XX.

XX.Engelsche zindelijkheid.Op eenen zaturdag wandelde ik met mijnen vriendC...door de stad.„En met welk voornemen?” zal men mij mogelijk vragen.Zie hier mijn antwoord.—Plaats u slechts, waarde lezer! op den eenen of anderen morgen, zonder u de moeite te geven van naarLondente reizen, bij dePont-Neuf, teParijs, en doe dezelfde vraag aan alle voorbijgangers, namelijk, met welk voornemen zij zijn uit gegaan?Een advokaat zal u zeggen:—„Om voor eenen mijner kliënten te pleiten.” En het is integendeel slechts, om de vijftigLouis d’orte verdienen, welke hij zich vooruit heeft doen betalen.Een arts zal uantwoorden: „Om eenen mijner lijders te bezoeken.” Maar geenszins zal hij er bijvoegen, dat dit bezoek hem rijkelijk zal betaald worden.Een dagbladschrijver zal u vertellen:„om eeneproef te corrigeren.” En het is juist om de eerste letter van zijnen naam, waarachter hij zich verschuilt, te gaan uitkrabben onder het een of ander artikel, in hetwelk hij eenen zekeren schrijver al te hard is aangevallen, en voor wiens onverzoenlijke wraakzucht hij thans beducht is.De koopman zal u diets pogen te maken, dat hij„eenen zijner handelvrienden, wiens zaken wat schuinsch zitten, gaat ondersteunen.” Maar hij verzwijgt u, dat zijn voornemens is, tegen gereed geld voor een derde der waarde den ongelukkigen de goederen, welke hem nog overig zijn, af te woekeren.De krijgsman zwetst u voor: „Mij roept eene zaak van eer!” En het is eene danseres van deOpera, met welke deze zaak van eer moet beslist worden.De schooneAgnes, die, u antwoordende, hare tintelende oogen zedig naar den grond slaat, zegt, met den grootsten schijn van waarheid: „Ik ga de mis hooren in de naburige kerk.” Maar het looze meisje weet, dat zij eenen jongen vriend zal vinden, welken zij daar eene bijeenkomst heeft toegestaan.—Dat oude grootje dweept u, met een uitgestreken gelaat, voor: „Ik ga, in de vreeze des heere, een heimelijk liefdewerk verrigten.” Maarhet is, om aan vijf of zes schijnheilige klappijen van hare kennis een schandelijk nieuws mede te deelen, hetwelk haar, ten nadeele van eene harer beste vriendinnen, den vorigen avond verhaald is geworden.Indien ik nu zelf op uwe vraag antwoordde, waarde lezer! zoudet gij immers kunnen vermoeden, dat ik u insgelijks mijne ware beweegredenen wilde verbergen, of dat ik er u slechts een gedeelte van ontdekte. Heb derhalve de goedheid, om u te vergenoegen met datgene, hetwelk ik mij in gemoede verpligt acht ter uwer kennis te brengen, en u te bepalen bij de uitwerkselen, zonder al te diep in derzelver oorzaken te willen doordringen; want deze aangeborene zucht, hoe natuurlijk en verschoonbaar dezelve ook zij, is meermaals de bron van duizende dwalingen en misslagen voor het menschdom geweest. Ja men kende...... Doch ik bemerk, dat ik mij van mijnen weg verwijder, en dat ik, dus voortgaande, in plaats van hetgene ik teLondengezien en gehoord heb, te verhalen, mij ongevoelig in wijsgeerige bespiegelingen zou verdiepen. Derhalve ter zake!„Welk eene verwonderlijke zindelijkheid heerscht er in dit land!”zeide mijn vriendC...„Ziet gij wel aan alle huizen de dienstmeisjes met hare emmers, bezems, luiwagens, dweilen,sponsen en zandbakjes? Zij zijn bezig met de trappen, van den zolder tot aan den kelder, te schuren, en zij eindigen met den huisdrempel. En dit wordt alle zaturdagen op nieuw herhaald. Wel nu, wat zegt gij er van?—Doet men dit teParijsook?”„Maar teParijs,”antwoordde ik hem,„worden bij zeer vele lieden de trappen niet alleen geschrobd en geboend, maar zelfs met wassen lappen gewreven; gij zult mij dus gaarne toestemmen, dat dit tegen het Engelsche wasschen, waarvan gij zoo veel ophefs maakt, wel kan opwegen. Wat der zindelijkheid betreft, mijn beste! dan moest gij eens inHollandzijn, daar zoudt gij andere staaltjes aantreffen: daar wascht men zelfs de muren der huizen van buiten. Ik moet u daarenboven ronduit verklaren, dat ik mij in het geheel niet met geestdrift voor de Engelsche zindelijkheid vooringenomen gevoel. Gij, mijn vriend! beschouwt slechts het vernis der schilderij, maar geenszins derzelver innerlijke waarde.Onder dit gesprek wees ik hem eenen tappersjongen aan, die, huis aan huis, zijne pinten bier rondbragt, welke hij naast elkander op eene, tot dit gebruik geschikte, plank geplaatst, in zijne hand hield, Aan ieder huis, waar hijkwam, nam hij, voor het aankloppen, eene teug uit het pintje, hetwelk hij moest overhandigen, zoo dat hij, dus doende, middel vond, om zijnen dorst of snoeplust te bevredigen (indien het nemen van eenen slok biersnoepenmag genoemd worden) zonder dat de hoeveelheid van het vocht uit de pinten aanmerkelijk verminderde.Op het zelfde oogenblik zag ik een kind van omtrent acht of negen jaren met een stuk boter in de hand, dat hij waarschijnlijk voor zijne ouders gehaald had, en waarvan hij, het papier opligtende, gedurende den weg, den omtrek met zijne tong belikte, dat het een lust was.Eindelijk zagen wij vlak tegenover ons eene melkboerin op een’ harer emmers zitten, en die, bemerkende, dat haar rok gedeeltelijk in den anderen emmer hing, denzelven er zeer voorzigtig uitnam en in dien emmer uitwrong, om toch geenen droppel van het vocht, dat zij verkocht, te verliezen.„Ziedaar!”zeide ik,„het toeval biedt ons, gelijktijdig en juist van pas, drie sprekende voorbeelden van de Engelsche zindelijkheid aan! Wel nu, wat zegt gij er van?”—„Dat dit niets bewijst! Men kan uit bijzonderheden geene gevolgtrekking tot het geheel maken.”—„Ik heb u ook niet slechts eenen trek aangewezen, maar wel drie, in dezelfde straat, en op hetzelfde oogenblik, en mijn geheugen herinnert mij nog een aantal anderen.—Of kunt gij deze vrouw zindelijk noemen, die, den eersten morgen na mijn ontwaken, in mijn verblijf, dat ik thans nog bewoon, mij, nadat zij eerst mijn vuur aangemaakt, en de zwarte kolen met de handen aangevat had, het ontbijt bragt, zonder zich afgewasschen te hebben, en zich insgelijks gereed maakte, om mijn bed te schudden, hetwelk ik echter nog gelukkig voorkwam, door haar, bij wijze van een komplimentje, te zeggen, dat de heldere blankheid van haar gelaat een sterk kontrast met hare zwarte handen opleverde? Is het misschien ook een beginsel van zindelijkheid, dat de menschen, bij welke gij inwoont, toen ik u, op zekeren dag, terwijl zij zaten te eten, afwachtte, mij gul en hartelijk eene teug bier uit het pint aanboden, hetwelk gedurig de ronde om de tafel deed, zonder dat een der drinkenden er om dacht, den mond met een servet af te vegen, en zulks om de natuurlijke reden, wijl niemand een servet had?”—„Alles enkele voorbeelden! Gij beoordeelt de Engelschen, als zeker reiziger de Fransche vrouwen schetste. Deze, teCalaisontschepende, teekende in zijn zakboekje aan, dat alle Fransche vrouwen zoo rood als vossen waren, dewijl de kasteleines der herberg, waar hij was afgestapt, rood haar had.”—„Gij bedriegt u. Ik zeg niet, dat alle Engelschen morsig zijn; maar ik betwist hun den roem van algemeene zindelijkheid, met welke men hun zeer ongepast inEngelandvereert, en ik durf beweren, dat de Franschen, wat dit artikel betreft, hun geenszins, uit den weg behoeven te gaan. Maar nog iets; indien de bijzondere bewijzen u niet kunnen overtuigen, indien gij mij tegenwerpt, dat alle voorbeelden, welke ik heb aangehaald, slechts het lagegemeenbetreffen, dan zal ik u eenige algemeene trekken opnoemen, en wel onder lieden van den eersten rang in de maatschappij.”„Goed, hier wacht ik u, mijn vriend.”—„Zeer wel, let slechts op!—Gij weet, dat, als men, zelfs in de eerste huizen, thee gaat drinken, dezelve op een prachtig geschilderd, en met goud of zilver versierd blad, in het keurigste en kostbaarste porselein, wordt voorgediend. Maar hebt gij tevens nooit uw oog gevestigd op die spoelkom, welke half vol warm water op den hoek van het blad is geplaatst?—Hebt gij er nooit op gelet, dat ieder, na zijn kopje uitgedronken te hebben, hetzelvein die kom van het overschot en van eenige, daar in nog overgeblevene, theebladen gaat zuiveren? Is dit niet even eens, als of ieder beurtelings uit hetzelfde kopje dronk? Neen! zoo zeer ik met vermaak uit een kopje of schoteltje zou willen drinken, hetwelk met een paar lieve koralen lipjes in aanraking was geweest, met even zoo veel tegenzin en afkeer zou ik er mij van bedienen, indien het in hetzelfde water was afgespoeld geworden, hetwelk de restjes van eenen dronkaard, of van eene tandelooze bes ontvangen heeft; want eigenlijk is dit geenreinigen, maar wel degelijkbemorsen.—Ja, mijn vriend! doorzoek vrij, als gij kunt, de kleedkamer van de pronkzuchtigste vrouw, of van de rijkst onderhouden wordendemaitresse; ga bij de voornaamste behangers en in de eerste modewinkels, en gij zult bevinden, dat eene Fransche vrouw, van welk eenen stand ook, er niet volledig alles zou aantreffen, wat zij noodig heeft, om zich geheel naar haren zin van meubelen te voorzien.—Hebt gij reeds onze lieve en beminnelijke landgenoote, welke wij gisteren door ongesteldheid te bed vonden, vergeten, en die zich ongelukkig bezeerd had bij het vervaardigen van eenstuk huisraad, dat zij in geheelLondenniet vinden kon? En op wat wijze zult gij de fraaije manier, om het neuzenmerg op te halen en in te slokken, verdedigen?—Eene gewoonte, welke onder alle klassen plaats heeft, en vandaar oorspronkelijk schijnt te zijn, dat de zindelijke heeren Engelschen nooit iets uitspuwen, uit vrees van hunne tapijten te bederven, en ook zeer zelden eenen zakdoek gebruiken, uit voorzorg van denzelven morsig te maken.Ja zelfs schijnt de regering dezer stad het nuttige en noodzakelijke der zindelijkheid niet genoegzaam in het oog te houden; want gij zult mij toch wel willen toestemmen, dat de straten hier zeer slecht schoon gehouden worden, of laat ik liever zeggen, dat zij altijd zeer vuil en morsig zijn. Het is waar, men veegt, bij de eene of andere dwarsstraat, een klein plekje schoon, om van het eene voetpad op het andere te kunnen komen, en dit werk wordt gemeenlijk nog door eenen bedelaar verrigt, die, in de eene hand den bezem houdende, de andere geopend en uitgestrekt den voorbijgangers aanbiedt. Doch wilt gij de straten dwars oversteken, om aan de overzijde te komen, dan moet gij tot aan de waden door modder en slijk stappen, of weder terugkeeren,tot gij aan een dezer paadjes komt, waarvan ik gesproken heb, en welke veel overeenkomst hebben met eene plank over eene moddersloot.—„Genoeg! om ’s hemels wil, genoeg!”zeide mijn vriendC...;„gij zoudt eindigen met mij te betogen, datLondende tempel der morsigheid is!”—„Dan zoudt gij in eene tweede dwaling vervallen. Mijn voornemen is geenszins,Londenin het overdrevene van morsigheid te beschuldigen, maar slechts te bewijzen, dat men ongelijk heeft met de Engelsche zindelijkheid zoo hemelhoog boven de onze te verheffen. Men moet, om gezond over de zaken te kunnen oordeelen, ze van zeer nabij zien, en met oplettendheid onderzoeken; want het gaat met de meeste dingen, welke wij in het eerst verbazend bewonderen, even als met menige vrouw, die in de verte met al de bekoorlijkheden en frischheid der jeugd schijnt uitgedost te zijn, maar die, bij iederen stap, met welken gij haar nadert, iets van hare bevalligheid verliest, en eindelijk zelfs leelijk zou kunnen genoemd worden.

XX.Engelsche zindelijkheid.Op eenen zaturdag wandelde ik met mijnen vriendC...door de stad.„En met welk voornemen?” zal men mij mogelijk vragen.Zie hier mijn antwoord.—Plaats u slechts, waarde lezer! op den eenen of anderen morgen, zonder u de moeite te geven van naarLondente reizen, bij dePont-Neuf, teParijs, en doe dezelfde vraag aan alle voorbijgangers, namelijk, met welk voornemen zij zijn uit gegaan?Een advokaat zal u zeggen:—„Om voor eenen mijner kliënten te pleiten.” En het is integendeel slechts, om de vijftigLouis d’orte verdienen, welke hij zich vooruit heeft doen betalen.Een arts zal uantwoorden: „Om eenen mijner lijders te bezoeken.” Maar geenszins zal hij er bijvoegen, dat dit bezoek hem rijkelijk zal betaald worden.Een dagbladschrijver zal u vertellen:„om eeneproef te corrigeren.” En het is juist om de eerste letter van zijnen naam, waarachter hij zich verschuilt, te gaan uitkrabben onder het een of ander artikel, in hetwelk hij eenen zekeren schrijver al te hard is aangevallen, en voor wiens onverzoenlijke wraakzucht hij thans beducht is.De koopman zal u diets pogen te maken, dat hij„eenen zijner handelvrienden, wiens zaken wat schuinsch zitten, gaat ondersteunen.” Maar hij verzwijgt u, dat zijn voornemens is, tegen gereed geld voor een derde der waarde den ongelukkigen de goederen, welke hem nog overig zijn, af te woekeren.De krijgsman zwetst u voor: „Mij roept eene zaak van eer!” En het is eene danseres van deOpera, met welke deze zaak van eer moet beslist worden.De schooneAgnes, die, u antwoordende, hare tintelende oogen zedig naar den grond slaat, zegt, met den grootsten schijn van waarheid: „Ik ga de mis hooren in de naburige kerk.” Maar het looze meisje weet, dat zij eenen jongen vriend zal vinden, welken zij daar eene bijeenkomst heeft toegestaan.—Dat oude grootje dweept u, met een uitgestreken gelaat, voor: „Ik ga, in de vreeze des heere, een heimelijk liefdewerk verrigten.” Maarhet is, om aan vijf of zes schijnheilige klappijen van hare kennis een schandelijk nieuws mede te deelen, hetwelk haar, ten nadeele van eene harer beste vriendinnen, den vorigen avond verhaald is geworden.Indien ik nu zelf op uwe vraag antwoordde, waarde lezer! zoudet gij immers kunnen vermoeden, dat ik u insgelijks mijne ware beweegredenen wilde verbergen, of dat ik er u slechts een gedeelte van ontdekte. Heb derhalve de goedheid, om u te vergenoegen met datgene, hetwelk ik mij in gemoede verpligt acht ter uwer kennis te brengen, en u te bepalen bij de uitwerkselen, zonder al te diep in derzelver oorzaken te willen doordringen; want deze aangeborene zucht, hoe natuurlijk en verschoonbaar dezelve ook zij, is meermaals de bron van duizende dwalingen en misslagen voor het menschdom geweest. Ja men kende...... Doch ik bemerk, dat ik mij van mijnen weg verwijder, en dat ik, dus voortgaande, in plaats van hetgene ik teLondengezien en gehoord heb, te verhalen, mij ongevoelig in wijsgeerige bespiegelingen zou verdiepen. Derhalve ter zake!„Welk eene verwonderlijke zindelijkheid heerscht er in dit land!”zeide mijn vriendC...„Ziet gij wel aan alle huizen de dienstmeisjes met hare emmers, bezems, luiwagens, dweilen,sponsen en zandbakjes? Zij zijn bezig met de trappen, van den zolder tot aan den kelder, te schuren, en zij eindigen met den huisdrempel. En dit wordt alle zaturdagen op nieuw herhaald. Wel nu, wat zegt gij er van?—Doet men dit teParijsook?”„Maar teParijs,”antwoordde ik hem,„worden bij zeer vele lieden de trappen niet alleen geschrobd en geboend, maar zelfs met wassen lappen gewreven; gij zult mij dus gaarne toestemmen, dat dit tegen het Engelsche wasschen, waarvan gij zoo veel ophefs maakt, wel kan opwegen. Wat der zindelijkheid betreft, mijn beste! dan moest gij eens inHollandzijn, daar zoudt gij andere staaltjes aantreffen: daar wascht men zelfs de muren der huizen van buiten. Ik moet u daarenboven ronduit verklaren, dat ik mij in het geheel niet met geestdrift voor de Engelsche zindelijkheid vooringenomen gevoel. Gij, mijn vriend! beschouwt slechts het vernis der schilderij, maar geenszins derzelver innerlijke waarde.Onder dit gesprek wees ik hem eenen tappersjongen aan, die, huis aan huis, zijne pinten bier rondbragt, welke hij naast elkander op eene, tot dit gebruik geschikte, plank geplaatst, in zijne hand hield, Aan ieder huis, waar hijkwam, nam hij, voor het aankloppen, eene teug uit het pintje, hetwelk hij moest overhandigen, zoo dat hij, dus doende, middel vond, om zijnen dorst of snoeplust te bevredigen (indien het nemen van eenen slok biersnoepenmag genoemd worden) zonder dat de hoeveelheid van het vocht uit de pinten aanmerkelijk verminderde.Op het zelfde oogenblik zag ik een kind van omtrent acht of negen jaren met een stuk boter in de hand, dat hij waarschijnlijk voor zijne ouders gehaald had, en waarvan hij, het papier opligtende, gedurende den weg, den omtrek met zijne tong belikte, dat het een lust was.Eindelijk zagen wij vlak tegenover ons eene melkboerin op een’ harer emmers zitten, en die, bemerkende, dat haar rok gedeeltelijk in den anderen emmer hing, denzelven er zeer voorzigtig uitnam en in dien emmer uitwrong, om toch geenen droppel van het vocht, dat zij verkocht, te verliezen.„Ziedaar!”zeide ik,„het toeval biedt ons, gelijktijdig en juist van pas, drie sprekende voorbeelden van de Engelsche zindelijkheid aan! Wel nu, wat zegt gij er van?”—„Dat dit niets bewijst! Men kan uit bijzonderheden geene gevolgtrekking tot het geheel maken.”—„Ik heb u ook niet slechts eenen trek aangewezen, maar wel drie, in dezelfde straat, en op hetzelfde oogenblik, en mijn geheugen herinnert mij nog een aantal anderen.—Of kunt gij deze vrouw zindelijk noemen, die, den eersten morgen na mijn ontwaken, in mijn verblijf, dat ik thans nog bewoon, mij, nadat zij eerst mijn vuur aangemaakt, en de zwarte kolen met de handen aangevat had, het ontbijt bragt, zonder zich afgewasschen te hebben, en zich insgelijks gereed maakte, om mijn bed te schudden, hetwelk ik echter nog gelukkig voorkwam, door haar, bij wijze van een komplimentje, te zeggen, dat de heldere blankheid van haar gelaat een sterk kontrast met hare zwarte handen opleverde? Is het misschien ook een beginsel van zindelijkheid, dat de menschen, bij welke gij inwoont, toen ik u, op zekeren dag, terwijl zij zaten te eten, afwachtte, mij gul en hartelijk eene teug bier uit het pint aanboden, hetwelk gedurig de ronde om de tafel deed, zonder dat een der drinkenden er om dacht, den mond met een servet af te vegen, en zulks om de natuurlijke reden, wijl niemand een servet had?”—„Alles enkele voorbeelden! Gij beoordeelt de Engelschen, als zeker reiziger de Fransche vrouwen schetste. Deze, teCalaisontschepende, teekende in zijn zakboekje aan, dat alle Fransche vrouwen zoo rood als vossen waren, dewijl de kasteleines der herberg, waar hij was afgestapt, rood haar had.”—„Gij bedriegt u. Ik zeg niet, dat alle Engelschen morsig zijn; maar ik betwist hun den roem van algemeene zindelijkheid, met welke men hun zeer ongepast inEngelandvereert, en ik durf beweren, dat de Franschen, wat dit artikel betreft, hun geenszins, uit den weg behoeven te gaan. Maar nog iets; indien de bijzondere bewijzen u niet kunnen overtuigen, indien gij mij tegenwerpt, dat alle voorbeelden, welke ik heb aangehaald, slechts het lagegemeenbetreffen, dan zal ik u eenige algemeene trekken opnoemen, en wel onder lieden van den eersten rang in de maatschappij.”„Goed, hier wacht ik u, mijn vriend.”—„Zeer wel, let slechts op!—Gij weet, dat, als men, zelfs in de eerste huizen, thee gaat drinken, dezelve op een prachtig geschilderd, en met goud of zilver versierd blad, in het keurigste en kostbaarste porselein, wordt voorgediend. Maar hebt gij tevens nooit uw oog gevestigd op die spoelkom, welke half vol warm water op den hoek van het blad is geplaatst?—Hebt gij er nooit op gelet, dat ieder, na zijn kopje uitgedronken te hebben, hetzelvein die kom van het overschot en van eenige, daar in nog overgeblevene, theebladen gaat zuiveren? Is dit niet even eens, als of ieder beurtelings uit hetzelfde kopje dronk? Neen! zoo zeer ik met vermaak uit een kopje of schoteltje zou willen drinken, hetwelk met een paar lieve koralen lipjes in aanraking was geweest, met even zoo veel tegenzin en afkeer zou ik er mij van bedienen, indien het in hetzelfde water was afgespoeld geworden, hetwelk de restjes van eenen dronkaard, of van eene tandelooze bes ontvangen heeft; want eigenlijk is dit geenreinigen, maar wel degelijkbemorsen.—Ja, mijn vriend! doorzoek vrij, als gij kunt, de kleedkamer van de pronkzuchtigste vrouw, of van de rijkst onderhouden wordendemaitresse; ga bij de voornaamste behangers en in de eerste modewinkels, en gij zult bevinden, dat eene Fransche vrouw, van welk eenen stand ook, er niet volledig alles zou aantreffen, wat zij noodig heeft, om zich geheel naar haren zin van meubelen te voorzien.—Hebt gij reeds onze lieve en beminnelijke landgenoote, welke wij gisteren door ongesteldheid te bed vonden, vergeten, en die zich ongelukkig bezeerd had bij het vervaardigen van eenstuk huisraad, dat zij in geheelLondenniet vinden kon? En op wat wijze zult gij de fraaije manier, om het neuzenmerg op te halen en in te slokken, verdedigen?—Eene gewoonte, welke onder alle klassen plaats heeft, en vandaar oorspronkelijk schijnt te zijn, dat de zindelijke heeren Engelschen nooit iets uitspuwen, uit vrees van hunne tapijten te bederven, en ook zeer zelden eenen zakdoek gebruiken, uit voorzorg van denzelven morsig te maken.Ja zelfs schijnt de regering dezer stad het nuttige en noodzakelijke der zindelijkheid niet genoegzaam in het oog te houden; want gij zult mij toch wel willen toestemmen, dat de straten hier zeer slecht schoon gehouden worden, of laat ik liever zeggen, dat zij altijd zeer vuil en morsig zijn. Het is waar, men veegt, bij de eene of andere dwarsstraat, een klein plekje schoon, om van het eene voetpad op het andere te kunnen komen, en dit werk wordt gemeenlijk nog door eenen bedelaar verrigt, die, in de eene hand den bezem houdende, de andere geopend en uitgestrekt den voorbijgangers aanbiedt. Doch wilt gij de straten dwars oversteken, om aan de overzijde te komen, dan moet gij tot aan de waden door modder en slijk stappen, of weder terugkeeren,tot gij aan een dezer paadjes komt, waarvan ik gesproken heb, en welke veel overeenkomst hebben met eene plank over eene moddersloot.—„Genoeg! om ’s hemels wil, genoeg!”zeide mijn vriendC...;„gij zoudt eindigen met mij te betogen, datLondende tempel der morsigheid is!”—„Dan zoudt gij in eene tweede dwaling vervallen. Mijn voornemen is geenszins,Londenin het overdrevene van morsigheid te beschuldigen, maar slechts te bewijzen, dat men ongelijk heeft met de Engelsche zindelijkheid zoo hemelhoog boven de onze te verheffen. Men moet, om gezond over de zaken te kunnen oordeelen, ze van zeer nabij zien, en met oplettendheid onderzoeken; want het gaat met de meeste dingen, welke wij in het eerst verbazend bewonderen, even als met menige vrouw, die in de verte met al de bekoorlijkheden en frischheid der jeugd schijnt uitgedost te zijn, maar die, bij iederen stap, met welken gij haar nadert, iets van hare bevalligheid verliest, en eindelijk zelfs leelijk zou kunnen genoemd worden.

XX.Engelsche zindelijkheid.

Op eenen zaturdag wandelde ik met mijnen vriendC...door de stad.„En met welk voornemen?” zal men mij mogelijk vragen.Zie hier mijn antwoord.—Plaats u slechts, waarde lezer! op den eenen of anderen morgen, zonder u de moeite te geven van naarLondente reizen, bij dePont-Neuf, teParijs, en doe dezelfde vraag aan alle voorbijgangers, namelijk, met welk voornemen zij zijn uit gegaan?Een advokaat zal u zeggen:—„Om voor eenen mijner kliënten te pleiten.” En het is integendeel slechts, om de vijftigLouis d’orte verdienen, welke hij zich vooruit heeft doen betalen.Een arts zal uantwoorden: „Om eenen mijner lijders te bezoeken.” Maar geenszins zal hij er bijvoegen, dat dit bezoek hem rijkelijk zal betaald worden.Een dagbladschrijver zal u vertellen:„om eeneproef te corrigeren.” En het is juist om de eerste letter van zijnen naam, waarachter hij zich verschuilt, te gaan uitkrabben onder het een of ander artikel, in hetwelk hij eenen zekeren schrijver al te hard is aangevallen, en voor wiens onverzoenlijke wraakzucht hij thans beducht is.De koopman zal u diets pogen te maken, dat hij„eenen zijner handelvrienden, wiens zaken wat schuinsch zitten, gaat ondersteunen.” Maar hij verzwijgt u, dat zijn voornemens is, tegen gereed geld voor een derde der waarde den ongelukkigen de goederen, welke hem nog overig zijn, af te woekeren.De krijgsman zwetst u voor: „Mij roept eene zaak van eer!” En het is eene danseres van deOpera, met welke deze zaak van eer moet beslist worden.De schooneAgnes, die, u antwoordende, hare tintelende oogen zedig naar den grond slaat, zegt, met den grootsten schijn van waarheid: „Ik ga de mis hooren in de naburige kerk.” Maar het looze meisje weet, dat zij eenen jongen vriend zal vinden, welken zij daar eene bijeenkomst heeft toegestaan.—Dat oude grootje dweept u, met een uitgestreken gelaat, voor: „Ik ga, in de vreeze des heere, een heimelijk liefdewerk verrigten.” Maarhet is, om aan vijf of zes schijnheilige klappijen van hare kennis een schandelijk nieuws mede te deelen, hetwelk haar, ten nadeele van eene harer beste vriendinnen, den vorigen avond verhaald is geworden.Indien ik nu zelf op uwe vraag antwoordde, waarde lezer! zoudet gij immers kunnen vermoeden, dat ik u insgelijks mijne ware beweegredenen wilde verbergen, of dat ik er u slechts een gedeelte van ontdekte. Heb derhalve de goedheid, om u te vergenoegen met datgene, hetwelk ik mij in gemoede verpligt acht ter uwer kennis te brengen, en u te bepalen bij de uitwerkselen, zonder al te diep in derzelver oorzaken te willen doordringen; want deze aangeborene zucht, hoe natuurlijk en verschoonbaar dezelve ook zij, is meermaals de bron van duizende dwalingen en misslagen voor het menschdom geweest. Ja men kende...... Doch ik bemerk, dat ik mij van mijnen weg verwijder, en dat ik, dus voortgaande, in plaats van hetgene ik teLondengezien en gehoord heb, te verhalen, mij ongevoelig in wijsgeerige bespiegelingen zou verdiepen. Derhalve ter zake!„Welk eene verwonderlijke zindelijkheid heerscht er in dit land!”zeide mijn vriendC...„Ziet gij wel aan alle huizen de dienstmeisjes met hare emmers, bezems, luiwagens, dweilen,sponsen en zandbakjes? Zij zijn bezig met de trappen, van den zolder tot aan den kelder, te schuren, en zij eindigen met den huisdrempel. En dit wordt alle zaturdagen op nieuw herhaald. Wel nu, wat zegt gij er van?—Doet men dit teParijsook?”„Maar teParijs,”antwoordde ik hem,„worden bij zeer vele lieden de trappen niet alleen geschrobd en geboend, maar zelfs met wassen lappen gewreven; gij zult mij dus gaarne toestemmen, dat dit tegen het Engelsche wasschen, waarvan gij zoo veel ophefs maakt, wel kan opwegen. Wat der zindelijkheid betreft, mijn beste! dan moest gij eens inHollandzijn, daar zoudt gij andere staaltjes aantreffen: daar wascht men zelfs de muren der huizen van buiten. Ik moet u daarenboven ronduit verklaren, dat ik mij in het geheel niet met geestdrift voor de Engelsche zindelijkheid vooringenomen gevoel. Gij, mijn vriend! beschouwt slechts het vernis der schilderij, maar geenszins derzelver innerlijke waarde.Onder dit gesprek wees ik hem eenen tappersjongen aan, die, huis aan huis, zijne pinten bier rondbragt, welke hij naast elkander op eene, tot dit gebruik geschikte, plank geplaatst, in zijne hand hield, Aan ieder huis, waar hijkwam, nam hij, voor het aankloppen, eene teug uit het pintje, hetwelk hij moest overhandigen, zoo dat hij, dus doende, middel vond, om zijnen dorst of snoeplust te bevredigen (indien het nemen van eenen slok biersnoepenmag genoemd worden) zonder dat de hoeveelheid van het vocht uit de pinten aanmerkelijk verminderde.Op het zelfde oogenblik zag ik een kind van omtrent acht of negen jaren met een stuk boter in de hand, dat hij waarschijnlijk voor zijne ouders gehaald had, en waarvan hij, het papier opligtende, gedurende den weg, den omtrek met zijne tong belikte, dat het een lust was.Eindelijk zagen wij vlak tegenover ons eene melkboerin op een’ harer emmers zitten, en die, bemerkende, dat haar rok gedeeltelijk in den anderen emmer hing, denzelven er zeer voorzigtig uitnam en in dien emmer uitwrong, om toch geenen droppel van het vocht, dat zij verkocht, te verliezen.„Ziedaar!”zeide ik,„het toeval biedt ons, gelijktijdig en juist van pas, drie sprekende voorbeelden van de Engelsche zindelijkheid aan! Wel nu, wat zegt gij er van?”—„Dat dit niets bewijst! Men kan uit bijzonderheden geene gevolgtrekking tot het geheel maken.”—„Ik heb u ook niet slechts eenen trek aangewezen, maar wel drie, in dezelfde straat, en op hetzelfde oogenblik, en mijn geheugen herinnert mij nog een aantal anderen.—Of kunt gij deze vrouw zindelijk noemen, die, den eersten morgen na mijn ontwaken, in mijn verblijf, dat ik thans nog bewoon, mij, nadat zij eerst mijn vuur aangemaakt, en de zwarte kolen met de handen aangevat had, het ontbijt bragt, zonder zich afgewasschen te hebben, en zich insgelijks gereed maakte, om mijn bed te schudden, hetwelk ik echter nog gelukkig voorkwam, door haar, bij wijze van een komplimentje, te zeggen, dat de heldere blankheid van haar gelaat een sterk kontrast met hare zwarte handen opleverde? Is het misschien ook een beginsel van zindelijkheid, dat de menschen, bij welke gij inwoont, toen ik u, op zekeren dag, terwijl zij zaten te eten, afwachtte, mij gul en hartelijk eene teug bier uit het pint aanboden, hetwelk gedurig de ronde om de tafel deed, zonder dat een der drinkenden er om dacht, den mond met een servet af te vegen, en zulks om de natuurlijke reden, wijl niemand een servet had?”—„Alles enkele voorbeelden! Gij beoordeelt de Engelschen, als zeker reiziger de Fransche vrouwen schetste. Deze, teCalaisontschepende, teekende in zijn zakboekje aan, dat alle Fransche vrouwen zoo rood als vossen waren, dewijl de kasteleines der herberg, waar hij was afgestapt, rood haar had.”—„Gij bedriegt u. Ik zeg niet, dat alle Engelschen morsig zijn; maar ik betwist hun den roem van algemeene zindelijkheid, met welke men hun zeer ongepast inEngelandvereert, en ik durf beweren, dat de Franschen, wat dit artikel betreft, hun geenszins, uit den weg behoeven te gaan. Maar nog iets; indien de bijzondere bewijzen u niet kunnen overtuigen, indien gij mij tegenwerpt, dat alle voorbeelden, welke ik heb aangehaald, slechts het lagegemeenbetreffen, dan zal ik u eenige algemeene trekken opnoemen, en wel onder lieden van den eersten rang in de maatschappij.”„Goed, hier wacht ik u, mijn vriend.”—„Zeer wel, let slechts op!—Gij weet, dat, als men, zelfs in de eerste huizen, thee gaat drinken, dezelve op een prachtig geschilderd, en met goud of zilver versierd blad, in het keurigste en kostbaarste porselein, wordt voorgediend. Maar hebt gij tevens nooit uw oog gevestigd op die spoelkom, welke half vol warm water op den hoek van het blad is geplaatst?—Hebt gij er nooit op gelet, dat ieder, na zijn kopje uitgedronken te hebben, hetzelvein die kom van het overschot en van eenige, daar in nog overgeblevene, theebladen gaat zuiveren? Is dit niet even eens, als of ieder beurtelings uit hetzelfde kopje dronk? Neen! zoo zeer ik met vermaak uit een kopje of schoteltje zou willen drinken, hetwelk met een paar lieve koralen lipjes in aanraking was geweest, met even zoo veel tegenzin en afkeer zou ik er mij van bedienen, indien het in hetzelfde water was afgespoeld geworden, hetwelk de restjes van eenen dronkaard, of van eene tandelooze bes ontvangen heeft; want eigenlijk is dit geenreinigen, maar wel degelijkbemorsen.—Ja, mijn vriend! doorzoek vrij, als gij kunt, de kleedkamer van de pronkzuchtigste vrouw, of van de rijkst onderhouden wordendemaitresse; ga bij de voornaamste behangers en in de eerste modewinkels, en gij zult bevinden, dat eene Fransche vrouw, van welk eenen stand ook, er niet volledig alles zou aantreffen, wat zij noodig heeft, om zich geheel naar haren zin van meubelen te voorzien.—Hebt gij reeds onze lieve en beminnelijke landgenoote, welke wij gisteren door ongesteldheid te bed vonden, vergeten, en die zich ongelukkig bezeerd had bij het vervaardigen van eenstuk huisraad, dat zij in geheelLondenniet vinden kon? En op wat wijze zult gij de fraaije manier, om het neuzenmerg op te halen en in te slokken, verdedigen?—Eene gewoonte, welke onder alle klassen plaats heeft, en vandaar oorspronkelijk schijnt te zijn, dat de zindelijke heeren Engelschen nooit iets uitspuwen, uit vrees van hunne tapijten te bederven, en ook zeer zelden eenen zakdoek gebruiken, uit voorzorg van denzelven morsig te maken.Ja zelfs schijnt de regering dezer stad het nuttige en noodzakelijke der zindelijkheid niet genoegzaam in het oog te houden; want gij zult mij toch wel willen toestemmen, dat de straten hier zeer slecht schoon gehouden worden, of laat ik liever zeggen, dat zij altijd zeer vuil en morsig zijn. Het is waar, men veegt, bij de eene of andere dwarsstraat, een klein plekje schoon, om van het eene voetpad op het andere te kunnen komen, en dit werk wordt gemeenlijk nog door eenen bedelaar verrigt, die, in de eene hand den bezem houdende, de andere geopend en uitgestrekt den voorbijgangers aanbiedt. Doch wilt gij de straten dwars oversteken, om aan de overzijde te komen, dan moet gij tot aan de waden door modder en slijk stappen, of weder terugkeeren,tot gij aan een dezer paadjes komt, waarvan ik gesproken heb, en welke veel overeenkomst hebben met eene plank over eene moddersloot.—„Genoeg! om ’s hemels wil, genoeg!”zeide mijn vriendC...;„gij zoudt eindigen met mij te betogen, datLondende tempel der morsigheid is!”—„Dan zoudt gij in eene tweede dwaling vervallen. Mijn voornemen is geenszins,Londenin het overdrevene van morsigheid te beschuldigen, maar slechts te bewijzen, dat men ongelijk heeft met de Engelsche zindelijkheid zoo hemelhoog boven de onze te verheffen. Men moet, om gezond over de zaken te kunnen oordeelen, ze van zeer nabij zien, en met oplettendheid onderzoeken; want het gaat met de meeste dingen, welke wij in het eerst verbazend bewonderen, even als met menige vrouw, die in de verte met al de bekoorlijkheden en frischheid der jeugd schijnt uitgedost te zijn, maar die, bij iederen stap, met welken gij haar nadert, iets van hare bevalligheid verliest, en eindelijk zelfs leelijk zou kunnen genoemd worden.

Op eenen zaturdag wandelde ik met mijnen vriendC...door de stad.

„En met welk voornemen?” zal men mij mogelijk vragen.

Zie hier mijn antwoord.—Plaats u slechts, waarde lezer! op den eenen of anderen morgen, zonder u de moeite te geven van naarLondente reizen, bij dePont-Neuf, teParijs, en doe dezelfde vraag aan alle voorbijgangers, namelijk, met welk voornemen zij zijn uit gegaan?

Een advokaat zal u zeggen:—„Om voor eenen mijner kliënten te pleiten.” En het is integendeel slechts, om de vijftigLouis d’orte verdienen, welke hij zich vooruit heeft doen betalen.

Een arts zal uantwoorden: „Om eenen mijner lijders te bezoeken.” Maar geenszins zal hij er bijvoegen, dat dit bezoek hem rijkelijk zal betaald worden.

Een dagbladschrijver zal u vertellen:„om eeneproef te corrigeren.” En het is juist om de eerste letter van zijnen naam, waarachter hij zich verschuilt, te gaan uitkrabben onder het een of ander artikel, in hetwelk hij eenen zekeren schrijver al te hard is aangevallen, en voor wiens onverzoenlijke wraakzucht hij thans beducht is.

De koopman zal u diets pogen te maken, dat hij„eenen zijner handelvrienden, wiens zaken wat schuinsch zitten, gaat ondersteunen.” Maar hij verzwijgt u, dat zijn voornemens is, tegen gereed geld voor een derde der waarde den ongelukkigen de goederen, welke hem nog overig zijn, af te woekeren.

De krijgsman zwetst u voor: „Mij roept eene zaak van eer!” En het is eene danseres van deOpera, met welke deze zaak van eer moet beslist worden.

De schooneAgnes, die, u antwoordende, hare tintelende oogen zedig naar den grond slaat, zegt, met den grootsten schijn van waarheid: „Ik ga de mis hooren in de naburige kerk.” Maar het looze meisje weet, dat zij eenen jongen vriend zal vinden, welken zij daar eene bijeenkomst heeft toegestaan.—Dat oude grootje dweept u, met een uitgestreken gelaat, voor: „Ik ga, in de vreeze des heere, een heimelijk liefdewerk verrigten.” Maarhet is, om aan vijf of zes schijnheilige klappijen van hare kennis een schandelijk nieuws mede te deelen, hetwelk haar, ten nadeele van eene harer beste vriendinnen, den vorigen avond verhaald is geworden.

Indien ik nu zelf op uwe vraag antwoordde, waarde lezer! zoudet gij immers kunnen vermoeden, dat ik u insgelijks mijne ware beweegredenen wilde verbergen, of dat ik er u slechts een gedeelte van ontdekte. Heb derhalve de goedheid, om u te vergenoegen met datgene, hetwelk ik mij in gemoede verpligt acht ter uwer kennis te brengen, en u te bepalen bij de uitwerkselen, zonder al te diep in derzelver oorzaken te willen doordringen; want deze aangeborene zucht, hoe natuurlijk en verschoonbaar dezelve ook zij, is meermaals de bron van duizende dwalingen en misslagen voor het menschdom geweest. Ja men kende...... Doch ik bemerk, dat ik mij van mijnen weg verwijder, en dat ik, dus voortgaande, in plaats van hetgene ik teLondengezien en gehoord heb, te verhalen, mij ongevoelig in wijsgeerige bespiegelingen zou verdiepen. Derhalve ter zake!

„Welk eene verwonderlijke zindelijkheid heerscht er in dit land!”zeide mijn vriendC...„Ziet gij wel aan alle huizen de dienstmeisjes met hare emmers, bezems, luiwagens, dweilen,sponsen en zandbakjes? Zij zijn bezig met de trappen, van den zolder tot aan den kelder, te schuren, en zij eindigen met den huisdrempel. En dit wordt alle zaturdagen op nieuw herhaald. Wel nu, wat zegt gij er van?—Doet men dit teParijsook?”

„Maar teParijs,”antwoordde ik hem,„worden bij zeer vele lieden de trappen niet alleen geschrobd en geboend, maar zelfs met wassen lappen gewreven; gij zult mij dus gaarne toestemmen, dat dit tegen het Engelsche wasschen, waarvan gij zoo veel ophefs maakt, wel kan opwegen. Wat der zindelijkheid betreft, mijn beste! dan moest gij eens inHollandzijn, daar zoudt gij andere staaltjes aantreffen: daar wascht men zelfs de muren der huizen van buiten. Ik moet u daarenboven ronduit verklaren, dat ik mij in het geheel niet met geestdrift voor de Engelsche zindelijkheid vooringenomen gevoel. Gij, mijn vriend! beschouwt slechts het vernis der schilderij, maar geenszins derzelver innerlijke waarde.

Onder dit gesprek wees ik hem eenen tappersjongen aan, die, huis aan huis, zijne pinten bier rondbragt, welke hij naast elkander op eene, tot dit gebruik geschikte, plank geplaatst, in zijne hand hield, Aan ieder huis, waar hijkwam, nam hij, voor het aankloppen, eene teug uit het pintje, hetwelk hij moest overhandigen, zoo dat hij, dus doende, middel vond, om zijnen dorst of snoeplust te bevredigen (indien het nemen van eenen slok biersnoepenmag genoemd worden) zonder dat de hoeveelheid van het vocht uit de pinten aanmerkelijk verminderde.

Op het zelfde oogenblik zag ik een kind van omtrent acht of negen jaren met een stuk boter in de hand, dat hij waarschijnlijk voor zijne ouders gehaald had, en waarvan hij, het papier opligtende, gedurende den weg, den omtrek met zijne tong belikte, dat het een lust was.

Eindelijk zagen wij vlak tegenover ons eene melkboerin op een’ harer emmers zitten, en die, bemerkende, dat haar rok gedeeltelijk in den anderen emmer hing, denzelven er zeer voorzigtig uitnam en in dien emmer uitwrong, om toch geenen droppel van het vocht, dat zij verkocht, te verliezen.

„Ziedaar!”zeide ik,„het toeval biedt ons, gelijktijdig en juist van pas, drie sprekende voorbeelden van de Engelsche zindelijkheid aan! Wel nu, wat zegt gij er van?”

—„Dat dit niets bewijst! Men kan uit bijzonderheden geene gevolgtrekking tot het geheel maken.”

—„Ik heb u ook niet slechts eenen trek aangewezen, maar wel drie, in dezelfde straat, en op hetzelfde oogenblik, en mijn geheugen herinnert mij nog een aantal anderen.—Of kunt gij deze vrouw zindelijk noemen, die, den eersten morgen na mijn ontwaken, in mijn verblijf, dat ik thans nog bewoon, mij, nadat zij eerst mijn vuur aangemaakt, en de zwarte kolen met de handen aangevat had, het ontbijt bragt, zonder zich afgewasschen te hebben, en zich insgelijks gereed maakte, om mijn bed te schudden, hetwelk ik echter nog gelukkig voorkwam, door haar, bij wijze van een komplimentje, te zeggen, dat de heldere blankheid van haar gelaat een sterk kontrast met hare zwarte handen opleverde? Is het misschien ook een beginsel van zindelijkheid, dat de menschen, bij welke gij inwoont, toen ik u, op zekeren dag, terwijl zij zaten te eten, afwachtte, mij gul en hartelijk eene teug bier uit het pint aanboden, hetwelk gedurig de ronde om de tafel deed, zonder dat een der drinkenden er om dacht, den mond met een servet af te vegen, en zulks om de natuurlijke reden, wijl niemand een servet had?”

—„Alles enkele voorbeelden! Gij beoordeelt de Engelschen, als zeker reiziger de Fransche vrouwen schetste. Deze, teCalaisontschepende, teekende in zijn zakboekje aan, dat alle Fransche vrouwen zoo rood als vossen waren, dewijl de kasteleines der herberg, waar hij was afgestapt, rood haar had.”

—„Gij bedriegt u. Ik zeg niet, dat alle Engelschen morsig zijn; maar ik betwist hun den roem van algemeene zindelijkheid, met welke men hun zeer ongepast inEngelandvereert, en ik durf beweren, dat de Franschen, wat dit artikel betreft, hun geenszins, uit den weg behoeven te gaan. Maar nog iets; indien de bijzondere bewijzen u niet kunnen overtuigen, indien gij mij tegenwerpt, dat alle voorbeelden, welke ik heb aangehaald, slechts het lagegemeenbetreffen, dan zal ik u eenige algemeene trekken opnoemen, en wel onder lieden van den eersten rang in de maatschappij.”

„Goed, hier wacht ik u, mijn vriend.”

—„Zeer wel, let slechts op!—Gij weet, dat, als men, zelfs in de eerste huizen, thee gaat drinken, dezelve op een prachtig geschilderd, en met goud of zilver versierd blad, in het keurigste en kostbaarste porselein, wordt voorgediend. Maar hebt gij tevens nooit uw oog gevestigd op die spoelkom, welke half vol warm water op den hoek van het blad is geplaatst?—Hebt gij er nooit op gelet, dat ieder, na zijn kopje uitgedronken te hebben, hetzelvein die kom van het overschot en van eenige, daar in nog overgeblevene, theebladen gaat zuiveren? Is dit niet even eens, als of ieder beurtelings uit hetzelfde kopje dronk? Neen! zoo zeer ik met vermaak uit een kopje of schoteltje zou willen drinken, hetwelk met een paar lieve koralen lipjes in aanraking was geweest, met even zoo veel tegenzin en afkeer zou ik er mij van bedienen, indien het in hetzelfde water was afgespoeld geworden, hetwelk de restjes van eenen dronkaard, of van eene tandelooze bes ontvangen heeft; want eigenlijk is dit geenreinigen, maar wel degelijkbemorsen.—Ja, mijn vriend! doorzoek vrij, als gij kunt, de kleedkamer van de pronkzuchtigste vrouw, of van de rijkst onderhouden wordendemaitresse; ga bij de voornaamste behangers en in de eerste modewinkels, en gij zult bevinden, dat eene Fransche vrouw, van welk eenen stand ook, er niet volledig alles zou aantreffen, wat zij noodig heeft, om zich geheel naar haren zin van meubelen te voorzien.

—Hebt gij reeds onze lieve en beminnelijke landgenoote, welke wij gisteren door ongesteldheid te bed vonden, vergeten, en die zich ongelukkig bezeerd had bij het vervaardigen van eenstuk huisraad, dat zij in geheelLondenniet vinden kon? En op wat wijze zult gij de fraaije manier, om het neuzenmerg op te halen en in te slokken, verdedigen?—Eene gewoonte, welke onder alle klassen plaats heeft, en vandaar oorspronkelijk schijnt te zijn, dat de zindelijke heeren Engelschen nooit iets uitspuwen, uit vrees van hunne tapijten te bederven, en ook zeer zelden eenen zakdoek gebruiken, uit voorzorg van denzelven morsig te maken.

Ja zelfs schijnt de regering dezer stad het nuttige en noodzakelijke der zindelijkheid niet genoegzaam in het oog te houden; want gij zult mij toch wel willen toestemmen, dat de straten hier zeer slecht schoon gehouden worden, of laat ik liever zeggen, dat zij altijd zeer vuil en morsig zijn. Het is waar, men veegt, bij de eene of andere dwarsstraat, een klein plekje schoon, om van het eene voetpad op het andere te kunnen komen, en dit werk wordt gemeenlijk nog door eenen bedelaar verrigt, die, in de eene hand den bezem houdende, de andere geopend en uitgestrekt den voorbijgangers aanbiedt. Doch wilt gij de straten dwars oversteken, om aan de overzijde te komen, dan moet gij tot aan de waden door modder en slijk stappen, of weder terugkeeren,tot gij aan een dezer paadjes komt, waarvan ik gesproken heb, en welke veel overeenkomst hebben met eene plank over eene moddersloot.

—„Genoeg! om ’s hemels wil, genoeg!”zeide mijn vriendC...;„gij zoudt eindigen met mij te betogen, datLondende tempel der morsigheid is!”

—„Dan zoudt gij in eene tweede dwaling vervallen. Mijn voornemen is geenszins,Londenin het overdrevene van morsigheid te beschuldigen, maar slechts te bewijzen, dat men ongelijk heeft met de Engelsche zindelijkheid zoo hemelhoog boven de onze te verheffen. Men moet, om gezond over de zaken te kunnen oordeelen, ze van zeer nabij zien, en met oplettendheid onderzoeken; want het gaat met de meeste dingen, welke wij in het eerst verbazend bewonderen, even als met menige vrouw, die in de verte met al de bekoorlijkheden en frischheid der jeugd schijnt uitgedost te zijn, maar die, bij iederen stap, met welken gij haar nadert, iets van hare bevalligheid verliest, en eindelijk zelfs leelijk zou kunnen genoemd worden.


Back to IndexNext