XXVIII.Eene onverwachte ontmoeting.Twee dagen voor mijn vertrek was ik den geheelen morgen op de been, om afscheid te nemen van mijne vrienden en kennissen, welke ik teLondengemaakt had. Ook had ik een en ander gekocht, en gevoelde mij zeer vermoeid: ik besloot derhalve, in den omtrek, waar ik mij bevond, het middagmaal te houden. Ongelukkiglijk was het in eene der voorsteden, die teLondenniet anders dan door de laagste volksklasse bewoond worden. Ik kon dus geenszins verwachten, veel bijzonders op tafel te vinden; doch daar degourmandisegeene mijner hoofdgebreken is, voor welke ik in het grootboek, waarin al onze ondeugden en zwakheden aangeteekend staan, zal ingeschreven worden, en ik buitendien een zeker prikkelend gevoel in mijne maag ontwaarde, hetwelk mij scheen te beloven, dat de eetlust de spijzen kruiden zou, indien er al iets aan mogt ontbreken, bleef ik bij mijn genomen besluit volharden.Ik stapte dus een huis binnen, waar eenige stukken gebraden en gekookt vleesch, achter een venster geplaatst, schenen aan te kondigen, dat men er iets te eten kon krijgen, en waar tevens achter eene ruit, op een stuk papier, met groote letters geschreven stond, dat er opene tafel, in eene fraaije zaal, op de eerste verdieping, werd gehouden. Boven gekomen zijnde, vond ik echter, in plaats van eene fraaije zaal, een morsig, donker kot: de tafels stonden tegen de muren, welker kleur mogelijk eenmaal wit was geweest, doch thans een vuil grijs opleverde: niet helderder waren de tafellakens, die, zonder vergrooting gesproken, gerust met de vier wanden konden wedijveren. De gasten, welke het gezelschap uitmaakten, schenen tot het laagste gemeen te behooren, een éénige, van wien ik aanstonds zal spreken, uitgezonderd.Naauwelijks had ik mijnen eersten stap in dit verblijf gezet, of ik bemerkte reeds, dat mijn honger zeer verminderd was: intusschen was ik te ver gevorderd, om weer terug te treden. Ik plaatste mij derhalve aan eene tafel, en verzocht den knecht om een pintaleen eenbeef-steaks; doch dat verzoek moest ik meermaals herhalen, en dit deed mij denken, dat hij niet gewoon was, dikwijls eenmiddagmaal van zoo veel gewigt te hooren bestellen. En inderdaad, toen ik mijne oogen over al de tafels liet gaan, welke mij omringden, ontwaarde ik niets op dezelve, dan een stuk kaas, en hier en daar een stuk koud vleesch; hetwelk er juist niet zeer smakelijk uitzag, benevens eenige pinten bier van tweepences(hetgeen gemakkelijk te onderscheiden is, want de vorm van het pintje zelve wijst de soort en hoedanigheid van den drank aan, welke het bevat.)Middelerwijl men zich in de keuken bezig hield met de buitengewone toebereidselen, welke de door mij bestelde geregten vorderden, riep een der gasten, die aan eene andere tafel, digt bij mij, zat, den knecht, om het gelag te betalen. De rekening was niet zeer omslagtig. Tweepencesbrood, tweepencesbier, en eenepencekaas maakten zijne geheele vertering uit. Nu nam hij uit een klein beursje, dat niet al te breed voorzien scheen, eenen halvenshilling, die de waarde heeft van zespences, of twaalf Fransche stuivers, gaf denzelfven aan den knecht, en ontving eene halvepenceterug, terwijl hij het overige edelmoedig tot een fooitje schonk, waarna hij diep zuchtende van tafel oprees.Het was een man van ongeveer vijf voeten en vijf duimen hoogte. Zijne beenen waren, inde volste beteekenis van het woord, volkomene oijevaarsbeenen met een paar zwarte slopkousen bekleed, door welker knoopsgaten men met een weinigje oplettendheid het bloote vel kon zien doorschijnen, en waaruit men derhalve gerustelijk hetfacitkon opmaken, dat onze vriend de kousen niet onder de noodzakelijke kleedingstukken rekende. Zijne broek, die van dezelfde kleur, doch zoodanig kaal en afgesleten was; dat men niet kon onderscheiden, van welke stof zij gemaakt was, bedekte een paar dijen, niet zwaarder dan een paar lamsbilletjes; terwijl een half blaauw en half geel vest over het gedeelte van zijn ligchaam heen fladderde, waar men zelfs met een vergrootglas geene schaduwe van eenen buik zou hebben kunnen vinden: de geheele romp was behangen met eenen zwarten rok, waarvan beide de ellebogen met wit garen waren toegenaaid, hetgeen men naderhand met inkt besmeerd had, om het in zwart te doen veranderen. Zijne ingevallene wangen schenen zich in zijnen mond te willen verbergen, zijn voorhoofd was vol met diepe rimpels, welke mij echter voorkwamen, meer door rampen en tegenspoed, dan wel door ouderdom, veroorzaakt te zijn. Niettegenstaande dit alles, had hij een moedig voorkomen,en zijn levendig en doordringend oog spreidde eene zekere fierheid ten toon.Daar zijne trekken mij niet onbekend waren, en ik mij verbeeldde, hem meermaals gezien te hebben, beschouwde ik hem met zeer veel oplettendheid. Bij geval kreeg hij mij insgelijks in het oog, en kwam terstond naar mij toe.—„Hoe!”zeide hij,„tref ik u teLonden, en wel in zulk een prachtig verblijf, aan?”„Ja, hernam ik, maar ik moet ronduit bekennen, dat ik vergeefs tracht, mij uwen naam te....”—„Herinneren, niet waar? Ik wil dit gaarne gelooven: sinds de drie jaren, dat wij elkander niet gezien hebben, zult gij mij wel zeer veranderd vinden.—Ik benCroquis.”Nu herkende ik hem dadelijk, niettegenstaande de ongeloofelijke gedaanteverwisseling van zijnen geheelen persoon. MijnheerCroquiswas een Fransche schilder, die, zonder zich tot den eersten rang dier kunstenaars te hebben kunnen verheffen, op welke de Fransche school tegenwoordig met regt mag bogen, zich echter van de broddelaars had weten te doen onderscheiden, en dien ten gevolge eenigen opgang gemaakt had. Zijn gedrag was steeds zeer fatsoenlijk en geregeld geweest; ook wasmij nooit iets slechts van hem ter ooren gekomen; ik kon dus niet begrijpen, hoe hij in dezen ellendigen toestand geraakt was, in welken ik hem, tot mijne groote verwondering, hier aantrof. Ik verzocht hem derhalve, mij gezelschap te houden, en vriendschappelijk met mij te deelen, hetgene voor mij op tafel stond.„Ik heb reeds gegeten,”zeide hij, met eenen bitteren glimlach,„en ik heb niets noodig.”Het gelukte mij echter, zijne beschroomdheid te doen verdwijnen, en hem gadeslaande, zag ik aldra, dat hij geenszins zooveel gegeten had, om zich te verzadigen, maar slechts, om den snerpendsten honger een weinig te stillen.Ons middagmaal geeindigd hebbende, gaf ik hem, bij het weggaan, mijn verlangen te kennen, om de redenen te weten, welke hem in dezen ellendigen toestand gebragt hadden; en daar hem wel bekend was, dat mijn verzoek geenszins uit nieuwsgierigheid, maar enkel uit een waar belang, hetwelk ik in zijn lot stelde, voortsproot, deelde hij mij zijne droevige historie mede, welke de lezer in de volgende afdeeling zal vinden.
XXVIII.Eene onverwachte ontmoeting.Twee dagen voor mijn vertrek was ik den geheelen morgen op de been, om afscheid te nemen van mijne vrienden en kennissen, welke ik teLondengemaakt had. Ook had ik een en ander gekocht, en gevoelde mij zeer vermoeid: ik besloot derhalve, in den omtrek, waar ik mij bevond, het middagmaal te houden. Ongelukkiglijk was het in eene der voorsteden, die teLondenniet anders dan door de laagste volksklasse bewoond worden. Ik kon dus geenszins verwachten, veel bijzonders op tafel te vinden; doch daar degourmandisegeene mijner hoofdgebreken is, voor welke ik in het grootboek, waarin al onze ondeugden en zwakheden aangeteekend staan, zal ingeschreven worden, en ik buitendien een zeker prikkelend gevoel in mijne maag ontwaarde, hetwelk mij scheen te beloven, dat de eetlust de spijzen kruiden zou, indien er al iets aan mogt ontbreken, bleef ik bij mijn genomen besluit volharden.Ik stapte dus een huis binnen, waar eenige stukken gebraden en gekookt vleesch, achter een venster geplaatst, schenen aan te kondigen, dat men er iets te eten kon krijgen, en waar tevens achter eene ruit, op een stuk papier, met groote letters geschreven stond, dat er opene tafel, in eene fraaije zaal, op de eerste verdieping, werd gehouden. Boven gekomen zijnde, vond ik echter, in plaats van eene fraaije zaal, een morsig, donker kot: de tafels stonden tegen de muren, welker kleur mogelijk eenmaal wit was geweest, doch thans een vuil grijs opleverde: niet helderder waren de tafellakens, die, zonder vergrooting gesproken, gerust met de vier wanden konden wedijveren. De gasten, welke het gezelschap uitmaakten, schenen tot het laagste gemeen te behooren, een éénige, van wien ik aanstonds zal spreken, uitgezonderd.Naauwelijks had ik mijnen eersten stap in dit verblijf gezet, of ik bemerkte reeds, dat mijn honger zeer verminderd was: intusschen was ik te ver gevorderd, om weer terug te treden. Ik plaatste mij derhalve aan eene tafel, en verzocht den knecht om een pintaleen eenbeef-steaks; doch dat verzoek moest ik meermaals herhalen, en dit deed mij denken, dat hij niet gewoon was, dikwijls eenmiddagmaal van zoo veel gewigt te hooren bestellen. En inderdaad, toen ik mijne oogen over al de tafels liet gaan, welke mij omringden, ontwaarde ik niets op dezelve, dan een stuk kaas, en hier en daar een stuk koud vleesch; hetwelk er juist niet zeer smakelijk uitzag, benevens eenige pinten bier van tweepences(hetgeen gemakkelijk te onderscheiden is, want de vorm van het pintje zelve wijst de soort en hoedanigheid van den drank aan, welke het bevat.)Middelerwijl men zich in de keuken bezig hield met de buitengewone toebereidselen, welke de door mij bestelde geregten vorderden, riep een der gasten, die aan eene andere tafel, digt bij mij, zat, den knecht, om het gelag te betalen. De rekening was niet zeer omslagtig. Tweepencesbrood, tweepencesbier, en eenepencekaas maakten zijne geheele vertering uit. Nu nam hij uit een klein beursje, dat niet al te breed voorzien scheen, eenen halvenshilling, die de waarde heeft van zespences, of twaalf Fransche stuivers, gaf denzelfven aan den knecht, en ontving eene halvepenceterug, terwijl hij het overige edelmoedig tot een fooitje schonk, waarna hij diep zuchtende van tafel oprees.Het was een man van ongeveer vijf voeten en vijf duimen hoogte. Zijne beenen waren, inde volste beteekenis van het woord, volkomene oijevaarsbeenen met een paar zwarte slopkousen bekleed, door welker knoopsgaten men met een weinigje oplettendheid het bloote vel kon zien doorschijnen, en waaruit men derhalve gerustelijk hetfacitkon opmaken, dat onze vriend de kousen niet onder de noodzakelijke kleedingstukken rekende. Zijne broek, die van dezelfde kleur, doch zoodanig kaal en afgesleten was; dat men niet kon onderscheiden, van welke stof zij gemaakt was, bedekte een paar dijen, niet zwaarder dan een paar lamsbilletjes; terwijl een half blaauw en half geel vest over het gedeelte van zijn ligchaam heen fladderde, waar men zelfs met een vergrootglas geene schaduwe van eenen buik zou hebben kunnen vinden: de geheele romp was behangen met eenen zwarten rok, waarvan beide de ellebogen met wit garen waren toegenaaid, hetgeen men naderhand met inkt besmeerd had, om het in zwart te doen veranderen. Zijne ingevallene wangen schenen zich in zijnen mond te willen verbergen, zijn voorhoofd was vol met diepe rimpels, welke mij echter voorkwamen, meer door rampen en tegenspoed, dan wel door ouderdom, veroorzaakt te zijn. Niettegenstaande dit alles, had hij een moedig voorkomen,en zijn levendig en doordringend oog spreidde eene zekere fierheid ten toon.Daar zijne trekken mij niet onbekend waren, en ik mij verbeeldde, hem meermaals gezien te hebben, beschouwde ik hem met zeer veel oplettendheid. Bij geval kreeg hij mij insgelijks in het oog, en kwam terstond naar mij toe.—„Hoe!”zeide hij,„tref ik u teLonden, en wel in zulk een prachtig verblijf, aan?”„Ja, hernam ik, maar ik moet ronduit bekennen, dat ik vergeefs tracht, mij uwen naam te....”—„Herinneren, niet waar? Ik wil dit gaarne gelooven: sinds de drie jaren, dat wij elkander niet gezien hebben, zult gij mij wel zeer veranderd vinden.—Ik benCroquis.”Nu herkende ik hem dadelijk, niettegenstaande de ongeloofelijke gedaanteverwisseling van zijnen geheelen persoon. MijnheerCroquiswas een Fransche schilder, die, zonder zich tot den eersten rang dier kunstenaars te hebben kunnen verheffen, op welke de Fransche school tegenwoordig met regt mag bogen, zich echter van de broddelaars had weten te doen onderscheiden, en dien ten gevolge eenigen opgang gemaakt had. Zijn gedrag was steeds zeer fatsoenlijk en geregeld geweest; ook wasmij nooit iets slechts van hem ter ooren gekomen; ik kon dus niet begrijpen, hoe hij in dezen ellendigen toestand geraakt was, in welken ik hem, tot mijne groote verwondering, hier aantrof. Ik verzocht hem derhalve, mij gezelschap te houden, en vriendschappelijk met mij te deelen, hetgene voor mij op tafel stond.„Ik heb reeds gegeten,”zeide hij, met eenen bitteren glimlach,„en ik heb niets noodig.”Het gelukte mij echter, zijne beschroomdheid te doen verdwijnen, en hem gadeslaande, zag ik aldra, dat hij geenszins zooveel gegeten had, om zich te verzadigen, maar slechts, om den snerpendsten honger een weinig te stillen.Ons middagmaal geeindigd hebbende, gaf ik hem, bij het weggaan, mijn verlangen te kennen, om de redenen te weten, welke hem in dezen ellendigen toestand gebragt hadden; en daar hem wel bekend was, dat mijn verzoek geenszins uit nieuwsgierigheid, maar enkel uit een waar belang, hetwelk ik in zijn lot stelde, voortsproot, deelde hij mij zijne droevige historie mede, welke de lezer in de volgende afdeeling zal vinden.
XXVIII.Eene onverwachte ontmoeting.
Twee dagen voor mijn vertrek was ik den geheelen morgen op de been, om afscheid te nemen van mijne vrienden en kennissen, welke ik teLondengemaakt had. Ook had ik een en ander gekocht, en gevoelde mij zeer vermoeid: ik besloot derhalve, in den omtrek, waar ik mij bevond, het middagmaal te houden. Ongelukkiglijk was het in eene der voorsteden, die teLondenniet anders dan door de laagste volksklasse bewoond worden. Ik kon dus geenszins verwachten, veel bijzonders op tafel te vinden; doch daar degourmandisegeene mijner hoofdgebreken is, voor welke ik in het grootboek, waarin al onze ondeugden en zwakheden aangeteekend staan, zal ingeschreven worden, en ik buitendien een zeker prikkelend gevoel in mijne maag ontwaarde, hetwelk mij scheen te beloven, dat de eetlust de spijzen kruiden zou, indien er al iets aan mogt ontbreken, bleef ik bij mijn genomen besluit volharden.Ik stapte dus een huis binnen, waar eenige stukken gebraden en gekookt vleesch, achter een venster geplaatst, schenen aan te kondigen, dat men er iets te eten kon krijgen, en waar tevens achter eene ruit, op een stuk papier, met groote letters geschreven stond, dat er opene tafel, in eene fraaije zaal, op de eerste verdieping, werd gehouden. Boven gekomen zijnde, vond ik echter, in plaats van eene fraaije zaal, een morsig, donker kot: de tafels stonden tegen de muren, welker kleur mogelijk eenmaal wit was geweest, doch thans een vuil grijs opleverde: niet helderder waren de tafellakens, die, zonder vergrooting gesproken, gerust met de vier wanden konden wedijveren. De gasten, welke het gezelschap uitmaakten, schenen tot het laagste gemeen te behooren, een éénige, van wien ik aanstonds zal spreken, uitgezonderd.Naauwelijks had ik mijnen eersten stap in dit verblijf gezet, of ik bemerkte reeds, dat mijn honger zeer verminderd was: intusschen was ik te ver gevorderd, om weer terug te treden. Ik plaatste mij derhalve aan eene tafel, en verzocht den knecht om een pintaleen eenbeef-steaks; doch dat verzoek moest ik meermaals herhalen, en dit deed mij denken, dat hij niet gewoon was, dikwijls eenmiddagmaal van zoo veel gewigt te hooren bestellen. En inderdaad, toen ik mijne oogen over al de tafels liet gaan, welke mij omringden, ontwaarde ik niets op dezelve, dan een stuk kaas, en hier en daar een stuk koud vleesch; hetwelk er juist niet zeer smakelijk uitzag, benevens eenige pinten bier van tweepences(hetgeen gemakkelijk te onderscheiden is, want de vorm van het pintje zelve wijst de soort en hoedanigheid van den drank aan, welke het bevat.)Middelerwijl men zich in de keuken bezig hield met de buitengewone toebereidselen, welke de door mij bestelde geregten vorderden, riep een der gasten, die aan eene andere tafel, digt bij mij, zat, den knecht, om het gelag te betalen. De rekening was niet zeer omslagtig. Tweepencesbrood, tweepencesbier, en eenepencekaas maakten zijne geheele vertering uit. Nu nam hij uit een klein beursje, dat niet al te breed voorzien scheen, eenen halvenshilling, die de waarde heeft van zespences, of twaalf Fransche stuivers, gaf denzelfven aan den knecht, en ontving eene halvepenceterug, terwijl hij het overige edelmoedig tot een fooitje schonk, waarna hij diep zuchtende van tafel oprees.Het was een man van ongeveer vijf voeten en vijf duimen hoogte. Zijne beenen waren, inde volste beteekenis van het woord, volkomene oijevaarsbeenen met een paar zwarte slopkousen bekleed, door welker knoopsgaten men met een weinigje oplettendheid het bloote vel kon zien doorschijnen, en waaruit men derhalve gerustelijk hetfacitkon opmaken, dat onze vriend de kousen niet onder de noodzakelijke kleedingstukken rekende. Zijne broek, die van dezelfde kleur, doch zoodanig kaal en afgesleten was; dat men niet kon onderscheiden, van welke stof zij gemaakt was, bedekte een paar dijen, niet zwaarder dan een paar lamsbilletjes; terwijl een half blaauw en half geel vest over het gedeelte van zijn ligchaam heen fladderde, waar men zelfs met een vergrootglas geene schaduwe van eenen buik zou hebben kunnen vinden: de geheele romp was behangen met eenen zwarten rok, waarvan beide de ellebogen met wit garen waren toegenaaid, hetgeen men naderhand met inkt besmeerd had, om het in zwart te doen veranderen. Zijne ingevallene wangen schenen zich in zijnen mond te willen verbergen, zijn voorhoofd was vol met diepe rimpels, welke mij echter voorkwamen, meer door rampen en tegenspoed, dan wel door ouderdom, veroorzaakt te zijn. Niettegenstaande dit alles, had hij een moedig voorkomen,en zijn levendig en doordringend oog spreidde eene zekere fierheid ten toon.Daar zijne trekken mij niet onbekend waren, en ik mij verbeeldde, hem meermaals gezien te hebben, beschouwde ik hem met zeer veel oplettendheid. Bij geval kreeg hij mij insgelijks in het oog, en kwam terstond naar mij toe.—„Hoe!”zeide hij,„tref ik u teLonden, en wel in zulk een prachtig verblijf, aan?”„Ja, hernam ik, maar ik moet ronduit bekennen, dat ik vergeefs tracht, mij uwen naam te....”—„Herinneren, niet waar? Ik wil dit gaarne gelooven: sinds de drie jaren, dat wij elkander niet gezien hebben, zult gij mij wel zeer veranderd vinden.—Ik benCroquis.”Nu herkende ik hem dadelijk, niettegenstaande de ongeloofelijke gedaanteverwisseling van zijnen geheelen persoon. MijnheerCroquiswas een Fransche schilder, die, zonder zich tot den eersten rang dier kunstenaars te hebben kunnen verheffen, op welke de Fransche school tegenwoordig met regt mag bogen, zich echter van de broddelaars had weten te doen onderscheiden, en dien ten gevolge eenigen opgang gemaakt had. Zijn gedrag was steeds zeer fatsoenlijk en geregeld geweest; ook wasmij nooit iets slechts van hem ter ooren gekomen; ik kon dus niet begrijpen, hoe hij in dezen ellendigen toestand geraakt was, in welken ik hem, tot mijne groote verwondering, hier aantrof. Ik verzocht hem derhalve, mij gezelschap te houden, en vriendschappelijk met mij te deelen, hetgene voor mij op tafel stond.„Ik heb reeds gegeten,”zeide hij, met eenen bitteren glimlach,„en ik heb niets noodig.”Het gelukte mij echter, zijne beschroomdheid te doen verdwijnen, en hem gadeslaande, zag ik aldra, dat hij geenszins zooveel gegeten had, om zich te verzadigen, maar slechts, om den snerpendsten honger een weinig te stillen.Ons middagmaal geeindigd hebbende, gaf ik hem, bij het weggaan, mijn verlangen te kennen, om de redenen te weten, welke hem in dezen ellendigen toestand gebragt hadden; en daar hem wel bekend was, dat mijn verzoek geenszins uit nieuwsgierigheid, maar enkel uit een waar belang, hetwelk ik in zijn lot stelde, voortsproot, deelde hij mij zijne droevige historie mede, welke de lezer in de volgende afdeeling zal vinden.
Twee dagen voor mijn vertrek was ik den geheelen morgen op de been, om afscheid te nemen van mijne vrienden en kennissen, welke ik teLondengemaakt had. Ook had ik een en ander gekocht, en gevoelde mij zeer vermoeid: ik besloot derhalve, in den omtrek, waar ik mij bevond, het middagmaal te houden. Ongelukkiglijk was het in eene der voorsteden, die teLondenniet anders dan door de laagste volksklasse bewoond worden. Ik kon dus geenszins verwachten, veel bijzonders op tafel te vinden; doch daar degourmandisegeene mijner hoofdgebreken is, voor welke ik in het grootboek, waarin al onze ondeugden en zwakheden aangeteekend staan, zal ingeschreven worden, en ik buitendien een zeker prikkelend gevoel in mijne maag ontwaarde, hetwelk mij scheen te beloven, dat de eetlust de spijzen kruiden zou, indien er al iets aan mogt ontbreken, bleef ik bij mijn genomen besluit volharden.
Ik stapte dus een huis binnen, waar eenige stukken gebraden en gekookt vleesch, achter een venster geplaatst, schenen aan te kondigen, dat men er iets te eten kon krijgen, en waar tevens achter eene ruit, op een stuk papier, met groote letters geschreven stond, dat er opene tafel, in eene fraaije zaal, op de eerste verdieping, werd gehouden. Boven gekomen zijnde, vond ik echter, in plaats van eene fraaije zaal, een morsig, donker kot: de tafels stonden tegen de muren, welker kleur mogelijk eenmaal wit was geweest, doch thans een vuil grijs opleverde: niet helderder waren de tafellakens, die, zonder vergrooting gesproken, gerust met de vier wanden konden wedijveren. De gasten, welke het gezelschap uitmaakten, schenen tot het laagste gemeen te behooren, een éénige, van wien ik aanstonds zal spreken, uitgezonderd.
Naauwelijks had ik mijnen eersten stap in dit verblijf gezet, of ik bemerkte reeds, dat mijn honger zeer verminderd was: intusschen was ik te ver gevorderd, om weer terug te treden. Ik plaatste mij derhalve aan eene tafel, en verzocht den knecht om een pintaleen eenbeef-steaks; doch dat verzoek moest ik meermaals herhalen, en dit deed mij denken, dat hij niet gewoon was, dikwijls eenmiddagmaal van zoo veel gewigt te hooren bestellen. En inderdaad, toen ik mijne oogen over al de tafels liet gaan, welke mij omringden, ontwaarde ik niets op dezelve, dan een stuk kaas, en hier en daar een stuk koud vleesch; hetwelk er juist niet zeer smakelijk uitzag, benevens eenige pinten bier van tweepences(hetgeen gemakkelijk te onderscheiden is, want de vorm van het pintje zelve wijst de soort en hoedanigheid van den drank aan, welke het bevat.)
Middelerwijl men zich in de keuken bezig hield met de buitengewone toebereidselen, welke de door mij bestelde geregten vorderden, riep een der gasten, die aan eene andere tafel, digt bij mij, zat, den knecht, om het gelag te betalen. De rekening was niet zeer omslagtig. Tweepencesbrood, tweepencesbier, en eenepencekaas maakten zijne geheele vertering uit. Nu nam hij uit een klein beursje, dat niet al te breed voorzien scheen, eenen halvenshilling, die de waarde heeft van zespences, of twaalf Fransche stuivers, gaf denzelfven aan den knecht, en ontving eene halvepenceterug, terwijl hij het overige edelmoedig tot een fooitje schonk, waarna hij diep zuchtende van tafel oprees.
Het was een man van ongeveer vijf voeten en vijf duimen hoogte. Zijne beenen waren, inde volste beteekenis van het woord, volkomene oijevaarsbeenen met een paar zwarte slopkousen bekleed, door welker knoopsgaten men met een weinigje oplettendheid het bloote vel kon zien doorschijnen, en waaruit men derhalve gerustelijk hetfacitkon opmaken, dat onze vriend de kousen niet onder de noodzakelijke kleedingstukken rekende. Zijne broek, die van dezelfde kleur, doch zoodanig kaal en afgesleten was; dat men niet kon onderscheiden, van welke stof zij gemaakt was, bedekte een paar dijen, niet zwaarder dan een paar lamsbilletjes; terwijl een half blaauw en half geel vest over het gedeelte van zijn ligchaam heen fladderde, waar men zelfs met een vergrootglas geene schaduwe van eenen buik zou hebben kunnen vinden: de geheele romp was behangen met eenen zwarten rok, waarvan beide de ellebogen met wit garen waren toegenaaid, hetgeen men naderhand met inkt besmeerd had, om het in zwart te doen veranderen. Zijne ingevallene wangen schenen zich in zijnen mond te willen verbergen, zijn voorhoofd was vol met diepe rimpels, welke mij echter voorkwamen, meer door rampen en tegenspoed, dan wel door ouderdom, veroorzaakt te zijn. Niettegenstaande dit alles, had hij een moedig voorkomen,en zijn levendig en doordringend oog spreidde eene zekere fierheid ten toon.
Daar zijne trekken mij niet onbekend waren, en ik mij verbeeldde, hem meermaals gezien te hebben, beschouwde ik hem met zeer veel oplettendheid. Bij geval kreeg hij mij insgelijks in het oog, en kwam terstond naar mij toe.—„Hoe!”zeide hij,„tref ik u teLonden, en wel in zulk een prachtig verblijf, aan?”
„Ja, hernam ik, maar ik moet ronduit bekennen, dat ik vergeefs tracht, mij uwen naam te....”
—„Herinneren, niet waar? Ik wil dit gaarne gelooven: sinds de drie jaren, dat wij elkander niet gezien hebben, zult gij mij wel zeer veranderd vinden.—Ik benCroquis.”
Nu herkende ik hem dadelijk, niettegenstaande de ongeloofelijke gedaanteverwisseling van zijnen geheelen persoon. MijnheerCroquiswas een Fransche schilder, die, zonder zich tot den eersten rang dier kunstenaars te hebben kunnen verheffen, op welke de Fransche school tegenwoordig met regt mag bogen, zich echter van de broddelaars had weten te doen onderscheiden, en dien ten gevolge eenigen opgang gemaakt had. Zijn gedrag was steeds zeer fatsoenlijk en geregeld geweest; ook wasmij nooit iets slechts van hem ter ooren gekomen; ik kon dus niet begrijpen, hoe hij in dezen ellendigen toestand geraakt was, in welken ik hem, tot mijne groote verwondering, hier aantrof. Ik verzocht hem derhalve, mij gezelschap te houden, en vriendschappelijk met mij te deelen, hetgene voor mij op tafel stond.
„Ik heb reeds gegeten,”zeide hij, met eenen bitteren glimlach,„en ik heb niets noodig.”
Het gelukte mij echter, zijne beschroomdheid te doen verdwijnen, en hem gadeslaande, zag ik aldra, dat hij geenszins zooveel gegeten had, om zich te verzadigen, maar slechts, om den snerpendsten honger een weinig te stillen.
Ons middagmaal geeindigd hebbende, gaf ik hem, bij het weggaan, mijn verlangen te kennen, om de redenen te weten, welke hem in dezen ellendigen toestand gebragt hadden; en daar hem wel bekend was, dat mijn verzoek geenszins uit nieuwsgierigheid, maar enkel uit een waar belang, hetwelk ik in zijn lot stelde, voortsproot, deelde hij mij zijne droevige historie mede, welke de lezer in de volgende afdeeling zal vinden.