XXIX.Geschiedenis van eenen Franschen kunstenaar.„Gij weet, mijnheer!”zeide hij,„dat mijn penseel mij inFrankrijkhet noodige onderhoud verschafte. Eenigen mijner vrienden trachtten mij over te halen, om mij naarEngelandte begeven; daar zou ik, volgens hunne verzekering, geld winnen, zoo veel ik wilde, en binnen weinig tijds een aanzienelijk fortuin kunnen maken. Ik liet mij door deze bekoorlijke uitzigten misleiden, maakte alles, wat ik bezat, tot gereed geld, stelde mijner vrouw en dochter zoo veel ter hand, dat zij in geene twee jaren gebrek behoefden te vreezen, en begaf mij op reis naarLonden, met ongeveer tienduizendlivresbaar geld.”„Zoodra ik hier was aangekomen, nam ik een goed verblijf in het voornaamste gedeelte van de stad—dat de woningen niet goedkoop zijn, weet gij. Gaarne zou ik mij op eenen minderen voet gezet hebben; doch men had mij onderrigt, dat men inLondengeenenopgang kan maken, wanneer men, onder eene bekrompene levenswijze, te voorschijn treedt. Ik had eenige van mijne werken medegebragt, en mij in alle nieuwspapieren doen aankondigen. In het eerst kwamen mij vele nieuwsgierigen bezoeken, en ik werd overladen met beleefdheden en loftuitingen; maar welhaast vernam ik, dat de kunstenaars van de stad zich tegen mij eene heimelijke zamenzwering hadden veroorloofd, en de logenachtigste geruchten verspreidden, om, dusdoende, de geringe bekwaamheden, welke ik bezat, nog te verkleinen en te belasteren. De stukken, welke ik in mijne zaal ter bezigtiging had opgehangen, ten einde men over mijne behandeling en mijn kunstvermogen zou kunnen oordeelen, werden op het hevigste en onbarmhartigste gegispt en bedild.—Het heette, mijne teekening was niet juist:—het koloriet te schitterend, om zich te kunnen volhouden:—ik verstond niets van de perspectief:—ik wist volstrekt mijn licht en mijne schaduw niet te plaatsen:—de standen mijner beelden waren slecht gekozen:—de kleeding geheel en al smakeloos.—En eindelijk kenden de laster, haat en afgunst mij zelfs niet de geringste dier eigenschappen toe, welke ook de middelmatigste schilder niet mag ontberen.„Aldus verliepen drie maanden, zonder dat ik iets te doen had. Eindelijk verzocht mij een rijke koopman uit deCitij, zijn portret en die van zijne drie kinderen te maken, te weten, een meisje en twee jongens; doch hij was op het grillige denkbeeld gekomen, om deze vier portretten in een historisch tafereel bij een te willen zien, en daartoe had hij de offerande vanIphigeniaverkozen. Hij zelf wilde alsAgamemnongeschilderd worden, zijne dochter moestIphigeniavoorstellen, en zijne beide zonen de karakters vanCalchasenAchillesverbeelden. Vergeefs stelde ik hem voor, dat dit onderwerp veel bijwerk zou vereischen, vooral een groot aantal beelden, als priesters, soldaten enz.; oogenblikkelijk sloot hij mij den mond, met te zeggen, dat het hem volstrekt op geen geld aankwam. Wij kwamen derhalve overeen, dat hij mij voor deze schilderij vierhonderd guinies zou betalen.”„Ik begaf mij aan het werk, en, om hetzelve des te meer te bespoedigen, wees ik verscheidene leerlingen af, die mij mijne lessen zeer ruim zouden betaald hebben. Ik verzuimde geen oogenblik, en na verloop van acht maanden was mijn stuk ten naastenbij af, toen op zekeren morgen mijn koopman met iemand van zijne kennis in mijne werkplaats kwam,om te zien, hoe ver ik gevorderd was. Deze laatste vond, dat het portret van zijnen vriend niet veel geleek, en ik was ongelukkig genoeg, om dezen bediller te antwoorden, dat de voorgewende fout in de gelijkenis zeker veroorzaakt werd, wijl hij niet gewoon was, zijnen vriend met eenen helm op het hoofd te zien. Van dat tijdstip af had ik geen oogenblik rust, voordat ik mijnenAgamemnonden helm had afgenomen; en mijns ondanks, moest ik het hoofd van den Griekschen vorst met eene ronde Engelsche pruik ontsieren.„Ook de jonge juffer vond, dat de kleeding vanIphigeniahare gestalte in geen voordeelig licht plaatste, en ik zag mij derhalve genoodzaakt, de Grieksche prinses in een nieuw Engelsch keurslijf te prangen. Om aan den oudsten zoon te behagen, moest de baard van den opperpriester insgelijks worden afgeschoren, en de jongste verkoos, alsAchillesin de montering van eenen Engelschen kolonel gestoken te worden.„Meer dan honderdmaal was ik voornemens, uit verdriet en ergernis al het geschilderde door te halen; doch de vierhonderd guinies hielden mij terug. Dan helaas! toen de dag verschenen was, waarop ik mijn werk moest leveren, vernam ik, tot mijn uiterste hartzeer,dat mijnAgamemnonde belegering had opgebroken, of, om mij verstaanbaar uit te drukken, dat hij bankroet had gemaakt.„Men ried mij, eener voorname vrouw van smaak, die in de groote wereld verkeerde, verlof te vragen, haar voor niet te mogen portretteren. Dit afbeeldsel, in een harer vertrekken opgehangen, zou de algemeene aandacht tot zich trekken, mijne bekwaamheden bekend doen worden, en mij rijkelijk werk bezorgen. Ik verkreeg ook wezenlijk hare toestemming als een bewijs harer bescherming, en besteedde al mijne zorg en vlijt aan haar portret, waarover men ook zeer voldaan was; doch in het vervolg hoorde ik nimmer weder van deze dame, noch van hare vrienden spreken.”„De vermindering mijner beurs drong mij, naar een goedkooper verblijf om te zien, en van toen af verdwenen oogenblikkelijk al de nieuwsgierigen, die tot dusverre mijne werkplaats bezocht hadden. Intusschen had ik nog steeds eenige portretten te schilderen, waarvoor men mij echter weinig genoeg betaalde, en nu naderde ten tweeden male het jaargetijde, waarin geheelLondenzich op het land begeeft; ik bleef dus eenige maanden volstrekt zonder werk.„Nu moest ik nogmaals eene mindere woning betrekken, want ik bevond mij zonder eenen duit, en had nog eenige kleine schulden te betalen. Hierdoor zag ik mij dus in de noodzakelijkheid gebragt, om mijne schilderijen te verkoopen voor den prijs, welken men er mij voor wilde geven. Ik had thans mijnen intrek op een zoldertje, mijne geheele bezitting bestond in drie guinies, en al mijne meubelen in mijn palet en mijne penseelen.”„Nu zocht ik lessen en leerlingen te bekomen, doch, helaas! veel te laat. De onder het dak gehuisveste schilder kon voor zijne lessen geenszins den prijs vragen, welken zijn medebroeder, die op de eerste verdieping in eene der voornaamste wijken vanLondenwoonde, mogt vorderen; want men betaalt hier niet de innerlijke waarde der dingen, maar wel den uitwendigen schijn.”Sinds bijna een jaar heb ik niet meer dan drie leerlingen gehad; het geringe, dat zij mij betalen, is naauwelijks toereikende tot het noodige levensonderhoud—en bij toeval zijt gij getuige geworden,hoeik leve. Mijn eenigste verlangen is, naarFrankrijkterug te keeren, hetwelk ik eigenlijk nimmer had moeten verlaten.„En wat zult gij doen,”vroeg ik hem,„als gij in ons vaderland terug zult gekomen zijn?”„Mijne vrouw is overleden,”antwoordde hij,„en het is onnoodig, u te zeggen, hoe zeer haar verlies mij smart: het is u bekend, dat ik haar teeder beminde; doch, om naar waarheid te spreken, de dood is voor haar geen ongeluk, maar heeft integendeel een einde aan haar verdriet en hare smarten gemaakt.„Ik heb eenen schoonbroeder—wat zeg ik! neen, hij is een weldadige engel in de gedaante van eenen schoonbroeder! Zonder rijk te zijn, is hij echter in staat, om, op eene redelijke wijze, met zijn gezin de genoegens van het leven te kunnen smaken, en schoon zelf met zes kinderen belast, heeft hij echter mijne dochter tot zich genomen, en behandelt haar als zijn eigen kind. Het schijnt, dat hij mijnen jammerlijken toestand, waarover ik hem echter nimmer onderhouden heb, vernomen heeft; want hij heeft mij verzocht, bij hem te komen inwonen, en om mijne kieschheid niet te kwetsen, wendt hij voor, dat hij gaarne zag, dat ik zijne kinderen in het teekenen onderrigtte. Maar hoe zal ik de gelden bij elkander krijgen, om de reis vanLondennaarAmiens, waar mijns broeders woonplaats is, te ondernemen? Gisteren nog ontving ikmet den post eenen brief van hem, en ik bevond mij in de droevige noodzakelijkheid van dien te moeten afwijzen; wijl het port tweeshillingsen vierpencesbedroeg, welke ik, helaas! niet bezat. Doch morgen moet ik geld voor eene maand onderwijs van een’ mijner leerlingen ontvangen, en dan zal ik geen oogenblik toeven, om den brief te halen.”—„Wel ziedaar ons juist voor het postkantoor! laat ons er ingaan, en veroorloof mij, u dit kleine voorschot te doen.”Zonder zijn antwoord af te wachten, trok ik hem met mij binnen. Men gaf hem den brief over, hij opende denzelven met drift, las, en een traan glinsterde in zijne oogen.—„Ach! welk een man! riep hij uit, de beste der menschen! zie, o zie!”Het was een wissel op zigt van vierhonderd franken op eenen Londenschen bankier, en dit was de reden, dat het briefport verdubbeld was; want zelfs het nietsbeduidendste papier in eenen brief veroorzaakt deze verdubbeling, en de Engelschen hebben eene bijzondere manier, om dit te ontdekken. Bijna zou ik gelooven, dat zij de brieven openen, om zich daarvan te verzekeren; indien men zulk een misbruik van vertrouwen in een land, alsEngeland, konde vooronderstellen.„Nu ga ik,”zeide hij!„Vaarwel bekoorlijkeTheems; ik denk er niet meer aan, om mij in uwen boezem te begraven, hetgene, helaas! meer dan eens mijn voornemen is geweest; want deze wijze van sterven kost het minste; men behoeft noch touwen, noch pistolen te koopen.”Vanhier gingen wij terstond naar het kantoor, waar de postwagens afrijden, en bestelden twee plaatsen, om overmorgen gezamenlijk te vertrekken.
XXIX.Geschiedenis van eenen Franschen kunstenaar.„Gij weet, mijnheer!”zeide hij,„dat mijn penseel mij inFrankrijkhet noodige onderhoud verschafte. Eenigen mijner vrienden trachtten mij over te halen, om mij naarEngelandte begeven; daar zou ik, volgens hunne verzekering, geld winnen, zoo veel ik wilde, en binnen weinig tijds een aanzienelijk fortuin kunnen maken. Ik liet mij door deze bekoorlijke uitzigten misleiden, maakte alles, wat ik bezat, tot gereed geld, stelde mijner vrouw en dochter zoo veel ter hand, dat zij in geene twee jaren gebrek behoefden te vreezen, en begaf mij op reis naarLonden, met ongeveer tienduizendlivresbaar geld.”„Zoodra ik hier was aangekomen, nam ik een goed verblijf in het voornaamste gedeelte van de stad—dat de woningen niet goedkoop zijn, weet gij. Gaarne zou ik mij op eenen minderen voet gezet hebben; doch men had mij onderrigt, dat men inLondengeenenopgang kan maken, wanneer men, onder eene bekrompene levenswijze, te voorschijn treedt. Ik had eenige van mijne werken medegebragt, en mij in alle nieuwspapieren doen aankondigen. In het eerst kwamen mij vele nieuwsgierigen bezoeken, en ik werd overladen met beleefdheden en loftuitingen; maar welhaast vernam ik, dat de kunstenaars van de stad zich tegen mij eene heimelijke zamenzwering hadden veroorloofd, en de logenachtigste geruchten verspreidden, om, dusdoende, de geringe bekwaamheden, welke ik bezat, nog te verkleinen en te belasteren. De stukken, welke ik in mijne zaal ter bezigtiging had opgehangen, ten einde men over mijne behandeling en mijn kunstvermogen zou kunnen oordeelen, werden op het hevigste en onbarmhartigste gegispt en bedild.—Het heette, mijne teekening was niet juist:—het koloriet te schitterend, om zich te kunnen volhouden:—ik verstond niets van de perspectief:—ik wist volstrekt mijn licht en mijne schaduw niet te plaatsen:—de standen mijner beelden waren slecht gekozen:—de kleeding geheel en al smakeloos.—En eindelijk kenden de laster, haat en afgunst mij zelfs niet de geringste dier eigenschappen toe, welke ook de middelmatigste schilder niet mag ontberen.„Aldus verliepen drie maanden, zonder dat ik iets te doen had. Eindelijk verzocht mij een rijke koopman uit deCitij, zijn portret en die van zijne drie kinderen te maken, te weten, een meisje en twee jongens; doch hij was op het grillige denkbeeld gekomen, om deze vier portretten in een historisch tafereel bij een te willen zien, en daartoe had hij de offerande vanIphigeniaverkozen. Hij zelf wilde alsAgamemnongeschilderd worden, zijne dochter moestIphigeniavoorstellen, en zijne beide zonen de karakters vanCalchasenAchillesverbeelden. Vergeefs stelde ik hem voor, dat dit onderwerp veel bijwerk zou vereischen, vooral een groot aantal beelden, als priesters, soldaten enz.; oogenblikkelijk sloot hij mij den mond, met te zeggen, dat het hem volstrekt op geen geld aankwam. Wij kwamen derhalve overeen, dat hij mij voor deze schilderij vierhonderd guinies zou betalen.”„Ik begaf mij aan het werk, en, om hetzelve des te meer te bespoedigen, wees ik verscheidene leerlingen af, die mij mijne lessen zeer ruim zouden betaald hebben. Ik verzuimde geen oogenblik, en na verloop van acht maanden was mijn stuk ten naastenbij af, toen op zekeren morgen mijn koopman met iemand van zijne kennis in mijne werkplaats kwam,om te zien, hoe ver ik gevorderd was. Deze laatste vond, dat het portret van zijnen vriend niet veel geleek, en ik was ongelukkig genoeg, om dezen bediller te antwoorden, dat de voorgewende fout in de gelijkenis zeker veroorzaakt werd, wijl hij niet gewoon was, zijnen vriend met eenen helm op het hoofd te zien. Van dat tijdstip af had ik geen oogenblik rust, voordat ik mijnenAgamemnonden helm had afgenomen; en mijns ondanks, moest ik het hoofd van den Griekschen vorst met eene ronde Engelsche pruik ontsieren.„Ook de jonge juffer vond, dat de kleeding vanIphigeniahare gestalte in geen voordeelig licht plaatste, en ik zag mij derhalve genoodzaakt, de Grieksche prinses in een nieuw Engelsch keurslijf te prangen. Om aan den oudsten zoon te behagen, moest de baard van den opperpriester insgelijks worden afgeschoren, en de jongste verkoos, alsAchillesin de montering van eenen Engelschen kolonel gestoken te worden.„Meer dan honderdmaal was ik voornemens, uit verdriet en ergernis al het geschilderde door te halen; doch de vierhonderd guinies hielden mij terug. Dan helaas! toen de dag verschenen was, waarop ik mijn werk moest leveren, vernam ik, tot mijn uiterste hartzeer,dat mijnAgamemnonde belegering had opgebroken, of, om mij verstaanbaar uit te drukken, dat hij bankroet had gemaakt.„Men ried mij, eener voorname vrouw van smaak, die in de groote wereld verkeerde, verlof te vragen, haar voor niet te mogen portretteren. Dit afbeeldsel, in een harer vertrekken opgehangen, zou de algemeene aandacht tot zich trekken, mijne bekwaamheden bekend doen worden, en mij rijkelijk werk bezorgen. Ik verkreeg ook wezenlijk hare toestemming als een bewijs harer bescherming, en besteedde al mijne zorg en vlijt aan haar portret, waarover men ook zeer voldaan was; doch in het vervolg hoorde ik nimmer weder van deze dame, noch van hare vrienden spreken.”„De vermindering mijner beurs drong mij, naar een goedkooper verblijf om te zien, en van toen af verdwenen oogenblikkelijk al de nieuwsgierigen, die tot dusverre mijne werkplaats bezocht hadden. Intusschen had ik nog steeds eenige portretten te schilderen, waarvoor men mij echter weinig genoeg betaalde, en nu naderde ten tweeden male het jaargetijde, waarin geheelLondenzich op het land begeeft; ik bleef dus eenige maanden volstrekt zonder werk.„Nu moest ik nogmaals eene mindere woning betrekken, want ik bevond mij zonder eenen duit, en had nog eenige kleine schulden te betalen. Hierdoor zag ik mij dus in de noodzakelijkheid gebragt, om mijne schilderijen te verkoopen voor den prijs, welken men er mij voor wilde geven. Ik had thans mijnen intrek op een zoldertje, mijne geheele bezitting bestond in drie guinies, en al mijne meubelen in mijn palet en mijne penseelen.”„Nu zocht ik lessen en leerlingen te bekomen, doch, helaas! veel te laat. De onder het dak gehuisveste schilder kon voor zijne lessen geenszins den prijs vragen, welken zijn medebroeder, die op de eerste verdieping in eene der voornaamste wijken vanLondenwoonde, mogt vorderen; want men betaalt hier niet de innerlijke waarde der dingen, maar wel den uitwendigen schijn.”Sinds bijna een jaar heb ik niet meer dan drie leerlingen gehad; het geringe, dat zij mij betalen, is naauwelijks toereikende tot het noodige levensonderhoud—en bij toeval zijt gij getuige geworden,hoeik leve. Mijn eenigste verlangen is, naarFrankrijkterug te keeren, hetwelk ik eigenlijk nimmer had moeten verlaten.„En wat zult gij doen,”vroeg ik hem,„als gij in ons vaderland terug zult gekomen zijn?”„Mijne vrouw is overleden,”antwoordde hij,„en het is onnoodig, u te zeggen, hoe zeer haar verlies mij smart: het is u bekend, dat ik haar teeder beminde; doch, om naar waarheid te spreken, de dood is voor haar geen ongeluk, maar heeft integendeel een einde aan haar verdriet en hare smarten gemaakt.„Ik heb eenen schoonbroeder—wat zeg ik! neen, hij is een weldadige engel in de gedaante van eenen schoonbroeder! Zonder rijk te zijn, is hij echter in staat, om, op eene redelijke wijze, met zijn gezin de genoegens van het leven te kunnen smaken, en schoon zelf met zes kinderen belast, heeft hij echter mijne dochter tot zich genomen, en behandelt haar als zijn eigen kind. Het schijnt, dat hij mijnen jammerlijken toestand, waarover ik hem echter nimmer onderhouden heb, vernomen heeft; want hij heeft mij verzocht, bij hem te komen inwonen, en om mijne kieschheid niet te kwetsen, wendt hij voor, dat hij gaarne zag, dat ik zijne kinderen in het teekenen onderrigtte. Maar hoe zal ik de gelden bij elkander krijgen, om de reis vanLondennaarAmiens, waar mijns broeders woonplaats is, te ondernemen? Gisteren nog ontving ikmet den post eenen brief van hem, en ik bevond mij in de droevige noodzakelijkheid van dien te moeten afwijzen; wijl het port tweeshillingsen vierpencesbedroeg, welke ik, helaas! niet bezat. Doch morgen moet ik geld voor eene maand onderwijs van een’ mijner leerlingen ontvangen, en dan zal ik geen oogenblik toeven, om den brief te halen.”—„Wel ziedaar ons juist voor het postkantoor! laat ons er ingaan, en veroorloof mij, u dit kleine voorschot te doen.”Zonder zijn antwoord af te wachten, trok ik hem met mij binnen. Men gaf hem den brief over, hij opende denzelven met drift, las, en een traan glinsterde in zijne oogen.—„Ach! welk een man! riep hij uit, de beste der menschen! zie, o zie!”Het was een wissel op zigt van vierhonderd franken op eenen Londenschen bankier, en dit was de reden, dat het briefport verdubbeld was; want zelfs het nietsbeduidendste papier in eenen brief veroorzaakt deze verdubbeling, en de Engelschen hebben eene bijzondere manier, om dit te ontdekken. Bijna zou ik gelooven, dat zij de brieven openen, om zich daarvan te verzekeren; indien men zulk een misbruik van vertrouwen in een land, alsEngeland, konde vooronderstellen.„Nu ga ik,”zeide hij!„Vaarwel bekoorlijkeTheems; ik denk er niet meer aan, om mij in uwen boezem te begraven, hetgene, helaas! meer dan eens mijn voornemen is geweest; want deze wijze van sterven kost het minste; men behoeft noch touwen, noch pistolen te koopen.”Vanhier gingen wij terstond naar het kantoor, waar de postwagens afrijden, en bestelden twee plaatsen, om overmorgen gezamenlijk te vertrekken.
XXIX.Geschiedenis van eenen Franschen kunstenaar.
„Gij weet, mijnheer!”zeide hij,„dat mijn penseel mij inFrankrijkhet noodige onderhoud verschafte. Eenigen mijner vrienden trachtten mij over te halen, om mij naarEngelandte begeven; daar zou ik, volgens hunne verzekering, geld winnen, zoo veel ik wilde, en binnen weinig tijds een aanzienelijk fortuin kunnen maken. Ik liet mij door deze bekoorlijke uitzigten misleiden, maakte alles, wat ik bezat, tot gereed geld, stelde mijner vrouw en dochter zoo veel ter hand, dat zij in geene twee jaren gebrek behoefden te vreezen, en begaf mij op reis naarLonden, met ongeveer tienduizendlivresbaar geld.”„Zoodra ik hier was aangekomen, nam ik een goed verblijf in het voornaamste gedeelte van de stad—dat de woningen niet goedkoop zijn, weet gij. Gaarne zou ik mij op eenen minderen voet gezet hebben; doch men had mij onderrigt, dat men inLondengeenenopgang kan maken, wanneer men, onder eene bekrompene levenswijze, te voorschijn treedt. Ik had eenige van mijne werken medegebragt, en mij in alle nieuwspapieren doen aankondigen. In het eerst kwamen mij vele nieuwsgierigen bezoeken, en ik werd overladen met beleefdheden en loftuitingen; maar welhaast vernam ik, dat de kunstenaars van de stad zich tegen mij eene heimelijke zamenzwering hadden veroorloofd, en de logenachtigste geruchten verspreidden, om, dusdoende, de geringe bekwaamheden, welke ik bezat, nog te verkleinen en te belasteren. De stukken, welke ik in mijne zaal ter bezigtiging had opgehangen, ten einde men over mijne behandeling en mijn kunstvermogen zou kunnen oordeelen, werden op het hevigste en onbarmhartigste gegispt en bedild.—Het heette, mijne teekening was niet juist:—het koloriet te schitterend, om zich te kunnen volhouden:—ik verstond niets van de perspectief:—ik wist volstrekt mijn licht en mijne schaduw niet te plaatsen:—de standen mijner beelden waren slecht gekozen:—de kleeding geheel en al smakeloos.—En eindelijk kenden de laster, haat en afgunst mij zelfs niet de geringste dier eigenschappen toe, welke ook de middelmatigste schilder niet mag ontberen.„Aldus verliepen drie maanden, zonder dat ik iets te doen had. Eindelijk verzocht mij een rijke koopman uit deCitij, zijn portret en die van zijne drie kinderen te maken, te weten, een meisje en twee jongens; doch hij was op het grillige denkbeeld gekomen, om deze vier portretten in een historisch tafereel bij een te willen zien, en daartoe had hij de offerande vanIphigeniaverkozen. Hij zelf wilde alsAgamemnongeschilderd worden, zijne dochter moestIphigeniavoorstellen, en zijne beide zonen de karakters vanCalchasenAchillesverbeelden. Vergeefs stelde ik hem voor, dat dit onderwerp veel bijwerk zou vereischen, vooral een groot aantal beelden, als priesters, soldaten enz.; oogenblikkelijk sloot hij mij den mond, met te zeggen, dat het hem volstrekt op geen geld aankwam. Wij kwamen derhalve overeen, dat hij mij voor deze schilderij vierhonderd guinies zou betalen.”„Ik begaf mij aan het werk, en, om hetzelve des te meer te bespoedigen, wees ik verscheidene leerlingen af, die mij mijne lessen zeer ruim zouden betaald hebben. Ik verzuimde geen oogenblik, en na verloop van acht maanden was mijn stuk ten naastenbij af, toen op zekeren morgen mijn koopman met iemand van zijne kennis in mijne werkplaats kwam,om te zien, hoe ver ik gevorderd was. Deze laatste vond, dat het portret van zijnen vriend niet veel geleek, en ik was ongelukkig genoeg, om dezen bediller te antwoorden, dat de voorgewende fout in de gelijkenis zeker veroorzaakt werd, wijl hij niet gewoon was, zijnen vriend met eenen helm op het hoofd te zien. Van dat tijdstip af had ik geen oogenblik rust, voordat ik mijnenAgamemnonden helm had afgenomen; en mijns ondanks, moest ik het hoofd van den Griekschen vorst met eene ronde Engelsche pruik ontsieren.„Ook de jonge juffer vond, dat de kleeding vanIphigeniahare gestalte in geen voordeelig licht plaatste, en ik zag mij derhalve genoodzaakt, de Grieksche prinses in een nieuw Engelsch keurslijf te prangen. Om aan den oudsten zoon te behagen, moest de baard van den opperpriester insgelijks worden afgeschoren, en de jongste verkoos, alsAchillesin de montering van eenen Engelschen kolonel gestoken te worden.„Meer dan honderdmaal was ik voornemens, uit verdriet en ergernis al het geschilderde door te halen; doch de vierhonderd guinies hielden mij terug. Dan helaas! toen de dag verschenen was, waarop ik mijn werk moest leveren, vernam ik, tot mijn uiterste hartzeer,dat mijnAgamemnonde belegering had opgebroken, of, om mij verstaanbaar uit te drukken, dat hij bankroet had gemaakt.„Men ried mij, eener voorname vrouw van smaak, die in de groote wereld verkeerde, verlof te vragen, haar voor niet te mogen portretteren. Dit afbeeldsel, in een harer vertrekken opgehangen, zou de algemeene aandacht tot zich trekken, mijne bekwaamheden bekend doen worden, en mij rijkelijk werk bezorgen. Ik verkreeg ook wezenlijk hare toestemming als een bewijs harer bescherming, en besteedde al mijne zorg en vlijt aan haar portret, waarover men ook zeer voldaan was; doch in het vervolg hoorde ik nimmer weder van deze dame, noch van hare vrienden spreken.”„De vermindering mijner beurs drong mij, naar een goedkooper verblijf om te zien, en van toen af verdwenen oogenblikkelijk al de nieuwsgierigen, die tot dusverre mijne werkplaats bezocht hadden. Intusschen had ik nog steeds eenige portretten te schilderen, waarvoor men mij echter weinig genoeg betaalde, en nu naderde ten tweeden male het jaargetijde, waarin geheelLondenzich op het land begeeft; ik bleef dus eenige maanden volstrekt zonder werk.„Nu moest ik nogmaals eene mindere woning betrekken, want ik bevond mij zonder eenen duit, en had nog eenige kleine schulden te betalen. Hierdoor zag ik mij dus in de noodzakelijkheid gebragt, om mijne schilderijen te verkoopen voor den prijs, welken men er mij voor wilde geven. Ik had thans mijnen intrek op een zoldertje, mijne geheele bezitting bestond in drie guinies, en al mijne meubelen in mijn palet en mijne penseelen.”„Nu zocht ik lessen en leerlingen te bekomen, doch, helaas! veel te laat. De onder het dak gehuisveste schilder kon voor zijne lessen geenszins den prijs vragen, welken zijn medebroeder, die op de eerste verdieping in eene der voornaamste wijken vanLondenwoonde, mogt vorderen; want men betaalt hier niet de innerlijke waarde der dingen, maar wel den uitwendigen schijn.”Sinds bijna een jaar heb ik niet meer dan drie leerlingen gehad; het geringe, dat zij mij betalen, is naauwelijks toereikende tot het noodige levensonderhoud—en bij toeval zijt gij getuige geworden,hoeik leve. Mijn eenigste verlangen is, naarFrankrijkterug te keeren, hetwelk ik eigenlijk nimmer had moeten verlaten.„En wat zult gij doen,”vroeg ik hem,„als gij in ons vaderland terug zult gekomen zijn?”„Mijne vrouw is overleden,”antwoordde hij,„en het is onnoodig, u te zeggen, hoe zeer haar verlies mij smart: het is u bekend, dat ik haar teeder beminde; doch, om naar waarheid te spreken, de dood is voor haar geen ongeluk, maar heeft integendeel een einde aan haar verdriet en hare smarten gemaakt.„Ik heb eenen schoonbroeder—wat zeg ik! neen, hij is een weldadige engel in de gedaante van eenen schoonbroeder! Zonder rijk te zijn, is hij echter in staat, om, op eene redelijke wijze, met zijn gezin de genoegens van het leven te kunnen smaken, en schoon zelf met zes kinderen belast, heeft hij echter mijne dochter tot zich genomen, en behandelt haar als zijn eigen kind. Het schijnt, dat hij mijnen jammerlijken toestand, waarover ik hem echter nimmer onderhouden heb, vernomen heeft; want hij heeft mij verzocht, bij hem te komen inwonen, en om mijne kieschheid niet te kwetsen, wendt hij voor, dat hij gaarne zag, dat ik zijne kinderen in het teekenen onderrigtte. Maar hoe zal ik de gelden bij elkander krijgen, om de reis vanLondennaarAmiens, waar mijns broeders woonplaats is, te ondernemen? Gisteren nog ontving ikmet den post eenen brief van hem, en ik bevond mij in de droevige noodzakelijkheid van dien te moeten afwijzen; wijl het port tweeshillingsen vierpencesbedroeg, welke ik, helaas! niet bezat. Doch morgen moet ik geld voor eene maand onderwijs van een’ mijner leerlingen ontvangen, en dan zal ik geen oogenblik toeven, om den brief te halen.”—„Wel ziedaar ons juist voor het postkantoor! laat ons er ingaan, en veroorloof mij, u dit kleine voorschot te doen.”Zonder zijn antwoord af te wachten, trok ik hem met mij binnen. Men gaf hem den brief over, hij opende denzelven met drift, las, en een traan glinsterde in zijne oogen.—„Ach! welk een man! riep hij uit, de beste der menschen! zie, o zie!”Het was een wissel op zigt van vierhonderd franken op eenen Londenschen bankier, en dit was de reden, dat het briefport verdubbeld was; want zelfs het nietsbeduidendste papier in eenen brief veroorzaakt deze verdubbeling, en de Engelschen hebben eene bijzondere manier, om dit te ontdekken. Bijna zou ik gelooven, dat zij de brieven openen, om zich daarvan te verzekeren; indien men zulk een misbruik van vertrouwen in een land, alsEngeland, konde vooronderstellen.„Nu ga ik,”zeide hij!„Vaarwel bekoorlijkeTheems; ik denk er niet meer aan, om mij in uwen boezem te begraven, hetgene, helaas! meer dan eens mijn voornemen is geweest; want deze wijze van sterven kost het minste; men behoeft noch touwen, noch pistolen te koopen.”Vanhier gingen wij terstond naar het kantoor, waar de postwagens afrijden, en bestelden twee plaatsen, om overmorgen gezamenlijk te vertrekken.
„Gij weet, mijnheer!”zeide hij,„dat mijn penseel mij inFrankrijkhet noodige onderhoud verschafte. Eenigen mijner vrienden trachtten mij over te halen, om mij naarEngelandte begeven; daar zou ik, volgens hunne verzekering, geld winnen, zoo veel ik wilde, en binnen weinig tijds een aanzienelijk fortuin kunnen maken. Ik liet mij door deze bekoorlijke uitzigten misleiden, maakte alles, wat ik bezat, tot gereed geld, stelde mijner vrouw en dochter zoo veel ter hand, dat zij in geene twee jaren gebrek behoefden te vreezen, en begaf mij op reis naarLonden, met ongeveer tienduizendlivresbaar geld.”
„Zoodra ik hier was aangekomen, nam ik een goed verblijf in het voornaamste gedeelte van de stad—dat de woningen niet goedkoop zijn, weet gij. Gaarne zou ik mij op eenen minderen voet gezet hebben; doch men had mij onderrigt, dat men inLondengeenenopgang kan maken, wanneer men, onder eene bekrompene levenswijze, te voorschijn treedt. Ik had eenige van mijne werken medegebragt, en mij in alle nieuwspapieren doen aankondigen. In het eerst kwamen mij vele nieuwsgierigen bezoeken, en ik werd overladen met beleefdheden en loftuitingen; maar welhaast vernam ik, dat de kunstenaars van de stad zich tegen mij eene heimelijke zamenzwering hadden veroorloofd, en de logenachtigste geruchten verspreidden, om, dusdoende, de geringe bekwaamheden, welke ik bezat, nog te verkleinen en te belasteren. De stukken, welke ik in mijne zaal ter bezigtiging had opgehangen, ten einde men over mijne behandeling en mijn kunstvermogen zou kunnen oordeelen, werden op het hevigste en onbarmhartigste gegispt en bedild.—Het heette, mijne teekening was niet juist:—het koloriet te schitterend, om zich te kunnen volhouden:—ik verstond niets van de perspectief:—ik wist volstrekt mijn licht en mijne schaduw niet te plaatsen:—de standen mijner beelden waren slecht gekozen:—de kleeding geheel en al smakeloos.—En eindelijk kenden de laster, haat en afgunst mij zelfs niet de geringste dier eigenschappen toe, welke ook de middelmatigste schilder niet mag ontberen.
„Aldus verliepen drie maanden, zonder dat ik iets te doen had. Eindelijk verzocht mij een rijke koopman uit deCitij, zijn portret en die van zijne drie kinderen te maken, te weten, een meisje en twee jongens; doch hij was op het grillige denkbeeld gekomen, om deze vier portretten in een historisch tafereel bij een te willen zien, en daartoe had hij de offerande vanIphigeniaverkozen. Hij zelf wilde alsAgamemnongeschilderd worden, zijne dochter moestIphigeniavoorstellen, en zijne beide zonen de karakters vanCalchasenAchillesverbeelden. Vergeefs stelde ik hem voor, dat dit onderwerp veel bijwerk zou vereischen, vooral een groot aantal beelden, als priesters, soldaten enz.; oogenblikkelijk sloot hij mij den mond, met te zeggen, dat het hem volstrekt op geen geld aankwam. Wij kwamen derhalve overeen, dat hij mij voor deze schilderij vierhonderd guinies zou betalen.”
„Ik begaf mij aan het werk, en, om hetzelve des te meer te bespoedigen, wees ik verscheidene leerlingen af, die mij mijne lessen zeer ruim zouden betaald hebben. Ik verzuimde geen oogenblik, en na verloop van acht maanden was mijn stuk ten naastenbij af, toen op zekeren morgen mijn koopman met iemand van zijne kennis in mijne werkplaats kwam,om te zien, hoe ver ik gevorderd was. Deze laatste vond, dat het portret van zijnen vriend niet veel geleek, en ik was ongelukkig genoeg, om dezen bediller te antwoorden, dat de voorgewende fout in de gelijkenis zeker veroorzaakt werd, wijl hij niet gewoon was, zijnen vriend met eenen helm op het hoofd te zien. Van dat tijdstip af had ik geen oogenblik rust, voordat ik mijnenAgamemnonden helm had afgenomen; en mijns ondanks, moest ik het hoofd van den Griekschen vorst met eene ronde Engelsche pruik ontsieren.
„Ook de jonge juffer vond, dat de kleeding vanIphigeniahare gestalte in geen voordeelig licht plaatste, en ik zag mij derhalve genoodzaakt, de Grieksche prinses in een nieuw Engelsch keurslijf te prangen. Om aan den oudsten zoon te behagen, moest de baard van den opperpriester insgelijks worden afgeschoren, en de jongste verkoos, alsAchillesin de montering van eenen Engelschen kolonel gestoken te worden.
„Meer dan honderdmaal was ik voornemens, uit verdriet en ergernis al het geschilderde door te halen; doch de vierhonderd guinies hielden mij terug. Dan helaas! toen de dag verschenen was, waarop ik mijn werk moest leveren, vernam ik, tot mijn uiterste hartzeer,dat mijnAgamemnonde belegering had opgebroken, of, om mij verstaanbaar uit te drukken, dat hij bankroet had gemaakt.
„Men ried mij, eener voorname vrouw van smaak, die in de groote wereld verkeerde, verlof te vragen, haar voor niet te mogen portretteren. Dit afbeeldsel, in een harer vertrekken opgehangen, zou de algemeene aandacht tot zich trekken, mijne bekwaamheden bekend doen worden, en mij rijkelijk werk bezorgen. Ik verkreeg ook wezenlijk hare toestemming als een bewijs harer bescherming, en besteedde al mijne zorg en vlijt aan haar portret, waarover men ook zeer voldaan was; doch in het vervolg hoorde ik nimmer weder van deze dame, noch van hare vrienden spreken.”
„De vermindering mijner beurs drong mij, naar een goedkooper verblijf om te zien, en van toen af verdwenen oogenblikkelijk al de nieuwsgierigen, die tot dusverre mijne werkplaats bezocht hadden. Intusschen had ik nog steeds eenige portretten te schilderen, waarvoor men mij echter weinig genoeg betaalde, en nu naderde ten tweeden male het jaargetijde, waarin geheelLondenzich op het land begeeft; ik bleef dus eenige maanden volstrekt zonder werk.
„Nu moest ik nogmaals eene mindere woning betrekken, want ik bevond mij zonder eenen duit, en had nog eenige kleine schulden te betalen. Hierdoor zag ik mij dus in de noodzakelijkheid gebragt, om mijne schilderijen te verkoopen voor den prijs, welken men er mij voor wilde geven. Ik had thans mijnen intrek op een zoldertje, mijne geheele bezitting bestond in drie guinies, en al mijne meubelen in mijn palet en mijne penseelen.”
„Nu zocht ik lessen en leerlingen te bekomen, doch, helaas! veel te laat. De onder het dak gehuisveste schilder kon voor zijne lessen geenszins den prijs vragen, welken zijn medebroeder, die op de eerste verdieping in eene der voornaamste wijken vanLondenwoonde, mogt vorderen; want men betaalt hier niet de innerlijke waarde der dingen, maar wel den uitwendigen schijn.”
Sinds bijna een jaar heb ik niet meer dan drie leerlingen gehad; het geringe, dat zij mij betalen, is naauwelijks toereikende tot het noodige levensonderhoud—en bij toeval zijt gij getuige geworden,hoeik leve. Mijn eenigste verlangen is, naarFrankrijkterug te keeren, hetwelk ik eigenlijk nimmer had moeten verlaten.
„En wat zult gij doen,”vroeg ik hem,„als gij in ons vaderland terug zult gekomen zijn?”
„Mijne vrouw is overleden,”antwoordde hij,„en het is onnoodig, u te zeggen, hoe zeer haar verlies mij smart: het is u bekend, dat ik haar teeder beminde; doch, om naar waarheid te spreken, de dood is voor haar geen ongeluk, maar heeft integendeel een einde aan haar verdriet en hare smarten gemaakt.
„Ik heb eenen schoonbroeder—wat zeg ik! neen, hij is een weldadige engel in de gedaante van eenen schoonbroeder! Zonder rijk te zijn, is hij echter in staat, om, op eene redelijke wijze, met zijn gezin de genoegens van het leven te kunnen smaken, en schoon zelf met zes kinderen belast, heeft hij echter mijne dochter tot zich genomen, en behandelt haar als zijn eigen kind. Het schijnt, dat hij mijnen jammerlijken toestand, waarover ik hem echter nimmer onderhouden heb, vernomen heeft; want hij heeft mij verzocht, bij hem te komen inwonen, en om mijne kieschheid niet te kwetsen, wendt hij voor, dat hij gaarne zag, dat ik zijne kinderen in het teekenen onderrigtte. Maar hoe zal ik de gelden bij elkander krijgen, om de reis vanLondennaarAmiens, waar mijns broeders woonplaats is, te ondernemen? Gisteren nog ontving ikmet den post eenen brief van hem, en ik bevond mij in de droevige noodzakelijkheid van dien te moeten afwijzen; wijl het port tweeshillingsen vierpencesbedroeg, welke ik, helaas! niet bezat. Doch morgen moet ik geld voor eene maand onderwijs van een’ mijner leerlingen ontvangen, en dan zal ik geen oogenblik toeven, om den brief te halen.”
—„Wel ziedaar ons juist voor het postkantoor! laat ons er ingaan, en veroorloof mij, u dit kleine voorschot te doen.”
Zonder zijn antwoord af te wachten, trok ik hem met mij binnen. Men gaf hem den brief over, hij opende denzelven met drift, las, en een traan glinsterde in zijne oogen.
—„Ach! welk een man! riep hij uit, de beste der menschen! zie, o zie!”
Het was een wissel op zigt van vierhonderd franken op eenen Londenschen bankier, en dit was de reden, dat het briefport verdubbeld was; want zelfs het nietsbeduidendste papier in eenen brief veroorzaakt deze verdubbeling, en de Engelschen hebben eene bijzondere manier, om dit te ontdekken. Bijna zou ik gelooven, dat zij de brieven openen, om zich daarvan te verzekeren; indien men zulk een misbruik van vertrouwen in een land, alsEngeland, konde vooronderstellen.
„Nu ga ik,”zeide hij!„Vaarwel bekoorlijkeTheems; ik denk er niet meer aan, om mij in uwen boezem te begraven, hetgene, helaas! meer dan eens mijn voornemen is geweest; want deze wijze van sterven kost het minste; men behoeft noch touwen, noch pistolen te koopen.”
Vanhier gingen wij terstond naar het kantoor, waar de postwagens afrijden, en bestelden twee plaatsen, om overmorgen gezamenlijk te vertrekken.