XV.

XV.De Engelsche wellevendheid.„Uwe Londensche kooplieden,”zeide ik, op eenen zekeren dag, tegen mijnen vriend,„zijn juist niet zeer wellevend. Kom ik ergens in eenen winkel, dan schijnt men mij naauwelijks op te merken; men geeft mij tamelijk onverschillig hetgeen ik gevraagd heb; wel te verstaan, wanneer men niets beters te doen heeft; en het is waarlijk bijna, of mij eene gunst wordt bewezen, als men mijn geld in ruiling voor de waren aanneemt.”—„Gij doet mij verwonderd staan! Niets evenaart de beleefdheid onzer kooplieden, dan misschien de zucht, om hunne winkels en magazijnen te ledigen, en wederom met nieuwe goederen aan te vullen. Hier heeft gewis een misverstand, of eene bijzonderheid plaats. Kunt gij mij geene daadzaak opnoemen?”—„O ja! dezen morgen nog was ik bij eenen boekverkooper, bij wien ik reeds verscheidene werken gekocht heb, met oogmerk, om nog het een en ander uit te zoeken. Juisthield hij zich met eene dame bezig; en ik was niet onbeleefd genoeg, om hem te vergen, haar te laten staan, en mij te helpen. Doch achtervolgens kwamen er nog vijf of zes andere personen in den winkel, die allen voor mij geholpen werden. Eindelijk gunde hij mij het woord, nadat ik ruim een half uur met het lezen der titels van zijne netjes gerangschikte boeken had doorgebragt, en hij volstrekt niets anders te doen scheen te hebben. Echter had hij mij wel zien inkomen; dewijl ik hem zeer beleefd gegroet en zelfs mijnen hoed op de toonbank nedergelegd had.„Ha, ha! Daar zijn wij er! Altijd en eeuwig Fransch! Onze kooplieden zijn gewoon, de achting en oplettendheid, welke zij aan hen, die in hunne winkels komen, verschuldigd zijn, af te meten naar het voorkomen van gewigt, dat de koopers zich zelven weten te geven. Ga slechts in een’ der voornaamste winkels van geheelLonden, om het een of ander, ter waarde van slechts eenen halven schelling te koopen; doch houd uwen hoed op, spreek op eenen hoogen toon, veins, de grootste haast van de wereld te hebben, en gij zult u niet alleen geholpen zien, maar zelfs zal men u met de meeste beleefdheid en een aantal buigingen tot aan de deur geleiden. Nimmerzult gij eenen Engelschman, in eenen winkel komende, zijnen hoed zien afnemen, al stond ook de schoonste en welgekleedste vrouw achter de toonbank; iets, hetwelk, buitendien zeer zeldzaam inLondenis, waar de vrouwen zich niet veel met de winkelnering bemoeijen. Ook zal hij zulks evenmin doen, wanneer hij op deze of gene publieke plaats komt. Reeds meermaals heb ik opgemerkt, dat bij uwe verschijning in een koffijhuis of op ander publieke plaatsen aller oogen op u gevestigd waren; want naauwelijks hadt gij de deur bereikt, of, wip! was de hoed naar beneden. Zie daarentegen eens eenen Engelschman binnenkomen: deftig als een paauw stapt hij daar henen, ziet, met den hoed op het hoofd, driest naar alle zijden om, groet zijne vrienden en bekenden, welke hem onder het oog vallen, met eenen ligten hoofdknik, gaat vervolgens zitten, of hij er te huis hoorde, en zet alsdan den hoed af, zoo dezelve hem mogt hinderen. Gisteren morgen, mijn beste! hebt gij nog eenen ergen mispas (vergeef mij deze uitdrukking!) gemaakt, welke uwe hoedanigheid van Franschman alleen kan verontschuldigen. Ongetwijfeld herinnert gij u, dat wij inPicadillij sir Robert D...ontmoet hebben, bij wien wij morgen zullen eten. Hem aansprekende, hebt gij uwen hoedafgenomen, en hem derhalve in de onaangename noodzakelijkheid gebragt, om deze lastige beleefdheid op dezelfde wijze te beantwoorden, hetgeen hem ligtelijk eene verkoudheid op den hals kan halen.”—„Het is goed, dat ik dit weet, en ik verzeker u, dat mijn hoed voortaan op mijn hoofd als gespijkerd zal zijn.—Maar indien mij nu eens, bij geval, eene dame van mijne kennis ontmoet; is het dan insgelijks onwellevend, den hoed af te nemen?”—„Dit maakt een groot onderscheid, mijn vriend! Immers kan zij uwe beleefdheid met eene kleine buiging beantwoorden, welke haar geene verkoudheid zal veroorzaken. Indien zij zich echter met u wil onderhouden, zal zij u zelve aanspreken; zoo niet, dan eischt de wellevendheid, haar niet te zien, ten minste u te houden, als of gij haar niet bemerktet.”—„Zeer wel! slechts nog eenige lesjes; en gij zult eenen echten Engelschman van mij maken.”—„Dewijl gij toch begeert, in de Engelsche manieren onderrigt te worden, moet ik u nog waarschouwen, dat gij u nimmer moet veroorloven, om, ten minste, zoo gij u niet bij zeer goede vrienden of bekenden bevindt, aan het vuur te raken of de kaars te snuiten. Dochom op het artikel van den hoed terug te komen; geenszins is het gebruikelijk, bij het afleggen van bezoeken, met den hoed in de hand of onder den arm in het vertrek te komen, waar het gezelschap bij een is; men moet denzelven in het voorvertrek nederleggen.”—„Ik versta u! Men komt binnen, als om een buurpraatje te houden.—Het zal nu wel gaan! ziedaar mij, ten minste wat der behandeling van den hoed betreft, grondig onderwezen! Ik zie wel, dat de heeren Engelschen het kapittel van den hoed volgensAristotelesdoor en door bestudeerd hebben, waarvanSganarellebijMolièregewag maakt.”

XV.De Engelsche wellevendheid.„Uwe Londensche kooplieden,”zeide ik, op eenen zekeren dag, tegen mijnen vriend,„zijn juist niet zeer wellevend. Kom ik ergens in eenen winkel, dan schijnt men mij naauwelijks op te merken; men geeft mij tamelijk onverschillig hetgeen ik gevraagd heb; wel te verstaan, wanneer men niets beters te doen heeft; en het is waarlijk bijna, of mij eene gunst wordt bewezen, als men mijn geld in ruiling voor de waren aanneemt.”—„Gij doet mij verwonderd staan! Niets evenaart de beleefdheid onzer kooplieden, dan misschien de zucht, om hunne winkels en magazijnen te ledigen, en wederom met nieuwe goederen aan te vullen. Hier heeft gewis een misverstand, of eene bijzonderheid plaats. Kunt gij mij geene daadzaak opnoemen?”—„O ja! dezen morgen nog was ik bij eenen boekverkooper, bij wien ik reeds verscheidene werken gekocht heb, met oogmerk, om nog het een en ander uit te zoeken. Juisthield hij zich met eene dame bezig; en ik was niet onbeleefd genoeg, om hem te vergen, haar te laten staan, en mij te helpen. Doch achtervolgens kwamen er nog vijf of zes andere personen in den winkel, die allen voor mij geholpen werden. Eindelijk gunde hij mij het woord, nadat ik ruim een half uur met het lezen der titels van zijne netjes gerangschikte boeken had doorgebragt, en hij volstrekt niets anders te doen scheen te hebben. Echter had hij mij wel zien inkomen; dewijl ik hem zeer beleefd gegroet en zelfs mijnen hoed op de toonbank nedergelegd had.„Ha, ha! Daar zijn wij er! Altijd en eeuwig Fransch! Onze kooplieden zijn gewoon, de achting en oplettendheid, welke zij aan hen, die in hunne winkels komen, verschuldigd zijn, af te meten naar het voorkomen van gewigt, dat de koopers zich zelven weten te geven. Ga slechts in een’ der voornaamste winkels van geheelLonden, om het een of ander, ter waarde van slechts eenen halven schelling te koopen; doch houd uwen hoed op, spreek op eenen hoogen toon, veins, de grootste haast van de wereld te hebben, en gij zult u niet alleen geholpen zien, maar zelfs zal men u met de meeste beleefdheid en een aantal buigingen tot aan de deur geleiden. Nimmerzult gij eenen Engelschman, in eenen winkel komende, zijnen hoed zien afnemen, al stond ook de schoonste en welgekleedste vrouw achter de toonbank; iets, hetwelk, buitendien zeer zeldzaam inLondenis, waar de vrouwen zich niet veel met de winkelnering bemoeijen. Ook zal hij zulks evenmin doen, wanneer hij op deze of gene publieke plaats komt. Reeds meermaals heb ik opgemerkt, dat bij uwe verschijning in een koffijhuis of op ander publieke plaatsen aller oogen op u gevestigd waren; want naauwelijks hadt gij de deur bereikt, of, wip! was de hoed naar beneden. Zie daarentegen eens eenen Engelschman binnenkomen: deftig als een paauw stapt hij daar henen, ziet, met den hoed op het hoofd, driest naar alle zijden om, groet zijne vrienden en bekenden, welke hem onder het oog vallen, met eenen ligten hoofdknik, gaat vervolgens zitten, of hij er te huis hoorde, en zet alsdan den hoed af, zoo dezelve hem mogt hinderen. Gisteren morgen, mijn beste! hebt gij nog eenen ergen mispas (vergeef mij deze uitdrukking!) gemaakt, welke uwe hoedanigheid van Franschman alleen kan verontschuldigen. Ongetwijfeld herinnert gij u, dat wij inPicadillij sir Robert D...ontmoet hebben, bij wien wij morgen zullen eten. Hem aansprekende, hebt gij uwen hoedafgenomen, en hem derhalve in de onaangename noodzakelijkheid gebragt, om deze lastige beleefdheid op dezelfde wijze te beantwoorden, hetgeen hem ligtelijk eene verkoudheid op den hals kan halen.”—„Het is goed, dat ik dit weet, en ik verzeker u, dat mijn hoed voortaan op mijn hoofd als gespijkerd zal zijn.—Maar indien mij nu eens, bij geval, eene dame van mijne kennis ontmoet; is het dan insgelijks onwellevend, den hoed af te nemen?”—„Dit maakt een groot onderscheid, mijn vriend! Immers kan zij uwe beleefdheid met eene kleine buiging beantwoorden, welke haar geene verkoudheid zal veroorzaken. Indien zij zich echter met u wil onderhouden, zal zij u zelve aanspreken; zoo niet, dan eischt de wellevendheid, haar niet te zien, ten minste u te houden, als of gij haar niet bemerktet.”—„Zeer wel! slechts nog eenige lesjes; en gij zult eenen echten Engelschman van mij maken.”—„Dewijl gij toch begeert, in de Engelsche manieren onderrigt te worden, moet ik u nog waarschouwen, dat gij u nimmer moet veroorloven, om, ten minste, zoo gij u niet bij zeer goede vrienden of bekenden bevindt, aan het vuur te raken of de kaars te snuiten. Dochom op het artikel van den hoed terug te komen; geenszins is het gebruikelijk, bij het afleggen van bezoeken, met den hoed in de hand of onder den arm in het vertrek te komen, waar het gezelschap bij een is; men moet denzelven in het voorvertrek nederleggen.”—„Ik versta u! Men komt binnen, als om een buurpraatje te houden.—Het zal nu wel gaan! ziedaar mij, ten minste wat der behandeling van den hoed betreft, grondig onderwezen! Ik zie wel, dat de heeren Engelschen het kapittel van den hoed volgensAristotelesdoor en door bestudeerd hebben, waarvanSganarellebijMolièregewag maakt.”

XV.De Engelsche wellevendheid.

„Uwe Londensche kooplieden,”zeide ik, op eenen zekeren dag, tegen mijnen vriend,„zijn juist niet zeer wellevend. Kom ik ergens in eenen winkel, dan schijnt men mij naauwelijks op te merken; men geeft mij tamelijk onverschillig hetgeen ik gevraagd heb; wel te verstaan, wanneer men niets beters te doen heeft; en het is waarlijk bijna, of mij eene gunst wordt bewezen, als men mijn geld in ruiling voor de waren aanneemt.”—„Gij doet mij verwonderd staan! Niets evenaart de beleefdheid onzer kooplieden, dan misschien de zucht, om hunne winkels en magazijnen te ledigen, en wederom met nieuwe goederen aan te vullen. Hier heeft gewis een misverstand, of eene bijzonderheid plaats. Kunt gij mij geene daadzaak opnoemen?”—„O ja! dezen morgen nog was ik bij eenen boekverkooper, bij wien ik reeds verscheidene werken gekocht heb, met oogmerk, om nog het een en ander uit te zoeken. Juisthield hij zich met eene dame bezig; en ik was niet onbeleefd genoeg, om hem te vergen, haar te laten staan, en mij te helpen. Doch achtervolgens kwamen er nog vijf of zes andere personen in den winkel, die allen voor mij geholpen werden. Eindelijk gunde hij mij het woord, nadat ik ruim een half uur met het lezen der titels van zijne netjes gerangschikte boeken had doorgebragt, en hij volstrekt niets anders te doen scheen te hebben. Echter had hij mij wel zien inkomen; dewijl ik hem zeer beleefd gegroet en zelfs mijnen hoed op de toonbank nedergelegd had.„Ha, ha! Daar zijn wij er! Altijd en eeuwig Fransch! Onze kooplieden zijn gewoon, de achting en oplettendheid, welke zij aan hen, die in hunne winkels komen, verschuldigd zijn, af te meten naar het voorkomen van gewigt, dat de koopers zich zelven weten te geven. Ga slechts in een’ der voornaamste winkels van geheelLonden, om het een of ander, ter waarde van slechts eenen halven schelling te koopen; doch houd uwen hoed op, spreek op eenen hoogen toon, veins, de grootste haast van de wereld te hebben, en gij zult u niet alleen geholpen zien, maar zelfs zal men u met de meeste beleefdheid en een aantal buigingen tot aan de deur geleiden. Nimmerzult gij eenen Engelschman, in eenen winkel komende, zijnen hoed zien afnemen, al stond ook de schoonste en welgekleedste vrouw achter de toonbank; iets, hetwelk, buitendien zeer zeldzaam inLondenis, waar de vrouwen zich niet veel met de winkelnering bemoeijen. Ook zal hij zulks evenmin doen, wanneer hij op deze of gene publieke plaats komt. Reeds meermaals heb ik opgemerkt, dat bij uwe verschijning in een koffijhuis of op ander publieke plaatsen aller oogen op u gevestigd waren; want naauwelijks hadt gij de deur bereikt, of, wip! was de hoed naar beneden. Zie daarentegen eens eenen Engelschman binnenkomen: deftig als een paauw stapt hij daar henen, ziet, met den hoed op het hoofd, driest naar alle zijden om, groet zijne vrienden en bekenden, welke hem onder het oog vallen, met eenen ligten hoofdknik, gaat vervolgens zitten, of hij er te huis hoorde, en zet alsdan den hoed af, zoo dezelve hem mogt hinderen. Gisteren morgen, mijn beste! hebt gij nog eenen ergen mispas (vergeef mij deze uitdrukking!) gemaakt, welke uwe hoedanigheid van Franschman alleen kan verontschuldigen. Ongetwijfeld herinnert gij u, dat wij inPicadillij sir Robert D...ontmoet hebben, bij wien wij morgen zullen eten. Hem aansprekende, hebt gij uwen hoedafgenomen, en hem derhalve in de onaangename noodzakelijkheid gebragt, om deze lastige beleefdheid op dezelfde wijze te beantwoorden, hetgeen hem ligtelijk eene verkoudheid op den hals kan halen.”—„Het is goed, dat ik dit weet, en ik verzeker u, dat mijn hoed voortaan op mijn hoofd als gespijkerd zal zijn.—Maar indien mij nu eens, bij geval, eene dame van mijne kennis ontmoet; is het dan insgelijks onwellevend, den hoed af te nemen?”—„Dit maakt een groot onderscheid, mijn vriend! Immers kan zij uwe beleefdheid met eene kleine buiging beantwoorden, welke haar geene verkoudheid zal veroorzaken. Indien zij zich echter met u wil onderhouden, zal zij u zelve aanspreken; zoo niet, dan eischt de wellevendheid, haar niet te zien, ten minste u te houden, als of gij haar niet bemerktet.”—„Zeer wel! slechts nog eenige lesjes; en gij zult eenen echten Engelschman van mij maken.”—„Dewijl gij toch begeert, in de Engelsche manieren onderrigt te worden, moet ik u nog waarschouwen, dat gij u nimmer moet veroorloven, om, ten minste, zoo gij u niet bij zeer goede vrienden of bekenden bevindt, aan het vuur te raken of de kaars te snuiten. Dochom op het artikel van den hoed terug te komen; geenszins is het gebruikelijk, bij het afleggen van bezoeken, met den hoed in de hand of onder den arm in het vertrek te komen, waar het gezelschap bij een is; men moet denzelven in het voorvertrek nederleggen.”—„Ik versta u! Men komt binnen, als om een buurpraatje te houden.—Het zal nu wel gaan! ziedaar mij, ten minste wat der behandeling van den hoed betreft, grondig onderwezen! Ik zie wel, dat de heeren Engelschen het kapittel van den hoed volgensAristotelesdoor en door bestudeerd hebben, waarvanSganarellebijMolièregewag maakt.”

„Uwe Londensche kooplieden,”zeide ik, op eenen zekeren dag, tegen mijnen vriend,„zijn juist niet zeer wellevend. Kom ik ergens in eenen winkel, dan schijnt men mij naauwelijks op te merken; men geeft mij tamelijk onverschillig hetgeen ik gevraagd heb; wel te verstaan, wanneer men niets beters te doen heeft; en het is waarlijk bijna, of mij eene gunst wordt bewezen, als men mijn geld in ruiling voor de waren aanneemt.”

—„Gij doet mij verwonderd staan! Niets evenaart de beleefdheid onzer kooplieden, dan misschien de zucht, om hunne winkels en magazijnen te ledigen, en wederom met nieuwe goederen aan te vullen. Hier heeft gewis een misverstand, of eene bijzonderheid plaats. Kunt gij mij geene daadzaak opnoemen?”

—„O ja! dezen morgen nog was ik bij eenen boekverkooper, bij wien ik reeds verscheidene werken gekocht heb, met oogmerk, om nog het een en ander uit te zoeken. Juisthield hij zich met eene dame bezig; en ik was niet onbeleefd genoeg, om hem te vergen, haar te laten staan, en mij te helpen. Doch achtervolgens kwamen er nog vijf of zes andere personen in den winkel, die allen voor mij geholpen werden. Eindelijk gunde hij mij het woord, nadat ik ruim een half uur met het lezen der titels van zijne netjes gerangschikte boeken had doorgebragt, en hij volstrekt niets anders te doen scheen te hebben. Echter had hij mij wel zien inkomen; dewijl ik hem zeer beleefd gegroet en zelfs mijnen hoed op de toonbank nedergelegd had.

„Ha, ha! Daar zijn wij er! Altijd en eeuwig Fransch! Onze kooplieden zijn gewoon, de achting en oplettendheid, welke zij aan hen, die in hunne winkels komen, verschuldigd zijn, af te meten naar het voorkomen van gewigt, dat de koopers zich zelven weten te geven. Ga slechts in een’ der voornaamste winkels van geheelLonden, om het een of ander, ter waarde van slechts eenen halven schelling te koopen; doch houd uwen hoed op, spreek op eenen hoogen toon, veins, de grootste haast van de wereld te hebben, en gij zult u niet alleen geholpen zien, maar zelfs zal men u met de meeste beleefdheid en een aantal buigingen tot aan de deur geleiden. Nimmerzult gij eenen Engelschman, in eenen winkel komende, zijnen hoed zien afnemen, al stond ook de schoonste en welgekleedste vrouw achter de toonbank; iets, hetwelk, buitendien zeer zeldzaam inLondenis, waar de vrouwen zich niet veel met de winkelnering bemoeijen. Ook zal hij zulks evenmin doen, wanneer hij op deze of gene publieke plaats komt. Reeds meermaals heb ik opgemerkt, dat bij uwe verschijning in een koffijhuis of op ander publieke plaatsen aller oogen op u gevestigd waren; want naauwelijks hadt gij de deur bereikt, of, wip! was de hoed naar beneden. Zie daarentegen eens eenen Engelschman binnenkomen: deftig als een paauw stapt hij daar henen, ziet, met den hoed op het hoofd, driest naar alle zijden om, groet zijne vrienden en bekenden, welke hem onder het oog vallen, met eenen ligten hoofdknik, gaat vervolgens zitten, of hij er te huis hoorde, en zet alsdan den hoed af, zoo dezelve hem mogt hinderen. Gisteren morgen, mijn beste! hebt gij nog eenen ergen mispas (vergeef mij deze uitdrukking!) gemaakt, welke uwe hoedanigheid van Franschman alleen kan verontschuldigen. Ongetwijfeld herinnert gij u, dat wij inPicadillij sir Robert D...ontmoet hebben, bij wien wij morgen zullen eten. Hem aansprekende, hebt gij uwen hoedafgenomen, en hem derhalve in de onaangename noodzakelijkheid gebragt, om deze lastige beleefdheid op dezelfde wijze te beantwoorden, hetgeen hem ligtelijk eene verkoudheid op den hals kan halen.”

—„Het is goed, dat ik dit weet, en ik verzeker u, dat mijn hoed voortaan op mijn hoofd als gespijkerd zal zijn.—Maar indien mij nu eens, bij geval, eene dame van mijne kennis ontmoet; is het dan insgelijks onwellevend, den hoed af te nemen?”

—„Dit maakt een groot onderscheid, mijn vriend! Immers kan zij uwe beleefdheid met eene kleine buiging beantwoorden, welke haar geene verkoudheid zal veroorzaken. Indien zij zich echter met u wil onderhouden, zal zij u zelve aanspreken; zoo niet, dan eischt de wellevendheid, haar niet te zien, ten minste u te houden, als of gij haar niet bemerktet.”

—„Zeer wel! slechts nog eenige lesjes; en gij zult eenen echten Engelschman van mij maken.”

—„Dewijl gij toch begeert, in de Engelsche manieren onderrigt te worden, moet ik u nog waarschouwen, dat gij u nimmer moet veroorloven, om, ten minste, zoo gij u niet bij zeer goede vrienden of bekenden bevindt, aan het vuur te raken of de kaars te snuiten. Dochom op het artikel van den hoed terug te komen; geenszins is het gebruikelijk, bij het afleggen van bezoeken, met den hoed in de hand of onder den arm in het vertrek te komen, waar het gezelschap bij een is; men moet denzelven in het voorvertrek nederleggen.”

—„Ik versta u! Men komt binnen, als om een buurpraatje te houden.—Het zal nu wel gaan! ziedaar mij, ten minste wat der behandeling van den hoed betreft, grondig onderwezen! Ik zie wel, dat de heeren Engelschen het kapittel van den hoed volgensAristotelesdoor en door bestudeerd hebben, waarvanSganarellebijMolièregewag maakt.”


Back to IndexNext