XXV.

XXV.De Spotprenten.„De zucht, om u mijn zonderling avontuurtje te vertellen,” vervolgde mijn vriendC..., „heeft mij een ander onderwerp uit het oog doen verliezen, waarover ik u wensch te onderhouden, en waarmede wij terstond zullen beginnen. Ik bedoel het woordCaricature. Gij zult mij echter, hoop ik, toestaan, datLondenten minste hierin de eerste stad der wereld mag genoemd worden.”„Ik stem toe, dat er nergens zoo vele spotprenten gevonden worden, schoon, sedert eenigen tijd,Parijshierin metLondenom den prijs schijnt te willen dingen. Maar wat is eigenlijk eenecaricature? niets anders dan eene geschilderdesatire. Eenecaricatuurmoet in tegenoverstelling van eene schilderij, datgene zijn, wat eene geestigeparodieis in tegenoverstelling van een zang- of treurspel, gelijk wij dit dikwijls gezien hebben op onsTheatre du Vaudeville, bij voorbeeld in de zangstukjesNiceenArlequino Cruello. Doch, vande honderd spotprenten, welke ik hier zie, zijn er zeker negentig volstrekt zout- en geesteloos: ook is er geen spoor van teekening in te vinden, alle regels der kunst zijn jammerlijk geschonden, en men bespeurt duidelijk, dat het geenszins aan den goeden wil van den broddelaar, (welken ik met een goed geweten nimmerkunstenaarzal kunnen noemen) gehaperd heeft, om iets beters voor den dag te brengen; maar dat zijne onbekwaamheid hem zoodanige gedrochten heeft doen scheppen. Betreffende de tien anderen, van dezen verdienen negen slechts eenige aanmerking door derzelver bijtende en boosaardige beteekenis, welke altijd het uitsluitende kenmerk is, en de tiende alleen zou misschien eenige verschooning kunnen vinden in de oogen van iemand, die een gezond oordeel bezit. In een woord, nooit zie ik eene spotprent, zonder aanScarron’sboertige vertaling vanVirgiliuste denken.”—„Gij zijt waarlijk al te streng! Laat ons een paar van deze prentwinkels bezigtigen, en gij zult er spotprenten zien, die u zullen doen lagchen.”—„Zonder twijfel, ik zal lagchen—even als ik lach over de verregaande zotheden, welkeBrunetenPortierop hetTheatre desVariètésuitventen; maar denk echter niet, dat ik zeg:J’ai ri, me voilà désarmé!Ik heb gelagchen, en ziedaar mij ontwapend!„Neen, mijn vriend! het is slechts een vlugtige glimlach, die volstrekt niets meer beteekent dan een voorbijgaande reuk, welke reeds zijne kracht verloren heeft, voordat men hem kan onderscheiden.„De ouden kenden de kunst vancaricaturente schetsen in den grond; en ofschoon ons weinige werken van deze soort zijn overgebleven, weten wij echter genoeg, om te kunnen beweren, dat zij in deze voortbrengselen van hun genie nooit de regelen der teeken- noch der schilderkunst verwaarloosden. Een Grieksch schilder eenmaal het Atheensche volk willende doen gevoelen, dat het beurtelings standvastig en wispelturig, grootmoedig en wreed, nederig en trotsch, billijk en onregtvaardig was, kwam op het denkbeeld, om den Athenienzers deze waarheid in eene schilderij onder het oog te brengen, waarin hij den schutsgeest hunner stad als eenen zaaijer voorstelde, die de zaden van alle deugden en ondeugden rondom dezelve strooide.—Een ander kunstenaar hadTimotheus, een’ der voornaamste veldheeren van dat gemeenebest, slapende geschilderd, middelerwijl de godin van het geluk de vijandelijke steden voor hem in netten ving.—Timotheusdeze schilderij ziende, zeide, wat moet ik doen, als ik ontwaak?—Tot besluit eindelijk zal ik onder het getal der aanmerkenswaardigecaricaturenuit de oudheid u nog het tafereel opnoemen, waarin een voornaam schilder zekere groote en schoone koningin, over welke hij ontevreden was, ten toon stelde in het oogenblik, waarin zij zich tot eenen geringen visscher verlaagde. Deze, zoo wegens haren wuften aard en hare losbandigheid van zeden, als wegens den luister harer bekoorlijkheden, algemeen befaamde vorstin, vond hare beeldtenis zoo schoon en wel getroffen, dat zij, in plaats van den kunstenaar te straffen, hem een aanmerkelijk geschenk deed. Ziedaar de ware modellen, welke decaricatuur-fabrikeursten voorbeeld moesten nemen, in plaats van op lange zoomen papier, uit den mond hunner personaadjes woorden en spreuken te voorschijn te doen komen, meestal strookende met de wijze, waarop zij hun onderwerp behandeld hebben. Gij zult mij toch niet willen betwisten, dat inzonderheid in de Engelschecaricaturendeze heerschende fouten wordenaangetroffen.—De Franschen en Italianen hebben zich daarvoor beter weten te wachten; maar hier heb ik er zelf vele gezien, waarin meer penne- dan penseeltrekken gevonden werden.”„De Engelschen hebben derhalve, volgens uwe meening, ongelijk, dat zij, met betrekking tot decaricaturen, op dezelfde meerderheid, als op die van den Oceaan aanspraak maken?”—„Ik zal u op deze vraag antwoorden, zoodra men mij eenen Engelschencaricatuur-fabrikeuropgenoemd heeft, die waardig is, om aan de zijde van onzen landgenootGallotgeplaatst te worden.”

XXV.De Spotprenten.„De zucht, om u mijn zonderling avontuurtje te vertellen,” vervolgde mijn vriendC..., „heeft mij een ander onderwerp uit het oog doen verliezen, waarover ik u wensch te onderhouden, en waarmede wij terstond zullen beginnen. Ik bedoel het woordCaricature. Gij zult mij echter, hoop ik, toestaan, datLondenten minste hierin de eerste stad der wereld mag genoemd worden.”„Ik stem toe, dat er nergens zoo vele spotprenten gevonden worden, schoon, sedert eenigen tijd,Parijshierin metLondenom den prijs schijnt te willen dingen. Maar wat is eigenlijk eenecaricature? niets anders dan eene geschilderdesatire. Eenecaricatuurmoet in tegenoverstelling van eene schilderij, datgene zijn, wat eene geestigeparodieis in tegenoverstelling van een zang- of treurspel, gelijk wij dit dikwijls gezien hebben op onsTheatre du Vaudeville, bij voorbeeld in de zangstukjesNiceenArlequino Cruello. Doch, vande honderd spotprenten, welke ik hier zie, zijn er zeker negentig volstrekt zout- en geesteloos: ook is er geen spoor van teekening in te vinden, alle regels der kunst zijn jammerlijk geschonden, en men bespeurt duidelijk, dat het geenszins aan den goeden wil van den broddelaar, (welken ik met een goed geweten nimmerkunstenaarzal kunnen noemen) gehaperd heeft, om iets beters voor den dag te brengen; maar dat zijne onbekwaamheid hem zoodanige gedrochten heeft doen scheppen. Betreffende de tien anderen, van dezen verdienen negen slechts eenige aanmerking door derzelver bijtende en boosaardige beteekenis, welke altijd het uitsluitende kenmerk is, en de tiende alleen zou misschien eenige verschooning kunnen vinden in de oogen van iemand, die een gezond oordeel bezit. In een woord, nooit zie ik eene spotprent, zonder aanScarron’sboertige vertaling vanVirgiliuste denken.”—„Gij zijt waarlijk al te streng! Laat ons een paar van deze prentwinkels bezigtigen, en gij zult er spotprenten zien, die u zullen doen lagchen.”—„Zonder twijfel, ik zal lagchen—even als ik lach over de verregaande zotheden, welkeBrunetenPortierop hetTheatre desVariètésuitventen; maar denk echter niet, dat ik zeg:J’ai ri, me voilà désarmé!Ik heb gelagchen, en ziedaar mij ontwapend!„Neen, mijn vriend! het is slechts een vlugtige glimlach, die volstrekt niets meer beteekent dan een voorbijgaande reuk, welke reeds zijne kracht verloren heeft, voordat men hem kan onderscheiden.„De ouden kenden de kunst vancaricaturente schetsen in den grond; en ofschoon ons weinige werken van deze soort zijn overgebleven, weten wij echter genoeg, om te kunnen beweren, dat zij in deze voortbrengselen van hun genie nooit de regelen der teeken- noch der schilderkunst verwaarloosden. Een Grieksch schilder eenmaal het Atheensche volk willende doen gevoelen, dat het beurtelings standvastig en wispelturig, grootmoedig en wreed, nederig en trotsch, billijk en onregtvaardig was, kwam op het denkbeeld, om den Athenienzers deze waarheid in eene schilderij onder het oog te brengen, waarin hij den schutsgeest hunner stad als eenen zaaijer voorstelde, die de zaden van alle deugden en ondeugden rondom dezelve strooide.—Een ander kunstenaar hadTimotheus, een’ der voornaamste veldheeren van dat gemeenebest, slapende geschilderd, middelerwijl de godin van het geluk de vijandelijke steden voor hem in netten ving.—Timotheusdeze schilderij ziende, zeide, wat moet ik doen, als ik ontwaak?—Tot besluit eindelijk zal ik onder het getal der aanmerkenswaardigecaricaturenuit de oudheid u nog het tafereel opnoemen, waarin een voornaam schilder zekere groote en schoone koningin, over welke hij ontevreden was, ten toon stelde in het oogenblik, waarin zij zich tot eenen geringen visscher verlaagde. Deze, zoo wegens haren wuften aard en hare losbandigheid van zeden, als wegens den luister harer bekoorlijkheden, algemeen befaamde vorstin, vond hare beeldtenis zoo schoon en wel getroffen, dat zij, in plaats van den kunstenaar te straffen, hem een aanmerkelijk geschenk deed. Ziedaar de ware modellen, welke decaricatuur-fabrikeursten voorbeeld moesten nemen, in plaats van op lange zoomen papier, uit den mond hunner personaadjes woorden en spreuken te voorschijn te doen komen, meestal strookende met de wijze, waarop zij hun onderwerp behandeld hebben. Gij zult mij toch niet willen betwisten, dat inzonderheid in de Engelschecaricaturendeze heerschende fouten wordenaangetroffen.—De Franschen en Italianen hebben zich daarvoor beter weten te wachten; maar hier heb ik er zelf vele gezien, waarin meer penne- dan penseeltrekken gevonden werden.”„De Engelschen hebben derhalve, volgens uwe meening, ongelijk, dat zij, met betrekking tot decaricaturen, op dezelfde meerderheid, als op die van den Oceaan aanspraak maken?”—„Ik zal u op deze vraag antwoorden, zoodra men mij eenen Engelschencaricatuur-fabrikeuropgenoemd heeft, die waardig is, om aan de zijde van onzen landgenootGallotgeplaatst te worden.”

XXV.De Spotprenten.

„De zucht, om u mijn zonderling avontuurtje te vertellen,” vervolgde mijn vriendC..., „heeft mij een ander onderwerp uit het oog doen verliezen, waarover ik u wensch te onderhouden, en waarmede wij terstond zullen beginnen. Ik bedoel het woordCaricature. Gij zult mij echter, hoop ik, toestaan, datLondenten minste hierin de eerste stad der wereld mag genoemd worden.”„Ik stem toe, dat er nergens zoo vele spotprenten gevonden worden, schoon, sedert eenigen tijd,Parijshierin metLondenom den prijs schijnt te willen dingen. Maar wat is eigenlijk eenecaricature? niets anders dan eene geschilderdesatire. Eenecaricatuurmoet in tegenoverstelling van eene schilderij, datgene zijn, wat eene geestigeparodieis in tegenoverstelling van een zang- of treurspel, gelijk wij dit dikwijls gezien hebben op onsTheatre du Vaudeville, bij voorbeeld in de zangstukjesNiceenArlequino Cruello. Doch, vande honderd spotprenten, welke ik hier zie, zijn er zeker negentig volstrekt zout- en geesteloos: ook is er geen spoor van teekening in te vinden, alle regels der kunst zijn jammerlijk geschonden, en men bespeurt duidelijk, dat het geenszins aan den goeden wil van den broddelaar, (welken ik met een goed geweten nimmerkunstenaarzal kunnen noemen) gehaperd heeft, om iets beters voor den dag te brengen; maar dat zijne onbekwaamheid hem zoodanige gedrochten heeft doen scheppen. Betreffende de tien anderen, van dezen verdienen negen slechts eenige aanmerking door derzelver bijtende en boosaardige beteekenis, welke altijd het uitsluitende kenmerk is, en de tiende alleen zou misschien eenige verschooning kunnen vinden in de oogen van iemand, die een gezond oordeel bezit. In een woord, nooit zie ik eene spotprent, zonder aanScarron’sboertige vertaling vanVirgiliuste denken.”—„Gij zijt waarlijk al te streng! Laat ons een paar van deze prentwinkels bezigtigen, en gij zult er spotprenten zien, die u zullen doen lagchen.”—„Zonder twijfel, ik zal lagchen—even als ik lach over de verregaande zotheden, welkeBrunetenPortierop hetTheatre desVariètésuitventen; maar denk echter niet, dat ik zeg:J’ai ri, me voilà désarmé!Ik heb gelagchen, en ziedaar mij ontwapend!„Neen, mijn vriend! het is slechts een vlugtige glimlach, die volstrekt niets meer beteekent dan een voorbijgaande reuk, welke reeds zijne kracht verloren heeft, voordat men hem kan onderscheiden.„De ouden kenden de kunst vancaricaturente schetsen in den grond; en ofschoon ons weinige werken van deze soort zijn overgebleven, weten wij echter genoeg, om te kunnen beweren, dat zij in deze voortbrengselen van hun genie nooit de regelen der teeken- noch der schilderkunst verwaarloosden. Een Grieksch schilder eenmaal het Atheensche volk willende doen gevoelen, dat het beurtelings standvastig en wispelturig, grootmoedig en wreed, nederig en trotsch, billijk en onregtvaardig was, kwam op het denkbeeld, om den Athenienzers deze waarheid in eene schilderij onder het oog te brengen, waarin hij den schutsgeest hunner stad als eenen zaaijer voorstelde, die de zaden van alle deugden en ondeugden rondom dezelve strooide.—Een ander kunstenaar hadTimotheus, een’ der voornaamste veldheeren van dat gemeenebest, slapende geschilderd, middelerwijl de godin van het geluk de vijandelijke steden voor hem in netten ving.—Timotheusdeze schilderij ziende, zeide, wat moet ik doen, als ik ontwaak?—Tot besluit eindelijk zal ik onder het getal der aanmerkenswaardigecaricaturenuit de oudheid u nog het tafereel opnoemen, waarin een voornaam schilder zekere groote en schoone koningin, over welke hij ontevreden was, ten toon stelde in het oogenblik, waarin zij zich tot eenen geringen visscher verlaagde. Deze, zoo wegens haren wuften aard en hare losbandigheid van zeden, als wegens den luister harer bekoorlijkheden, algemeen befaamde vorstin, vond hare beeldtenis zoo schoon en wel getroffen, dat zij, in plaats van den kunstenaar te straffen, hem een aanmerkelijk geschenk deed. Ziedaar de ware modellen, welke decaricatuur-fabrikeursten voorbeeld moesten nemen, in plaats van op lange zoomen papier, uit den mond hunner personaadjes woorden en spreuken te voorschijn te doen komen, meestal strookende met de wijze, waarop zij hun onderwerp behandeld hebben. Gij zult mij toch niet willen betwisten, dat inzonderheid in de Engelschecaricaturendeze heerschende fouten wordenaangetroffen.—De Franschen en Italianen hebben zich daarvoor beter weten te wachten; maar hier heb ik er zelf vele gezien, waarin meer penne- dan penseeltrekken gevonden werden.”„De Engelschen hebben derhalve, volgens uwe meening, ongelijk, dat zij, met betrekking tot decaricaturen, op dezelfde meerderheid, als op die van den Oceaan aanspraak maken?”—„Ik zal u op deze vraag antwoorden, zoodra men mij eenen Engelschencaricatuur-fabrikeuropgenoemd heeft, die waardig is, om aan de zijde van onzen landgenootGallotgeplaatst te worden.”

„De zucht, om u mijn zonderling avontuurtje te vertellen,” vervolgde mijn vriendC..., „heeft mij een ander onderwerp uit het oog doen verliezen, waarover ik u wensch te onderhouden, en waarmede wij terstond zullen beginnen. Ik bedoel het woordCaricature. Gij zult mij echter, hoop ik, toestaan, datLondenten minste hierin de eerste stad der wereld mag genoemd worden.”

„Ik stem toe, dat er nergens zoo vele spotprenten gevonden worden, schoon, sedert eenigen tijd,Parijshierin metLondenom den prijs schijnt te willen dingen. Maar wat is eigenlijk eenecaricature? niets anders dan eene geschilderdesatire. Eenecaricatuurmoet in tegenoverstelling van eene schilderij, datgene zijn, wat eene geestigeparodieis in tegenoverstelling van een zang- of treurspel, gelijk wij dit dikwijls gezien hebben op onsTheatre du Vaudeville, bij voorbeeld in de zangstukjesNiceenArlequino Cruello. Doch, vande honderd spotprenten, welke ik hier zie, zijn er zeker negentig volstrekt zout- en geesteloos: ook is er geen spoor van teekening in te vinden, alle regels der kunst zijn jammerlijk geschonden, en men bespeurt duidelijk, dat het geenszins aan den goeden wil van den broddelaar, (welken ik met een goed geweten nimmerkunstenaarzal kunnen noemen) gehaperd heeft, om iets beters voor den dag te brengen; maar dat zijne onbekwaamheid hem zoodanige gedrochten heeft doen scheppen. Betreffende de tien anderen, van dezen verdienen negen slechts eenige aanmerking door derzelver bijtende en boosaardige beteekenis, welke altijd het uitsluitende kenmerk is, en de tiende alleen zou misschien eenige verschooning kunnen vinden in de oogen van iemand, die een gezond oordeel bezit. In een woord, nooit zie ik eene spotprent, zonder aanScarron’sboertige vertaling vanVirgiliuste denken.”

—„Gij zijt waarlijk al te streng! Laat ons een paar van deze prentwinkels bezigtigen, en gij zult er spotprenten zien, die u zullen doen lagchen.”

—„Zonder twijfel, ik zal lagchen—even als ik lach over de verregaande zotheden, welkeBrunetenPortierop hetTheatre desVariètésuitventen; maar denk echter niet, dat ik zeg:

J’ai ri, me voilà désarmé!

J’ai ri, me voilà désarmé!

Ik heb gelagchen, en ziedaar mij ontwapend!

Ik heb gelagchen, en ziedaar mij ontwapend!

„Neen, mijn vriend! het is slechts een vlugtige glimlach, die volstrekt niets meer beteekent dan een voorbijgaande reuk, welke reeds zijne kracht verloren heeft, voordat men hem kan onderscheiden.

„De ouden kenden de kunst vancaricaturente schetsen in den grond; en ofschoon ons weinige werken van deze soort zijn overgebleven, weten wij echter genoeg, om te kunnen beweren, dat zij in deze voortbrengselen van hun genie nooit de regelen der teeken- noch der schilderkunst verwaarloosden. Een Grieksch schilder eenmaal het Atheensche volk willende doen gevoelen, dat het beurtelings standvastig en wispelturig, grootmoedig en wreed, nederig en trotsch, billijk en onregtvaardig was, kwam op het denkbeeld, om den Athenienzers deze waarheid in eene schilderij onder het oog te brengen, waarin hij den schutsgeest hunner stad als eenen zaaijer voorstelde, die de zaden van alle deugden en ondeugden rondom dezelve strooide.—Een ander kunstenaar hadTimotheus, een’ der voornaamste veldheeren van dat gemeenebest, slapende geschilderd, middelerwijl de godin van het geluk de vijandelijke steden voor hem in netten ving.—Timotheusdeze schilderij ziende, zeide, wat moet ik doen, als ik ontwaak?—Tot besluit eindelijk zal ik onder het getal der aanmerkenswaardigecaricaturenuit de oudheid u nog het tafereel opnoemen, waarin een voornaam schilder zekere groote en schoone koningin, over welke hij ontevreden was, ten toon stelde in het oogenblik, waarin zij zich tot eenen geringen visscher verlaagde. Deze, zoo wegens haren wuften aard en hare losbandigheid van zeden, als wegens den luister harer bekoorlijkheden, algemeen befaamde vorstin, vond hare beeldtenis zoo schoon en wel getroffen, dat zij, in plaats van den kunstenaar te straffen, hem een aanmerkelijk geschenk deed. Ziedaar de ware modellen, welke decaricatuur-fabrikeursten voorbeeld moesten nemen, in plaats van op lange zoomen papier, uit den mond hunner personaadjes woorden en spreuken te voorschijn te doen komen, meestal strookende met de wijze, waarop zij hun onderwerp behandeld hebben. Gij zult mij toch niet willen betwisten, dat inzonderheid in de Engelschecaricaturendeze heerschende fouten wordenaangetroffen.—De Franschen en Italianen hebben zich daarvoor beter weten te wachten; maar hier heb ik er zelf vele gezien, waarin meer penne- dan penseeltrekken gevonden werden.”

„De Engelschen hebben derhalve, volgens uwe meening, ongelijk, dat zij, met betrekking tot decaricaturen, op dezelfde meerderheid, als op die van den Oceaan aanspraak maken?”

—„Ik zal u op deze vraag antwoorden, zoodra men mij eenen Engelschencaricatuur-fabrikeuropgenoemd heeft, die waardig is, om aan de zijde van onzen landgenootGallotgeplaatst te worden.”


Back to IndexNext