XXX.

XXX.Eene tooneelvertooning in de Latijnsche taal.Daags voor mijn vertrek, ging ik naar hetalien-office, om mijnen Franschen pas, die daar in bewaring was gebleven, terug te halen, en, in wisseling, dien terug te geven, welke mij was ter hand gesteld. Om den lezer niet te vervelen, zal ik hem het verhaal besparen van eenige langwijlige plegtigheden, welke nog hierbij in acht moesten genomen worden. Zij zouden mij nogmaals een hoofdstuk opleveren van denzelfden inhoud, alsdat, waarmede dit werk begonnen is, en ik ben geen vriend van herhalingen, even min als van het eentoonige.Nu ging ik mijnen vriendC...opzoeken, wien ik bijzonderen dank verschuldigd was voor de verpligtende wijze, waarop hij mij, gedurende mijn verblijf teLonden, behandeld had; en daar de postwagen niet voor den volgenden morgen te twaalf ure afreed, verzocht ikhem, met mij en den heerCroquiste ontbijten; want laatstgenoemde had ik reeds te voren dezelfde uitnoodiging gedaan.„Van harte gaarne!”zeide hij,„maar gij; komt thans, als of gij geroepen waart; want juist was ik voornemens, om u af te halen. Ik denk u heden eens een schoteltje naar uwen smaak op te disschen; en op den laatsten dag, welken gij teLondendoorbrengt, zult gij u waarschijnelijk geenszins het minst vermaken.”—„Gij weet, beste vriend! dat ik altijd bereid ben, om u te volgen. Doch mag men ook weten, welk nieuw en zonderling geregt het is, waarop gij mij heden denkt te onthalen?”—„Kom slechts, kom slechts! het is hoog tijd!”En ziedaar ons in eene straat, welke ons naar deAbtdij van Westmunstermoest geleiden.„Gij zijt een liefhebber van verrassingen!”zeide ik lagchende tegen mijnen vriend;„ik hoop echter niet, dat gij plan hebt, om mij een dergelijk schouwspel te doen zien, als toen gij mij onlangs op een hangpartijtje wildet onthalen?”—„Neen, waarachtig niet! het is geheel iets anders. Ik zal u verplaatsen in de schoonste eeuw der Romeinen, onder de tijdgenooten vanScipio.”—„Waarschijnlijk zult gij mij in een kunstkabinet van wassen beelden brengen? Doch ik moet u waarschouwen, dat ikCurtiusen zijne opvolgers reeds gezien heb.”—„Gij bedriegt u, mijn vriend! Integendeel zult gij iets zien, dat gij nog nooit gezien hebt. Evenwel wil ik u gaarne toestemmen, dat hetgeene gij zult hooren, niet geheel en al vreemd voor u zal zijn; en het is niet zonder moeite, dat ik twee toegangskaartjes bekomen heb.”„Hoe veel kosten zij?”—„Niets.”—„Niets? ik bewonder de Engelsche edelmoedigheid! Maar juist deze zelfde edelmoedigheid geeft mij eene geringe verwachting van hetgene wij zullen zien.”—„Schort ten minste uw oordeel op, tot gij gezien en gehoord hebt.”Nu maakte ik geene verdere tegenwerpingen, en aldra kwamen wij pratende voor een groot gebouw, hetwelk ik terstond als deSchool van Westmunsterherkende. Men deed ons in eene genoegzaam ruime zaal binnentreden, waarin een tooneel was opgerigt, hetwelk zich vrij goed liet aanzien. Niet zonder veel moeite gelukte het ons, plaats te krijgen; want het gezelschap was reeds te naastenbij voltallig.Eindelijk gezeten zijnde, zeide ik tegen mijnen vriend:„ziedaar ons dan geplaatst; nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat men spoedig begint.”—„Zoo ver is het nog niet!”hernam mijn vriend;„wij zullen nog een oogenblik geduld moeten hebben; wacht slechts!”Gelukkig echter behoefden wij niet lang te wachten; want de gordijn werd spoedig opgehaald.Het tooneel stelde een marktplein voor. Er trad een slaaf op, in Grieksche kleeding, en sprak, gedurende twee of drie minuten, zonder dat het mij mogelijk was, een enkel woord van hetgene hij zeide, te verstaan. Vervolgens kwam er een tweede slaaf te voorschijn, en mijne oplettendheid verdubbelende, meende ik eenige Latijnsche woorden te onderscheiden.—„Ik geloof waarachtig,”zeide ik tegen mijnen vriend,„dat het een Latijnsch stuk is, hetwelk hier gespeeld wordt.”—„Zonder twijfel, het is dePhormiovanTerentius.”—„Hadt gij mij dit vooraf gezegd, dan zoude ik mij van eenenTerentiusvoorzien hebben, ten einde de spelers te kunnen nagaan.”—„Ik heb op alles gedacht. Ziedaar eenTerentius.”Dadelijk sloeg ik het stuk op, dat gespeeld werd, en ging de tooneelisten na, die echter het Latijn even als het Engelsch uitsprekende, aan de zoetvloeiende taal vanVirgiliuseenen wanklank gaven, welke mij alles onverstaanbaar maakte, en mij tevens het ongelukkige tijdstip herinnerde, waarin de Barbaren van alle zijden op het Romeinsche gebied losstormende, hetzelve verwoestten, en onderling de overblijfselen deelden. Wat, voor het overige, het spel der handelende personen betrof, dit was niet geheel te verwerpen: hunne gebaren en standen waren zeer natuurlijk en wel overeenkomstig met de karakters, welke zij moesten voorstellen: ook speelden zij hunne rollen met warmte, en vermijdden tevens zorgvuldig het eentoonige van stem. De vrouwenrollen werden insgelijks door jonge scholieren vervuld; en de kleeding en verdere toestel konden niet beter gewenscht worden.„Gij hebt mij niet bedrogen,”zeide ik, in het uitgaan, tegen mijnen vriend;„ik heb deze vertooning niet zonder deelneming en genoegen bijgewoond. Nogtans geloof ik, dat, bijaldienTerentiusdezelve met zijne tegenwoordigheidvereerd had, hij slechts matig zou zijn voldaan geweest over de wijze, waarop zijne verzen werden opgezegd, en dat hij de spelers echte Barbaren zou genoemd hebben. Daarenboven heeft in deze tijden iedere beschaafde natie aan het Latijn de uitspraak van hare eigene taal geleend, en waarschijnlijk heeft niemand hunner den regten tongval. Maar wordt hier dikwijls gespeeld?”—„Alle jaren ééns, en wel omtrent dezen tijd. Het is reeds sedert onheugelijke jaren een vastgesteld gebruik in de school vanWestmunster, om door de kweekelingen, omstreeks den vijftiendenDecember, een Latijnsch tooneelstuk te doen geven.”—„Het doet mij leed, dat ik het zeggen moet, maar dit is al weder een gebruik, hetwelk ik geenszins kan goedkeuren. Immers kan het, mijns oordeels, nergens toe dienen, dan om bij jonge lieden de gevaarlijke zucht voor het tooneel op te wekken, en gevolgelijk der maatschappij, in stede van ijverige, werkzame burgers, ledigloopers en laffe grappenmakers te leveren.”—„Maar dit gebruik heeft ook inFrankrijkplaats gehad.”—„Daarom is het niet prijzenswaardiger.Integendeel was het inFrankrijknog minder te vergeven dan hier. De scholieren vanWestmunsterprenten ten minste noggoedLatijn in hun geheugen, daar integendeel in de Fransche kollegien de jonge lieden niets anders leerden, dan eenige barbaarsche verzen van vaderCaussin, welke niet meer gelezen worden, en van eenige anderen, welkers namen ter naauwer nood bekend zijn. Dit misbruik is echter afgeschaft door de voormalige hoogeschool teParijs, dat achtingswaardige ligchaam, hetwelk, tot onberekenbaar nadeel voor de maatschappij, nog niet weder hersteld is. Wel is waar, er kwam geen heer van schei- en wiskundigen uit te voorschijn, en in deze tegenwoordige eeuw, waar alles zoo gewikt en gewogen wordt, is men bijna verpligt, om aan deze twee wetenschappen de voorkeur te geven.”—„De voorstanders der tooneelvertooningen in de scholen beweren echter, dat de jonge lieden daardoor eene zekere losheid en bevalligen zwier verkrijgen.”——„Ongetwijfeld, ten naastenbij als men door het lezen der almanakken vorderingen in de sterrekunde kan maken, of in de bouwkunde door het zetten van kaartenhuisjes, of eindelijk,zoo als men zich in de berekening der wetten van zwaarte en het evenwigt bekwaam zou kunnen maken door het spelen met eenen duikelaar, waarmede zich de kinderen vervrolijken.”

XXX.Eene tooneelvertooning in de Latijnsche taal.Daags voor mijn vertrek, ging ik naar hetalien-office, om mijnen Franschen pas, die daar in bewaring was gebleven, terug te halen, en, in wisseling, dien terug te geven, welke mij was ter hand gesteld. Om den lezer niet te vervelen, zal ik hem het verhaal besparen van eenige langwijlige plegtigheden, welke nog hierbij in acht moesten genomen worden. Zij zouden mij nogmaals een hoofdstuk opleveren van denzelfden inhoud, alsdat, waarmede dit werk begonnen is, en ik ben geen vriend van herhalingen, even min als van het eentoonige.Nu ging ik mijnen vriendC...opzoeken, wien ik bijzonderen dank verschuldigd was voor de verpligtende wijze, waarop hij mij, gedurende mijn verblijf teLonden, behandeld had; en daar de postwagen niet voor den volgenden morgen te twaalf ure afreed, verzocht ikhem, met mij en den heerCroquiste ontbijten; want laatstgenoemde had ik reeds te voren dezelfde uitnoodiging gedaan.„Van harte gaarne!”zeide hij,„maar gij; komt thans, als of gij geroepen waart; want juist was ik voornemens, om u af te halen. Ik denk u heden eens een schoteltje naar uwen smaak op te disschen; en op den laatsten dag, welken gij teLondendoorbrengt, zult gij u waarschijnelijk geenszins het minst vermaken.”—„Gij weet, beste vriend! dat ik altijd bereid ben, om u te volgen. Doch mag men ook weten, welk nieuw en zonderling geregt het is, waarop gij mij heden denkt te onthalen?”—„Kom slechts, kom slechts! het is hoog tijd!”En ziedaar ons in eene straat, welke ons naar deAbtdij van Westmunstermoest geleiden.„Gij zijt een liefhebber van verrassingen!”zeide ik lagchende tegen mijnen vriend;„ik hoop echter niet, dat gij plan hebt, om mij een dergelijk schouwspel te doen zien, als toen gij mij onlangs op een hangpartijtje wildet onthalen?”—„Neen, waarachtig niet! het is geheel iets anders. Ik zal u verplaatsen in de schoonste eeuw der Romeinen, onder de tijdgenooten vanScipio.”—„Waarschijnlijk zult gij mij in een kunstkabinet van wassen beelden brengen? Doch ik moet u waarschouwen, dat ikCurtiusen zijne opvolgers reeds gezien heb.”—„Gij bedriegt u, mijn vriend! Integendeel zult gij iets zien, dat gij nog nooit gezien hebt. Evenwel wil ik u gaarne toestemmen, dat hetgeene gij zult hooren, niet geheel en al vreemd voor u zal zijn; en het is niet zonder moeite, dat ik twee toegangskaartjes bekomen heb.”„Hoe veel kosten zij?”—„Niets.”—„Niets? ik bewonder de Engelsche edelmoedigheid! Maar juist deze zelfde edelmoedigheid geeft mij eene geringe verwachting van hetgene wij zullen zien.”—„Schort ten minste uw oordeel op, tot gij gezien en gehoord hebt.”Nu maakte ik geene verdere tegenwerpingen, en aldra kwamen wij pratende voor een groot gebouw, hetwelk ik terstond als deSchool van Westmunsterherkende. Men deed ons in eene genoegzaam ruime zaal binnentreden, waarin een tooneel was opgerigt, hetwelk zich vrij goed liet aanzien. Niet zonder veel moeite gelukte het ons, plaats te krijgen; want het gezelschap was reeds te naastenbij voltallig.Eindelijk gezeten zijnde, zeide ik tegen mijnen vriend:„ziedaar ons dan geplaatst; nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat men spoedig begint.”—„Zoo ver is het nog niet!”hernam mijn vriend;„wij zullen nog een oogenblik geduld moeten hebben; wacht slechts!”Gelukkig echter behoefden wij niet lang te wachten; want de gordijn werd spoedig opgehaald.Het tooneel stelde een marktplein voor. Er trad een slaaf op, in Grieksche kleeding, en sprak, gedurende twee of drie minuten, zonder dat het mij mogelijk was, een enkel woord van hetgene hij zeide, te verstaan. Vervolgens kwam er een tweede slaaf te voorschijn, en mijne oplettendheid verdubbelende, meende ik eenige Latijnsche woorden te onderscheiden.—„Ik geloof waarachtig,”zeide ik tegen mijnen vriend,„dat het een Latijnsch stuk is, hetwelk hier gespeeld wordt.”—„Zonder twijfel, het is dePhormiovanTerentius.”—„Hadt gij mij dit vooraf gezegd, dan zoude ik mij van eenenTerentiusvoorzien hebben, ten einde de spelers te kunnen nagaan.”—„Ik heb op alles gedacht. Ziedaar eenTerentius.”Dadelijk sloeg ik het stuk op, dat gespeeld werd, en ging de tooneelisten na, die echter het Latijn even als het Engelsch uitsprekende, aan de zoetvloeiende taal vanVirgiliuseenen wanklank gaven, welke mij alles onverstaanbaar maakte, en mij tevens het ongelukkige tijdstip herinnerde, waarin de Barbaren van alle zijden op het Romeinsche gebied losstormende, hetzelve verwoestten, en onderling de overblijfselen deelden. Wat, voor het overige, het spel der handelende personen betrof, dit was niet geheel te verwerpen: hunne gebaren en standen waren zeer natuurlijk en wel overeenkomstig met de karakters, welke zij moesten voorstellen: ook speelden zij hunne rollen met warmte, en vermijdden tevens zorgvuldig het eentoonige van stem. De vrouwenrollen werden insgelijks door jonge scholieren vervuld; en de kleeding en verdere toestel konden niet beter gewenscht worden.„Gij hebt mij niet bedrogen,”zeide ik, in het uitgaan, tegen mijnen vriend;„ik heb deze vertooning niet zonder deelneming en genoegen bijgewoond. Nogtans geloof ik, dat, bijaldienTerentiusdezelve met zijne tegenwoordigheidvereerd had, hij slechts matig zou zijn voldaan geweest over de wijze, waarop zijne verzen werden opgezegd, en dat hij de spelers echte Barbaren zou genoemd hebben. Daarenboven heeft in deze tijden iedere beschaafde natie aan het Latijn de uitspraak van hare eigene taal geleend, en waarschijnlijk heeft niemand hunner den regten tongval. Maar wordt hier dikwijls gespeeld?”—„Alle jaren ééns, en wel omtrent dezen tijd. Het is reeds sedert onheugelijke jaren een vastgesteld gebruik in de school vanWestmunster, om door de kweekelingen, omstreeks den vijftiendenDecember, een Latijnsch tooneelstuk te doen geven.”—„Het doet mij leed, dat ik het zeggen moet, maar dit is al weder een gebruik, hetwelk ik geenszins kan goedkeuren. Immers kan het, mijns oordeels, nergens toe dienen, dan om bij jonge lieden de gevaarlijke zucht voor het tooneel op te wekken, en gevolgelijk der maatschappij, in stede van ijverige, werkzame burgers, ledigloopers en laffe grappenmakers te leveren.”—„Maar dit gebruik heeft ook inFrankrijkplaats gehad.”—„Daarom is het niet prijzenswaardiger.Integendeel was het inFrankrijknog minder te vergeven dan hier. De scholieren vanWestmunsterprenten ten minste noggoedLatijn in hun geheugen, daar integendeel in de Fransche kollegien de jonge lieden niets anders leerden, dan eenige barbaarsche verzen van vaderCaussin, welke niet meer gelezen worden, en van eenige anderen, welkers namen ter naauwer nood bekend zijn. Dit misbruik is echter afgeschaft door de voormalige hoogeschool teParijs, dat achtingswaardige ligchaam, hetwelk, tot onberekenbaar nadeel voor de maatschappij, nog niet weder hersteld is. Wel is waar, er kwam geen heer van schei- en wiskundigen uit te voorschijn, en in deze tegenwoordige eeuw, waar alles zoo gewikt en gewogen wordt, is men bijna verpligt, om aan deze twee wetenschappen de voorkeur te geven.”—„De voorstanders der tooneelvertooningen in de scholen beweren echter, dat de jonge lieden daardoor eene zekere losheid en bevalligen zwier verkrijgen.”——„Ongetwijfeld, ten naastenbij als men door het lezen der almanakken vorderingen in de sterrekunde kan maken, of in de bouwkunde door het zetten van kaartenhuisjes, of eindelijk,zoo als men zich in de berekening der wetten van zwaarte en het evenwigt bekwaam zou kunnen maken door het spelen met eenen duikelaar, waarmede zich de kinderen vervrolijken.”

XXX.Eene tooneelvertooning in de Latijnsche taal.

Daags voor mijn vertrek, ging ik naar hetalien-office, om mijnen Franschen pas, die daar in bewaring was gebleven, terug te halen, en, in wisseling, dien terug te geven, welke mij was ter hand gesteld. Om den lezer niet te vervelen, zal ik hem het verhaal besparen van eenige langwijlige plegtigheden, welke nog hierbij in acht moesten genomen worden. Zij zouden mij nogmaals een hoofdstuk opleveren van denzelfden inhoud, alsdat, waarmede dit werk begonnen is, en ik ben geen vriend van herhalingen, even min als van het eentoonige.Nu ging ik mijnen vriendC...opzoeken, wien ik bijzonderen dank verschuldigd was voor de verpligtende wijze, waarop hij mij, gedurende mijn verblijf teLonden, behandeld had; en daar de postwagen niet voor den volgenden morgen te twaalf ure afreed, verzocht ikhem, met mij en den heerCroquiste ontbijten; want laatstgenoemde had ik reeds te voren dezelfde uitnoodiging gedaan.„Van harte gaarne!”zeide hij,„maar gij; komt thans, als of gij geroepen waart; want juist was ik voornemens, om u af te halen. Ik denk u heden eens een schoteltje naar uwen smaak op te disschen; en op den laatsten dag, welken gij teLondendoorbrengt, zult gij u waarschijnelijk geenszins het minst vermaken.”—„Gij weet, beste vriend! dat ik altijd bereid ben, om u te volgen. Doch mag men ook weten, welk nieuw en zonderling geregt het is, waarop gij mij heden denkt te onthalen?”—„Kom slechts, kom slechts! het is hoog tijd!”En ziedaar ons in eene straat, welke ons naar deAbtdij van Westmunstermoest geleiden.„Gij zijt een liefhebber van verrassingen!”zeide ik lagchende tegen mijnen vriend;„ik hoop echter niet, dat gij plan hebt, om mij een dergelijk schouwspel te doen zien, als toen gij mij onlangs op een hangpartijtje wildet onthalen?”—„Neen, waarachtig niet! het is geheel iets anders. Ik zal u verplaatsen in de schoonste eeuw der Romeinen, onder de tijdgenooten vanScipio.”—„Waarschijnlijk zult gij mij in een kunstkabinet van wassen beelden brengen? Doch ik moet u waarschouwen, dat ikCurtiusen zijne opvolgers reeds gezien heb.”—„Gij bedriegt u, mijn vriend! Integendeel zult gij iets zien, dat gij nog nooit gezien hebt. Evenwel wil ik u gaarne toestemmen, dat hetgeene gij zult hooren, niet geheel en al vreemd voor u zal zijn; en het is niet zonder moeite, dat ik twee toegangskaartjes bekomen heb.”„Hoe veel kosten zij?”—„Niets.”—„Niets? ik bewonder de Engelsche edelmoedigheid! Maar juist deze zelfde edelmoedigheid geeft mij eene geringe verwachting van hetgene wij zullen zien.”—„Schort ten minste uw oordeel op, tot gij gezien en gehoord hebt.”Nu maakte ik geene verdere tegenwerpingen, en aldra kwamen wij pratende voor een groot gebouw, hetwelk ik terstond als deSchool van Westmunsterherkende. Men deed ons in eene genoegzaam ruime zaal binnentreden, waarin een tooneel was opgerigt, hetwelk zich vrij goed liet aanzien. Niet zonder veel moeite gelukte het ons, plaats te krijgen; want het gezelschap was reeds te naastenbij voltallig.Eindelijk gezeten zijnde, zeide ik tegen mijnen vriend:„ziedaar ons dan geplaatst; nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat men spoedig begint.”—„Zoo ver is het nog niet!”hernam mijn vriend;„wij zullen nog een oogenblik geduld moeten hebben; wacht slechts!”Gelukkig echter behoefden wij niet lang te wachten; want de gordijn werd spoedig opgehaald.Het tooneel stelde een marktplein voor. Er trad een slaaf op, in Grieksche kleeding, en sprak, gedurende twee of drie minuten, zonder dat het mij mogelijk was, een enkel woord van hetgene hij zeide, te verstaan. Vervolgens kwam er een tweede slaaf te voorschijn, en mijne oplettendheid verdubbelende, meende ik eenige Latijnsche woorden te onderscheiden.—„Ik geloof waarachtig,”zeide ik tegen mijnen vriend,„dat het een Latijnsch stuk is, hetwelk hier gespeeld wordt.”—„Zonder twijfel, het is dePhormiovanTerentius.”—„Hadt gij mij dit vooraf gezegd, dan zoude ik mij van eenenTerentiusvoorzien hebben, ten einde de spelers te kunnen nagaan.”—„Ik heb op alles gedacht. Ziedaar eenTerentius.”Dadelijk sloeg ik het stuk op, dat gespeeld werd, en ging de tooneelisten na, die echter het Latijn even als het Engelsch uitsprekende, aan de zoetvloeiende taal vanVirgiliuseenen wanklank gaven, welke mij alles onverstaanbaar maakte, en mij tevens het ongelukkige tijdstip herinnerde, waarin de Barbaren van alle zijden op het Romeinsche gebied losstormende, hetzelve verwoestten, en onderling de overblijfselen deelden. Wat, voor het overige, het spel der handelende personen betrof, dit was niet geheel te verwerpen: hunne gebaren en standen waren zeer natuurlijk en wel overeenkomstig met de karakters, welke zij moesten voorstellen: ook speelden zij hunne rollen met warmte, en vermijdden tevens zorgvuldig het eentoonige van stem. De vrouwenrollen werden insgelijks door jonge scholieren vervuld; en de kleeding en verdere toestel konden niet beter gewenscht worden.„Gij hebt mij niet bedrogen,”zeide ik, in het uitgaan, tegen mijnen vriend;„ik heb deze vertooning niet zonder deelneming en genoegen bijgewoond. Nogtans geloof ik, dat, bijaldienTerentiusdezelve met zijne tegenwoordigheidvereerd had, hij slechts matig zou zijn voldaan geweest over de wijze, waarop zijne verzen werden opgezegd, en dat hij de spelers echte Barbaren zou genoemd hebben. Daarenboven heeft in deze tijden iedere beschaafde natie aan het Latijn de uitspraak van hare eigene taal geleend, en waarschijnlijk heeft niemand hunner den regten tongval. Maar wordt hier dikwijls gespeeld?”—„Alle jaren ééns, en wel omtrent dezen tijd. Het is reeds sedert onheugelijke jaren een vastgesteld gebruik in de school vanWestmunster, om door de kweekelingen, omstreeks den vijftiendenDecember, een Latijnsch tooneelstuk te doen geven.”—„Het doet mij leed, dat ik het zeggen moet, maar dit is al weder een gebruik, hetwelk ik geenszins kan goedkeuren. Immers kan het, mijns oordeels, nergens toe dienen, dan om bij jonge lieden de gevaarlijke zucht voor het tooneel op te wekken, en gevolgelijk der maatschappij, in stede van ijverige, werkzame burgers, ledigloopers en laffe grappenmakers te leveren.”—„Maar dit gebruik heeft ook inFrankrijkplaats gehad.”—„Daarom is het niet prijzenswaardiger.Integendeel was het inFrankrijknog minder te vergeven dan hier. De scholieren vanWestmunsterprenten ten minste noggoedLatijn in hun geheugen, daar integendeel in de Fransche kollegien de jonge lieden niets anders leerden, dan eenige barbaarsche verzen van vaderCaussin, welke niet meer gelezen worden, en van eenige anderen, welkers namen ter naauwer nood bekend zijn. Dit misbruik is echter afgeschaft door de voormalige hoogeschool teParijs, dat achtingswaardige ligchaam, hetwelk, tot onberekenbaar nadeel voor de maatschappij, nog niet weder hersteld is. Wel is waar, er kwam geen heer van schei- en wiskundigen uit te voorschijn, en in deze tegenwoordige eeuw, waar alles zoo gewikt en gewogen wordt, is men bijna verpligt, om aan deze twee wetenschappen de voorkeur te geven.”—„De voorstanders der tooneelvertooningen in de scholen beweren echter, dat de jonge lieden daardoor eene zekere losheid en bevalligen zwier verkrijgen.”——„Ongetwijfeld, ten naastenbij als men door het lezen der almanakken vorderingen in de sterrekunde kan maken, of in de bouwkunde door het zetten van kaartenhuisjes, of eindelijk,zoo als men zich in de berekening der wetten van zwaarte en het evenwigt bekwaam zou kunnen maken door het spelen met eenen duikelaar, waarmede zich de kinderen vervrolijken.”

Daags voor mijn vertrek, ging ik naar hetalien-office, om mijnen Franschen pas, die daar in bewaring was gebleven, terug te halen, en, in wisseling, dien terug te geven, welke mij was ter hand gesteld. Om den lezer niet te vervelen, zal ik hem het verhaal besparen van eenige langwijlige plegtigheden, welke nog hierbij in acht moesten genomen worden. Zij zouden mij nogmaals een hoofdstuk opleveren van denzelfden inhoud, alsdat, waarmede dit werk begonnen is, en ik ben geen vriend van herhalingen, even min als van het eentoonige.

Nu ging ik mijnen vriendC...opzoeken, wien ik bijzonderen dank verschuldigd was voor de verpligtende wijze, waarop hij mij, gedurende mijn verblijf teLonden, behandeld had; en daar de postwagen niet voor den volgenden morgen te twaalf ure afreed, verzocht ikhem, met mij en den heerCroquiste ontbijten; want laatstgenoemde had ik reeds te voren dezelfde uitnoodiging gedaan.

„Van harte gaarne!”zeide hij,„maar gij; komt thans, als of gij geroepen waart; want juist was ik voornemens, om u af te halen. Ik denk u heden eens een schoteltje naar uwen smaak op te disschen; en op den laatsten dag, welken gij teLondendoorbrengt, zult gij u waarschijnelijk geenszins het minst vermaken.”

—„Gij weet, beste vriend! dat ik altijd bereid ben, om u te volgen. Doch mag men ook weten, welk nieuw en zonderling geregt het is, waarop gij mij heden denkt te onthalen?”

—„Kom slechts, kom slechts! het is hoog tijd!”

En ziedaar ons in eene straat, welke ons naar deAbtdij van Westmunstermoest geleiden.

„Gij zijt een liefhebber van verrassingen!”zeide ik lagchende tegen mijnen vriend;„ik hoop echter niet, dat gij plan hebt, om mij een dergelijk schouwspel te doen zien, als toen gij mij onlangs op een hangpartijtje wildet onthalen?”

—„Neen, waarachtig niet! het is geheel iets anders. Ik zal u verplaatsen in de schoonste eeuw der Romeinen, onder de tijdgenooten vanScipio.”

—„Waarschijnlijk zult gij mij in een kunstkabinet van wassen beelden brengen? Doch ik moet u waarschouwen, dat ikCurtiusen zijne opvolgers reeds gezien heb.”

—„Gij bedriegt u, mijn vriend! Integendeel zult gij iets zien, dat gij nog nooit gezien hebt. Evenwel wil ik u gaarne toestemmen, dat hetgeene gij zult hooren, niet geheel en al vreemd voor u zal zijn; en het is niet zonder moeite, dat ik twee toegangskaartjes bekomen heb.”

„Hoe veel kosten zij?”

—„Niets.”

—„Niets? ik bewonder de Engelsche edelmoedigheid! Maar juist deze zelfde edelmoedigheid geeft mij eene geringe verwachting van hetgene wij zullen zien.”

—„Schort ten minste uw oordeel op, tot gij gezien en gehoord hebt.”

Nu maakte ik geene verdere tegenwerpingen, en aldra kwamen wij pratende voor een groot gebouw, hetwelk ik terstond als deSchool van Westmunsterherkende. Men deed ons in eene genoegzaam ruime zaal binnentreden, waarin een tooneel was opgerigt, hetwelk zich vrij goed liet aanzien. Niet zonder veel moeite gelukte het ons, plaats te krijgen; want het gezelschap was reeds te naastenbij voltallig.Eindelijk gezeten zijnde, zeide ik tegen mijnen vriend:„ziedaar ons dan geplaatst; nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat men spoedig begint.”

—„Zoo ver is het nog niet!”hernam mijn vriend;„wij zullen nog een oogenblik geduld moeten hebben; wacht slechts!”

Gelukkig echter behoefden wij niet lang te wachten; want de gordijn werd spoedig opgehaald.

Het tooneel stelde een marktplein voor. Er trad een slaaf op, in Grieksche kleeding, en sprak, gedurende twee of drie minuten, zonder dat het mij mogelijk was, een enkel woord van hetgene hij zeide, te verstaan. Vervolgens kwam er een tweede slaaf te voorschijn, en mijne oplettendheid verdubbelende, meende ik eenige Latijnsche woorden te onderscheiden.—„Ik geloof waarachtig,”zeide ik tegen mijnen vriend,„dat het een Latijnsch stuk is, hetwelk hier gespeeld wordt.”

—„Zonder twijfel, het is dePhormiovanTerentius.”

—„Hadt gij mij dit vooraf gezegd, dan zoude ik mij van eenenTerentiusvoorzien hebben, ten einde de spelers te kunnen nagaan.”

—„Ik heb op alles gedacht. Ziedaar eenTerentius.”

Dadelijk sloeg ik het stuk op, dat gespeeld werd, en ging de tooneelisten na, die echter het Latijn even als het Engelsch uitsprekende, aan de zoetvloeiende taal vanVirgiliuseenen wanklank gaven, welke mij alles onverstaanbaar maakte, en mij tevens het ongelukkige tijdstip herinnerde, waarin de Barbaren van alle zijden op het Romeinsche gebied losstormende, hetzelve verwoestten, en onderling de overblijfselen deelden. Wat, voor het overige, het spel der handelende personen betrof, dit was niet geheel te verwerpen: hunne gebaren en standen waren zeer natuurlijk en wel overeenkomstig met de karakters, welke zij moesten voorstellen: ook speelden zij hunne rollen met warmte, en vermijdden tevens zorgvuldig het eentoonige van stem. De vrouwenrollen werden insgelijks door jonge scholieren vervuld; en de kleeding en verdere toestel konden niet beter gewenscht worden.

„Gij hebt mij niet bedrogen,”zeide ik, in het uitgaan, tegen mijnen vriend;„ik heb deze vertooning niet zonder deelneming en genoegen bijgewoond. Nogtans geloof ik, dat, bijaldienTerentiusdezelve met zijne tegenwoordigheidvereerd had, hij slechts matig zou zijn voldaan geweest over de wijze, waarop zijne verzen werden opgezegd, en dat hij de spelers echte Barbaren zou genoemd hebben. Daarenboven heeft in deze tijden iedere beschaafde natie aan het Latijn de uitspraak van hare eigene taal geleend, en waarschijnlijk heeft niemand hunner den regten tongval. Maar wordt hier dikwijls gespeeld?”

—„Alle jaren ééns, en wel omtrent dezen tijd. Het is reeds sedert onheugelijke jaren een vastgesteld gebruik in de school vanWestmunster, om door de kweekelingen, omstreeks den vijftiendenDecember, een Latijnsch tooneelstuk te doen geven.”

—„Het doet mij leed, dat ik het zeggen moet, maar dit is al weder een gebruik, hetwelk ik geenszins kan goedkeuren. Immers kan het, mijns oordeels, nergens toe dienen, dan om bij jonge lieden de gevaarlijke zucht voor het tooneel op te wekken, en gevolgelijk der maatschappij, in stede van ijverige, werkzame burgers, ledigloopers en laffe grappenmakers te leveren.”

—„Maar dit gebruik heeft ook inFrankrijkplaats gehad.”

—„Daarom is het niet prijzenswaardiger.Integendeel was het inFrankrijknog minder te vergeven dan hier. De scholieren vanWestmunsterprenten ten minste noggoedLatijn in hun geheugen, daar integendeel in de Fransche kollegien de jonge lieden niets anders leerden, dan eenige barbaarsche verzen van vaderCaussin, welke niet meer gelezen worden, en van eenige anderen, welkers namen ter naauwer nood bekend zijn. Dit misbruik is echter afgeschaft door de voormalige hoogeschool teParijs, dat achtingswaardige ligchaam, hetwelk, tot onberekenbaar nadeel voor de maatschappij, nog niet weder hersteld is. Wel is waar, er kwam geen heer van schei- en wiskundigen uit te voorschijn, en in deze tegenwoordige eeuw, waar alles zoo gewikt en gewogen wordt, is men bijna verpligt, om aan deze twee wetenschappen de voorkeur te geven.”

—„De voorstanders der tooneelvertooningen in de scholen beweren echter, dat de jonge lieden daardoor eene zekere losheid en bevalligen zwier verkrijgen.”—

—„Ongetwijfeld, ten naastenbij als men door het lezen der almanakken vorderingen in de sterrekunde kan maken, of in de bouwkunde door het zetten van kaartenhuisjes, of eindelijk,zoo als men zich in de berekening der wetten van zwaarte en het evenwigt bekwaam zou kunnen maken door het spelen met eenen duikelaar, waarmede zich de kinderen vervrolijken.”


Back to IndexNext