een hunner bijna levenloos nederstort? En dit is nogtans een der meest geliefkoosde vermaken van het volk, dat zich, bij uitzondering, hetdenkendenoemt.

XIX.De Vuistvechters.(Boksers.)

Slechts zeer weinige menschen brengen den dag door naar het ontwerp, hetwelk zij den vorigen avond gevormd hebben. Aan den eenen kant wederstreeft ons bijna altijd in onze voornemens het register van onvoorziene toevallen, hetwelk zoo vruchtbaar in deszelfs geheelen omvang is; terwijl, aan den anderen kant, onze eigene wispelturigheid ons niet zelden een welberaamd besluit doet opgeven, om een ander te volgen, hetwelk een louter toeval deed geboren worden. In een woord, wanneer wij het onderscheid tusschenwillenendoen,beramenenuitvoeren, naauwkeurig gadeslaan, dan zullen wij ons meestal in de slotsom onzer ontwerpen jammerlijk bedrogen vinden. Men denkt, zich, bij voorbeeld, in den schouwburg te vermaken, en men geeuwt er: men waant, veel leerzaams in het een of ander Genootschap van Wetenschappen te zullen hooren, en men sluimert er zachtkens in: men vervoegt zich in het een of ander gezelschap, op hoopvan een geliefdkoosd voorwerp te ontmoeten; men is er, en zij komt niet:—men is voornemens, eener lieve jonge vrouw een bezoek te geven, en men treft haren ouden echtgenoot aan.Evenwel moet men ook toestemmen, dat het toeval, onze ontwerpen verijdelende, ons dikwijls veel beter dient, dan wij ons hadden kunnen verbeelden; en hij, die ter goeder trouw eenen blik op het verledene wilde terugwerpen, zou ongetwijfeld moeten bekennen, dat hij een groot gedeelte van het wel slagen zijner ondernemingen, hetwelk zijne eigenliefde aan het wel beramen van zijne plans wil toeschrijven, veeleer aan het bloote geval te danken heeft.Even zoo was ik aan het lot het gezigt van een schouwspel verschuldigd, dat wel niet zeer aanlokkend voor eenen Franschman, doch des te belangrijker voor een volk is, hetwelk meer vermaak vindt in de geestverschijning inMacbeth, en in de ijsselijkheden inKoning Lear, dan in de verteederende droefheid van eeneIphigenie, en in de zachte tranen, welke de wegslepende moederliefde van eeneAndromacheuit de oogen doet vloeijen. Doch de beschouwer is dikwijls genoodzaakt, zijne oogen op voorwerpen te vestigen, welke hem met afschrik vervullen; even als de ontleedkundige door hetontleden der lijken lessen verzamelt, om de smarten der lijdende menschheid te verligten.—„Ziedaar eene waarlijk lange inleiding!”Maar vergeet tevens niet, op te merken, waarde lezer! dat het de eerste is, waarop ik u vergast; en indien zij u al min of meer verveeld hebbe, bedank mij dan ten minste, dat ik niet al mijne hoofdstukken, even als vele dagbladschrijvers gewoonlijk hunne tijdingen beginnen, met eene voorrede heb aangevangen, die meestal zoo weinig betrekking heeft tot het onderwerp, dat behandeld zal worden, als de zeden vanLondennaar die vanParijsgelijken. Doch daar het uw wil is, zal ik eenige aanmerkingen, welke ik hier eigenlijk nog te maken had, in mijne pen houden, en mij spoeden, om tot de zaak zelve te komen.Het paleis van den Prins Regent vanEngelandligt bijna in het midden der stad, inPall-mall.Men heeft het voornemen, van dit punt, in eene regte lijn, eene groote en zeer fraaije straat, in de lengte een aanzienlijk gedeelte der stad doorsnijdende, tot aanNew-roadte leiden, en dus metRegents-Parkte vereenigen.Een gedeelte dezer onderneming heeft men ook reeds ten uitvoer gebragt, en deze nieuwestraat, welkePortland-placegenoemd wordt, en voorzeker de schoonste van geheelLondenzal zijn, maakt omtrent een vijfde gedeelte dezer hoofdstad uit, en zal ten naastenbij drie kwartier uurs lang zijn.New-road, hetwelk in het Fransch zoo veel, alsNieuwe Aanlegbeteekent, is in een der uithoeken van de stad gelegen, digt bij hetRegents-park, of hetPark van den Prins Regent.Op zekeren morgen, niets te doen hebbende, ging ik al vrij vroeg uit, met het voornemen, om het nieuwe plantsoen inRegent’s-park, dat nog niet in volle orde is, te bezigtigen. In denNieuwen Aanleggekomen, zag ik op zekere hoogte,Primrose-hillgenaamd, van verre in het veld, eene groote menigte van mannen en vrouwen, en tegelijk een aantal menschen, die, dwars overstekende, uit al hunne magt naar hetzelfde punt liepen. Hier bleek het weder, dat ik, even als zij, een echte afstammeling van onze goede moederEvawas: ik vergat het doel mijner wandeling, en liet mij door denDaemonder nieuwsgierigheid naar dezelfde zijde heen slepen.De bonte menigte bestond uit lieden van allerlei stand en rang der beide seksen: eene welgekleedde dame stond naast eenen kruijer of lastdrager, en een opgeschikte modezoontusschen eenen hoop van vischwijven en bedelaarsters. De aanschouwers vormden eenen ongemeen wijden kring, in wiens midden een man van eene Herculische gestalte bezig was, met zich van zijne das, zijnen rok, en zijn vest en eindelijk van zijn hemd te ontdoen, waarna, tot mijne groote verwondering, het baaijen onderhemdje hetzelfde lot onderging, zoo dat ik nu zeker vooronderstelde, dat broek en kousen de uitgetrokken plunje zouden navolgen; doch dit gebeurde niet. De oogen en wangen der zedigeLadij’s, welke dit schouwspel met hare tegenwoordigheid vereerden, schenen, tot mijne uiterste verbazing, noch te blikken, noch te blozen op het gezigt van eenen man, die tot aan zijn midden moedernaakt voor haar stond. Weinige oogenblikken hierna konden zij een dubbel genoegen smaken; want een ander kampvechter, die zich buiten den kring ontkleed had, kwam nu, vol drift, door de menigte heen dringen, om zijne partij te ontmoeten. Ieder was door twee mannen vergezeld, die bestemd waren, om ruimbaan voor de kampioenen te houden en hen, des noods, te ondersteunen. De laatst gekomene was intusschen veel kleiner, dan de eerste, maar zijne spieren en pezen, die borst, rug en armen bekleedden, verkondigden den aanschouwer, dat de natuurhem voor zijne kleinere gestalte rijkelijk schadeloos had gesteld door het geschenk van buitengewone ligchaamskrachten.Na veel moeite gelukte het mij, plaats te vinden onder de echte liefhebbers, en wel in den eersten rang, naast eenen bejaarden Engelschman, die zeer oplettend was op al, wat er voorviel, en wien ik verzocht, mij te onderrigten, wat deze bijeenkomst eigenlijk beduidde, en wat er gebeuren zou.„Gij zijt een vreemdeling,”zeide hij,„uwe vraag—alleen zou mij dit ontdekt hebben, indien uwe uitspraak u niet reeds verraden hadde.—Gij zult zienboksen, maar ik vrees, dat wij niet veel pleizier zullen hebben; want deze knapen zijn juist niet van de voornaamsten; het zijn twee ambachtslieden, die gisteren toevallig verschil gekregen, en hier tijd en plaats bepaald hebben, om hetzelve te beslechten. Maar wacht! let op! let op! zij beginnen!”„Tien guinies tegen zeven opTom!” schreeuwde een jong mensch, die eenige schreden van ons af stond, uit al zijne magt.Tomwas degene, die het voordeel der grootte had.„Ik houd de zeven guinies opDick!”riep de Engelschman, die naast mij stond.En op het oogenblik kwamen de twee kampvechtersmet geslotene vuisten op elkander af, en trachtten, wel vijf minuten lang, elkander duchtige vuistslagen toe te brengen, welke zij echter beide met veel vlug- en vaardigheid wisten af te keeren.„Het zijn kinderen der natuur, ongeleerde vechters!”zeide mijn buurman;“er heerscht noch kunst noch overleg in hunne wijze van boksen.”—„Heeft men het hier dan zoo ver gebragt, dat men de kunst van vuistvechten naar grondregelen uitoefent?”—„Zonder twijfel! Even als in de schermkunst, hebben wij hier leermeesters in deze wetenschap, en het is gemakkelijk te zien, dat deze twee menschen zich weinig geoefend, of ten minste slechte meesters gehad hebben.”Op dit oogenblik bragtDick, met eenen uitgestrekten arm, zijner partijTomeenen, zoo wel gerigten, vuistslag onder de laatste rib toe, dat die als een os ter neder stortte.Middelerwijl de twee secondanten vanTomhem oprigtten, zeide ik tegen mijnen buurman: „ziedaar uwe weddingschap gewonnen!” In het denkbeeld verkeerende, dat door den val van den eenen der strijders het gevecht geheel geeindigd was.„Gewonnen! riep hij, och, mijn vriend!zoo ver zijn wij nog niet.Tomzal het zoo gemakkelijk niet opgeven: het gevecht eindigt niet, voor dat een van beiden bekent, overwonnen te zijn.”—„En waarom heeftDickzich dan niet van zijn voordeel bediend, en zijne partij gedwongen, zijne nederlaag te bekennen?”—„Dewijl deze soort van gevecht, even als iedere andere, naar regt en wetten behandeld wordt, en men zijnen neergevelden vijand geene slagen mag toebrengen.”Intusschen wasTomweder op de been gekomen, en had den aanval hernieuwd. Eenige oogenblikken daarna liet hij zijne vuist zoo onzacht op het kakebeen vanDicknederglijden, dat deze, op zijne beurt, insgelijks den grond kuste, terwijl een stroom van bloed, met eenige tanden, uit zijnen mond vloog.Na eenen korten stilstand hernieuwde men het gevecht.Dick, zich houdende, als of hij nogmaals eenen aanval op de ribben van zijne partij wilde doen, drukte, door eene vaardige wending, onverwachts zijne volle vuist zoo onzacht op den regter kijker van zijnen vijand, dat deze, tegen wil en dank, het, door deze persing opgezwollene, venster gesloten moest houden.„Niet slecht!”riep mijn buurman,„nietslecht!”Doch naauwelijks was het tweedeniet slecht!over zijne lippen gegleden, ofTomonthaalde den neus vanDickop eene zoo allergeweldigste stomp, dat uit beide neusgaten twee bloedfonteinen sprongen, terwijlDickruggelings op den grond nedertuimelde. Nu snelden zijne twee secondanten vaardig toe, reinigden zijn gezigt met sponsen van het bloed, en rigtten hem op, ter hervatting van dit moorddadig gevecht.Thans scheenDickal zijne pogingen aan te wenden, om het linker oog van zijne partij in denzelfden toestand als het regter te brengen. Het kwam mij dus voor, datDick, alhoewel niet sterk voor debroederschapingenomen, echter des te krachtdadiger degelijkheidbetrachtte, tot welk einde hij telkens devrijheidnam, om zijne vuist met het linker oog vanTomin aanraking te brengen, en hetzelve, op deze wijze, gelijkvormig aan het regter te maken. Daarbij scheen hij volstrekt ongevoelig voor de slagen, welke hij ontving, en niet eens te merken, dat stroomen bloeds uit zijnen mond en neus ontsprongen, toen het hem eindelijk gelukte, het voorgestelde doel te bereiken, en het andere oog van zijnen vijand insgelijks te treffen en te sluiten, zoo datdeze rampzalige nu te regt kon gezegd wordenblind geslagente zijn, welke kunstbewerking inEngelandbij het edele boksen den uitvoerder den grootsten roem verschaft. Dan daar, helaas! in het menschelijke leven het grootste geluk veelal door rampen is verzeld, ontving de oculist gelijktijdig van zijnen lijder, ter betaling voor de opgedrongene kuur, eenen zoo hevigen slag op den hartkuil, dat hij zelf ten derdemaal op den grond nederplofte.Nu dacht ik ten minste zeker, dat de strijd geëindigd was.Tom, wiens luiken digt geslagen waren, scheen mij door dit kleine beletsel buiten staat, om zich te verdedigen, en dus veel minder in staat, om den aanval te kunnen doen; en den, op den grond uitgestrekten en naauwelijks adem kunnende halen,Dickwas het, mijns oordeels, insgelijks onmogelijk, het gevecht te hervatten. Maar ik bedroog mij nogmaals.De secondanten vanDickkwamen andermaals bij hem, wiesschen hem op nieuw het bloed met sponsen van het gezigt, drukten hem citroensap in zijnen mond, verkwikten den sterk beschadigden neus insgelijks met eenige droppelen van datzelfde vocht, en trachtten hem te overtuigen, dat hij met een weinigjemoed en standvastigheid ongetwijfeld overwinnaar moest worden; wijl hij zijne tegenpartij geheelenalblindhad geklopt; en zij bragten het inderdaad ook zoo ver, dat zij hem overeind kregen, en door hunne aanspraak weder met nieuwen moed bezielden.Gedurende dezen tijd bleven de vrienden vanTomgeenszins werkeloos. Een ligte lancetsteek onder beide de oogen, deed het daartusschen gedrongen bloed over de wangen loopen, en verminderde in zoo verre de ontsteking, dat de lijder een weinigje kon zien.Nu vielen zij met vernieuwde woede, als twee tijgers, op elkander aan, en eene menigte van vuistslagen, wederzijds gegeven en ontvangen, bragt zulk eene hoeveelheid bloeds te voorschijn, dat de beide vechters er geheel mede bedekt waren.En zelfs vrouwen konden op dit afgrijsselijk schouwspel hunne teedere oogen vestigen! oogen, welke zich nimmer moesten openen, dan, om tooneelen van vermaak en stille vreugde te beschouwen! „Helaas!”zeide ik bij mij zelven,„zijn deze, welke ik hier ontmoet, Engelsche—zijn deze wel Europesche vrouwen?—Zijn het niet veeleer vrouwen (vrouwen, zeg ik!) neen, vrouwelijke monsters uit de horden der Kannibalen, die met wellustrondom de vlammen dansen, in welker midden zij den ongelukkigen gevangene, langzaam bradende aan eenen paal, van een scheuren, en deszelfs geblakerde leden met de lillende ingewanden tot een smakelijk voedsel nuttigen!”Doch, terwijl ik mij in deze en dergelijke overdenkingen verdiepte, gaf de ongelukkigeTom, door eenen laatsten hartslag ter nedergeveld, groote gulpen bloeds over, en alle moeite, welke zijne secondanten, eenige minuten lang, aanwendden, om hem op de been te houden, vruchteloos bevonden zijnde, behield zijne tegenpartij het slagveld, en werd, met eenige tanden in den mond minder, een paar bont en blaauw geslagene oogen en eenen gebroken neus, door zijne vrienden juichende als overwinnaar weggeleid.Twist of oneenigheid is echter niet altijd de aanleidende oorzaak van deze vuistgevechten, o neen! er is een aantalboksers van beroep, die om geld deze moorddadige kunst uitoefenen, en in dat geval is eene beurs met twintig, dertig of vijftig guinies tot eenen prijs voor den overwinnaar bestemd. De eene of andere rijke en aanzienlijkeLordlaat in zijn park eenen ruimen omtrek met palen en touwen afsluiten, welke tot het slagveld voor de kampvechters verstrekt, en waar zij ongehinderdhunne vlugheid, kracht en bekwaamheden kunnen ten toon spreiden. Alsdan worden er belangrijke weddingschappen aangegaan, en welgelukzalig zij, welken het te beurt valt, de eer te genieten, om in het vermaak van dit bekoorlijk schouwspel te mogen deelen, even als in vroegere tijden vorsten en edelen de ridderspelen met hunne tegenwoordigheid vereerden.En dan durft men de Romeinen nog van wreedheid beschuldigen; wijl hunne oogen zich in den strijd der zwaardvechters konden verlustigen! Dit oorlogzuchtige volk, onder de wapenen geboren en in den krijg opgevoed, zag immers in die gevechten slechts het afbeeldsel van den oorlog, en daarenboven was ieder burger soldaat. De vechters zelve waren bezield met de zucht tot roem. Als een hunner, na zich dapper gekweten te hebben, op het punt stond van den doodsteek te ontvangen, gaven de aanschouwers dikwijls hun verlangen te kennen, dat de ongelukkige mogt gespaard worden, ten welken einde zij hunne handen opstaken, met hunne doeken wuifden en somwijlen met een onstuimig geschreeuw de vrijheid van den verwonnenen eischten.Maar welk een belang toch kan een laag en hatelijk vuistgevecht verwekken, gedurende hetwelk de aanschouwers zich met niets andersschijnen bezig te houden, dan met pogingen, om de verwoedheid der razende vechters aan te moedigen, tot eindelijk een hunner bijna levenloos nederstort? En dit is nogtans een der meest geliefkoosde vermaken van het volk, dat zich, bij uitzondering, hetdenkendenoemt.

Slechts zeer weinige menschen brengen den dag door naar het ontwerp, hetwelk zij den vorigen avond gevormd hebben. Aan den eenen kant wederstreeft ons bijna altijd in onze voornemens het register van onvoorziene toevallen, hetwelk zoo vruchtbaar in deszelfs geheelen omvang is; terwijl, aan den anderen kant, onze eigene wispelturigheid ons niet zelden een welberaamd besluit doet opgeven, om een ander te volgen, hetwelk een louter toeval deed geboren worden. In een woord, wanneer wij het onderscheid tusschenwillenendoen,beramenenuitvoeren, naauwkeurig gadeslaan, dan zullen wij ons meestal in de slotsom onzer ontwerpen jammerlijk bedrogen vinden. Men denkt, zich, bij voorbeeld, in den schouwburg te vermaken, en men geeuwt er: men waant, veel leerzaams in het een of ander Genootschap van Wetenschappen te zullen hooren, en men sluimert er zachtkens in: men vervoegt zich in het een of ander gezelschap, op hoopvan een geliefdkoosd voorwerp te ontmoeten; men is er, en zij komt niet:—men is voornemens, eener lieve jonge vrouw een bezoek te geven, en men treft haren ouden echtgenoot aan.

Evenwel moet men ook toestemmen, dat het toeval, onze ontwerpen verijdelende, ons dikwijls veel beter dient, dan wij ons hadden kunnen verbeelden; en hij, die ter goeder trouw eenen blik op het verledene wilde terugwerpen, zou ongetwijfeld moeten bekennen, dat hij een groot gedeelte van het wel slagen zijner ondernemingen, hetwelk zijne eigenliefde aan het wel beramen van zijne plans wil toeschrijven, veeleer aan het bloote geval te danken heeft.

Even zoo was ik aan het lot het gezigt van een schouwspel verschuldigd, dat wel niet zeer aanlokkend voor eenen Franschman, doch des te belangrijker voor een volk is, hetwelk meer vermaak vindt in de geestverschijning inMacbeth, en in de ijsselijkheden inKoning Lear, dan in de verteederende droefheid van eeneIphigenie, en in de zachte tranen, welke de wegslepende moederliefde van eeneAndromacheuit de oogen doet vloeijen. Doch de beschouwer is dikwijls genoodzaakt, zijne oogen op voorwerpen te vestigen, welke hem met afschrik vervullen; even als de ontleedkundige door hetontleden der lijken lessen verzamelt, om de smarten der lijdende menschheid te verligten.

—„Ziedaar eene waarlijk lange inleiding!”

Maar vergeet tevens niet, op te merken, waarde lezer! dat het de eerste is, waarop ik u vergast; en indien zij u al min of meer verveeld hebbe, bedank mij dan ten minste, dat ik niet al mijne hoofdstukken, even als vele dagbladschrijvers gewoonlijk hunne tijdingen beginnen, met eene voorrede heb aangevangen, die meestal zoo weinig betrekking heeft tot het onderwerp, dat behandeld zal worden, als de zeden vanLondennaar die vanParijsgelijken. Doch daar het uw wil is, zal ik eenige aanmerkingen, welke ik hier eigenlijk nog te maken had, in mijne pen houden, en mij spoeden, om tot de zaak zelve te komen.

Het paleis van den Prins Regent vanEngelandligt bijna in het midden der stad, inPall-mall.

Men heeft het voornemen, van dit punt, in eene regte lijn, eene groote en zeer fraaije straat, in de lengte een aanzienlijk gedeelte der stad doorsnijdende, tot aanNew-roadte leiden, en dus metRegents-Parkte vereenigen.

Een gedeelte dezer onderneming heeft men ook reeds ten uitvoer gebragt, en deze nieuwestraat, welkePortland-placegenoemd wordt, en voorzeker de schoonste van geheelLondenzal zijn, maakt omtrent een vijfde gedeelte dezer hoofdstad uit, en zal ten naastenbij drie kwartier uurs lang zijn.New-road, hetwelk in het Fransch zoo veel, alsNieuwe Aanlegbeteekent, is in een der uithoeken van de stad gelegen, digt bij hetRegents-park, of hetPark van den Prins Regent.

Op zekeren morgen, niets te doen hebbende, ging ik al vrij vroeg uit, met het voornemen, om het nieuwe plantsoen inRegent’s-park, dat nog niet in volle orde is, te bezigtigen. In denNieuwen Aanleggekomen, zag ik op zekere hoogte,Primrose-hillgenaamd, van verre in het veld, eene groote menigte van mannen en vrouwen, en tegelijk een aantal menschen, die, dwars overstekende, uit al hunne magt naar hetzelfde punt liepen. Hier bleek het weder, dat ik, even als zij, een echte afstammeling van onze goede moederEvawas: ik vergat het doel mijner wandeling, en liet mij door denDaemonder nieuwsgierigheid naar dezelfde zijde heen slepen.

De bonte menigte bestond uit lieden van allerlei stand en rang der beide seksen: eene welgekleedde dame stond naast eenen kruijer of lastdrager, en een opgeschikte modezoontusschen eenen hoop van vischwijven en bedelaarsters. De aanschouwers vormden eenen ongemeen wijden kring, in wiens midden een man van eene Herculische gestalte bezig was, met zich van zijne das, zijnen rok, en zijn vest en eindelijk van zijn hemd te ontdoen, waarna, tot mijne groote verwondering, het baaijen onderhemdje hetzelfde lot onderging, zoo dat ik nu zeker vooronderstelde, dat broek en kousen de uitgetrokken plunje zouden navolgen; doch dit gebeurde niet. De oogen en wangen der zedigeLadij’s, welke dit schouwspel met hare tegenwoordigheid vereerden, schenen, tot mijne uiterste verbazing, noch te blikken, noch te blozen op het gezigt van eenen man, die tot aan zijn midden moedernaakt voor haar stond. Weinige oogenblikken hierna konden zij een dubbel genoegen smaken; want een ander kampvechter, die zich buiten den kring ontkleed had, kwam nu, vol drift, door de menigte heen dringen, om zijne partij te ontmoeten. Ieder was door twee mannen vergezeld, die bestemd waren, om ruimbaan voor de kampioenen te houden en hen, des noods, te ondersteunen. De laatst gekomene was intusschen veel kleiner, dan de eerste, maar zijne spieren en pezen, die borst, rug en armen bekleedden, verkondigden den aanschouwer, dat de natuurhem voor zijne kleinere gestalte rijkelijk schadeloos had gesteld door het geschenk van buitengewone ligchaamskrachten.

Na veel moeite gelukte het mij, plaats te vinden onder de echte liefhebbers, en wel in den eersten rang, naast eenen bejaarden Engelschman, die zeer oplettend was op al, wat er voorviel, en wien ik verzocht, mij te onderrigten, wat deze bijeenkomst eigenlijk beduidde, en wat er gebeuren zou.

„Gij zijt een vreemdeling,”zeide hij,„uwe vraag—alleen zou mij dit ontdekt hebben, indien uwe uitspraak u niet reeds verraden hadde.—Gij zult zienboksen, maar ik vrees, dat wij niet veel pleizier zullen hebben; want deze knapen zijn juist niet van de voornaamsten; het zijn twee ambachtslieden, die gisteren toevallig verschil gekregen, en hier tijd en plaats bepaald hebben, om hetzelve te beslechten. Maar wacht! let op! let op! zij beginnen!”

„Tien guinies tegen zeven opTom!” schreeuwde een jong mensch, die eenige schreden van ons af stond, uit al zijne magt.

Tomwas degene, die het voordeel der grootte had.

„Ik houd de zeven guinies opDick!”riep de Engelschman, die naast mij stond.

En op het oogenblik kwamen de twee kampvechtersmet geslotene vuisten op elkander af, en trachtten, wel vijf minuten lang, elkander duchtige vuistslagen toe te brengen, welke zij echter beide met veel vlug- en vaardigheid wisten af te keeren.

„Het zijn kinderen der natuur, ongeleerde vechters!”zeide mijn buurman;“er heerscht noch kunst noch overleg in hunne wijze van boksen.”

—„Heeft men het hier dan zoo ver gebragt, dat men de kunst van vuistvechten naar grondregelen uitoefent?”

—„Zonder twijfel! Even als in de schermkunst, hebben wij hier leermeesters in deze wetenschap, en het is gemakkelijk te zien, dat deze twee menschen zich weinig geoefend, of ten minste slechte meesters gehad hebben.”

Op dit oogenblik bragtDick, met eenen uitgestrekten arm, zijner partijTomeenen, zoo wel gerigten, vuistslag onder de laatste rib toe, dat die als een os ter neder stortte.

Middelerwijl de twee secondanten vanTomhem oprigtten, zeide ik tegen mijnen buurman: „ziedaar uwe weddingschap gewonnen!” In het denkbeeld verkeerende, dat door den val van den eenen der strijders het gevecht geheel geeindigd was.

„Gewonnen! riep hij, och, mijn vriend!zoo ver zijn wij nog niet.Tomzal het zoo gemakkelijk niet opgeven: het gevecht eindigt niet, voor dat een van beiden bekent, overwonnen te zijn.”

—„En waarom heeftDickzich dan niet van zijn voordeel bediend, en zijne partij gedwongen, zijne nederlaag te bekennen?”

—„Dewijl deze soort van gevecht, even als iedere andere, naar regt en wetten behandeld wordt, en men zijnen neergevelden vijand geene slagen mag toebrengen.”

Intusschen wasTomweder op de been gekomen, en had den aanval hernieuwd. Eenige oogenblikken daarna liet hij zijne vuist zoo onzacht op het kakebeen vanDicknederglijden, dat deze, op zijne beurt, insgelijks den grond kuste, terwijl een stroom van bloed, met eenige tanden, uit zijnen mond vloog.

Na eenen korten stilstand hernieuwde men het gevecht.Dick, zich houdende, als of hij nogmaals eenen aanval op de ribben van zijne partij wilde doen, drukte, door eene vaardige wending, onverwachts zijne volle vuist zoo onzacht op den regter kijker van zijnen vijand, dat deze, tegen wil en dank, het, door deze persing opgezwollene, venster gesloten moest houden.

„Niet slecht!”riep mijn buurman,„nietslecht!”Doch naauwelijks was het tweedeniet slecht!over zijne lippen gegleden, ofTomonthaalde den neus vanDickop eene zoo allergeweldigste stomp, dat uit beide neusgaten twee bloedfonteinen sprongen, terwijlDickruggelings op den grond nedertuimelde. Nu snelden zijne twee secondanten vaardig toe, reinigden zijn gezigt met sponsen van het bloed, en rigtten hem op, ter hervatting van dit moorddadig gevecht.

Thans scheenDickal zijne pogingen aan te wenden, om het linker oog van zijne partij in denzelfden toestand als het regter te brengen. Het kwam mij dus voor, datDick, alhoewel niet sterk voor debroederschapingenomen, echter des te krachtdadiger degelijkheidbetrachtte, tot welk einde hij telkens devrijheidnam, om zijne vuist met het linker oog vanTomin aanraking te brengen, en hetzelve, op deze wijze, gelijkvormig aan het regter te maken. Daarbij scheen hij volstrekt ongevoelig voor de slagen, welke hij ontving, en niet eens te merken, dat stroomen bloeds uit zijnen mond en neus ontsprongen, toen het hem eindelijk gelukte, het voorgestelde doel te bereiken, en het andere oog van zijnen vijand insgelijks te treffen en te sluiten, zoo datdeze rampzalige nu te regt kon gezegd wordenblind geslagente zijn, welke kunstbewerking inEngelandbij het edele boksen den uitvoerder den grootsten roem verschaft. Dan daar, helaas! in het menschelijke leven het grootste geluk veelal door rampen is verzeld, ontving de oculist gelijktijdig van zijnen lijder, ter betaling voor de opgedrongene kuur, eenen zoo hevigen slag op den hartkuil, dat hij zelf ten derdemaal op den grond nederplofte.

Nu dacht ik ten minste zeker, dat de strijd geëindigd was.Tom, wiens luiken digt geslagen waren, scheen mij door dit kleine beletsel buiten staat, om zich te verdedigen, en dus veel minder in staat, om den aanval te kunnen doen; en den, op den grond uitgestrekten en naauwelijks adem kunnende halen,Dickwas het, mijns oordeels, insgelijks onmogelijk, het gevecht te hervatten. Maar ik bedroog mij nogmaals.

De secondanten vanDickkwamen andermaals bij hem, wiesschen hem op nieuw het bloed met sponsen van het gezigt, drukten hem citroensap in zijnen mond, verkwikten den sterk beschadigden neus insgelijks met eenige droppelen van datzelfde vocht, en trachtten hem te overtuigen, dat hij met een weinigjemoed en standvastigheid ongetwijfeld overwinnaar moest worden; wijl hij zijne tegenpartij geheelenalblindhad geklopt; en zij bragten het inderdaad ook zoo ver, dat zij hem overeind kregen, en door hunne aanspraak weder met nieuwen moed bezielden.

Gedurende dezen tijd bleven de vrienden vanTomgeenszins werkeloos. Een ligte lancetsteek onder beide de oogen, deed het daartusschen gedrongen bloed over de wangen loopen, en verminderde in zoo verre de ontsteking, dat de lijder een weinigje kon zien.

Nu vielen zij met vernieuwde woede, als twee tijgers, op elkander aan, en eene menigte van vuistslagen, wederzijds gegeven en ontvangen, bragt zulk eene hoeveelheid bloeds te voorschijn, dat de beide vechters er geheel mede bedekt waren.

En zelfs vrouwen konden op dit afgrijsselijk schouwspel hunne teedere oogen vestigen! oogen, welke zich nimmer moesten openen, dan, om tooneelen van vermaak en stille vreugde te beschouwen! „Helaas!”zeide ik bij mij zelven,„zijn deze, welke ik hier ontmoet, Engelsche—zijn deze wel Europesche vrouwen?—Zijn het niet veeleer vrouwen (vrouwen, zeg ik!) neen, vrouwelijke monsters uit de horden der Kannibalen, die met wellustrondom de vlammen dansen, in welker midden zij den ongelukkigen gevangene, langzaam bradende aan eenen paal, van een scheuren, en deszelfs geblakerde leden met de lillende ingewanden tot een smakelijk voedsel nuttigen!”

Doch, terwijl ik mij in deze en dergelijke overdenkingen verdiepte, gaf de ongelukkigeTom, door eenen laatsten hartslag ter nedergeveld, groote gulpen bloeds over, en alle moeite, welke zijne secondanten, eenige minuten lang, aanwendden, om hem op de been te houden, vruchteloos bevonden zijnde, behield zijne tegenpartij het slagveld, en werd, met eenige tanden in den mond minder, een paar bont en blaauw geslagene oogen en eenen gebroken neus, door zijne vrienden juichende als overwinnaar weggeleid.

Twist of oneenigheid is echter niet altijd de aanleidende oorzaak van deze vuistgevechten, o neen! er is een aantalboksers van beroep, die om geld deze moorddadige kunst uitoefenen, en in dat geval is eene beurs met twintig, dertig of vijftig guinies tot eenen prijs voor den overwinnaar bestemd. De eene of andere rijke en aanzienlijkeLordlaat in zijn park eenen ruimen omtrek met palen en touwen afsluiten, welke tot het slagveld voor de kampvechters verstrekt, en waar zij ongehinderdhunne vlugheid, kracht en bekwaamheden kunnen ten toon spreiden. Alsdan worden er belangrijke weddingschappen aangegaan, en welgelukzalig zij, welken het te beurt valt, de eer te genieten, om in het vermaak van dit bekoorlijk schouwspel te mogen deelen, even als in vroegere tijden vorsten en edelen de ridderspelen met hunne tegenwoordigheid vereerden.

En dan durft men de Romeinen nog van wreedheid beschuldigen; wijl hunne oogen zich in den strijd der zwaardvechters konden verlustigen! Dit oorlogzuchtige volk, onder de wapenen geboren en in den krijg opgevoed, zag immers in die gevechten slechts het afbeeldsel van den oorlog, en daarenboven was ieder burger soldaat. De vechters zelve waren bezield met de zucht tot roem. Als een hunner, na zich dapper gekweten te hebben, op het punt stond van den doodsteek te ontvangen, gaven de aanschouwers dikwijls hun verlangen te kennen, dat de ongelukkige mogt gespaard worden, ten welken einde zij hunne handen opstaken, met hunne doeken wuifden en somwijlen met een onstuimig geschreeuw de vrijheid van den verwonnenen eischten.

Maar welk een belang toch kan een laag en hatelijk vuistgevecht verwekken, gedurende hetwelk de aanschouwers zich met niets andersschijnen bezig te houden, dan met pogingen, om de verwoedheid der razende vechters aan te moedigen, tot eindelijk een hunner bijna levenloos nederstort? En dit is nogtans een der meest geliefkoosde vermaken van het volk, dat zich, bij uitzondering, hetdenkendenoemt.


Back to IndexNext