XXVI.

XXVI.Roovers, Afzetters, Zakkerolders en Beurzensnijders.Op eenen zekeren avond, of liever morgen, want het was half een des nachts, uit den schouwburg vanDrurij-lanekomende, ontmoette ik eenen grooten, met eenen duchtigen stok gewapenden vent, die mij staande hield en den doorgang afsneed. Om eenen eerlijken aftogt te maken, wilde ik terugkeeren, doch ik stiet, helaas! op twee andere fielten, die geen gunstiger uitzigt hadden. De een, die voor mij stond, eischte mijne beurs, en dat wel zonder eenige wellevendheid, welke men anderzins veelal den Engelschen straatroovers toekent. Dit avontuur was intusschen zoo aangenaam niet, als dat van de drie Bevalligheden, welke mij, eenige dagen te voren, inCheapsidehadden aangerand. Juist had ik den vorigen dag in een der dagbladen de lofrede op eenen Engelschman gelezen, die, insgelijks door drie deugnieten aangevallen, den moed gehad had, om zijne beurs te verdedigen,en die, tot belooning voor zijne dapperheid, onder het gewigt van eene menigte wel aangebragte stokslagen bezweken, en beroofd was van al, wat hij bij zich had, waarna men hem bijna naakt en half dood tot zijnent had gebragt. Intusschen gevoelde ik mij niet zeer opgewekt, om dezen ongelukkigen tot eenpendantte verstrekken; want de eer, om in de Londensche dagbladen te verschijnen, scheen mij tot dezen prijs wat al te duur gekocht. Ik maakte derhalve geene zwarigheid, om mijner beurs, die gelukkig niet zeer luisterrijk gestoffeerd was, vaarwel te zeggen; doch ik vreesde voor mijne horologie, hoewel het aldra bleek, dat ik met eerlijke gaauwdieven te doen had. Naauwelijks was mijne beurs uit mijne handen in de hunne overgegaan, of zij verdwenen als vogels in de lucht, en ik vervolgde mijnen weg naar mijn logement, waar ik, zonder eenige andere onaangename voorvallen, behouden aankwam.Iederen avond, voor dat ik naar bed ging, had ik de gewoonte om een paar bladen op te slaan in een boek, dat ten opschrift voerde:Beschrijving van Londen, of Wegwijzer voor vreemdelingen in deze stad. Dit diende mij tot een rigtsnoer, om te overwegen, met welke bezigheden ik den volgenden dag zoudoorbrengen. Mijne vorige ontmoeting belettede mij geenszins, aan deze gewoonte getrouw te blijven, en toevallig sloeg ik een hoofdstuk op, dat juist zeer veel betrekking had met hetgene mij bejegend was. Ik zal er den lezer eenige plaatsen uit mededeelen, en tevens zorgen, dat het overgenomene onderscheiden wordt van de aanmerkingen, welke ik mij hier en daar er over zal veroorloven.„Des nachts bestaat de wacht uit eenige ongewapende grijsaards,watchmengenaamd; en slechte een gering getal gerechtsdienaren zijn belast met het nasporen en opbrengen der roovers en afzetters.”Het is dus geenszins te verwonderen, dat hier zoo velen van dit slag van volkje gevonden worden; ook gaat er zeldzaam een dag voorbij, dat de nieuwstijdingen geen verhaal mededelen van geweldige diefstallen of afzetterijen. Dit vooraf in aanmerking nemende, zou men welhaast in verzoeking geraken, om de volgende regels voor een fabeltje te houden.„Er bestaat nogtans geene stad, waar men veiliger en geruster kan gaan en komen, zonder vrees van eenig ongeval te ontmoeten, (onverschillig, welk uur van den dag of nacht) dan teLonden.Dit wonderbareverschijnsel is echter geenszins te zoeken in de orde, sterkte en geregeldheid van de gewone politie, maar veeleer toe te schrijven aan den gelukkigen zamenloop van zedelijke oorzaken, waarvan de voornaamste is de verjaarde vrijheid, welke alle klassen van het volk onbelemmerd inEngelandgenieten, en die zelfs in de zielen der armen met diepe merken gegrift is; voorts in de algemeene neiging tot orde in de zamenleving, en in de zucht, om zijn bestaan te vinden door eene onafgebrokene vlijt en ijverige werkzaamheid.”Ik begrijp derhalve niet al te wel, aan welke dezer zedelijke, zoo gelukkig vereenigde oorzaken ik het verlies van mijne beurs moet toeschrijven.Vervolgens maakt de schrijver melding van de onderscheidene soorten van fielterijen, waarvoor zich een vreemdeling inLondente wachten heeft.„De reizigers moeten, onder anderen, zorg dragen, om niet in den nacht teLondenaan te komen, of zij loopen groot gevaar van, nog op het einde hunner reize, door struikroovers aangevallen te worden; ten minste is het genoegzaam zeker, dat zij, bij hunne aankomst, zich verrast zullen zien doorde vriendelijkheid en de zorg, welke de heeren vrijbuiters gehad hebben, om de koffers en valiezen, die achter op derijtuigengebonden waren, bij voorraad eene goede bergplaats te bezorgen.„Eenelegiovan dieven en roovers houdt altijd schildwacht aan de deuren der herbergen, waar depostwagensen andere rijtuigen aankomen. Volijverig zijn zij in de weer, om de pakkaadje der reizigers aan te nemen en te bezorgen; maar naauwelijks hebben zij dezelve in handen, of zij maken zich zoek, en verdwijnen in een oogenblik, zonder aan het terugkomen te denken.„Een ander gedeelte dezer fielten verzamelt zich voor de vensters der kooplieden, waar kunstplaten, spotprenten en wat dies meer is, verkocht worden, of aan de deuren der huizen, waar de eene of andere publieke tentoonstelling is, even als in den omtrek der schouwburgen en van alle andere plaatsen, van openbare vermakelijkheden. Men moet derhalve wel zorg dragen, zoo haast men zich in het gedrang begeeft, niets van eenige waarde bij zich te hebben, maar de oogen altijd geopend en de handen in de sakken te houden.„Verwisselt gij toevallig eene banknoot, ofeen stuk zilver, beschouw dan, in ’s hemels naam! naauwkeurig het geld, dat men u teruggeeft; want verscheiden kooplieden zullen u valsche munten in de handen trachten te spelen, en bovenal hebben de huurkoetsiers zich deze hatelijke gewoonte eigen gemaakt.”Het is inderdaad bijna ongeloofelijk hoe vele valsche banknoten en hoe veel valsch geld men inEngelandallerwege aantreft. Ook zal een Engelschman zelden nalaten zelfs het kleinste stukje zilveren munt naauwkeurig van alle kanten te bezigtigen, en op den grond te laten vallen, om zich door den klank van deszelfs gehalte te overtuigen. Geeft gij hem eene banknoot in betaling, dan gebeurt het menigmaal, dat hij u verzoekt, uwen naam en uwe woning er op te zetten. Deze banknoten zijn meestal door geheelEngelandin omloop, en worden niet slechts in den handel, maar ook in de dagelijksche uitgaven meer, dan de geldspecien, gebruikt: men heeft ze van onderscheidene waarde, ja zelfs tot één pond, dat is vierentwintiglivres.„In vele openbare verkoopingen worden somtijds opgelegde werken voor echt zilver verkocht.„De Joden, die op straat uitstallen, zullen,zoo zij kunnen, u de waarde van een ding tienvoudig doen betalen.„Alle wisselaars, bijna zonder uitzondering, zullen u trachten te bedriegen.„De dagbladschrijvers zullen u aanzienlijke sommen afpersen voor het stellen van een gunstig berigt nopens een pleitgeding, een nieuw werk, of een tooneelstuk.„Hebt gij, bij ongeluk, eene zaak voor het eene of andere geregtshof hangen, dan zult gij alle toegangen belegerd vinden door een heer van menschen, die u hunne diensten aanbieden, doch u tevens, op onderscheidene wijzen, op schatting weten te stellen.„De kwakzalvers zullen u vermoorden, onder de plegtigste verzekering, dat zij u zullen genezen.„De apothekers zullen u vervalschte artsenijen voor goede geven.”Doch ik wil mijn uittreksel niet verder vervolgen; alleen zal ik nog zeggen, dat de schrijver eindigt met het berigt, dat er twee zeer nuttige gezelschappen teLondenzijn opgerigt, die ten oogmerk hebben, om alle schelmsche streken en afzetterijen, van welk eenen aard ook, te ontdekken en te doen straffen; en mijns oordeels is dit nogmaals een bewijs, datdezelvein deze stad zeer menigvuldig zijn.Bijaldien immer een Franschman al datgene, hetwelk ik uit dezen Engelschen schrijver heb overgenomen, op eigen gezag had geschreven, zou hij zeker, zelfs inFrankrijk, van vergrooting zijn beschuldigd geworden; en echter heb ik dit alles getrokken uit een Engelsch boek, opzettelijk geschreven, om al, wat in de hoofdstad der drie vereenigde rijken gevonden wordt, hemelhoog te verheffen, en waarin de geringste voorwerpen doorgaans met de belagchenswaardigste pralerij worden voorgedragen. Niets meer bij het geschetste tafereel kunnende voegen, laat ik dit onderwerp gaarne aan de verdere overweging van mijne lezers.

XXVI.Roovers, Afzetters, Zakkerolders en Beurzensnijders.Op eenen zekeren avond, of liever morgen, want het was half een des nachts, uit den schouwburg vanDrurij-lanekomende, ontmoette ik eenen grooten, met eenen duchtigen stok gewapenden vent, die mij staande hield en den doorgang afsneed. Om eenen eerlijken aftogt te maken, wilde ik terugkeeren, doch ik stiet, helaas! op twee andere fielten, die geen gunstiger uitzigt hadden. De een, die voor mij stond, eischte mijne beurs, en dat wel zonder eenige wellevendheid, welke men anderzins veelal den Engelschen straatroovers toekent. Dit avontuur was intusschen zoo aangenaam niet, als dat van de drie Bevalligheden, welke mij, eenige dagen te voren, inCheapsidehadden aangerand. Juist had ik den vorigen dag in een der dagbladen de lofrede op eenen Engelschman gelezen, die, insgelijks door drie deugnieten aangevallen, den moed gehad had, om zijne beurs te verdedigen,en die, tot belooning voor zijne dapperheid, onder het gewigt van eene menigte wel aangebragte stokslagen bezweken, en beroofd was van al, wat hij bij zich had, waarna men hem bijna naakt en half dood tot zijnent had gebragt. Intusschen gevoelde ik mij niet zeer opgewekt, om dezen ongelukkigen tot eenpendantte verstrekken; want de eer, om in de Londensche dagbladen te verschijnen, scheen mij tot dezen prijs wat al te duur gekocht. Ik maakte derhalve geene zwarigheid, om mijner beurs, die gelukkig niet zeer luisterrijk gestoffeerd was, vaarwel te zeggen; doch ik vreesde voor mijne horologie, hoewel het aldra bleek, dat ik met eerlijke gaauwdieven te doen had. Naauwelijks was mijne beurs uit mijne handen in de hunne overgegaan, of zij verdwenen als vogels in de lucht, en ik vervolgde mijnen weg naar mijn logement, waar ik, zonder eenige andere onaangename voorvallen, behouden aankwam.Iederen avond, voor dat ik naar bed ging, had ik de gewoonte om een paar bladen op te slaan in een boek, dat ten opschrift voerde:Beschrijving van Londen, of Wegwijzer voor vreemdelingen in deze stad. Dit diende mij tot een rigtsnoer, om te overwegen, met welke bezigheden ik den volgenden dag zoudoorbrengen. Mijne vorige ontmoeting belettede mij geenszins, aan deze gewoonte getrouw te blijven, en toevallig sloeg ik een hoofdstuk op, dat juist zeer veel betrekking had met hetgene mij bejegend was. Ik zal er den lezer eenige plaatsen uit mededeelen, en tevens zorgen, dat het overgenomene onderscheiden wordt van de aanmerkingen, welke ik mij hier en daar er over zal veroorloven.„Des nachts bestaat de wacht uit eenige ongewapende grijsaards,watchmengenaamd; en slechte een gering getal gerechtsdienaren zijn belast met het nasporen en opbrengen der roovers en afzetters.”Het is dus geenszins te verwonderen, dat hier zoo velen van dit slag van volkje gevonden worden; ook gaat er zeldzaam een dag voorbij, dat de nieuwstijdingen geen verhaal mededelen van geweldige diefstallen of afzetterijen. Dit vooraf in aanmerking nemende, zou men welhaast in verzoeking geraken, om de volgende regels voor een fabeltje te houden.„Er bestaat nogtans geene stad, waar men veiliger en geruster kan gaan en komen, zonder vrees van eenig ongeval te ontmoeten, (onverschillig, welk uur van den dag of nacht) dan teLonden.Dit wonderbareverschijnsel is echter geenszins te zoeken in de orde, sterkte en geregeldheid van de gewone politie, maar veeleer toe te schrijven aan den gelukkigen zamenloop van zedelijke oorzaken, waarvan de voornaamste is de verjaarde vrijheid, welke alle klassen van het volk onbelemmerd inEngelandgenieten, en die zelfs in de zielen der armen met diepe merken gegrift is; voorts in de algemeene neiging tot orde in de zamenleving, en in de zucht, om zijn bestaan te vinden door eene onafgebrokene vlijt en ijverige werkzaamheid.”Ik begrijp derhalve niet al te wel, aan welke dezer zedelijke, zoo gelukkig vereenigde oorzaken ik het verlies van mijne beurs moet toeschrijven.Vervolgens maakt de schrijver melding van de onderscheidene soorten van fielterijen, waarvoor zich een vreemdeling inLondente wachten heeft.„De reizigers moeten, onder anderen, zorg dragen, om niet in den nacht teLondenaan te komen, of zij loopen groot gevaar van, nog op het einde hunner reize, door struikroovers aangevallen te worden; ten minste is het genoegzaam zeker, dat zij, bij hunne aankomst, zich verrast zullen zien doorde vriendelijkheid en de zorg, welke de heeren vrijbuiters gehad hebben, om de koffers en valiezen, die achter op derijtuigengebonden waren, bij voorraad eene goede bergplaats te bezorgen.„Eenelegiovan dieven en roovers houdt altijd schildwacht aan de deuren der herbergen, waar depostwagensen andere rijtuigen aankomen. Volijverig zijn zij in de weer, om de pakkaadje der reizigers aan te nemen en te bezorgen; maar naauwelijks hebben zij dezelve in handen, of zij maken zich zoek, en verdwijnen in een oogenblik, zonder aan het terugkomen te denken.„Een ander gedeelte dezer fielten verzamelt zich voor de vensters der kooplieden, waar kunstplaten, spotprenten en wat dies meer is, verkocht worden, of aan de deuren der huizen, waar de eene of andere publieke tentoonstelling is, even als in den omtrek der schouwburgen en van alle andere plaatsen, van openbare vermakelijkheden. Men moet derhalve wel zorg dragen, zoo haast men zich in het gedrang begeeft, niets van eenige waarde bij zich te hebben, maar de oogen altijd geopend en de handen in de sakken te houden.„Verwisselt gij toevallig eene banknoot, ofeen stuk zilver, beschouw dan, in ’s hemels naam! naauwkeurig het geld, dat men u teruggeeft; want verscheiden kooplieden zullen u valsche munten in de handen trachten te spelen, en bovenal hebben de huurkoetsiers zich deze hatelijke gewoonte eigen gemaakt.”Het is inderdaad bijna ongeloofelijk hoe vele valsche banknoten en hoe veel valsch geld men inEngelandallerwege aantreft. Ook zal een Engelschman zelden nalaten zelfs het kleinste stukje zilveren munt naauwkeurig van alle kanten te bezigtigen, en op den grond te laten vallen, om zich door den klank van deszelfs gehalte te overtuigen. Geeft gij hem eene banknoot in betaling, dan gebeurt het menigmaal, dat hij u verzoekt, uwen naam en uwe woning er op te zetten. Deze banknoten zijn meestal door geheelEngelandin omloop, en worden niet slechts in den handel, maar ook in de dagelijksche uitgaven meer, dan de geldspecien, gebruikt: men heeft ze van onderscheidene waarde, ja zelfs tot één pond, dat is vierentwintiglivres.„In vele openbare verkoopingen worden somtijds opgelegde werken voor echt zilver verkocht.„De Joden, die op straat uitstallen, zullen,zoo zij kunnen, u de waarde van een ding tienvoudig doen betalen.„Alle wisselaars, bijna zonder uitzondering, zullen u trachten te bedriegen.„De dagbladschrijvers zullen u aanzienlijke sommen afpersen voor het stellen van een gunstig berigt nopens een pleitgeding, een nieuw werk, of een tooneelstuk.„Hebt gij, bij ongeluk, eene zaak voor het eene of andere geregtshof hangen, dan zult gij alle toegangen belegerd vinden door een heer van menschen, die u hunne diensten aanbieden, doch u tevens, op onderscheidene wijzen, op schatting weten te stellen.„De kwakzalvers zullen u vermoorden, onder de plegtigste verzekering, dat zij u zullen genezen.„De apothekers zullen u vervalschte artsenijen voor goede geven.”Doch ik wil mijn uittreksel niet verder vervolgen; alleen zal ik nog zeggen, dat de schrijver eindigt met het berigt, dat er twee zeer nuttige gezelschappen teLondenzijn opgerigt, die ten oogmerk hebben, om alle schelmsche streken en afzetterijen, van welk eenen aard ook, te ontdekken en te doen straffen; en mijns oordeels is dit nogmaals een bewijs, datdezelvein deze stad zeer menigvuldig zijn.Bijaldien immer een Franschman al datgene, hetwelk ik uit dezen Engelschen schrijver heb overgenomen, op eigen gezag had geschreven, zou hij zeker, zelfs inFrankrijk, van vergrooting zijn beschuldigd geworden; en echter heb ik dit alles getrokken uit een Engelsch boek, opzettelijk geschreven, om al, wat in de hoofdstad der drie vereenigde rijken gevonden wordt, hemelhoog te verheffen, en waarin de geringste voorwerpen doorgaans met de belagchenswaardigste pralerij worden voorgedragen. Niets meer bij het geschetste tafereel kunnende voegen, laat ik dit onderwerp gaarne aan de verdere overweging van mijne lezers.

XXVI.Roovers, Afzetters, Zakkerolders en Beurzensnijders.

Op eenen zekeren avond, of liever morgen, want het was half een des nachts, uit den schouwburg vanDrurij-lanekomende, ontmoette ik eenen grooten, met eenen duchtigen stok gewapenden vent, die mij staande hield en den doorgang afsneed. Om eenen eerlijken aftogt te maken, wilde ik terugkeeren, doch ik stiet, helaas! op twee andere fielten, die geen gunstiger uitzigt hadden. De een, die voor mij stond, eischte mijne beurs, en dat wel zonder eenige wellevendheid, welke men anderzins veelal den Engelschen straatroovers toekent. Dit avontuur was intusschen zoo aangenaam niet, als dat van de drie Bevalligheden, welke mij, eenige dagen te voren, inCheapsidehadden aangerand. Juist had ik den vorigen dag in een der dagbladen de lofrede op eenen Engelschman gelezen, die, insgelijks door drie deugnieten aangevallen, den moed gehad had, om zijne beurs te verdedigen,en die, tot belooning voor zijne dapperheid, onder het gewigt van eene menigte wel aangebragte stokslagen bezweken, en beroofd was van al, wat hij bij zich had, waarna men hem bijna naakt en half dood tot zijnent had gebragt. Intusschen gevoelde ik mij niet zeer opgewekt, om dezen ongelukkigen tot eenpendantte verstrekken; want de eer, om in de Londensche dagbladen te verschijnen, scheen mij tot dezen prijs wat al te duur gekocht. Ik maakte derhalve geene zwarigheid, om mijner beurs, die gelukkig niet zeer luisterrijk gestoffeerd was, vaarwel te zeggen; doch ik vreesde voor mijne horologie, hoewel het aldra bleek, dat ik met eerlijke gaauwdieven te doen had. Naauwelijks was mijne beurs uit mijne handen in de hunne overgegaan, of zij verdwenen als vogels in de lucht, en ik vervolgde mijnen weg naar mijn logement, waar ik, zonder eenige andere onaangename voorvallen, behouden aankwam.Iederen avond, voor dat ik naar bed ging, had ik de gewoonte om een paar bladen op te slaan in een boek, dat ten opschrift voerde:Beschrijving van Londen, of Wegwijzer voor vreemdelingen in deze stad. Dit diende mij tot een rigtsnoer, om te overwegen, met welke bezigheden ik den volgenden dag zoudoorbrengen. Mijne vorige ontmoeting belettede mij geenszins, aan deze gewoonte getrouw te blijven, en toevallig sloeg ik een hoofdstuk op, dat juist zeer veel betrekking had met hetgene mij bejegend was. Ik zal er den lezer eenige plaatsen uit mededeelen, en tevens zorgen, dat het overgenomene onderscheiden wordt van de aanmerkingen, welke ik mij hier en daar er over zal veroorloven.„Des nachts bestaat de wacht uit eenige ongewapende grijsaards,watchmengenaamd; en slechte een gering getal gerechtsdienaren zijn belast met het nasporen en opbrengen der roovers en afzetters.”Het is dus geenszins te verwonderen, dat hier zoo velen van dit slag van volkje gevonden worden; ook gaat er zeldzaam een dag voorbij, dat de nieuwstijdingen geen verhaal mededelen van geweldige diefstallen of afzetterijen. Dit vooraf in aanmerking nemende, zou men welhaast in verzoeking geraken, om de volgende regels voor een fabeltje te houden.„Er bestaat nogtans geene stad, waar men veiliger en geruster kan gaan en komen, zonder vrees van eenig ongeval te ontmoeten, (onverschillig, welk uur van den dag of nacht) dan teLonden.Dit wonderbareverschijnsel is echter geenszins te zoeken in de orde, sterkte en geregeldheid van de gewone politie, maar veeleer toe te schrijven aan den gelukkigen zamenloop van zedelijke oorzaken, waarvan de voornaamste is de verjaarde vrijheid, welke alle klassen van het volk onbelemmerd inEngelandgenieten, en die zelfs in de zielen der armen met diepe merken gegrift is; voorts in de algemeene neiging tot orde in de zamenleving, en in de zucht, om zijn bestaan te vinden door eene onafgebrokene vlijt en ijverige werkzaamheid.”Ik begrijp derhalve niet al te wel, aan welke dezer zedelijke, zoo gelukkig vereenigde oorzaken ik het verlies van mijne beurs moet toeschrijven.Vervolgens maakt de schrijver melding van de onderscheidene soorten van fielterijen, waarvoor zich een vreemdeling inLondente wachten heeft.„De reizigers moeten, onder anderen, zorg dragen, om niet in den nacht teLondenaan te komen, of zij loopen groot gevaar van, nog op het einde hunner reize, door struikroovers aangevallen te worden; ten minste is het genoegzaam zeker, dat zij, bij hunne aankomst, zich verrast zullen zien doorde vriendelijkheid en de zorg, welke de heeren vrijbuiters gehad hebben, om de koffers en valiezen, die achter op derijtuigengebonden waren, bij voorraad eene goede bergplaats te bezorgen.„Eenelegiovan dieven en roovers houdt altijd schildwacht aan de deuren der herbergen, waar depostwagensen andere rijtuigen aankomen. Volijverig zijn zij in de weer, om de pakkaadje der reizigers aan te nemen en te bezorgen; maar naauwelijks hebben zij dezelve in handen, of zij maken zich zoek, en verdwijnen in een oogenblik, zonder aan het terugkomen te denken.„Een ander gedeelte dezer fielten verzamelt zich voor de vensters der kooplieden, waar kunstplaten, spotprenten en wat dies meer is, verkocht worden, of aan de deuren der huizen, waar de eene of andere publieke tentoonstelling is, even als in den omtrek der schouwburgen en van alle andere plaatsen, van openbare vermakelijkheden. Men moet derhalve wel zorg dragen, zoo haast men zich in het gedrang begeeft, niets van eenige waarde bij zich te hebben, maar de oogen altijd geopend en de handen in de sakken te houden.„Verwisselt gij toevallig eene banknoot, ofeen stuk zilver, beschouw dan, in ’s hemels naam! naauwkeurig het geld, dat men u teruggeeft; want verscheiden kooplieden zullen u valsche munten in de handen trachten te spelen, en bovenal hebben de huurkoetsiers zich deze hatelijke gewoonte eigen gemaakt.”Het is inderdaad bijna ongeloofelijk hoe vele valsche banknoten en hoe veel valsch geld men inEngelandallerwege aantreft. Ook zal een Engelschman zelden nalaten zelfs het kleinste stukje zilveren munt naauwkeurig van alle kanten te bezigtigen, en op den grond te laten vallen, om zich door den klank van deszelfs gehalte te overtuigen. Geeft gij hem eene banknoot in betaling, dan gebeurt het menigmaal, dat hij u verzoekt, uwen naam en uwe woning er op te zetten. Deze banknoten zijn meestal door geheelEngelandin omloop, en worden niet slechts in den handel, maar ook in de dagelijksche uitgaven meer, dan de geldspecien, gebruikt: men heeft ze van onderscheidene waarde, ja zelfs tot één pond, dat is vierentwintiglivres.„In vele openbare verkoopingen worden somtijds opgelegde werken voor echt zilver verkocht.„De Joden, die op straat uitstallen, zullen,zoo zij kunnen, u de waarde van een ding tienvoudig doen betalen.„Alle wisselaars, bijna zonder uitzondering, zullen u trachten te bedriegen.„De dagbladschrijvers zullen u aanzienlijke sommen afpersen voor het stellen van een gunstig berigt nopens een pleitgeding, een nieuw werk, of een tooneelstuk.„Hebt gij, bij ongeluk, eene zaak voor het eene of andere geregtshof hangen, dan zult gij alle toegangen belegerd vinden door een heer van menschen, die u hunne diensten aanbieden, doch u tevens, op onderscheidene wijzen, op schatting weten te stellen.„De kwakzalvers zullen u vermoorden, onder de plegtigste verzekering, dat zij u zullen genezen.„De apothekers zullen u vervalschte artsenijen voor goede geven.”Doch ik wil mijn uittreksel niet verder vervolgen; alleen zal ik nog zeggen, dat de schrijver eindigt met het berigt, dat er twee zeer nuttige gezelschappen teLondenzijn opgerigt, die ten oogmerk hebben, om alle schelmsche streken en afzetterijen, van welk eenen aard ook, te ontdekken en te doen straffen; en mijns oordeels is dit nogmaals een bewijs, datdezelvein deze stad zeer menigvuldig zijn.Bijaldien immer een Franschman al datgene, hetwelk ik uit dezen Engelschen schrijver heb overgenomen, op eigen gezag had geschreven, zou hij zeker, zelfs inFrankrijk, van vergrooting zijn beschuldigd geworden; en echter heb ik dit alles getrokken uit een Engelsch boek, opzettelijk geschreven, om al, wat in de hoofdstad der drie vereenigde rijken gevonden wordt, hemelhoog te verheffen, en waarin de geringste voorwerpen doorgaans met de belagchenswaardigste pralerij worden voorgedragen. Niets meer bij het geschetste tafereel kunnende voegen, laat ik dit onderwerp gaarne aan de verdere overweging van mijne lezers.

Op eenen zekeren avond, of liever morgen, want het was half een des nachts, uit den schouwburg vanDrurij-lanekomende, ontmoette ik eenen grooten, met eenen duchtigen stok gewapenden vent, die mij staande hield en den doorgang afsneed. Om eenen eerlijken aftogt te maken, wilde ik terugkeeren, doch ik stiet, helaas! op twee andere fielten, die geen gunstiger uitzigt hadden. De een, die voor mij stond, eischte mijne beurs, en dat wel zonder eenige wellevendheid, welke men anderzins veelal den Engelschen straatroovers toekent. Dit avontuur was intusschen zoo aangenaam niet, als dat van de drie Bevalligheden, welke mij, eenige dagen te voren, inCheapsidehadden aangerand. Juist had ik den vorigen dag in een der dagbladen de lofrede op eenen Engelschman gelezen, die, insgelijks door drie deugnieten aangevallen, den moed gehad had, om zijne beurs te verdedigen,en die, tot belooning voor zijne dapperheid, onder het gewigt van eene menigte wel aangebragte stokslagen bezweken, en beroofd was van al, wat hij bij zich had, waarna men hem bijna naakt en half dood tot zijnent had gebragt. Intusschen gevoelde ik mij niet zeer opgewekt, om dezen ongelukkigen tot eenpendantte verstrekken; want de eer, om in de Londensche dagbladen te verschijnen, scheen mij tot dezen prijs wat al te duur gekocht. Ik maakte derhalve geene zwarigheid, om mijner beurs, die gelukkig niet zeer luisterrijk gestoffeerd was, vaarwel te zeggen; doch ik vreesde voor mijne horologie, hoewel het aldra bleek, dat ik met eerlijke gaauwdieven te doen had. Naauwelijks was mijne beurs uit mijne handen in de hunne overgegaan, of zij verdwenen als vogels in de lucht, en ik vervolgde mijnen weg naar mijn logement, waar ik, zonder eenige andere onaangename voorvallen, behouden aankwam.

Iederen avond, voor dat ik naar bed ging, had ik de gewoonte om een paar bladen op te slaan in een boek, dat ten opschrift voerde:Beschrijving van Londen, of Wegwijzer voor vreemdelingen in deze stad. Dit diende mij tot een rigtsnoer, om te overwegen, met welke bezigheden ik den volgenden dag zoudoorbrengen. Mijne vorige ontmoeting belettede mij geenszins, aan deze gewoonte getrouw te blijven, en toevallig sloeg ik een hoofdstuk op, dat juist zeer veel betrekking had met hetgene mij bejegend was. Ik zal er den lezer eenige plaatsen uit mededeelen, en tevens zorgen, dat het overgenomene onderscheiden wordt van de aanmerkingen, welke ik mij hier en daar er over zal veroorloven.

„Des nachts bestaat de wacht uit eenige ongewapende grijsaards,watchmengenaamd; en slechte een gering getal gerechtsdienaren zijn belast met het nasporen en opbrengen der roovers en afzetters.”

Het is dus geenszins te verwonderen, dat hier zoo velen van dit slag van volkje gevonden worden; ook gaat er zeldzaam een dag voorbij, dat de nieuwstijdingen geen verhaal mededelen van geweldige diefstallen of afzetterijen. Dit vooraf in aanmerking nemende, zou men welhaast in verzoeking geraken, om de volgende regels voor een fabeltje te houden.

„Er bestaat nogtans geene stad, waar men veiliger en geruster kan gaan en komen, zonder vrees van eenig ongeval te ontmoeten, (onverschillig, welk uur van den dag of nacht) dan teLonden.Dit wonderbareverschijnsel is echter geenszins te zoeken in de orde, sterkte en geregeldheid van de gewone politie, maar veeleer toe te schrijven aan den gelukkigen zamenloop van zedelijke oorzaken, waarvan de voornaamste is de verjaarde vrijheid, welke alle klassen van het volk onbelemmerd inEngelandgenieten, en die zelfs in de zielen der armen met diepe merken gegrift is; voorts in de algemeene neiging tot orde in de zamenleving, en in de zucht, om zijn bestaan te vinden door eene onafgebrokene vlijt en ijverige werkzaamheid.”

Ik begrijp derhalve niet al te wel, aan welke dezer zedelijke, zoo gelukkig vereenigde oorzaken ik het verlies van mijne beurs moet toeschrijven.

Vervolgens maakt de schrijver melding van de onderscheidene soorten van fielterijen, waarvoor zich een vreemdeling inLondente wachten heeft.

„De reizigers moeten, onder anderen, zorg dragen, om niet in den nacht teLondenaan te komen, of zij loopen groot gevaar van, nog op het einde hunner reize, door struikroovers aangevallen te worden; ten minste is het genoegzaam zeker, dat zij, bij hunne aankomst, zich verrast zullen zien doorde vriendelijkheid en de zorg, welke de heeren vrijbuiters gehad hebben, om de koffers en valiezen, die achter op derijtuigengebonden waren, bij voorraad eene goede bergplaats te bezorgen.

„Eenelegiovan dieven en roovers houdt altijd schildwacht aan de deuren der herbergen, waar depostwagensen andere rijtuigen aankomen. Volijverig zijn zij in de weer, om de pakkaadje der reizigers aan te nemen en te bezorgen; maar naauwelijks hebben zij dezelve in handen, of zij maken zich zoek, en verdwijnen in een oogenblik, zonder aan het terugkomen te denken.

„Een ander gedeelte dezer fielten verzamelt zich voor de vensters der kooplieden, waar kunstplaten, spotprenten en wat dies meer is, verkocht worden, of aan de deuren der huizen, waar de eene of andere publieke tentoonstelling is, even als in den omtrek der schouwburgen en van alle andere plaatsen, van openbare vermakelijkheden. Men moet derhalve wel zorg dragen, zoo haast men zich in het gedrang begeeft, niets van eenige waarde bij zich te hebben, maar de oogen altijd geopend en de handen in de sakken te houden.

„Verwisselt gij toevallig eene banknoot, ofeen stuk zilver, beschouw dan, in ’s hemels naam! naauwkeurig het geld, dat men u teruggeeft; want verscheiden kooplieden zullen u valsche munten in de handen trachten te spelen, en bovenal hebben de huurkoetsiers zich deze hatelijke gewoonte eigen gemaakt.”

Het is inderdaad bijna ongeloofelijk hoe vele valsche banknoten en hoe veel valsch geld men inEngelandallerwege aantreft. Ook zal een Engelschman zelden nalaten zelfs het kleinste stukje zilveren munt naauwkeurig van alle kanten te bezigtigen, en op den grond te laten vallen, om zich door den klank van deszelfs gehalte te overtuigen. Geeft gij hem eene banknoot in betaling, dan gebeurt het menigmaal, dat hij u verzoekt, uwen naam en uwe woning er op te zetten. Deze banknoten zijn meestal door geheelEngelandin omloop, en worden niet slechts in den handel, maar ook in de dagelijksche uitgaven meer, dan de geldspecien, gebruikt: men heeft ze van onderscheidene waarde, ja zelfs tot één pond, dat is vierentwintiglivres.

„In vele openbare verkoopingen worden somtijds opgelegde werken voor echt zilver verkocht.

„De Joden, die op straat uitstallen, zullen,zoo zij kunnen, u de waarde van een ding tienvoudig doen betalen.

„Alle wisselaars, bijna zonder uitzondering, zullen u trachten te bedriegen.

„De dagbladschrijvers zullen u aanzienlijke sommen afpersen voor het stellen van een gunstig berigt nopens een pleitgeding, een nieuw werk, of een tooneelstuk.

„Hebt gij, bij ongeluk, eene zaak voor het eene of andere geregtshof hangen, dan zult gij alle toegangen belegerd vinden door een heer van menschen, die u hunne diensten aanbieden, doch u tevens, op onderscheidene wijzen, op schatting weten te stellen.

„De kwakzalvers zullen u vermoorden, onder de plegtigste verzekering, dat zij u zullen genezen.

„De apothekers zullen u vervalschte artsenijen voor goede geven.”

Doch ik wil mijn uittreksel niet verder vervolgen; alleen zal ik nog zeggen, dat de schrijver eindigt met het berigt, dat er twee zeer nuttige gezelschappen teLondenzijn opgerigt, die ten oogmerk hebben, om alle schelmsche streken en afzetterijen, van welk eenen aard ook, te ontdekken en te doen straffen; en mijns oordeels is dit nogmaals een bewijs, datdezelvein deze stad zeer menigvuldig zijn.

Bijaldien immer een Franschman al datgene, hetwelk ik uit dezen Engelschen schrijver heb overgenomen, op eigen gezag had geschreven, zou hij zeker, zelfs inFrankrijk, van vergrooting zijn beschuldigd geworden; en echter heb ik dit alles getrokken uit een Engelsch boek, opzettelijk geschreven, om al, wat in de hoofdstad der drie vereenigde rijken gevonden wordt, hemelhoog te verheffen, en waarin de geringste voorwerpen doorgaans met de belagchenswaardigste pralerij worden voorgedragen. Niets meer bij het geschetste tafereel kunnende voegen, laat ik dit onderwerp gaarne aan de verdere overweging van mijne lezers.


Back to IndexNext