XXI.De wandeling.„Helaas! nog al veroordeeld, om eenenzondagteLondendoor te brengen! welk een verdriet! Geene andere publieke plaats staat open, dan de koffijhuizen, die juist niet in mijnen smaak vallen, en de herbergen, waar gerookt wordt, en welke ik verfoei! Geen bezoek kan men afleggen! Ha! ik kan echter eene predikatie gaan hooren! Eene predikatie... de hemel beware mij! ik vergenoeg mij gaarne met de eerste, welke ik gehoord heb.—Komaan, laat ons een hoofdstuk bijeen flansen, en het devervelingdoopen. De verveling is immers eene ziekte, welke al de inwoners vanLondenbekruipt, en die mogelijk eenigen mijner lezers, bij het doorbladeren van dit boekje, mijns ondanks, ook zal bevangen.”Ik nam derhalve een groot vel schrijfpapier, en schreef boven aan met groote letteren:Een en twintigste Hoofdstuk.—De Verveling.Reeds was ik bezig met eene inleiding te ontwerpen toen ik mij op den schouder voeldetikken. Ik keerde mij om en zag mijne vriendC...„Wel!”zeide hij,„wat denkt gij van daag te doen?”„Ach!”antwoordde ik met eenen zucht,„hetgene men teLondenopzondagkan doen. Ziedaar!”vervolgde ik, hem mijn vol papier onder de oogen houdende.„Smijt het in het vuur!”hernam hij:„het is een heerlijke winterdag, niet te koud, geen wind; komaan, laat ons inHyde-Parkgaan wandelen; dit zal onzen eetlust opwekken, en wij zullen alsdan dezen middag der tafel eer kunnen aandoen.”Ik liet mij niet lang bidden; wij begaven ons terstond op weg en kwamen, na omtrent een uur wandelens, aan dat vermakelijke park, door de poort van deOxford-street. Zonder medelijden liet mijn vriend mijne voeten de lengte van het geheele park meten, en toen vroeg hij mij:„Welnu! hoe vindt gij deze wandeling?”„Overheerlijk! Ik zou er mij geen denkbeeld van hebben kunnen vormen! Maar in ernst! Hoe toch kunt gij vooronderstellen, dat deze plaats mij zou kunnen behagen? Een wijd uitgestrekte grond, van eenen onregelmatigen omtrek, bedekt met een dun en dor groen,waartusschen het oog hier en daar eenige wijd en zijd verspreide boomen aantreft, even als men in de Lijbische zandwoestijnen, van tijd tot tijd, eenigeoasenontwaart, en in wiens midden, tot volmaking van dit fraaije tafereel, een magazijn van stof ligt!—Voorts is dit treffend geheel doorsneden met eene soort van lanen, vol modder en slijk, die tegenwoordig gelukkig stijf bevrozen is, en waar honderd wandelaars, even als wij, hunne verveling medebrengen, den tijd trachten te dooden, en van welke men te regt zou kunnen zeggen:„Rari nantes in gurgite vasto!”—„Wat het dorre en weinige gras betreft, dat komt, wijl men der zeissens hier al te dikwijls bezigheid verschaft.”—„Wat raakt mij de oorzaak? ik beoordeel de uitwerkselen.”—„En verdient deze schoone gracht, welke men hetSlangen-kanaalnoemt, ten minste uwe verwondering niet?”—„De nabijheid van deTheemsvermindert aanmerkelijk het schoone van dit kanaal.—Maar ik zie daar eenige jonge lieden schaatsen rijden: ik dacht niet, dat het ijs reeds sterk genoeg was.”—„Gisteren reed men hier al. Wel is waar, er kwam een gat in, waarin wel vijftien menschen gevallen zijn; doch er is slechts één verdronken.”—„En waarom zet men niet een paar schildwachten uit, om te beletten, dat iemand op het ijs komt, voor dat het dik en sterk genoeg is?”—„Wat zou er dan van de Engelsche vrijheid worden?”—„Het is waar, ik dacht er niet om.—Welaan! laat ons dit betooverend verblijf verlaten.”—„Wij zullen eerst de tuinen vanKensingtonnog bezigtigen; want wij zijn er zeer digt bij.”Zoo gezegd, zoo gedaan; en nu moet ik mijnen waarden lezer ronduit bekennen, dat ik hier waande, mij in eene andere wereld getooverd te zien. Eene wijde uitgestrektheid van de schoonste boomen, welke het oog naauwelijks overzien kan, met fraaije lanen doorsneden, bood hier den liefhebbers eene bekoorlijke wandeling aan, welke in den zomer overheerlijk moet zijn, en alsdan ook de bijeenkomst is van alles, wat inLondenaanzienelijk en voortreffelijk mag genoemd worden. Maar gij vindt er niets, om u te verfrisschen of teverkoelen; noch ijs, nochlimonade, noch zelfs een glas bier; niet eens eenen stoel, om uit te rusten: men treft er geene andere zitplaatsen aan, dan eenige, op eenen grooten afstand van elkander geplaatste, banken, even als men die heeft in onsLuxembourgof in deTuilleries, waar deInvalidenen nieuwsgierige ledigloopers gewoonlijk hunne bijeenkomsten hebben.Wij wandelden den tuin rond, en het was reeds half vier ure, toen wij denzelven verlieten. Nu moesten wij nogmaalsHyde-Parkoversteken, om in de stad te komen. Maar hoe groot was mijne verwondering! Ik bevond mij als in eene andere wereld. Misschien wel vijf- of zesduizend personen, van onderscheiden rang en stand, wandelden te voet in het binnenste gedeelte van het park; terwijl het in de dwarslanen krielde van rijtuigen, koetsen en paardrijders, en dat bijna in zulk eene menigte, als in onze wandeldreven teLong-Champ.—„Spijt het u nu wel, gebleven te zijn?” vroeg mijn vriend; „wat zegt gij nu vanHyde-Park?”—„Dat de decoratiën veranderd zijn, maar dat het tooneel altijd hetzelfde blijft. Ik verbeeld mij, eene groote kamer te zien, die welprachtig en rijk gemeubeld, doch welker vloer oud en morsig is, en welker zoldering en lambrizering sedert lang niet zijn opgeschilderd.”Nogtans moet ik der waarheid hulde doen, en bekennen, dat dit gezigt niet geheel onbelangrijk was, ook kan men er alle zondagen, van drie tot vijf ure, gebruik van maken. Met genoegen beschouwt men een aantal jonge lieden te paard, van beide seksen, die hunne moedige en dartele rossen met zwier en bevalligheid berijden; terwijl men, aan den anderen kant, wederom eene menigte van rijtuigen ziet, welke in smaak en pracht met elkander wedijveren. Niet minder verlustigt zich het oog in de wandelende en rijdende dames, van welke sommigen den bekoorlijksten luister van het natuurlijk, eenvoudig schoon ten toon spreiden, welks gemis anderen wederom door pracht van opschik en sieraden trachten te vergoeden. Wij hielden ons eenige oogenblikken op, om dit schouwspel naauwkeurig gade te slaan, hetwelk, hoe schoon ook, mij toch eindelijk zou verveeld hebben. Mijn vriend wist echter aan deze vervelende eentoonigheid, door het verhalen van sommige bijzonderheden en voorvallen, eenige afleiding te geven.„Ziet gij daar in die geel geschilderdekoets, met die fraaije wapens en eene grafelijke kroon er boven, dat lieve vrouwtje wel? vroeg hij mij. Zij is eene bloedverwante van een’ der aanzienlijkste personaadjes van geheelEngeland. Zij was de echtgenoote vanLord F...; maar eene onwederstaanbare zucht tot galante minnarijen deed haar gehoor verlenen aan de vleijerijen vanMijlord G...Haar man bemerkte het: hij was niet minder ervaren in de Heidensche fabelleer, dan in de Engelsche rekenkunde: de historie vanVenusenMars, benevens de boertige wraak vanVulkaanwaren hem geenszins onbekend; en daar hij het zonderlinge begrip koesterde, dat eene vrouw minder, en wat geld meer, een wezenlijke zegen des hemels was, hield hij zich, als of hij den beiden gelieven schoon spel wilde geven, en wist eindelijk het arglooze paar, door eenige zijner vrienden verzeld, die hem voor getuigen zouden dienen, in den beslissendsten toestand, even als de hierboven vermelde goden, te betrappen. Een Italiaan zou zeer zeker de schuldigen terstond geponjaardeerd hebben; een Franschman zou zijnen mededinger op de pistool of op den degen geeischt hebben; maar een Engelschman is wel wijzer!Lord F...vervolgdeLord G...in rechten, en verkreeg tegen hem een vonnis,waar bij deze, als onwettig bruiker van eens anders eigendom, in eene boete van 15,000 pond, dat is (360,000livresFransch) veroordeeld werd, tot schadevergoeding van kosten en intrest, en hetwelk hem tevens magtigde, om van zijne snoepachtige vrouw te scheiden. Toen trouwde deMylord G...het onbestorvene weeuwtje. Doch daar de opvolger vanLord F...niet geldgierig is, zegt men, dat hij de uiterste voorzorgen gebruikt, om niet genoodzaakt te zijn, de uitgeschotene gelden, welke hij aanLord F...betaald heeft, weder van eenen anderen zijner vrienden of bekenden te moeten invorderen.”„Die ruiter, op dat kastanjebruine paard, wiens sporen en stijgbeugels van zilver zijn, heetSir John H...Deze heeft eens eene weddenschap aangegaan van tweeduizend guinies, dat een man in twintig dagen duizend uren te voet zou afleggen, hetgeen iederen dag vijftig uren maakt, of ten naastenbij zestien en eene halve Fransche mijlen. Het gelukte hem in de daad, iemand te vinden, die dit wandelingje wilde ondernemen, en dien hij vervolgens iederen morgen door zijnen arts liet bezoeken; terwijl hij zelf zich met de zorg belastte, om den looper met voedende en krachtige spijzen te onderhouden.In een woord, hij won de weddenschap. Thans is het hem gelukt, eene heldin op te schommelen, die zich wil verbinden, in twintig achtereenvolgende dagen daags dertig uren af te leggen. Hij houdt zich dus bezig met iemand op te zoeken, die hem nogmaals tweeduizend guinies wil houden; maar ik twijfel sterk, of hij eenen wedder zal vinden; want de spraak gaat, dat hij altijd gelukkig is in het winnen.”„Zie daarmistress L..., in dat eenvoudige grijs geschilderde rijtuig zonder eenig versiersel. Zij is met eenen Franschman getrouwd, dien zij, van den morgen tot den avond, onophoudelijk kwelt, vooral, wanneer hij het ongeluk heeft van in de eene of andere kleinigheid zich tegen de Engelsche gewoonten te bezondigen. Op zekeren avond thee bij haar drinkende, beknorde zij haren echtgenoot zeer hevig, in het volle gezelschap, dewijl hij de onoplettendheid gehad had, van het suikerpotje op de tafel, in plaats van op het theeblad, te zetten.”„Ziet gij daar links af, een paar schreden van ons, dien man wel, in zijnen bruinen rok, met dat levendige oog, en blootshoofds, die, even als wij, stilletjes voortwandelt?—Het is een schilder vol talenten en verdiensten; Hij heeft de minnares van eenen der voornaamste heeren van het rijk geportretteerd.Toen het werk af was, had zijne Edelheid de goedheid van hem te zeggen:—„Zie daar een portret, mijnheer! dat u eer zal verschaffen! het is onmogelijk, van dien aard iets beters te zien! En dit is al de betaling, welke de verdienstvolle kunstenaar ooit heeft kunnen bekomen.”„Spoedig! Spoedig! Beschouw die blaauwe koets daar, met die hertoglijke wapens! Ziet gij daar niet, naast die oude dame, met dat stuursche drakengezigt, een lief, bekoorlijk, jong meisje, hetwelk men het verdriet uit de oogen kan lezen? het is eene wees. Hare bevalligheden, misschien ook wel hare vijftienduizend pond renten, trokken de liefde van een jong mensch tot zich, die wederkeerig het geluk had van haar te behagen. Noch zijn rang noch zijne fortuin veroorloofden hem, naar hare hand te staan. Derhalve besloten de twee gelieven, volgens het Engelsche gebruik, eenSchotsch reisjete doen; doch voordat zij het doel hunner wenschen bereikt hadden, en door eenen zwartrok het heilvolle woordjeconjungo!(ik vereenig u!) over hen was uitgesproken, werden zij door de bloedverwanten der jonge juffer achterhaald en vastgehouden. Haar stelde men in de bewaring en onder het opzigt van deze oude,welke haar even min verlaat, als de schaduw het ligchaam: de jongeling werd als schaker aan de kaak te pronk gezet. Men zegt evenwel, dat het beminnelijke meisje een vast karakter heeft, en zoodra zij meerderjarig geworden is, welk tijdstip met snelle schreden nadert, den ongelukkigen jongeling zal trouwen en met hem naar het vaste land oversteken.”De menigte vanorigineelen, welker portretten mijn vriend mij schetste, begon echter langzamerhand te verminderen en uit een te gaan. Het was nu bijna vijf ure. Wij vertrouwden, dat zij voornemens waren, de wandeling door eene meer kracht gevende en meer zelfstandige bezigheid te doen vervangen; en wij, ons aan den wil der maag onderwerpende, achtten het niet te onpas, hun voorbeeld te volgen.
XXI.De wandeling.„Helaas! nog al veroordeeld, om eenenzondagteLondendoor te brengen! welk een verdriet! Geene andere publieke plaats staat open, dan de koffijhuizen, die juist niet in mijnen smaak vallen, en de herbergen, waar gerookt wordt, en welke ik verfoei! Geen bezoek kan men afleggen! Ha! ik kan echter eene predikatie gaan hooren! Eene predikatie... de hemel beware mij! ik vergenoeg mij gaarne met de eerste, welke ik gehoord heb.—Komaan, laat ons een hoofdstuk bijeen flansen, en het devervelingdoopen. De verveling is immers eene ziekte, welke al de inwoners vanLondenbekruipt, en die mogelijk eenigen mijner lezers, bij het doorbladeren van dit boekje, mijns ondanks, ook zal bevangen.”Ik nam derhalve een groot vel schrijfpapier, en schreef boven aan met groote letteren:Een en twintigste Hoofdstuk.—De Verveling.Reeds was ik bezig met eene inleiding te ontwerpen toen ik mij op den schouder voeldetikken. Ik keerde mij om en zag mijne vriendC...„Wel!”zeide hij,„wat denkt gij van daag te doen?”„Ach!”antwoordde ik met eenen zucht,„hetgene men teLondenopzondagkan doen. Ziedaar!”vervolgde ik, hem mijn vol papier onder de oogen houdende.„Smijt het in het vuur!”hernam hij:„het is een heerlijke winterdag, niet te koud, geen wind; komaan, laat ons inHyde-Parkgaan wandelen; dit zal onzen eetlust opwekken, en wij zullen alsdan dezen middag der tafel eer kunnen aandoen.”Ik liet mij niet lang bidden; wij begaven ons terstond op weg en kwamen, na omtrent een uur wandelens, aan dat vermakelijke park, door de poort van deOxford-street. Zonder medelijden liet mijn vriend mijne voeten de lengte van het geheele park meten, en toen vroeg hij mij:„Welnu! hoe vindt gij deze wandeling?”„Overheerlijk! Ik zou er mij geen denkbeeld van hebben kunnen vormen! Maar in ernst! Hoe toch kunt gij vooronderstellen, dat deze plaats mij zou kunnen behagen? Een wijd uitgestrekte grond, van eenen onregelmatigen omtrek, bedekt met een dun en dor groen,waartusschen het oog hier en daar eenige wijd en zijd verspreide boomen aantreft, even als men in de Lijbische zandwoestijnen, van tijd tot tijd, eenigeoasenontwaart, en in wiens midden, tot volmaking van dit fraaije tafereel, een magazijn van stof ligt!—Voorts is dit treffend geheel doorsneden met eene soort van lanen, vol modder en slijk, die tegenwoordig gelukkig stijf bevrozen is, en waar honderd wandelaars, even als wij, hunne verveling medebrengen, den tijd trachten te dooden, en van welke men te regt zou kunnen zeggen:„Rari nantes in gurgite vasto!”—„Wat het dorre en weinige gras betreft, dat komt, wijl men der zeissens hier al te dikwijls bezigheid verschaft.”—„Wat raakt mij de oorzaak? ik beoordeel de uitwerkselen.”—„En verdient deze schoone gracht, welke men hetSlangen-kanaalnoemt, ten minste uwe verwondering niet?”—„De nabijheid van deTheemsvermindert aanmerkelijk het schoone van dit kanaal.—Maar ik zie daar eenige jonge lieden schaatsen rijden: ik dacht niet, dat het ijs reeds sterk genoeg was.”—„Gisteren reed men hier al. Wel is waar, er kwam een gat in, waarin wel vijftien menschen gevallen zijn; doch er is slechts één verdronken.”—„En waarom zet men niet een paar schildwachten uit, om te beletten, dat iemand op het ijs komt, voor dat het dik en sterk genoeg is?”—„Wat zou er dan van de Engelsche vrijheid worden?”—„Het is waar, ik dacht er niet om.—Welaan! laat ons dit betooverend verblijf verlaten.”—„Wij zullen eerst de tuinen vanKensingtonnog bezigtigen; want wij zijn er zeer digt bij.”Zoo gezegd, zoo gedaan; en nu moet ik mijnen waarden lezer ronduit bekennen, dat ik hier waande, mij in eene andere wereld getooverd te zien. Eene wijde uitgestrektheid van de schoonste boomen, welke het oog naauwelijks overzien kan, met fraaije lanen doorsneden, bood hier den liefhebbers eene bekoorlijke wandeling aan, welke in den zomer overheerlijk moet zijn, en alsdan ook de bijeenkomst is van alles, wat inLondenaanzienelijk en voortreffelijk mag genoemd worden. Maar gij vindt er niets, om u te verfrisschen of teverkoelen; noch ijs, nochlimonade, noch zelfs een glas bier; niet eens eenen stoel, om uit te rusten: men treft er geene andere zitplaatsen aan, dan eenige, op eenen grooten afstand van elkander geplaatste, banken, even als men die heeft in onsLuxembourgof in deTuilleries, waar deInvalidenen nieuwsgierige ledigloopers gewoonlijk hunne bijeenkomsten hebben.Wij wandelden den tuin rond, en het was reeds half vier ure, toen wij denzelven verlieten. Nu moesten wij nogmaalsHyde-Parkoversteken, om in de stad te komen. Maar hoe groot was mijne verwondering! Ik bevond mij als in eene andere wereld. Misschien wel vijf- of zesduizend personen, van onderscheiden rang en stand, wandelden te voet in het binnenste gedeelte van het park; terwijl het in de dwarslanen krielde van rijtuigen, koetsen en paardrijders, en dat bijna in zulk eene menigte, als in onze wandeldreven teLong-Champ.—„Spijt het u nu wel, gebleven te zijn?” vroeg mijn vriend; „wat zegt gij nu vanHyde-Park?”—„Dat de decoratiën veranderd zijn, maar dat het tooneel altijd hetzelfde blijft. Ik verbeeld mij, eene groote kamer te zien, die welprachtig en rijk gemeubeld, doch welker vloer oud en morsig is, en welker zoldering en lambrizering sedert lang niet zijn opgeschilderd.”Nogtans moet ik der waarheid hulde doen, en bekennen, dat dit gezigt niet geheel onbelangrijk was, ook kan men er alle zondagen, van drie tot vijf ure, gebruik van maken. Met genoegen beschouwt men een aantal jonge lieden te paard, van beide seksen, die hunne moedige en dartele rossen met zwier en bevalligheid berijden; terwijl men, aan den anderen kant, wederom eene menigte van rijtuigen ziet, welke in smaak en pracht met elkander wedijveren. Niet minder verlustigt zich het oog in de wandelende en rijdende dames, van welke sommigen den bekoorlijksten luister van het natuurlijk, eenvoudig schoon ten toon spreiden, welks gemis anderen wederom door pracht van opschik en sieraden trachten te vergoeden. Wij hielden ons eenige oogenblikken op, om dit schouwspel naauwkeurig gade te slaan, hetwelk, hoe schoon ook, mij toch eindelijk zou verveeld hebben. Mijn vriend wist echter aan deze vervelende eentoonigheid, door het verhalen van sommige bijzonderheden en voorvallen, eenige afleiding te geven.„Ziet gij daar in die geel geschilderdekoets, met die fraaije wapens en eene grafelijke kroon er boven, dat lieve vrouwtje wel? vroeg hij mij. Zij is eene bloedverwante van een’ der aanzienlijkste personaadjes van geheelEngeland. Zij was de echtgenoote vanLord F...; maar eene onwederstaanbare zucht tot galante minnarijen deed haar gehoor verlenen aan de vleijerijen vanMijlord G...Haar man bemerkte het: hij was niet minder ervaren in de Heidensche fabelleer, dan in de Engelsche rekenkunde: de historie vanVenusenMars, benevens de boertige wraak vanVulkaanwaren hem geenszins onbekend; en daar hij het zonderlinge begrip koesterde, dat eene vrouw minder, en wat geld meer, een wezenlijke zegen des hemels was, hield hij zich, als of hij den beiden gelieven schoon spel wilde geven, en wist eindelijk het arglooze paar, door eenige zijner vrienden verzeld, die hem voor getuigen zouden dienen, in den beslissendsten toestand, even als de hierboven vermelde goden, te betrappen. Een Italiaan zou zeer zeker de schuldigen terstond geponjaardeerd hebben; een Franschman zou zijnen mededinger op de pistool of op den degen geeischt hebben; maar een Engelschman is wel wijzer!Lord F...vervolgdeLord G...in rechten, en verkreeg tegen hem een vonnis,waar bij deze, als onwettig bruiker van eens anders eigendom, in eene boete van 15,000 pond, dat is (360,000livresFransch) veroordeeld werd, tot schadevergoeding van kosten en intrest, en hetwelk hem tevens magtigde, om van zijne snoepachtige vrouw te scheiden. Toen trouwde deMylord G...het onbestorvene weeuwtje. Doch daar de opvolger vanLord F...niet geldgierig is, zegt men, dat hij de uiterste voorzorgen gebruikt, om niet genoodzaakt te zijn, de uitgeschotene gelden, welke hij aanLord F...betaald heeft, weder van eenen anderen zijner vrienden of bekenden te moeten invorderen.”„Die ruiter, op dat kastanjebruine paard, wiens sporen en stijgbeugels van zilver zijn, heetSir John H...Deze heeft eens eene weddenschap aangegaan van tweeduizend guinies, dat een man in twintig dagen duizend uren te voet zou afleggen, hetgeen iederen dag vijftig uren maakt, of ten naastenbij zestien en eene halve Fransche mijlen. Het gelukte hem in de daad, iemand te vinden, die dit wandelingje wilde ondernemen, en dien hij vervolgens iederen morgen door zijnen arts liet bezoeken; terwijl hij zelf zich met de zorg belastte, om den looper met voedende en krachtige spijzen te onderhouden.In een woord, hij won de weddenschap. Thans is het hem gelukt, eene heldin op te schommelen, die zich wil verbinden, in twintig achtereenvolgende dagen daags dertig uren af te leggen. Hij houdt zich dus bezig met iemand op te zoeken, die hem nogmaals tweeduizend guinies wil houden; maar ik twijfel sterk, of hij eenen wedder zal vinden; want de spraak gaat, dat hij altijd gelukkig is in het winnen.”„Zie daarmistress L..., in dat eenvoudige grijs geschilderde rijtuig zonder eenig versiersel. Zij is met eenen Franschman getrouwd, dien zij, van den morgen tot den avond, onophoudelijk kwelt, vooral, wanneer hij het ongeluk heeft van in de eene of andere kleinigheid zich tegen de Engelsche gewoonten te bezondigen. Op zekeren avond thee bij haar drinkende, beknorde zij haren echtgenoot zeer hevig, in het volle gezelschap, dewijl hij de onoplettendheid gehad had, van het suikerpotje op de tafel, in plaats van op het theeblad, te zetten.”„Ziet gij daar links af, een paar schreden van ons, dien man wel, in zijnen bruinen rok, met dat levendige oog, en blootshoofds, die, even als wij, stilletjes voortwandelt?—Het is een schilder vol talenten en verdiensten; Hij heeft de minnares van eenen der voornaamste heeren van het rijk geportretteerd.Toen het werk af was, had zijne Edelheid de goedheid van hem te zeggen:—„Zie daar een portret, mijnheer! dat u eer zal verschaffen! het is onmogelijk, van dien aard iets beters te zien! En dit is al de betaling, welke de verdienstvolle kunstenaar ooit heeft kunnen bekomen.”„Spoedig! Spoedig! Beschouw die blaauwe koets daar, met die hertoglijke wapens! Ziet gij daar niet, naast die oude dame, met dat stuursche drakengezigt, een lief, bekoorlijk, jong meisje, hetwelk men het verdriet uit de oogen kan lezen? het is eene wees. Hare bevalligheden, misschien ook wel hare vijftienduizend pond renten, trokken de liefde van een jong mensch tot zich, die wederkeerig het geluk had van haar te behagen. Noch zijn rang noch zijne fortuin veroorloofden hem, naar hare hand te staan. Derhalve besloten de twee gelieven, volgens het Engelsche gebruik, eenSchotsch reisjete doen; doch voordat zij het doel hunner wenschen bereikt hadden, en door eenen zwartrok het heilvolle woordjeconjungo!(ik vereenig u!) over hen was uitgesproken, werden zij door de bloedverwanten der jonge juffer achterhaald en vastgehouden. Haar stelde men in de bewaring en onder het opzigt van deze oude,welke haar even min verlaat, als de schaduw het ligchaam: de jongeling werd als schaker aan de kaak te pronk gezet. Men zegt evenwel, dat het beminnelijke meisje een vast karakter heeft, en zoodra zij meerderjarig geworden is, welk tijdstip met snelle schreden nadert, den ongelukkigen jongeling zal trouwen en met hem naar het vaste land oversteken.”De menigte vanorigineelen, welker portretten mijn vriend mij schetste, begon echter langzamerhand te verminderen en uit een te gaan. Het was nu bijna vijf ure. Wij vertrouwden, dat zij voornemens waren, de wandeling door eene meer kracht gevende en meer zelfstandige bezigheid te doen vervangen; en wij, ons aan den wil der maag onderwerpende, achtten het niet te onpas, hun voorbeeld te volgen.
XXI.De wandeling.
„Helaas! nog al veroordeeld, om eenenzondagteLondendoor te brengen! welk een verdriet! Geene andere publieke plaats staat open, dan de koffijhuizen, die juist niet in mijnen smaak vallen, en de herbergen, waar gerookt wordt, en welke ik verfoei! Geen bezoek kan men afleggen! Ha! ik kan echter eene predikatie gaan hooren! Eene predikatie... de hemel beware mij! ik vergenoeg mij gaarne met de eerste, welke ik gehoord heb.—Komaan, laat ons een hoofdstuk bijeen flansen, en het devervelingdoopen. De verveling is immers eene ziekte, welke al de inwoners vanLondenbekruipt, en die mogelijk eenigen mijner lezers, bij het doorbladeren van dit boekje, mijns ondanks, ook zal bevangen.”Ik nam derhalve een groot vel schrijfpapier, en schreef boven aan met groote letteren:Een en twintigste Hoofdstuk.—De Verveling.Reeds was ik bezig met eene inleiding te ontwerpen toen ik mij op den schouder voeldetikken. Ik keerde mij om en zag mijne vriendC...„Wel!”zeide hij,„wat denkt gij van daag te doen?”„Ach!”antwoordde ik met eenen zucht,„hetgene men teLondenopzondagkan doen. Ziedaar!”vervolgde ik, hem mijn vol papier onder de oogen houdende.„Smijt het in het vuur!”hernam hij:„het is een heerlijke winterdag, niet te koud, geen wind; komaan, laat ons inHyde-Parkgaan wandelen; dit zal onzen eetlust opwekken, en wij zullen alsdan dezen middag der tafel eer kunnen aandoen.”Ik liet mij niet lang bidden; wij begaven ons terstond op weg en kwamen, na omtrent een uur wandelens, aan dat vermakelijke park, door de poort van deOxford-street. Zonder medelijden liet mijn vriend mijne voeten de lengte van het geheele park meten, en toen vroeg hij mij:„Welnu! hoe vindt gij deze wandeling?”„Overheerlijk! Ik zou er mij geen denkbeeld van hebben kunnen vormen! Maar in ernst! Hoe toch kunt gij vooronderstellen, dat deze plaats mij zou kunnen behagen? Een wijd uitgestrekte grond, van eenen onregelmatigen omtrek, bedekt met een dun en dor groen,waartusschen het oog hier en daar eenige wijd en zijd verspreide boomen aantreft, even als men in de Lijbische zandwoestijnen, van tijd tot tijd, eenigeoasenontwaart, en in wiens midden, tot volmaking van dit fraaije tafereel, een magazijn van stof ligt!—Voorts is dit treffend geheel doorsneden met eene soort van lanen, vol modder en slijk, die tegenwoordig gelukkig stijf bevrozen is, en waar honderd wandelaars, even als wij, hunne verveling medebrengen, den tijd trachten te dooden, en van welke men te regt zou kunnen zeggen:„Rari nantes in gurgite vasto!”—„Wat het dorre en weinige gras betreft, dat komt, wijl men der zeissens hier al te dikwijls bezigheid verschaft.”—„Wat raakt mij de oorzaak? ik beoordeel de uitwerkselen.”—„En verdient deze schoone gracht, welke men hetSlangen-kanaalnoemt, ten minste uwe verwondering niet?”—„De nabijheid van deTheemsvermindert aanmerkelijk het schoone van dit kanaal.—Maar ik zie daar eenige jonge lieden schaatsen rijden: ik dacht niet, dat het ijs reeds sterk genoeg was.”—„Gisteren reed men hier al. Wel is waar, er kwam een gat in, waarin wel vijftien menschen gevallen zijn; doch er is slechts één verdronken.”—„En waarom zet men niet een paar schildwachten uit, om te beletten, dat iemand op het ijs komt, voor dat het dik en sterk genoeg is?”—„Wat zou er dan van de Engelsche vrijheid worden?”—„Het is waar, ik dacht er niet om.—Welaan! laat ons dit betooverend verblijf verlaten.”—„Wij zullen eerst de tuinen vanKensingtonnog bezigtigen; want wij zijn er zeer digt bij.”Zoo gezegd, zoo gedaan; en nu moet ik mijnen waarden lezer ronduit bekennen, dat ik hier waande, mij in eene andere wereld getooverd te zien. Eene wijde uitgestrektheid van de schoonste boomen, welke het oog naauwelijks overzien kan, met fraaije lanen doorsneden, bood hier den liefhebbers eene bekoorlijke wandeling aan, welke in den zomer overheerlijk moet zijn, en alsdan ook de bijeenkomst is van alles, wat inLondenaanzienelijk en voortreffelijk mag genoemd worden. Maar gij vindt er niets, om u te verfrisschen of teverkoelen; noch ijs, nochlimonade, noch zelfs een glas bier; niet eens eenen stoel, om uit te rusten: men treft er geene andere zitplaatsen aan, dan eenige, op eenen grooten afstand van elkander geplaatste, banken, even als men die heeft in onsLuxembourgof in deTuilleries, waar deInvalidenen nieuwsgierige ledigloopers gewoonlijk hunne bijeenkomsten hebben.Wij wandelden den tuin rond, en het was reeds half vier ure, toen wij denzelven verlieten. Nu moesten wij nogmaalsHyde-Parkoversteken, om in de stad te komen. Maar hoe groot was mijne verwondering! Ik bevond mij als in eene andere wereld. Misschien wel vijf- of zesduizend personen, van onderscheiden rang en stand, wandelden te voet in het binnenste gedeelte van het park; terwijl het in de dwarslanen krielde van rijtuigen, koetsen en paardrijders, en dat bijna in zulk eene menigte, als in onze wandeldreven teLong-Champ.—„Spijt het u nu wel, gebleven te zijn?” vroeg mijn vriend; „wat zegt gij nu vanHyde-Park?”—„Dat de decoratiën veranderd zijn, maar dat het tooneel altijd hetzelfde blijft. Ik verbeeld mij, eene groote kamer te zien, die welprachtig en rijk gemeubeld, doch welker vloer oud en morsig is, en welker zoldering en lambrizering sedert lang niet zijn opgeschilderd.”Nogtans moet ik der waarheid hulde doen, en bekennen, dat dit gezigt niet geheel onbelangrijk was, ook kan men er alle zondagen, van drie tot vijf ure, gebruik van maken. Met genoegen beschouwt men een aantal jonge lieden te paard, van beide seksen, die hunne moedige en dartele rossen met zwier en bevalligheid berijden; terwijl men, aan den anderen kant, wederom eene menigte van rijtuigen ziet, welke in smaak en pracht met elkander wedijveren. Niet minder verlustigt zich het oog in de wandelende en rijdende dames, van welke sommigen den bekoorlijksten luister van het natuurlijk, eenvoudig schoon ten toon spreiden, welks gemis anderen wederom door pracht van opschik en sieraden trachten te vergoeden. Wij hielden ons eenige oogenblikken op, om dit schouwspel naauwkeurig gade te slaan, hetwelk, hoe schoon ook, mij toch eindelijk zou verveeld hebben. Mijn vriend wist echter aan deze vervelende eentoonigheid, door het verhalen van sommige bijzonderheden en voorvallen, eenige afleiding te geven.„Ziet gij daar in die geel geschilderdekoets, met die fraaije wapens en eene grafelijke kroon er boven, dat lieve vrouwtje wel? vroeg hij mij. Zij is eene bloedverwante van een’ der aanzienlijkste personaadjes van geheelEngeland. Zij was de echtgenoote vanLord F...; maar eene onwederstaanbare zucht tot galante minnarijen deed haar gehoor verlenen aan de vleijerijen vanMijlord G...Haar man bemerkte het: hij was niet minder ervaren in de Heidensche fabelleer, dan in de Engelsche rekenkunde: de historie vanVenusenMars, benevens de boertige wraak vanVulkaanwaren hem geenszins onbekend; en daar hij het zonderlinge begrip koesterde, dat eene vrouw minder, en wat geld meer, een wezenlijke zegen des hemels was, hield hij zich, als of hij den beiden gelieven schoon spel wilde geven, en wist eindelijk het arglooze paar, door eenige zijner vrienden verzeld, die hem voor getuigen zouden dienen, in den beslissendsten toestand, even als de hierboven vermelde goden, te betrappen. Een Italiaan zou zeer zeker de schuldigen terstond geponjaardeerd hebben; een Franschman zou zijnen mededinger op de pistool of op den degen geeischt hebben; maar een Engelschman is wel wijzer!Lord F...vervolgdeLord G...in rechten, en verkreeg tegen hem een vonnis,waar bij deze, als onwettig bruiker van eens anders eigendom, in eene boete van 15,000 pond, dat is (360,000livresFransch) veroordeeld werd, tot schadevergoeding van kosten en intrest, en hetwelk hem tevens magtigde, om van zijne snoepachtige vrouw te scheiden. Toen trouwde deMylord G...het onbestorvene weeuwtje. Doch daar de opvolger vanLord F...niet geldgierig is, zegt men, dat hij de uiterste voorzorgen gebruikt, om niet genoodzaakt te zijn, de uitgeschotene gelden, welke hij aanLord F...betaald heeft, weder van eenen anderen zijner vrienden of bekenden te moeten invorderen.”„Die ruiter, op dat kastanjebruine paard, wiens sporen en stijgbeugels van zilver zijn, heetSir John H...Deze heeft eens eene weddenschap aangegaan van tweeduizend guinies, dat een man in twintig dagen duizend uren te voet zou afleggen, hetgeen iederen dag vijftig uren maakt, of ten naastenbij zestien en eene halve Fransche mijlen. Het gelukte hem in de daad, iemand te vinden, die dit wandelingje wilde ondernemen, en dien hij vervolgens iederen morgen door zijnen arts liet bezoeken; terwijl hij zelf zich met de zorg belastte, om den looper met voedende en krachtige spijzen te onderhouden.In een woord, hij won de weddenschap. Thans is het hem gelukt, eene heldin op te schommelen, die zich wil verbinden, in twintig achtereenvolgende dagen daags dertig uren af te leggen. Hij houdt zich dus bezig met iemand op te zoeken, die hem nogmaals tweeduizend guinies wil houden; maar ik twijfel sterk, of hij eenen wedder zal vinden; want de spraak gaat, dat hij altijd gelukkig is in het winnen.”„Zie daarmistress L..., in dat eenvoudige grijs geschilderde rijtuig zonder eenig versiersel. Zij is met eenen Franschman getrouwd, dien zij, van den morgen tot den avond, onophoudelijk kwelt, vooral, wanneer hij het ongeluk heeft van in de eene of andere kleinigheid zich tegen de Engelsche gewoonten te bezondigen. Op zekeren avond thee bij haar drinkende, beknorde zij haren echtgenoot zeer hevig, in het volle gezelschap, dewijl hij de onoplettendheid gehad had, van het suikerpotje op de tafel, in plaats van op het theeblad, te zetten.”„Ziet gij daar links af, een paar schreden van ons, dien man wel, in zijnen bruinen rok, met dat levendige oog, en blootshoofds, die, even als wij, stilletjes voortwandelt?—Het is een schilder vol talenten en verdiensten; Hij heeft de minnares van eenen der voornaamste heeren van het rijk geportretteerd.Toen het werk af was, had zijne Edelheid de goedheid van hem te zeggen:—„Zie daar een portret, mijnheer! dat u eer zal verschaffen! het is onmogelijk, van dien aard iets beters te zien! En dit is al de betaling, welke de verdienstvolle kunstenaar ooit heeft kunnen bekomen.”„Spoedig! Spoedig! Beschouw die blaauwe koets daar, met die hertoglijke wapens! Ziet gij daar niet, naast die oude dame, met dat stuursche drakengezigt, een lief, bekoorlijk, jong meisje, hetwelk men het verdriet uit de oogen kan lezen? het is eene wees. Hare bevalligheden, misschien ook wel hare vijftienduizend pond renten, trokken de liefde van een jong mensch tot zich, die wederkeerig het geluk had van haar te behagen. Noch zijn rang noch zijne fortuin veroorloofden hem, naar hare hand te staan. Derhalve besloten de twee gelieven, volgens het Engelsche gebruik, eenSchotsch reisjete doen; doch voordat zij het doel hunner wenschen bereikt hadden, en door eenen zwartrok het heilvolle woordjeconjungo!(ik vereenig u!) over hen was uitgesproken, werden zij door de bloedverwanten der jonge juffer achterhaald en vastgehouden. Haar stelde men in de bewaring en onder het opzigt van deze oude,welke haar even min verlaat, als de schaduw het ligchaam: de jongeling werd als schaker aan de kaak te pronk gezet. Men zegt evenwel, dat het beminnelijke meisje een vast karakter heeft, en zoodra zij meerderjarig geworden is, welk tijdstip met snelle schreden nadert, den ongelukkigen jongeling zal trouwen en met hem naar het vaste land oversteken.”De menigte vanorigineelen, welker portretten mijn vriend mij schetste, begon echter langzamerhand te verminderen en uit een te gaan. Het was nu bijna vijf ure. Wij vertrouwden, dat zij voornemens waren, de wandeling door eene meer kracht gevende en meer zelfstandige bezigheid te doen vervangen; en wij, ons aan den wil der maag onderwerpende, achtten het niet te onpas, hun voorbeeld te volgen.
„Helaas! nog al veroordeeld, om eenenzondagteLondendoor te brengen! welk een verdriet! Geene andere publieke plaats staat open, dan de koffijhuizen, die juist niet in mijnen smaak vallen, en de herbergen, waar gerookt wordt, en welke ik verfoei! Geen bezoek kan men afleggen! Ha! ik kan echter eene predikatie gaan hooren! Eene predikatie... de hemel beware mij! ik vergenoeg mij gaarne met de eerste, welke ik gehoord heb.—Komaan, laat ons een hoofdstuk bijeen flansen, en het devervelingdoopen. De verveling is immers eene ziekte, welke al de inwoners vanLondenbekruipt, en die mogelijk eenigen mijner lezers, bij het doorbladeren van dit boekje, mijns ondanks, ook zal bevangen.”
Ik nam derhalve een groot vel schrijfpapier, en schreef boven aan met groote letteren:Een en twintigste Hoofdstuk.—De Verveling.Reeds was ik bezig met eene inleiding te ontwerpen toen ik mij op den schouder voeldetikken. Ik keerde mij om en zag mijne vriendC...
„Wel!”zeide hij,„wat denkt gij van daag te doen?”
„Ach!”antwoordde ik met eenen zucht,„hetgene men teLondenopzondagkan doen. Ziedaar!”vervolgde ik, hem mijn vol papier onder de oogen houdende.
„Smijt het in het vuur!”hernam hij:„het is een heerlijke winterdag, niet te koud, geen wind; komaan, laat ons inHyde-Parkgaan wandelen; dit zal onzen eetlust opwekken, en wij zullen alsdan dezen middag der tafel eer kunnen aandoen.”
Ik liet mij niet lang bidden; wij begaven ons terstond op weg en kwamen, na omtrent een uur wandelens, aan dat vermakelijke park, door de poort van deOxford-street. Zonder medelijden liet mijn vriend mijne voeten de lengte van het geheele park meten, en toen vroeg hij mij:„Welnu! hoe vindt gij deze wandeling?”
„Overheerlijk! Ik zou er mij geen denkbeeld van hebben kunnen vormen! Maar in ernst! Hoe toch kunt gij vooronderstellen, dat deze plaats mij zou kunnen behagen? Een wijd uitgestrekte grond, van eenen onregelmatigen omtrek, bedekt met een dun en dor groen,waartusschen het oog hier en daar eenige wijd en zijd verspreide boomen aantreft, even als men in de Lijbische zandwoestijnen, van tijd tot tijd, eenigeoasenontwaart, en in wiens midden, tot volmaking van dit fraaije tafereel, een magazijn van stof ligt!—Voorts is dit treffend geheel doorsneden met eene soort van lanen, vol modder en slijk, die tegenwoordig gelukkig stijf bevrozen is, en waar honderd wandelaars, even als wij, hunne verveling medebrengen, den tijd trachten te dooden, en van welke men te regt zou kunnen zeggen:
„Rari nantes in gurgite vasto!”
„Rari nantes in gurgite vasto!”
—„Wat het dorre en weinige gras betreft, dat komt, wijl men der zeissens hier al te dikwijls bezigheid verschaft.”
—„Wat raakt mij de oorzaak? ik beoordeel de uitwerkselen.”
—„En verdient deze schoone gracht, welke men hetSlangen-kanaalnoemt, ten minste uwe verwondering niet?”
—„De nabijheid van deTheemsvermindert aanmerkelijk het schoone van dit kanaal.—Maar ik zie daar eenige jonge lieden schaatsen rijden: ik dacht niet, dat het ijs reeds sterk genoeg was.”
—„Gisteren reed men hier al. Wel is waar, er kwam een gat in, waarin wel vijftien menschen gevallen zijn; doch er is slechts één verdronken.”
—„En waarom zet men niet een paar schildwachten uit, om te beletten, dat iemand op het ijs komt, voor dat het dik en sterk genoeg is?”
—„Wat zou er dan van de Engelsche vrijheid worden?”
—„Het is waar, ik dacht er niet om.—Welaan! laat ons dit betooverend verblijf verlaten.”
—„Wij zullen eerst de tuinen vanKensingtonnog bezigtigen; want wij zijn er zeer digt bij.”
Zoo gezegd, zoo gedaan; en nu moet ik mijnen waarden lezer ronduit bekennen, dat ik hier waande, mij in eene andere wereld getooverd te zien. Eene wijde uitgestrektheid van de schoonste boomen, welke het oog naauwelijks overzien kan, met fraaije lanen doorsneden, bood hier den liefhebbers eene bekoorlijke wandeling aan, welke in den zomer overheerlijk moet zijn, en alsdan ook de bijeenkomst is van alles, wat inLondenaanzienelijk en voortreffelijk mag genoemd worden. Maar gij vindt er niets, om u te verfrisschen of teverkoelen; noch ijs, nochlimonade, noch zelfs een glas bier; niet eens eenen stoel, om uit te rusten: men treft er geene andere zitplaatsen aan, dan eenige, op eenen grooten afstand van elkander geplaatste, banken, even als men die heeft in onsLuxembourgof in deTuilleries, waar deInvalidenen nieuwsgierige ledigloopers gewoonlijk hunne bijeenkomsten hebben.
Wij wandelden den tuin rond, en het was reeds half vier ure, toen wij denzelven verlieten. Nu moesten wij nogmaalsHyde-Parkoversteken, om in de stad te komen. Maar hoe groot was mijne verwondering! Ik bevond mij als in eene andere wereld. Misschien wel vijf- of zesduizend personen, van onderscheiden rang en stand, wandelden te voet in het binnenste gedeelte van het park; terwijl het in de dwarslanen krielde van rijtuigen, koetsen en paardrijders, en dat bijna in zulk eene menigte, als in onze wandeldreven teLong-Champ.
—„Spijt het u nu wel, gebleven te zijn?” vroeg mijn vriend; „wat zegt gij nu vanHyde-Park?”
—„Dat de decoratiën veranderd zijn, maar dat het tooneel altijd hetzelfde blijft. Ik verbeeld mij, eene groote kamer te zien, die welprachtig en rijk gemeubeld, doch welker vloer oud en morsig is, en welker zoldering en lambrizering sedert lang niet zijn opgeschilderd.”
Nogtans moet ik der waarheid hulde doen, en bekennen, dat dit gezigt niet geheel onbelangrijk was, ook kan men er alle zondagen, van drie tot vijf ure, gebruik van maken. Met genoegen beschouwt men een aantal jonge lieden te paard, van beide seksen, die hunne moedige en dartele rossen met zwier en bevalligheid berijden; terwijl men, aan den anderen kant, wederom eene menigte van rijtuigen ziet, welke in smaak en pracht met elkander wedijveren. Niet minder verlustigt zich het oog in de wandelende en rijdende dames, van welke sommigen den bekoorlijksten luister van het natuurlijk, eenvoudig schoon ten toon spreiden, welks gemis anderen wederom door pracht van opschik en sieraden trachten te vergoeden. Wij hielden ons eenige oogenblikken op, om dit schouwspel naauwkeurig gade te slaan, hetwelk, hoe schoon ook, mij toch eindelijk zou verveeld hebben. Mijn vriend wist echter aan deze vervelende eentoonigheid, door het verhalen van sommige bijzonderheden en voorvallen, eenige afleiding te geven.
„Ziet gij daar in die geel geschilderdekoets, met die fraaije wapens en eene grafelijke kroon er boven, dat lieve vrouwtje wel? vroeg hij mij. Zij is eene bloedverwante van een’ der aanzienlijkste personaadjes van geheelEngeland. Zij was de echtgenoote vanLord F...; maar eene onwederstaanbare zucht tot galante minnarijen deed haar gehoor verlenen aan de vleijerijen vanMijlord G...Haar man bemerkte het: hij was niet minder ervaren in de Heidensche fabelleer, dan in de Engelsche rekenkunde: de historie vanVenusenMars, benevens de boertige wraak vanVulkaanwaren hem geenszins onbekend; en daar hij het zonderlinge begrip koesterde, dat eene vrouw minder, en wat geld meer, een wezenlijke zegen des hemels was, hield hij zich, als of hij den beiden gelieven schoon spel wilde geven, en wist eindelijk het arglooze paar, door eenige zijner vrienden verzeld, die hem voor getuigen zouden dienen, in den beslissendsten toestand, even als de hierboven vermelde goden, te betrappen. Een Italiaan zou zeer zeker de schuldigen terstond geponjaardeerd hebben; een Franschman zou zijnen mededinger op de pistool of op den degen geeischt hebben; maar een Engelschman is wel wijzer!Lord F...vervolgdeLord G...in rechten, en verkreeg tegen hem een vonnis,waar bij deze, als onwettig bruiker van eens anders eigendom, in eene boete van 15,000 pond, dat is (360,000livresFransch) veroordeeld werd, tot schadevergoeding van kosten en intrest, en hetwelk hem tevens magtigde, om van zijne snoepachtige vrouw te scheiden. Toen trouwde deMylord G...het onbestorvene weeuwtje. Doch daar de opvolger vanLord F...niet geldgierig is, zegt men, dat hij de uiterste voorzorgen gebruikt, om niet genoodzaakt te zijn, de uitgeschotene gelden, welke hij aanLord F...betaald heeft, weder van eenen anderen zijner vrienden of bekenden te moeten invorderen.”
„Die ruiter, op dat kastanjebruine paard, wiens sporen en stijgbeugels van zilver zijn, heetSir John H...Deze heeft eens eene weddenschap aangegaan van tweeduizend guinies, dat een man in twintig dagen duizend uren te voet zou afleggen, hetgeen iederen dag vijftig uren maakt, of ten naastenbij zestien en eene halve Fransche mijlen. Het gelukte hem in de daad, iemand te vinden, die dit wandelingje wilde ondernemen, en dien hij vervolgens iederen morgen door zijnen arts liet bezoeken; terwijl hij zelf zich met de zorg belastte, om den looper met voedende en krachtige spijzen te onderhouden.In een woord, hij won de weddenschap. Thans is het hem gelukt, eene heldin op te schommelen, die zich wil verbinden, in twintig achtereenvolgende dagen daags dertig uren af te leggen. Hij houdt zich dus bezig met iemand op te zoeken, die hem nogmaals tweeduizend guinies wil houden; maar ik twijfel sterk, of hij eenen wedder zal vinden; want de spraak gaat, dat hij altijd gelukkig is in het winnen.”
„Zie daarmistress L..., in dat eenvoudige grijs geschilderde rijtuig zonder eenig versiersel. Zij is met eenen Franschman getrouwd, dien zij, van den morgen tot den avond, onophoudelijk kwelt, vooral, wanneer hij het ongeluk heeft van in de eene of andere kleinigheid zich tegen de Engelsche gewoonten te bezondigen. Op zekeren avond thee bij haar drinkende, beknorde zij haren echtgenoot zeer hevig, in het volle gezelschap, dewijl hij de onoplettendheid gehad had, van het suikerpotje op de tafel, in plaats van op het theeblad, te zetten.”
„Ziet gij daar links af, een paar schreden van ons, dien man wel, in zijnen bruinen rok, met dat levendige oog, en blootshoofds, die, even als wij, stilletjes voortwandelt?—Het is een schilder vol talenten en verdiensten; Hij heeft de minnares van eenen der voornaamste heeren van het rijk geportretteerd.Toen het werk af was, had zijne Edelheid de goedheid van hem te zeggen:—„Zie daar een portret, mijnheer! dat u eer zal verschaffen! het is onmogelijk, van dien aard iets beters te zien! En dit is al de betaling, welke de verdienstvolle kunstenaar ooit heeft kunnen bekomen.”
„Spoedig! Spoedig! Beschouw die blaauwe koets daar, met die hertoglijke wapens! Ziet gij daar niet, naast die oude dame, met dat stuursche drakengezigt, een lief, bekoorlijk, jong meisje, hetwelk men het verdriet uit de oogen kan lezen? het is eene wees. Hare bevalligheden, misschien ook wel hare vijftienduizend pond renten, trokken de liefde van een jong mensch tot zich, die wederkeerig het geluk had van haar te behagen. Noch zijn rang noch zijne fortuin veroorloofden hem, naar hare hand te staan. Derhalve besloten de twee gelieven, volgens het Engelsche gebruik, eenSchotsch reisjete doen; doch voordat zij het doel hunner wenschen bereikt hadden, en door eenen zwartrok het heilvolle woordjeconjungo!(ik vereenig u!) over hen was uitgesproken, werden zij door de bloedverwanten der jonge juffer achterhaald en vastgehouden. Haar stelde men in de bewaring en onder het opzigt van deze oude,welke haar even min verlaat, als de schaduw het ligchaam: de jongeling werd als schaker aan de kaak te pronk gezet. Men zegt evenwel, dat het beminnelijke meisje een vast karakter heeft, en zoodra zij meerderjarig geworden is, welk tijdstip met snelle schreden nadert, den ongelukkigen jongeling zal trouwen en met hem naar het vaste land oversteken.”
De menigte vanorigineelen, welker portretten mijn vriend mij schetste, begon echter langzamerhand te verminderen en uit een te gaan. Het was nu bijna vijf ure. Wij vertrouwden, dat zij voornemens waren, de wandeling door eene meer kracht gevende en meer zelfstandige bezigheid te doen vervangen; en wij, ons aan den wil der maag onderwerpende, achtten het niet te onpas, hun voorbeeld te volgen.